ELFDEHOOFDSTUK.Zonneschijn en regen.Maandag, de zevende van Zomermaand, zou voor de belegerden een heldere, zonnige dag zijn.Weer popelden de harten, ja, weer werden de oogen vochtig, toen van het Utrechtsche veer andermaal eene menigte schouwen, plempen, en tentsnebben zich in beweging stelde.Dat was eene vloot, eene oorlogsvloot binnen Leiden!Wie had het ooit kunnen denken, dat die eenvoudige vrachtschuiten nog eenmaal in kleine oorlogsbodems zouden herschapen worden, en dat de traag-stroomde Rijn eene kleine vloot, met vrijbuiters bemand, op zijnen rug zou dragen?En wie waren de voorsten van den tocht?Die daar met zijne breede schouders, zijn dik behaard aangezicht en den hoed met breeden rand op het hoofd, is Vader Van Keulen. Dat kleine, dikke kereltje, wiens oogen als twee kooltjes vuur van onder de borstelige wenkbrauwen komen kijken, is Van der Morsch en naast hem staat Van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrienden Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer en aan den glans, die op hunne blozende aangezichten ligt, is het te zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hunne hand is.Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Leiderdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Doesbrug de Does op te varen.Alles ging naar wensch en op het Haarlemmermeer ontmoetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren van dezen buit was niet veel eer te behalen; want de schippers,die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen, daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren en alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op geenen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles, zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het terugkeeren zou hun moed echter op eene zware proef gesteld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het afgesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed zouden houden tot eenen uitval.En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te bestoken.Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde ook „Pier Quaet-Gelaet.”„Leeuwke, Leeuwke!” schreeuwde Cornelis, „daar hebt ge dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen hem zijne bekomst eens geven!”„Dat is goed,” riep Leeuwke, „dien schelm nemen wij voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt, dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!”„Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voorschoten!” schreeuwde een Spaansch Hopman. „Vangt hem, mannen, levend of dood!”„Hoort ge het, Keesje, ze willen me vangen, als een spreeuw! Hier pak aan je lootje, en als gij niet genoeg hebt, opperbest, man, dan kunt gij nog meer krijgen,” riep Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard eenen haak op het hoofd.Intusschen was Van Schaeck op het voorste gedeelte van zijne schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouderwetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het lijf konden komen.„Frisch op, jongens!” riep hij. „Cornelis, gij levert vandaag uw proefstuk, verstaat gij? Dan is Vader Van Keulen tevreden.”„Dat zal ik,” antwoordde Cornelis, terwijl hij met de kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich afhield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.Daar klonk het schot van eene veldslang langs het water, en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien hadden, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken later werd er een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en de Zijlpoort.Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van Van Keulen.Cornelis had zijn musket weggesmeten en even als Leeuwke eenen haak genomen.Daar haakte hij eenen vijand in de kleeren en deze tuimelde in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.„Het is Pier!” riep Cornelis en springt overboord. De worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.„Wacht, Keesje, ik zal een handje helpen,” riep Leeuwke en zijnen haak in Piers wambuis slaande, zeide hij: „Al zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant op, beste jongen!”„Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld als gij maar hebben wilt,” schreeuwde Pier.„Ik heb geld genoeg, man, al leef ik geen half uur meer! Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te schillen,” riep Leeuwke.Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en voor de twee koene jongens zwichten.Daar tuimelde de laatste Spanjaard door Van Schaecks zwaard doodelijk getroffen, in het water.„Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboordhelpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei de jongen en hij haalde eene waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie! welkom aanboord, Pier! Nog welvarende sedert den laatsten tijd, dat we elkander gezien hebben? Maar man, wat zit het haar verward! Het lijkt wel een braambosch. Hier Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijne voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en naar zijne gezondheid vragen,” spotte Van Schaeck.Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie te verlossen en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als Van derMorschen Van Keulen niet toegeschoten waren. Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit, door de Leidenaars ontvangen.Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijne vermoeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open en vloog zijne Moeder om den hals.„Dat is eerst een dag geweest, Moedertje!” riep hij. „We hebben den Spanjool tarwe, rogge, honderdvijftig vaten boter, driehonderd hammen, honderd vaten bier, vijftien veldstukken en nog wat kruit en lood op den koop toe, ontnomen!”„Kind, kind, is het wel waar? En wilt ge mij niet blijde maken met eene doode musch?”„Neen, Moeder, het is waar, heusch en warempel waar! En dan hebben we nog wat! We hebben „Pier Quaet-Gelaet,” den Glipper, ook! Dag, Moeder!”„Waar gaat gij dan nu weer heen, kind?”„Ik moet toch zien, wat er met Pier gebeurt,” riep Cornelis en was al op straat.„Naar den Blauwen-steen, mannen, naar den Blauwen-steen,” hoorde Cornelis roepen toen hij op de Breedstraat kwam, waar honderden mannen en vrouwen zich van den Glipper hadden meester gemaakt en zich niet stoorden aan de bevelen van enkele Hoplieden, die zeiden, dat het uitoefenen van het recht aan den Magistraat toekwam.Eindelijk wist Jonker van der Does met zijne schutters de razende menigte tot staan en Pieter Van Wezel in handen te krijgen. Hij zag echter zeer goed in, dat het volk tot oproer zou kunnen overslaan, zoo men aarzelde den Glipper terstond zijn verraad met den dood te doen bekoopen. Hij liet dus den Magistraat zoo spoedig mogelijk roepen en midden op straat bij denBlauwen-Steenwerd de Glipper eerst ontpoorterd en daarna op eene buitengewoon wreedaardige wijze terdood gebracht.DieBlauwen-Steenlag in de Breedstraat tegenover de Maarsmansteeg en werd altijd tot dat doel gebruikt.Toen men den volgenden dag zag, dat de vijand weer druk in de weer was om de Lammenschans te voltooien, werd het volk, opgewonden door het krijgsgeluk op het Haarlemmermeer en op den Rijn, overmoedig en het meende, dat men even goed, zoo niet gemakkelijker, eene schans kon vernielen, als eene vloot met levensmiddelen binnen brengen. De Magistraat helde ook tot dat gevoelen over, en daarom werd er besloten om met zes plempen eenen uitval te doen om hetvoltooienvan die schans te beletten. Weer vochten onder hen, die den uitval deden, Van Keulen, Van Schaeck, Van der Morsch en de beide jongens als leeuwen; maar ze werden genoodzaakt met verlies van vijf man en vier hunner plempen terug te trekken.Dat was de eerste donkere dag der belegering, en, er zouden er nog meer komen.Tot nog toe hadden de Leidenaars hunne kool- en warmoestuinen, die buiten de Rijnsburger-poort lagen, door eene schans bij de Poelbrug tegen den vijand beveiligd, doch op Dinsdag, den vijftienden Juni, namen de Spanjaarden, die van Voskuyl kwamen, de schans in, zoodat de belegerden thans voor een groot gedeelte van