NEGENDE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.Mislukt Zondags-werk.Het was een verrukkelijk schoone zomernacht. De maan was zoo even opgekomen en wierp haar zacht licht door de straten van Leiden en over de schansen der belegeraars.Op de wallen werd eene scherpe wacht gehouden, en zoo vinden we in den voornacht tusschen den derden en vierden Juni, tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort, een jong musketier heen en weer loopen, nu en dan eens stilstaande om naar buiten te kijken. Hij moest toch zorgen, dat de vijand niet in alle stilte onverhoeds de wallen beklom.Die jonge musketier was Leeuwke, en dat hij wat moest zien, bleek uit zijn staren in de richting tusschen de Jaep-Claesz-schans en de half voltooide Lammenschans, die reeds bij het eerste beleg opgeworpen was aan den water-viersprong, gemaakt door de ontmoeting van de Roomburger watering en de Zoeterwoudsche vaart, die beide daar ter plaatse in eenen sterken bocht van den Vliet vielen. Was deze schans eenmaal voltooid en bezet, dan zou de voornaamste waterweg van Leiden naar het zuidelijk deel van Holland, dat nog niet aan de Spanjaarden onderworpen was, gesloten zijn. Aan de vaarten en wateringen naar het Haarlemmermeer had men zoo goed als niets, omdat Haarlem en Amsterdam in de macht der Spanjaarden waren.De stilte, waarbij Leeuwke in de verte getuurd had, werd eensklaps afgebroken door zijn gefluister: „Bedriegen mijne oogen mij nu, of zie ik daar werkelijk wat tusschen het gras der hooiweiden bewegen?”Hij keek nog wat scherper en mompelde toen: „Neen, nu zie ik het duidelijk, het is een man, die voortschuifelt.”De man naderde steeds meer en bevond zich weldra aan de overzijde bij de gracht.„Wie daar?” riep Leeuwke.„Goed volk,” antwoordde een man.„Goed volk, goed volk! dat zei de dief ook, en haalde Krelis Louwens’ hammen uit den schoorsteen. Wie zijt gij? en van waar komt gij?”„Nu, het mag gezegd wezen, dat ge wakker op uwen post staat, Leeuwke! Laat me maar gauw binnenkomen eer de Spanjaard me nog terug komt halen!”„Maar wie zijt ge dan toch?”„Voor den satan, jongen, kent gij dan Jan Claesz. Boon niet meer?”„Ha! zijt gij die? Hadt me dat maar dadelijk gezegd! En vanwaar komt ge?”„Ik kom rechtstreeks van den Prins en heb goede tijding, die Leiden opvroolijken zal! Maar het is kunst en vliegwerk de Spaansche wachten voorbij te komen! Die kerels hebben kattenoogen en hondenneuzen!”Leeuwke riep nu hierop iemand van de wacht, die onzen bode de Koepoort zou openen.Nauwelijks was Boon in de stad, of hij liep, wat hij loopen kon, naar de Hooglandsche Achtergracht en liet den klopper op de deur van Pieter Adriaensz.’ huis vallen.Het duurde vrij lang eer hem werd opengedaan.„Is de Burgemeester nog te spreken, vrijster?” vroeg hij.„Jawel, maar op dit uur? Ik geloof, dat....”„Ik geloof dat, als ge zegt, dat Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen is met brieven van den Prins en eene goede tijding op den koop toe, dat ik oogenblikkelijk binnen mag komen!”De meid ging heen en het was, zooals Boon gedacht had.De Burgemeester stond hem terstond te woord. Ja, hij deed meer dan dat. Onverwijld zond hij Boon naar een paar andere Leden van den Magistraat, den Secretaris Jan Van Hout en naar Jonker van der Does om hen op het stadhuis te ontbieden.Toen dezen verschenen waren, werden eerst de brievenvan den Prins gelezen en vervolgens het goede bericht.„Laat de klok luiden!” riep Pieter Adriaensz. „Vannacht nog zal de burgerij weten, wat er in Zeeland gebeurd is!”Dat gelui klonk vreemd in het midden van den nacht.Verschrikt stonden de menschen op en vroegen of er brand was.„Neen, geen brand!” riep een, terwijl hij al vast voortliep. „Boon is met brieven van den Prins en nog eene goede tijding in de stad aangekomen!”Half aangekleed stond het volk zich voor het stadhuis te verdringen, en toen Van Hout op de pui verscheen, begon er al ras gevaar te bestaan, dat velen onder den voet zouden komen, zoo trachtte ieder toch van nabij te verstaan welke die goede tijding was.Juist was Leeuwke afgelost toen het klokgelui begon en, zijn musket in eenen hoek van het wachthuis zettende en de lont uitdoovende, liep hij, eigenlijk tegen het bevel in, terstond de Hoogewoerd op en kwam, buiten adem, eindelijk voor het stadhuis toen er bijkans nog niemand was. Daardoor was hij een van de voorsten en kon hij uitmuntend verstaan wat Van Hout bekend maakte.„Goede lieden,” dus begon hij, „zoo even is Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen met brieven van den Prins. Zijne Vorstelijke Genade betuigt daarin haren dank, dat gij, zoo vol vertrouwen op het recht der goede zaak, besloten hebt, deze, uwe veste te verdedigen. Al wat in het vermogen van den Prins is zal hij doen om de Spanjaarden te noodzaken, het beleg op te breken.”Een ontevreden gemor ontstond, want voor eene herhaling van wat men wist, was het toch niet noodig, de menschen uit hun bed te luiden.„Maar er is nog beter nieuws,” vervolgde Van Hout. „Den dertigsten der vorige maand hebben die van Vlissingen eene schitterende overwinning op de Spanjaarden behaald. Op Zondagmorgen van den Pinksterdag heeft van Boisot metzijne Geuzenvloot de Spaansche schepen, onder den Vice-Admiraal Adolf van Heemstede, bij Antwerpen aangetast. De Geuzen hebben wonderen van dapperheid verricht. Van de tweeëntwintig schepen des vijands zijn er slechts acht overgebleven, de overigen zijn verbrand of prijs gemaakt, ja, men heeft den Vice-Admiraal zelfs gevangen genomen! Ge ziet, burgers, de vijand is niet onoverwinnelijk, en de onzen toonen, dat ze den Spanjaard niet meer behoeven te vreezen! Houdt moed, burgers, God zal met onze goede zaak zijn! Wijzullenzegevieren! Zoekt thans weder uwe slaapsteden op en droomt van Leidens kloeke volharding in dagen van strijd en nood!”„Wat zegt ge daar nu van, Cornelis?” vroeg Leeuwke, die zijnen vriend weldra gevonden had.„Wat ik daarvan zeg, Gerrit? Ik zeg er dit van: „Laten die malle Glippers nu voortaan maar zwijgen, en niet meer zeggen, dat wij ons moeten overgeven, omdat de Spanjaarden toch zooveel sterker zijn dan wij! Mijne hand jeukt, als ik denk hoe de Watergeuzen onder die Spanjolen hebben huisgehouden! Ware ik er ook eens bij geweest, wat ik dapper zou mee gedaan hebben!”„Nu, ik ook! Maar wil ik u nog eens wat nieuws vertellen? Jonker van der Does heeft een goed oogje op mij en hij heeft mij vanmiddag gezegd, dat ik, als er eens boodschappen buiten de stad moeten gedaan worden, ook wel eens zal mogen gaan. En weet gij waaraan ik dat meevallertje te danken heb?”„Neen! Hoe zou ik dat weten?”„Hij heeft me eens buiten met andere knapen slootje zien springen en toen heeft hij verbaasd gestaan, dat ik voor niet ééne sloot staan bleef, maar over alle heensprong, met een loopje zoowel als met eenen verrejager (polsstok).”„Ei, dan komt het toch te pas, wat gij geleerd hebt, al zeide Meester Pieter Willemsz., de barbier ook eens: „Aap van eenen jongen, gij wordt nog eens verdronken thuisgebracht.”Ik zou ook wel graag boodschappen buiten de stad willen doen. Ik vind het daar buiten in het vrije veld toch prettiger dan altijd in de stad.”„Nu, wacht uwe beurt maar af; we zijn de Spanjaarden nog lang niet kwijt. Nog iederen dag worden er nieuwe schansen aangelegd en uit alles blijkt het, dat Valdez de stad door uithongeren tot de overgave dwingen wil.”„Het is waarlijk niet te hopen, want nu reeds begint bij sommigen, en ik durf gerust zeggen bij ons ook, Schraalhans keukenmeester te worden. Wordt de belegering lang volgehouden, dan sterft de halve stad van honger.”„Maar daar heb ik geen plan op,” antwoordde Leeuwke.„Ja, geen plan, geen plan! Als er niets te schransen valt, dan moet men wel vasten.”„Ik vasten? Maar gij begrijpt toch levendig, dat ik dat niet doe! Als er geen eten meer in de stad is, ga ik het bij den Spanjool halen?”„Ei, ei, hoe moedig! We zullen zien, als het zoo ver komt, wat gij dan doet, kameraad! Maar ik ben hier vlak voor mijn huis en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat slapen! Dag, schutter!”„Wel te rusten, slaapbol,” riep Leeuwke vroolijk en zocht zijn wachthuis weder op.Nauwelijks was hij aangekomen of hij vernam, dat Jonker van der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.„En heeft hij geene boodschap achtergelaten?” vroeg Gerrit, die eigenlijk wel wat in den knoei zat.„Ja, hij heeft gezegd, dat ge na afloop van de wacht eens bij hem aan huis moest komen,” was het antwoord.Met brandend ongeduld wachtte de knaap het uur af, dat hij vertrekken kon, en toen dat geslagen was, haastte hij zich om te vernemen, wat zijn Overste hem te zeggen kon hebben, waarbij, naar het scheen, zulk eene haast was.„Zoo, Gerrit, zijt gij daar? Dat is goed, jongen! Ik heb iets heel gewichtigs te vragen. Zijt gij gauw bang?”„Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste; maar voor geesten....”„Met geesten zult ge niets te maken hebben! Ge weet dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar?”„Dat weet ik, Overste! Daar heeft men onder anderen Thijsz. den goudsmid, Liefkens den wever uit de Baaihal, Geert Soet den timmerman....”„Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd of wij hier uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed zouden zijn, hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen onzer vrijbuiters den Rijn zouden opvaren om hem bij te staan. Zoudt ge nu naar Ter Gouw durven gaan en hem de boodschap brengen, dat wij op Zondag, dus overmorgen, met den noen zullen vertrekken?”„Graag, Overste; maar zal Geert Soet mij gelooven?”„Hij kent Leeuwke,” antwoordde van der Does. „Doch om nu zeker te zijn, dat alles goed uitkomt, zal ik u een briefken meegeven. Wanneer wilt gij vertrekken?”„Ik ben gereed als Uwe Edelheid beveelt,” antwoordde de knaap vol moed en ongeduld.„Durft ge dat tochtje overdag ook beproeven?” vroeg hierop van der Does.„Overdag nog beter dan des nachts, Overste! Des nachts houdt men mij voor een spion en is de wacht scherper; maar overdag is dat het geval niet zoo erg!”„Dat geloof ik ook. Doch waar zult ge dan het briefke verbergen? Gij begrijpt, dat moet niemand bij u kunnen vinden.”„Wel, Overste, ik moet toch eenen verrejager medenemen. Als het briefje nu niet te groot was en in eennaaldenkoker kon, dan zou ik den verrejager van onder uitboren, daarin den naaldenkoker met het briefje steken en dan de opening van onder met pek dicht maken. Het kon dan niet nat worden en de Spanjaard vindt het nooit, al krijgt hij den polsstok in handen.”„Dat is slim bedacht, knaap! Ga nu naar huis en zorg dat gij over een uurtje met eenen verrejager hier zijt. Het briefje zal ik klein genoeg maken om het in eenen niet al te grooten naaldenkoker te steken.”Op den bepaalden tijd, het kon zoo omstreeks drie uur in den middag zijn, was Gerrit bij Jonker van der Does terug. Het briefken werd, opgerold in den ijzeren naaldenkoker, die schroefvormig sloot, geborgen en daarna in de opening onder aan den polsstok geschoven, waarna alles met pek gesloten werd. Wanneer de stok maar een paar keeren met de modder in aanraking was geweest, zou de slimste man er niets van kunnen zien.Na den moedigen knaap aangemaand te hebben toch vooral voorzichtig te zijn, liet van der Does hen vertrekken.Later zullen we wel zien hoe Leeuwke zich van zijne taak kweet. Wij volgen liever Cornelis, die Leeuwke tot aan van der Does’ woning vergezeld had, op zijnen weg naar huis. De knaap was ontevreden dat er voor hem zoo weinig te doen viel, en hij meende dat hij, als hij zich ook maar bij de Schutter-vendels had laten inschrijven, nu mogelijk wel inplaats van Gerrit met die boodschap buiten de stad belast zou zijn geworden.