ACHTTIENDE HOOFDSTUK.Om brood bij den vijand.Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit alle huizen kwamen de nieuwsgierigen te voorschijn.Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbuiters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel te wijdom de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinderen op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige meisjes, die allen kwamen den jongen bode met vragen van allerlei aard bestormen.Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte zich steeds dichter opeen.Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookgestalten om hem heen kwamen staan, om hem te dooden en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo gezond en welgedaan uit!Kon hij maar wegloopen!„Wanneer komt nu het ontzet?” schreeuwde er een.„Waar liggen de vrijbuiters?” vroeg de ander.„Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijne armpjes dik! Vindt gij het ook niet, Cornelis, zeg? Hi-hi!” riep eene vrouw, die van honger waanzinnig was, en een kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag te worstelen.„Laat die vrouw maar loopen, Cornelis, de honger heeft haar zoo raar gemaakt,” hervatte een ander.„Op zij,” gilde opeens de arme vrouw. „Daar komt de broodkist aan! Op zij! Ruimte!”Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam voorbij trekken. Maar het was heel iets anders dan eene broodkist. Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een en nog een!„Laat me door, luiden, laat me door!” riep Cornelis, die het hier niet langer uithouden kon. „Sterven dan nu alle menschen van den honger?”„En van de pest ook, Cornelis,” viel eene bekende stem hem in de rede.De knaap keek om en zag in het gelaat van Van der Morsch.„Zijt gij ook ziek geweest, Van der Morsch?”„Neen, Keesje, ik heb maar tegen Meneer Hongerman gevochten; maar ik heb het verloren, en nu speelt hij den baas over mij. Nu eet hij het vleesch van mijne kaken, steelt het licht uit mijne oogen en plundert mijn geheele hoofd ledig! In den tijd, dat ge afwezig zijt geweest, heb ik niet één mopsje kunnen rijmen!”„Van der Morsch, man, hebt gij niet een hapje brood voor me? Om Godswil, maar één stukske, al was het niet grooter dan het vlakke van mijne hand,” riep eensklaps een man.„Goede vriend, zoo ik het had, ik zou het met u deelen, maar ik heb geen brood,” antwoordde de rederijker.„Mijne kinderen, mijne vrouw, ze sterven van den honger! Brood! brood, brood,” klonk het op eene andere plaats.Thans vlood Cornelis heen zoo spoedig hij kon, en nog een heel eind ver hoorde hij het gegil van den wanhopigen man: „Brood! brood, brood!”Eindelijk was hij vrij, en kon hij weer de oogen in het rond slaan zonder door eene huivering bevangen te worden.De brieven had hij spoedig bezorgd en thans sloeg hij den weg in naar huis.Ouder gewoonte deed hij de deur open, en wilde ze achter zich in het slot laten vallen, toen er een bleek, mager meisje in het voorhuis kwam om te zien, wie er aan de deur was.„Cornelis, gij hier? Sst, gooi de deur niet te hard toe, anders worden ze wakker,” zeide ze.„Zijt gij dat, Gonda? Zijt gij nu ook al ziek geweest? Slapen Vader en Moeder dan midden op den dag? Wat is er toch in die tien dagen gebeurd?”„Te veel om ineens te zeggen, Cornelis! Ga maar stil met mij mede.”Cornelis volgde haar, doch eer ze binnen gingen, vatte hij haar bij de hand en zeide: „Hoor eens, ik kan niet langer wachten te vragen, wat scheelt er aan, Gonda?”„Niets!” was het antwoord en ze sloeg de oogen neer.„Het is wel waar, Gonda, er scheelt wel iets aan; want toen ik heenging, zaagt gij er wel bleek, maar niet zoo zwak uit. Zijt gij ziek?”„Neen, Cornelis,” klonk het weder, doch de tranen, die in hare oogen kwamen, en die ze tersluiks wilde afdrogen, werden door Cornelis gezien.Daar werd het den knaap eensklaps duidelijk.„Hebt gij dan zulk een honger, Gonda?”Hierop gaf ze geen antwoord, doch zich op eenen stoel latende neêrvallen, verborg ze het gelaat in hare handen en begon zenuwachtig te snikken.Thans ging de kamerdeur open en kwam Vader Van Keulen kijken, wie er toch in huis gekomen was.„Vader, Vader!” riep Cornelis.„Zoo, jongen, zijt gij terug, dat is goed! Gij hebt zeker wel te eten gehad in dien tijd, hè?”„Ja, Vader, maar....”„Nu, dat zal ik straks wel hooren. Ik moet nu naar de wallen! Pas maar op, dat gij uwe Moeder niet doet verschrikken.” Na dit gezegd te hebben ging hij heen.Verwonderd keek Cornelis zijnen Pleegvader na? Was dát Schipper Van Keulen, dát? Klonk zijn stap vroeger niet door het heele huis heen, en nu?....„Vader, gij zult vallen,” riep hij, toen hij zag, dat de onlangs nog zoo krachtige man bij de voordeur begon te wankelen, en zich aan den muur moest vasthouden.„Stil, jongen, het is al over; ik struikelde maar,” klonk het antwoord.Voorzichtig werd de deur gesloten en Cornelis was weer alleen met Gonda, die nog altijd snikkend op den stoel zat.„Ik ga naar binnen,” zeide hij. „Ik moet weten, wat hier gebeurd is!”Hij deed de deur open. Niemand was te zien! Daar hoorde hij uit eene der bedsteden eenig gekreun en de gordijnenopenschuivende, zag hij vrouw Van Keulen te bed liggen.„Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder,” fluisterde hij om haar niet te verschrikken.„Dag, Cornelis! Dag, lieve, beste jongen,” zeide de arme vrouw en de magere armen hem om den hals slaande, kermde ze: „o, God, jongen! Komt gij hier ook sterven?”Dat was te veel voor Cornelis. Iedereen keek hem wangunstig aan, omdat hij er zoo gezond uitzag; ieder vroeg hem om brood en zijne lieve Pleegmoeder lag langzaam den hongerdood te sterven.Hij viel weenend op eenen stoel en de hand der goede vrouw grijpende, drukte hij er brandende kussen op en bevochtigde ze met zijne tranen.„Wie is daar? Zijt gij daar, Cornelis?” klonk het nu uit de andere bedstede.„Ja, Jan, ik ben hier! Zijt gij ook al ziek?”„Neen, Kees; maar hebt gij niet wat te eten voor me?”„Honger, honger! Keesje,” riep de jongste en begon zoo droevig te huilen, dat het ruwste hart er door bewogen zou geworden zijn.„Ik heb geen brood,” antwoordde Cornelis, „maar ik zal het gaan halen!”Hierop nam hij een wapen van den wand en wilde de deur uitgaan.„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg Gonda.„Ik ga brood halen!” was het antwoord.„Brood halen bij den Spanjaard? Cornelis, dat kunt ge immers niet? Ze zullen u ophangen, evenals ze Leeuwke gedaan hebben!”„Laten ze me ophangen! Ik ben liever dood, dan dat ik ze hier allen van honger zie sterven!”„Neen, Cornelis, doe het niet, och toe, doe het niet! Wat zal Vader zeggen, als hij van den wal komt en hij ziet, dat gij alweer de stad uit zijt?”