NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Burgemeester van der Werff.Het gerucht dat er bij Burgemeester van der Werff vleesch gebraden en gegeten was, liep door heel de stad en het stemde hen, die tot op dit oogenblik nog van geene overgave hadden willen hooren, wel wat ontevreden, want dat men ten huize van den Burgemeester een schoothondje gebraden en gegeten had, werd niet algemeen geloofd.Van die ontevreden stemming onder de goedgezinden trachtten degenen, die de stad reeds lang geleden hadden willen overgeven, gebruik te maken. Ze wisten toen reeds dat het in troebel water goed visschen is.Onder hen, die daartoe het ijverigst in de weer waren, bevond zich Mandenmaker.„Goeden morgen, Bleiswijck,” zeide hij den volgenden voormiddag toen hij dezen op straat ontmoette. „Goeden morgen, man! Hoe stelt gij het leven, maat? Ik heb u in langen tijd niet gezien.”„Och, hoe zou het gaan, Mandenmaker? Wie is er tegenwoordig gezond? Ik had nooit gedacht, dat hongerlijden zulk eene vreeselijke ziekte is!”„Tut-tut, man, gij moet zoo gauw niet klagen! Weet gij, wat ik gisteren gegeten heb?”„Neen!”„Wijngaardbladeren met zout en stijfsel! Het smaakt voor een keertje vrij goed. Vanmiddag zal mijne vrouw eens een potje koken van koolstronken; maar omdat ik niet van kool houd, krijg ik gestoofde bladeren van eenen pereboom!”„Maar, Mandenmaker, is dat wáár?”„Zeker, Bleiswijck, zeker! Komt gij vanmiddag mee-eten, dan kunt gij zelf oordeelen hoe het smaakt.”„Nu, ik geloof, dat uw pot dan nog altijd beter zal zijn dan de mijne; want mijne vrouw kookt vanmiddag voor de achtste maal vleeschsoep van een pond paardenvleesch, dat ik verleden week nog zoo goed als gestolen heb!”„Jongen, jongen, wat ge zegt! Maar van vleesch gesproken! Hebt gij het ook gehoord, wat ze van Burgemeester Pieter Adriaensz. vertellen?”„Dat hij eenen gebraden hond heeft gegeten?”„Neen, man, ze zeggen, dat hij iederen dag versch rundvleesch op tafel heeft! Het is schande om dat van dien braven, eerlijken en ronden man te vertellen! Maar, al ware het ook zoo, wat is het dan nog? Een Burgemeester mag toch wel wat meer hebben dan een gewoon mensch!”„Met uw verlof, Mandenmaker, als het op stuk van zaken aankomt, dan is een Burgemeester niets meer dan een gewoon poorter, en, àls het waar is, dat hij iederen middag versch rundvleesch eet, dan....”„Hei, hei, Bleiswijck, dan doet gij nog niets! Maar wees verzekerd, goede man, dat gij het fijne van de zaak nooit te weten zult komen. Pieter Adriaensz. is Mennoniet, en die Mennonieten, daar behoef ik u niets meer van te zeggen, daar weet gij alles van!”„Nu, maar Mennoniet of Paapsch, ziet ge, daar maal ik niet om. Ik wil weten of het waar is, wat gij mij daar verteld hebt!”„Och kom, goede vriend, gij moet wat door de vingers willen zien ook! Bedenk, dat de man zooveel voor onze goede stad gedaan heeft, en dat hij....”„Hoor, Mandenmaker, ik wilde wel, dat gij nu maar over de geheele zaak zweegt! Ik weet, wat ik doen zal en daarmeê uit! Goê-morgen!”„Goê-morgen,” antwoordde de lasteraar en wreef zich vergenoegd in de handen, dat hij er al vast één het hoofd had warm gemaakt.Juist wilde Mandenmaker naar huis gaan, toen Cornelis Joppensz. aankwam.„Jongens,” dacht de kwaadspreker, „als ik dien vlegel eens aan mijn snoer kon krijgen, dan had ik veel gewonnen! Met eene bende straatjongens doet men soms meer, dan met een vendel musketiers!”Zoodra Cornelis onder zijn gehoor was, riep hij al: „Zoo, Cornelis, gij zijt ook al heel wat opgedund sedert den dag, dat gij van de vrijbuiters terugkwaamt! Jongen, toen zaagt gij er zóó goed uit, dat het mij verwonderde, dat men u ongemoeid langs de straat liet gaan.”„Toch altijd nog dikker dan jij, Mandenmaker! Want jij kunt haast met de konijnen door de tralies eten!”„Wacht maar, manneke, die lust tot spotten zal wel overgegaan zijn, als we een paar dagen verder zijn!”„Als we dan nog leven, Mandenmaker! Het is tegenwoordig een bange tijd!”„Ja, dat is het, Cornelis! Dat beleg zullen we onthouden, hoor! Ik wil ten minste eerlijk bekennen, dat ik naar het einde verlang; want waar het heen moet, ik weet het niet!”„Ik ken er anders wel, die meer dan eene maand geleden al beproefd hebben, of ze de stad niet in handen der vijanden konden brengen,” zeide Cornelis en keek Mandenmaker vlak in zijn gezicht.„Is het waar, mijn jongen? Maar dan hadt gij het den Magistraat moeten zeggen, want zulke dingen mag men niet zwijgen. Dat is oproer maken. Ik zei het zoo even ook nog tegen Bleiswijck, die daar ginder gaat. Die man dacht,dat men van eenen Burgemeester gerust alles kon zeggen, wat waar is!”„Dat mag men ook!”„Ei, moogt gij dan zeggen, dat Burgemeester Adriaensz. iederen middag versch rundvleesch eet?”„Neen; want dat is ook eene leugen!”„Ze zeggen het dan toch maar! Het is schande! En dat van dien braven man!”„Weet je, wat je dan doen moet, Mandenmaker, als ze je dat vertellen?”„Ik niet! Weet jij er wat op?”„Wel zeker! Den eersten, den besten, die mij zulke leugens op de mouw wil spelden, zal ik een pak ransel geven, dat hem alles groen en geel voor de oogen wordt!”„Zoo, zoo, zou-je dat? Ei, ei!”„Ik wel, en doe dat ook maar, hoor! Dag, Mandenmaker!” antwoordde Cornelis en ging verder.„Die jongen heeft me een beetje te veel snaps! Wij moesten hem die kunsten eens wat afleeren,” bromde de huichelaar, en, kwaad op zichzelven, dat hij voor zulk eenen baardeloozen knaap het onderspit had moeten delven, ging hij zijnen nood klagen bij Jaspersz., „Roode Jaap” en dergelijken.Hier vond hij een gretig luisterend oor en gedienstige geesten, die overal, waar ze slechts konden, de tweedracht bevorderden.