versche groenten verstoken waren.Het begon er dus voor hen, die daar binnen waren, met den dag al donkerder en donkerder uit te zien, en niettegenstaandede Prins van Oranje en de Staten des Lands gedurig middelen wisten te bedenken om binnen de belegerde stad bericht te brengen, dat er allerlei pogingen werden aangewend om den vijand, die zich zoo aan alle zijden van de stad genesteld had, te verjagen, en zoo het beleg te doen ophouden, werd de moed der arme burgers daardoor niet zeer aangewakkerd. Een nauwkeurig onderzoek deed uitkomen, dat de heele voorraad koren slechts honderdtien last bedroeg, en daar de Regeering weinig geloof sloeg aan de goede uitkomsten van de pogingen, die tot ontzet werden aangewend, besloot zij de burgerij op rantsoen te moeten stellen. Ieder, die op wacht moest, kreeg iederen dag een pond brood en zij, die daarvan bevrijd waren, moesten zich met een half pond tevreden stellen. Van hen, die voor meer dan veertien dagen leeftocht in huis hadden, kocht men de eetwaren op. Weldra ontstond er ook gebrek aan munt-specie, en hoewel men niet, evenals in het eerste beleg, tot het slaan van papieren geld zijne toevlucht nam, ging men er toch toe over geld te slaan naar het model van den stempel, die bij het eerste beleg gediend had om de papieren munt te maken. Aan de eene zijde stond weer trots den tegenstand der Predikanten bij het eerste beleg, „Haec Libertatis ergo” enaan deandere zijde was het stadswapen, om hetwelk de lettersN. O. V. L. S. G. J. P. A. C.stonden. Het waren de aanvangletters van eenige Latijnsche woorden, die beteekenen:Penning, geslagen in de belegerde stad Leyden onder het bestuur van den Doorluchtigen Prins van Oranje. In den buitenrand stond:Godt behoede Leyden. Deze munt was achtentwintig stuivers waard. Op een kleiner muntstuk, dat veertien stuivers waarde had, stond een leeuw met een zwaard in den eenen en het wapen der stad in den anderen klauw en in den rand de spreuk: „Pugno pro Patria,” dat is:ik strijd voor het vaderland. Aan de keerzijde stondLugdunum Batavorum, welke naam men in het Latijn aan Leiden geeft. Behalve deze, had menook nog koperen stukken met het omschrift:Heere ontfermt Holland ende salight Leyden.De gevolgen der insluiting openbaarden zich hoe langer hoe meer, zoodat men besloot om opnieuw eenen bode naar den Prins te zenden. De koene Leeuwke had zich andermaal tot dien gevaarvollen tocht beschikbaar gesteld, en gewapend met zijnen verrejager ging hij op Maandag, den vijfden Juli, op weg.„Wat zijt gij toch gelukkig, dat gij altijd zulke boodschappen moogt doen, Gerrit,” zeide Cornelis, die zijn vriend weer naar de wallen bracht. „Vader beschouwt mij nog altijd als een kind, en hoe ik hem ook vlei om eens te mogen uitgaan, het is al om niet! Als straks de belegering gedaan is, zal ieder den mond vol hebben van Leeuwke, en ik, die eveneens wil doen zooals gij doet, ik zal vergeten worden!”„Hei, hei, wat ge vandaag niet doen moogt, dat moogt ge misschien morgen, Cornelis! Geloof me, kameraad, er is nog meer dan genoeg voor het mes. Maar zeg, als ik eens niet terugkwam, en de Spanjaard mij gevangen nam en doodde, zoudt gij dan mijnen dood willen wreken, Cornelis? En .... ja, zoudt gij dan ook voor mijne lieve Moeder en de anderen willen zorgen? Voor Moeder en zus Gonda vooral!”„Ja, zeker zou ik dat! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! Maar ge zijt veel te slim en te vlug om in hunne handen te vallen! Dat zal niet gebeuren,” antwoordde Cornelis.„Slimheid en vlugheid doen wel veel, Cornelis, maar niet alles, en het spreekwoord zegt niet ten onrechte: „Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt.” Het kan dus best gebeuren dat ik op eenen keer niet meer terugkom en die keer kan nu zijn. Maar kom, onnoodige zorgen maken vischgraten. Ik ga er van door! Dag, Kees!”Dit zeggende liet de koene knaap zich het klinket vande poort openen en was daarop weldra tusschen de schansen verdwenen. Reeds meende hij in veiligheid te zijn, toen eenige Spanjaarden, die achter het hooge gras in hinderlaag lagen, te voorschijn sprongen en den moedigen knaap belett’en verder te gaan.„Halt! Waar moet dat heen, manneke?” vroeg thans een der soldaten.Hoe gevat Leeuwke in andere gevallen ook op een antwoord was, nu wist hij niet, wat hij zeggen moest en versprak zich telkens.Mogelijk had hij er zich nog met eene leugen kunnen uitredden, doch daar kwam een der twee Officieren aan, die hij op zijnen eersten tocht misleid had en door wien hij te Leiderdorp herkend was geworden.„Bij mijne zaligheid, dat is de knaap, die zulk eene hoofd- en kiespijn had,” zeide Diala zoodra hij den knaap in het oog kreeg. „Gij verbeurt het leven, kerels, als gij hem laat ontkomen! Brengt hem in mijne tent!”Don Diala, die bevel voerde over de schans bij Zoeterwoude, ging vooruit en pas was hij gezeten, of ze brachten den sidderenden knaap voor hem.„Waar gaat gij heen, knaap?” vroeg hij.„Naar Hasaertswoude, Edele Heer!”„Leugens en verzinsels,” riep de Spanjaard. „Zeg de waarheid! Of meent gij dat ik mij weer door uwe uitvluchten met een kluitken in het riet zal laten sturen?”Nog zweeg Leeuwke, doch toen Diala begon te dreigen, hem te zullen laten ophangen, als hij niet sprak, verbrak de knaap het stilzwijgen, en antwoordde op alle vragen, die hem gedaan werden.„Het schijnt dat de touwslagers-dochter den tongriem losgemaakt heeft, kwâjongen,” zeide de Spanjaard, met dat „touwslagers-dochter” de galg bedoelende.—Na eenige woorden met een ander Officier gesproken te hebben vervolgde hij luid lachend en op spottenden toon: „En zeg eens,hoe gaat het met uwe kiespijn? Is die al beter? En is uwe hoofdpijn ook al genezen, ja?”Leeuwke zweeg.„En met de ketelboeterij van uwen Vader? Altijd nog goede zaken, ja?”Leeuwke barstte nu in tranen los, en op de knieën vallende bad hij om genade.„En waarom zijt gij zoo bang voor de galg?” vroeg Diala.„Ik heb nog eene Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog zoo-zoo-jong!”„Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke!” was het antwoord en zich omkeerende ging hij heen.„Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?” vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden genomen.„Wat er met hem gedaan moet worden?”„Ja, Senor!”„Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat gij mij niet verstaat? Ziet gij daar dien boom op dat weiland?”„Ja, Senor!”„Dat ismijnegalg! Gij weet nu, wat ik wil!”„Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!” kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet eens hem aan te zien en ging door.„Genade, genade!” gilde Leeuwke nu weer, en vatte eenen soldaat om de knieën, doch deze was even wreed, als zijn Bevelhebber en kon hem ook geene genade geven, omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van zijnen meerdere, enhijvolbrengen moest wat deze beval.De soldaten grepen hem aan en niet tevreden met hem naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op eene beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende Leidenaars waren toen ze „PierQuaet-Gelaet” in hunnemacht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een einde aan zijn martelend lijden.Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den dood zijns makkers wreken; maar had hij geweten welk eenen dood men hem had doen sterven, hij zou geroepen hebben: „Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”Thans wachtte hij de komst van zijnen vriend af, en toen deze niet kwam en er in de brieven van den Prins volstrekt niet van eene boodschap, die Leeuwke mede gekregen had, gesproken werd, begreep de knaap, dat hij zou gehouden zijn aan dat, wat hij Leeuwke beloofd had: „Twintig Spanjolen voor één Leeuwke!”Twee dagen later liet Valdez de stad door eenen trompetter opeischen, doch kreeg ten antwoord, dat de Leidenaars nog liever den linkerarm van honger zouden opeten om met den rechterarm te kunnen vechten, dan de stad over geven.Zoo verliepen weder eenige dagen onder toenemend gebrek en meerderen nood. De stad werd langzamerhand steeds nauwer ingesloten, ja, den achttienden van Hooimaand wierpen de Spanjaarden in de nabijheid van de Rijnsburgsche-poort een schansje op om den Leidenaars geheel te beletten, zoo nu en dan nog eenige groenten uit de nabij gelegen tuinen te halen. Het was de laatste der tweeëntwintig,—niet tweeënzestig, zooals men vaak leest,—schansen door de Spanjaarden gelegd om de stad zóó in te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in kon komen.