ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.IN DEN STRIJD OM BUTLER’S BOERDERIJ.Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid, als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd moest worden.Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan, als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen van de tramps zouden vallen.Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis, van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte, goed bebouwde maïs- en andere akkers.“Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?” vroeg Droll.“Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft, kunnen zij nu wel spoedig hier zijn,” antwoordde Firehand.“Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht, zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die Sjeyennes en Arapahoes.”“Ik ook niet,” merkte Bill aan. “Die twee stammen zijn zeer klein, en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering kunnen voorbereiden.”“Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien,” zei Old Firehand.“Maar water,” merkte Droll aan, “dat is toch een der voornaamste behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet uit de rivier gaan scheppen.”“Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron, met zeergoeddrinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd door het kanaal.”“Is hier dan een kanaal?”“Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal, dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier.”“Is het diep?”“Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u bijna tot aan de borst.”“En is de gemeenschap met de rivier open?”“O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten.”Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg, geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en behoorlijk in orde was.Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de verwachte hulptroepen, en de “Groote Zon” reed te paard aan het hoofd van den troep.Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten, dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur, op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis opleverden, almede niet gering waren te schatten.Bijzondere bevelen konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen, een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten, die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand zich verlaten kon.Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie gestaltenaf, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij, niet te paard, maar te voet.“Aha! ze zenden verspieders vooruit,” zei Old Firehand. “Die hebben misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier binnen mogen komen.”“Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik,” merkte de lord aan.“Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het dak zien.”De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen, moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk zoogoed als onbewaakt was.Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam, werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat men verlangde.“Is de landbouwer thuis?” vroeg een stem.“Neen, die is op reis,” antwoordde hij.“Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?”“Neen.”“Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen wij niet een oogenblik binnenkomen?”Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger heeft, eenig voedselweigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen, een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik, waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: “Wij zijn arme geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen.”Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was, want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk eten voorgezet.Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst van de tramps spoedig verwachtten.Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken, zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden, naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.“Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?” vroeg Old Firehand hem met een barsche stem.De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde: “Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen gaan.”“Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier, naar de menschen, die zich daar bevinden.”“Welke menschen bedoelt gij, sir?” vroeg de man met een goed gehuichelde onnoozelheid. “Ik heb daar niemand gezien.”“Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind geweest.”“Welke ruiters? Ik heb er geen gezien.”“Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen uitgezonden als spionnen.”Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: “Wij? Wij tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u hier te komen overvallen, en datwijdaartoe behoorden, met welk doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn, dat ons zeer slecht bekomen kon?”“Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij blijven zitten.”“Wat?” viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in zijn zak.Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei dreigend: “Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn wij klaar, dus opgerukt, marsch!”Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was, begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden: “Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!”“En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten gelooven!” riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken sein, waarop de tot nu toeachter het huis verscholen verdedigers te voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den vijand het oog te kunnen houden.De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt, en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven hun paarden althans met dat doel er in.“Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening, zooals ik u gezegd heb”, sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten Tom. “En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle noodeloos verbruik van ammunitie.”“Goed zoo!” antwoordde Humply-Bill. “Ik zal stipt die volgorde in acht nemen.”En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn manier: “Zij worden, als ze uit water komen,—Door één schot onder mik genomen—Op rij af, en gaan een voor een,—Gezwinden pas naar Satan heen!”Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen; want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden zonder berijder op den oever rond.Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever terug te keeren.“Afgeslagen!” zei de oude Blenter. “Ik ben benieuwd wat zij nu zullen probeeren.”“Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen,” antwoordde Old Firehand. “Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten het bereik van onze kogels ligt.”“En dan?”“Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen.”“En wat noemt gij slim?”“Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken, dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan, want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen, dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen.”“Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt tegenover hen staan.”“Pshaw!Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is, en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij schijnen te beraadslagen.”De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten, was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden, totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren, vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand met luider stemme: “Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij willen de poort bestormen!”“Maar die kunnen zij toch niet openloopen!” merkte Blenter aan.“Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze ons hier op het erf letterlijk dooddrukken.”“Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!”“Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo’s uit de geweren met dubbelen loop, midden in den troep!”De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over den muur heen konden schieten.Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te vuren. Twee salvo’s knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand’s verwachting. Het was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw tegengehouden werden. Zij vormdeneen onbeschrijfelijken warklomp, die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in salvo, maarad libitum, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden, om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd, aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.“Zouden zij aftrekken?” vroeg Humply-Bill. “Ze hebben een duchtige les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen.”“Daar hebben zij volstrekt geen idee op,” antwoordde Tante Droll. “Als zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven, op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando van hem vernemen zullen.”“Een commando?”“Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen.”Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon; maarOld Firehandhad hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van boven af roepen: “Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten.”In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld, waarop hier en daar een plokje boschgroei.Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens de daarbij gestelde gewapende bewakers.Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen zouden worden, met het bloote oog te zien.De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven, zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop, en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon, zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid, waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe, blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten, en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit; er vielen verscheiden dooden,nog veel meer gekwetsten, niet alleen onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden, zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.“Nu vuren!” commandeerde hij. “Maar schiet enkel op de kerels, niet op de paarden!”Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn; zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.“Voort! voort!” brulde een stem uit hun midden. “Wij zijn omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!”Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in, die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen een zegevierend geschreeuw aanhieven.“Daar rukken zij uit!” lachte de oude Blenter. “Die komen niet terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?”“Natuurlijk,” antwoordde Zwarte Tom. “De stem kent men eens voor al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet achternazetten, sir?”Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde: “Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden, om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus zoo gauw mogelijk terug.”“En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden gebeuren?”“Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd meer verliezen, gauw naar onze paarden!”De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat, terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak van het huis, om overal eens goed rond te zien.Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk verijdeld was.“Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?” vroeg zij, terwijl zij een diepen zucht loosde. “Nu die tramps zulke zware verliezen geleden hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden voort te zetten, vergaan zal zijn.”“Misschien,” antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.“Hoe? Misschien maar?”“Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden.”“Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?”“O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen.”Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds na verloop van een korte poos vervolgde hij: “Ha, ha, daar zijn ze al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden terug. Het is te vooronderstellen, dat...”Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien meer naar het noorden gericht.“Wat is het?” vroeg de vrouw des huizes. “Waarom spreekt gij niet uit, sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?”Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en antwoordde: “Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet geschikt is om onzen toestand te verbeteren.”“Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?” vroeg zij op angstigen toon.Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt, doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te antwoorden: “Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden, die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken.”Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg; doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord, die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: “Ik had reden om de vrouw des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?”De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen: “De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen.”“Komen zij werkelijk?”“Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?”“Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?”“Neen, zij houden halt.”“Met hun gezichten naar welken kant?”“Naar het noorden.”“Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel, waarom de kerels halt gehouden hebben.”“Well, sir! Ik zal kijken!” En een oogenblik later vervolgde hij: “Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken.”“Ruiters? Hebt gij dat wel?”“Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier.”“En weet gij, wie die drie zijn?”“Neen. Hoe zou ik dat weten....heighho, het zullen toch niet....?”“Ja, precies!” knikte Old Firehand ernstig. “Zij zijn het; de landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen misgereden te zijn.”De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: “Dan moeten wij terstond te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in handen van de tramps!”Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast, en zei: “Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen, want het is reeds te laat. Zie, zie maar!”De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.“All devils!” riep hij uit. “Ze zullen hen vermoorden!”“Dat komt niet in hen op!” zei Old Firehand. “Die kerels kennen hun voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen, die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld.Wij hebben er niets tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps.”“Well, dat wil ik u toestemmen, sir!” sprak de lord. “Maar wee den schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En .... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met zulk gespuis in onderhandeling trad!”Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op, en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij: “Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderenten goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen kunnen belemmeren.”“Mag ook geen mensch anders het weten?”“Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen: dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij, mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun; maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn maatregelen nemen.”De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen, gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord, die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg: “Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?”“Ja, zoo is het!” knikte Old Firehand.“Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat zullen wij daarop antwoorden?”“Nu, wat zoudt gij denken?” vroeg Old Firehand, terwijl hij een schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.“Kunt gij dat nog vragen!” was het antwoord. “Geen duit, geen roode duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld te betalen?”“Zijn wij daartoe niet gedwongen?”“Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten, niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!”“Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen, zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen.”“Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij in het werkwezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit de verknijping te halen.”“Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij misschien al een plan?”“Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen, en halen de gevangenen een voor een er uit.”“Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke partij wezen.”“Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik verbeeld mij, dat .... hola!” viel hij zich zelf in de rede. “Pas nu op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten worden. Zult gij hen te woord staan?”“Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van ons hebben willen. Kom maar eens mee!”Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren, hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen op hun gemak waren.“Sir! wij komen als afgevaardigden,” sprak de een, “om u onze eischen bekend te maken.”“Zoo!” zei de jager op een toon van ironie. “Sedert wanneer durven de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?”De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit deed doen.“Wij zijn geen hazen, sir!” verstoutte de tramp zich te zeggen.“Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben, en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan.”“Sir!” vloog de tramp op, “ik wil zulke beleedigingen niet...”“Zwijg, schobberd!” bulderde Old Firehand hem toe. “Verachtelijke spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?”“Neen,” antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.“Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap hebt gij hier te doen?”“Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer en zijn nicht in onze handen gevallen is.”“Dat weet ik al.”“Die drie personen moeten sterven....”“Pshaw!” viel de jager hem in de rede.“... als gij onze voorwaarden niet aanneemt,” voltooide de parlementair zijn volzin.“Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zouikde man zijn.”“Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder voor uw oogen opgeknoopt.”“Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg voor u allen.”Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: “Bedenk het goed, drie menschenlevens!”“Dat bedenk ik zeer goed;slechtsdrie menschenlevens! En daarvoor zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is dus geheel aan onze zijde.”“Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen.”“Hoe zoo dan?”“Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft.”Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager antwoordde: “Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?”“Neen!”“Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken.”“Is u dat ernst, sir?”“Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het met u gedaan!”Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het hazenpad;doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te blijven staan, en omkijkende te vragen: “Mogen wij nog eens terugkomen als wij een ander voorstel hebben?”“Neen!”“Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?”“Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord staan; maar slechts een oogenblik.”“Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?”“Ja, mits hij mij niet beleedige.”“Wij zullen het hem zeggen.”Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd, daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben; maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden, maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: “Good day sir!Gij hebt gewenscht mij te spreken.”“Dat is meer dan ik weet,” antwoordde de Westman. “Ik heb eenvoudig gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u; en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel niet hadt laten zien.”“Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!”“Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt niet dien toon aan te slaan.”Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: “Ik verbeeld mij, dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben.”“Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover den overwinnaar—vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?”“Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het in onze macht de rollen om te keeren.”“Doe dat dan maar!” zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: “wij behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!”“Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?”“Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen wij, warenzij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons bestand geweest.”“Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt,” antwoordde hij. “Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft.”“Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk, waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af te snijden, dan was u onze gevangene geworden.”“Zoo, zoudt ge dat denken?”“Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt.”“Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben.”“Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te stellen, het leven van onze gevangenen te redden.”“Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van die menschen is volstrekt niet in gevaar.”“Niet?” hernam de kornel met een spottend grijnslachje. “Dan vergist gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt, worden zij zonder genade opgeknoopt.”“Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen wordt—allen, tot den laatsten man.”“Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?”“O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik daartegenover kan stellen?”“Ja, dat weet ik precies.”“Pshaw!Gij hebt ons niet kunnen tellen.”“Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier meegebracht hebt.”Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: “Tel uw dooden en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebtgij mijn Indianen gezien, en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.“De andere blanken?” lachte de tramp. “Er zijn geen anderen geweest dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen, zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken.”Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze haalde minachtend de schouders op, en zei: “Wij zullen er verder geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden, landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt.”Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg; want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een, totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op, wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: “Nu, wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven.”“Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander.”“Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft.”“Mijn antwoord hebt gij al.”“Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk van het bezetten van de boerderij afzien.”“O, dat is zeer vriendelijk van u,niets anders?”“Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug; daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft gij ons de noodigerunderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk betaalt gij twintig duizend dollars losgeld—zooveel zal er wel op de boerderij aanwezig zijn.”“Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons daarvoor?”“Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd.”Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden glimlach: “Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin, dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel door den kop!”“Wat? Is dat....”“Marsch! Oogenblikkelijk!” viel de jager hem met stemverheffing in de rede, meteen op hem aanleggende: “Een.... twee....”De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord “drie” niet af te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand gezien, dat die bij het woord “drie” vuur zou geven. De jager bleef hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.“Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!” verklaarde de lord. “Met zulke schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij, dat zij nu beginnen zullen?”“Hum!” antwoordde de gevraagde. “De zon is reeds aan het ondergaan. Ik vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen.”“Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?”“Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken, bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als vrijwilliger aan?”Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en denGunstick-Uncle: deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast te worden.Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat was hen allen manvoor man te onderscheiden, bleek het, dat zij geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich thans bevonden, niet dachten te blijven.Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen, alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden, werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij, ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden plaatsen van den muur sterke lasso’s stevig vastgemaakt en over den muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn eigenaardige manier: “De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,—In massa elders heengetogen.”“Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?” vroeg de jager, glimlachende over het rijmpje.De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde met het ernstigste gezicht van de wereld: “In ’t kreupelhout, niet ver van hier,—Daarginds aan d’oever der rivier.”“Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden wij hun paarden toch moeten hooren?”“Hun paarden, ja, zij dreven die—Uit voorzorg eerst op de prairie,—Om hun bekomst aan gras te vreten,—Maar waar, dat kwam ik niet te weten.”“En waar zijn Bill en Droll?”“Die zijn de schobberds achterna,—En slaan dus al hun gangen ga.”“Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten.”De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had, vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: “De vijand bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water, en vóór zich denmuur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere zijden versperren, hebben wij hen in de val.”“Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?”“Daartoe zal ik de Indianen halen, diehenaan de zuidzijde aanpakken moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit, en tasten hen aan de noordzijde aan.”“Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?”“Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend inhalen en voorgoed onschadelijk maken.”“Well, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft.”Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er niets ondernomen worden.Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.“Alle drie?” vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. “Minstens een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij.”“Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is,” antwoordde Droll, weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.“Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk.”“Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren; ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen aan het dansen gaan.”“Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd om de val toe te doen.”“Welke val?”Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.“Dat is overheerlijk, hihihihi!” lachte Droll binnensmonds, zooals hij gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. “Dat zal en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden, dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is.”“En dat is?”“Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen.”“Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb?Gelukkigerwijze maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid, en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn zij gekneveld?”“Ja, maar niet heel straf.”“Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en dan ...”“En dan met hen in het water,” viel Droll hem in de rede.“In het water?” vroeg Old Firehand verwonderd.“Natuurlijk.”“Ik geloof dat gij schertst, lieve tante.”“Schertsen? Dat komt niet in mij op!” En toen hij de verwonderde gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij gichelend. “Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!”“Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen inslaan.”“Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later.”“Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?”“Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog voordat de aanval begint.”“Houdt gij dat voor mogelijk?”“Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat isvolstrektniet moeilijk.”“Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?”“Dat zou ik haast wel denken.”“Welnu, laat eens hooren!”“Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij, dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan dat kanaal,dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd, en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel, binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich, dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen.”“O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen,” zei Old Firehand. “Gij wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?”“Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor iederen gevangene is er één noodig.”“Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is.”Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon, en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van de boerderij af te brengen.Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen, dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen, revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn manschappen op.De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden, keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder, totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten, dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.“Wel?” vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.“Het was geen gemakkelijke taak,” antwoordde de Tante. “Het water hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen duisternis onze beste bondgenoot.”“Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed kunnen zien.”“Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu, de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten de gevangenen....”“Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water; want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!”“Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend het oog op hen houdt.”“Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?”“Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd.”“Hebt gij dan al een plan?”“Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje eenvoudig aan den walkant.”“Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het bootje telkens in de hoogte gaan.”“Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast; gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij dan het sein geven—den gierenschreeuw—gaan de poppen dadelijk aan het dansen. Begrepen?”“Well, het is niet beter te bedenken.”“En gij, Uncle?”“Juist zoo, als gij ’t hebt uitgedacht—wordt heel ’t fameuze werk volbracht,” antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.“Mooi zoo, nu vooruit maar!”Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.“Wij zijn waar wij wezen moeten,” fluisterde hij hun toe; “nu wacht gij maar tot ik terugkom.”De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen, ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop van eenige seconden zei het meisje: “He, vader! onze bewaker is weg!”“He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het is misschien om ons op de proef te stellen.”“Suut, suut!” fluisterde Droll hun toe. “Ze moeten u niet hooren. De bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u te redden.”“Redden?Heavens!Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!”“Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas; Droll, dien ze Tante noemen.”“Groote Genade! Is het tòch waar?”“Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu ben ik met twee fermeboysnaar hier geslopen, om u uit hun handen te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen, door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!”Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije gebruik van hun ledematen.“Ja, nu gelooven wij u, sir!” fluisterde de landbouwer, die tot nu gezwegen had. “Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?”“Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleineMiss(= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent; en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is.”“De dans? Welke dans?”“Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de boerderij—twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links de Osagen-hoofdman de ‘Goede Zon’ met een troep Roodhuiden—zij wachten slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast, en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten.”“O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in veiligheid brengen?”“Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten, korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u eerst uit hun handen te halen.”“Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons waagt? Neen sir! dan vergist gij u.”“Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in veiligheid gebracht te worden.”“Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een mes afstaan?“Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig; maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt, is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal ik ook wel gauw makendat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt wordt. Laat mij maar eens begaan!”In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg: “Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?”“Neen!” antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.“Well!Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost het u uw kop. Begrepen?”“Yes. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!”Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een schrede nader, boog voorover, en zei: “Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik....”Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles stil, totdat Droll zachtkens zeide: “Ziezoo! die heeft u zijn wapen gebracht; wel vriendelijk van hem.”“Hebt gij hem dan beet?” vroeg de landbouwer.“Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen de kleine Miss naar het bootje brengen.”Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand, en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: “Nu zal het er toe komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen, dan hebben wij geen nood.”Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt, kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op, in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nogeen oogenblik heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand’s wijd in het rond klinkend commando: “Geeft acht! Vuurt!”Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.“Nu de beurt ook aan ons!” commandeerde Droll. “Eerst de kogels, en dan met de kolven er op los!”Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen, toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren, dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander redmiddel, dan in de vlucht.“Voort, voort, naar de paarden!” hoorde men een stem roepen, of juister gezegd brullen. “Dat is de kornel!” riep Droll. “Laat die toch den dans niet ontspringen!”Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En toen vluchtten zij in noordelijke richting.“Hen zoolang mogelijk achternazetten!” commandeerde Old Firehand. “Zij moeten niet op verademing kunnen komen!”Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren; en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis, dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel, vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend hoongehuilvan de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.“Omkeeren!” gebood Old Firehand. “Het eenige, dat wij nu nog te doen hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen om vervolgens te ontkomen.”Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en te scalpeeren.Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen—een ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit vernam, verklaarde hij aan haar vader: “Tot nu toe heb ik het voor zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken.”Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs- en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden, in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen, wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen, dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende, dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan, om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.IN DEN STRIJD OM BUTLER’S BOERDERIJ.Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid, als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd moest worden.Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan, als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen van de tramps zouden vallen.Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis, van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte, goed bebouwde maïs- en andere akkers.“Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?” vroeg Droll.“Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft, kunnen zij nu wel spoedig hier zijn,” antwoordde Firehand.“Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht, zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die Sjeyennes en Arapahoes.”“Ik ook niet,” merkte Bill aan. “Die twee stammen zijn zeer klein, en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering kunnen voorbereiden.”“Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien,” zei Old Firehand.“Maar water,” merkte Droll aan, “dat is toch een der voornaamste behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet uit de rivier gaan scheppen.”“Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron, met zeergoeddrinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd door het kanaal.”“Is hier dan een kanaal?”“Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal, dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier.”“Is het diep?”“Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u bijna tot aan de borst.”“En is de gemeenschap met de rivier open?”“O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten.”Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg, geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en behoorlijk in orde was.Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de verwachte hulptroepen, en de “Groote Zon” reed te paard aan het hoofd van den troep.Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten, dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur, op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis opleverden, almede niet gering waren te schatten.Bijzondere bevelen konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen, een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten, die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand zich verlaten kon.Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie gestaltenaf, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij, niet te paard, maar te voet.“Aha! ze zenden verspieders vooruit,” zei Old Firehand. “Die hebben misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier binnen mogen komen.”“Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik,” merkte de lord aan.“Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het dak zien.”De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen, moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk zoogoed als onbewaakt was.Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam, werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat men verlangde.“Is de landbouwer thuis?” vroeg een stem.“Neen, die is op reis,” antwoordde hij.“Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?”“Neen.”“Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen wij niet een oogenblik binnenkomen?”Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger heeft, eenig voedselweigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen, een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik, waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: “Wij zijn arme geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen.”Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was, want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk eten voorgezet.Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst van de tramps spoedig verwachtten.Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken, zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden, naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.“Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?” vroeg Old Firehand hem met een barsche stem.De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde: “Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen gaan.”“Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier, naar de menschen, die zich daar bevinden.”“Welke menschen bedoelt gij, sir?” vroeg de man met een goed gehuichelde onnoozelheid. “Ik heb daar niemand gezien.”“Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind geweest.”“Welke ruiters? Ik heb er geen gezien.”“Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen uitgezonden als spionnen.”Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: “Wij? Wij tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u hier te komen overvallen, en datwijdaartoe behoorden, met welk doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn, dat ons zeer slecht bekomen kon?”“Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij blijven zitten.”“Wat?” viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in zijn zak.Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei dreigend: “Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn wij klaar, dus opgerukt, marsch!”Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was, begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden: “Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!”“En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten gelooven!” riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken sein, waarop de tot nu toeachter het huis verscholen verdedigers te voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den vijand het oog te kunnen houden.De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt, en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven hun paarden althans met dat doel er in.“Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening, zooals ik u gezegd heb”, sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten Tom. “En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle noodeloos verbruik van ammunitie.”“Goed zoo!” antwoordde Humply-Bill. “Ik zal stipt die volgorde in acht nemen.”En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn manier: “Zij worden, als ze uit water komen,—Door één schot onder mik genomen—Op rij af, en gaan een voor een,—Gezwinden pas naar Satan heen!”Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen; want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden zonder berijder op den oever rond.Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever terug te keeren.“Afgeslagen!” zei de oude Blenter. “Ik ben benieuwd wat zij nu zullen probeeren.”“Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen,” antwoordde Old Firehand. “Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten het bereik van onze kogels ligt.”“En dan?”“Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen.”“En wat noemt gij slim?”“Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken, dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan, want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen, dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen.”“Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt tegenover hen staan.”“Pshaw!Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is, en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij schijnen te beraadslagen.”De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten, was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden, totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren, vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand met luider stemme: “Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij willen de poort bestormen!”