„Weet ge wat we doen moesten, „Roode Jaap?” vroeg Mandenmaker.„Als ik honger heb, weet ik niet met al. Weet gij wat, vertel op dan!”„Dat geloof ik wel. Kijk, er sterven er tegenwoordig zooveel van den honger en het is geen wonder, als men langs de straat gaat, dat men er hier of daar een vindt liggen, die dood is. Als we nu vannacht zulk een lijk vinden, dan zullen we dat tegen de deur van dien van der Werff zetten.Gij begrijpt, dat zoo iets in de stad heel wat zal te doen geven!”„Gij zijt toch rechtaf een slimmerd, Mandenmaker,” sprak Jaspersz. „Dat zullen we doen! En dan zal men zien hoe de gemeente op onze hand is!”Na dit afgesproken te hebben, ging men naar huis en den anderen morgen reeds in de vroegte, liep iedereen naar de Marendorps-Achtergracht, waar voor de deur van Burgemeester Pieter Adriaensz. iets vreeselijks te zien was.Wat nog gaan kon, ging er heen, en die menigte daar, zich bewegende op de nauwe gracht, leverde een akelig schouwspel op.Het was bijna eene verzameling van geraamten!„Brood! brood!” klonk het hier.„De Burgemeester moet voorkomen!” klonk het daar. „We komen hem brood vragen, ja, droog brood!”„Loopt de deur open! Plundert zijne kelders en haalt het gebraden vleesch van zijne tafel! Hij leeft in weelde, en wij, onze vrouwen en kinderen, sterven van honger! Loopt open de deur! Brood! Brood!” riep elders eene schorre stem.Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het werd plotseling stil, doodstil!Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te komen! Zij hadden hem belasterd,—zij, mogelijk met hunne honderden!En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met vermagerde en verbleekte wangen.„Wat beduidt die oploop voor mijne deur, mannen?” vroeg hij met eene houding vol waardigheid en kalmte, doch met eenigszinsonvaste, ja, bijna trillende stem.„Er staat een lijk van eenen hongerlijder voor uwe deur, Burgemeester,” zeide Mandenmaker.„Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!”„Maar die man is van den honger gestorven, Burgemeester,” riep Jaspersz.„Hij is de eenige niet. Iederen dag sterven er zeer velen. Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers eischen,” antwoordde van der Werff bedaard geworden op waardigen toon.„Maar dat is uwe schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad niet overgeven! Zie ons aan! Zijn wij mannen? Oude vrouwen zijn we, niets meer! Zie onze vrouwen! Zij sterven voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we hen van honger doen omkomen!”„Ja, brood, brood moeten we hebben,” klonk hierop een schorre kreet.„Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert.”„Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burgemeester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden! Met eene volle maag valt het geduld-hebben niet moeielijk! Geef ons van uwen overvloed, ons en de driehonderd mannen en vrouwen uit wier naam wij spreken! Kom met uwe tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!”„Ja, ja, geef ons van uwen overvloed! Wij sterven van honger! Brood, brood!” gilde de menigte, die steeds grooter werd.„Hier, moordenaar!” kreesch eene vrouw en drong zich door de mannen heen, tot ze vlak voor van der Werff stond, „hier, moordenaar! Zie, dit kind is heden morgen mij op den arm gestorven, en zijn laatste woord was: „Honger, brood, brood!” Dat is jouw schuld! Jij hebt mijn lieveling den weg naar het kerkhof gewezen!”„Het leven van ons allen is in de hand des Heeren, vrouw,” antwoordde van der Werff weer.„Houd die zedenpreeken voor je-zelven,” riep de vrouw, van Moedersmart radeloos. „Wij vragen geene preeken! Wij vragen brood! Brood, verstaat gij?”„Ja, brood moeten we hebben! Hoort ge, brood,” klonk het weer van alle kanten.„Ik heb het niet,” sprak de Burgemeester kalm.„Geef de stad dan over,” schreeuwde Mandenmaker, „dan hebben wij te eten!”„Hoort, mannen en vrouwen van Leiden, hoort!” sprak thans van der Werff, en zijne stem rolde weer krachtig, vol en vast over de hoofden der woelende menigte. „Eens heb ik den eed gedaan aan het Vaderland en deze Stad, en dien eed zal ik houden, zoolang ik leef! Ik zeide dit reeds op eenen anderen keer, en ik herhaal het nòg eens, dat gij liet allen hoort, dien eed breek ik nooit, hoort gijlieden het? Nooit, neen, nooit!„Gij vraagt om brood! Ik heb het niet! Ik en de mijnen lijden zoo goed gebrek, als een uwer! Maar hebt gij honger, hier is mijn lichaam, deelt het onder u allen en eet het op. Voor het Vaderland te sterven is schooner, dan er in schande voor te leven! Hier is mijn degen! Stoot toe! Ik geef mij aan u over; maar zoolang ik leef, geef ik de stad Leiden niet aan den Spanjaard!”Hierop bood hij Mandenmaker zijnen degen aan, doch deze trad beschaamd terug en met hem het grootste deel der ontevredenen.De enkele kreten van: „Brood! brood!” werden verdoofd door het geroep van: „Neen, neen, we sterven dan van honger! Wij geven Leiden niet over! Leve de Burgemeester! Leve de wakkere Pieter Adriaensz.!”Maar toch klonk tusschen al dat gejuich van den wuften hoop, als dierengebrul tusschen mooie muziek, de kreet van het stervende kind en de zieltogende moeder: „Honger! honger!—Brood! brood!”„Hier, vrouw,” zeide Cornelis tot eene arme weduwe, wier man in eenen uitval tegen de Spanjaarden gesneuveld was, „hier vrouw, hier is brood!”En de knaap schonk het laatste stuk van zijn aandeel in den medegebrachten voorraad, helaas, te spoedig op, weg aan eene, die het naar zijne meening meer noodig haddan hij! Dit geschiedde den twintigsten van Herfstmaand. Nog twee weken werd dat ontzettende lijden, elken dag grooter wordend, geleden! Den hoed af voor zulke helden en heldinnen!