„Hei, Cornelis, gaat ge mede?” riep Barend Van Keulen. „Er is gelegenheid om den dood van uwen vriend te wreken! Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, knaap, denk aan Leeuwke!”De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen het weldra te kwaad.„Ik ben de eerste!” schreeuwde Pauwels Vliechuyt.„En ik de tweede!” galmde Cornelis en de kolf van zijn musket viel dreunend op het hoofd van eenen Spanjaard.„Dat is er al één!” bromde hij en zette zijne vervolging voort.In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen knaap zijne belooning ter hand.„Geef dit geld liever aan Leeuwkes Moeder, Kapitein,” zeide Cornelis. „Ik heb den dood van mijnen vriend te wreken! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb er nog maar twee!”Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders altijd goedlachs, sprak er nu uit zijne oogen een zucht naar wraak, dien men allerminst bij eenen jongen man zou zoeken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: „De soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn.”De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn gemoed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl hij Cornelis op den breeden schouder klopte: „Wacht maar, mijn jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen.”Die woorden zouden niet lang op vervulling wachten. Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een gelijke belooning, als die van Zondag den achttienden Juli werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het bestormen van de schans te Boshuyzen.Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van der Laan uit Haarlem, die zich in eene goed met geschut voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van „het schietvrije schip,” omdat het „seer dick ende sterckgemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquetscheut vrij was.” Die galei was opzettelijk gemaakt om bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook geheel aan dit doel. Onze knaap was met een musket gewapend, terwijl Van Keulen zich aansloot bij de bende, die onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van esschenhout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging, en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.De Spanjaarden waren evenwel op hunne hoede en een hunner zijn musket afschietende, trof eenen der burgers.„Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit!” schreeuwden thans de Leidenaars en stormden onder een vervaarlijk geschreeuw voorwaarts.Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit ongeveer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.„Voor Leiden!” klonk het hier.„Voor Valdez!” klonk het daar.„Dat is er drie!” bromde Cornelis en laadde zoo spoedig mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even eenen Spanjaard had dood geschoten.Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele burgers uit de stad. Ze droegen flesschen,—kruitflesschen namelijk,—met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er eene brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen zij de flesschen in de schans.„Victoria!” schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den wal der schans.„Goê-morgen, kameraad,” viel Van Keulen, die hem nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen beschreef suizend eenen kring door de lucht en viel met zijne ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.Daar staat Cornelis en nauwelijks heeft Van Keulen zijnen pleegzoon in het oog of hij roept: „Heidaar, jongen! Hoeveel?”„Nog maar vijf, Vader!” is het antwoord.„Goed, jongen! Op, op, voor Leiden! Hier, lange slungel van eenen vogel-verschrikker, pak aan je lot!”Een Spanjaard valt met eenen gil op den grond en een schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat Van Keulen daarop geeft.De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te houden. Zij werpen hunne wapens weg, vallen voor de Leidenaars op de knieën en schreeuwen:„Misericorde! Misericorde!”„Ik heet niet Misericorde!” roept Van Keulen met denzelfden wreeden lach. „Ik heet Barend Cornelissen Van Keulen!” en andermaal wordt de knuppel opgeheven.„Misericorde! Misericorde!” klinkt het ginds uit den mond van eenen Onder-hopman.„Dat is er zes van de twintig!” bromt Cornelis en schiet den man, die om genade smeekt, dood.De Leidenaars gaan vreeselijk te werk! Geene genade wordt gegeven! Ze smijten de Spanjaarden in het vuur en laten hen verbranden, of steken ze in koelen bloede dood, als ze het „Misericorde!” nog op de lippen hebben.Het voorname doel, het slechten van de schans werd evenwel niet bereikt, want de pioniers aan wie het werk was opgedragen, kwamen te laat, daar ze door de Spanjaarden bij de Poelbrug waren opgehouden. Zij, die de schans hadden ingenomen, waren te veel tijger geweest om aan het doel hunner onderneming te denken, en toen hunne woede bekoeld was, werden zij door de Spanjaarden, die van alle kanten kwamen opdagen, aangevallen en tot den terugtocht genoodzaakt.Wel werd een tamelijk goede buit aan eetwaren en wapenen medegevoerd; maar er was weinig gedaan voor zooveel vergoten bloed. Daarenboven ontstond er twist onder de lieden, die behoord hadden tot hen, die het eerst de schans beklommen hadden. Er waren er niet minder dan negentien,die beweerden de eerste, tweede of vierde te zijn geweest. De Magistraat beval, toen men hun het uitgeloofde geld geven zou, het eenvoudig onder elkander te verdeelen. Ook kregen een zekere Amersfoort en Robert Engelschman twee pond en acht schellingen, omdat ze twee hoofden van de vijanden, door hen in het gevecht afgeslagen, binnen de stad gebracht hadden. Wie had ooit verwacht dat een eerzame, deftige Magistraat zulk een loon voor zulke daden uitkeeren zou?Met oogen, die van genoegen straalden, was Cornelis thuis gekomen. Hij had thans zeven Spanjaarden gedood en wie er hem naar vroeg, kon er altijd nog bij vernemen: „En de dertien andere krijg ik ook nog, dat zult gij zien!”Bijna iederen dag zag men hem in de weiden, die om de stad lagen en waarin het vee, door sterk gewapende en talrijke wachters bewaakt, nog graasde, omdwalen en iedere Spanjaard, die onder het bereik van zijn musket kwam, moest het meestal met den dood bekoopen.Toch vorderde zijne wraak hem te langzaam naar den zin, en daarom besloot hij op zekeren dag met Vliechuyt en Dirksz. den vijand van naderbij te bestoken. De drie waaghalzen werden echter onverwachts aangevallen. Wel schoot Cornelis eenen Spanjaard neer en hoorde men hem juichen: „Dat is er tien, Leeuwke!” doch eer hij tijd had zijn musket opnieuw te laden, sloeg een Spanjaard hem met de kolf van zijn roer op het hoofd. Cornelis tuimelde op den grond en zeker zou hij den vijand in handen gevallen zijn, zoo zijne makkers hem niet opgenomen en vluchtende hem naar de stad hadden gebracht.Een paar dagen daarna werd bij klokslag aan de ingezetenen bekend gemaakt, dat dergelijke schermutselingen voortaan door de Vroedschap verboden werden. Ook had men nog noodzakelijk bevonden eene andere bepaling in het leven te roepen. Het was toch gebleken, dat de lieden, die bij de poorten de wacht hadden, sommige boden, die,vanwege Valdez met eenig bericht kwamen, eenvoudig weggestuurd hadden, zonder er den Magistraat kennis van te geven. Ja, het was ook voorgekomen, dat men hen had gescholden en slecht behandeld. Hieraan moest een einde komen, en daarom werd bepaald, dat iedereen, die vanwege Valdez met eenig bericht kwam, buiten de poort moest blijven wachten tot de Regeering antwoord had gegeven op het voorstel, dat Valdez gedaan had, en zij, die deze lieden onverhoord durfden wegzenden, of kwalijk bejegenen, zouden gestraft worden.
