ACHTSTE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.Waar moet het heen?Dinsdag, de zesentwintigste Mei, was haast voorbij, want het liep naar het uur van middernacht. In langen tijd was er zoo laat in den nacht, niet zooveel volk op de been geweest.Het heette, dat de een den ander aangaande de geruchten, die geloopen hadden, kwam gerust stellen; maar eigenlijk was het bij de meesten een zekere angst, die hen naar de wallen dreef om te luisteren, of er ook iets in den omtrek gehoord werd.„Wonderlijk,” zeide Willem Cornelisz. Speelman tot een ander, „wonderlijk toch, dat nergens iets te zien is van den dikken brouwer en zijne kornuiten, Pier Quaet-Gelaet en Jurrie Thijsz. Zouden die zich hebben....”„Verstoken?” vroeg de ander. „Neen, dat geloof ik niet. Ze zullen, als de voorspelling van de Prinsgezinden moest uitkomen, de woede des volks niet hebben willen afwachten en gevlucht zijn naar Jonker van Mathenesse de Wybisma, die er roem op draagt het met Spanje eens en met Valdez bevriend te zijn.”„Maar gelooft gij dan toch werkelijk, dat de Spanjaarden terugkomen en onze stad belegeren zullen, Meester?”„Ja, ik voor me-zelven houd het voor vast waar, dat ze komen zullen. Maar dan behoede God ons Leiden! Waarvan de burgerij alsdan leven moet, zoo het beleg wat lang moest duren, dat weet ik niet! De Vroedschap heeft in deze zaak kwalijk gehandeld!”„Het kan zijn; maar hetontbrakhaar ook aan geld om koren te koopen. Gij zult toch ook wel weten, dat ze reeds den zesden van Wintermaand des vorigen jaars, order gegeven heeft tot Rotterdam koren te koopen met belofte, deeene helft dadelijk te betalen en de andere bij het ontschepen aan de kade!”„Ik weet dat alles zeer goed. Maar al had de Regeering honderd zulke orders gegeven, het is uit alles blijkbaar, dat ze aan geen tweede beleg gelooft. Maar stil, hoe maakt dat hoopken volks ginder zulk eene beweging?”Het tierende troepje kwam al nader en nader. Voorop gingen Cornelis Joppensz. en Gerrit Verlaen, ons Leeuwke, die op voorspraak van Allertsz., op vrije voeten waren gesteld geworden. Nu togen ze in alle eer door de straten heen en zongen beiden een welbekend spotliedje van die dagen, waarvan het refrein van ieder versje:„Ons Patroon van Alven,Sal u met sijner salven,Bestrijcken also wel!”telkens door de menigte werd uitgegalmd.„Ei zie,” zeide Speelman op dit gezicht, „ei zie, hoe wispelturig het volk is! Nog dezen middag wilde het beide jongens van het leven berooven, en nu trekt men onder woest getier met die jonge borsten door Leiden heen! Zóó is het volk, veranderlijk als de wind bij een onweder.”Plotseling zweeg de menigte midden in het refrein en klonk het gejaagde geroep van: „Waar zijn ze? Vanwaar komen ze?” onheilspellend door de straat.„Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in karveelen over het Haarlemmermeer van Amsterdam hier gekomen. Maar hoe sterk ze zijn en wie de Bevelhebber is, kan men niet onderscheiden,” sprak de man, die het woeste gezang met zulk eene slechte tijding kwam verstoren.In een oogenblik waren de straten, grachten en pleinen ledig. Wat loopen kon, spoedde zich naar den wal tusschen de Zijl- en Hoogewoerdspoorten. Ieder meende wat te zien, of te hooren, en allen wenschten, dat de dageraad maar mocht aanbreken. Doch de uren verliepen niet sneller dananders en naar den algemeenen zin, maakte de dageraad aan het martelend ongeduld der nieuwsgierigen al te laat een einde.Toen het helder dag was geworden zag ieder Leidenaar tot zijn leedwezen te laat, dat de veste, die zoo slecht van levens- en krijgsvoorraad voorzien was, voor de tweede maal zou belegerd worden.Het geleek, kort na het bekend worden van de komst der Spanjaarden, wel eene dwaze onderneming van die dertig burgers, onder bevel van den Kapitein Allertsz., om de bewegingen des vijands meer van naderbij te gaan verkennen. Maar Allertsz. achtte het plicht van alles op de hoogte te zijn, en het was hem niet genoeg in de duisternis te staan gapen en zich tevreden te stellen met dat, wat de een zeide gehoord en de ander vertelde gezien te hebben. Hij rekende ook op den donkeren nacht, en al had hij over eene krijgsmacht, van zooveel duizenden manschappen, als er nu tientallen waren, kunnen beschikken, hij kon niet met meer moed de stad verlaten hebben dan nu. Onder hen, die aan den gevaarlijken tocht deelnamen, waren ook Van Schaeck en Van Keulen, die uit belangstelling voor de goede zaak medegingen; want ze waren niet in een vendel ingelijfd.Het is natuurlijk dat de menigte, na zich overtuigd te hebben, dat de Spanjool teruggekeerd was, de moedige mannen, die bij de duisternis uitgetrokken waren, met het oog trachtte te volgen.Ze behoefden echter niet lang te zoeken; want weldra hoorde men duidelijk de schoten der haakschutters knallen, een bewijs, dat de dertig mannen in eene heete schermutseling met eenige goed gewapende Spanjaarden waren. De drift vee, die de dapperen hadden willen meevoeren, moest prijs gegeven worden, en zonder eenig voordeel behaald te hebben, kwamen vijfentwintig man terug. Onder de gevallenen behoorde ook de moedige Bevelhebber Andries Allertsz.Daar stond nu de menigte! Thans was het beslist, datmen andermaal een beleg te gemoet ging, hetwelk door de zorgeloosheid van den Magistraat en het krachtig drijven der Spaanschgezinden uitgelokt was. De magazijnen ledig of half vol, de krijgsvoorraad verre van toereikend, geene bezetting, de Overste al gesneuveld, Spaanschgezinden mogelijk nog in groot aantal in de stad,—ja, wèl was het niet te verwonderen, dat de groote menigte verslagen en hopeloos de bewegingen des vijands aanschouwde.Zie, ginds gaan reeds drie vendels goed gewapende en in den oorlog ervaren mannen, onder bevel van Don Louis Gaëtan, van Leiderdorp door de Weipoort naar Zoeterwoude! Thans zien de Leidenaars hoe dwaas ze geweest zijn, de schansen niet te slechten. De Spanjaard heeft ze maar binnen te trekken, even als een burger een ledig huis. Het is om radeloos te worden! Nu eerst wordt de Regeering wakker, nadat zij zich inslaap heeft laten sollen door de voorwendsels en redeneeringen van „Pier Quaet-Gelaet” en zijne vrienden. In allerijl worden boden uitgezonden naar Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht, in welke laatste stad, naar een bericht dien dag ontvangen, de Prins van Oranje zich ophield, nadat hij uit de Bommelerwaard terug gekomen was.Het bericht, dat de uitgezondenen medebrachten, was verre van geruststellend. De Prins liet hun weten, dat ze moesten beproeven de belegering drie maanden vol te houden, dan zou hij in dien tusschentijd naar krachtige middelen uitzien om de stad te ontzetten. Om met den aanwezigen leeftocht langer toe te komen, achtte hij het ook wenschelijk, dat de Regeering de onnutte monden verwijderde, en, om de kleine bezetting, die uit de burgerij en eenige vrijbuiters bestond, te versterken vóór de stad geheel ingesloten was, gaf hij bevel, de Engelschen, die te Alfen en te Gouwesluis lagen, in te nemen.Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin besloot de Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen vrouwen en meisjes benevens jongens beneden de zestienjaar verlof om zich naar andere plaatsen te begeven, zoo ze dit wenschten. Weinigen schijnen van dat verlof gebruik te hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die in de eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt werd, komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen waren.Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D’Ayala met eene sterke afdeeling voetvolk en ruiterij het leger van Valdez versterken. De bezetting Engelschen aan de Gouwesluis, sloeg, onder aanvoering van hare dappere Bevelhebbers Ghensfort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch toen de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts drong, moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en de schans voor de Spanjaarden ontruimen. Waren die van Alfen niet zoo traag geweest, hunne makkers te hulp te komen, misschien zou Ghensfort stand hebben kunnen houden; doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden ze dat de schans al over was en keerden terug om wat later op hunne beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te geven en alzoo den weg van Utrecht tot Holland voor den Spanjaard open te stellen.Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging het ook slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weerszijden vielen volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars, niet ten onrechte, vermoedden, dat de Engelsche troepen, die ze op last van den Prins moesten innemen, met den vijand heulden.Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op een loopen zett’en, weigerden die van Leiden hen binnen te laten. Men liet hen buiten de wallen blijven, doch verzekerde hun meteen, dat ze daar van alles zouden voorzien worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer slecht, waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag dwong aan de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtalhunner was niet zoo laag, zich zoo aan den Spanjaard over te geven, en verzocht nogmaals binnen de stad gelaten te worden, hetgeen hun ook nu niet langer geweigerd werd.Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niettegenstaande dat alles, bestond er vooreerst geen gevaar. Men zag maar al te wel, dat de Spanjaard, wetende dat er zoo bitter weinig levensvoorraad in de stad was, besloten had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers door den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te geven. Men hoopte dus op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mede heulden, waren met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers en wierp al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtgeloovigheid brachten ze niet in rekening.Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen tijd te dooden.„Hebt gij het al vernomen, Cornelis?” vroeg Gerrit zijnen vriend, terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.„Wat moet ik vernomen hebben?”„Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers ingekomen is?”„Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?”„Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men zegt, dat de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz. De Wilde en Ewout Arent Gerritsz., die daar nu veilig onder Spaansche bescherming zijn.”„Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten ze maar half hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht blaadje staan, ze zouden gewis tijd en moeite besparen en niet schrijven. Doch ik heb ook iets! Weet gij al wie onze Overste zal worden?”„Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan van Duivenvoorde, Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas Dircksz. van Montfoort, Jonker Jacob van der Does of zijn neef Jonker Johan van der Does?”„De laatste is het!”„Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast de jongste van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar oud zijn?”„Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het of hij jong of oud is? Jonker Jacob van der Does wilde het op zijnen vergevorderden leeftijd niet meer zijn. Hij zag er tegen op, en zeide, dat hij niet gehard was tegen den arbeid, daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde langs de straat en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te wezen. En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een jong, krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is Jonker Johan van der Does, die de kaas niet van zijne boterham zal laten halen; want hij heeft op zijn musket laten graveeren:„Laet ons noch houden de wapenen in handen,Opdat de naem van Vrije Landen,Niet en gedie tot grooter schanden.”„Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten we bij zijn!”Dit zeggende zett’en de beide knapen het op een loopen naar het stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor de pui stond te verdringen.„Laat hooren wat de glippers schrijven,” riepen de ongeduldigsten uit den hoop.„Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften zeons komen brengen en welke gouden bergen ze beloven,” klonk het van elders.„Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier wel staan tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets hoort,” riep Van Hout, die zich belast had met den inhoud van den brief bekend te maken.De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar klonk het:„Mijn heeren, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij dragen tot onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene groote verschricktheyt en leedtwesen, is oorsake geweest u luyden te adverteren, te weten, dat wy versien dat myn Heeren geschapen zijn in de extreme calamtie te vallen....”„Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg maar waar al dat geleuter op neerkomt,” lieten velen zich hooren.„Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden,” hernam Van Hout, „de geheele zaak komt hierop neer, dat zij ons aanmanen, ons aan den goedertieren Koning van Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan leeftocht, vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bijMijnheere van Licques een seer beleeft, discreet en verstandich Heere,” en ze eindigen met den wensch: „Biddende God den Heere, dat hem gelieve u E. te inspireren sijne Goddelicke gratie, teneynde ghy mocht hebben ’t gerechte verstant om alsulcken uyre, die u tot deser tijdt so avantagieus is, niet te willen met quade perseverantie laten passere!”„Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt als eene klok,” zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich verwijderd had, en bijna ieder was het met hem eens. Maar waarin ze het niet eens waren, dat was in den tijd van verzending van het antwoord. Deze wilde het op staandenvoet, die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, en gene meende, het had al den tijd.Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel, vooral gedurende de belegering, de Magistraat zich wel eens richtte naar de algemeene wenschen van het volk, nu had hij reeds een besluit genomen, want spoedig werd het bekend, dat de Regeering besloten had, reeds den volgenden dag den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen raad beliefde te luisteren.Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en ander met elkander besproken te hebben, ging de menigte uiteen en verstrooide zich in de straten.Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op de been om den nieuw gekozen Overste, zoodra deze van het stadhuis zou komen, te begroeten.Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien komen, kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de pui te voorschijn.„Geef acht,” riep de reeds meermalen genoemde Willem Cornelis Speelman, „daar komt reeds het antwoord van de Glippers!”„Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan,” zeide een, die naast hem stond. „Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal mis, man! Maar zeg, hebt gij nog duifkens te koop, van die briefdragerkens, meen ik! Ik wilde....”„Och, houd toch den snater over duifkens en briefdragerkens! Luister, liever wat ons medegedeeld zal worden, daar hebben we meer belang bij,” zeide Van der Morsch.„Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden,” riep Van Hout, „de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!”„Laat hooren, laat hooren,” joelde de menigte.Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het gegons, gebrom en geschuifel verminderden, en toen alles stil was, klonk het:„Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.„Lieve ’ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t’ uwer liefden, ’t selve adverterende dat ick een brieve bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken ik....”Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het vervaarlijk geschreeuw van:„Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!”Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot bedaren te brengen, en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard hem zulks mogelijk was: „Hij is geen Glipper, want zelf heeft hij den brief ongeopend den Magistraat terhand gesteld.”„Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt,” riep er een.„De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hoochstraten. Hij schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche Hopluiden ons den voorslag doet, de stad over te geven. Verder zegt hij nog, dat de Drossaard van Wedden en Gerard van Sighem op hand en tand beloofd hebben, dat er niet meer dan twee vendelen knechten in de stad zullen komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren, Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn eigen persoon te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze nieuwe Overste heeft hierop heel eenvoudig geantwoord: „Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps”, dat beduidt: „De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit”.„Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die Jonker van der Does is een man naar ons hart,” riepen een paar stemmen.„Leve van der Does!” klonk het hierop uit Van Schaecks mond, en het volk herhaalde dien juichkreet.Toen het volk vernomen had van welken inhoud debrieven der Glippers waren en wat men daarop geantwoord had, gingen velen naar de Cloveniers-doelen om daar in handen van Meester Diederick van Bronckhorst, die door den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van Schout, Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af te leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn, omdat men vreesde, dat het volk al heel spoedig tot ontevredenheid zou overslaan, daar het niet lang zou duren of er zou honger geleden worden. Vandaar is het mogelijk wel, dat velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering de oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als men er nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid der minderen geen voedsel te geven, werden al de weilanden, die in den naasten omtrek van de stad lagen tot algemeen gebruik verklaard en al het vee moest des avonds in de stad gebracht en overdag door wachters beschermd worden tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht onder de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest men, al had men zelf eigen weiland erbij, geld betalen en iedere veehouder was verplicht op het stadhuis aan te geven hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten of varkens hij had. De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste- en tarwebrood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds vóór het beleg besloten om eene burgerwacht te paard op te richten, teneinde als ruiterij bij eenen uitval dienst te kunnen doen, nu werd er aan dat besluit gevolg gegeven, hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren, die niet begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen. Het bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij heeft niets gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht houden in de straten. Van meer belang was het dat men iederen Leidenaar, die de wapenen dragen kon, als verdediger der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde, terwijl men de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een der vendels inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij zijnen Pleegvader, die liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde echter niet lang of schutters en vrijbuiters deden, al naar het zoo uitkwam, denzelfden dienst.„Er wordt toch heel wat gedaan, Vader,” zeide Cornelis toen hij des avonds met zijne Pleegouders, broeders en zusters aan de tafel zat om het avondmaal, dat bestond uit roggebrood in de wei gekookt, te nuttigen.„Ja, jongen, heel wat,” sprak de Vader. „Één ding is maar jammer.”„Wat, Vader?”„Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond na het eerste beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden de acht- of negenduizend Spanjaarden, die nu de stad bijna geheel insluiten, jaar en dag kunnen belegeren zonder de stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis, nu voorzie ik onuitsprekelijke ellende of—Leidens val, waarop dan Hollands ondergang volgt.”Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid, en zwak klonk hare stem: „En alles is zoo duur en niets wordt verdiend. Wat er nog opgehaald werd tusschen Maart en Mei is schoon weggegaan met het betalen der schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan veertien dagen geleden. Waar moet het heen?”„Waar moet het heen?” werd in alle wijken, in alle straten, in alle huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als den arme telkens met eenen diepen zucht die vraag doen en nog eens doen: „Waar moet het heen?”