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Burgemeester van der Werff.Het gerucht dat er bij Burgemeester van der Werff vleesch gebraden en gegeten was, liep door heel de stad en het stemde hen, die tot op dit oogenblik nog van geene overgave hadden willen hooren, wel wat ontevreden, want dat men ten huize van den Burgemeester een schoothondje gebraden en gegeten had, werd niet algemeen geloofd.Van die ontevreden stemming onder de goedgezinden trachtten degenen, die de stad reeds lang geleden hadden willen overgeven, gebruik te maken. Ze wisten toen reeds dat het in troebel water goed visschen is.Onder hen, die daartoe het ijverigst in de weer waren, bevond zich Mandenmaker.„Goeden morgen, Bleiswijck,” zeide hij den volgenden voormiddag toen hij dezen op straat ontmoette. „Goeden morgen, man! Hoe stelt gij het leven, maat? Ik heb u in langen tijd niet gezien.”„Och, hoe zou het gaan, Mandenmaker? Wie is er tegenwoordig gezond? Ik had nooit gedacht, dat hongerlijden zulk eene vreeselijke ziekte is!”„Tut-tut, man, gij moet zoo gauw niet klagen! Weet gij, wat ik gisteren gegeten heb?”„Neen!”„Wijngaardbladeren met zout en stijfsel! Het smaakt voor een keertje vrij goed. Vanmiddag zal mijne vrouw eens een potje koken van koolstronken; maar omdat ik niet van kool houd, krijg ik gestoofde bladeren van eenen pereboom!”„Maar, Mandenmaker, is dat wáár?”„Zeker, Bleiswijck, zeker! Komt gij vanmiddag mee-eten, dan kunt gij zelf oordeelen hoe het smaakt.”„Nu, ik geloof, dat uw pot dan nog altijd beter zal zijn dan de mijne; want mijne vrouw kookt vanmiddag voor de achtste maal vleeschsoep van een pond paardenvleesch, dat ik verleden week nog zoo goed als gestolen heb!”„Jongen, jongen, wat ge zegt! Maar van vleesch gesproken! Hebt gij het ook gehoord, wat ze van Burgemeester Pieter Adriaensz. vertellen?”„Dat hij eenen gebraden hond heeft gegeten?”„Neen, man, ze zeggen, dat hij iederen dag versch rundvleesch op tafel heeft! Het is schande om dat van dien braven, eerlijken en ronden man te vertellen! Maar, al ware het ook zoo, wat is het dan nog? Een Burgemeester mag toch wel wat meer hebben dan een gewoon mensch!”„Met uw verlof, Mandenmaker, als het op stuk van zaken aankomt, dan is een Burgemeester niets meer dan een gewoon poorter, en, àls het waar is, dat hij iederen middag versch rundvleesch eet, dan....”„Hei, hei, Bleiswijck, dan doet gij nog niets! Maar wees verzekerd, goede man, dat gij het fijne van de zaak nooit te weten zult komen. Pieter Adriaensz. is Mennoniet, en die Mennonieten, daar behoef ik u niets meer van te zeggen, daar weet gij alles van!”„Nu, maar Mennoniet of Paapsch, ziet ge, daar maal ik niet om. Ik wil weten of het waar is, wat gij mij daar verteld hebt!”„Och kom, goede vriend, gij moet wat door de vingers willen zien ook! Bedenk, dat de man zooveel voor onze goede stad gedaan heeft, en dat hij....”„Hoor, Mandenmaker, ik wilde wel, dat gij nu maar over de geheele zaak zweegt! Ik weet, wat ik doen zal en daarmeê uit! Goê-morgen!”„Goê-morgen,” antwoordde de lasteraar en wreef zich vergenoegd in de handen, dat hij er al vast één het hoofd had warm gemaakt.Juist wilde Mandenmaker naar huis gaan, toen Cornelis Joppensz. aankwam.„Jongens,” dacht de kwaadspreker, „als ik dien vlegel eens aan mijn snoer kon krijgen, dan had ik veel gewonnen! Met eene bende straatjongens doet men soms meer, dan met een vendel musketiers!”Zoodra Cornelis onder zijn gehoor was, riep hij al: „Zoo, Cornelis, gij zijt ook al heel wat opgedund sedert den dag, dat gij van de vrijbuiters terugkwaamt! Jongen, toen zaagt gij er zóó goed uit, dat het mij verwonderde, dat men u ongemoeid langs de straat liet gaan.”„Toch altijd nog dikker dan jij, Mandenmaker! Want jij kunt haast met de konijnen door de tralies eten!”„Wacht maar, manneke, die lust tot spotten zal wel overgegaan zijn, als we een paar dagen verder zijn!”„Als we dan nog leven, Mandenmaker! Het is tegenwoordig een bange tijd!”„Ja, dat is het, Cornelis! Dat beleg zullen we onthouden, hoor! Ik wil ten minste eerlijk bekennen, dat ik naar het einde verlang; want waar het heen moet, ik weet het niet!”„Ik ken er anders wel, die meer dan eene maand geleden al beproefd hebben, of ze de stad niet in handen der vijanden konden brengen,” zeide Cornelis en keek Mandenmaker vlak in zijn gezicht.„Is het waar, mijn jongen? Maar dan hadt gij het den Magistraat moeten zeggen, want zulke dingen mag men niet zwijgen. Dat is oproer maken. Ik zei het zoo even ook nog tegen Bleiswijck, die daar ginder gaat. Die man dacht,dat men van eenen Burgemeester gerust alles kon zeggen, wat waar is!”„Dat mag men ook!”„Ei, moogt gij dan zeggen, dat Burgemeester Adriaensz. iederen middag versch rundvleesch eet?”„Neen; want dat is ook eene leugen!”„Ze zeggen het dan toch maar! Het is schande! En dat van dien braven man!”„Weet je, wat je dan doen moet, Mandenmaker, als ze je dat vertellen?”„Ik niet! Weet jij er wat op?”„Wel zeker! Den eersten, den besten, die mij zulke leugens op de mouw wil spelden, zal ik een pak ransel geven, dat hem alles groen en geel voor de oogen wordt!”„Zoo, zoo, zou-je dat? Ei, ei!”„Ik wel, en doe dat ook maar, hoor! Dag, Mandenmaker!” antwoordde Cornelis en ging verder.„Die jongen heeft me een beetje te veel snaps! Wij moesten hem die kunsten eens wat afleeren,” bromde de huichelaar, en, kwaad op zichzelven, dat hij voor zulk eenen baardeloozen knaap het onderspit had moeten delven, ging hij zijnen nood klagen bij Jaspersz., „Roode Jaap” en dergelijken.Hier vond hij een gretig luisterend oor en gedienstige geesten, die overal, waar ze slechts konden, de tweedracht bevorderden.„Weet ge wat we doen moesten, „Roode Jaap?” vroeg Mandenmaker.