„Hij zal me niet missen!”„Zeker, dat zal hij wel! Neen, Cornelis, doe het niet! Ik durf hier niet meer alleen bij de zieken blijven!”„Nu, Gonda, ik zal dan wachten, tot vanavond Vader thuis is; maar dan ga ik vast en zeker!”Wat Gonda ook beproefde, hem van zijn voornemen af te brengen, het hielp niet. Toen de avond gevallen en Vader Van Keulen thuis was, ging hij de deur uit.Op de welbekende plek aan de Koepoort liet hij zich afglijden en zoodra hij buiten was, scheen hij besluiteloos en stond even stil.„Wacht,” mompelde hij, „naar Oom Jan te Rijnsburg; hij zal me brood geven.”Zoo voortstappende hoorde hij niet ver van Valkenburg een woest gezang.„Die daar, zingen vast niet van den honger,” fluisterde hij, „Ik ga er eens op af. Het is zeker in de taveerne van „Zwarte Jaap!”Langs een paadje, dat door eene weide liep en den wandelaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cornelis eindelijk op het erf van de taveerne.De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten, zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat om eene kleine tafel te dobbelen.Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet zeer op zijn gemak.„Komt, jongens, staat nu op en gaat mede,” zeide hij.„Gij zijt een vervelend mensch, Juan! Laten we nog wat spelen!”„Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtt’en, dan zou ik ook niet zulk eene haast hebben,” antwoordde de ander.„Wacht, daar weet ik raad op,” riep er een en schreeuwde: „Zwarte Jaap! Zwarte Jaap!”„Wat believen de Heeren?” vroeg de waard.„Hebt gij niet eenen sterken slungel van eenen zoon?”„Jawel, Heeren!”„Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de schans brengen!”„Tot uwen dienst, Heeren! Hij zal het doen!”Cornelis had alles gehoord.Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens onverwachts van achter aanviel en hem eenen doek in den mond stopte dan....Daar ging de voordeur open!....„Wat weegt die zak zwaar, Vader!” zei Jurrie.„Des te meer brengen we er voor in rekening! Kom, pak-je maar weg,” was het antwoord.Cornelis sloop hem achterna en daar Jurrie vast bang was, in den avond alleen te loopen, begon hij op eene vreeselijke manier een liedje te zingen.„Zooveel te beter,” dacht Cornelis, „zing maar zoo hard en leelijk gij kunt, oude jongen!”Toen hij hem dicht genoeg op de hielen was, viel hij als een tijger den bangen knaap van achter aan, en deze, hierop niet bedacht, sloeg met zak en al achterover.In een oogenblik had Cornelis, hem eenen doek in den mond gestopt.„Sta op,” beval Cornelis en Jurrie gehoorzaamde.„Gauw naar de Koepoort,” beval Cornelis met eene stem zoo bar, als hij die maar maken kon, „en bij de eerste poging, die je waagt mij te ontsnappen, zal ik je eene por met dezen degen geven, dat je het verder gaan heelemaal vergeet! Vooruit, slungel!”Jurrie was zoo mak als een lam, en ging op bevel van den koenen knaap langs eenen heel anderen weg dan dien, die voorbij zijn Vaders taveerne liep, naar Leiden.Dicht bij de Koepoort gekomen, beval hij hem den zak neer te zetten, en nauwelijks had Jurrie dat gedaan, of hij snelde den weg op. Eerst toen hij ver genoeg was om nietmeer door Cornelis achterhaald te kunnen worden, begon hij hem uit te schelden voor al wat leelijk was.Cornelis had intusschen den zak opgenomen en klom, hoewel met heel veel moeite, tegen den muur op.Nog was het geen tien uur toen hij thuis kwam.„Hier is brood,” riep hij.Vader Van Keulen schudde het hoofd en zeide: „Uwe Moeder eet geen brood meer, Cornelis! Zij is dood!”Als een krankzinnige liep Cornelis naar den zak, deed dien open en met zijn mes een stuk van een brood snijdende, ging hij er mee bij het bed van vrouw Van Keulen staan en riep: „Moeder, hier is brood! Moeder dan toch! Moeder, Moeder!”Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.Nog geen teeken van leven.Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde hij: „Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood!”„Jongen, zwijg! Uwe Moeder is immers dood,” zeide de Vader en begon als een dier te eten van het brood, dat zijn zoon medegebracht had.Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw heen, toen deze, die slechts in eene hevige flauwte gevallen was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit haar geweken was.„Vader, Moeder leeft nog,” riep Cornelis nu, en tranen van blijdschap stroomden langs zijne wangen. „Kijk maar, Vader, ze beproeft het geweekte brood te eten, kijk maar!”Thans trad Gonda aan de bedstede en met een engelachtig geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden. Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte: „Dank je, Cornelis, dank je, lieve jongen!”Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende spijs, zeer, zeer langzaam en zelfs toen de heele stad bij het ontzet vol vreugde naar de kerken stroomde om daar God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed de handen vouwen, en daar heel alleen Hem danken, die ook haar bij het leven gespaard had.Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en magerder; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan dag nam de sterfte toe!De geroofde voorraad brood was in Van Keulens gezin bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd tegemoet, dat men niets hebben zou, dan het weinige, dat voor de zieke Moeder moest overblijven.Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cornelis langs de straten.Daar ontmoette hem Jonker van der Does.„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg hij hem.„Ik weet niet waar ik zal heengaan, Edele Heer! Ik loop maar wat door de stad!”„Och, wees dan zoo goed en ga eens naar Burgemeester van der Werff en zeg hem, dat ik vandaag geene gelegenheid heb te komen!”„Ik zal het doen, Edele Heer,”antwoorddeCornelis en ging heen.Een oogenblik daarna deed de dienstbode van Burgemeester Pieter Adriaensz. hem open.Bij het ontsluiten der deur echter, kwam een geur van gebraden vleesch hem tegemoet en onwillekeurig zeî hij: „Hé, gebraden vleesch! Hadden we dàt ook eens!”„Dan zoudt gij het mogelijk nog niet lusten, Cornelis,” zeide de meid.„Niet lusten? Nu, ik heb nog zulk eenen honger niet. Maar de anderen! Laat de Burgemeester het eens even probeeren of ze nog gebraden vleesch lusten! Hij moest er de proef maar eens van nemen, dan zou hij het zien.”„Nu, als ik u dan eens zeide, dat Joffer Anna vandaag jarig is, en dat zij al hare kennissen onthaalt op het gebraden vleesch van haar schoothondje, dat gisteren geslacht is? Maar welke boodschap hebt gij?”„Heer van der Does laat zeggen, dat hij niet komen kan,” zeide Cornelis en ging heen, mompelende: „Het is ver, heel ver gekomen.”