“Maar die kunnen zij toch niet openloopen!” merkte Blenter aan.“Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze ons hier op het erf letterlijk dooddrukken.”“Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!”“Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo’s uit de geweren met dubbelen loop, midden in den troep!”De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over den muur heen konden schieten.Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te vuren. Twee salvo’s knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand’s verwachting. Het was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw tegengehouden werden. Zij vormdeneen onbeschrijfelijken warklomp, die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in salvo, maarad libitum, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden, om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd, aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.“Zouden zij aftrekken?” vroeg Humply-Bill. “Ze hebben een duchtige les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen.”“Daar hebben zij volstrekt geen idee op,” antwoordde Tante Droll. “Als zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven, op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando van hem vernemen zullen.”“Een commando?”“Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen.”Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon; maarOld Firehandhad hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van boven af roepen: “Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten.”In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld, waarop hier en daar een plokje boschgroei.Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens de daarbij gestelde gewapende bewakers.Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen zouden worden, met het bloote oog te zien.De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven, zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop, en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon, zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid, waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe, blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten, en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit; er vielen verscheiden dooden,nog veel meer gekwetsten, niet alleen onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden, zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.“Nu vuren!” commandeerde hij. “Maar schiet enkel op de kerels, niet op de paarden!”Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn; zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.“Voort! voort!” brulde een stem uit hun midden. “Wij zijn omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!”Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in, die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen een zegevierend geschreeuw aanhieven.“Daar rukken zij uit!” lachte de oude Blenter. “Die komen niet terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?”“Natuurlijk,” antwoordde Zwarte Tom. “De stem kent men eens voor al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet achternazetten, sir?”Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde: “Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden, om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus zoo gauw mogelijk terug.”“En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden gebeuren?”“Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd meer verliezen, gauw naar onze paarden!”De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat, terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak van het huis, om overal eens goed rond te zien.Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk verijdeld was.“Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?” vroeg zij, terwijl zij een diepen zucht loosde. “Nu die tramps zulke zware verliezen geleden hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden voort te zetten, vergaan zal zijn.”“Misschien,” antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.“Hoe? Misschien maar?”“Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden.”“Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?”“O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen.”Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds na verloop van een korte poos vervolgde hij: “Ha, ha, daar zijn ze al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden terug. Het is te vooronderstellen, dat...”Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien meer naar het noorden gericht.“Wat is het?” vroeg de vrouw des huizes. “Waarom spreekt gij niet uit, sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?”Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en antwoordde: “Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet geschikt is om onzen toestand te verbeteren.”“Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?” vroeg zij op angstigen toon.Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt, doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te antwoorden: “Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden, die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken.”Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg; doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord, die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: “Ik had reden om de vrouw des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?”De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen: “De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen.”“Komen zij werkelijk?”“Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?”“Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?”“Neen, zij houden halt.”“Met hun gezichten naar welken kant?”“Naar het noorden.”“Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel, waarom de kerels halt gehouden hebben.”“Well, sir! Ik zal kijken!” En een oogenblik later vervolgde hij: “Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken.”“Ruiters? Hebt gij dat wel?”“Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier.”“En weet gij, wie die drie zijn?”“Neen. Hoe zou ik dat weten....heighho, het zullen toch niet....?”“Ja, precies!” knikte Old Firehand ernstig. “Zij zijn het; de landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen misgereden te zijn.”De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: “Dan moeten wij terstond te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in handen van de tramps!”Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast, en zei: “Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen, want het is reeds te laat. Zie, zie maar!”De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.“All devils!” riep hij uit. “Ze zullen hen vermoorden!”“Dat komt niet in hen op!” zei Old Firehand. “Die kerels kennen hun voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen, die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld.Wij hebben er niets tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps.”“Well, dat wil ik u toestemmen, sir!” sprak de lord. “Maar wee den schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En .... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met zulk gespuis in onderhandeling trad!”Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op, en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij: “Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderenten goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen kunnen belemmeren.”“Mag ook geen mensch anders het weten?”“Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen: dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij, mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun; maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn maatregelen nemen.”De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen, gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord, die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg: “Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?”“Ja, zoo is het!” knikte Old Firehand.“Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat zullen wij daarop antwoorden?”“Nu, wat zoudt gij denken?” vroeg Old Firehand, terwijl hij een schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.“Kunt gij dat nog vragen!” was het antwoord. “Geen duit, geen roode duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld te betalen?”“Zijn wij daartoe niet gedwongen?”“Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten, niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!”“Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen, zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen.”“Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij in het werkwezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit de verknijping te halen.”“Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij misschien al een plan?”“Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen, en halen de gevangenen een voor een er uit.”“Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke partij wezen.”“Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik verbeeld mij, dat .... hola!” viel hij zich zelf in de rede. “Pas nu op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten worden. Zult gij hen te woord staan?”“Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van ons hebben willen. Kom maar eens mee!”Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren, hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen op hun gemak waren.“Sir! wij komen als afgevaardigden,” sprak de een, “om u onze eischen bekend te maken.”“Zoo!” zei de jager op een toon van ironie. “Sedert wanneer durven de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?”De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit deed doen.“Wij zijn geen hazen, sir!” verstoutte de tramp zich te zeggen.“Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben, en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan.”“Sir!” vloog de tramp op, “ik wil zulke beleedigingen niet...”“Zwijg, schobberd!” bulderde Old Firehand hem toe. “Verachtelijke spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?”“Neen,” antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.“Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap hebt gij hier te doen?”“Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer en zijn nicht in onze handen gevallen is.”“Dat weet ik al.”“Die drie personen moeten sterven....”“Pshaw!” viel de jager hem in de rede.“... als gij onze voorwaarden niet aanneemt,” voltooide de parlementair zijn volzin.“Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zouikde man zijn.”“Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder voor uw oogen opgeknoopt.”“Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg voor u allen.”Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: “Bedenk het goed, drie menschenlevens!”“Dat bedenk ik zeer goed;slechtsdrie menschenlevens! En daarvoor zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is dus geheel aan onze zijde.”“Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen.”“Hoe zoo dan?”“Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft.”Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager antwoordde: “Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?”“Neen!”“Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken.”“Is u dat ernst, sir?”“Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het met u gedaan!”Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het hazenpad;doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te blijven staan, en omkijkende te vragen: “Mogen wij nog eens terugkomen als wij een ander voorstel hebben?”“Neen!”“Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?”“Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord staan; maar slechts een oogenblik.”“Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?”“Ja, mits hij mij niet beleedige.”“Wij zullen het hem zeggen.”Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd, daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben; maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden, maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: “Good day sir!Gij hebt gewenscht mij te spreken.”“Dat is meer dan ik weet,” antwoordde de Westman. “Ik heb eenvoudig gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u; en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel niet hadt laten zien.”“Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!”“Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt niet dien toon aan te slaan.”Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: “Ik verbeeld mij, dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben.”“Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover den overwinnaar—vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?”“Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het in onze macht de rollen om te keeren.”“Doe dat dan maar!” zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: “wij behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!”“Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?”“Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen wij, warenzij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons bestand geweest.”“Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt,” antwoordde hij. “Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft.”“Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk, waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af te snijden, dan was u onze gevangene geworden.”“Zoo, zoudt ge dat denken?”“Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt.”“Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben.”“Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te stellen, het leven van onze gevangenen te redden.”“Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van die menschen is volstrekt niet in gevaar.”“Niet?” hernam de kornel met een spottend grijnslachje. “Dan vergist gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt, worden zij zonder genade opgeknoopt.”“Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen wordt—allen, tot den laatsten man.”“Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?”“O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik daartegenover kan stellen?”“Ja, dat weet ik precies.”“Pshaw!Gij hebt ons niet kunnen tellen.”“Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier meegebracht hebt.”Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: “Tel uw dooden en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebtgij mijn Indianen gezien, en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.“De andere blanken?” lachte de tramp. “Er zijn geen anderen geweest dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen, zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken.”Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze haalde minachtend de schouders op, en zei: “Wij zullen er verder geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden, landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt.”Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg; want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een, totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op, wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: “Nu, wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven.”“Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander.”“Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft.”“Mijn antwoord hebt gij al.”“Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk van het bezetten van de boerderij afzien.”“O, dat is zeer vriendelijk van u,niets anders?”“Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug; daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft gij ons de noodigerunderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk betaalt gij twintig duizend dollars losgeld—zooveel zal er wel op de boerderij aanwezig zijn.”“Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons daarvoor?”“Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd.”Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden glimlach: “Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin, dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel door den kop!”“Wat? Is dat....”“Marsch! Oogenblikkelijk!” viel de jager hem met stemverheffing in de rede, meteen op hem aanleggende: “Een.... twee....”De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord “drie” niet af te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand gezien, dat die bij het woord “drie” vuur zou geven. De jager bleef hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.“Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!” verklaarde de lord. “Met zulke schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij, dat zij nu beginnen zullen?”“Hum!” antwoordde de gevraagde. “De zon is reeds aan het ondergaan. Ik vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen.”“Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?”“Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken, bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als vrijwilliger aan?”Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en denGunstick-Uncle: deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast te worden.Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat was hen allen manvoor man te onderscheiden, bleek het, dat zij geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich thans bevonden, niet dachten te blijven.Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen, alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden, werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij, ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden plaatsen van den muur sterke lasso’s stevig vastgemaakt en over den muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn eigenaardige manier: “De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,—In massa elders heengetogen.”“Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?” vroeg de jager, glimlachende over het rijmpje.De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde met het ernstigste gezicht van de wereld: “In ’t kreupelhout, niet ver van hier,—Daarginds aan d’oever der rivier.”“Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden wij hun paarden toch moeten hooren?”“Hun paarden, ja, zij dreven die—Uit voorzorg eerst op de prairie,—Om hun bekomst aan gras te vreten,—Maar waar, dat kwam ik niet te weten.”“En waar zijn Bill en Droll?”“Die zijn de schobberds achterna,—En slaan dus al hun gangen ga.”“Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten.”De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had, vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: “De vijand bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water, en vóór zich denmuur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere zijden versperren, hebben wij hen in de val.”“Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?”“Daartoe zal ik de Indianen halen, diehenaan de zuidzijde aanpakken moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit, en tasten hen aan de noordzijde aan.”“Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?”“Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend inhalen en voorgoed onschadelijk maken.”“Well, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft.”Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er niets ondernomen worden.Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.“Alle drie?” vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. “Minstens een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij.”“Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is,” antwoordde Droll, weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.“Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk.”“Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren; ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen aan het dansen gaan.”“Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd om de val toe te doen.”“Welke val?”Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.“Dat is overheerlijk, hihihihi!” lachte Droll binnensmonds, zooals hij gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. “Dat zal en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden, dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is.”“En dat is?”“Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen.”“Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb?Gelukkigerwijze maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid, en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn zij gekneveld?”“Ja, maar niet heel straf.”“Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en dan ...”“En dan met hen in het water,” viel Droll hem in de rede.“In het water?” vroeg Old Firehand verwonderd.“Natuurlijk.”“Ik geloof dat gij schertst, lieve tante.”“Schertsen? Dat komt niet in mij op!” En toen hij de verwonderde gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij gichelend. “Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!”“Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen inslaan.”“Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later.”“Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?”“Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog voordat de aanval begint.”“Houdt gij dat voor mogelijk?”“Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat isvolstrektniet moeilijk.”“Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?”“Dat zou ik haast wel denken.”“Welnu, laat eens hooren!”“Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij, dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan dat kanaal,dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd, en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel, binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich, dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen.”“O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen,” zei Old Firehand. “Gij wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?”“Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor iederen gevangene is er één noodig.”“Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is.”Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon, en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van de boerderij af te brengen.Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen, dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen, revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn manschappen op.De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden, keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder, totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten, dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.“Wel?” vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.“Het was geen gemakkelijke taak,” antwoordde de Tante. “Het water hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen duisternis onze beste bondgenoot.”“Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed kunnen zien.”“Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu, de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten de gevangenen....”“Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water; want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!”“Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend het oog op hen houdt.”“Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?”“Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd.”“Hebt gij dan al een plan?”“Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje eenvoudig aan den walkant.”“Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het bootje telkens in de hoogte gaan.”“Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast; gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij dan het sein geven—den gierenschreeuw—gaan de poppen dadelijk aan het dansen. Begrepen?”“Well, het is niet beter te bedenken.”“En gij, Uncle?”“Juist zoo, als gij ’t hebt uitgedacht—wordt heel ’t fameuze werk volbracht,” antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.“Mooi zoo, nu vooruit maar!”Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.“Wij zijn waar wij wezen moeten,” fluisterde hij hun toe; “nu wacht gij maar tot ik terugkom.”De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen, ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop van eenige seconden zei het meisje: “He, vader! onze bewaker is weg!”“He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het is misschien om ons op de proef te stellen.”“Suut, suut!” fluisterde Droll hun toe. “Ze moeten u niet hooren. De bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u te redden.”“Redden?Heavens!Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!”“Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas; Droll, dien ze Tante noemen.”“Groote Genade! Is het tòch waar?”“Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu ben ik met twee fermeboysnaar hier geslopen, om u uit hun handen te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen, door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!”Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije gebruik van hun ledematen.“Ja, nu gelooven wij u, sir!” fluisterde de landbouwer, die tot nu gezwegen had. “Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?”“Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleineMiss(= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent; en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is.”“De dans? Welke dans?”“Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de boerderij—twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links de Osagen-hoofdman de ‘Goede Zon’ met een troep Roodhuiden—zij wachten slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast, en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten.”“O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in veiligheid brengen?”“Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten, korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u eerst uit hun handen te halen.”“Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons waagt? Neen sir! dan vergist gij u.”“Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in veiligheid gebracht te worden.”“Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een mes afstaan?“Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig; maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt, is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal ik ook wel gauw makendat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt wordt. Laat mij maar eens begaan!”In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg: “Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?”“Neen!” antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.“Well!Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost het u uw kop. Begrepen?”“Yes. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!”Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een schrede nader, boog voorover, en zei: “Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik....”Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles stil, totdat Droll zachtkens zeide: “Ziezoo! die heeft u zijn wapen gebracht; wel vriendelijk van hem.”“Hebt gij hem dan beet?” vroeg de landbouwer.“Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen de kleine Miss naar het bootje brengen.”Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand, en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: “Nu zal het er toe komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen, dan hebben wij geen nood.”Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt, kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op, in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nogeen oogenblik heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand’s wijd in het rond klinkend commando: “Geeft acht! Vuurt!”Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.“Nu de beurt ook aan ons!” commandeerde Droll. “Eerst de kogels, en dan met de kolven er op los!”Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen, toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren, dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander redmiddel, dan in de vlucht.“Voort, voort, naar de paarden!” hoorde men een stem roepen, of juister gezegd brullen. “Dat is de kornel!” riep Droll. “Laat die toch den dans niet ontspringen!”Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En toen vluchtten zij in noordelijke richting.“Hen zoolang mogelijk achternazetten!” commandeerde Old Firehand. “Zij moeten niet op verademing kunnen komen!”Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren; en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis, dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel, vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend hoongehuilvan de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.“Omkeeren!” gebood Old Firehand. “Het eenige, dat wij nu nog te doen hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen om vervolgens te ontkomen.”Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en te scalpeeren.Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen—een ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit vernam, verklaarde hij aan haar vader: “Tot nu toe heb ik het voor zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken.”Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs- en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden, in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen, wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen, dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende, dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan, om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.

Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid, als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd moest worden.

Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan, als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.

Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen van de tramps zouden vallen.

Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis, van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte, goed bebouwde maïs- en andere akkers.

“Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?” vroeg Droll.

“Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft, kunnen zij nu wel spoedig hier zijn,” antwoordde Firehand.

“Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht, zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die Sjeyennes en Arapahoes.”

“Ik ook niet,” merkte Bill aan. “Die twee stammen zijn zeer klein, en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering kunnen voorbereiden.”

“Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien,” zei Old Firehand.

“Maar water,” merkte Droll aan, “dat is toch een der voornaamste behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet uit de rivier gaan scheppen.”

“Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron, met zeergoeddrinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd door het kanaal.”

“Is hier dan een kanaal?”

“Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal, dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier.”

“Is het diep?”

“Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u bijna tot aan de borst.”

“En is de gemeenschap met de rivier open?”

“O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten.”

Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg, geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.

De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en behoorlijk in orde was.

Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de verwachte hulptroepen, en de “Groote Zon” reed te paard aan het hoofd van den troep.

Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten, dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.

Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur, op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.

Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis opleverden, almede niet gering waren te schatten.Bijzondere bevelen konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.

Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen, een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten, die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand zich verlaten kon.

Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie gestaltenaf, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij, niet te paard, maar te voet.

“Aha! ze zenden verspieders vooruit,” zei Old Firehand. “Die hebben misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier binnen mogen komen.”

“Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik,” merkte de lord aan.

“Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het dak zien.”

De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen, moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk zoogoed als onbewaakt was.

Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam, werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat men verlangde.

“Is de landbouwer thuis?” vroeg een stem.

“Neen, die is op reis,” antwoordde hij.

“Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?”

“Neen.”

“Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen wij niet een oogenblik binnenkomen?”

Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger heeft, eenig voedselweigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen, een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.

Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik, waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: “Wij zijn arme geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen.”

Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was, want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk eten voorgezet.

Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.

De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst van de tramps spoedig verwachtten.

Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken, zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.

Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden, naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.

“Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?” vroeg Old Firehand hem met een barsche stem.

De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde: “Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen gaan.”

“Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier, naar de menschen, die zich daar bevinden.”

“Welke menschen bedoelt gij, sir?” vroeg de man met een goed gehuichelde onnoozelheid. “Ik heb daar niemand gezien.”

“Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind geweest.”

“Welke ruiters? Ik heb er geen gezien.”

“Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen uitgezonden als spionnen.”

Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: “Wij? Wij tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u hier te komen overvallen, en datwijdaartoe behoorden, met welk doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn, dat ons zeer slecht bekomen kon?”

“Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij blijven zitten.”

“Wat?” viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in zijn zak.

Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei dreigend: “Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn wij klaar, dus opgerukt, marsch!”

Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was, begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden: “Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!”

“En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten gelooven!” riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken sein, waarop de tot nu toeachter het huis verscholen verdedigers te voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den vijand het oog te kunnen houden.

De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt, en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven hun paarden althans met dat doel er in.

“Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening, zooals ik u gezegd heb”, sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten Tom. “En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle noodeloos verbruik van ammunitie.”

“Goed zoo!” antwoordde Humply-Bill. “Ik zal stipt die volgorde in acht nemen.”

En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn manier: “Zij worden, als ze uit water komen,—Door één schot onder mik genomen—Op rij af, en gaan een voor een,—Gezwinden pas naar Satan heen!”

Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen; want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden zonder berijder op den oever rond.

Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever terug te keeren.

“Afgeslagen!” zei de oude Blenter. “Ik ben benieuwd wat zij nu zullen probeeren.”

“Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen,” antwoordde Old Firehand. “Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten het bereik van onze kogels ligt.”

“En dan?”

“Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen.”

“En wat noemt gij slim?”

“Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken, dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan, want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen, dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen.”

“Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt tegenover hen staan.”

“Pshaw!Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is, en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij schijnen te beraadslagen.”

De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten, was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden, totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren, vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand met luider stemme: “Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij willen de poort bestormen!”

“Maar die kunnen zij toch niet openloopen!” merkte Blenter aan.

“Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze ons hier op het erf letterlijk dooddrukken.”

“Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!”

“Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo’s uit de geweren met dubbelen loop, midden in den troep!”

De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over den muur heen konden schieten.

Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te vuren. Twee salvo’s knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand’s verwachting. Het was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw tegengehouden werden. Zij vormdeneen onbeschrijfelijken warklomp, die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in salvo, maarad libitum, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden, om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd, aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.

Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.

“Zouden zij aftrekken?” vroeg Humply-Bill. “Ze hebben een duchtige les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen.”

“Daar hebben zij volstrekt geen idee op,” antwoordde Tante Droll. “Als zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven, op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando van hem vernemen zullen.”

“Een commando?”

“Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen.”

Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon; maarOld Firehandhad hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van boven af roepen: “Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten.”

In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld, waarop hier en daar een plokje boschgroei.

Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens de daarbij gestelde gewapende bewakers.

Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen zouden worden, met het bloote oog te zien.

De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.

Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven, zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop, en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon, zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid, waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe, blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten, en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit; er vielen verscheiden dooden,nog veel meer gekwetsten, niet alleen onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden, zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.

“Nu vuren!” commandeerde hij. “Maar schiet enkel op de kerels, niet op de paarden!”

Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn; zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.

“Voort! voort!” brulde een stem uit hun midden. “Wij zijn omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!”

Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in, die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen een zegevierend geschreeuw aanhieven.