„Als ik honger heb, weet ik niet met al. Weet gij wat, vertel op dan!”„Dat geloof ik wel. Kijk, er sterven er tegenwoordig zooveel van den honger en het is geen wonder, als men langs de straat gaat, dat men er hier of daar een vindt liggen, die dood is. Als we nu vannacht zulk een lijk vinden, dan zullen we dat tegen de deur van dien van der Werff zetten.Gij begrijpt, dat zoo iets in de stad heel wat zal te doen geven!”„Gij zijt toch rechtaf een slimmerd, Mandenmaker,” sprak Jaspersz. „Dat zullen we doen! En dan zal men zien hoe de gemeente op onze hand is!”Na dit afgesproken te hebben, ging men naar huis en den anderen morgen reeds in de vroegte, liep iedereen naar de Marendorps-Achtergracht, waar voor de deur van Burgemeester Pieter Adriaensz. iets vreeselijks te zien was.Wat nog gaan kon, ging er heen, en die menigte daar, zich bewegende op de nauwe gracht, leverde een akelig schouwspel op.Het was bijna eene verzameling van geraamten!„Brood! brood!” klonk het hier.„De Burgemeester moet voorkomen!” klonk het daar. „We komen hem brood vragen, ja, droog brood!”„Loopt de deur open! Plundert zijne kelders en haalt het gebraden vleesch van zijne tafel! Hij leeft in weelde, en wij, onze vrouwen en kinderen, sterven van honger! Loopt open de deur! Brood! Brood!” riep elders eene schorre stem.Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het werd plotseling stil, doodstil!Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te komen! Zij hadden hem belasterd,—zij, mogelijk met hunne honderden!En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met vermagerde en verbleekte wangen.„Wat beduidt die oploop voor mijne deur, mannen?” vroeg hij met eene houding vol waardigheid en kalmte, doch met eenigszinsonvaste, ja, bijna trillende stem.„Er staat een lijk van eenen hongerlijder voor uwe deur, Burgemeester,” zeide Mandenmaker.„Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!”„Maar die man is van den honger gestorven, Burgemeester,” riep Jaspersz.„Hij is de eenige niet. Iederen dag sterven er zeer velen. Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers eischen,” antwoordde van der Werff bedaard geworden op waardigen toon.„Maar dat is uwe schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad niet overgeven! Zie ons aan! Zijn wij mannen? Oude vrouwen zijn we, niets meer! Zie onze vrouwen! Zij sterven voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we hen van honger doen omkomen!”„Ja, brood, brood moeten we hebben,” klonk hierop een schorre kreet.„Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert.”„Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burgemeester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden! Met eene volle maag valt het geduld-hebben niet moeielijk! Geef ons van uwen overvloed, ons en de driehonderd mannen en vrouwen uit wier naam wij spreken! Kom met uwe tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!”„Ja, ja, geef ons van uwen overvloed! Wij sterven van honger! Brood, brood!” gilde de menigte, die steeds grooter werd.„Hier, moordenaar!” kreesch eene vrouw en drong zich door de mannen heen, tot ze vlak voor van der Werff stond, „hier, moordenaar! Zie, dit kind is heden morgen mij op den arm gestorven, en zijn laatste woord was: „Honger, brood, brood!” Dat is jouw schuld! Jij hebt mijn lieveling den weg naar het kerkhof gewezen!”„Het leven van ons allen is in de hand des Heeren, vrouw,” antwoordde van der Werff weer.„Houd die zedenpreeken voor je-zelven,” riep de vrouw, van Moedersmart radeloos. „Wij vragen geene preeken! Wij vragen brood! Brood, verstaat gij?”„Ja, brood moeten we hebben! Hoort ge, brood,” klonk het weer van alle kanten.„Ik heb het niet,” sprak de Burgemeester kalm.„Geef de stad dan over,” schreeuwde Mandenmaker, „dan hebben wij te eten!”„Hoort, mannen en vrouwen van Leiden, hoort!” sprak thans van der Werff, en zijne stem rolde weer krachtig, vol en vast over de hoofden der woelende menigte. „Eens heb ik den eed gedaan aan het Vaderland en deze Stad, en dien eed zal ik houden, zoolang ik leef! Ik zeide dit reeds op eenen anderen keer, en ik herhaal het nòg eens, dat gij liet allen hoort, dien eed breek ik nooit, hoort gijlieden het? Nooit, neen, nooit!„Gij vraagt om brood! Ik heb het niet! Ik en de mijnen lijden zoo goed gebrek, als een uwer! Maar hebt gij honger, hier is mijn lichaam, deelt het onder u allen en eet het op. Voor het Vaderland te sterven is schooner, dan er in schande voor te leven! Hier is mijn degen! Stoot toe! Ik geef mij aan u over; maar zoolang ik leef, geef ik de stad Leiden niet aan den Spanjaard!”Hierop bood hij Mandenmaker zijnen degen aan, doch deze trad beschaamd terug en met hem het grootste deel der ontevredenen.De enkele kreten van: „Brood! brood!” werden verdoofd door het geroep van: „Neen, neen, we sterven dan van honger! Wij geven Leiden niet over! Leve de Burgemeester! Leve de wakkere Pieter Adriaensz.!”Maar toch klonk tusschen al dat gejuich van den wuften hoop, als dierengebrul tusschen mooie muziek, de kreet van het stervende kind en de zieltogende moeder: „Honger! honger!—Brood! brood!”„Hier, vrouw,” zeide Cornelis tot eene arme weduwe, wier man in eenen uitval tegen de Spanjaarden gesneuveld was, „hier vrouw, hier is brood!”En de knaap schonk het laatste stuk van zijn aandeel in den medegebrachten voorraad, helaas, te spoedig op, weg aan eene, die het naar zijne meening meer noodig haddan hij! Dit geschiedde den twintigsten van Herfstmaand. Nog twee weken werd dat ontzettende lijden, elken dag grooter wordend, geleden! Den hoed af voor zulke helden en heldinnen!
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Burgemeester van der Werff.