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.Om brood bij den vijand.Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit alle huizen kwamen de nieuwsgierigen te voorschijn.Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbuiters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel te wijdom de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinderen op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige meisjes, die allen kwamen den jongen bode met vragen van allerlei aard bestormen.Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte zich steeds dichter opeen.Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookgestalten om hem heen kwamen staan, om hem te dooden en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo gezond en welgedaan uit!Kon hij maar wegloopen!„Wanneer komt nu het ontzet?” schreeuwde er een.„Waar liggen de vrijbuiters?” vroeg de ander.„Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijne armpjes dik! Vindt gij het ook niet, Cornelis, zeg? Hi-hi!” riep eene vrouw, die van honger waanzinnig was, en een kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag te worstelen.„Laat die vrouw maar loopen, Cornelis, de honger heeft haar zoo raar gemaakt,” hervatte een ander.„Op zij,” gilde opeens de arme vrouw. „Daar komt de broodkist aan! Op zij! Ruimte!”Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam voorbij trekken. Maar het was heel iets anders dan eene broodkist. Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een en nog een!„Laat me door, luiden, laat me door!” riep Cornelis, die het hier niet langer uithouden kon. „Sterven dan nu alle menschen van den honger?”„En van de pest ook, Cornelis,” viel eene bekende stem hem in de rede.De knaap keek om en zag in het gelaat van Van der Morsch.„Zijt gij ook ziek geweest, Van der Morsch?”„Neen, Keesje, ik heb maar tegen Meneer Hongerman gevochten; maar ik heb het verloren, en nu speelt hij den baas over mij. Nu eet hij het vleesch van mijne kaken, steelt het licht uit mijne oogen en plundert mijn geheele hoofd ledig! In den tijd, dat ge afwezig zijt geweest, heb ik niet één mopsje kunnen rijmen!”„Van der Morsch, man, hebt gij niet een hapje brood voor me? Om Godswil, maar één stukske, al was het niet grooter dan het vlakke van mijne hand,” riep eensklaps een man.„Goede vriend, zoo ik het had, ik zou het met u deelen, maar ik heb geen brood,” antwoordde de rederijker.„Mijne kinderen, mijne vrouw, ze sterven van den honger! Brood! brood, brood,” klonk het op eene andere plaats.Thans vlood Cornelis heen zoo spoedig hij kon, en nog een heel eind ver hoorde hij het gegil van den wanhopigen man: „Brood! brood, brood!”Eindelijk was hij vrij, en kon hij weer de oogen in het rond slaan zonder door eene huivering bevangen te worden.De brieven had hij spoedig bezorgd en thans sloeg hij den weg in naar huis.Ouder gewoonte deed hij de deur open, en wilde ze achter zich in het slot laten vallen, toen er een bleek, mager meisje in het voorhuis kwam om te zien, wie er aan de deur was.„Cornelis, gij hier? Sst, gooi de deur niet te hard toe, anders worden ze wakker,” zeide ze.„Zijt gij dat, Gonda? Zijt gij nu ook al ziek geweest? Slapen Vader en Moeder dan midden op den dag? Wat is er toch in die tien dagen gebeurd?”„Te veel om ineens te zeggen, Cornelis! Ga maar stil met mij mede.”Cornelis volgde haar, doch eer ze binnen gingen, vatte hij haar bij de hand en zeide: „Hoor eens, ik kan niet langer wachten te vragen, wat scheelt er aan, Gonda?”„Niets!” was het antwoord en ze sloeg de oogen neer.„Het is wel waar, Gonda, er scheelt wel iets aan; want toen ik heenging, zaagt gij er wel bleek, maar niet zoo zwak uit. Zijt gij ziek?”„Neen, Cornelis,” klonk het weder, doch de tranen, die in hare oogen kwamen, en die ze tersluiks wilde afdrogen, werden door Cornelis gezien.Daar werd het den knaap eensklaps duidelijk.„Hebt gij dan zulk een honger, Gonda?”Hierop gaf ze geen antwoord, doch zich op eenen stoel latende neêrvallen, verborg ze het gelaat in hare handen en begon zenuwachtig te snikken.Thans ging de kamerdeur open en kwam Vader Van Keulen kijken, wie er toch in huis gekomen was.„Vader, Vader!” riep Cornelis.„Zoo, jongen, zijt gij terug, dat is goed! Gij hebt zeker wel te eten gehad in dien tijd, hè?”„Ja, Vader, maar....”„Nu, dat zal ik straks wel hooren. Ik moet nu naar de wallen! Pas maar op, dat gij uwe Moeder niet doet verschrikken.” Na dit gezegd te hebben ging hij heen.Verwonderd keek Cornelis zijnen Pleegvader na? Was dát Schipper Van Keulen, dát? Klonk zijn stap vroeger niet door het heele huis heen, en nu?....„Vader, gij zult vallen,” riep hij, toen hij zag, dat de onlangs nog zoo krachtige man bij de voordeur begon te wankelen, en zich aan den muur moest vasthouden.„Stil, jongen, het is al over; ik struikelde maar,” klonk het antwoord.Voorzichtig werd de deur gesloten en Cornelis was weer alleen met Gonda, die nog altijd snikkend op den stoel zat.„Ik ga naar binnen,” zeide hij. „Ik moet weten, wat hier gebeurd is!”Hij deed de deur open. Niemand was te zien! Daar hoorde hij uit eene der bedsteden eenig gekreun en de gordijnenopenschuivende, zag hij vrouw Van Keulen te bed liggen.„Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder,” fluisterde hij om haar niet te verschrikken.„Dag, Cornelis! Dag, lieve, beste jongen,” zeide de arme vrouw en de magere armen hem om den hals slaande, kermde ze: „o, God, jongen! Komt gij hier ook sterven?”Dat was te veel voor Cornelis. Iedereen keek hem wangunstig aan, omdat hij er zoo gezond uitzag; ieder vroeg hem om brood en zijne lieve Pleegmoeder lag langzaam den hongerdood te sterven.Hij viel weenend op eenen stoel en de hand der goede vrouw grijpende, drukte hij er brandende kussen op en bevochtigde ze met zijne tranen.„Wie is daar? Zijt gij daar, Cornelis?” klonk het nu uit de andere bedstede.„Ja, Jan, ik ben hier! Zijt gij ook al ziek?”„Neen, Kees; maar hebt gij niet wat te eten voor me?”„Honger, honger! Keesje,” riep de jongste en begon zoo droevig te huilen, dat het ruwste hart er door bewogen zou geworden zijn.„Ik heb geen brood,” antwoordde Cornelis, „maar ik zal het gaan halen!”Hierop nam hij een wapen van den wand en wilde de deur uitgaan.„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg Gonda.„Ik ga brood halen!” was het antwoord.„Brood halen bij den Spanjaard? Cornelis, dat kunt ge immers niet? Ze zullen u ophangen, evenals ze Leeuwke gedaan hebben!”„Laten ze me ophangen! Ik ben liever dood, dan dat ik ze hier allen van honger zie sterven!”„Neen, Cornelis, doe het niet, och toe, doe het niet! Wat zal Vader zeggen, als hij van den wal komt en hij ziet, dat gij alweer de stad uit zijt?”„Hij zal me niet missen!”