ELFDEHOOFDSTUK.Zonneschijn en regen.Maandag, de zevende van Zomermaand, zou voor de belegerden een heldere, zonnige dag zijn.Weer popelden de harten, ja, weer werden de oogen vochtig, toen van het Utrechtsche veer andermaal eene menigte schouwen, plempen, en tentsnebben zich in beweging stelde.Dat was eene vloot, eene oorlogsvloot binnen Leiden!Wie had het ooit kunnen denken, dat die eenvoudige vrachtschuiten nog eenmaal in kleine oorlogsbodems zouden herschapen worden, en dat de traag-stroomde Rijn eene kleine vloot, met vrijbuiters bemand, op zijnen rug zou dragen?En wie waren de voorsten van den tocht?Die daar met zijne breede schouders, zijn dik behaard aangezicht en den hoed met breeden rand op het hoofd, is Vader Van Keulen. Dat kleine, dikke kereltje, wiens oogen als twee kooltjes vuur van onder de borstelige wenkbrauwen komen kijken, is Van der Morsch en naast hem staat Van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrienden Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer en aan den glans, die op hunne blozende aangezichten ligt, is het te zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hunne hand is.Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Leiderdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Doesbrug de Does op te varen.Alles ging naar wensch en op het Haarlemmermeer ontmoetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren van dezen buit was niet veel eer te behalen; want de schippers,die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen, daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren en alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op geenen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles, zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het terugkeeren zou hun moed echter op eene zware proef gesteld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het afgesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed zouden houden tot eenen uitval.En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te bestoken.Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde ook „Pier Quaet-Gelaet.”„Leeuwke, Leeuwke!” schreeuwde Cornelis, „daar hebt ge dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen hem zijne bekomst eens geven!”„Dat is goed,” riep Leeuwke, „dien schelm nemen wij voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt, dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!”„Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voorschoten!” schreeuwde een Spaansch Hopman. „Vangt hem, mannen, levend of dood!”„Hoort ge het, Keesje, ze willen me vangen, als een spreeuw! Hier pak aan je lootje, en als gij niet genoeg hebt, opperbest, man, dan kunt gij nog meer krijgen,” riep Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard eenen haak op het hoofd.Intusschen was Van Schaeck op het voorste gedeelte van zijne schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouderwetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het lijf konden komen.„Frisch op, jongens!” riep hij. „Cornelis, gij levert vandaag uw proefstuk, verstaat gij? Dan is Vader Van Keulen tevreden.”„Dat zal ik,” antwoordde Cornelis, terwijl hij met de kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich afhield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.Daar klonk het schot van eene veldslang langs het water, en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien hadden, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken later werd er een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en de Zijlpoort.Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van Van Keulen.Cornelis had zijn musket weggesmeten en even als Leeuwke eenen haak genomen.Daar haakte hij eenen vijand in de kleeren en deze tuimelde in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.„Het is Pier!” riep Cornelis en springt overboord. De worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.„Wacht, Keesje, ik zal een handje helpen,” riep Leeuwke en zijnen haak in Piers wambuis slaande, zeide hij: „Al zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant op, beste jongen!”„Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld als gij maar hebben wilt,” schreeuwde Pier.„Ik heb geld genoeg, man, al leef ik geen half uur meer! Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te schillen,” riep Leeuwke.Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en voor de twee koene jongens zwichten.Daar tuimelde de laatste Spanjaard door Van Schaecks zwaard doodelijk getroffen, in het water.„Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboordhelpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei de jongen en hij haalde eene waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie! welkom aanboord, Pier! Nog welvarende sedert den laatsten tijd, dat we elkander gezien hebben? Maar man, wat zit het haar verward! Het lijkt wel een braambosch. Hier Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijne voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en naar zijne gezondheid vragen,” spotte Van Schaeck.Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie te verlossen en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als Van derMorschen Van Keulen niet toegeschoten waren. Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit, door de Leidenaars ontvangen.Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijne vermoeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open en vloog zijne Moeder om den hals.„Dat is eerst een dag geweest, Moedertje!” riep hij. „We hebben den Spanjool tarwe, rogge, honderdvijftig vaten boter, driehonderd hammen, honderd vaten bier, vijftien veldstukken en nog wat kruit en lood op den koop toe, ontnomen!”„Kind, kind, is het wel waar? En wilt ge mij niet blijde maken met eene doode musch?”„Neen, Moeder, het is waar, heusch en warempel waar! En dan hebben we nog wat! We hebben „Pier Quaet-Gelaet,” den Glipper, ook! Dag, Moeder!”„Waar gaat gij dan nu weer heen, kind?”„Ik moet toch zien, wat er met Pier gebeurt,” riep Cornelis en was al op straat.„Naar den Blauwen-steen, mannen, naar den Blauwen-steen,” hoorde Cornelis roepen toen hij op de Breedstraat kwam, waar honderden mannen en vrouwen zich van den Glipper hadden meester gemaakt en zich niet stoorden aan de bevelen van enkele Hoplieden, die zeiden, dat het uitoefenen van het recht aan den Magistraat toekwam.Eindelijk wist Jonker van der Does met zijne schutters de razende menigte tot staan en Pieter Van Wezel in handen te krijgen. Hij zag echter zeer goed in, dat het volk tot oproer zou kunnen overslaan, zoo men aarzelde den Glipper terstond zijn verraad met den dood te doen bekoopen. Hij liet dus den Magistraat zoo spoedig mogelijk roepen en midden op straat bij denBlauwen-Steenwerd de Glipper eerst ontpoorterd en daarna op eene buitengewoon wreedaardige wijze terdood gebracht.DieBlauwen-Steenlag in de Breedstraat tegenover de Maarsmansteeg en werd altijd tot dat doel gebruikt.Toen men den volgenden dag zag, dat de vijand weer druk in de weer was om de Lammenschans te voltooien, werd het volk, opgewonden door het krijgsgeluk op het Haarlemmermeer en op den Rijn, overmoedig en het meende, dat men even goed, zoo niet gemakkelijker, eene schans kon vernielen, als eene vloot met levensmiddelen binnen brengen. De Magistraat helde ook tot dat gevoelen over, en daarom werd er besloten om met zes plempen eenen uitval te doen om hetvoltooienvan die schans te beletten. Weer vochten onder hen, die den uitval deden, Van Keulen, Van Schaeck, Van der Morsch en de beide jongens als leeuwen; maar ze werden genoodzaakt met verlies van vijf man en vier hunner plempen terug te trekken.Dat was de eerste donkere dag der belegering, en, er zouden er nog meer komen.Tot nog toe hadden de Leidenaars hunne kool- en warmoestuinen, die buiten de Rijnsburger-poort lagen, door eene schans bij de Poelbrug tegen den vijand beveiligd, doch op Dinsdag, den vijftienden Juni, namen de Spanjaarden, die van Voskuyl kwamen, de schans in, zoodat de belegerden thans voor een groot gedeelte van versche groenten verstoken