ACHTSTE HOOFDSTUK.Waar moet het heen?Dinsdag, de zesentwintigste Mei, was haast voorbij, want het liep naar het uur van middernacht. In langen tijd was er zoo laat in den nacht, niet zooveel volk op de been geweest.Het heette, dat de een den ander aangaande de geruchten, die geloopen hadden, kwam gerust stellen; maar eigenlijk was het bij de meesten een zekere angst, die hen naar de wallen dreef om te luisteren, of er ook iets in den omtrek gehoord werd.„Wonderlijk,” zeide Willem Cornelisz. Speelman tot een ander, „wonderlijk toch, dat nergens iets te zien is van den dikken brouwer en zijne kornuiten, Pier Quaet-Gelaet en Jurrie Thijsz. Zouden die zich hebben....”„Verstoken?” vroeg de ander. „Neen, dat geloof ik niet. Ze zullen, als de voorspelling van de Prinsgezinden moest uitkomen, de woede des volks niet hebben willen afwachten en gevlucht zijn naar Jonker van Mathenesse de Wybisma, die er roem op draagt het met Spanje eens en met Valdez bevriend te zijn.”„Maar gelooft gij dan toch werkelijk, dat de Spanjaarden terugkomen en onze stad belegeren zullen, Meester?”„Ja, ik voor me-zelven houd het voor vast waar, dat ze komen zullen. Maar dan behoede God ons Leiden! Waarvan de burgerij alsdan leven moet, zoo het beleg wat lang moest duren, dat weet ik niet! De Vroedschap heeft in deze zaak kwalijk gehandeld!”„Het kan zijn; maar hetontbrakhaar ook aan geld om koren te koopen. Gij zult toch ook wel weten, dat ze reeds den zesden van Wintermaand des vorigen jaars, order gegeven heeft tot Rotterdam koren te koopen met belofte, deeene helft dadelijk te betalen en de andere bij het ontschepen aan de kade!”„Ik weet dat alles zeer goed. Maar al had de Regeering honderd zulke orders gegeven, het is uit alles blijkbaar, dat ze aan geen tweede beleg gelooft. Maar stil, hoe maakt dat hoopken volks ginder zulk eene beweging?”Het tierende troepje kwam al nader en nader. Voorop gingen Cornelis Joppensz. en Gerrit Verlaen, ons Leeuwke, die op voorspraak van Allertsz., op vrije voeten waren gesteld geworden. Nu togen ze in alle eer door de straten heen en zongen beiden een welbekend spotliedje van die dagen, waarvan het refrein van ieder versje:„Ons Patroon van Alven,Sal u met sijner salven,Bestrijcken also wel!”telkens door de menigte werd uitgegalmd.„Ei zie,” zeide Speelman op dit gezicht, „ei zie, hoe wispelturig het volk is! Nog dezen middag wilde het beide jongens van het leven berooven, en nu trekt men onder woest getier met die jonge borsten door Leiden heen! Zóó is het volk, veranderlijk als de wind bij een onweder.”Plotseling zweeg de menigte midden in het refrein en klonk het gejaagde geroep van: „Waar zijn ze? Vanwaar komen ze?” onheilspellend door de straat.„Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in karveelen over het Haarlemmermeer van Amsterdam hier gekomen. Maar hoe sterk ze zijn en wie de Bevelhebber is, kan men niet onderscheiden,” sprak de man, die het woeste gezang met zulk eene slechte tijding kwam verstoren.In een oogenblik waren de straten, grachten en pleinen ledig. Wat loopen kon, spoedde zich naar den wal tusschen de Zijl- en Hoogewoerdspoorten. Ieder meende wat te zien, of te hooren, en allen wenschten, dat de dageraad maar mocht aanbreken. Doch de uren verliepen niet sneller dananders en naar den algemeenen zin, maakte de dageraad aan het martelend ongeduld der nieuwsgierigen al te laat een einde.Toen het helder dag was geworden zag ieder Leidenaar tot zijn leedwezen te laat, dat de veste, die zoo slecht van levens- en krijgsvoorraad voorzien was, voor de tweede maal zou belegerd worden.Het geleek, kort na het bekend worden van de komst der Spanjaarden, wel eene dwaze onderneming van die dertig burgers, onder bevel van den Kapitein Allertsz., om de bewegingen des vijands meer van naderbij te gaan verkennen. Maar Allertsz. achtte het plicht van alles op de hoogte te zijn, en het was hem niet genoeg in de duisternis te staan gapen en zich tevreden te stellen met dat, wat de een zeide gehoord en de ander vertelde gezien te hebben. Hij rekende ook op den donkeren nacht, en al had hij over eene krijgsmacht, van zooveel duizenden manschappen, als er nu tientallen waren, kunnen beschikken, hij kon niet met meer moed de stad verlaten hebben dan nu. Onder hen, die aan den gevaarlijken tocht deelnamen, waren ook Van Schaeck en Van Keulen, die uit belangstelling voor de goede zaak medegingen; want ze waren niet in een vendel ingelijfd.Het is natuurlijk dat de menigte, na zich overtuigd te hebben, dat de Spanjool teruggekeerd was, de moedige mannen, die bij de duisternis uitgetrokken waren, met het oog trachtte te volgen.Ze behoefden echter niet lang te zoeken; want weldra hoorde men duidelijk de schoten der haakschutters knallen, een bewijs, dat de dertig mannen in eene heete schermutseling met eenige goed gewapende Spanjaarden waren. De drift vee, die de dapperen hadden willen meevoeren, moest prijs gegeven worden, en zonder eenig voordeel behaald te hebben, kwamen vijfentwintig man terug. Onder de gevallenen behoorde ook de moedige Bevelhebber Andries Allertsz.Daar stond nu de menigte! Thans was het beslist, datmen andermaal een beleg te gemoet ging, hetwelk door de zorgeloosheid van den Magistraat en het krachtig drijven der Spaanschgezinden uitgelokt was. De magazijnen ledig of half vol, de krijgsvoorraad verre van toereikend, geene bezetting, de Overste al gesneuveld, Spaanschgezinden mogelijk nog in groot aantal in de stad,—ja, wèl was het niet te verwonderen, dat de groote menigte verslagen en hopeloos de bewegingen des vijands aanschouwde.Zie, ginds gaan reeds drie vendels goed gewapende en in den oorlog ervaren mannen, onder bevel van Don Louis Gaëtan, van Leiderdorp door de Weipoort naar Zoeterwoude! Thans zien de Leidenaars hoe dwaas ze geweest zijn, de schansen niet te slechten. De Spanjaard heeft ze maar binnen te trekken, even als een burger een ledig huis. Het is om radeloos te worden! Nu eerst wordt de Regeering wakker, nadat zij zich inslaap heeft laten sollen door de voorwendsels en redeneeringen van „Pier Quaet-Gelaet” en zijne vrienden. In allerijl worden boden uitgezonden naar Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht, in welke laatste stad, naar een bericht dien dag ontvangen, de Prins van Oranje zich ophield, nadat hij uit de Bommelerwaard terug gekomen was.Het bericht, dat de uitgezondenen medebrachten, was verre van geruststellend. De Prins liet hun weten, dat ze moesten beproeven de belegering drie maanden vol te houden, dan zou hij in dien tusschentijd naar krachtige middelen uitzien om de stad te ontzetten. Om met den aanwezigen leeftocht langer toe te komen, achtte hij het ook wenschelijk, dat de Regeering de onnutte monden verwijderde, en, om de kleine bezetting, die uit de burgerij en eenige vrijbuiters bestond, te versterken vóór de stad geheel ingesloten was, gaf hij bevel, de Engelschen, die te Alfen en te Gouwesluis lagen, in te nemen.Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin besloot de Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen vrouwen en meisjes benevens jongens beneden de zestienjaar verlof om zich naar andere plaatsen te begeven, zoo ze dit wenschten. Weinigen schijnen van dat verlof gebruik te hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die in de eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt werd, komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen waren.Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D’Ayala met eene sterke afdeeling voetvolk en ruiterij het leger van Valdez versterken. De bezetting Engelschen aan de Gouwesluis, sloeg, onder aanvoering van hare dappere Bevelhebbers Ghensfort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch toen de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts drong, moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en de schans voor de Spanjaarden ontruimen. Waren die van Alfen niet zoo traag geweest, hunne makkers te hulp te komen, misschien zou Ghensfort stand hebben kunnen houden; doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden ze dat de schans al over was en keerden terug om wat later op hunne beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te geven en alzoo den weg van Utrecht tot Holland voor den Spanjaard open te stellen.Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging het ook slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weerszijden vielen volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars, niet ten onrechte, vermoedden, dat de Engelsche troepen, die ze op last van den Prins moesten innemen, met den vijand heulden.Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op een loopen zett’en, weigerden die van Leiden hen binnen te laten. Men liet hen buiten de wallen blijven, doch verzekerde hun meteen, dat ze daar van alles zouden voorzien worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer slecht, waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag dwong aan de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtalhunner was niet zoo laag, zich zoo aan den Spanjaard over te geven, en verzocht nogmaals binnen de stad gelaten te worden, hetgeen hun ook nu niet langer geweigerd werd.Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niettegenstaande dat alles, bestond er vooreerst geen gevaar. Men zag maar al te wel, dat de Spanjaard, wetende dat er zoo bitter weinig levensvoorraad in de stad was, besloten had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers door den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te geven. Men hoopte dus op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mede heulden, waren met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers en wierp al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtgeloovigheid brachten ze niet in rekening.Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen tijd te dooden.„Hebt gij het al vernomen, Cornelis?” vroeg Gerrit zijnen vriend, terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.„Wat moet ik vernomen hebben?”„Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers ingekomen is?”„Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?”„Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men zegt, dat de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz. De Wilde en Ewout Arent Gerritsz., die daar nu veilig onder Spaansche bescherming zijn.”„Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten ze maar half hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht blaadje staan, ze zouden gewis tijd en moeite besparen en niet schrijven. Doch ik heb ook iets! Weet gij al wie onze Overste zal worden?”„Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan van Duivenvoorde, Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas Dircksz. van Montfoort, Jonker Jacob van der Does of zijn neef Jonker Johan van der Does?”„De laatste is het!”„Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast de jongste van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar oud zijn?”„Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het of hij jong of oud is? Jonker Jacob van der Does wilde het op zijnen vergevorderden leeftijd niet meer zijn. Hij zag er tegen op, en zeide, dat hij niet gehard was tegen den arbeid, daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde langs de straat en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te wezen. En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een jong, krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is Jonker Johan van der Does, die de kaas niet van zijne boterham zal laten halen; want hij heeft op zijn musket laten graveeren:„Laet ons noch houden de wapenen in handen,Opdat de naem van Vrije Landen,Niet en gedie tot grooter schanden.”„Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten we bij zijn!”Dit zeggende zett’en de beide knapen het op een loopen naar het stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor de pui stond te verdringen.„Laat hooren wat de glippers schrijven,” riepen de ongeduldigsten uit den hoop.„Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften zeons komen brengen en welke gouden bergen ze beloven,” klonk het van elders.„Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier wel staan tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets hoort,” riep Van Hout, die zich belast had met den inhoud van den brief bekend te maken.De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar klonk het:„Mijn heeren, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij dragen tot onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene groote verschricktheyt en leedtwesen, is oorsake geweest u luyden te adverteren, te weten, dat wy versien dat myn Heeren geschapen zijn in de extreme calamtie te vallen....”„Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg maar waar al dat geleuter op neerkomt,” lieten velen zich hooren.„Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden,” hernam Van Hout, „de geheele zaak komt hierop neer, dat zij ons aanmanen, ons aan den goedertieren Koning van Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan leeftocht, vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bijMijnheere van Licques een seer beleeft, discreet en verstandich Heere,” en ze eindigen met den wensch: „Biddende God den Heere, dat hem gelieve u E. te inspireren sijne Goddelicke gratie, teneynde ghy mocht hebben ’t gerechte verstant om alsulcken uyre, die u tot deser tijdt so avantagieus is, niet te willen met quade perseverantie laten passere!”„Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt als eene klok,” zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich verwijderd had, en bijna ieder was het met hem eens. Maar waarin ze het niet eens waren, dat was in den tijd van verzending van het antwoord. Deze wilde het op staandenvoet, die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, en gene meende, het had al den tijd.Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel, vooral gedurende de belegering, de Magistraat zich wel eens richtte naar de algemeene wenschen van het volk, nu had hij reeds een besluit genomen, want spoedig werd het bekend, dat de Regeering besloten had, reeds den volgenden dag den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen raad beliefde te luisteren.Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en ander met elkander besproken te hebben, ging de menigte uiteen en verstrooide zich in de straten.Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op de been om den nieuw gekozen Overste, zoodra deze van het stadhuis zou komen, te begroeten.Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien komen, kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de pui te voorschijn.„Geef acht,” riep de reeds meermalen genoemde Willem Cornelis Speelman, „daar komt reeds het antwoord van de Glippers!”„Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan,” zeide een, die naast hem stond. „Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal mis, man! Maar zeg, hebt gij nog duifkens te koop, van die briefdragerkens, meen ik! Ik wilde....”„Och, houd toch den snater over duifkens en briefdragerkens! Luister, liever wat ons medegedeeld zal worden, daar hebben we meer belang bij,” zeide Van der Morsch.„Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden,” riep Van Hout, „de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!”„Laat hooren, laat hooren,” joelde de menigte.Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het gegons, gebrom en geschuifel verminderden, en toen alles stil was, klonk het:„Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.„Lieve ’ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t’ uwer liefden, ’t selve adverterende dat ick een brieve bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken ik....”Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het vervaarlijk geschreeuw van:„Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!”Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot bedaren te brengen, en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard hem zulks mogelijk was: „Hij is geen Glipper, want zelf heeft hij den brief ongeopend den Magistraat terhand gesteld.”„Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt,” riep er een.„De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hoochstraten. Hij schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche Hopluiden ons den voorslag doet, de stad over te geven. Verder zegt hij nog, dat de Drossaard van Wedden en Gerard van Sighem op hand en tand beloofd hebben, dat er niet meer dan twee vendelen knechten in de stad zullen komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren, Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn eigen persoon te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze nieuwe Overste heeft hierop heel eenvoudig geantwoord: „Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps”, dat beduidt: „De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit”.„Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die Jonker van der Does is een man naar ons hart,” riepen een paar stemmen.„Leve van der Does!” klonk het hierop uit Van Schaecks mond, en het volk herhaalde dien juichkreet.Toen het volk vernomen had van welken inhoud debrieven der Glippers waren en wat men daarop geantwoord had, gingen velen naar de Cloveniers-doelen om daar in handen van Meester Diederick van Bronckhorst, die door den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van Schout, Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af te leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn, omdat men vreesde, dat het volk al heel spoedig tot ontevredenheid zou overslaan, daar het niet lang zou duren of er zou honger geleden worden. Vandaar is het mogelijk wel, dat velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering de oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als men er nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid der minderen geen voedsel te geven, werden al de weilanden, die in den naasten omtrek van de stad lagen tot algemeen gebruik verklaard en al het vee moest des avonds in de stad gebracht en overdag door wachters beschermd worden tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht onder de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest men, al had men zelf eigen weiland erbij, geld betalen en iedere veehouder was verplicht op het stadhuis aan te geven hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten of varkens hij had. De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste- en tarwebrood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds vóór het beleg besloten om eene burgerwacht te paard op te richten, teneinde als ruiterij bij eenen uitval dienst te kunnen doen, nu werd er aan dat besluit gevolg gegeven, hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren, die niet begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen. Het bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij heeft niets gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht houden in de straten. Van meer belang was het dat men iederen Leidenaar, die de wapenen dragen kon, als verdediger der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde, terwijl men de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een der vendels inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij zijnen Pleegvader, die liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde echter niet lang of schutters en vrijbuiters deden, al naar het zoo uitkwam, denzelfden dienst.„Er wordt toch heel wat gedaan, Vader,” zeide Cornelis toen hij des avonds met zijne Pleegouders, broeders en zusters aan de tafel zat om het avondmaal, dat bestond uit roggebrood in de wei gekookt, te nuttigen.„Ja, jongen, heel wat,” sprak de Vader. „Één ding is maar jammer.”„Wat, Vader?”„Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond na het eerste beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden de acht- of negenduizend Spanjaarden, die nu de stad bijna geheel insluiten, jaar en dag kunnen belegeren zonder de stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis, nu voorzie ik onuitsprekelijke ellende of—Leidens val, waarop dan Hollands ondergang volgt.”Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid, en zwak klonk hare stem: „En alles is zoo duur en niets wordt verdiend. Wat er nog opgehaald werd tusschen Maart en Mei is schoon weggegaan met het betalen der schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan veertien dagen geleden. Waar moet het heen?”„Waar moet het heen?” werd in alle wijken, in alle straten, in alle huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als den arme telkens met eenen diepen zucht die vraag doen en nog eens doen: „Waar moet het heen?”