Het gerucht dat er bij Burgemeester van der Werff vleesch gebraden en gegeten was, liep door heel de stad en het stemde hen, die tot op dit oogenblik nog van geene overgave hadden willen hooren, wel wat ontevreden, want dat men ten huize van den Burgemeester een schoothondje gebraden en gegeten had, werd niet algemeen geloofd.Van die ontevreden stemming onder de goedgezinden trachtten degenen, die de stad reeds lang geleden hadden willen overgeven, gebruik te maken. Ze wisten toen reeds dat het in troebel water goed visschen is.Onder hen, die daartoe het ijverigst in de weer waren, bevond zich Mandenmaker.„Goeden morgen, Bleiswijck,” zeide hij den volgenden voormiddag toen hij dezen op straat ontmoette. „Goeden morgen, man! Hoe stelt gij het leven, maat? Ik heb u in langen tijd niet gezien.”„Och, hoe zou het gaan, Mandenmaker? Wie is er tegenwoordig gezond? Ik had nooit gedacht, dat hongerlijden zulk eene vreeselijke ziekte is!”„Tut-tut, man, gij moet zoo gauw niet klagen! Weet gij, wat ik gisteren gegeten heb?”„Neen!”„Wijngaardbladeren met zout en stijfsel! Het smaakt voor een keertje vrij goed. Vanmiddag zal mijne vrouw eens een potje koken van koolstronken; maar omdat ik niet van kool houd, krijg ik gestoofde bladeren van eenen pereboom!”„Maar, Mandenmaker, is dat wáár?”„Zeker, Bleiswijck, zeker! Komt gij vanmiddag mee-eten, dan kunt gij zelf oordeelen hoe het smaakt.”„Nu, ik geloof, dat uw pot dan nog altijd beter zal zijn dan de mijne; want mijne vrouw kookt vanmiddag voor de achtste maal vleeschsoep van een pond paardenvleesch, dat ik verleden week nog zoo goed als gestolen heb!”„Jongen, jongen, wat ge zegt! Maar van vleesch gesproken! Hebt gij het ook gehoord, wat ze van Burgemeester Pieter Adriaensz. vertellen?”„Dat hij eenen gebraden hond heeft gegeten?”„Neen, man, ze zeggen, dat hij iederen dag versch rundvleesch op tafel heeft! Het is schande om dat van dien braven, eerlijken en ronden man te vertellen! Maar, al ware het ook zoo, wat is het dan nog? Een Burgemeester mag toch wel wat meer hebben dan een gewoon mensch!”„Met uw verlof, Mandenmaker, als het op stuk van zaken aankomt, dan is een Burgemeester niets meer dan een gewoon poorter, en, àls het waar is, dat hij iederen middag versch rundvleesch eet, dan....”„Hei, hei, Bleiswijck, dan doet gij nog niets! Maar wees verzekerd, goede man, dat gij het fijne van de zaak nooit te weten zult komen. Pieter Adriaensz. is Mennoniet, en die Mennonieten, daar behoef ik u niets meer van te zeggen, daar weet gij alles van!”„Nu, maar Mennoniet of Paapsch, ziet ge, daar maal ik niet om. Ik wil weten of het waar is, wat gij mij daar verteld hebt!”„Och kom, goede vriend, gij moet wat door de vingers willen zien ook! Bedenk, dat de man zooveel voor onze goede stad gedaan heeft, en dat hij....”„Hoor, Mandenmaker, ik wilde wel, dat gij nu maar over de geheele zaak zweegt! Ik weet, wat ik doen zal en daarmeê uit! Goê-morgen!”„Goê-morgen,” antwoordde de lasteraar en wreef zich vergenoegd in de handen, dat hij er al vast één het hoofd had warm gemaakt.Juist wilde Mandenmaker naar huis gaan, toen Cornelis Joppensz. aankwam.„Jongens,” dacht de kwaadspreker, „als ik dien vlegel eens aan mijn snoer kon krijgen, dan had ik veel gewonnen! Met eene bende straatjongens doet men soms meer, dan met een vendel musketiers!”Zoodra Cornelis onder zijn gehoor was, riep hij al: „Zoo, Cornelis, gij zijt ook al heel wat opgedund sedert den dag, dat gij van de vrijbuiters terugkwaamt! Jongen, toen zaagt gij er zóó goed uit, dat het mij verwonderde, dat men u ongemoeid langs de straat liet gaan.”„Toch altijd nog dikker dan jij, Mandenmaker! Want jij kunt haast met de konijnen door de tralies eten!”„Wacht maar, manneke, die lust tot spotten zal wel overgegaan zijn, als we een paar dagen verder zijn!”„Als we dan nog leven, Mandenmaker! Het is tegenwoordig een bange tijd!”„Ja, dat is het, Cornelis! Dat beleg zullen we onthouden, hoor! Ik wil ten minste eerlijk bekennen, dat ik naar het einde verlang; want waar het heen moet, ik weet het niet!”„Ik ken er anders wel, die meer dan eene maand geleden al beproefd hebben, of ze de stad niet in handen der vijanden konden brengen,” zeide Cornelis en keek Mandenmaker vlak in zijn gezicht.„Is het waar, mijn jongen? Maar dan hadt gij het den Magistraat moeten zeggen, want zulke dingen mag men niet zwijgen. Dat is oproer maken. Ik zei het zoo even ook nog tegen Bleiswijck, die daar ginder gaat. Die man dacht,dat men van eenen Burgemeester gerust alles kon zeggen, wat waar is!”„Dat mag men ook!”„Ei, moogt gij dan zeggen, dat Burgemeester Adriaensz. iederen middag versch rundvleesch eet?”„Neen; want dat is ook eene leugen!”„Ze zeggen het dan toch maar! Het is schande! En dat van dien braven man!”„Weet je, wat je dan doen moet, Mandenmaker, als ze je dat vertellen?”„Ik niet! Weet jij er wat op?”„Wel zeker! Den eersten, den besten, die mij zulke leugens op de mouw wil spelden, zal ik een pak ransel geven, dat hem alles groen en geel voor de oogen wordt!”„Zoo, zoo, zou-je dat? Ei, ei!”„Ik wel, en doe dat ook maar, hoor! Dag, Mandenmaker!” antwoordde Cornelis en ging verder.„Die jongen heeft me een beetje te veel snaps! Wij moesten hem die kunsten eens wat afleeren,” bromde de huichelaar, en, kwaad op zichzelven, dat hij voor zulk eenen baardeloozen knaap het onderspit had moeten delven, ging hij zijnen nood klagen bij Jaspersz., „Roode Jaap” en dergelijken.Hier vond hij een gretig luisterend oor en gedienstige geesten, die overal, waar ze slechts konden, de tweedracht bevorderden.„Weet ge wat we doen moesten, „Roode Jaap?” vroeg Mandenmaker.