„Goed dat gij thuiskomt, Cornelis,” zeide zijn Pleegvader. „Er is werk aan den winkel. Aanstaanden Zondag zullen we met eenige plempen of tentsnebben eenen uitval doen om eene korenvloot uit Ter Gouw binnen te loodsen.”„Zondag, Vader? Hoe komen ze juist aan dien dag?”„Ik denk dat de Magistraat zóó geredeneerd heeft: „De Calvinisten vieren den Sabbat streng, dat weten de Spanjaardenen daarom zullen ze juist op dien dag geenen uitval verwachten. Ze zullen minder waakzaam zijn en onze kans van slagen wordt er grooter door.” Het is te hopen, dat alles gelukt, want dan kan onze stad het een heel poosje tegen den Spanjaard vol houden. Kom, ga mee, we moeten onze schuit gereed maken voor—oorlogsschip. Wel, wel, wie had dat ooit van mijn eenvoudig scheepken durven denken?”Pleegvader en zoon verlieten terstond hunne woning en begonnen met allen, die zich als vrijbuiter aangemeld hadden, alles voor den uitval gereed te maken.Heel Leiden was vol hope en zag de graanzolders reeds tot instortens onder den last gevuld.Het liep tegen den Zondagmiddag.Wat vrijbuiter was of schippersgezel, was in beweging. Allerwegen zag men levendige belangstelling in hetgeen ondernomen stond te worden; want men gevoelde het, dat het in aller belang was, dat deze tocht met eenen goeden uitslag mocht bekroond worden.Nauwelijks waren de kerken uit en hadden de belegerden God gedankt voor de overwinning der Zeeuwen bij Antwerpen, en gebeden om Zijnen zegen op het werk, dat ondernomen stond te worden, of allen begaven zich naar het oude Schuitenveer bij de Hoogewoerdspoort, om de plempen en schouwen, waarmede men die van Ter Gouw ter hulp zou komen, te zien vertrekken.„Hoe staat ge daar en kijkt, alsof ge Vader en Moeder vermoord hebt, Meester?” vroeg een man aan eenen kloeken zestiger, die Deken van het smidsgilde was.De Deken schudde in antwoord op die vraag het hoofd en zeide: „Het gaat niet! Het kan niet gaan!”„Wat gaat er niet? Meent gij dat de tocht niet goed bestuurd wordt? Ho, man, heb daarvoor geene vrees! Barend Cornelissen Van Keulen is er bij en Van Schaeck ook. En als die er maar bij zijn, dan....”„Dan mislukt de tocht nog, als Gods zegen er niet op rust!”„En we hebben in de kerk....”„We hebben in de kerk om Zijnen zegen gebeden, wilt ge zeggen! Ja, dat weet ik wel! Maar denkt gij dan, Moerman, dat een dief verhoord zal worden, als hij in het gebed aan God vraagt, of Hij hem helpen wil in zijn boos bestaan?”„Dat zou dwaas zijn! Maarzijnwij dan dieven? Hebben die van Ter Gouw niet alles eerlijk gekocht? Ontrooven wij het den Spanjool? Heeft bovendien de Eerwaarde Petrus Cornelius ook niet met lof over deze onderneming gesproken?”„Zeker, zeker! Maar Peter Cornelius is ook een mensch. De booze heeft zijn harte bekoord, zoodat hij ziende niet ziet en hoorende niet hoort!”„Maar, man, ge raaskalt! De onderneming zál gelukken!”„Ze zalnietgelukken,” riep nu de smid. „Wij zijn dieven, ja, eerlooze dieven van den rustdag. Wij zijn Sabbat-schenders en doen te kort aan het gebod: „Gedencktden Sabbatdag, dat gij denselven heylight!”„Ho, ho, Meester! Gij drijft de zaak te ver, veel te ver. Zoo gij dezen morgen in de kerk geweest waart, dan....”„Ik ben er geweest, man, ik ben er geweest! Maar ik bedroef mij als ik zie, hoe zelfs onze Leeraren het voorbeeld van den Prins van Oranje volgen, en hem nastreven om er even luchtig over heen te loopen, als hijzelf. Neen, dat zou onze volijverige Petrus Dathenus u anders zeggen! Maar wat praat ik tegen dooven! Gij zult het zien, Moerman, niet alleen op dezen tocht zal het ons tegenloopen, maar alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitkomen!”Na dit gezegd te hebben schudde de oude man diep zuchtend nog eens het hoofd, beschouwde nog eenmaal het gewoel op het water en aan den kant en ging toen heen.Het was twaalf uren en de schuiten werden van den wal losgemaakt.De voorste was die van den Utrechtschen beurtman, waarop Barend Cornelissen Van Keulen en Cornelis Joppensz. de hoofdpersonen waren.Onder het luid gejuich der bevolking staken ze van wal. Aller oogen zagen hen na, zoover ze konden en in bijna aller hart rees de wensen, dat ze spoedig, rijk-geladen en in grooter aantal, mochten terugkomen.De woelende massa verspreidde zich hierop door de stad om weldra weer eens naar het Schuitenveer terug te komen, ten einde te zien of er nog geene plempen of schouwen waren wedergekeerd.Men liep den ganschen middag op en neer, en zoo ongeveer des avonds te negen uren, stond de heele kade vol volks. Men had geen schieten gehoord en zij, die op den stadhuistoren geklommen waren, hadden bericht, dat zij niets van een gevecht ontdekt hadden.Eindelijk vertoonde zich eene schouw, vervolgens nog eene, nog eene, en nog eene! Men telde het aantal en .... er kwamen evenveel terug, als er uitgegaan waren.Zoo ver mogelijk liep men ze tegemoet, en zoodra er berekend werd, dat de vrijbuiters verstaan konden, wat er geroepen werd, begonnen ze te vragen:„Waar zijn die van Ter Gouw?”„Ze zijn niet gekomen! De tocht is mislukt,” luidde het antwoord.Dat was eene tijding, die de hoopvolle harten ineens ontmoedigde. Men wist nu genoeg. Wat ging het de menigte aan, of ze ook te weten kon komen tot hoe ver de vrijbuiters geweest waren; wat de mogelijke oorzaak kon zijn, dat Geert Soet zijne beloften niet gehouden had? De plempen en schouwen kwamen ledig terug, en Leiden zou mogelijk aan den hongersnood prijs gegeven worden! Wee! Wee!„Gelooft ge me nu nòg niet, Moerman?” vroeg de smid.„Weg, ongelukskraaier, weg,” riep deze, maar kon toch de gedachte niet van zich zetten: „zoo de man eens waarheid gesproken hadde! Arm Leiden dan!”Bij het vastsjorren der plempen en schouwen waren slechts enkelen tegenwoordig en onder deze was ook van der Does.„Dat is dan bijster slecht afgeloopen, Cornelissen!”„Ja, Overste, dat is het. Maar wat in het vaatje is verzuurt niet. De Spanjolen hebben ons uitgelachen zoo hard ze konden; maar al moest ik er alleen op uit, en al vergezelde mij niemand, ik zal het hun met bebloede koppen betaald zetten! Bijlo, dat zal ik, of mijn naam is niet Barend Cornelissen Van Keulen.”„Dat is gemakkelijk te zeggen, maar te doen? Jongen, de Spanjool is geene kat om zonder handschoenen aan te vatten!”„Al ware hij Satan in persoon, Overste, eer het jaar twee dagen ouder is, zult gij vernemen, dat ik een man van mijn woord ben!”„Nu goed, goed! Maar zeg, zoudt gij ook half de berekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en de zijnen zich te vergeefs hebben laten wachten?”Barend haalde de schouders op, sjorde zijne schuit veel steviger vast dan noodig was en zeide: „Dat is onmogelijk juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid gissen!”„Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn, die van u te willen weten! Maar wat vermoedt gij dan, dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is?”„Ik denk dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht! En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste, maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel watonvoorzichtig zulk eene gewichtige boodschap te laten verrichten door een groot kind!”Cornelis vond het niet prettig, dat zijn Pleegvader over Gerrit zoo min dacht, want hij, Cornelis, was ervan verzekerd, dat Gerrit zijne boodschap goed gedaan zou hebben, of, in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte zijnen vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch Van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters als kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te hebben, gaf Cornelis zulk eenen uitbrander, dat de knaap stellig zijn „goed woordje” voor Gerrit wel zou ingehouden hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders muts zóó verkeerd stond. Het ergste was wel, dat zijn Vader hem verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van de wieg nog achter de ooren had zitten. En dat in tegenwoordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem, die met trots een koperen half maantje op de muts droeg ten teeken, dat hij een Watergeus was! Waarlijk, het was al te erg, en bij nader inzien zou Van Keulen begrijpen, dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.De tranen sprongen Cornelis in de oogen en hij verwijderde zich schaamrood zoo spoedig hij kon. Hij sloop naar de wallen, waar hij niet komen mocht, omdat de Magistraat bevolen had, dat geen enkel burger, die geene schuttersdiensten deed, op de wallen mocht verschijnen. Dat bevel was noodig geweest, want de vrije burgers hadden menigmaal zonder daartoe vergunning te hebben, ja, zonder iets van de behandeling van het gebrekkige geschut af te weten, een doelloos schot op den vijand gelost. Dat was kruit vermorsen geweest, en tegelijkertijd had men den vijand getart tot wat anders dan belegeren. Neen, hongerlijden vond men in alle gevallen verkieselijker, dan dat er storm geloopen werd, want als dat gebeurde zou de vijand denkelijk wel overwinnen, omdat hij tegen ongeoefende mannen te strijden had.Zonder door iemand weerhouden te zijn, kwam hij echter op den wal en zijne blikken naar het vijandelijk kamp slaande, balde hij de vuist en bromde: „Leelijke Spanjool, gij zult ondervinden dat Vader mij genoemd heeft een wicht met wiegstroo achter het oor. Gij zijt er de schuld van, maar betaald zetten, zal ik het!”Erg opgewonden liep hij nu naar huis, en hij was zóó boos, dat hij zelfs weigerde te eten en zoo naar bed ging, om daar zijn hart, in alle stilte, in tranen lucht te geven.In het eerst kon hij den slaap maar niet vatten, en toen hij eindelijk afgemat van het woelen, de oogen sloot, begon het in zijnen droom: dwars door de vest en rechtuit-rechtaan op eene schans! Twintig soldaten stonden gereed hem dood te slaan; maar met Leeuwke’s verrejager gewapend, sloeg hij links en rechts om zich heen. Al de Spanjaarden gingen op de vlucht, en hij wilde ze achtervolgen. Hij voelde dat hij vallen zou,—hij zag de soldaten met hunne lansen in de hoogte hem nu afwachten! Ho, daar viel hij, een geweldige schreeuw en .... hij tuimelde uit het bed en lag op den grond.„Wat doet ge, Cornelis?” riep Moeder Willempje verschrikt, terwijl ze haar hoofd buiten de bedsteê-gordijnen stak. „Word wakker!”„W-w-wel-die-die Spanjolen, die Span-Spanjo-jo-len!”„Cornelis, Cornelis! Word wakker!” riep zij nog eenmaal. Cornelis was half slaapdronken op de been gekomen en smeet nu in het duister eenen stoel om.„Maar, zeg, jongen, wat zoekt ge dan toch?” riep zij nu in drift uit.„Niets, niets, Moeder! Ik dacht dat de Spanjolen, -ik-ik-ga al naar bed; maar ze hebben me toch niet-ge-gevangen, -ze-heb-ben-misge-ge-stoken!”En half droomende stapte hij weer in het bed.„Bemoei u niet met den jongen, vrouw,” zeide Barend; „hij droomde. Maar hij ligt nu weer voor anker.”Thans viel Cornelis werkelijk in eenen diepen slaap, tot hij tegen het aanbreken van den morgen wakker werd. Even als vóór het beleg, stond hij op, kleedde zich aan en ging de straat op.Daar klinkt een voetstap, hij ziet op en....„Zoo, Cornelis, al wakker?”„Ja, Gerrit, maar waar komt ge vandaan?”„Daartoe heb ik nu geenen tijd om het te vertellen. Is uw Vader al op?”„Neen, nog niet. Hij zegt dat hij, als hij op is, zich loopt vervelen.”„Nu, roep hem dan! Er is voor jelui vandaag wat te doen!”„Voor jelui? Dus voor mij ook?”„Als gij ten minste niet bang zijt, ja zeker!”„Nu, kom dan zoolang maar in de gang, dan zal ik Vader roepen!”De beide jongens traden binnen en, terwijl de Vader opstaat en zich aankleedt, hebben wij tijd om met den moedigen Leeuwke de heen- en terugreis van Leiden tot Ter Gouw te maken.We willen dat liever zoo vertellen, alsof wijzelven den tocht met Gerrit mede gemaakt hebben, inplaats dat we naar Gerrit luisteren, die zijnen tocht op zijne manier aan Cornelis verhaalt.