ACHTSTE HOOFDSTUK.Waar moet het heen?

Dinsdag, de zesentwintigste Mei, was haast voorbij, want het liep naar het uur van middernacht. In langen tijd was er zoo laat in den nacht, niet zooveel volk op de been geweest.Het heette, dat de een den ander aangaande de geruchten, die geloopen hadden, kwam gerust stellen; maar eigenlijk was het bij de meesten een zekere angst, die hen naar de wallen dreef om te luisteren, of er ook iets in den omtrek gehoord werd.„Wonderlijk,” zeide Willem Cornelisz. Speelman tot een ander, „wonderlijk toch, dat nergens iets te zien is van den dikken brouwer en zijne kornuiten, Pier Quaet-Gelaet en Jurrie Thijsz. Zouden die zich hebben....”„Verstoken?” vroeg de ander. „Neen, dat geloof ik niet. Ze zullen, als de voorspelling van de Prinsgezinden moest uitkomen, de woede des volks niet hebben willen afwachten en gevlucht zijn naar Jonker van Mathenesse de Wybisma, die er roem op draagt het met Spanje eens en met Valdez bevriend te zijn.”„Maar gelooft gij dan toch werkelijk, dat de Spanjaarden terugkomen en onze stad belegeren zullen, Meester?”„Ja, ik voor me-zelven houd het voor vast waar, dat ze komen zullen. Maar dan behoede God ons Leiden! Waarvan de burgerij alsdan leven moet, zoo het beleg wat lang moest duren, dat weet ik niet! De Vroedschap heeft in deze zaak kwalijk gehandeld!”„Het kan zijn; maar hetontbrakhaar ook aan geld om koren te koopen. Gij zult toch ook wel weten, dat ze reeds den zesden van Wintermaand des vorigen jaars, order gegeven heeft tot Rotterdam koren te koopen met belofte, deeene helft dadelijk te betalen en de andere bij het ontschepen aan de kade!”„Ik weet dat alles zeer goed. Maar al had de Regeering honderd zulke orders gegeven, het is uit alles blijkbaar, dat ze aan geen tweede beleg gelooft. Maar stil, hoe maakt dat hoopken volks ginder zulk eene beweging?”Het tierende troepje kwam al nader en nader. Voorop gingen Cornelis Joppensz. en Gerrit Verlaen, ons Leeuwke, die op voorspraak van Allertsz., op vrije voeten waren gesteld geworden. Nu togen ze in alle eer door de straten heen en zongen beiden een welbekend spotliedje van die dagen, waarvan het refrein van ieder versje:„Ons Patroon van Alven,Sal u met sijner salven,Bestrijcken also wel!”telkens door de menigte werd uitgegalmd.„Ei zie,” zeide Speelman op dit gezicht, „ei zie, hoe wispelturig het volk is! Nog dezen middag wilde het beide jongens van het leven berooven, en nu trekt men onder woest getier met die jonge borsten door Leiden heen! Zóó is het volk, veranderlijk als de wind bij een onweder.”Plotseling zweeg de menigte midden in het refrein en klonk het gejaagde geroep van: „Waar zijn ze? Vanwaar komen ze?” onheilspellend door de straat.„Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in karveelen over het Haarlemmermeer van Amsterdam hier gekomen. Maar hoe sterk ze zijn en wie de Bevelhebber is, kan men niet onderscheiden,” sprak de man, die het woeste gezang met zulk eene slechte tijding kwam verstoren.In een oogenblik waren de straten, grachten en pleinen ledig. Wat loopen kon, spoedde zich naar den wal tusschen de Zijl- en Hoogewoerdspoorten. Ieder meende wat te zien, of te hooren, en allen wenschten, dat de dageraad maar mocht aanbreken. Doch de uren verliepen niet sneller dananders en naar den algemeenen zin, maakte de dageraad aan het martelend ongeduld der nieuwsgierigen al te laat een einde.Toen het helder dag was geworden zag ieder Leidenaar tot zijn leedwezen te laat, dat de veste, die zoo slecht van levens- en krijgsvoorraad voorzien was, voor de tweede maal zou belegerd worden.Het geleek, kort na het bekend worden van de komst der Spanjaarden, wel eene dwaze onderneming van die dertig burgers, onder bevel van den Kapitein Allertsz., om de bewegingen des vijands meer van naderbij te gaan verkennen. Maar Allertsz. achtte het plicht van alles op de hoogte te zijn, en het was hem niet genoeg in de duisternis te staan gapen en zich tevreden te stellen met dat, wat de een zeide gehoord en de ander vertelde gezien te hebben. Hij rekende ook op den donkeren nacht, en al had hij over eene krijgsmacht, van zooveel duizenden manschappen, als er nu tientallen waren, kunnen beschikken, hij kon niet met meer moed de stad verlaten hebben dan nu. Onder hen, die aan den gevaarlijken tocht deelnamen, waren ook Van Schaeck en Van Keulen, die uit belangstelling voor de goede zaak medegingen; want ze waren niet in een vendel ingelijfd.Het is natuurlijk dat de menigte, na zich overtuigd te hebben, dat de Spanjool teruggekeerd was, de moedige mannen, die bij de duisternis uitgetrokken waren, met het oog trachtte te volgen.Ze behoefden echter niet lang te zoeken; want weldra hoorde men duidelijk de schoten der haakschutters knallen, een bewijs, dat de dertig mannen in eene heete schermutseling met eenige goed gewapende Spanjaarden waren. De drift vee, die de dapperen hadden willen meevoeren, moest prijs gegeven worden, en zonder eenig voordeel behaald te hebben, kwamen vijfentwintig man terug. Onder de gevallenen behoorde ook de moedige Bevelhebber Andries Allertsz.Daar stond nu de menigte! Thans was het beslist, datmen andermaal een beleg te gemoet ging, hetwelk door de zorgeloosheid van den Magistraat en het krachtig drijven der Spaanschgezinden uitgelokt was. De magazijnen ledig of half vol, de krijgsvoorraad verre van toereikend, geene bezetting, de Overste al gesneuveld, Spaanschgezinden mogelijk nog in groot aantal in de stad,—ja, wèl was het niet te verwonderen, dat de groote menigte verslagen en hopeloos de bewegingen des vijands aanschouwde.Zie, ginds gaan reeds drie vendels goed gewapende en in den oorlog ervaren mannen, onder bevel van Don Louis Gaëtan, van Leiderdorp door de Weipoort naar Zoeterwoude! Thans zien de Leidenaars hoe dwaas ze geweest zijn, de schansen niet te slechten. De Spanjaard heeft ze maar binnen te trekken, even als een burger een ledig huis. Het is om radeloos te worden! Nu eerst wordt de Regeering wakker, nadat zij zich inslaap heeft laten sollen door de voorwendsels en redeneeringen van „Pier Quaet-Gelaet” en zijne vrienden. In allerijl worden boden uitgezonden naar Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht, in welke laatste stad, naar een bericht dien dag ontvangen, de Prins van Oranje zich ophield, nadat hij uit de Bommelerwaard terug gekomen was.Het bericht, dat de uitgezondenen medebrachten, was verre van geruststellend. De Prins liet hun weten, dat ze moesten beproeven de belegering drie maanden vol te houden, dan zou hij in dien tusschentijd naar krachtige middelen uitzien om de stad te ontzetten. Om met den aanwezigen leeftocht langer toe te komen, achtte hij het ook wenschelijk, dat de Regeering de onnutte monden verwijderde, en, om de kleine bezetting, die uit de burgerij en eenige vrijbuiters bestond, te versterken vóór de stad geheel ingesloten was, gaf hij bevel, de Engelschen, die te Alfen en te Gouwesluis lagen, in te nemen.Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin besloot de Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen vrouwen en meisjes benevens jongens beneden de zestienjaar verlof om zich naar andere plaatsen te begeven, zoo ze dit wenschten. Weinigen schijnen van dat verlof gebruik te hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die in de eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt werd, komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen waren.Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D’Ayala met eene sterke afdeeling voetvolk en ruiterij het leger van Valdez versterken. De bezetting Engelschen aan de Gouwesluis, sloeg, onder aanvoering van hare dappere Bevelhebbers Ghensfort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch toen de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts drong, moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en de schans voor de Spanjaarden ontruimen. Waren die van Alfen niet zoo traag geweest, hunne makkers te hulp te komen, misschien zou Ghensfort stand hebben kunnen houden; doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden ze dat de schans al over was en keerden terug om wat later op hunne beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te geven en alzoo den weg van Utrecht tot Holland voor den Spanjaard open te stellen.Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging het ook slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weerszijden vielen volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars, niet ten onrechte, vermoedden, dat de Engelsche troepen, die ze op last van den Prins moesten innemen, met den vijand heulden.Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op een loopen zett’en, weigerden die van Leiden hen binnen te laten. Men liet hen buiten de wallen blijven, doch verzekerde hun meteen, dat ze daar van alles zouden voorzien worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer slecht, waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag dwong aan de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtalhunner was niet zoo laag, zich zoo aan den Spanjaard over te geven, en verzocht nogmaals binnen de stad gelaten te worden, hetgeen hun ook nu niet langer geweigerd werd.Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niettegenstaande dat alles, bestond er vooreerst geen gevaar. Men zag maar al te wel, dat de Spanjaard, wetende dat er zoo bitter weinig levensvoorraad in de stad was, besloten had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers door den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te geven. Men hoopte dus op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mede heulden, waren met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers en wierp al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtgeloovigheid brachten ze niet in rekening.Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen tijd te dooden.„Hebt gij het al vernomen, Cornelis?” vroeg Gerrit zijnen vriend, terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.„Wat moet ik vernomen hebben?”„Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers ingekomen is?”„Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?”„Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men zegt, dat de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz. De Wilde en Ewout Arent Gerritsz., die daar nu veilig onder Spaansche bescherming zijn.”„Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten ze maar half hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht blaadje staan, ze zouden gewis tijd en moeite besparen en niet schrijven. Doch ik heb ook iets! Weet gij al wie onze Overste zal worden?”„Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan van Duivenvoorde, Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas Dircksz. van Montfoort, Jonker Jacob van der Does of zijn neef Jonker Johan van der Does?”„De laatste is het!”„Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast de jongste van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar oud zijn?”„Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het of hij jong of oud is? Jonker Jacob van der Does wilde het op zijnen vergevorderden leeftijd niet meer zijn. Hij zag er tegen op, en zeide, dat hij niet gehard was tegen den arbeid, daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde langs de straat en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te wezen. En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een jong, krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is Jonker Johan van der Does, die de kaas niet van zijne boterham zal laten halen; want hij heeft op zijn musket laten graveeren:„Laet ons noch houden de wapenen in handen,Opdat de naem van Vrije Landen,Niet en gedie tot grooter schanden.”„Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten we bij zijn!”Dit zeggende zett’en de beide knapen het op een loopen naar het stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor de pui stond te verdringen.„Laat hooren wat de glippers schrijven,” riepen de ongeduldigsten uit den hoop.„Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften zeons komen brengen en welke gouden bergen ze beloven,” klonk het van elders.„Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier wel staan tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets hoort,” riep Van Hout, die zich belast had met den inhoud van den brief bekend te maken.De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar klonk het:„Mijn heeren, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij dragen tot onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene groote verschricktheyt en leedtwesen, is oorsake geweest u luyden te adverteren, te weten, dat wy versien dat myn Heeren geschapen zijn in de extreme calamtie te vallen....”„Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg maar waar al dat geleuter op neerkomt,” lieten velen zich hooren.„Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden,” hernam Van Hout, „de geheele zaak komt hierop neer, dat zij ons aanmanen, ons aan den goedertieren Koning van Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan leeftocht, vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bijMijnheere van Licques een seer beleeft, discreet en verstandich Heere,” en ze eindigen met den wensch: „Biddende God den Heere, dat hem gelieve u E. te inspireren sijne Goddelicke gratie, teneynde ghy mocht hebben ’t gerechte verstant om alsulcken uyre, die u tot deser tijdt so avantagieus is, niet te willen met quade perseverantie laten passere!”„Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt als eene klok,” zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich verwijderd had, en bijna ieder was het met hem eens. Maar waarin ze het niet eens waren, dat was in den tijd van verzending van het antwoord. Deze wilde het op staandenvoet, die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, en gene meende, het had al den tijd.Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel, vooral gedurende de belegering, de Magistraat zich wel eens richtte naar de algemeene wenschen van het volk, nu had hij reeds een besluit genomen, want spoedig werd het bekend, dat de Regeering besloten had, reeds den volgenden dag den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen raad beliefde te luisteren.Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en ander met elkander besproken te hebben, ging de menigte uiteen en verstrooide zich in de straten.Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op de been om den nieuw gekozen Overste, zoodra deze van het stadhuis zou komen, te begroeten.Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien komen, kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de pui te voorschijn.„Geef acht,” riep de reeds meermalen genoemde Willem Cornelis Speelman, „daar komt reeds het antwoord van de Glippers!”„Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan,” zeide een, die naast hem stond. „Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal mis, man! Maar zeg, hebt gij nog duifkens te koop, van die briefdragerkens, meen ik! Ik wilde....”„Och, houd toch den snater over duifkens en briefdragerkens! Luister, liever wat ons medegedeeld zal worden, daar hebben we meer belang bij,” zeide Van der Morsch.„Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden,” riep Van Hout, „de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!”„Laat hooren, laat hooren,” joelde de menigte.Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het gegons, gebrom en geschuifel verminderden, en toen alles stil was, klonk het:„Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.„Lieve ’ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t’ uwer liefden, ’t selve adverterende dat ick een brieve bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken ik....”Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het vervaarlijk geschreeuw van:„Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!”Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot bedaren te brengen, en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard hem zulks mogelijk was: „Hij is geen Glipper, want zelf heeft hij den brief ongeopend den Magistraat terhand gesteld.”„Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt,” riep er een.„De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hoochstraten. Hij schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche Hopluiden ons den voorslag doet, de stad over te geven. Verder zegt hij nog, dat de Drossaard van Wedden en Gerard van Sighem op hand en tand beloofd hebben, dat er niet meer dan twee vendelen knechten in de stad zullen komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren, Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn eigen persoon te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze nieuwe Overste heeft hierop heel eenvoudig geantwoord: „Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps”, dat beduidt: „De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit”.„Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die Jonker van der Does is een man naar ons hart,” riepen een paar stemmen.„Leve van der Does!” klonk het hierop uit Van Schaecks mond, en het volk herhaalde dien juichkreet.Toen het volk vernomen had van welken inhoud debrieven der Glippers waren en wat men daarop geantwoord had, gingen velen naar de Cloveniers-doelen om daar in handen van Meester Diederick van Bronckhorst, die door den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van Schout, Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af te leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn, omdat men vreesde, dat het volk al heel spoedig tot ontevredenheid zou overslaan, daar het niet lang zou duren of er zou honger geleden worden. Vandaar is het mogelijk wel, dat velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering de oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als men er nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid der minderen geen voedsel te geven, werden al de weilanden, die in den naasten omtrek van de stad lagen tot algemeen gebruik verklaard en al het vee moest des avonds in de stad gebracht en overdag door wachters beschermd worden tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht onder de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest men, al had men zelf eigen weiland erbij, geld betalen en iedere veehouder was verplicht op het stadhuis aan te geven hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten of varkens hij had. De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste- en tarwebrood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds vóór het beleg besloten om eene burgerwacht te paard op te richten, teneinde als ruiterij bij eenen uitval dienst te kunnen doen, nu werd er aan dat besluit gevolg gegeven, hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren, die niet begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen. Het bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij heeft niets gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht houden in de straten. Van meer belang was het dat men iederen Leidenaar, die de wapenen dragen kon, als verdediger der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde, terwijl men de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een der vendels inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij zijnen Pleegvader, die liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde echter niet lang of schutters en vrijbuiters deden, al naar het zoo uitkwam, denzelfden dienst.„Er wordt toch heel wat gedaan, Vader,” zeide Cornelis toen hij des avonds met zijne Pleegouders, broeders en zusters aan de tafel zat om het avondmaal, dat bestond uit roggebrood in de wei gekookt, te nuttigen.„Ja, jongen, heel wat,” sprak de Vader. „Één ding is maar jammer.”„Wat, Vader?”„Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond na het eerste beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden de acht- of negenduizend Spanjaarden, die nu de stad bijna geheel insluiten, jaar en dag kunnen belegeren zonder de stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis, nu voorzie ik onuitsprekelijke ellende of—Leidens val, waarop dan Hollands ondergang volgt.”Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid, en zwak klonk hare stem: „En alles is zoo duur en niets wordt verdiend. Wat er nog opgehaald werd tusschen Maart en Mei is schoon weggegaan met het betalen der schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan veertien dagen geleden. Waar moet het heen?”„Waar moet het heen?” werd in alle wijken, in alle straten, in alle huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als den arme telkens met eenen diepen zucht die vraag doen en nog eens doen: „Waar moet het heen?”