„Zeker, dat zal hij wel! Neen, Cornelis, doe het niet! Ik durf hier niet meer alleen bij de zieken blijven!”„Nu, Gonda, ik zal dan wachten, tot vanavond Vader thuis is; maar dan ga ik vast en zeker!”Wat Gonda ook beproefde, hem van zijn voornemen af te brengen, het hielp niet. Toen de avond gevallen en Vader Van Keulen thuis was, ging hij de deur uit.Op de welbekende plek aan de Koepoort liet hij zich afglijden en zoodra hij buiten was, scheen hij besluiteloos en stond even stil.„Wacht,” mompelde hij, „naar Oom Jan te Rijnsburg; hij zal me brood geven.”Zoo voortstappende hoorde hij niet ver van Valkenburg een woest gezang.„Die daar, zingen vast niet van den honger,” fluisterde hij, „Ik ga er eens op af. Het is zeker in de taveerne van „Zwarte Jaap!”Langs een paadje, dat door eene weide liep en den wandelaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cornelis eindelijk op het erf van de taveerne.De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten, zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat om eene kleine tafel te dobbelen.Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet zeer op zijn gemak.„Komt, jongens, staat nu op en gaat mede,” zeide hij.„Gij zijt een vervelend mensch, Juan! Laten we nog wat spelen!”„Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtt’en, dan zou ik ook niet zulk eene haast hebben,” antwoordde de ander.„Wacht, daar weet ik raad op,” riep er een en schreeuwde: „Zwarte Jaap! Zwarte Jaap!”„Wat believen de Heeren?” vroeg de waard.„Hebt gij niet eenen sterken slungel van eenen zoon?”„Jawel, Heeren!”„Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de schans brengen!”„Tot uwen dienst, Heeren! Hij zal het doen!”Cornelis had alles gehoord.Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens onverwachts van achter aanviel en hem eenen doek in den mond stopte dan....Daar ging de voordeur open!....„Wat weegt die zak zwaar, Vader!” zei Jurrie.„Des te meer brengen we er voor in rekening! Kom, pak-je maar weg,” was het antwoord.Cornelis sloop hem achterna en daar Jurrie vast bang was, in den avond alleen te loopen, begon hij op eene vreeselijke manier een liedje te zingen.„Zooveel te beter,” dacht Cornelis, „zing maar zoo hard en leelijk gij kunt, oude jongen!”Toen hij hem dicht genoeg op de hielen was, viel hij als een tijger den bangen knaap van achter aan, en deze, hierop niet bedacht, sloeg met zak en al achterover.In een oogenblik had Cornelis, hem eenen doek in den mond gestopt.„Sta op,” beval Cornelis en Jurrie gehoorzaamde.„Gauw naar de Koepoort,” beval Cornelis met eene stem zoo bar, als hij die maar maken kon, „en bij de eerste poging, die je waagt mij te ontsnappen, zal ik je eene por met dezen degen geven, dat je het verder gaan heelemaal vergeet! Vooruit, slungel!”Jurrie was zoo mak als een lam, en ging op bevel van den koenen knaap langs eenen heel anderen weg dan dien, die voorbij zijn Vaders taveerne liep, naar Leiden.Dicht bij de Koepoort gekomen, beval hij hem den zak neer te zetten, en nauwelijks had Jurrie dat gedaan, of hij snelde den weg op. Eerst toen hij ver genoeg was om nietmeer door Cornelis achterhaald te kunnen worden, begon hij hem uit te schelden voor al wat leelijk was.Cornelis had intusschen den zak opgenomen en klom, hoewel met heel veel moeite, tegen den muur op.Nog was het geen tien uur toen hij thuis kwam.„Hier is brood,” riep hij.Vader Van Keulen schudde het hoofd en zeide: „Uwe Moeder eet geen brood meer, Cornelis! Zij is dood!”Als een krankzinnige liep Cornelis naar den zak, deed dien open en met zijn mes een stuk van een brood snijdende, ging hij er mee bij het bed van vrouw Van Keulen staan en riep: „Moeder, hier is brood! Moeder dan toch! Moeder, Moeder!”Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.Nog geen teeken van leven.Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde hij: „Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood!”„Jongen, zwijg! Uwe Moeder is immers dood,” zeide de Vader en begon als een dier te eten van het brood, dat zijn zoon medegebracht had.Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw heen, toen deze, die slechts in eene hevige flauwte gevallen was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit haar geweken was.„Vader, Moeder leeft nog,” riep Cornelis nu, en tranen van blijdschap stroomden langs zijne wangen. „Kijk maar, Vader, ze beproeft het geweekte brood te eten, kijk maar!”Thans trad Gonda aan de bedstede en met een engelachtig geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden. Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte: „Dank je, Cornelis, dank je, lieve jongen!”Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende spijs, zeer, zeer langzaam en zelfs toen de heele stad bij het ontzet vol vreugde naar de kerken stroomde om daar God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed de handen vouwen, en daar heel alleen Hem danken, die ook haar bij het leven gespaard had.Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en magerder; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan dag nam de sterfte toe!De geroofde voorraad brood was in Van Keulens gezin bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd tegemoet, dat men niets hebben zou, dan het weinige, dat voor de zieke Moeder moest overblijven.Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cornelis langs de straten.Daar ontmoette hem Jonker van der Does.„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg hij hem.„Ik weet niet waar ik zal heengaan, Edele Heer! Ik loop maar wat door de stad!”„Och, wees dan zoo goed en ga eens naar Burgemeester van der Werff en zeg hem, dat ik vandaag geene gelegenheid heb te komen!”„Ik zal het doen, Edele Heer,”antwoorddeCornelis en ging heen.Een oogenblik daarna deed de dienstbode van Burgemeester Pieter Adriaensz. hem open.Bij het ontsluiten der deur echter, kwam een geur van gebraden vleesch hem tegemoet en onwillekeurig zeî hij: „Hé, gebraden vleesch! Hadden we dàt ook eens!”„Dan zoudt gij het mogelijk nog niet lusten, Cornelis,” zeide de meid.„Niet lusten? Nu, ik heb nog zulk eenen honger niet. Maar de anderen! Laat de Burgemeester het eens even probeeren of ze nog gebraden vleesch lusten! Hij moest er de proef maar eens van nemen, dan zou hij het zien.”„Nu, als ik u dan eens zeide, dat Joffer Anna vandaag jarig is, en dat zij al hare kennissen onthaalt op het gebraden vleesch van haar schoothondje, dat gisteren geslacht is? Maar welke boodschap hebt gij?”„Heer van der Does laat zeggen, dat hij niet komen kan,” zeide Cornelis en ging heen, mompelende: „Het is ver, heel ver gekomen.”
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.Om brood bij den vijand.
Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit alle huizen kwamen de nieuwsgierigen te voorschijn.Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbuiters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel te wijdom de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinderen op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige meisjes, die allen kwamen den jongen bode met vragen van allerlei aard bestormen.Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte zich steeds dichter opeen.Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookgestalten om hem heen kwamen staan, om hem te dooden en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo gezond en welgedaan uit!Kon hij maar wegloopen!„Wanneer komt nu het ontzet?” schreeuwde er een.„Waar liggen de vrijbuiters?” vroeg de ander.„Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijne armpjes dik! Vindt gij het ook niet, Cornelis, zeg? Hi-hi!” riep eene vrouw, die van honger waanzinnig was, en een kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag te worstelen.„Laat die vrouw maar loopen, Cornelis, de honger heeft haar zoo raar gemaakt,” hervatte een ander.„Op zij,” gilde opeens de arme vrouw. „Daar komt de broodkist aan! Op zij! Ruimte!”Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam voorbij trekken. Maar het was heel iets anders dan eene broodkist. Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een en nog een!„Laat me door, luiden, laat me door!” riep Cornelis, die het hier niet langer uithouden kon. „Sterven dan nu alle menschen van den honger?”„En van de pest ook, Cornelis,” viel eene bekende stem hem in de rede.De knaap keek om en zag in het gelaat van Van der Morsch.„Zijt gij ook ziek geweest, Van der Morsch?”„Neen, Keesje, ik heb maar tegen Meneer Hongerman gevochten; maar ik heb het verloren, en nu speelt hij den baas over mij. Nu eet hij het vleesch van mijne kaken, steelt het licht uit mijne oogen en plundert mijn geheele hoofd ledig! In den tijd, dat ge afwezig zijt geweest, heb ik niet één mopsje kunnen rijmen!”„Van der Morsch, man, hebt gij niet een hapje brood voor me? Om Godswil, maar één stukske, al was het niet grooter dan het vlakke van mijne hand,” riep eensklaps een man.„Goede vriend, zoo ik het had, ik zou het met u deelen, maar ik heb geen brood,” antwoordde de rederijker.„Mijne kinderen, mijne vrouw, ze sterven van den honger! Brood! brood, brood,” klonk het op eene andere plaats.Thans vlood Cornelis heen zoo spoedig hij kon, en nog een heel eind ver hoorde hij het gegil van den wanhopigen man: „Brood! brood, brood!”Eindelijk was hij vrij, en kon hij weer de oogen in het rond slaan zonder door eene huivering bevangen te worden.De brieven had hij spoedig bezorgd en thans sloeg hij den weg in naar huis.Ouder gewoonte deed hij de deur open, en wilde ze achter zich in het slot laten vallen, toen er een bleek, mager meisje in het voorhuis kwam om te zien, wie er aan de deur was.„Cornelis, gij hier? Sst, gooi de deur niet te hard toe, anders worden ze wakker,” zeide ze.„Zijt gij dat, Gonda? Zijt gij nu ook al ziek geweest? Slapen Vader en Moeder dan midden op den dag? Wat is er toch in die tien dagen gebeurd?”„Te veel om ineens te zeggen, Cornelis! Ga maar stil met mij mede.”Cornelis volgde haar, doch eer ze binnen gingen, vatte hij haar bij de hand en zeide: „Hoor eens, ik kan niet langer wachten te vragen, wat scheelt er aan, Gonda?”„Niets!” was het antwoord en ze sloeg de oogen neer.„Het is wel waar, Gonda, er scheelt wel iets aan; want toen ik heenging, zaagt gij er wel bleek, maar niet zoo zwak uit. Zijt gij ziek?”„Neen, Cornelis,” klonk het weder, doch de tranen, die in hare oogen kwamen, en die ze tersluiks wilde afdrogen, werden door Cornelis gezien.Daar werd het den knaap eensklaps duidelijk.„Hebt gij dan zulk een honger, Gonda?”Hierop gaf ze geen antwoord, doch zich op eenen stoel latende neêrvallen, verborg ze het gelaat in hare handen en begon zenuwachtig te snikken.Thans ging de kamerdeur open en kwam Vader Van Keulen kijken, wie er toch in huis gekomen was.„Vader, Vader!” riep Cornelis.„Zoo, jongen, zijt gij terug, dat is goed! Gij hebt zeker wel te eten gehad in dien tijd, hè?”„Ja, Vader, maar....”„Nu, dat zal ik straks wel hooren. Ik moet nu naar de wallen! Pas maar op, dat gij uwe Moeder niet doet verschrikken.” Na dit gezegd te hebben ging hij heen.Verwonderd keek Cornelis zijnen Pleegvader na? Was dát Schipper Van Keulen, dát? Klonk zijn stap vroeger niet door het heele huis heen, en nu?....„Vader, gij zult vallen,” riep hij, toen hij zag, dat de onlangs nog zoo krachtige man bij de voordeur begon te wankelen, en zich aan den muur moest vasthouden.„Stil, jongen, het is al over; ik struikelde maar,” klonk het antwoord.Voorzichtig werd de deur gesloten en Cornelis was weer alleen met Gonda, die nog altijd snikkend op den stoel zat.„Ik ga naar binnen,” zeide hij. „Ik moet weten, wat hier gebeurd is!”Hij deed de deur open. Niemand was te zien! Daar hoorde hij uit eene der bedsteden eenig gekreun en de gordijnenopenschuivende, zag hij vrouw Van Keulen te bed liggen.„Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder,” fluisterde hij om haar niet te verschrikken.„Dag, Cornelis! Dag, lieve, beste jongen,” zeide de arme vrouw en de magere armen hem om den hals slaande, kermde ze: „o, God, jongen! Komt gij hier ook sterven?”Dat was te veel voor Cornelis. Iedereen keek hem wangunstig aan, omdat hij er zoo gezond uitzag; ieder vroeg hem om brood en zijne lieve Pleegmoeder lag langzaam den hongerdood te sterven.Hij viel weenend op eenen stoel en de hand der goede vrouw grijpende, drukte hij er brandende kussen op en bevochtigde ze met zijne tranen.„Wie is daar? Zijt gij daar, Cornelis?” klonk het nu uit de andere bedstede.„Ja, Jan, ik ben hier! Zijt gij ook al ziek?”„Neen, Kees; maar hebt gij niet wat te eten voor me?”„Honger, honger! Keesje,” riep de jongste en begon zoo droevig te huilen, dat het ruwste hart er door bewogen zou geworden zijn.„Ik heb geen brood,” antwoordde Cornelis, „maar ik zal het gaan halen!”Hierop nam hij een wapen van den wand en wilde de deur uitgaan.„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg Gonda.„Ik ga brood halen!” was het antwoord.„Brood halen bij den Spanjaard? Cornelis, dat kunt ge immers niet? Ze zullen u ophangen, evenals ze Leeuwke gedaan hebben!”„Laten ze me ophangen! Ik ben liever dood, dan dat ik ze hier allen van honger zie sterven!”„Neen, Cornelis, doe het niet, och toe, doe het niet! Wat zal Vader zeggen, als hij van den wal komt en hij ziet, dat gij alweer de stad uit zijt?”„Hij zal me niet missen!”„Zeker, dat zal hij wel! Neen, Cornelis, doe het niet! Ik durf hier niet meer alleen bij de zieken blijven!”