„Als ik honger heb, weet ik niet met al. Weet gij wat, vertel op dan!”„Dat geloof ik wel. Kijk, er sterven er tegenwoordig zooveel van den honger en het is geen wonder, als men langs de straat gaat, dat men er hier of daar een vindt liggen, die dood is. Als we nu vannacht zulk een lijk vinden, dan zullen we dat tegen de deur van dien van der Werff zetten.Gij begrijpt, dat zoo iets in de stad heel wat zal te doen geven!”„Gij zijt toch rechtaf een slimmerd, Mandenmaker,” sprak Jaspersz. „Dat zullen we doen! En dan zal men zien hoe de gemeente op onze hand is!”Na dit afgesproken te hebben, ging men naar huis en den anderen morgen reeds in de vroegte, liep iedereen naar de Marendorps-Achtergracht, waar voor de deur van Burgemeester Pieter Adriaensz. iets vreeselijks te zien was.Wat nog gaan kon, ging er heen, en die menigte daar, zich bewegende op de nauwe gracht, leverde een akelig schouwspel op.Het was bijna eene verzameling van geraamten!„Brood! brood!” klonk het hier.„De Burgemeester moet voorkomen!” klonk het daar. „We komen hem brood vragen, ja, droog brood!”„Loopt de deur open! Plundert zijne kelders en haalt het gebraden vleesch van zijne tafel! Hij leeft in weelde, en wij, onze vrouwen en kinderen, sterven van honger! Loopt open de deur! Brood! Brood!” riep elders eene schorre stem.Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het werd plotseling stil, doodstil!Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te komen! Zij hadden hem belasterd,—zij, mogelijk met hunne honderden!En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met vermagerde en verbleekte wangen.„Wat beduidt die oploop voor mijne deur, mannen?” vroeg hij met eene houding vol waardigheid en kalmte, doch met eenigszinsonvaste, ja, bijna trillende stem.„Er staat een lijk van eenen hongerlijder voor uwe deur, Burgemeester,” zeide Mandenmaker.„Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!”„Maar die man is van den honger gestorven, Burgemeester,” riep Jaspersz.„Hij is de eenige niet. Iederen dag sterven er zeer velen. Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers eischen,” antwoordde van der Werff bedaard geworden op waardigen toon.„Maar dat is uwe schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad niet overgeven! Zie ons aan! Zijn wij mannen? Oude vrouwen zijn we, niets meer! Zie onze vrouwen! Zij sterven voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we hen van honger doen omkomen!”„Ja, brood, brood moeten we hebben,” klonk hierop een schorre kreet.„Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert.”„Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burgemeester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden! Met eene volle maag valt het geduld-hebben niet moeielijk! Geef ons van uwen overvloed, ons en de driehonderd mannen en vrouwen uit wier naam wij spreken! Kom met uwe tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!”„Ja, ja, geef ons van uwen overvloed! Wij sterven van honger! Brood, brood!” gilde de menigte, die steeds grooter werd.„Hier, moordenaar!” kreesch eene vrouw en drong zich door de mannen heen, tot ze vlak voor van der Werff stond, „hier, moordenaar! Zie, dit kind is heden morgen mij op den arm gestorven, en zijn laatste woord was: „Honger, brood, brood!” Dat is jouw schuld! Jij hebt mijn lieveling den weg naar het kerkhof gewezen!”„Het leven van ons allen is in de hand des Heeren, vrouw,” antwoordde van der Werff weer.„Houd die zedenpreeken voor je-zelven,” riep de vrouw, van Moedersmart radeloos. „Wij vragen geene preeken! Wij vragen brood! Brood, verstaat gij?”„Ja, brood moeten we hebben! Hoort ge, brood,” klonk het weer van alle kanten.„Ik heb het niet,” sprak de Burgemeester kalm.„Geef de stad dan over,” schreeuwde Mandenmaker, „dan hebben wij te eten!”„Hoort, mannen en vrouwen van Leiden, hoort!” sprak thans van der Werff, en zijne stem rolde weer krachtig, vol en vast over de hoofden der woelende menigte. „Eens heb ik den eed gedaan aan het Vaderland en deze Stad, en dien eed zal ik houden, zoolang ik leef! Ik zeide dit reeds op eenen anderen keer, en ik herhaal het nòg eens, dat gij liet allen hoort, dien eed breek ik nooit, hoort gijlieden het? Nooit, neen, nooit!„Gij vraagt om brood! Ik heb het niet! Ik en de mijnen lijden zoo goed gebrek, als een uwer! Maar hebt gij honger, hier is mijn lichaam, deelt het onder u allen en eet het op. Voor het Vaderland te sterven is schooner, dan er in schande voor te leven! Hier is mijn degen! Stoot toe! Ik geef mij aan u over; maar zoolang ik leef, geef ik de stad Leiden niet aan den Spanjaard!”Hierop bood hij Mandenmaker zijnen degen aan, doch deze trad beschaamd terug en met hem het grootste deel der ontevredenen.De enkele kreten van: „Brood! brood!” werden verdoofd door het geroep van: „Neen, neen, we sterven dan van honger! Wij geven Leiden niet over! Leve de Burgemeester! Leve de wakkere Pieter Adriaensz.!”Maar toch klonk tusschen al dat gejuich van den wuften hoop, als dierengebrul tusschen mooie muziek, de kreet van het stervende kind en de zieltogende moeder: „Honger! honger!—Brood! brood!”„Hier, vrouw,” zeide Cornelis tot eene arme weduwe, wier man in eenen uitval tegen de Spanjaarden gesneuveld was, „hier vrouw, hier is brood!”En de knaap schonk het laatste stuk van zijn aandeel in den medegebrachten voorraad, helaas, te spoedig op, weg aan eene, die het naar zijne meening meer noodig haddan hij! Dit geschiedde den twintigsten van Herfstmaand. Nog twee weken werd dat ontzettende lijden, elken dag grooter wordend, geleden! Den hoed af voor zulke helden en heldinnen!