waren.Het begon er dus voor hen, die daar binnen waren, met den dag al donkerder en donkerder uit te zien, en niettegenstaandede Prins van Oranje en de Staten des Lands gedurig middelen wisten te bedenken om binnen de belegerde stad bericht te brengen, dat er allerlei pogingen werden aangewend om den vijand, die zich zoo aan alle zijden van de stad genesteld had, te verjagen, en zoo het beleg te doen ophouden, werd de moed der arme burgers daardoor niet zeer aangewakkerd. Een nauwkeurig onderzoek deed uitkomen, dat de heele voorraad koren slechts honderdtien last bedroeg, en daar de Regeering weinig geloof sloeg aan de goede uitkomsten van de pogingen, die tot ontzet werden aangewend, besloot zij de burgerij op rantsoen te moeten stellen. Ieder, die op wacht moest, kreeg iederen dag een pond brood en zij, die daarvan bevrijd waren, moesten zich met een half pond tevreden stellen. Van hen, die voor meer dan veertien dagen leeftocht in huis hadden, kocht men de eetwaren op. Weldra ontstond er ook gebrek aan munt-specie, en hoewel men niet, evenals in het eerste beleg, tot het slaan van papieren geld zijne toevlucht nam, ging men er toch toe over geld te slaan naar het model van den stempel, die bij het eerste beleg gediend had om de papieren munt te maken. Aan de eene zijde stond weer trots den tegenstand der Predikanten bij het eerste beleg, „Haec Libertatis ergo” enaan deandere zijde was het stadswapen, om hetwelk de lettersN. O. V. L. S. G. J. P. A. C.stonden. Het waren de aanvangletters van eenige Latijnsche woorden, die beteekenen:Penning, geslagen in de belegerde stad Leyden onder het bestuur van den Doorluchtigen Prins van Oranje. In den buitenrand stond:Godt behoede Leyden. Deze munt was achtentwintig stuivers waard. Op een kleiner muntstuk, dat veertien stuivers waarde had, stond een leeuw met een zwaard in den eenen en het wapen der stad in den anderen klauw en in den rand de spreuk: „Pugno pro Patria,” dat is:ik strijd voor het vaderland. Aan de keerzijde stondLugdunum Batavorum, welke naam men in het Latijn aan Leiden geeft. Behalve deze, had menook nog koperen stukken met het omschrift:Heere ontfermt Holland ende salight Leyden.De gevolgen der insluiting openbaarden zich hoe langer hoe meer, zoodat men besloot om opnieuw eenen bode naar den Prins te zenden. De koene Leeuwke had zich andermaal tot dien gevaarvollen tocht beschikbaar gesteld, en gewapend met zijnen verrejager ging hij op Maandag, den vijfden Juli, op weg.„Wat zijt gij toch gelukkig, dat gij altijd zulke boodschappen moogt doen, Gerrit,” zeide Cornelis, die zijn vriend weer naar de wallen bracht. „Vader beschouwt mij nog altijd als een kind, en hoe ik hem ook vlei om eens te mogen uitgaan, het is al om niet! Als straks de belegering gedaan is, zal ieder den mond vol hebben van Leeuwke, en ik, die eveneens wil doen zooals gij doet, ik zal vergeten worden!”„Hei, hei, wat ge vandaag niet doen moogt, dat moogt ge misschien morgen, Cornelis! Geloof me, kameraad, er is nog meer dan genoeg voor het mes. Maar zeg, als ik eens niet terugkwam, en de Spanjaard mij gevangen nam en doodde, zoudt gij dan mijnen dood willen wreken, Cornelis? En .... ja, zoudt gij dan ook voor mijne lieve Moeder en de anderen willen zorgen? Voor Moeder en zus Gonda vooral!”„Ja, zeker zou ik dat! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! Maar ge zijt veel te slim en te vlug om in hunne handen te vallen! Dat zal niet gebeuren,” antwoordde Cornelis.„Slimheid en vlugheid doen wel veel, Cornelis, maar niet alles, en het spreekwoord zegt niet ten onrechte: „Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt.” Het kan dus best gebeuren dat ik op eenen keer niet meer terugkom en die keer kan nu zijn. Maar kom, onnoodige zorgen maken vischgraten. Ik ga er van door! Dag, Kees!”Dit zeggende liet de koene knaap zich het klinket vande poort openen en was daarop weldra tusschen de schansen verdwenen. Reeds meende hij in veiligheid te zijn, toen eenige Spanjaarden, die achter het hooge gras in hinderlaag lagen, te voorschijn sprongen en den moedigen knaap belett’en verder te gaan.„Halt! Waar moet dat heen, manneke?” vroeg thans een der soldaten.Hoe gevat Leeuwke in andere gevallen ook op een antwoord was, nu wist hij niet, wat hij zeggen moest en versprak zich telkens.Mogelijk had hij er zich nog met eene leugen kunnen uitredden, doch daar kwam een der twee Officieren aan, die hij op zijnen eersten tocht misleid had en door wien hij te Leiderdorp herkend was geworden.„Bij mijne zaligheid, dat is de knaap, die zulk eene hoofd- en kiespijn had,” zeide Diala zoodra hij den knaap in het oog kreeg. „Gij verbeurt het leven, kerels, als gij hem laat ontkomen! Brengt hem in mijne tent!”Don Diala, die bevel voerde over de schans bij Zoeterwoude, ging vooruit en pas was hij gezeten, of ze brachten den sidderenden knaap voor hem.„Waar gaat gij heen, knaap?” vroeg hij.„Naar Hasaertswoude, Edele Heer!”„Leugens en verzinsels,” riep de Spanjaard. „Zeg de waarheid! Of meent gij dat ik mij weer door uwe uitvluchten met een kluitken in het riet zal laten sturen?”Nog zweeg Leeuwke, doch toen Diala begon te dreigen, hem te zullen laten ophangen, als hij niet sprak, verbrak de knaap het stilzwijgen, en antwoordde op alle vragen, die hem gedaan werden.„Het schijnt dat de touwslagers-dochter den tongriem losgemaakt heeft, kwâjongen,” zeide de Spanjaard, met dat „touwslagers-dochter” de galg bedoelende.—Na eenige woorden met een ander Officier gesproken te hebben vervolgde hij luid lachend en op spottenden toon: „En zeg eens,hoe gaat het met uwe kiespijn? Is die al beter? En is uwe hoofdpijn ook al genezen, ja?”Leeuwke zweeg.„En met de ketelboeterij van uwen Vader? Altijd nog goede zaken, ja?”Leeuwke barstte nu in tranen los, en op de knieën vallende bad hij om genade.„En waarom zijt gij zoo bang voor de galg?” vroeg Diala.„Ik heb nog eene Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog zoo-zoo-jong!”„Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke!” was het antwoord en zich omkeerende ging hij heen.„Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?” vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden genomen.„Wat er met hem gedaan moet worden?”„Ja, Senor!”„Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat gij mij niet verstaat? Ziet gij daar dien boom op dat weiland?”„Ja, Senor!”„Dat ismijnegalg! Gij weet nu, wat ik wil!”„Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!” kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet eens hem aan te zien en ging door.„Genade, genade!” gilde Leeuwke nu weer, en vatte eenen soldaat om de knieën, doch deze was even wreed, als zijn Bevelhebber en kon hem ook geene genade geven, omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van zijnen meerdere, enhijvolbrengen moest wat deze beval.De soldaten grepen hem aan en niet tevreden met hem naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op eene beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende Leidenaars waren toen ze „PierQuaet-Gelaet” in hunnemacht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een einde aan zijn martelend lijden.Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den dood zijns makkers wreken; maar had hij geweten welk eenen dood men hem had doen sterven, hij zou geroepen hebben: „Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”Thans wachtte hij de komst van zijnen vriend af, en toen deze niet kwam en er in de brieven van den Prins volstrekt niet van eene boodschap, die Leeuwke mede gekregen had, gesproken werd, begreep de knaap, dat hij zou gehouden zijn aan dat, wat hij Leeuwke beloofd had: „Twintig Spanjolen voor één Leeuwke!”Twee dagen later liet Valdez de stad door eenen trompetter opeischen, doch kreeg ten antwoord, dat de Leidenaars nog liever den linkerarm van honger zouden opeten om met den rechterarm te kunnen vechten, dan de stad over geven.Zoo verliepen weder eenige dagen onder toenemend gebrek en meerderen nood. De stad werd langzamerhand steeds nauwer ingesloten, ja, den achttienden van Hooimaand wierpen de Spanjaarden in de nabijheid van de Rijnsburgsche-poort een schansje op om den Leidenaars geheel te beletten, zoo nu en dan nog eenige groenten uit de nabij gelegen tuinen te halen. Het was de laatste der tweeëntwintig,—niet tweeënzestig, zooals men vaak leest,—schansen door de Spanjaarden gelegd om de stad zóó in te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in kon komen.