NEGENDE HOOFDSTUK.Mislukt Zondags-werk.Het was een verrukkelijk schoone zomernacht. De maan was zoo even opgekomen en wierp haar zacht licht door de straten van Leiden en over de schansen der belegeraars.Op de wallen werd eene scherpe wacht gehouden, en zoo vinden we in den voornacht tusschen den derden en vierden Juni, tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort, een jong musketier heen en weer loopen, nu en dan eens stilstaande om naar buiten te kijken. Hij moest toch zorgen, dat de vijand niet in alle stilte onverhoeds de wallen beklom.Die jonge musketier was Leeuwke, en dat hij wat moest zien, bleek uit zijn staren in de richting tusschen de Jaep-Claesz-schans en de half voltooide Lammenschans, die reeds bij het eerste beleg opgeworpen was aan den water-viersprong, gemaakt door de ontmoeting van de Roomburger watering en de Zoeterwoudsche vaart, die beide daar ter plaatse in eenen sterken bocht van den Vliet vielen. Was deze schans eenmaal voltooid en bezet, dan zou de voornaamste waterweg van Leiden naar het zuidelijk deel van Holland, dat nog niet aan de Spanjaarden onderworpen was, gesloten zijn. Aan de vaarten en wateringen naar het Haarlemmermeer had men zoo goed als niets, omdat Haarlem en Amsterdam in de macht der Spanjaarden waren.De stilte, waarbij Leeuwke in de verte getuurd had, werd eensklaps afgebroken door zijn gefluister: „Bedriegen mijne oogen mij nu, of zie ik daar werkelijk wat tusschen het gras der hooiweiden bewegen?”Hij keek nog wat scherper en mompelde toen: „Neen, nu zie ik het duidelijk, het is een man, die voortschuifelt.”De man naderde steeds meer en bevond zich weldra aan de overzijde bij de gracht.„Wie daar?” riep Leeuwke.„Goed volk,” antwoordde een man.„Goed volk, goed volk! dat zei de dief ook, en haalde Krelis Louwens’ hammen uit den schoorsteen. Wie zijt gij? en van waar komt gij?”„Nu, het mag gezegd wezen, dat ge wakker op uwen post staat, Leeuwke! Laat me maar gauw binnenkomen eer de Spanjaard me nog terug komt halen!”„Maar wie zijt ge dan toch?”„Voor den satan, jongen, kent gij dan Jan Claesz. Boon niet meer?”„Ha! zijt gij die? Hadt me dat maar dadelijk gezegd! En vanwaar komt ge?”„Ik kom rechtstreeks van den Prins en heb goede tijding, die Leiden opvroolijken zal! Maar het is kunst en vliegwerk de Spaansche wachten voorbij te komen! Die kerels hebben kattenoogen en hondenneuzen!”Leeuwke riep nu hierop iemand van de wacht, die onzen bode de Koepoort zou openen.Nauwelijks was Boon in de stad, of hij liep, wat hij loopen kon, naar de Hooglandsche Achtergracht en liet den klopper op de deur van Pieter Adriaensz.’ huis vallen.Het duurde vrij lang eer hem werd opengedaan.„Is de Burgemeester nog te spreken, vrijster?” vroeg hij.„Jawel, maar op dit uur? Ik geloof, dat....”„Ik geloof dat, als ge zegt, dat Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen is met brieven van den Prins en eene goede tijding op den koop toe, dat ik oogenblikkelijk binnen mag komen!”De meid ging heen en het was, zooals Boon gedacht had.De Burgemeester stond hem terstond te woord. Ja, hij deed meer dan dat. Onverwijld zond hij Boon naar een paar andere Leden van den Magistraat, den Secretaris Jan Van Hout en naar Jonker van der Does om hen op het stadhuis te ontbieden.Toen dezen verschenen waren, werden eerst de brievenvan den Prins gelezen en vervolgens het goede bericht.„Laat de klok luiden!” riep Pieter Adriaensz. „Vannacht nog zal de burgerij weten, wat er in Zeeland gebeurd is!”Dat gelui klonk vreemd in het midden van den nacht.Verschrikt stonden de menschen op en vroegen of er brand was.„Neen, geen brand!” riep een, terwijl hij al vast voortliep. „Boon is met brieven van den Prins en nog eene goede tijding in de stad aangekomen!”Half aangekleed stond het volk zich voor het stadhuis te verdringen, en toen Van Hout op de pui verscheen, begon er al ras gevaar te bestaan, dat velen onder den voet zouden komen, zoo trachtte ieder toch van nabij te verstaan welke die goede tijding was.Juist was Leeuwke afgelost toen het klokgelui begon en, zijn musket in eenen hoek van het wachthuis zettende en de lont uitdoovende, liep hij, eigenlijk tegen het bevel in, terstond de Hoogewoerd op en kwam, buiten adem, eindelijk voor het stadhuis toen er bijkans nog niemand was. Daardoor was hij een van de voorsten en kon hij uitmuntend verstaan wat Van Hout bekend maakte.„Goede lieden,” dus begon hij, „zoo even is Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen met brieven van den Prins. Zijne Vorstelijke Genade betuigt daarin haren dank, dat gij, zoo vol vertrouwen op het recht der goede zaak, besloten hebt, deze, uwe veste te verdedigen. Al wat in het vermogen van den Prins is zal hij doen om de Spanjaarden te noodzaken, het beleg op te breken.”Een ontevreden gemor ontstond, want voor eene herhaling van wat men wist, was het toch niet noodig, de menschen uit hun bed te luiden.„Maar er is nog beter nieuws,” vervolgde Van Hout. „Den dertigsten der vorige maand hebben die van Vlissingen eene schitterende overwinning op de Spanjaarden behaald. Op Zondagmorgen van den Pinksterdag heeft van Boisot metzijne Geuzenvloot de Spaansche schepen, onder den Vice-Admiraal Adolf van Heemstede, bij Antwerpen aangetast. De Geuzen hebben wonderen van dapperheid verricht. Van de tweeëntwintig schepen des vijands zijn er slechts acht overgebleven, de overigen zijn verbrand of prijs gemaakt, ja, men heeft den Vice-Admiraal zelfs gevangen genomen! Ge ziet, burgers, de vijand is niet onoverwinnelijk, en de onzen toonen, dat ze den Spanjaard niet meer behoeven te vreezen! Houdt moed, burgers, God zal met onze goede zaak zijn! Wijzullenzegevieren! Zoekt thans weder uwe slaapsteden op en droomt van Leidens kloeke volharding in dagen van strijd en nood!”„Wat zegt ge daar nu van, Cornelis?” vroeg Leeuwke, die zijnen vriend weldra gevonden had.„Wat ik daarvan zeg, Gerrit? Ik zeg er dit van: „Laten die malle Glippers nu voortaan maar zwijgen, en niet meer zeggen, dat wij ons moeten overgeven, omdat de Spanjaarden toch zooveel sterker zijn dan wij! Mijne hand jeukt, als ik denk hoe de Watergeuzen onder die Spanjolen hebben huisgehouden! Ware ik er ook eens bij geweest, wat ik dapper zou mee gedaan hebben!”„Nu, ik ook! Maar wil ik u nog eens wat nieuws vertellen? Jonker van der Does heeft een goed oogje op mij en hij heeft mij vanmiddag gezegd, dat ik, als er eens boodschappen buiten de stad moeten gedaan worden, ook wel eens zal mogen gaan. En weet gij waaraan ik dat meevallertje te danken heb?”„Neen! Hoe zou ik dat weten?”„Hij heeft me eens buiten met andere knapen slootje zien springen en toen heeft hij verbaasd gestaan, dat ik voor niet ééne sloot staan bleef, maar over alle heensprong, met een loopje zoowel als met eenen verrejager (polsstok).”„Ei, dan komt het toch te pas, wat gij geleerd hebt, al zeide Meester Pieter Willemsz., de barbier ook eens: „Aap van eenen jongen, gij wordt nog eens verdronken thuisgebracht.”Ik zou ook wel graag boodschappen buiten de stad willen doen. Ik vind het daar buiten in het vrije veld toch prettiger dan altijd in de stad.”„Nu, wacht uwe beurt maar af; we zijn de Spanjaarden nog lang niet kwijt. Nog iederen dag worden er nieuwe schansen aangelegd en uit alles blijkt het, dat Valdez de stad door uithongeren tot de overgave dwingen wil.”„Het is waarlijk niet te hopen, want nu reeds begint bij sommigen, en ik durf gerust zeggen bij ons ook, Schraalhans keukenmeester te worden. Wordt de belegering lang volgehouden, dan sterft de halve stad van honger.”„Maar daar heb ik geen plan op,” antwoordde Leeuwke.„Ja, geen plan, geen plan! Als er niets te schransen valt, dan moet men wel vasten.”„Ik vasten? Maar gij begrijpt toch levendig, dat ik dat niet doe! Als er geen eten meer in de stad is, ga ik het bij den Spanjool halen?”„Ei, ei, hoe moedig! We zullen zien, als het zoo ver komt, wat gij dan doet, kameraad! Maar ik ben hier vlak voor mijn huis en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat slapen! Dag, schutter!”„Wel te rusten, slaapbol,” riep Leeuwke vroolijk en zocht zijn wachthuis weder op.Nauwelijks was hij aangekomen of hij vernam, dat Jonker van der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.„En heeft hij geene boodschap achtergelaten?” vroeg Gerrit, die eigenlijk wel wat in den knoei zat.„Ja, hij heeft gezegd, dat ge na afloop van de wacht eens bij hem aan huis moest komen,” was het antwoord.Met brandend ongeduld wachtte de knaap het uur af, dat hij vertrekken kon, en toen dat geslagen was, haastte hij zich om te vernemen, wat zijn Overste hem te zeggen kon hebben, waarbij, naar het scheen, zulk eene haast was.„Zoo, Gerrit, zijt gij daar? Dat is goed, jongen! Ik heb iets heel gewichtigs te vragen. Zijt gij gauw bang?”„Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste; maar voor geesten....”„Met geesten zult ge niets te maken hebben! Ge weet dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar?”„Dat weet ik, Overste! Daar heeft men onder anderen Thijsz. den goudsmid, Liefkens den wever uit de Baaihal, Geert Soet den timmerman....”„Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd of wij hier uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed zouden zijn, hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen onzer vrijbuiters den Rijn zouden opvaren om hem bij te staan. Zoudt ge nu naar Ter Gouw durven gaan en hem de boodschap brengen, dat wij op Zondag, dus overmorgen, met den noen zullen vertrekken?”„Graag, Overste; maar zal Geert Soet mij gelooven?”„Hij kent Leeuwke,” antwoordde van der Does. „Doch om nu zeker te zijn, dat alles goed uitkomt, zal ik u een briefken meegeven. Wanneer wilt gij vertrekken?”„Ik ben gereed als Uwe Edelheid beveelt,” antwoordde de knaap vol moed en ongeduld.„Durft ge dat tochtje overdag ook beproeven?” vroeg hierop van der Does.„Overdag nog beter dan des nachts, Overste! Des nachts houdt men mij voor een spion en is de wacht scherper; maar overdag is dat het geval niet zoo erg!”„Dat geloof ik ook. Doch waar zult ge dan het briefke verbergen? Gij begrijpt, dat moet niemand bij u kunnen vinden.”„Wel, Overste, ik moet toch eenen verrejager medenemen. Als het briefje nu niet te groot was en in eennaaldenkoker kon, dan zou ik den verrejager van onder uitboren, daarin den naaldenkoker met het briefje steken en dan de opening van onder met pek dicht maken. Het kon dan niet nat worden en de Spanjaard vindt het nooit, al krijgt hij den polsstok in handen.”„Dat is slim bedacht, knaap! Ga nu naar huis en zorg dat gij over een uurtje met eenen verrejager hier zijt. Het briefje zal ik klein genoeg maken om het in eenen niet al te grooten naaldenkoker te steken.”Op den bepaalden tijd, het kon zoo omstreeks drie uur in den middag zijn, was Gerrit bij Jonker van der Does terug. Het briefken werd, opgerold in den ijzeren naaldenkoker, die schroefvormig sloot, geborgen en daarna in de opening onder aan den polsstok geschoven, waarna alles met pek gesloten werd. Wanneer de stok maar een paar keeren met de modder in aanraking was geweest, zou de slimste man er niets van kunnen zien.Na den moedigen knaap aangemaand te hebben toch vooral voorzichtig te zijn, liet van der Does hen vertrekken.Later zullen we wel zien hoe Leeuwke zich van zijne taak kweet. Wij volgen liever Cornelis, die Leeuwke tot aan van der Does’ woning vergezeld had, op zijnen weg naar huis. De knaap was ontevreden dat er voor hem zoo weinig te doen viel, en hij meende dat hij, als hij zich ook maar bij de Schutter-vendels had laten inschrijven, nu mogelijk wel inplaats van Gerrit met die boodschap buiten de stad belast zou zijn geworden.