„Nu, Gonda, ik zal dan wachten, tot vanavond Vader thuis is; maar dan ga ik vast en zeker!”Wat Gonda ook beproefde, hem van zijn voornemen af te brengen, het hielp niet. Toen de avond gevallen en Vader Van Keulen thuis was, ging hij de deur uit.Op de welbekende plek aan de Koepoort liet hij zich afglijden en zoodra hij buiten was, scheen hij besluiteloos en stond even stil.„Wacht,” mompelde hij, „naar Oom Jan te Rijnsburg; hij zal me brood geven.”Zoo voortstappende hoorde hij niet ver van Valkenburg een woest gezang.„Die daar, zingen vast niet van den honger,” fluisterde hij, „Ik ga er eens op af. Het is zeker in de taveerne van „Zwarte Jaap!”Langs een paadje, dat door eene weide liep en den wandelaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cornelis eindelijk op het erf van de taveerne.De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten, zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat om eene kleine tafel te dobbelen.Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet zeer op zijn gemak.„Komt, jongens, staat nu op en gaat mede,” zeide hij.„Gij zijt een vervelend mensch, Juan! Laten we nog wat spelen!”„Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtt’en, dan zou ik ook niet zulk eene haast hebben,” antwoordde de ander.„Wacht, daar weet ik raad op,” riep er een en schreeuwde: „Zwarte Jaap! Zwarte Jaap!”„Wat believen de Heeren?” vroeg de waard.„Hebt gij niet eenen sterken slungel van eenen zoon?”„Jawel, Heeren!”„Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de schans brengen!”„Tot uwen dienst, Heeren! Hij zal het doen!”Cornelis had alles gehoord.Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens onverwachts van achter aanviel en hem eenen doek in den mond stopte dan....Daar ging de voordeur open!....„Wat weegt die zak zwaar, Vader!” zei Jurrie.„Des te meer brengen we er voor in rekening! Kom, pak-je maar weg,” was het antwoord.Cornelis sloop hem achterna en daar Jurrie vast bang was, in den avond alleen te loopen, begon hij op eene vreeselijke manier een liedje te zingen.„Zooveel te beter,” dacht Cornelis, „zing maar zoo hard en leelijk gij kunt, oude jongen!”Toen hij hem dicht genoeg op de hielen was, viel hij als een tijger den bangen knaap van achter aan, en deze, hierop niet bedacht, sloeg met zak en al achterover.In een oogenblik had Cornelis, hem eenen doek in den mond gestopt.„Sta op,” beval Cornelis en Jurrie gehoorzaamde.„Gauw naar de Koepoort,” beval Cornelis met eene stem zoo bar, als hij die maar maken kon, „en bij de eerste poging, die je waagt mij te ontsnappen, zal ik je eene por met dezen degen geven, dat je het verder gaan heelemaal vergeet! Vooruit, slungel!”Jurrie was zoo mak als een lam, en ging op bevel van den koenen knaap langs eenen heel anderen weg dan dien, die voorbij zijn Vaders taveerne liep, naar Leiden.Dicht bij de Koepoort gekomen, beval hij hem den zak neer te zetten, en nauwelijks had Jurrie dat gedaan, of hij snelde den weg op. Eerst toen hij ver genoeg was om nietmeer door Cornelis achterhaald te kunnen worden, begon hij hem uit te schelden voor al wat leelijk was.Cornelis had intusschen den zak opgenomen en klom, hoewel met heel veel moeite, tegen den muur op.Nog was het geen tien uur toen hij thuis kwam.„Hier is brood,” riep hij.Vader Van Keulen schudde het hoofd en zeide: „Uwe Moeder eet geen brood meer, Cornelis! Zij is dood!”Als een krankzinnige liep Cornelis naar den zak, deed dien open en met zijn mes een stuk van een brood snijdende, ging hij er mee bij het bed van vrouw Van Keulen staan en riep: „Moeder, hier is brood! Moeder dan toch! Moeder, Moeder!”Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.Nog geen teeken van leven.Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde hij: „Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood!”„Jongen, zwijg! Uwe Moeder is immers dood,” zeide de Vader en begon als een dier te eten van het brood, dat zijn zoon medegebracht had.Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw heen, toen deze, die slechts in eene hevige flauwte gevallen was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit haar geweken was.„Vader, Moeder leeft nog,” riep Cornelis nu, en tranen van blijdschap stroomden langs zijne wangen. „Kijk maar, Vader, ze beproeft het geweekte brood te eten, kijk maar!”Thans trad Gonda aan de bedstede en met een engelachtig geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden. Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte: „Dank je, Cornelis, dank je, lieve jongen!”Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende spijs, zeer, zeer langzaam en zelfs toen de heele stad bij het ontzet vol vreugde naar de kerken stroomde om daar God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed de handen vouwen, en daar heel alleen Hem danken, die ook haar bij het leven gespaard had.Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en magerder; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan dag nam de sterfte toe!De geroofde voorraad brood was in Van Keulens gezin bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd tegemoet, dat men niets hebben zou, dan het weinige, dat voor de zieke Moeder moest overblijven.Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cornelis langs de straten.Daar ontmoette hem Jonker van der Does.„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg hij hem.„Ik weet niet waar ik zal heengaan, Edele Heer! Ik loop maar wat door de stad!”„Och, wees dan zoo goed en ga eens naar Burgemeester van der Werff en zeg hem, dat ik vandaag geene gelegenheid heb te komen!”„Ik zal het doen, Edele Heer,”antwoorddeCornelis en ging heen.Een oogenblik daarna deed de dienstbode van Burgemeester Pieter Adriaensz. hem open.Bij het ontsluiten der deur echter, kwam een geur van gebraden vleesch hem tegemoet en onwillekeurig zeî hij: „Hé, gebraden vleesch! Hadden we dàt ook eens!”„Dan zoudt gij het mogelijk nog niet lusten, Cornelis,” zeide de meid.„Niet lusten? Nu, ik heb nog zulk eenen honger niet. Maar de anderen! Laat de Burgemeester het eens even probeeren of ze nog gebraden vleesch lusten! Hij moest er de proef maar eens van nemen, dan zou hij het zien.”„Nu, als ik u dan eens zeide, dat Joffer Anna vandaag jarig is, en dat zij al hare kennissen onthaalt op het gebraden vleesch van haar schoothondje, dat gisteren geslacht is? Maar welke boodschap hebt gij?”„Heer van der Does laat zeggen, dat hij niet komen kan,” zeide Cornelis en ging heen, mompelende: „Het is ver, heel ver gekomen.”
Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit alle huizen kwamen de nieuwsgierigen te voorschijn.
Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbuiters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel te wijdom de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinderen op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige meisjes, die allen kwamen den jongen bode met vragen van allerlei aard bestormen.
Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte zich steeds dichter opeen.
Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookgestalten om hem heen kwamen staan, om hem te dooden en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo gezond en welgedaan uit!
Kon hij maar wegloopen!
„Wanneer komt nu het ontzet?” schreeuwde er een.
„Waar liggen de vrijbuiters?” vroeg de ander.
„Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijne armpjes dik! Vindt gij het ook niet, Cornelis, zeg? Hi-hi!” riep eene vrouw, die van honger waanzinnig was, en een kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag te worstelen.
„Laat die vrouw maar loopen, Cornelis, de honger heeft haar zoo raar gemaakt,” hervatte een ander.
„Op zij,” gilde opeens de arme vrouw. „Daar komt de broodkist aan! Op zij! Ruimte!”
Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam voorbij trekken. Maar het was heel iets anders dan eene broodkist. Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een en nog een!
„Laat me door, luiden, laat me door!” riep Cornelis, die het hier niet langer uithouden kon. „Sterven dan nu alle menschen van den honger?”
„En van de pest ook, Cornelis,” viel eene bekende stem hem in de rede.
De knaap keek om en zag in het gelaat van Van der Morsch.
„Zijt gij ook ziek geweest, Van der Morsch?”
„Neen, Keesje, ik heb maar tegen Meneer Hongerman gevochten; maar ik heb het verloren, en nu speelt hij den baas over mij. Nu eet hij het vleesch van mijne kaken, steelt het licht uit mijne oogen en plundert mijn geheele hoofd ledig! In den tijd, dat ge afwezig zijt geweest, heb ik niet één mopsje kunnen rijmen!”
„Van der Morsch, man, hebt gij niet een hapje brood voor me? Om Godswil, maar één stukske, al was het niet grooter dan het vlakke van mijne hand,” riep eensklaps een man.
„Goede vriend, zoo ik het had, ik zou het met u deelen, maar ik heb geen brood,” antwoordde de rederijker.
„Mijne kinderen, mijne vrouw, ze sterven van den honger! Brood! brood, brood,” klonk het op eene andere plaats.
Thans vlood Cornelis heen zoo spoedig hij kon, en nog een heel eind ver hoorde hij het gegil van den wanhopigen man: „Brood! brood, brood!”
Eindelijk was hij vrij, en kon hij weer de oogen in het rond slaan zonder door eene huivering bevangen te worden.
De brieven had hij spoedig bezorgd en thans sloeg hij den weg in naar huis.
Ouder gewoonte deed hij de deur open, en wilde ze achter zich in het slot laten vallen, toen er een bleek, mager meisje in het voorhuis kwam om te zien, wie er aan de deur was.
„Cornelis, gij hier? Sst, gooi de deur niet te hard toe, anders worden ze wakker,” zeide ze.
„Zijt gij dat, Gonda? Zijt gij nu ook al ziek geweest? Slapen Vader en Moeder dan midden op den dag? Wat is er toch in die tien dagen gebeurd?”
„Te veel om ineens te zeggen, Cornelis! Ga maar stil met mij mede.”
Cornelis volgde haar, doch eer ze binnen gingen, vatte hij haar bij de hand en zeide: „Hoor eens, ik kan niet langer wachten te vragen, wat scheelt er aan, Gonda?”
„Niets!” was het antwoord en ze sloeg de oogen neer.
„Het is wel waar, Gonda, er scheelt wel iets aan; want toen ik heenging, zaagt gij er wel bleek, maar niet zoo zwak uit. Zijt gij ziek?”
„Neen, Cornelis,” klonk het weder, doch de tranen, die in hare oogen kwamen, en die ze tersluiks wilde afdrogen, werden door Cornelis gezien.
Daar werd het den knaap eensklaps duidelijk.
„Hebt gij dan zulk een honger, Gonda?”
Hierop gaf ze geen antwoord, doch zich op eenen stoel latende neêrvallen, verborg ze het gelaat in hare handen en begon zenuwachtig te snikken.
Thans ging de kamerdeur open en kwam Vader Van Keulen kijken, wie er toch in huis gekomen was.
„Vader, Vader!” riep Cornelis.
„Zoo, jongen, zijt gij terug, dat is goed! Gij hebt zeker wel te eten gehad in dien tijd, hè?”
„Ja, Vader, maar....”
„Nu, dat zal ik straks wel hooren. Ik moet nu naar de wallen! Pas maar op, dat gij uwe Moeder niet doet verschrikken.” Na dit gezegd te hebben ging hij heen.
Verwonderd keek Cornelis zijnen Pleegvader na? Was dát Schipper Van Keulen, dát? Klonk zijn stap vroeger niet door het heele huis heen, en nu?....
„Vader, gij zult vallen,” riep hij, toen hij zag, dat de onlangs nog zoo krachtige man bij de voordeur begon te wankelen, en zich aan den muur moest vasthouden.
„Stil, jongen, het is al over; ik struikelde maar,” klonk het antwoord.
Voorzichtig werd de deur gesloten en Cornelis was weer alleen met Gonda, die nog altijd snikkend op den stoel zat.
„Ik ga naar binnen,” zeide hij. „Ik moet weten, wat hier gebeurd is!”
Hij deed de deur open. Niemand was te zien! Daar hoorde hij uit eene der bedsteden eenig gekreun en de gordijnenopenschuivende, zag hij vrouw Van Keulen te bed liggen.
„Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder,” fluisterde hij om haar niet te verschrikken.
„Dag, Cornelis! Dag, lieve, beste jongen,” zeide de arme vrouw en de magere armen hem om den hals slaande, kermde ze: „o, God, jongen! Komt gij hier ook sterven?”
Dat was te veel voor Cornelis. Iedereen keek hem wangunstig aan, omdat hij er zoo gezond uitzag; ieder vroeg hem om brood en zijne lieve Pleegmoeder lag langzaam den hongerdood te sterven.
Hij viel weenend op eenen stoel en de hand der goede vrouw grijpende, drukte hij er brandende kussen op en bevochtigde ze met zijne tranen.
„Wie is daar? Zijt gij daar, Cornelis?” klonk het nu uit de andere bedstede.
„Ja, Jan, ik ben hier! Zijt gij ook al ziek?”
„Neen, Kees; maar hebt gij niet wat te eten voor me?”
„Honger, honger! Keesje,” riep de jongste en begon zoo droevig te huilen, dat het ruwste hart er door bewogen zou geworden zijn.
„Ik heb geen brood,” antwoordde Cornelis, „maar ik zal het gaan halen!”
Hierop nam hij een wapen van den wand en wilde de deur uitgaan.
„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg Gonda.
„Ik ga brood halen!” was het antwoord.
„Brood halen bij den Spanjaard? Cornelis, dat kunt ge immers niet? Ze zullen u ophangen, evenals ze Leeuwke gedaan hebben!”
„Laten ze me ophangen! Ik ben liever dood, dan dat ik ze hier allen van honger zie sterven!”
„Neen, Cornelis, doe het niet, och toe, doe het niet! Wat zal Vader zeggen, als hij van den wal komt en hij ziet, dat gij alweer de stad uit zijt?”