„Hei, Cornelis, gaat ge mede?” riep Barend Van Keulen. „Er is gelegenheid om den dood van uwen vriend te wreken! Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, knaap, denk aan Leeuwke!”De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen het weldra te kwaad.„Ik ben de eerste!” schreeuwde Pauwels Vliechuyt.„En ik de tweede!” galmde Cornelis en de kolf van zijn musket viel dreunend op het hoofd van eenen Spanjaard.„Dat is er al één!” bromde hij en zette zijne vervolging voort.In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen knaap zijne belooning ter hand.„Geef dit geld liever aan Leeuwkes Moeder, Kapitein,” zeide Cornelis. „Ik heb den dood van mijnen vriend te wreken! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb er nog maar twee!”Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders altijd goedlachs, sprak er nu uit zijne oogen een zucht naar wraak, dien men allerminst bij eenen jongen man zou zoeken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: „De soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn.”De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn gemoed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl hij Cornelis op den breeden schouder klopte: „Wacht maar, mijn jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen.”Die woorden zouden niet lang op vervulling wachten. Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een gelijke belooning, als die van Zondag den achttienden Juli werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het bestormen van de schans te Boshuyzen.Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van der Laan uit Haarlem, die zich in eene goed met geschut voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van „het schietvrije schip,” omdat het „seer dick ende sterckgemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquetscheut vrij was.” Die galei was opzettelijk gemaakt om bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook geheel aan dit doel. Onze knaap was met een musket gewapend, terwijl Van Keulen zich aansloot bij de bende, die onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van esschenhout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging, en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.De Spanjaarden waren evenwel op hunne hoede en een hunner zijn musket afschietende, trof eenen der burgers.„Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit!” schreeuwden thans de Leidenaars en stormden onder een vervaarlijk geschreeuw voorwaarts.Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit ongeveer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.„Voor Leiden!” klonk het hier.„Voor Valdez!” klonk het daar.„Dat is er drie!” bromde Cornelis en laadde zoo spoedig mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even eenen Spanjaard had dood geschoten.Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele burgers uit de stad. Ze droegen flesschen,—kruitflesschen namelijk,—met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er eene brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen zij de flesschen in de schans.„Victoria!” schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den wal der schans.„Goê-morgen, kameraad,” viel Van Keulen, die hem nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen beschreef suizend eenen kring door de lucht en viel met zijne ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.Daar staat Cornelis en nauwelijks heeft Van Keulen zijnen pleegzoon in het oog of hij roept: „Heidaar, jongen! Hoeveel?”„Nog maar vijf, Vader!” is het antwoord.„Goed, jongen! Op, op, voor Leiden! Hier, lange slungel van eenen vogel-verschrikker, pak aan je lot!”Een Spanjaard valt met eenen gil op den grond en een schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat Van Keulen daarop geeft.De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te houden. Zij werpen hunne wapens weg, vallen voor de Leidenaars op de knieën en schreeuwen:„Misericorde! Misericorde!”„Ik heet niet Misericorde!” roept Van Keulen met denzelfden wreeden lach. „Ik heet Barend Cornelissen Van Keulen!” en andermaal wordt de knuppel opgeheven.„Misericorde! Misericorde!” klinkt het ginds uit den mond van eenen Onder-hopman.„Dat is er zes van de twintig!” bromt Cornelis en schiet den man, die om genade smeekt, dood.De Leidenaars gaan vreeselijk te werk! Geene genade wordt gegeven! Ze smijten de Spanjaarden in het vuur en laten hen verbranden, of steken ze in koelen bloede dood, als ze het „Misericorde!” nog op de lippen hebben.Het voorname doel, het slechten van de schans werd evenwel niet bereikt, want de pioniers aan wie het werk was opgedragen, kwamen te laat, daar ze door de Spanjaarden bij de Poelbrug waren opgehouden. Zij, die de schans hadden ingenomen, waren te veel tijger geweest om aan het doel hunner onderneming te denken, en toen hunne woede bekoeld was, werden zij door de Spanjaarden, die van alle kanten kwamen opdagen, aangevallen en tot den terugtocht genoodzaakt.Wel werd een tamelijk goede buit aan eetwaren en wapenen medegevoerd; maar er was weinig gedaan voor zooveel vergoten bloed. Daarenboven ontstond er twist onder de lieden, die behoord hadden tot hen, die het eerst de schans beklommen hadden. Er waren er niet minder dan negentien,die beweerden de eerste, tweede of vierde te zijn geweest. De Magistraat beval, toen men hun het uitgeloofde geld geven zou, het eenvoudig onder elkander te verdeelen. Ook kregen een zekere Amersfoort en Robert Engelschman twee pond en acht schellingen, omdat ze twee hoofden van de vijanden, door hen in het gevecht afgeslagen, binnen de stad gebracht hadden. Wie had ooit verwacht dat een eerzame, deftige Magistraat zulk een loon voor zulke daden uitkeeren zou?Met oogen, die van genoegen straalden, was Cornelis thuis gekomen. Hij had thans zeven Spanjaarden gedood en wie er hem naar vroeg, kon er altijd nog bij vernemen: „En de dertien andere krijg ik ook nog, dat zult gij zien!”Bijna iederen dag zag men hem in de weiden, die om de stad lagen en waarin het vee, door sterk gewapende en talrijke wachters bewaakt, nog graasde, omdwalen en iedere Spanjaard, die onder het bereik van zijn musket kwam, moest het meestal met den dood bekoopen.Toch vorderde zijne wraak hem te langzaam naar den zin, en daarom besloot hij op zekeren dag met Vliechuyt en Dirksz. den vijand van naderbij te bestoken. De drie waaghalzen werden echter onverwachts aangevallen. Wel schoot Cornelis eenen Spanjaard neer en hoorde men hem juichen: „Dat is er tien, Leeuwke!” doch eer hij tijd had zijn musket opnieuw te laden, sloeg een Spanjaard hem met de kolf van zijn roer op het hoofd. Cornelis tuimelde op den grond en zeker zou hij den vijand in handen gevallen zijn, zoo zijne makkers hem niet opgenomen en vluchtende hem naar de stad hadden gebracht.Een paar dagen daarna werd bij klokslag aan de ingezetenen bekend gemaakt, dat dergelijke schermutselingen voortaan door de Vroedschap verboden werden. Ook had men nog noodzakelijk bevonden eene andere bepaling in het leven te roepen. Het was toch gebleken, dat de lieden, die bij de poorten de wacht hadden, sommige boden, die,vanwege Valdez met eenig bericht kwamen, eenvoudig weggestuurd hadden, zonder er den Magistraat kennis van te geven. Ja, het was ook voorgekomen, dat men hen had gescholden en slecht behandeld. Hieraan moest een einde komen, en daarom werd bepaald, dat iedereen, die vanwege Valdez met eenig bericht kwam, buiten de poort moest blijven wachten tot de Regeering antwoord had gegeven op het voorstel, dat Valdez gedaan had, en zij, die deze lieden onverhoord durfden wegzenden, of kwalijk bejegenen, zouden gestraft worden.
ELFDEHOOFDSTUK.Zonneschijn en regen.