„Goed dat gij thuiskomt, Cornelis,” zeide zijn Pleegvader. „Er is werk aan den winkel. Aanstaanden Zondag zullen we met eenige plempen of tentsnebben eenen uitval doen om eene korenvloot uit Ter Gouw binnen te loodsen.”„Zondag, Vader? Hoe komen ze juist aan dien dag?”„Ik denk dat de Magistraat zóó geredeneerd heeft: „De Calvinisten vieren den Sabbat streng, dat weten de Spanjaardenen daarom zullen ze juist op dien dag geenen uitval verwachten. Ze zullen minder waakzaam zijn en onze kans van slagen wordt er grooter door.” Het is te hopen, dat alles gelukt, want dan kan onze stad het een heel poosje tegen den Spanjaard vol houden. Kom, ga mee, we moeten onze schuit gereed maken voor—oorlogsschip. Wel, wel, wie had dat ooit van mijn eenvoudig scheepken durven denken?”Pleegvader en zoon verlieten terstond hunne woning en begonnen met allen, die zich als vrijbuiter aangemeld hadden, alles voor den uitval gereed te maken.Heel Leiden was vol hope en zag de graanzolders reeds tot instortens onder den last gevuld.Het liep tegen den Zondagmiddag.Wat vrijbuiter was of schippersgezel, was in beweging. Allerwegen zag men levendige belangstelling in hetgeen ondernomen stond te worden; want men gevoelde het, dat het in aller belang was, dat deze tocht met eenen goeden uitslag mocht bekroond worden.Nauwelijks waren de kerken uit en hadden de belegerden God gedankt voor de overwinning der Zeeuwen bij Antwerpen, en gebeden om Zijnen zegen op het werk, dat ondernomen stond te worden, of allen begaven zich naar het oude Schuitenveer bij de Hoogewoerdspoort, om de plempen en schouwen, waarmede men die van Ter Gouw ter hulp zou komen, te zien vertrekken.„Hoe staat ge daar en kijkt, alsof ge Vader en Moeder vermoord hebt, Meester?” vroeg een man aan eenen kloeken zestiger, die Deken van het smidsgilde was.De Deken schudde in antwoord op die vraag het hoofd en zeide: „Het gaat niet! Het kan niet gaan!”„Wat gaat er niet? Meent gij dat de tocht niet goed bestuurd wordt? Ho, man, heb daarvoor geene vrees! Barend Cornelissen Van Keulen is er bij en Van Schaeck ook. En als die er maar bij zijn, dan....”„Dan mislukt de tocht nog, als Gods zegen er niet op rust!”„En we hebben in de kerk....”„We hebben in de kerk om Zijnen zegen gebeden, wilt ge zeggen! Ja, dat weet ik wel! Maar denkt gij dan, Moerman, dat een dief verhoord zal worden, als hij in het gebed aan God vraagt, of Hij hem helpen wil in zijn boos bestaan?”„Dat zou dwaas zijn! Maarzijnwij dan dieven? Hebben die van Ter Gouw niet alles eerlijk gekocht? Ontrooven wij het den Spanjool? Heeft bovendien de Eerwaarde Petrus Cornelius ook niet met lof over deze onderneming gesproken?”„Zeker, zeker! Maar Peter Cornelius is ook een mensch. De booze heeft zijn harte bekoord, zoodat hij ziende niet ziet en hoorende niet hoort!”„Maar, man, ge raaskalt! De onderneming zál gelukken!”„Ze zalnietgelukken,” riep nu de smid. „Wij zijn dieven, ja, eerlooze dieven van den rustdag. Wij zijn Sabbat-schenders en doen te kort aan het gebod: „Gedencktden Sabbatdag, dat gij denselven heylight!”„Ho, ho, Meester! Gij drijft de zaak te ver, veel te ver. Zoo gij dezen morgen in de kerk geweest waart, dan....”„Ik ben er geweest, man, ik ben er geweest! Maar ik bedroef mij als ik zie, hoe zelfs onze Leeraren het voorbeeld van den Prins van Oranje volgen, en hem nastreven om er even luchtig over heen te loopen, als hijzelf. Neen, dat zou onze volijverige Petrus Dathenus u anders zeggen! Maar wat praat ik tegen dooven! Gij zult het zien, Moerman, niet alleen op dezen tocht zal het ons tegenloopen, maar alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitkomen!”Na dit gezegd te hebben schudde de oude man diep zuchtend nog eens het hoofd, beschouwde nog eenmaal het gewoel op het water en aan den kant en ging toen heen.Het was twaalf uren en de schuiten werden van den wal losgemaakt.De voorste was die van den Utrechtschen beurtman, waarop Barend Cornelissen Van Keulen en Cornelis Joppensz. de hoofdpersonen waren.Onder het luid gejuich der bevolking staken ze van wal. Aller oogen zagen hen na, zoover ze konden en in bijna aller hart rees de wensen, dat ze spoedig, rijk-geladen en in grooter aantal, mochten terugkomen.De woelende massa verspreidde zich hierop door de stad om weldra weer eens naar het Schuitenveer terug te komen, ten einde te zien of er nog geene plempen of schouwen waren wedergekeerd.Men liep den ganschen middag op en neer, en zoo ongeveer des avonds te negen uren, stond de heele kade vol volks. Men had geen schieten gehoord en zij, die op den stadhuistoren geklommen waren, hadden bericht, dat zij niets van een gevecht ontdekt hadden.Eindelijk vertoonde zich eene schouw, vervolgens nog eene, nog eene, en nog eene! Men telde het aantal en .... er kwamen evenveel terug, als er uitgegaan waren.Zoo ver mogelijk liep men ze tegemoet, en zoodra er berekend werd, dat de vrijbuiters verstaan konden, wat er geroepen werd, begonnen ze te vragen:„Waar zijn die van Ter Gouw?”„Ze zijn niet gekomen! De tocht is mislukt,” luidde het antwoord.Dat was eene tijding, die de hoopvolle harten ineens ontmoedigde. Men wist nu genoeg. Wat ging het de menigte aan, of ze ook te weten kon komen tot hoe ver de vrijbuiters geweest waren; wat de mogelijke oorzaak kon zijn, dat Geert Soet zijne beloften niet gehouden had? De plempen en schouwen kwamen ledig terug, en Leiden zou mogelijk aan den hongersnood prijs gegeven worden! Wee! Wee!„Gelooft ge me nu nòg niet, Moerman?” vroeg de smid.„Weg, ongelukskraaier, weg,” riep deze, maar kon toch de gedachte niet van zich zetten: „zoo de man eens waarheid gesproken hadde! Arm Leiden dan!”Bij het vastsjorren der plempen en schouwen waren slechts enkelen tegenwoordig en onder deze was ook van der Does.„Dat is dan bijster slecht afgeloopen, Cornelissen!”„Ja, Overste, dat is het. Maar wat in het vaatje is verzuurt niet. De Spanjolen hebben ons uitgelachen zoo hard ze konden; maar al moest ik er alleen op uit, en al vergezelde mij niemand, ik zal het hun met bebloede koppen betaald zetten! Bijlo, dat zal ik, of mijn naam is niet Barend Cornelissen Van Keulen.”„Dat is gemakkelijk te zeggen, maar te doen? Jongen, de Spanjool is geene kat om zonder handschoenen aan te vatten!”„Al ware hij Satan in persoon, Overste, eer het jaar twee dagen ouder is, zult gij vernemen, dat ik een man van mijn woord ben!”„Nu goed, goed! Maar zeg, zoudt gij ook half de berekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en de zijnen zich te vergeefs hebben laten wachten?”Barend haalde de schouders op, sjorde zijne schuit veel steviger vast dan noodig was en zeide: „Dat is onmogelijk juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid gissen!”„Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn, die van u te willen weten! Maar wat vermoedt gij dan, dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is?”„Ik denk dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht! En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste, maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel watonvoorzichtig zulk eene gewichtige boodschap te laten verrichten door een groot kind!”Cornelis vond het niet prettig, dat zijn Pleegvader over Gerrit zoo min dacht, want hij, Cornelis, was ervan verzekerd, dat Gerrit zijne boodschap goed gedaan zou hebben, of, in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte zijnen vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch Van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters als kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te hebben, gaf Cornelis zulk eenen uitbrander, dat de knaap stellig zijn „goed woordje” voor Gerrit wel zou ingehouden hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders muts zóó verkeerd stond. Het ergste was wel, dat zijn Vader hem verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van de wieg nog achter de ooren had zitten. En dat in tegenwoordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem, die met trots een koperen half maantje op de muts droeg ten teeken, dat hij een Watergeus was! Waarlijk, het was al te erg, en bij nader inzien zou Van Keulen begrijpen, dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.De tranen sprongen Cornelis in de oogen en hij verwijderde zich schaamrood zoo spoedig hij kon. Hij sloop naar de wallen, waar hij niet komen mocht, omdat de Magistraat bevolen had, dat geen enkel burger, die geene schuttersdiensten deed, op de wallen mocht verschijnen. Dat bevel was noodig geweest, want de vrije burgers hadden menigmaal zonder daartoe vergunning te hebben, ja, zonder iets van de behandeling van het gebrekkige geschut af te weten, een doelloos schot op den vijand gelost. Dat was kruit vermorsen geweest, en tegelijkertijd had men den vijand getart tot wat anders dan belegeren. Neen, hongerlijden vond men in alle gevallen verkieselijker, dan dat er storm geloopen werd, want als dat gebeurde zou de vijand denkelijk wel overwinnen, omdat hij tegen ongeoefende mannen te strijden had.Zonder door iemand weerhouden te zijn, kwam hij echter op den wal en zijne blikken naar het vijandelijk kamp slaande, balde hij de vuist en bromde: „Leelijke Spanjool, gij zult ondervinden dat Vader mij genoemd heeft een wicht met wiegstroo achter het oor. Gij zijt er de schuld van, maar betaald zetten, zal ik het!”Erg opgewonden liep hij nu naar huis, en hij was zóó boos, dat hij zelfs weigerde te eten en zoo naar bed ging, om daar zijn hart, in alle stilte, in tranen lucht te geven.In het eerst kon hij den slaap maar niet vatten, en toen hij eindelijk afgemat van het woelen, de oogen sloot, begon het in zijnen droom: dwars door de vest en rechtuit-rechtaan op eene schans! Twintig soldaten stonden gereed hem dood te slaan; maar met Leeuwke’s verrejager gewapend, sloeg hij links en rechts om zich heen. Al de Spanjaarden gingen op de vlucht, en hij wilde ze achtervolgen. Hij voelde dat hij vallen zou,—hij zag de soldaten met hunne lansen in de hoogte hem nu afwachten! Ho, daar viel hij, een geweldige schreeuw en .... hij tuimelde uit het bed en lag op den grond.„Wat doet ge, Cornelis?” riep Moeder Willempje verschrikt, terwijl ze haar hoofd buiten de bedsteê-gordijnen stak. „Word wakker!”„W-w-wel-die-die Spanjolen, die Span-Spanjo-jo-len!”„Cornelis, Cornelis! Word wakker!” riep zij nog eenmaal. Cornelis was half slaapdronken op de been gekomen en smeet nu in het duister eenen stoel om.„Maar, zeg, jongen, wat zoekt ge dan toch?” riep zij nu in drift uit.„Niets, niets, Moeder! Ik dacht dat de Spanjolen, -ik-ik-ga al naar bed; maar ze hebben me toch niet-ge-gevangen, -ze-heb-ben-misge-ge-stoken!”En half droomende stapte hij weer in het bed.„Bemoei u niet met den jongen, vrouw,” zeide Barend; „hij droomde. Maar hij ligt nu weer voor anker.”Thans viel Cornelis werkelijk in eenen diepen slaap, tot hij tegen het aanbreken van den morgen wakker werd. Even als vóór het beleg, stond hij op, kleedde zich aan en ging de straat op.Daar klinkt een voetstap, hij ziet op en....„Zoo, Cornelis, al wakker?”„Ja, Gerrit, maar waar komt ge vandaan?”„Daartoe heb ik nu geenen tijd om het te vertellen. Is uw Vader al op?”„Neen, nog niet. Hij zegt dat hij, als hij op is, zich loopt vervelen.”„Nu, roep hem dan! Er is voor jelui vandaag wat te doen!”„Voor jelui? Dus voor mij ook?”„Als gij ten minste niet bang zijt, ja zeker!”„Nu, kom dan zoolang maar in de gang, dan zal ik Vader roepen!”De beide jongens traden binnen en, terwijl de Vader opstaat en zich aankleedt, hebben wij tijd om met den moedigen Leeuwke de heen- en terugreis van Leiden tot Ter Gouw te maken.We willen dat liever zoo vertellen, alsof wijzelven den tocht met Gerrit mede gemaakt hebben, inplaats dat we naar Gerrit luisteren, die zijnen tocht op zijne manier aan Cornelis verhaalt.