„Hij zal me niet missen!”
„Zeker, dat zal hij wel! Neen, Cornelis, doe het niet! Ik durf hier niet meer alleen bij de zieken blijven!”
„Nu, Gonda, ik zal dan wachten, tot vanavond Vader thuis is; maar dan ga ik vast en zeker!”
Wat Gonda ook beproefde, hem van zijn voornemen af te brengen, het hielp niet. Toen de avond gevallen en Vader Van Keulen thuis was, ging hij de deur uit.
Op de welbekende plek aan de Koepoort liet hij zich afglijden en zoodra hij buiten was, scheen hij besluiteloos en stond even stil.
„Wacht,” mompelde hij, „naar Oom Jan te Rijnsburg; hij zal me brood geven.”
Zoo voortstappende hoorde hij niet ver van Valkenburg een woest gezang.
„Die daar, zingen vast niet van den honger,” fluisterde hij, „Ik ga er eens op af. Het is zeker in de taveerne van „Zwarte Jaap!”
Langs een paadje, dat door eene weide liep en den wandelaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cornelis eindelijk op het erf van de taveerne.
De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten, zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.
Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat om eene kleine tafel te dobbelen.
Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet zeer op zijn gemak.
„Komt, jongens, staat nu op en gaat mede,” zeide hij.
„Gij zijt een vervelend mensch, Juan! Laten we nog wat spelen!”
„Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtt’en, dan zou ik ook niet zulk eene haast hebben,” antwoordde de ander.
„Wacht, daar weet ik raad op,” riep er een en schreeuwde: „Zwarte Jaap! Zwarte Jaap!”
„Wat believen de Heeren?” vroeg de waard.
„Hebt gij niet eenen sterken slungel van eenen zoon?”
„Jawel, Heeren!”
„Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de schans brengen!”
„Tot uwen dienst, Heeren! Hij zal het doen!”
Cornelis had alles gehoord.
Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens onverwachts van achter aanviel en hem eenen doek in den mond stopte dan....
Daar ging de voordeur open!....
„Wat weegt die zak zwaar, Vader!” zei Jurrie.
„Des te meer brengen we er voor in rekening! Kom, pak-je maar weg,” was het antwoord.
Cornelis sloop hem achterna en daar Jurrie vast bang was, in den avond alleen te loopen, begon hij op eene vreeselijke manier een liedje te zingen.
„Zooveel te beter,” dacht Cornelis, „zing maar zoo hard en leelijk gij kunt, oude jongen!”
Toen hij hem dicht genoeg op de hielen was, viel hij als een tijger den bangen knaap van achter aan, en deze, hierop niet bedacht, sloeg met zak en al achterover.
In een oogenblik had Cornelis, hem eenen doek in den mond gestopt.
„Sta op,” beval Cornelis en Jurrie gehoorzaamde.
„Gauw naar de Koepoort,” beval Cornelis met eene stem zoo bar, als hij die maar maken kon, „en bij de eerste poging, die je waagt mij te ontsnappen, zal ik je eene por met dezen degen geven, dat je het verder gaan heelemaal vergeet! Vooruit, slungel!”
Jurrie was zoo mak als een lam, en ging op bevel van den koenen knaap langs eenen heel anderen weg dan dien, die voorbij zijn Vaders taveerne liep, naar Leiden.
Dicht bij de Koepoort gekomen, beval hij hem den zak neer te zetten, en nauwelijks had Jurrie dat gedaan, of hij snelde den weg op. Eerst toen hij ver genoeg was om nietmeer door Cornelis achterhaald te kunnen worden, begon hij hem uit te schelden voor al wat leelijk was.
Cornelis had intusschen den zak opgenomen en klom, hoewel met heel veel moeite, tegen den muur op.
Nog was het geen tien uur toen hij thuis kwam.
„Hier is brood,” riep hij.
Vader Van Keulen schudde het hoofd en zeide: „Uwe Moeder eet geen brood meer, Cornelis! Zij is dood!”
Als een krankzinnige liep Cornelis naar den zak, deed dien open en met zijn mes een stuk van een brood snijdende, ging hij er mee bij het bed van vrouw Van Keulen staan en riep: „Moeder, hier is brood! Moeder dan toch! Moeder, Moeder!”
Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.
Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.
Nog geen teeken van leven.
Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde hij: „Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood!”
„Jongen, zwijg! Uwe Moeder is immers dood,” zeide de Vader en begon als een dier te eten van het brood, dat zijn zoon medegebracht had.
Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw heen, toen deze, die slechts in eene hevige flauwte gevallen was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit haar geweken was.
„Vader, Moeder leeft nog,” riep Cornelis nu, en tranen van blijdschap stroomden langs zijne wangen. „Kijk maar, Vader, ze beproeft het geweekte brood te eten, kijk maar!”
Thans trad Gonda aan de bedstede en met een engelachtig geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden. Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte: „Dank je, Cornelis, dank je, lieve jongen!”
Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende spijs, zeer, zeer langzaam en zelfs toen de heele stad bij het ontzet vol vreugde naar de kerken stroomde om daar God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed de handen vouwen, en daar heel alleen Hem danken, die ook haar bij het leven gespaard had.
Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en magerder; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan dag nam de sterfte toe!
De geroofde voorraad brood was in Van Keulens gezin bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd tegemoet, dat men niets hebben zou, dan het weinige, dat voor de zieke Moeder moest overblijven.
Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cornelis langs de straten.
Daar ontmoette hem Jonker van der Does.
„Waar gaat gij heen, Cornelis?” vroeg hij hem.
„Ik weet niet waar ik zal heengaan, Edele Heer! Ik loop maar wat door de stad!”
„Och, wees dan zoo goed en ga eens naar Burgemeester van der Werff en zeg hem, dat ik vandaag geene gelegenheid heb te komen!”
„Ik zal het doen, Edele Heer,”antwoorddeCornelis en ging heen.
Een oogenblik daarna deed de dienstbode van Burgemeester Pieter Adriaensz. hem open.
Bij het ontsluiten der deur echter, kwam een geur van gebraden vleesch hem tegemoet en onwillekeurig zeî hij: „Hé, gebraden vleesch! Hadden we dàt ook eens!”
„Dan zoudt gij het mogelijk nog niet lusten, Cornelis,” zeide de meid.
„Niet lusten? Nu, ik heb nog zulk eenen honger niet. Maar de anderen! Laat de Burgemeester het eens even probeeren of ze nog gebraden vleesch lusten! Hij moest er de proef maar eens van nemen, dan zou hij het zien.”
„Nu, als ik u dan eens zeide, dat Joffer Anna vandaag jarig is, en dat zij al hare kennissen onthaalt op het gebraden vleesch van haar schoothondje, dat gisteren geslacht is? Maar welke boodschap hebt gij?”
„Heer van der Does laat zeggen, dat hij niet komen kan,” zeide Cornelis en ging heen, mompelende: „Het is ver, heel ver gekomen.”