“Daar rukken zij uit!” lachte de oude Blenter. “Die komen niet terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?”

“Natuurlijk,” antwoordde Zwarte Tom. “De stem kent men eens voor al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet achternazetten, sir?”

Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde: “Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden, om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus zoo gauw mogelijk terug.”

“En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden gebeuren?”

“Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd meer verliezen, gauw naar onze paarden!”

De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat, terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak van het huis, om overal eens goed rond te zien.

Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk verijdeld was.

“Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?” vroeg zij, terwijl zij een diepen zucht loosde. “Nu die tramps zulke zware verliezen geleden hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden voort te zetten, vergaan zal zijn.”

“Misschien,” antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.

“Hoe? Misschien maar?”

“Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden.”

“Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?”

“O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen.”

Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds na verloop van een korte poos vervolgde hij: “Ha, ha, daar zijn ze al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden terug. Het is te vooronderstellen, dat...”

Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien meer naar het noorden gericht.

“Wat is het?” vroeg de vrouw des huizes. “Waarom spreekt gij niet uit, sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?”

Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en antwoordde: “Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet geschikt is om onzen toestand te verbeteren.”

“Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?” vroeg zij op angstigen toon.

Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt, doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te antwoorden: “Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden, die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken.”

Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg; doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord, die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: “Ik had reden om de vrouw des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?”

De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen: “De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen.”

“Komen zij werkelijk?”

“Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?”

“Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?”

“Neen, zij houden halt.”

“Met hun gezichten naar welken kant?”

“Naar het noorden.”

“Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel, waarom de kerels halt gehouden hebben.”

“Well, sir! Ik zal kijken!” En een oogenblik later vervolgde hij: “Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken.”

“Ruiters? Hebt gij dat wel?”

“Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier.”

“En weet gij, wie die drie zijn?”

“Neen. Hoe zou ik dat weten....heighho, het zullen toch niet....?”

“Ja, precies!” knikte Old Firehand ernstig. “Zij zijn het; de landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen misgereden te zijn.”

De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: “Dan moeten wij terstond te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in handen van de tramps!”

Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast, en zei: “Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen, want het is reeds te laat. Zie, zie maar!”

De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.

“All devils!” riep hij uit. “Ze zullen hen vermoorden!”

“Dat komt niet in hen op!” zei Old Firehand. “Die kerels kennen hun voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen, die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld.Wij hebben er niets tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps.”

“Well, dat wil ik u toestemmen, sir!” sprak de lord. “Maar wee den schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En .... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met zulk gespuis in onderhandeling trad!”

Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op, en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij: “Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderenten goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen kunnen belemmeren.”

“Mag ook geen mensch anders het weten?”

“Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen: dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij, mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun; maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn maatregelen nemen.”

De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen, gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord, die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg: “Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?”

“Ja, zoo is het!” knikte Old Firehand.

“Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat zullen wij daarop antwoorden?”

“Nu, wat zoudt gij denken?” vroeg Old Firehand, terwijl hij een schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.

“Kunt gij dat nog vragen!” was het antwoord. “Geen duit, geen roode duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld te betalen?”

“Zijn wij daartoe niet gedwongen?”

“Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten, niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!”

“Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen, zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen.”

“Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij in het werkwezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit de verknijping te halen.”

“Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij misschien al een plan?”

“Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen, en halen de gevangenen een voor een er uit.”

“Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke partij wezen.”

“Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik verbeeld mij, dat .... hola!” viel hij zich zelf in de rede. “Pas nu op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten worden. Zult gij hen te woord staan?”

“Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van ons hebben willen. Kom maar eens mee!”

Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren, hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen op hun gemak waren.

“Sir! wij komen als afgevaardigden,” sprak de een, “om u onze eischen bekend te maken.”

“Zoo!” zei de jager op een toon van ironie. “Sedert wanneer durven de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?”

De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit deed doen.

“Wij zijn geen hazen, sir!” verstoutte de tramp zich te zeggen.

“Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben, en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan.”

“Sir!” vloog de tramp op, “ik wil zulke beleedigingen niet...”

“Zwijg, schobberd!” bulderde Old Firehand hem toe. “Verachtelijke spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?”

“Neen,” antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.

“Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap hebt gij hier te doen?”

“Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer en zijn nicht in onze handen gevallen is.”

“Dat weet ik al.”

“Die drie personen moeten sterven....”

“Pshaw!” viel de jager hem in de rede.

“... als gij onze voorwaarden niet aanneemt,” voltooide de parlementair zijn volzin.

“Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zouikde man zijn.”

“Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder voor uw oogen opgeknoopt.”

“Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg voor u allen.”

Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: “Bedenk het goed, drie menschenlevens!”

“Dat bedenk ik zeer goed;slechtsdrie menschenlevens! En daarvoor zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is dus geheel aan onze zijde.”

“Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen.”

“Hoe zoo dan?”

“Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft.”

Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager antwoordde: “Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?”

“Neen!”

“Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken.”

“Is u dat ernst, sir?”

“Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het met u gedaan!”

Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het hazenpad;doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te blijven staan, en omkijkende te vragen: “Mogen wij nog eens terugkomen als wij een ander voorstel hebben?”

“Neen!”

“Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?”

“Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord staan; maar slechts een oogenblik.”

“Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?”

“Ja, mits hij mij niet beleedige.”

“Wij zullen het hem zeggen.”

Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd, daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.

Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben; maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.

Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden, maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: “Good day sir!Gij hebt gewenscht mij te spreken.”

“Dat is meer dan ik weet,” antwoordde de Westman. “Ik heb eenvoudig gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u; en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel niet hadt laten zien.”

“Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!”

“Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt niet dien toon aan te slaan.”

Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: “Ik verbeeld mij, dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben.”

“Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover den overwinnaar—vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?”

“Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het in onze macht de rollen om te keeren.”

“Doe dat dan maar!” zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.

Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: “wij behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!”

“Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?”

“Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen wij, warenzij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons bestand geweest.”

“Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt,” antwoordde hij. “Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft.”

“Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk, waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af te snijden, dan was u onze gevangene geworden.”

“Zoo, zoudt ge dat denken?”

“Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt.”

“Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben.”

“Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te stellen, het leven van onze gevangenen te redden.”

“Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van die menschen is volstrekt niet in gevaar.”

“Niet?” hernam de kornel met een spottend grijnslachje. “Dan vergist gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt, worden zij zonder genade opgeknoopt.”

“Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen wordt—allen, tot den laatsten man.”

“Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?”

“O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik daartegenover kan stellen?”

“Ja, dat weet ik precies.”

“Pshaw!Gij hebt ons niet kunnen tellen.”

“Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier meegebracht hebt.”

Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: “Tel uw dooden en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebtgij mijn Indianen gezien, en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.

“De andere blanken?” lachte de tramp. “Er zijn geen anderen geweest dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen, zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken.”

Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze haalde minachtend de schouders op, en zei: “Wij zullen er verder geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden, landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt.”

Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg; want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een, totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op, wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: “Nu, wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven.”

“Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander.”

“Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft.”

“Mijn antwoord hebt gij al.”

“Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk van het bezetten van de boerderij afzien.”

“O, dat is zeer vriendelijk van u,niets anders?”

“Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug; daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft gij ons de noodigerunderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk betaalt gij twintig duizend dollars losgeld—zooveel zal er wel op de boerderij aanwezig zijn.”

“Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons daarvoor?”

“Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd.”

Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden glimlach: “Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin, dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel door den kop!”

“Wat? Is dat....”