NEGENDE HOOFDSTUK.Mislukt Zondags-werk.

Het was een verrukkelijk schoone zomernacht. De maan was zoo even opgekomen en wierp haar zacht licht door de straten van Leiden en over de schansen der belegeraars.Op de wallen werd eene scherpe wacht gehouden, en zoo vinden we in den voornacht tusschen den derden en vierden Juni, tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort, een jong musketier heen en weer loopen, nu en dan eens stilstaande om naar buiten te kijken. Hij moest toch zorgen, dat de vijand niet in alle stilte onverhoeds de wallen beklom.Die jonge musketier was Leeuwke, en dat hij wat moest zien, bleek uit zijn staren in de richting tusschen de Jaep-Claesz-schans en de half voltooide Lammenschans, die reeds bij het eerste beleg opgeworpen was aan den water-viersprong, gemaakt door de ontmoeting van de Roomburger watering en de Zoeterwoudsche vaart, die beide daar ter plaatse in eenen sterken bocht van den Vliet vielen. Was deze schans eenmaal voltooid en bezet, dan zou de voornaamste waterweg van Leiden naar het zuidelijk deel van Holland, dat nog niet aan de Spanjaarden onderworpen was, gesloten zijn. Aan de vaarten en wateringen naar het Haarlemmermeer had men zoo goed als niets, omdat Haarlem en Amsterdam in de macht der Spanjaarden waren.De stilte, waarbij Leeuwke in de verte getuurd had, werd eensklaps afgebroken door zijn gefluister: „Bedriegen mijne oogen mij nu, of zie ik daar werkelijk wat tusschen het gras der hooiweiden bewegen?”Hij keek nog wat scherper en mompelde toen: „Neen, nu zie ik het duidelijk, het is een man, die voortschuifelt.”De man naderde steeds meer en bevond zich weldra aan de overzijde bij de gracht.„Wie daar?” riep Leeuwke.„Goed volk,” antwoordde een man.„Goed volk, goed volk! dat zei de dief ook, en haalde Krelis Louwens’ hammen uit den schoorsteen. Wie zijt gij? en van waar komt gij?”„Nu, het mag gezegd wezen, dat ge wakker op uwen post staat, Leeuwke! Laat me maar gauw binnenkomen eer de Spanjaard me nog terug komt halen!”„Maar wie zijt ge dan toch?”„Voor den satan, jongen, kent gij dan Jan Claesz. Boon niet meer?”„Ha! zijt gij die? Hadt me dat maar dadelijk gezegd! En vanwaar komt ge?”„Ik kom rechtstreeks van den Prins en heb goede tijding, die Leiden opvroolijken zal! Maar het is kunst en vliegwerk de Spaansche wachten voorbij te komen! Die kerels hebben kattenoogen en hondenneuzen!”Leeuwke riep nu hierop iemand van de wacht, die onzen bode de Koepoort zou openen.Nauwelijks was Boon in de stad, of hij liep, wat hij loopen kon, naar de Hooglandsche Achtergracht en liet den klopper op de deur van Pieter Adriaensz.’ huis vallen.Het duurde vrij lang eer hem werd opengedaan.„Is de Burgemeester nog te spreken, vrijster?” vroeg hij.„Jawel, maar op dit uur? Ik geloof, dat....”„Ik geloof dat, als ge zegt, dat Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen is met brieven van den Prins en eene goede tijding op den koop toe, dat ik oogenblikkelijk binnen mag komen!”De meid ging heen en het was, zooals Boon gedacht had.De Burgemeester stond hem terstond te woord. Ja, hij deed meer dan dat. Onverwijld zond hij Boon naar een paar andere Leden van den Magistraat, den Secretaris Jan Van Hout en naar Jonker van der Does om hen op het stadhuis te ontbieden.Toen dezen verschenen waren, werden eerst de brievenvan den Prins gelezen en vervolgens het goede bericht.„Laat de klok luiden!” riep Pieter Adriaensz. „Vannacht nog zal de burgerij weten, wat er in Zeeland gebeurd is!”Dat gelui klonk vreemd in het midden van den nacht.Verschrikt stonden de menschen op en vroegen of er brand was.„Neen, geen brand!” riep een, terwijl hij al vast voortliep. „Boon is met brieven van den Prins en nog eene goede tijding in de stad aangekomen!”Half aangekleed stond het volk zich voor het stadhuis te verdringen, en toen Van Hout op de pui verscheen, begon er al ras gevaar te bestaan, dat velen onder den voet zouden komen, zoo trachtte ieder toch van nabij te verstaan welke die goede tijding was.Juist was Leeuwke afgelost toen het klokgelui begon en, zijn musket in eenen hoek van het wachthuis zettende en de lont uitdoovende, liep hij, eigenlijk tegen het bevel in, terstond de Hoogewoerd op en kwam, buiten adem, eindelijk voor het stadhuis toen er bijkans nog niemand was. Daardoor was hij een van de voorsten en kon hij uitmuntend verstaan wat Van Hout bekend maakte.„Goede lieden,” dus begon hij, „zoo even is Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen met brieven van den Prins. Zijne Vorstelijke Genade betuigt daarin haren dank, dat gij, zoo vol vertrouwen op het recht der goede zaak, besloten hebt, deze, uwe veste te verdedigen. Al wat in het vermogen van den Prins is zal hij doen om de Spanjaarden te noodzaken, het beleg op te breken.”Een ontevreden gemor ontstond, want voor eene herhaling van wat men wist, was het toch niet noodig, de menschen uit hun bed te luiden.„Maar er is nog beter nieuws,” vervolgde Van Hout. „Den dertigsten der vorige maand hebben die van Vlissingen eene schitterende overwinning op de Spanjaarden behaald. Op Zondagmorgen van den Pinksterdag heeft van Boisot metzijne Geuzenvloot de Spaansche schepen, onder den Vice-Admiraal Adolf van Heemstede, bij Antwerpen aangetast. De Geuzen hebben wonderen van dapperheid verricht. Van de tweeëntwintig schepen des vijands zijn er slechts acht overgebleven, de overigen zijn verbrand of prijs gemaakt, ja, men heeft den Vice-Admiraal zelfs gevangen genomen! Ge ziet, burgers, de vijand is niet onoverwinnelijk, en de onzen toonen, dat ze den Spanjaard niet meer behoeven te vreezen! Houdt moed, burgers, God zal met onze goede zaak zijn! Wijzullenzegevieren! Zoekt thans weder uwe slaapsteden op en droomt van Leidens kloeke volharding in dagen van strijd en nood!”„Wat zegt ge daar nu van, Cornelis?” vroeg Leeuwke, die zijnen vriend weldra gevonden had.„Wat ik daarvan zeg, Gerrit? Ik zeg er dit van: „Laten die malle Glippers nu voortaan maar zwijgen, en niet meer zeggen, dat wij ons moeten overgeven, omdat de Spanjaarden toch zooveel sterker zijn dan wij! Mijne hand jeukt, als ik denk hoe de Watergeuzen onder die Spanjolen hebben huisgehouden! Ware ik er ook eens bij geweest, wat ik dapper zou mee gedaan hebben!”„Nu, ik ook! Maar wil ik u nog eens wat nieuws vertellen? Jonker van der Does heeft een goed oogje op mij en hij heeft mij vanmiddag gezegd, dat ik, als er eens boodschappen buiten de stad moeten gedaan worden, ook wel eens zal mogen gaan. En weet gij waaraan ik dat meevallertje te danken heb?”„Neen! Hoe zou ik dat weten?”„Hij heeft me eens buiten met andere knapen slootje zien springen en toen heeft hij verbaasd gestaan, dat ik voor niet ééne sloot staan bleef, maar over alle heensprong, met een loopje zoowel als met eenen verrejager (polsstok).”„Ei, dan komt het toch te pas, wat gij geleerd hebt, al zeide Meester Pieter Willemsz., de barbier ook eens: „Aap van eenen jongen, gij wordt nog eens verdronken thuisgebracht.”Ik zou ook wel graag boodschappen buiten de stad willen doen. Ik vind het daar buiten in het vrije veld toch prettiger dan altijd in de stad.”„Nu, wacht uwe beurt maar af; we zijn de Spanjaarden nog lang niet kwijt. Nog iederen dag worden er nieuwe schansen aangelegd en uit alles blijkt het, dat Valdez de stad door uithongeren tot de overgave dwingen wil.”„Het is waarlijk niet te hopen, want nu reeds begint bij sommigen, en ik durf gerust zeggen bij ons ook, Schraalhans keukenmeester te worden. Wordt de belegering lang volgehouden, dan sterft de halve stad van honger.”„Maar daar heb ik geen plan op,” antwoordde Leeuwke.„Ja, geen plan, geen plan! Als er niets te schransen valt, dan moet men wel vasten.”„Ik vasten? Maar gij begrijpt toch levendig, dat ik dat niet doe! Als er geen eten meer in de stad is, ga ik het bij den Spanjool halen?”„Ei, ei, hoe moedig! We zullen zien, als het zoo ver komt, wat gij dan doet, kameraad! Maar ik ben hier vlak voor mijn huis en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat slapen! Dag, schutter!”„Wel te rusten, slaapbol,” riep Leeuwke vroolijk en zocht zijn wachthuis weder op.Nauwelijks was hij aangekomen of hij vernam, dat Jonker van der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.„En heeft hij geene boodschap achtergelaten?” vroeg Gerrit, die eigenlijk wel wat in den knoei zat.„Ja, hij heeft gezegd, dat ge na afloop van de wacht eens bij hem aan huis moest komen,” was het antwoord.Met brandend ongeduld wachtte de knaap het uur af, dat hij vertrekken kon, en toen dat geslagen was, haastte hij zich om te vernemen, wat zijn Overste hem te zeggen kon hebben, waarbij, naar het scheen, zulk eene haast was.„Zoo, Gerrit, zijt gij daar? Dat is goed, jongen! Ik heb iets heel gewichtigs te vragen. Zijt gij gauw bang?”„Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste; maar voor geesten....”„Met geesten zult ge niets te maken hebben! Ge weet dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar?”„Dat weet ik, Overste! Daar heeft men onder anderen Thijsz. den goudsmid, Liefkens den wever uit de Baaihal, Geert Soet den timmerman....”„Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd of wij hier uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed zouden zijn, hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen onzer vrijbuiters den Rijn zouden opvaren om hem bij te staan. Zoudt ge nu naar Ter Gouw durven gaan en hem de boodschap brengen, dat wij op Zondag, dus overmorgen, met den noen zullen vertrekken?”„Graag, Overste; maar zal Geert Soet mij gelooven?”„Hij kent Leeuwke,” antwoordde van der Does. „Doch om nu zeker te zijn, dat alles goed uitkomt, zal ik u een briefken meegeven. Wanneer wilt gij vertrekken?”„Ik ben gereed als Uwe Edelheid beveelt,” antwoordde de knaap vol moed en ongeduld.„Durft ge dat tochtje overdag ook beproeven?” vroeg hierop van der Does.„Overdag nog beter dan des nachts, Overste! Des nachts houdt men mij voor een spion en is de wacht scherper; maar overdag is dat het geval niet zoo erg!”„Dat geloof ik ook. Doch waar zult ge dan het briefke verbergen? Gij begrijpt, dat moet niemand bij u kunnen vinden.”„Wel, Overste, ik moet toch eenen verrejager medenemen. Als het briefje nu niet te groot was en in eennaaldenkoker kon, dan zou ik den verrejager van onder uitboren, daarin den naaldenkoker met het briefje steken en dan de opening van onder met pek dicht maken. Het kon dan niet nat worden en de Spanjaard vindt het nooit, al krijgt hij den polsstok in handen.”„Dat is slim bedacht, knaap! Ga nu naar huis en zorg dat gij over een uurtje met eenen verrejager hier zijt. Het briefje zal ik klein genoeg maken om het in eenen niet al te grooten naaldenkoker te steken.”Op den bepaalden tijd, het kon zoo omstreeks drie uur in den middag zijn, was Gerrit bij Jonker van der Does terug. Het briefken werd, opgerold in den ijzeren naaldenkoker, die schroefvormig sloot, geborgen en daarna in de opening onder aan den polsstok geschoven, waarna alles met pek gesloten werd. Wanneer de stok maar een paar keeren met de modder in aanraking was geweest, zou de slimste man er niets van kunnen zien.Na den moedigen knaap aangemaand te hebben toch vooral voorzichtig te zijn, liet van der Does hen vertrekken.Later zullen we wel zien hoe Leeuwke zich van zijne taak kweet. Wij volgen liever Cornelis, die Leeuwke tot aan van der Does’ woning vergezeld had, op zijnen weg naar huis. De knaap was ontevreden dat er voor hem zoo weinig te doen viel, en hij meende dat hij, als hij zich ook maar bij de Schutter-vendels had laten inschrijven, nu mogelijk wel inplaats van Gerrit met die boodschap buiten de stad belast zou zijn geworden.