Maandag, de zevende van Zomermaand, zou voor de belegerden een heldere, zonnige dag zijn.Weer popelden de harten, ja, weer werden de oogen vochtig, toen van het Utrechtsche veer andermaal eene menigte schouwen, plempen, en tentsnebben zich in beweging stelde.Dat was eene vloot, eene oorlogsvloot binnen Leiden!Wie had het ooit kunnen denken, dat die eenvoudige vrachtschuiten nog eenmaal in kleine oorlogsbodems zouden herschapen worden, en dat de traag-stroomde Rijn eene kleine vloot, met vrijbuiters bemand, op zijnen rug zou dragen?En wie waren de voorsten van den tocht?Die daar met zijne breede schouders, zijn dik behaard aangezicht en den hoed met breeden rand op het hoofd, is Vader Van Keulen. Dat kleine, dikke kereltje, wiens oogen als twee kooltjes vuur van onder de borstelige wenkbrauwen komen kijken, is Van der Morsch en naast hem staat Van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrienden Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer en aan den glans, die op hunne blozende aangezichten ligt, is het te zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hunne hand is.Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Leiderdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Doesbrug de Does op te varen.Alles ging naar wensch en op het Haarlemmermeer ontmoetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren van dezen buit was niet veel eer te behalen; want de schippers,die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen, daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren en alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op geenen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles, zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het terugkeeren zou hun moed echter op eene zware proef gesteld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het afgesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed zouden houden tot eenen uitval.En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te bestoken.Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde ook „Pier Quaet-Gelaet.”„Leeuwke, Leeuwke!” schreeuwde Cornelis, „daar hebt ge dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen hem zijne bekomst eens geven!”„Dat is goed,” riep Leeuwke, „dien schelm nemen wij voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt, dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!”„Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voorschoten!” schreeuwde een Spaansch Hopman. „Vangt hem, mannen, levend of dood!”„Hoort ge het, Keesje, ze willen me vangen, als een spreeuw! Hier pak aan je lootje, en als gij niet genoeg hebt, opperbest, man, dan kunt gij nog meer krijgen,” riep Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard eenen haak op het hoofd.Intusschen was Van Schaeck op het voorste gedeelte van zijne schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouderwetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het lijf konden komen.„Frisch op, jongens!” riep hij. „Cornelis, gij levert vandaag uw proefstuk, verstaat gij? Dan is Vader Van Keulen tevreden.”„Dat zal ik,” antwoordde Cornelis, terwijl hij met de kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich afhield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.Daar klonk het schot van eene veldslang langs het water, en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien hadden, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken later werd er een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en de Zijlpoort.Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van Van Keulen.Cornelis had zijn musket weggesmeten en even als Leeuwke eenen haak genomen.Daar haakte hij eenen vijand in de kleeren en deze tuimelde in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.„Het is Pier!” riep Cornelis en springt overboord. De worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.„Wacht, Keesje, ik zal een handje helpen,” riep Leeuwke en zijnen haak in Piers wambuis slaande, zeide hij: „Al zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant op, beste jongen!”„Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld als gij maar hebben wilt,” schreeuwde Pier.„Ik heb geld genoeg, man, al leef ik geen half uur meer! Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te schillen,” riep Leeuwke.Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en voor de twee koene jongens zwichten.Daar tuimelde de laatste Spanjaard door Van Schaecks zwaard doodelijk getroffen, in het water.„Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboordhelpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei de jongen en hij haalde eene waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie! welkom aanboord, Pier! Nog welvarende sedert den laatsten tijd, dat we elkander gezien hebben? Maar man, wat zit het haar verward! Het lijkt wel een braambosch. Hier Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijne voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en naar zijne gezondheid vragen,” spotte Van Schaeck.Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie te verlossen en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als Van derMorschen Van Keulen niet toegeschoten waren. Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit, door de Leidenaars ontvangen.Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijne vermoeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open en vloog zijne Moeder om den hals.„Dat is eerst een dag geweest, Moedertje!” riep hij. „We hebben den Spanjool tarwe, rogge, honderdvijftig vaten boter, driehonderd hammen, honderd vaten bier, vijftien veldstukken en nog wat kruit en lood op den koop toe, ontnomen!”„Kind, kind, is het wel waar? En wilt ge mij niet blijde maken met eene doode musch?”„Neen, Moeder, het is waar, heusch en warempel waar! En dan hebben we nog wat! We hebben „Pier Quaet-Gelaet,” den Glipper, ook! Dag, Moeder!”„Waar gaat gij dan nu weer heen, kind?”„Ik moet toch zien, wat er met Pier gebeurt,” riep Cornelis en was al op straat.„Naar den Blauwen-steen, mannen, naar den Blauwen-steen,” hoorde Cornelis roepen toen hij op de Breedstraat kwam, waar honderden mannen en vrouwen zich van den Glipper hadden meester gemaakt en zich niet stoorden aan de bevelen van enkele Hoplieden, die zeiden, dat het uitoefenen van het recht aan den Magistraat toekwam.Eindelijk wist Jonker van der Does met zijne schutters de razende menigte tot staan en Pieter Van Wezel in handen te krijgen. Hij zag echter zeer goed in, dat het volk tot oproer zou kunnen overslaan, zoo men aarzelde den Glipper terstond zijn verraad met den dood te doen bekoopen. Hij liet dus den Magistraat zoo spoedig mogelijk roepen en midden op straat bij denBlauwen-Steenwerd de Glipper eerst ontpoorterd en daarna op eene buitengewoon wreedaardige wijze terdood gebracht.DieBlauwen-Steenlag in de Breedstraat tegenover de Maarsmansteeg en werd altijd tot dat doel gebruikt.Toen men den volgenden dag zag, dat de vijand weer druk in de weer was om de Lammenschans te voltooien, werd het volk, opgewonden door het krijgsgeluk op het Haarlemmermeer en op den Rijn, overmoedig en het meende, dat men even goed, zoo niet gemakkelijker, eene schans kon vernielen, als eene vloot met levensmiddelen binnen brengen. De Magistraat helde ook tot dat gevoelen over, en daarom werd er besloten om met zes plempen eenen uitval te doen om hetvoltooienvan die schans te beletten. Weer vochten onder hen, die den uitval deden, Van Keulen, Van Schaeck, Van der Morsch en de beide jongens als leeuwen; maar ze werden genoodzaakt met verlies van vijf man en vier hunner plempen terug te trekken.Dat was de eerste donkere dag der belegering, en, er zouden er nog meer komen.Tot nog toe hadden de Leidenaars hunne kool- en warmoestuinen, die buiten de Rijnsburger-poort lagen, door eene schans bij de Poelbrug tegen den vijand beveiligd, doch op Dinsdag, den vijftienden Juni, namen de Spanjaarden, die van Voskuyl kwamen, de schans in, zoodat de belegerden thans voor een groot gedeelte van versche groenten verstoken waren.Het begon er dus voor