“Marsch! Oogenblikkelijk!” viel de jager hem met stemverheffing in de rede, meteen op hem aanleggende: “Een.... twee....”

De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord “drie” niet af te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand gezien, dat die bij het woord “drie” vuur zou geven. De jager bleef hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.

“Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!” verklaarde de lord. “Met zulke schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij, dat zij nu beginnen zullen?”

“Hum!” antwoordde de gevraagde. “De zon is reeds aan het ondergaan. Ik vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen.”

“Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?”

“Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken, bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als vrijwilliger aan?”

Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en denGunstick-Uncle: deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast te worden.

Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat was hen allen manvoor man te onderscheiden, bleek het, dat zij geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich thans bevonden, niet dachten te blijven.

Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen, alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden, werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij, ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden plaatsen van den muur sterke lasso’s stevig vastgemaakt en over den muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.

Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn eigenaardige manier: “De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,—In massa elders heengetogen.”

“Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?” vroeg de jager, glimlachende over het rijmpje.

De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde met het ernstigste gezicht van de wereld: “In ’t kreupelhout, niet ver van hier,—Daarginds aan d’oever der rivier.”

“Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden wij hun paarden toch moeten hooren?”

“Hun paarden, ja, zij dreven die—Uit voorzorg eerst op de prairie,—Om hun bekomst aan gras te vreten,—Maar waar, dat kwam ik niet te weten.”

“En waar zijn Bill en Droll?”

“Die zijn de schobberds achterna,—En slaan dus al hun gangen ga.”

“Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten.”

De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had, vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: “De vijand bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water, en vóór zich denmuur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere zijden versperren, hebben wij hen in de val.”

“Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?”

“Daartoe zal ik de Indianen halen, diehenaan de zuidzijde aanpakken moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit, en tasten hen aan de noordzijde aan.”

“Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?”

“Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend inhalen en voorgoed onschadelijk maken.”

“Well, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft.”

Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er niets ondernomen worden.

Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.

Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.

“Alle drie?” vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. “Minstens een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij.”

“Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is,” antwoordde Droll, weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.

“Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk.”

“Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren; ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen aan het dansen gaan.”

“Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd om de val toe te doen.”

“Welke val?”

Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.

“Dat is overheerlijk, hihihihi!” lachte Droll binnensmonds, zooals hij gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. “Dat zal en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden, dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is.”

“En dat is?”

“Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen.”

“Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb?Gelukkigerwijze maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid, en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn zij gekneveld?”

“Ja, maar niet heel straf.”

“Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en dan ...”

“En dan met hen in het water,” viel Droll hem in de rede.

“In het water?” vroeg Old Firehand verwonderd.

“Natuurlijk.”

“Ik geloof dat gij schertst, lieve tante.”

“Schertsen? Dat komt niet in mij op!” En toen hij de verwonderde gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij gichelend. “Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!”

“Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen inslaan.”

“Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later.”

“Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?”

“Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog voordat de aanval begint.”

“Houdt gij dat voor mogelijk?”

“Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat isvolstrektniet moeilijk.”

“Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?”

“Dat zou ik haast wel denken.”

“Welnu, laat eens hooren!”

“Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij, dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan dat kanaal,dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd, en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel, binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich, dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen.”

“O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen,” zei Old Firehand. “Gij wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?”

“Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor iederen gevangene is er één noodig.”

“Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is.”

Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon, en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.

Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van de boerderij af te brengen.

Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen, dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen, revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn manschappen op.

De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.

De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden, keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder, totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten, dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.

Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.

“Wel?” vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.

“Het was geen gemakkelijke taak,” antwoordde de Tante. “Het water hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen duisternis onze beste bondgenoot.”

“Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed kunnen zien.”

“Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu, de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten de gevangenen....”

“Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water; want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!”

“Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend het oog op hen houdt.”

“Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?”

“Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd.”

“Hebt gij dan al een plan?”

“Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje eenvoudig aan den walkant.”

“Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het bootje telkens in de hoogte gaan.”

“Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast; gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij dan het sein geven—den gierenschreeuw—gaan de poppen dadelijk aan het dansen. Begrepen?”

“Well, het is niet beter te bedenken.”

“En gij, Uncle?”

“Juist zoo, als gij ’t hebt uitgedacht—wordt heel ’t fameuze werk volbracht,” antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.

“Mooi zoo, nu vooruit maar!”

Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.

“Wij zijn waar wij wezen moeten,” fluisterde hij hun toe; “nu wacht gij maar tot ik terugkom.”

De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen, ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop van eenige seconden zei het meisje: “He, vader! onze bewaker is weg!”

“He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het is misschien om ons op de proef te stellen.”

“Suut, suut!” fluisterde Droll hun toe. “Ze moeten u niet hooren. De bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u te redden.”

“Redden?Heavens!Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!”

“Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas; Droll, dien ze Tante noemen.”

“Groote Genade! Is het tòch waar?”

“Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu ben ik met twee fermeboysnaar hier geslopen, om u uit hun handen te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen, door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!”

Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije gebruik van hun ledematen.

“Ja, nu gelooven wij u, sir!” fluisterde de landbouwer, die tot nu gezwegen had. “Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?”

“Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleineMiss(= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent; en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is.”

“De dans? Welke dans?”

“Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de boerderij—twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links de Osagen-hoofdman de ‘Goede Zon’ met een troep Roodhuiden—zij wachten slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast, en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten.”

“O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in veiligheid brengen?”

“Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten, korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u eerst uit hun handen te halen.”

“Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons waagt? Neen sir! dan vergist gij u.”

“Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in veiligheid gebracht te worden.”

“Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een mes afstaan?

“Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig; maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt, is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal ik ook wel gauw makendat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt wordt. Laat mij maar eens begaan!”

In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg: “Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?”

“Neen!” antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.

“Well!Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost het u uw kop. Begrepen?”

“Yes. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!”

Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een schrede nader, boog voorover, en zei: “Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik....”

Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles stil, totdat Droll zachtkens zeide: “Ziezoo! die heeft u zijn wapen gebracht; wel vriendelijk van hem.”

“Hebt gij hem dan beet?” vroeg de landbouwer.

“Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen de kleine Miss naar het bootje brengen.”

Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand, en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: “Nu zal het er toe komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen, dan hebben wij geen nood.”

Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt, kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op, in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nogeen oogenblik heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand’s wijd in het rond klinkend commando: “Geeft acht! Vuurt!”

Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.

“Nu de beurt ook aan ons!” commandeerde Droll. “Eerst de kogels, en dan met de kolven er op los!”

Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen, toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren, dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander redmiddel, dan in de vlucht.

“Voort, voort, naar de paarden!” hoorde men een stem roepen, of juister gezegd brullen. “Dat is de kornel!” riep Droll. “Laat die toch den dans niet ontspringen!”

Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En toen vluchtten zij in noordelijke richting.

“Hen zoolang mogelijk achternazetten!” commandeerde Old Firehand. “Zij moeten niet op verademing kunnen komen!”

Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren; en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis, dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel, vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend hoongehuilvan de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.

“Omkeeren!” gebood Old Firehand. “Het eenige, dat wij nu nog te doen hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen om vervolgens te ontkomen.”

Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en te scalpeeren.

Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen—een ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.

Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit vernam, verklaarde hij aan haar vader: “Tot nu toe heb ik het voor zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken.”

Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs- en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden, in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.

Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen, wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen, dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende, dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan, om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.


Back to IndexNext