„Goed dat gij thuiskomt, Cornelis,” zeide zijn Pleegvader. „Er is werk aan den winkel. Aanstaanden Zondag zullen we met eenige plempen of tentsnebben eenen uitval doen om eene korenvloot uit Ter Gouw binnen te loodsen.”„Zondag, Vader? Hoe komen ze juist aan dien dag?”„Ik denk dat de Magistraat zóó geredeneerd heeft: „De Calvinisten vieren den Sabbat streng, dat weten de Spanjaardenen daarom zullen ze juist op dien dag geenen uitval verwachten. Ze zullen minder waakzaam zijn en onze kans van slagen wordt er grooter door.” Het is te hopen, dat alles gelukt, want dan kan onze stad het een heel poosje tegen den Spanjaard vol houden. Kom, ga mee, we moeten onze schuit gereed maken voor—oorlogsschip. Wel, wel, wie had dat ooit van mijn eenvoudig scheepken durven denken?”Pleegvader en zoon verlieten terstond hunne woning en begonnen met allen, die zich als vrijbuiter aangemeld hadden, alles voor den uitval gereed te maken.Heel Leiden was vol hope en zag de graanzolders reeds tot instortens onder den last gevuld.Het liep tegen den Zondagmiddag.Wat vrijbuiter was of schippersgezel, was in beweging. Allerwegen zag men levendige belangstelling in hetgeen ondernomen stond te worden; want men gevoelde het, dat het in aller belang was, dat deze tocht met eenen goeden uitslag mocht bekroond worden.Nauwelijks waren de kerken uit en hadden de belegerden God gedankt voor de overwinning der Zeeuwen bij Antwerpen, en gebeden om Zijnen zegen op het werk, dat ondernomen stond te worden, of allen begaven zich naar het oude Schuitenveer bij de Hoogewoerdspoort, om de plempen en schouwen, waarmede men die van Ter Gouw ter hulp zou komen, te zien vertrekken.„Hoe staat ge daar en kijkt, alsof ge Vader en Moeder vermoord hebt, Meester?” vroeg een man aan eenen kloeken zestiger, die Deken van het smidsgilde was.De Deken schudde in antwoord op die vraag het hoofd en zeide: „Het gaat niet! Het kan niet gaan!”„Wat gaat er niet? Meent gij dat de tocht niet goed bestuurd wordt? Ho, man, heb daarvoor geene vrees! Barend Cornelissen Van Keulen is er bij en Van Schaeck ook. En als die er maar bij zijn, dan....”„Dan mislukt de tocht nog, als Gods zegen er niet op rust!”„En we hebben in de kerk....”„We hebben in de kerk om Zijnen zegen gebeden, wilt ge zeggen! Ja, dat weet ik wel! Maar denkt gij dan, Moerman, dat een dief verhoord zal worden, als hij in het gebed aan God vraagt, of Hij hem helpen wil in zijn boos bestaan?”„Dat zou dwaas zijn! Maarzijnwij dan dieven? Hebben die van Ter Gouw niet alles eerlijk gekocht? Ontrooven wij het den Spanjool? Heeft bovendien de Eerwaarde Petrus Cornelius ook niet met lof over deze onderneming gesproken?”„Zeker, zeker! Maar Peter Cornelius is ook een mensch. De booze heeft zijn harte bekoord, zoodat hij ziende niet ziet en hoorende niet hoort!”„Maar, man, ge raaskalt! De onderneming zál gelukken!”„Ze zalnietgelukken,” riep nu de smid. „Wij zijn dieven, ja, eerlooze dieven van den rustdag. Wij zijn Sabbat-schenders en doen te kort aan het gebod: „Gedencktden Sabbatdag, dat gij denselven heylight!”„Ho, ho, Meester! Gij drijft de zaak te ver, veel te ver. Zoo gij dezen morgen in de kerk geweest waart, dan....”„Ik ben er geweest, man, ik ben er geweest! Maar ik bedroef mij als ik zie, hoe zelfs onze Leeraren het voorbeeld van den Prins van Oranje volgen, en hem nastreven om er even luchtig over heen te loopen, als hijzelf. Neen, dat zou onze volijverige Petrus Dathenus u anders zeggen! Maar wat praat ik tegen dooven! Gij zult het zien, Moerman, niet alleen op dezen tocht zal het ons tegenloopen, maar alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitkomen!”Na dit gezegd te hebben schudde de oude man diep zuchtend nog eens het hoofd, beschouwde nog eenmaal het gewoel op het water en aan den kant en ging toen heen.Het was twaalf uren en de schuiten werden van den wal losgemaakt.De voorste was die van den Utrechtschen beurtman, waarop Barend Cornelissen Van Keulen en Cornelis Joppensz. de hoofdpersonen waren.Onder het luid gejuich der bevolking staken ze van wal. Aller oogen zagen hen na, zoover ze konden en in bijna aller hart rees de wensen, dat ze spoedig, rijk-geladen en in grooter aantal, mochten terugkomen.De woelende massa verspreidde zich hierop door de stad om weldra weer eens naar het Schuitenveer terug te komen, ten einde te zien of er nog geene plempen of schouwen waren wedergekeerd.Men liep den ganschen middag op en neer, en zoo ongeveer des avonds te negen uren, stond de heele kade vol volks. Men had geen schieten gehoord en zij, die op den stadhuistoren geklommen waren, hadden bericht, dat zij niets van een gevecht ontdekt hadden.Eindelijk vertoonde zich eene schouw, vervolgens nog eene, nog eene, en nog eene! Men telde het aantal en .... er kwamen evenveel terug, als er uitgegaan waren.Zoo ver mogelijk liep men ze tegemoet, en zoodra er berekend werd, dat de vrijbuiters verstaan konden, wat er geroepen werd, begonnen ze te vragen:„Waar zijn die van Ter Gouw?”„Ze zijn niet gekomen! De tocht is mislukt,” luidde het antwoord.Dat was eene tijding, die de hoopvolle harten ineens ontmoedigde. Men wist nu genoeg. Wat ging het de menigte aan, of ze ook te weten kon komen tot hoe ver de vrijbuiters geweest waren; wat de mogelijke oorzaak kon zijn, dat Geert Soet zijne beloften niet gehouden had? De plempen en schouwen kwamen ledig terug, en Leiden zou mogelijk aan den hongersnood prijs gegeven worden! Wee! Wee!„Gelooft ge me nu nòg niet, Moerman?” vroeg de smid.„Weg, ongelukskraaier, weg,” riep deze, maar kon toch de gedachte niet van zich zetten: „zoo de man eens waarheid gesproken hadde! Arm Leiden dan!”Bij het vastsjorren der plempen en schouwen waren slechts enkelen tegenwoordig en onder deze was ook van der Does.„Dat is dan bijster slecht afgeloopen, Cornelissen!”„Ja, Overste, dat is het. Maar wat in het vaatje is verzuurt niet. De Spanjolen hebben ons uitgelachen zoo hard ze konden; maar al moest ik er alleen op uit, en al vergezelde mij niemand, ik zal het hun met bebloede koppen betaald zetten! Bijlo, dat zal ik, of mijn naam is niet Barend Cornelissen Van Keulen.”„Dat is gemakkelijk te zeggen, maar te doen? Jongen, de Spanjool is geene kat om zonder handschoenen aan te vatten!”„Al ware hij Satan in persoon, Overste, eer het jaar twee dagen ouder is, zult gij vernemen, dat ik een man van mijn woord ben!”„Nu goed, goed! Maar zeg, zoudt gij ook half de berekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en de zijnen zich te vergeefs hebben laten wachten?”Barend haalde de schouders op, sjorde zijne schuit veel steviger vast dan noodig was en zeide: „Dat is onmogelijk juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid gissen!”„Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn, die van u te willen weten! Maar wat vermoedt gij dan, dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is?”„Ik denk dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht! En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste, maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel watonvoorzichtig zulk eene gewichtige boodschap te laten verrichten door een groot kind!”Cornelis vond het niet prettig, dat zijn Pleegvader over Gerrit zoo min dacht, want hij, Cornelis, was ervan verzekerd, dat Gerrit zijne boodschap goed gedaan zou hebben, of, in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte zijnen vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch Van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters als kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te hebben, gaf Cornelis zulk eenen uitbrander, dat de knaap stellig zijn „goed woordje” voor Gerrit wel zou ingehouden hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders muts zóó verkeerd stond. Het ergste was wel, dat zijn Vader hem verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van de wieg nog achter de ooren had zitten. En dat in tegenwoordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem, die met trots een koperen half maantje op de muts droeg ten teeken, dat hij een Watergeus was! Waarlijk, het was al te erg, en bij nader inzien zou Van Keulen begrijpen, dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.De tranen sprongen Cornelis in de oogen en hij verwijderde zich schaamrood zoo spoedig hij kon. Hij sloop naar de wallen, waar hij niet komen mocht, omdat de Magistraat bevolen had, dat geen enkel burger, die geene schuttersdiensten deed, op de wallen mocht verschijnen. Dat bevel was noodig geweest, want de vrije burgers hadden menigmaal zonder daartoe vergunning te hebben, ja, zonder iets van de behandeling van het gebrekkige geschut af te weten, een doelloos schot op den vijand gelost. Dat was kruit vermorsen geweest, en tegelijkertijd had men den vijand getart tot wat anders dan belegeren. Neen, hongerlijden vond men in alle gevallen verkieselijker, dan dat er storm geloopen werd, want als dat gebeurde zou de vijand denkelijk wel overwinnen, omdat hij tegen ongeoefende mannen te strijden had.Zonder door iemand weerhouden te zijn, kwam hij echter op den wal en zijne blikken naar het vijandelijk kamp slaande, balde hij de vuist en bromde: „Leelijke Spanjool, gij zult ondervinden dat Vader mij genoemd heeft een wicht met wiegstroo achter het oor. Gij zijt er de schuld van, maar betaald zetten, zal ik het!”Erg opgewonden liep hij nu naar huis, en hij was zóó boos, dat hij zelfs weigerde te eten en zoo naar bed ging, om daar zijn hart, in alle stilte, in tranen lucht te geven.In het eerst kon hij den slaap maar niet vatten, en toen hij eindelijk afgemat van het woelen, de oogen sloot, begon het in zijnen droom: dwars door de vest en rechtuit-rechtaan op eene schans! Twintig soldaten stonden gereed hem dood te slaan; maar met Leeuwke’s verrejager gewapend, sloeg hij links en rechts om zich heen. Al de Spanjaarden gingen op de vlucht, en hij wilde ze achtervolgen. Hij voelde dat hij vallen zou,—hij zag de soldaten met hunne lansen in de hoogte hem nu afwachten! Ho, daar viel hij, een geweldige schreeuw en .... hij tuimelde uit het bed en lag op den grond.„Wat doet ge, Cornelis?” riep Moeder Willempje verschrikt, terwijl ze haar hoofd buiten de bedsteê-gordijnen stak. „Word wakker!”„W-w-wel-die-die Spanjolen, die Span-Spanjo-jo-len!”„Cornelis, Cornelis! Word wakker!” riep zij nog eenmaal. Cornelis was half slaapdronken op de been gekomen en smeet nu in het duister eenen stoel om.„Maar, zeg, jongen, wat zoekt ge dan toch?” riep zij nu in drift uit.„Niets, niets, Moeder! Ik dacht dat de Spanjolen, -ik-ik-ga al naar bed; maar ze hebben me toch niet-ge-gevangen, -ze-heb-ben-misge-ge-stoken!”En half droomende stapte hij weer in het bed.„Bemoei u niet met den jongen, vrouw,” zeide Barend; „hij droomde. Maar hij ligt nu weer voor anker.”Thans viel Cornelis werkelijk in eenen diepen slaap, tot hij tegen het aanbreken van den morgen wakker werd. Even als vóór het beleg, stond hij op, kleedde zich aan en ging de straat op.Daar klinkt een voetstap, hij ziet op en....„Zoo, Cornelis, al wakker?”„Ja, Gerrit, maar waar komt ge vandaan?”„Daartoe heb ik nu geenen tijd om het te vertellen. Is uw Vader al op?”„Neen, nog niet. Hij zegt dat hij, als hij op is, zich loopt vervelen.”„Nu, roep hem dan! Er is voor jelui vandaag wat te doen!”„Voor jelui? Dus voor mij ook?”„Als gij ten minste niet bang zijt, ja zeker!”„Nu, kom dan zoolang maar in de gang, dan zal ik Vader roepen!”De beide jongens traden binnen en, terwijl de Vader opstaat en zich aankleedt, hebben wij tijd om met den moedigen Leeuwke de heen- en terugreis van Leiden tot Ter Gouw te maken.We willen dat liever zoo vertellen, alsof wijzelven den tocht met Gerrit mede gemaakt hebben, inplaats dat we naar Gerrit luisteren, die zijnen tocht op zijne manier aan Cornelis verhaalt.