Dinsdag, de zesentwintigste Mei, was haast voorbij, want het liep naar het uur van middernacht. In langen tijd was er zoo laat in den nacht, niet zooveel volk op de been geweest.

Het heette, dat de een den ander aangaande de geruchten, die geloopen hadden, kwam gerust stellen; maar eigenlijk was het bij de meesten een zekere angst, die hen naar de wallen dreef om te luisteren, of er ook iets in den omtrek gehoord werd.

„Wonderlijk,” zeide Willem Cornelisz. Speelman tot een ander, „wonderlijk toch, dat nergens iets te zien is van den dikken brouwer en zijne kornuiten, Pier Quaet-Gelaet en Jurrie Thijsz. Zouden die zich hebben....”

„Verstoken?” vroeg de ander. „Neen, dat geloof ik niet. Ze zullen, als de voorspelling van de Prinsgezinden moest uitkomen, de woede des volks niet hebben willen afwachten en gevlucht zijn naar Jonker van Mathenesse de Wybisma, die er roem op draagt het met Spanje eens en met Valdez bevriend te zijn.”

„Maar gelooft gij dan toch werkelijk, dat de Spanjaarden terugkomen en onze stad belegeren zullen, Meester?”

„Ja, ik voor me-zelven houd het voor vast waar, dat ze komen zullen. Maar dan behoede God ons Leiden! Waarvan de burgerij alsdan leven moet, zoo het beleg wat lang moest duren, dat weet ik niet! De Vroedschap heeft in deze zaak kwalijk gehandeld!”

„Het kan zijn; maar hetontbrakhaar ook aan geld om koren te koopen. Gij zult toch ook wel weten, dat ze reeds den zesden van Wintermaand des vorigen jaars, order gegeven heeft tot Rotterdam koren te koopen met belofte, deeene helft dadelijk te betalen en de andere bij het ontschepen aan de kade!”

„Ik weet dat alles zeer goed. Maar al had de Regeering honderd zulke orders gegeven, het is uit alles blijkbaar, dat ze aan geen tweede beleg gelooft. Maar stil, hoe maakt dat hoopken volks ginder zulk eene beweging?”

Het tierende troepje kwam al nader en nader. Voorop gingen Cornelis Joppensz. en Gerrit Verlaen, ons Leeuwke, die op voorspraak van Allertsz., op vrije voeten waren gesteld geworden. Nu togen ze in alle eer door de straten heen en zongen beiden een welbekend spotliedje van die dagen, waarvan het refrein van ieder versje:

„Ons Patroon van Alven,Sal u met sijner salven,Bestrijcken also wel!”

„Ons Patroon van Alven,

Sal u met sijner salven,

Bestrijcken also wel!”

telkens door de menigte werd uitgegalmd.

„Ei zie,” zeide Speelman op dit gezicht, „ei zie, hoe wispelturig het volk is! Nog dezen middag wilde het beide jongens van het leven berooven, en nu trekt men onder woest getier met die jonge borsten door Leiden heen! Zóó is het volk, veranderlijk als de wind bij een onweder.”

Plotseling zweeg de menigte midden in het refrein en klonk het gejaagde geroep van: „Waar zijn ze? Vanwaar komen ze?” onheilspellend door de straat.

„Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in karveelen over het Haarlemmermeer van Amsterdam hier gekomen. Maar hoe sterk ze zijn en wie de Bevelhebber is, kan men niet onderscheiden,” sprak de man, die het woeste gezang met zulk eene slechte tijding kwam verstoren.

In een oogenblik waren de straten, grachten en pleinen ledig. Wat loopen kon, spoedde zich naar den wal tusschen de Zijl- en Hoogewoerdspoorten. Ieder meende wat te zien, of te hooren, en allen wenschten, dat de dageraad maar mocht aanbreken. Doch de uren verliepen niet sneller dananders en naar den algemeenen zin, maakte de dageraad aan het martelend ongeduld der nieuwsgierigen al te laat een einde.

Toen het helder dag was geworden zag ieder Leidenaar tot zijn leedwezen te laat, dat de veste, die zoo slecht van levens- en krijgsvoorraad voorzien was, voor de tweede maal zou belegerd worden.

Het geleek, kort na het bekend worden van de komst der Spanjaarden, wel eene dwaze onderneming van die dertig burgers, onder bevel van den Kapitein Allertsz., om de bewegingen des vijands meer van naderbij te gaan verkennen. Maar Allertsz. achtte het plicht van alles op de hoogte te zijn, en het was hem niet genoeg in de duisternis te staan gapen en zich tevreden te stellen met dat, wat de een zeide gehoord en de ander vertelde gezien te hebben. Hij rekende ook op den donkeren nacht, en al had hij over eene krijgsmacht, van zooveel duizenden manschappen, als er nu tientallen waren, kunnen beschikken, hij kon niet met meer moed de stad verlaten hebben dan nu. Onder hen, die aan den gevaarlijken tocht deelnamen, waren ook Van Schaeck en Van Keulen, die uit belangstelling voor de goede zaak medegingen; want ze waren niet in een vendel ingelijfd.

Het is natuurlijk dat de menigte, na zich overtuigd te hebben, dat de Spanjool teruggekeerd was, de moedige mannen, die bij de duisternis uitgetrokken waren, met het oog trachtte te volgen.

Ze behoefden echter niet lang te zoeken; want weldra hoorde men duidelijk de schoten der haakschutters knallen, een bewijs, dat de dertig mannen in eene heete schermutseling met eenige goed gewapende Spanjaarden waren. De drift vee, die de dapperen hadden willen meevoeren, moest prijs gegeven worden, en zonder eenig voordeel behaald te hebben, kwamen vijfentwintig man terug. Onder de gevallenen behoorde ook de moedige Bevelhebber Andries Allertsz.

Daar stond nu de menigte! Thans was het beslist, datmen andermaal een beleg te gemoet ging, hetwelk door de zorgeloosheid van den Magistraat en het krachtig drijven der Spaanschgezinden uitgelokt was. De magazijnen ledig of half vol, de krijgsvoorraad verre van toereikend, geene bezetting, de Overste al gesneuveld, Spaanschgezinden mogelijk nog in groot aantal in de stad,—ja, wèl was het niet te verwonderen, dat de groote menigte verslagen en hopeloos de bewegingen des vijands aanschouwde.

Zie, ginds gaan reeds drie vendels goed gewapende en in den oorlog ervaren mannen, onder bevel van Don Louis Gaëtan, van Leiderdorp door de Weipoort naar Zoeterwoude! Thans zien de Leidenaars hoe dwaas ze geweest zijn, de schansen niet te slechten. De Spanjaard heeft ze maar binnen te trekken, even als een burger een ledig huis. Het is om radeloos te worden! Nu eerst wordt de Regeering wakker, nadat zij zich inslaap heeft laten sollen door de voorwendsels en redeneeringen van „Pier Quaet-Gelaet” en zijne vrienden. In allerijl worden boden uitgezonden naar Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht, in welke laatste stad, naar een bericht dien dag ontvangen, de Prins van Oranje zich ophield, nadat hij uit de Bommelerwaard terug gekomen was.

Het bericht, dat de uitgezondenen medebrachten, was verre van geruststellend. De Prins liet hun weten, dat ze moesten beproeven de belegering drie maanden vol te houden, dan zou hij in dien tusschentijd naar krachtige middelen uitzien om de stad te ontzetten. Om met den aanwezigen leeftocht langer toe te komen, achtte hij het ook wenschelijk, dat de Regeering de onnutte monden verwijderde, en, om de kleine bezetting, die uit de burgerij en eenige vrijbuiters bestond, te versterken vóór de stad geheel ingesloten was, gaf hij bevel, de Engelschen, die te Alfen en te Gouwesluis lagen, in te nemen.

Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin besloot de Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen vrouwen en meisjes benevens jongens beneden de zestienjaar verlof om zich naar andere plaatsen te begeven, zoo ze dit wenschten. Weinigen schijnen van dat verlof gebruik te hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die in de eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt werd, komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen waren.

Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D’Ayala met eene sterke afdeeling voetvolk en ruiterij het leger van Valdez versterken. De bezetting Engelschen aan de Gouwesluis, sloeg, onder aanvoering van hare dappere Bevelhebbers Ghensfort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch toen de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts drong, moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en de schans voor de Spanjaarden ontruimen. Waren die van Alfen niet zoo traag geweest, hunne makkers te hulp te komen, misschien zou Ghensfort stand hebben kunnen houden; doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden ze dat de schans al over was en keerden terug om wat later op hunne beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te geven en alzoo den weg van Utrecht tot Holland voor den Spanjaard open te stellen.

Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging het ook slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weerszijden vielen volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars, niet ten onrechte, vermoedden, dat de Engelsche troepen, die ze op last van den Prins moesten innemen, met den vijand heulden.

Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op een loopen zett’en, weigerden die van Leiden hen binnen te laten. Men liet hen buiten de wallen blijven, doch verzekerde hun meteen, dat ze daar van alles zouden voorzien worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer slecht, waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag dwong aan de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtalhunner was niet zoo laag, zich zoo aan den Spanjaard over te geven, en verzocht nogmaals binnen de stad gelaten te worden, hetgeen hun ook nu niet langer geweigerd werd.

Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niettegenstaande dat alles, bestond er vooreerst geen gevaar. Men zag maar al te wel, dat de Spanjaard, wetende dat er zoo bitter weinig levensvoorraad in de stad was, besloten had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers door den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te geven. Men hoopte dus op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mede heulden, waren met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers en wierp al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtgeloovigheid brachten ze niet in rekening.

Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.

Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen tijd te dooden.

„Hebt gij het al vernomen, Cornelis?” vroeg Gerrit zijnen vriend, terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.

„Wat moet ik vernomen hebben?”

„Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers ingekomen is?”

„Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?”

„Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men zegt, dat de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz. De Wilde en Ewout Arent Gerritsz., die daar nu veilig onder Spaansche bescherming zijn.”

„Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten ze maar half hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht blaadje staan, ze zouden gewis tijd en moeite besparen en niet schrijven. Doch ik heb ook iets! Weet gij al wie onze Overste zal worden?”

„Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan van Duivenvoorde, Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas Dircksz. van Montfoort, Jonker Jacob van der Does of zijn neef Jonker Johan van der Does?”

„De laatste is het!”

„Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast de jongste van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar oud zijn?”

„Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het of hij jong of oud is? Jonker Jacob van der Does wilde het op zijnen vergevorderden leeftijd niet meer zijn. Hij zag er tegen op, en zeide, dat hij niet gehard was tegen den arbeid, daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde langs de straat en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te wezen. En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een jong, krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is Jonker Johan van der Does, die de kaas niet van zijne boterham zal laten halen; want hij heeft op zijn musket laten graveeren:

„Laet ons noch houden de wapenen in handen,Opdat de naem van Vrije Landen,Niet en gedie tot grooter schanden.”

„Laet ons noch houden de wapenen in handen,

Opdat de naem van Vrije Landen,

Niet en gedie tot grooter schanden.”

„Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten we bij zijn!”

Dit zeggende zett’en de beide knapen het op een loopen naar het stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor de pui stond te verdringen.

„Laat hooren wat de glippers schrijven,” riepen de ongeduldigsten uit den hoop.

„Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften zeons komen brengen en welke gouden bergen ze beloven,” klonk het van elders.

„Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier wel staan tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets hoort,” riep Van Hout, die zich belast had met den inhoud van den brief bekend te maken.

De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar klonk het:

„Mijn heeren, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij dragen tot onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene groote verschricktheyt en leedtwesen, is oorsake geweest u luyden te adverteren, te weten, dat wy versien dat myn Heeren geschapen zijn in de extreme calamtie te vallen....”

„Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg maar waar al dat geleuter op neerkomt,” lieten velen zich hooren.

„Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden,” hernam Van Hout, „de geheele zaak komt hierop neer, dat zij ons aanmanen, ons aan den goedertieren Koning van Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan leeftocht, vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bijMijnheere van Licques een seer beleeft, discreet en verstandich Heere,” en ze eindigen met den wensch: „Biddende God den Heere, dat hem gelieve u E. te inspireren sijne Goddelicke gratie, teneynde ghy mocht hebben ’t gerechte verstant om alsulcken uyre, die u tot deser tijdt so avantagieus is, niet te willen met quade perseverantie laten passere!”

„Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt als eene klok,” zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich verwijderd had, en bijna ieder was het met hem eens. Maar waarin ze het niet eens waren, dat was in den tijd van verzending van het antwoord. Deze wilde het op staandenvoet, die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, en gene meende, het had al den tijd.

Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel, vooral gedurende de belegering, de Magistraat zich wel eens richtte naar de algemeene wenschen van het volk, nu had hij reeds een besluit genomen, want spoedig werd het bekend, dat de Regeering besloten had, reeds den volgenden dag den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen raad beliefde te luisteren.

Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en ander met elkander besproken te hebben, ging de menigte uiteen en verstrooide zich in de straten.

Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op de been om den nieuw gekozen Overste, zoodra deze van het stadhuis zou komen, te begroeten.

Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien komen, kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de pui te voorschijn.

„Geef acht,” riep de reeds meermalen genoemde Willem Cornelis Speelman, „daar komt reeds het antwoord van de Glippers!”

„Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan,” zeide een, die naast hem stond. „Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal mis, man! Maar zeg, hebt gij nog duifkens te koop, van die briefdragerkens, meen ik! Ik wilde....”

„Och, houd toch den snater over duifkens en briefdragerkens! Luister, liever wat ons medegedeeld zal worden, daar hebben we meer belang bij,” zeide Van der Morsch.

„Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden,” riep Van Hout, „de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!”

„Laat hooren, laat hooren,” joelde de menigte.

Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het gegons, gebrom en geschuifel verminderden, en toen alles stil was, klonk het:

„Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.„Lieve ’ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t’ uwer liefden, ’t selve adverterende dat ick een brieve bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken ik....”

„Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.

„Lieve ’ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t’ uwer liefden, ’t selve adverterende dat ick een brieve bestelt hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken ik....”

Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het vervaarlijk geschreeuw van:

„Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!”

Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot bedaren te brengen, en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard hem zulks mogelijk was: „Hij is geen Glipper, want zelf heeft hij den brief ongeopend den Magistraat terhand gesteld.”

„Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt,” riep er een.

„De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hoochstraten. Hij schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche Hopluiden ons den voorslag doet, de stad over te geven. Verder zegt hij nog, dat de Drossaard van Wedden en Gerard van Sighem op hand en tand beloofd hebben, dat er niet meer dan twee vendelen knechten in de stad zullen komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren, Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn eigen persoon te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze nieuwe Overste heeft hierop heel eenvoudig geantwoord: „Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps”, dat beduidt: „De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit”.

„Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die Jonker van der Does is een man naar ons hart,” riepen een paar stemmen.

„Leve van der Does!” klonk het hierop uit Van Schaecks mond, en het volk herhaalde dien juichkreet.

Toen het volk vernomen had van welken inhoud debrieven der Glippers waren en wat men daarop geantwoord had, gingen velen naar de Cloveniers-doelen om daar in handen van Meester Diederick van Bronckhorst, die door den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van Schout, Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af te leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn, omdat men vreesde, dat het volk al heel spoedig tot ontevredenheid zou overslaan, daar het niet lang zou duren of er zou honger geleden worden. Vandaar is het mogelijk wel, dat velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering de oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als men er nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid der minderen geen voedsel te geven, werden al de weilanden, die in den naasten omtrek van de stad lagen tot algemeen gebruik verklaard en al het vee moest des avonds in de stad gebracht en overdag door wachters beschermd worden tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht onder de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest men, al had men zelf eigen weiland erbij, geld betalen en iedere veehouder was verplicht op het stadhuis aan te geven hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten of varkens hij had. De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste- en tarwebrood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds vóór het beleg besloten om eene burgerwacht te paard op te richten, teneinde als ruiterij bij eenen uitval dienst te kunnen doen, nu werd er aan dat besluit gevolg gegeven, hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren, die niet begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen. Het bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij heeft niets gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht houden in de straten. Van meer belang was het dat men iederen Leidenaar, die de wapenen dragen kon, als verdediger der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde, terwijl men de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.

Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een der vendels inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij zijnen Pleegvader, die liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde echter niet lang of schutters en vrijbuiters deden, al naar het zoo uitkwam, denzelfden dienst.

„Er wordt toch heel wat gedaan, Vader,” zeide Cornelis toen hij des avonds met zijne Pleegouders, broeders en zusters aan de tafel zat om het avondmaal, dat bestond uit roggebrood in de wei gekookt, te nuttigen.

„Ja, jongen, heel wat,” sprak de Vader. „Één ding is maar jammer.”

„Wat, Vader?”

„Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond na het eerste beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden de acht- of negenduizend Spanjaarden, die nu de stad bijna geheel insluiten, jaar en dag kunnen belegeren zonder de stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis, nu voorzie ik onuitsprekelijke ellende of—Leidens val, waarop dan Hollands ondergang volgt.”

Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid, en zwak klonk hare stem: „En alles is zoo duur en niets wordt verdiend. Wat er nog opgehaald werd tusschen Maart en Mei is schoon weggegaan met het betalen der schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan veertien dagen geleden. Waar moet het heen?”

„Waar moet het heen?” werd in alle wijken, in alle straten, in alle huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als den arme telkens met eenen diepen zucht die vraag doen en nog eens doen: „Waar moet het heen?”


Back to IndexNext