Het gerucht dat er bij Burgemeester van der Werff vleesch gebraden en gegeten was, liep door heel de stad en het stemde hen, die tot op dit oogenblik nog van geene overgave hadden willen hooren, wel wat ontevreden, want dat men ten huize van den Burgemeester een schoothondje gebraden en gegeten had, werd niet algemeen geloofd.
Van die ontevreden stemming onder de goedgezinden trachtten degenen, die de stad reeds lang geleden hadden willen overgeven, gebruik te maken. Ze wisten toen reeds dat het in troebel water goed visschen is.
Onder hen, die daartoe het ijverigst in de weer waren, bevond zich Mandenmaker.
„Goeden morgen, Bleiswijck,” zeide hij den volgenden voormiddag toen hij dezen op straat ontmoette. „Goeden morgen, man! Hoe stelt gij het leven, maat? Ik heb u in langen tijd niet gezien.”
„Och, hoe zou het gaan, Mandenmaker? Wie is er tegenwoordig gezond? Ik had nooit gedacht, dat hongerlijden zulk eene vreeselijke ziekte is!”
„Tut-tut, man, gij moet zoo gauw niet klagen! Weet gij, wat ik gisteren gegeten heb?”
„Neen!”
„Wijngaardbladeren met zout en stijfsel! Het smaakt voor een keertje vrij goed. Vanmiddag zal mijne vrouw eens een potje koken van koolstronken; maar omdat ik niet van kool houd, krijg ik gestoofde bladeren van eenen pereboom!”
„Maar, Mandenmaker, is dat wáár?”
„Zeker, Bleiswijck, zeker! Komt gij vanmiddag mee-eten, dan kunt gij zelf oordeelen hoe het smaakt.”
„Nu, ik geloof, dat uw pot dan nog altijd beter zal zijn dan de mijne; want mijne vrouw kookt vanmiddag voor de achtste maal vleeschsoep van een pond paardenvleesch, dat ik verleden week nog zoo goed als gestolen heb!”
„Jongen, jongen, wat ge zegt! Maar van vleesch gesproken! Hebt gij het ook gehoord, wat ze van Burgemeester Pieter Adriaensz. vertellen?”
„Dat hij eenen gebraden hond heeft gegeten?”
„Neen, man, ze zeggen, dat hij iederen dag versch rundvleesch op tafel heeft! Het is schande om dat van dien braven, eerlijken en ronden man te vertellen! Maar, al ware het ook zoo, wat is het dan nog? Een Burgemeester mag toch wel wat meer hebben dan een gewoon mensch!”
„Met uw verlof, Mandenmaker, als het op stuk van zaken aankomt, dan is een Burgemeester niets meer dan een gewoon poorter, en, àls het waar is, dat hij iederen middag versch rundvleesch eet, dan....”
„Hei, hei, Bleiswijck, dan doet gij nog niets! Maar wees verzekerd, goede man, dat gij het fijne van de zaak nooit te weten zult komen. Pieter Adriaensz. is Mennoniet, en die Mennonieten, daar behoef ik u niets meer van te zeggen, daar weet gij alles van!”
„Nu, maar Mennoniet of Paapsch, ziet ge, daar maal ik niet om. Ik wil weten of het waar is, wat gij mij daar verteld hebt!”
„Och kom, goede vriend, gij moet wat door de vingers willen zien ook! Bedenk, dat de man zooveel voor onze goede stad gedaan heeft, en dat hij....”
„Hoor, Mandenmaker, ik wilde wel, dat gij nu maar over de geheele zaak zweegt! Ik weet, wat ik doen zal en daarmeê uit! Goê-morgen!”
„Goê-morgen,” antwoordde de lasteraar en wreef zich vergenoegd in de handen, dat hij er al vast één het hoofd had warm gemaakt.
Juist wilde Mandenmaker naar huis gaan, toen Cornelis Joppensz. aankwam.
„Jongens,” dacht de kwaadspreker, „als ik dien vlegel eens aan mijn snoer kon krijgen, dan had ik veel gewonnen! Met eene bende straatjongens doet men soms meer, dan met een vendel musketiers!”
Zoodra Cornelis onder zijn gehoor was, riep hij al: „Zoo, Cornelis, gij zijt ook al heel wat opgedund sedert den dag, dat gij van de vrijbuiters terugkwaamt! Jongen, toen zaagt gij er zóó goed uit, dat het mij verwonderde, dat men u ongemoeid langs de straat liet gaan.”
„Toch altijd nog dikker dan jij, Mandenmaker! Want jij kunt haast met de konijnen door de tralies eten!”
„Wacht maar, manneke, die lust tot spotten zal wel overgegaan zijn, als we een paar dagen verder zijn!”
„Als we dan nog leven, Mandenmaker! Het is tegenwoordig een bange tijd!”
„Ja, dat is het, Cornelis! Dat beleg zullen we onthouden, hoor! Ik wil ten minste eerlijk bekennen, dat ik naar het einde verlang; want waar het heen moet, ik weet het niet!”
„Ik ken er anders wel, die meer dan eene maand geleden al beproefd hebben, of ze de stad niet in handen der vijanden konden brengen,” zeide Cornelis en keek Mandenmaker vlak in zijn gezicht.
„Is het waar, mijn jongen? Maar dan hadt gij het den Magistraat moeten zeggen, want zulke dingen mag men niet zwijgen. Dat is oproer maken. Ik zei het zoo even ook nog tegen Bleiswijck, die daar ginder gaat. Die man dacht,dat men van eenen Burgemeester gerust alles kon zeggen, wat waar is!”
„Dat mag men ook!”
„Ei, moogt gij dan zeggen, dat Burgemeester Adriaensz. iederen middag versch rundvleesch eet?”
„Neen; want dat is ook eene leugen!”
„Ze zeggen het dan toch maar! Het is schande! En dat van dien braven man!”
„Weet je, wat je dan doen moet, Mandenmaker, als ze je dat vertellen?”
„Ik niet! Weet jij er wat op?”
„Wel zeker! Den eersten, den besten, die mij zulke leugens op de mouw wil spelden, zal ik een pak ransel geven, dat hem alles groen en geel voor de oogen wordt!”
„Zoo, zoo, zou-je dat? Ei, ei!”
„Ik wel, en doe dat ook maar, hoor! Dag, Mandenmaker!” antwoordde Cornelis en ging verder.
„Die jongen heeft me een beetje te veel snaps! Wij moesten hem die kunsten eens wat afleeren,” bromde de huichelaar, en, kwaad op zichzelven, dat hij voor zulk eenen baardeloozen knaap het onderspit had moeten delven, ging hij zijnen nood klagen bij Jaspersz., „Roode Jaap” en dergelijken.