Het was een verrukkelijk schoone zomernacht. De maan was zoo even opgekomen en wierp haar zacht licht door de straten van Leiden en over de schansen der belegeraars.

Op de wallen werd eene scherpe wacht gehouden, en zoo vinden we in den voornacht tusschen den derden en vierden Juni, tusschen de Hoogewoerds- en Koepoort, een jong musketier heen en weer loopen, nu en dan eens stilstaande om naar buiten te kijken. Hij moest toch zorgen, dat de vijand niet in alle stilte onverhoeds de wallen beklom.

Die jonge musketier was Leeuwke, en dat hij wat moest zien, bleek uit zijn staren in de richting tusschen de Jaep-Claesz-schans en de half voltooide Lammenschans, die reeds bij het eerste beleg opgeworpen was aan den water-viersprong, gemaakt door de ontmoeting van de Roomburger watering en de Zoeterwoudsche vaart, die beide daar ter plaatse in eenen sterken bocht van den Vliet vielen. Was deze schans eenmaal voltooid en bezet, dan zou de voornaamste waterweg van Leiden naar het zuidelijk deel van Holland, dat nog niet aan de Spanjaarden onderworpen was, gesloten zijn. Aan de vaarten en wateringen naar het Haarlemmermeer had men zoo goed als niets, omdat Haarlem en Amsterdam in de macht der Spanjaarden waren.

De stilte, waarbij Leeuwke in de verte getuurd had, werd eensklaps afgebroken door zijn gefluister: „Bedriegen mijne oogen mij nu, of zie ik daar werkelijk wat tusschen het gras der hooiweiden bewegen?”

Hij keek nog wat scherper en mompelde toen: „Neen, nu zie ik het duidelijk, het is een man, die voortschuifelt.”

De man naderde steeds meer en bevond zich weldra aan de overzijde bij de gracht.

„Wie daar?” riep Leeuwke.

„Goed volk,” antwoordde een man.

„Goed volk, goed volk! dat zei de dief ook, en haalde Krelis Louwens’ hammen uit den schoorsteen. Wie zijt gij? en van waar komt gij?”

„Nu, het mag gezegd wezen, dat ge wakker op uwen post staat, Leeuwke! Laat me maar gauw binnenkomen eer de Spanjaard me nog terug komt halen!”

„Maar wie zijt ge dan toch?”

„Voor den satan, jongen, kent gij dan Jan Claesz. Boon niet meer?”

„Ha! zijt gij die? Hadt me dat maar dadelijk gezegd! En vanwaar komt ge?”

„Ik kom rechtstreeks van den Prins en heb goede tijding, die Leiden opvroolijken zal! Maar het is kunst en vliegwerk de Spaansche wachten voorbij te komen! Die kerels hebben kattenoogen en hondenneuzen!”

Leeuwke riep nu hierop iemand van de wacht, die onzen bode de Koepoort zou openen.

Nauwelijks was Boon in de stad, of hij liep, wat hij loopen kon, naar de Hooglandsche Achtergracht en liet den klopper op de deur van Pieter Adriaensz.’ huis vallen.

Het duurde vrij lang eer hem werd opengedaan.

„Is de Burgemeester nog te spreken, vrijster?” vroeg hij.

„Jawel, maar op dit uur? Ik geloof, dat....”

„Ik geloof dat, als ge zegt, dat Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen is met brieven van den Prins en eene goede tijding op den koop toe, dat ik oogenblikkelijk binnen mag komen!”

De meid ging heen en het was, zooals Boon gedacht had.

De Burgemeester stond hem terstond te woord. Ja, hij deed meer dan dat. Onverwijld zond hij Boon naar een paar andere Leden van den Magistraat, den Secretaris Jan Van Hout en naar Jonker van der Does om hen op het stadhuis te ontbieden.

Toen dezen verschenen waren, werden eerst de brievenvan den Prins gelezen en vervolgens het goede bericht.

„Laat de klok luiden!” riep Pieter Adriaensz. „Vannacht nog zal de burgerij weten, wat er in Zeeland gebeurd is!”

Dat gelui klonk vreemd in het midden van den nacht.

Verschrikt stonden de menschen op en vroegen of er brand was.

„Neen, geen brand!” riep een, terwijl hij al vast voortliep. „Boon is met brieven van den Prins en nog eene goede tijding in de stad aangekomen!”

Half aangekleed stond het volk zich voor het stadhuis te verdringen, en toen Van Hout op de pui verscheen, begon er al ras gevaar te bestaan, dat velen onder den voet zouden komen, zoo trachtte ieder toch van nabij te verstaan welke die goede tijding was.

Juist was Leeuwke afgelost toen het klokgelui begon en, zijn musket in eenen hoek van het wachthuis zettende en de lont uitdoovende, liep hij, eigenlijk tegen het bevel in, terstond de Hoogewoerd op en kwam, buiten adem, eindelijk voor het stadhuis toen er bijkans nog niemand was. Daardoor was hij een van de voorsten en kon hij uitmuntend verstaan wat Van Hout bekend maakte.

„Goede lieden,” dus begon hij, „zoo even is Jan Claesz. Boon in de stad terug gekomen met brieven van den Prins. Zijne Vorstelijke Genade betuigt daarin haren dank, dat gij, zoo vol vertrouwen op het recht der goede zaak, besloten hebt, deze, uwe veste te verdedigen. Al wat in het vermogen van den Prins is zal hij doen om de Spanjaarden te noodzaken, het beleg op te breken.”

Een ontevreden gemor ontstond, want voor eene herhaling van wat men wist, was het toch niet noodig, de menschen uit hun bed te luiden.

„Maar er is nog beter nieuws,” vervolgde Van Hout. „Den dertigsten der vorige maand hebben die van Vlissingen eene schitterende overwinning op de Spanjaarden behaald. Op Zondagmorgen van den Pinksterdag heeft van Boisot metzijne Geuzenvloot de Spaansche schepen, onder den Vice-Admiraal Adolf van Heemstede, bij Antwerpen aangetast. De Geuzen hebben wonderen van dapperheid verricht. Van de tweeëntwintig schepen des vijands zijn er slechts acht overgebleven, de overigen zijn verbrand of prijs gemaakt, ja, men heeft den Vice-Admiraal zelfs gevangen genomen! Ge ziet, burgers, de vijand is niet onoverwinnelijk, en de onzen toonen, dat ze den Spanjaard niet meer behoeven te vreezen! Houdt moed, burgers, God zal met onze goede zaak zijn! Wijzullenzegevieren! Zoekt thans weder uwe slaapsteden op en droomt van Leidens kloeke volharding in dagen van strijd en nood!”

„Wat zegt ge daar nu van, Cornelis?” vroeg Leeuwke, die zijnen vriend weldra gevonden had.

„Wat ik daarvan zeg, Gerrit? Ik zeg er dit van: „Laten die malle Glippers nu voortaan maar zwijgen, en niet meer zeggen, dat wij ons moeten overgeven, omdat de Spanjaarden toch zooveel sterker zijn dan wij! Mijne hand jeukt, als ik denk hoe de Watergeuzen onder die Spanjolen hebben huisgehouden! Ware ik er ook eens bij geweest, wat ik dapper zou mee gedaan hebben!”

„Nu, ik ook! Maar wil ik u nog eens wat nieuws vertellen? Jonker van der Does heeft een goed oogje op mij en hij heeft mij vanmiddag gezegd, dat ik, als er eens boodschappen buiten de stad moeten gedaan worden, ook wel eens zal mogen gaan. En weet gij waaraan ik dat meevallertje te danken heb?”

„Neen! Hoe zou ik dat weten?”

„Hij heeft me eens buiten met andere knapen slootje zien springen en toen heeft hij verbaasd gestaan, dat ik voor niet ééne sloot staan bleef, maar over alle heensprong, met een loopje zoowel als met eenen verrejager (polsstok).”

„Ei, dan komt het toch te pas, wat gij geleerd hebt, al zeide Meester Pieter Willemsz., de barbier ook eens: „Aap van eenen jongen, gij wordt nog eens verdronken thuisgebracht.”Ik zou ook wel graag boodschappen buiten de stad willen doen. Ik vind het daar buiten in het vrije veld toch prettiger dan altijd in de stad.”

„Nu, wacht uwe beurt maar af; we zijn de Spanjaarden nog lang niet kwijt. Nog iederen dag worden er nieuwe schansen aangelegd en uit alles blijkt het, dat Valdez de stad door uithongeren tot de overgave dwingen wil.”

„Het is waarlijk niet te hopen, want nu reeds begint bij sommigen, en ik durf gerust zeggen bij ons ook, Schraalhans keukenmeester te worden. Wordt de belegering lang volgehouden, dan sterft de halve stad van honger.”

„Maar daar heb ik geen plan op,” antwoordde Leeuwke.

„Ja, geen plan, geen plan! Als er niets te schransen valt, dan moet men wel vasten.”

„Ik vasten? Maar gij begrijpt toch levendig, dat ik dat niet doe! Als er geen eten meer in de stad is, ga ik het bij den Spanjool halen?”

„Ei, ei, hoe moedig! We zullen zien, als het zoo ver komt, wat gij dan doet, kameraad! Maar ik ben hier vlak voor mijn huis en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat slapen! Dag, schutter!”

„Wel te rusten, slaapbol,” riep Leeuwke vroolijk en zocht zijn wachthuis weder op.

Nauwelijks was hij aangekomen of hij vernam, dat Jonker van der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.

„En heeft hij geene boodschap achtergelaten?” vroeg Gerrit, die eigenlijk wel wat in den knoei zat.

„Ja, hij heeft gezegd, dat ge na afloop van de wacht eens bij hem aan huis moest komen,” was het antwoord.

Met brandend ongeduld wachtte de knaap het uur af, dat hij vertrekken kon, en toen dat geslagen was, haastte hij zich om te vernemen, wat zijn Overste hem te zeggen kon hebben, waarbij, naar het scheen, zulk eene haast was.

„Zoo, Gerrit, zijt gij daar? Dat is goed, jongen! Ik heb iets heel gewichtigs te vragen. Zijt gij gauw bang?”

„Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste; maar voor geesten....”

„Met geesten zult ge niets te maken hebben! Ge weet dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar?”

„Dat weet ik, Overste! Daar heeft men onder anderen Thijsz. den goudsmid, Liefkens den wever uit de Baaihal, Geert Soet den timmerman....”

„Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd of wij hier uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed zouden zijn, hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen onzer vrijbuiters den Rijn zouden opvaren om hem bij te staan. Zoudt ge nu naar Ter Gouw durven gaan en hem de boodschap brengen, dat wij op Zondag, dus overmorgen, met den noen zullen vertrekken?”

„Graag, Overste; maar zal Geert Soet mij gelooven?”

„Hij kent Leeuwke,” antwoordde van der Does. „Doch om nu zeker te zijn, dat alles goed uitkomt, zal ik u een briefken meegeven. Wanneer wilt gij vertrekken?”

„Ik ben gereed als Uwe Edelheid beveelt,” antwoordde de knaap vol moed en ongeduld.

„Durft ge dat tochtje overdag ook beproeven?” vroeg hierop van der Does.

„Overdag nog beter dan des nachts, Overste! Des nachts houdt men mij voor een spion en is de wacht scherper; maar overdag is dat het geval niet zoo erg!”

„Dat geloof ik ook. Doch waar zult ge dan het briefke verbergen? Gij begrijpt, dat moet niemand bij u kunnen vinden.”

„Wel, Overste, ik moet toch eenen verrejager medenemen. Als het briefje nu niet te groot was en in eennaaldenkoker kon, dan zou ik den verrejager van onder uitboren, daarin den naaldenkoker met het briefje steken en dan de opening van onder met pek dicht maken. Het kon dan niet nat worden en de Spanjaard vindt het nooit, al krijgt hij den polsstok in handen.”

„Dat is slim bedacht, knaap! Ga nu naar huis en zorg dat gij over een uurtje met eenen verrejager hier zijt. Het briefje zal ik klein genoeg maken om het in eenen niet al te grooten naaldenkoker te steken.”

Op den bepaalden tijd, het kon zoo omstreeks drie uur in den middag zijn, was Gerrit bij Jonker van der Does terug. Het briefken werd, opgerold in den ijzeren naaldenkoker, die schroefvormig sloot, geborgen en daarna in de opening onder aan den polsstok geschoven, waarna alles met pek gesloten werd. Wanneer de stok maar een paar keeren met de modder in aanraking was geweest, zou de slimste man er niets van kunnen zien.

Na den moedigen knaap aangemaand te hebben toch vooral voorzichtig te zijn, liet van der Does hen vertrekken.

Later zullen we wel zien hoe Leeuwke zich van zijne taak kweet. Wij volgen liever Cornelis, die Leeuwke tot aan van der Does’ woning vergezeld had, op zijnen weg naar huis. De knaap was ontevreden dat er voor hem zoo weinig te doen viel, en hij meende dat hij, als hij zich ook maar bij de Schutter-vendels had laten inschrijven, nu mogelijk wel inplaats van Gerrit met die boodschap buiten de stad belast zou zijn geworden.

„Goed dat gij thuiskomt, Cornelis,” zeide zijn Pleegvader. „Er is werk aan den winkel. Aanstaanden Zondag zullen we met eenige plempen of tentsnebben eenen uitval doen om eene korenvloot uit Ter Gouw binnen te loodsen.”

„Zondag, Vader? Hoe komen ze juist aan dien dag?”

„Ik denk dat de Magistraat zóó geredeneerd heeft: „De Calvinisten vieren den Sabbat streng, dat weten de Spanjaardenen daarom zullen ze juist op dien dag geenen uitval verwachten. Ze zullen minder waakzaam zijn en onze kans van slagen wordt er grooter door.” Het is te hopen, dat alles gelukt, want dan kan onze stad het een heel poosje tegen den Spanjaard vol houden. Kom, ga mee, we moeten onze schuit gereed maken voor—oorlogsschip. Wel, wel, wie had dat ooit van mijn eenvoudig scheepken durven denken?”

Pleegvader en zoon verlieten terstond hunne woning en begonnen met allen, die zich als vrijbuiter aangemeld hadden, alles voor den uitval gereed te maken.

Heel Leiden was vol hope en zag de graanzolders reeds tot instortens onder den last gevuld.

Het liep tegen den Zondagmiddag.

Wat vrijbuiter was of schippersgezel, was in beweging. Allerwegen zag men levendige belangstelling in hetgeen ondernomen stond te worden; want men gevoelde het, dat het in aller belang was, dat deze tocht met eenen goeden uitslag mocht bekroond worden.

Nauwelijks waren de kerken uit en hadden de belegerden God gedankt voor de overwinning der Zeeuwen bij Antwerpen, en gebeden om Zijnen zegen op het werk, dat ondernomen stond te worden, of allen begaven zich naar het oude Schuitenveer bij de Hoogewoerdspoort, om de plempen en schouwen, waarmede men die van Ter Gouw ter hulp zou komen, te zien vertrekken.

„Hoe staat ge daar en kijkt, alsof ge Vader en Moeder vermoord hebt, Meester?” vroeg een man aan eenen kloeken zestiger, die Deken van het smidsgilde was.

De Deken schudde in antwoord op die vraag het hoofd en zeide: „Het gaat niet! Het kan niet gaan!”

„Wat gaat er niet? Meent gij dat de tocht niet goed bestuurd wordt? Ho, man, heb daarvoor geene vrees! Barend Cornelissen Van Keulen is er bij en Van Schaeck ook. En als die er maar bij zijn, dan....”

„Dan mislukt de tocht nog, als Gods zegen er niet op rust!”

„En we hebben in de kerk....”

„We hebben in de kerk om Zijnen zegen gebeden, wilt ge zeggen! Ja, dat weet ik wel! Maar denkt gij dan, Moerman, dat een dief verhoord zal worden, als hij in het gebed aan God vraagt, of Hij hem helpen wil in zijn boos bestaan?”

„Dat zou dwaas zijn! Maarzijnwij dan dieven? Hebben die van Ter Gouw niet alles eerlijk gekocht? Ontrooven wij het den Spanjool? Heeft bovendien de Eerwaarde Petrus Cornelius ook niet met lof over deze onderneming gesproken?”

„Zeker, zeker! Maar Peter Cornelius is ook een mensch. De booze heeft zijn harte bekoord, zoodat hij ziende niet ziet en hoorende niet hoort!”

„Maar, man, ge raaskalt! De onderneming zál gelukken!”

„Ze zalnietgelukken,” riep nu de smid. „Wij zijn dieven, ja, eerlooze dieven van den rustdag. Wij zijn Sabbat-schenders en doen te kort aan het gebod: „Gedencktden Sabbatdag, dat gij denselven heylight!”

„Ho, ho, Meester! Gij drijft de zaak te ver, veel te ver. Zoo gij dezen morgen in de kerk geweest waart, dan....”

„Ik ben er geweest, man, ik ben er geweest! Maar ik bedroef mij als ik zie, hoe zelfs onze Leeraren het voorbeeld van den Prins van Oranje volgen, en hem nastreven om er even luchtig over heen te loopen, als hijzelf. Neen, dat zou onze volijverige Petrus Dathenus u anders zeggen! Maar wat praat ik tegen dooven! Gij zult het zien, Moerman, niet alleen op dezen tocht zal het ons tegenloopen, maar alles wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitkomen!”

Na dit gezegd te hebben schudde de oude man diep zuchtend nog eens het hoofd, beschouwde nog eenmaal het gewoel op het water en aan den kant en ging toen heen.

Het was twaalf uren en de schuiten werden van den wal losgemaakt.

De voorste was die van den Utrechtschen beurtman, waarop Barend Cornelissen Van Keulen en Cornelis Joppensz. de hoofdpersonen waren.

Onder het luid gejuich der bevolking staken ze van wal. Aller oogen zagen hen na, zoover ze konden en in bijna aller hart rees de wensen, dat ze spoedig, rijk-geladen en in grooter aantal, mochten terugkomen.

De woelende massa verspreidde zich hierop door de stad om weldra weer eens naar het Schuitenveer terug te komen, ten einde te zien of er nog geene plempen of schouwen waren wedergekeerd.

Men liep den ganschen middag op en neer, en zoo ongeveer des avonds te negen uren, stond de heele kade vol volks. Men had geen schieten gehoord en zij, die op den stadhuistoren geklommen waren, hadden bericht, dat zij niets van een gevecht ontdekt hadden.

Eindelijk vertoonde zich eene schouw, vervolgens nog eene, nog eene, en nog eene! Men telde het aantal en .... er kwamen evenveel terug, als er uitgegaan waren.

Zoo ver mogelijk liep men ze tegemoet, en zoodra er berekend werd, dat de vrijbuiters verstaan konden, wat er geroepen werd, begonnen ze te vragen:

„Waar zijn die van Ter Gouw?”

„Ze zijn niet gekomen! De tocht is mislukt,” luidde het antwoord.

Dat was eene tijding, die de hoopvolle harten ineens ontmoedigde. Men wist nu genoeg. Wat ging het de menigte aan, of ze ook te weten kon komen tot hoe ver de vrijbuiters geweest waren; wat de mogelijke oorzaak kon zijn, dat Geert Soet zijne beloften niet gehouden had? De plempen en schouwen kwamen ledig terug, en Leiden zou mogelijk aan den hongersnood prijs gegeven worden! Wee! Wee!

„Gelooft ge me nu nòg niet, Moerman?” vroeg de smid.

„Weg, ongelukskraaier, weg,” riep deze, maar kon toch de gedachte niet van zich zetten: „zoo de man eens waarheid gesproken hadde! Arm Leiden dan!”

Bij het vastsjorren der plempen en schouwen waren slechts enkelen tegenwoordig en onder deze was ook van der Does.

„Dat is dan bijster slecht afgeloopen, Cornelissen!”

„Ja, Overste, dat is het. Maar wat in het vaatje is verzuurt niet. De Spanjolen hebben ons uitgelachen zoo hard ze konden; maar al moest ik er alleen op uit, en al vergezelde mij niemand, ik zal het hun met bebloede koppen betaald zetten! Bijlo, dat zal ik, of mijn naam is niet Barend Cornelissen Van Keulen.”

„Dat is gemakkelijk te zeggen, maar te doen? Jongen, de Spanjool is geene kat om zonder handschoenen aan te vatten!”

„Al ware hij Satan in persoon, Overste, eer het jaar twee dagen ouder is, zult gij vernemen, dat ik een man van mijn woord ben!”

„Nu goed, goed! Maar zeg, zoudt gij ook half de berekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en de zijnen zich te vergeefs hebben laten wachten?”

Barend haalde de schouders op, sjorde zijne schuit veel steviger vast dan noodig was en zeide: „Dat is onmogelijk juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid gissen!”

„Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn, die van u te willen weten! Maar wat vermoedt gij dan, dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is?”

„Ik denk dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht! En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste, maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel watonvoorzichtig zulk eene gewichtige boodschap te laten verrichten door een groot kind!”

Cornelis vond het niet prettig, dat zijn Pleegvader over Gerrit zoo min dacht, want hij, Cornelis, was ervan verzekerd, dat Gerrit zijne boodschap goed gedaan zou hebben, of, in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte zijnen vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch Van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters als kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te hebben, gaf Cornelis zulk eenen uitbrander, dat de knaap stellig zijn „goed woordje” voor Gerrit wel zou ingehouden hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders muts zóó verkeerd stond. Het ergste was wel, dat zijn Vader hem verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van de wieg nog achter de ooren had zitten. En dat in tegenwoordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem, die met trots een koperen half maantje op de muts droeg ten teeken, dat hij een Watergeus was! Waarlijk, het was al te erg, en bij nader inzien zou Van Keulen begrijpen, dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.

De tranen sprongen Cornelis in de oogen en hij verwijderde zich schaamrood zoo spoedig hij kon. Hij sloop naar de wallen, waar hij niet komen mocht, omdat de Magistraat bevolen had, dat geen enkel burger, die geene schuttersdiensten deed, op de wallen mocht verschijnen. Dat bevel was noodig geweest, want de vrije burgers hadden menigmaal zonder daartoe vergunning te hebben, ja, zonder iets van de behandeling van het gebrekkige geschut af te weten, een doelloos schot op den vijand gelost. Dat was kruit vermorsen geweest, en tegelijkertijd had men den vijand getart tot wat anders dan belegeren. Neen, hongerlijden vond men in alle gevallen verkieselijker, dan dat er storm geloopen werd, want als dat gebeurde zou de vijand denkelijk wel overwinnen, omdat hij tegen ongeoefende mannen te strijden had.

Zonder door iemand weerhouden te zijn, kwam hij echter op den wal en zijne blikken naar het vijandelijk kamp slaande, balde hij de vuist en bromde: „Leelijke Spanjool, gij zult ondervinden dat Vader mij genoemd heeft een wicht met wiegstroo achter het oor. Gij zijt er de schuld van, maar betaald zetten, zal ik het!”

Erg opgewonden liep hij nu naar huis, en hij was zóó boos, dat hij zelfs weigerde te eten en zoo naar bed ging, om daar zijn hart, in alle stilte, in tranen lucht te geven.

In het eerst kon hij den slaap maar niet vatten, en toen hij eindelijk afgemat van het woelen, de oogen sloot, begon het in zijnen droom: dwars door de vest en rechtuit-rechtaan op eene schans! Twintig soldaten stonden gereed hem dood te slaan; maar met Leeuwke’s verrejager gewapend, sloeg hij links en rechts om zich heen. Al de Spanjaarden gingen op de vlucht, en hij wilde ze achtervolgen. Hij voelde dat hij vallen zou,—hij zag de soldaten met hunne lansen in de hoogte hem nu afwachten! Ho, daar viel hij, een geweldige schreeuw en .... hij tuimelde uit het bed en lag op den grond.

„Wat doet ge, Cornelis?” riep Moeder Willempje verschrikt, terwijl ze haar hoofd buiten de bedsteê-gordijnen stak. „Word wakker!”

„W-w-wel-die-die Spanjolen, die Span-Spanjo-jo-len!”

„Cornelis, Cornelis! Word wakker!” riep zij nog eenmaal. Cornelis was half slaapdronken op de been gekomen en smeet nu in het duister eenen stoel om.

„Maar, zeg, jongen, wat zoekt ge dan toch?” riep zij nu in drift uit.

„Niets, niets, Moeder! Ik dacht dat de Spanjolen, -ik-ik-ga al naar bed; maar ze hebben me toch niet-ge-gevangen, -ze-heb-ben-misge-ge-stoken!”

En half droomende stapte hij weer in het bed.

„Bemoei u niet met den jongen, vrouw,” zeide Barend; „hij droomde. Maar hij ligt nu weer voor anker.”

Thans viel Cornelis werkelijk in eenen diepen slaap, tot hij tegen het aanbreken van den morgen wakker werd. Even als vóór het beleg, stond hij op, kleedde zich aan en ging de straat op.

Daar klinkt een voetstap, hij ziet op en....

„Zoo, Cornelis, al wakker?”

„Ja, Gerrit, maar waar komt ge vandaan?”

„Daartoe heb ik nu geenen tijd om het te vertellen. Is uw Vader al op?”

„Neen, nog niet. Hij zegt dat hij, als hij op is, zich loopt vervelen.”

„Nu, roep hem dan! Er is voor jelui vandaag wat te doen!”

„Voor jelui? Dus voor mij ook?”

„Als gij ten minste niet bang zijt, ja zeker!”

„Nu, kom dan zoolang maar in de gang, dan zal ik Vader roepen!”

De beide jongens traden binnen en, terwijl de Vader opstaat en zich aankleedt, hebben wij tijd om met den moedigen Leeuwke de heen- en terugreis van Leiden tot Ter Gouw te maken.

We willen dat liever zoo vertellen, alsof wijzelven den tocht met Gerrit mede gemaakt hebben, inplaats dat we naar Gerrit luisteren, die zijnen tocht op zijne manier aan Cornelis verhaalt.


Back to IndexNext