Hier vond hij een gretig luisterend oor en gedienstige geesten, die overal, waar ze slechts konden, de tweedracht bevorderden.
„Weet ge wat we doen moesten, „Roode Jaap?” vroeg Mandenmaker.
„Als ik honger heb, weet ik niet met al. Weet gij wat, vertel op dan!”
„Dat geloof ik wel. Kijk, er sterven er tegenwoordig zooveel van den honger en het is geen wonder, als men langs de straat gaat, dat men er hier of daar een vindt liggen, die dood is. Als we nu vannacht zulk een lijk vinden, dan zullen we dat tegen de deur van dien van der Werff zetten.Gij begrijpt, dat zoo iets in de stad heel wat zal te doen geven!”
„Gij zijt toch rechtaf een slimmerd, Mandenmaker,” sprak Jaspersz. „Dat zullen we doen! En dan zal men zien hoe de gemeente op onze hand is!”
Na dit afgesproken te hebben, ging men naar huis en den anderen morgen reeds in de vroegte, liep iedereen naar de Marendorps-Achtergracht, waar voor de deur van Burgemeester Pieter Adriaensz. iets vreeselijks te zien was.
Wat nog gaan kon, ging er heen, en die menigte daar, zich bewegende op de nauwe gracht, leverde een akelig schouwspel op.
Het was bijna eene verzameling van geraamten!
„Brood! brood!” klonk het hier.
„De Burgemeester moet voorkomen!” klonk het daar. „We komen hem brood vragen, ja, droog brood!”
„Loopt de deur open! Plundert zijne kelders en haalt het gebraden vleesch van zijne tafel! Hij leeft in weelde, en wij, onze vrouwen en kinderen, sterven van honger! Loopt open de deur! Brood! Brood!” riep elders eene schorre stem.
Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het werd plotseling stil, doodstil!
Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te komen! Zij hadden hem belasterd,—zij, mogelijk met hunne honderden!
En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met vermagerde en verbleekte wangen.
„Wat beduidt die oploop voor mijne deur, mannen?” vroeg hij met eene houding vol waardigheid en kalmte, doch met eenigszinsonvaste, ja, bijna trillende stem.
„Er staat een lijk van eenen hongerlijder voor uwe deur, Burgemeester,” zeide Mandenmaker.
„Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!”
„Maar die man is van den honger gestorven, Burgemeester,” riep Jaspersz.
„Hij is de eenige niet. Iederen dag sterven er zeer velen. Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers eischen,” antwoordde van der Werff bedaard geworden op waardigen toon.
„Maar dat is uwe schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad niet overgeven! Zie ons aan! Zijn wij mannen? Oude vrouwen zijn we, niets meer! Zie onze vrouwen! Zij sterven voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we hen van honger doen omkomen!”
„Ja, brood, brood moeten we hebben,” klonk hierop een schorre kreet.
„Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert.”
„Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burgemeester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden! Met eene volle maag valt het geduld-hebben niet moeielijk! Geef ons van uwen overvloed, ons en de driehonderd mannen en vrouwen uit wier naam wij spreken! Kom met uwe tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!”
„Ja, ja, geef ons van uwen overvloed! Wij sterven van honger! Brood, brood!” gilde de menigte, die steeds grooter werd.
„Hier, moordenaar!” kreesch eene vrouw en drong zich door de mannen heen, tot ze vlak voor van der Werff stond, „hier, moordenaar! Zie, dit kind is heden morgen mij op den arm gestorven, en zijn laatste woord was: „Honger, brood, brood!” Dat is jouw schuld! Jij hebt mijn lieveling den weg naar het kerkhof gewezen!”
„Het leven van ons allen is in de hand des Heeren, vrouw,” antwoordde van der Werff weer.
„Houd die zedenpreeken voor je-zelven,” riep de vrouw, van Moedersmart radeloos. „Wij vragen geene preeken! Wij vragen brood! Brood, verstaat gij?”
„Ja, brood moeten we hebben! Hoort ge, brood,” klonk het weer van alle kanten.
„Ik heb het niet,” sprak de Burgemeester kalm.
„Geef de stad dan over,” schreeuwde Mandenmaker, „dan hebben wij te eten!”
„Hoort, mannen en vrouwen van Leiden, hoort!” sprak thans van der Werff, en zijne stem rolde weer krachtig, vol en vast over de hoofden der woelende menigte. „Eens heb ik den eed gedaan aan het Vaderland en deze Stad, en dien eed zal ik houden, zoolang ik leef! Ik zeide dit reeds op eenen anderen keer, en ik herhaal het nòg eens, dat gij liet allen hoort, dien eed breek ik nooit, hoort gijlieden het? Nooit, neen, nooit!
„Gij vraagt om brood! Ik heb het niet! Ik en de mijnen lijden zoo goed gebrek, als een uwer! Maar hebt gij honger, hier is mijn lichaam, deelt het onder u allen en eet het op. Voor het Vaderland te sterven is schooner, dan er in schande voor te leven! Hier is mijn degen! Stoot toe! Ik geef mij aan u over; maar zoolang ik leef, geef ik de stad Leiden niet aan den Spanjaard!”
Hierop bood hij Mandenmaker zijnen degen aan, doch deze trad beschaamd terug en met hem het grootste deel der ontevredenen.
De enkele kreten van: „Brood! brood!” werden verdoofd door het geroep van: „Neen, neen, we sterven dan van honger! Wij geven Leiden niet over! Leve de Burgemeester! Leve de wakkere Pieter Adriaensz.!”
Maar toch klonk tusschen al dat gejuich van den wuften hoop, als dierengebrul tusschen mooie muziek, de kreet van het stervende kind en de zieltogende moeder: „Honger! honger!—Brood! brood!”
„Hier, vrouw,” zeide Cornelis tot eene arme weduwe, wier man in eenen uitval tegen de Spanjaarden gesneuveld was, „hier vrouw, hier is brood!”
En de knaap schonk het laatste stuk van zijn aandeel in den medegebrachten voorraad, helaas, te spoedig op, weg aan eene, die het naar zijne meening meer noodig haddan hij! Dit geschiedde den twintigsten van Herfstmaand. Nog twee weken werd dat ontzettende lijden, elken dag grooter wordend, geleden! Den hoed af voor zulke helden en heldinnen!