hen, die daar binnen waren, met den dag al donkerder en donkerder uit te zien, en niettegenstaandede Prins van Oranje en de Staten des Lands gedurig middelen wisten te bedenken om binnen de belegerde stad bericht te brengen, dat er allerlei pogingen werden aangewend om den vijand, die zich zoo aan alle zijden van de stad genesteld had, te verjagen, en zoo het beleg te doen ophouden, werd de moed der arme burgers daardoor niet zeer aangewakkerd. Een nauwkeurig onderzoek deed uitkomen, dat de heele voorraad koren slechts honderdtien last bedroeg, en daar de Regeering weinig geloof sloeg aan de goede uitkomsten van de pogingen, die tot ontzet werden aangewend, besloot zij de burgerij op rantsoen te moeten stellen. Ieder, die op wacht moest, kreeg iederen dag een pond brood en zij, die daarvan bevrijd waren, moesten zich met een half pond tevreden stellen. Van hen, die voor meer dan veertien dagen leeftocht in huis hadden, kocht men de eetwaren op. Weldra ontstond er ook gebrek aan munt-specie, en hoewel men niet, evenals in het eerste beleg, tot het slaan van papieren geld zijne toevlucht nam, ging men er toch toe over geld te slaan naar het model van den stempel, die bij het eerste beleg gediend had om de papieren munt te maken. Aan de eene zijde stond weer trots den tegenstand der Predikanten bij het eerste beleg, „Haec Libertatis ergo” enaan deandere zijde was het stadswapen, om hetwelk de lettersN. O. V. L. S. G. J. P. A. C.stonden. Het waren de aanvangletters van eenige Latijnsche woorden, die beteekenen:Penning, geslagen in de belegerde stad Leyden onder het bestuur van den Doorluchtigen Prins van Oranje. In den buitenrand stond:Godt behoede Leyden. Deze munt was achtentwintig stuivers waard. Op een kleiner muntstuk, dat veertien stuivers waarde had, stond een leeuw met een zwaard in den eenen en het wapen der stad in den anderen klauw en in den rand de spreuk: „Pugno pro Patria,” dat is:ik strijd voor het vaderland. Aan de keerzijde stondLugdunum Batavorum, welke naam men in het Latijn aan Leiden geeft. Behalve deze, had menook nog koperen stukken met het omschrift:Heere ontfermt Holland ende salight Leyden.De gevolgen der insluiting openbaarden zich hoe langer hoe meer, zoodat men besloot om opnieuw eenen bode naar den Prins te zenden. De koene Leeuwke had zich andermaal tot dien gevaarvollen tocht beschikbaar gesteld, en gewapend met zijnen verrejager ging hij op Maandag, den vijfden Juli, op weg.„Wat zijt gij toch gelukkig, dat gij altijd zulke boodschappen moogt doen, Gerrit,” zeide Cornelis, die zijn vriend weer naar de wallen bracht. „Vader beschouwt mij nog altijd als een kind, en hoe ik hem ook vlei om eens te mogen uitgaan, het is al om niet! Als straks de belegering gedaan is, zal ieder den mond vol hebben van Leeuwke, en ik, die eveneens wil doen zooals gij doet, ik zal vergeten worden!”„Hei, hei, wat ge vandaag niet doen moogt, dat moogt ge misschien morgen, Cornelis! Geloof me, kameraad, er is nog meer dan genoeg voor het mes. Maar zeg, als ik eens niet terugkwam, en de Spanjaard mij gevangen nam en doodde, zoudt gij dan mijnen dood willen wreken, Cornelis? En .... ja, zoudt gij dan ook voor mijne lieve Moeder en de anderen willen zorgen? Voor Moeder en zus Gonda vooral!”„Ja, zeker zou ik dat! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! Maar ge zijt veel te slim en te vlug om in hunne handen te vallen! Dat zal niet gebeuren,” antwoordde Cornelis.„Slimheid en vlugheid doen wel veel, Cornelis, maar niet alles, en het spreekwoord zegt niet ten onrechte: „Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt.” Het kan dus best gebeuren dat ik op eenen keer niet meer terugkom en die keer kan nu zijn. Maar kom, onnoodige zorgen maken vischgraten. Ik ga er van door! Dag, Kees!”Dit zeggende liet de koene knaap zich het klinket vande poort openen en was daarop weldra tusschen de schansen verdwenen. Reeds meende hij in veiligheid te zijn, toen eenige Spanjaarden, die achter het hooge gras in hinderlaag lagen, te voorschijn sprongen en den moedigen knaap belett’en verder te gaan.„Halt! Waar moet dat heen, manneke?” vroeg thans een der soldaten.Hoe gevat Leeuwke in andere gevallen ook op een antwoord was, nu wist hij niet, wat hij zeggen moest en versprak zich telkens.Mogelijk had hij er zich nog met eene leugen kunnen uitredden, doch daar kwam een der twee Officieren aan, die hij op zijnen eersten tocht misleid had en door wien hij te Leiderdorp herkend was geworden.„Bij mijne zaligheid, dat is de knaap, die zulk eene hoofd- en kiespijn had,” zeide Diala zoodra hij den knaap in het oog kreeg. „Gij verbeurt het leven, kerels, als gij hem laat ontkomen! Brengt hem in mijne tent!”Don Diala, die bevel voerde over de schans bij Zoeterwoude, ging vooruit en pas was hij gezeten, of ze brachten den sidderenden knaap voor hem.„Waar gaat gij heen, knaap?” vroeg hij.„Naar Hasaertswoude, Edele Heer!”„Leugens en verzinsels,” riep de Spanjaard. „Zeg de waarheid! Of meent gij dat ik mij weer door uwe uitvluchten met een kluitken in het riet zal laten sturen?”Nog zweeg Leeuwke, doch toen Diala begon te dreigen, hem te zullen laten ophangen, als hij niet sprak, verbrak de knaap het stilzwijgen, en antwoordde op alle vragen, die hem gedaan werden.„Het schijnt dat de touwslagers-dochter den tongriem losgemaakt heeft, kwâjongen,” zeide de Spanjaard, met dat „touwslagers-dochter” de galg bedoelende.—Na eenige woorden met een ander Officier gesproken te hebben vervolgde hij luid lachend en op spottenden toon: „En zeg eens,hoe gaat het met uwe kiespijn? Is die al beter? En is uwe hoofdpijn ook al genezen, ja?”Leeuwke zweeg.„En met de ketelboeterij van uwen Vader? Altijd nog goede zaken, ja?”Leeuwke barstte nu in tranen los, en op de knieën vallende bad hij om genade.„En waarom zijt gij zoo bang voor de galg?” vroeg Diala.„Ik heb nog eene Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog zoo-zoo-jong!”„Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke!” was het antwoord en zich omkeerende ging hij heen.„Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?” vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden genomen.„Wat er met hem gedaan moet worden?”„Ja, Senor!”„Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat gij mij niet verstaat? Ziet gij daar dien boom op dat weiland?”„Ja, Senor!”„Dat ismijnegalg! Gij weet nu, wat ik wil!”„Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!” kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet eens hem aan te zien en ging door.„Genade, genade!” gilde Leeuwke nu weer, en vatte eenen soldaat om de knieën, doch deze was even wreed, als zijn Bevelhebber en kon hem ook geene genade geven, omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van zijnen meerdere, enhijvolbrengen moest wat deze beval.De soldaten grepen hem aan en niet tevreden met hem naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op eene beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende Leidenaars waren toen ze „PierQuaet-Gelaet” in hunnemacht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een einde aan zijn martelend lijden.Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den dood zijns makkers wreken; maar had hij geweten welk eenen dood men hem had doen sterven, hij zou geroepen hebben: „Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”Thans wachtte hij de komst van zijnen vriend af, en toen deze niet kwam en er in de brieven van den Prins volstrekt niet van eene boodschap, die Leeuwke mede gekregen had, gesproken werd, begreep de knaap, dat hij zou gehouden zijn aan dat, wat hij Leeuwke beloofd had: „Twintig Spanjolen voor één Leeuwke!”Twee dagen later liet Valdez de stad door eenen trompetter opeischen, doch kreeg ten antwoord, dat de Leidenaars nog liever den linkerarm van honger zouden opeten om met den rechterarm te kunnen vechten, dan de stad over geven.Zoo verliepen weder eenige dagen onder toenemend gebrek en meerderen nood. De stad werd langzamerhand steeds nauwer ingesloten, ja, den achttienden van Hooimaand wierpen de Spanjaarden in de nabijheid van de Rijnsburgsche-poort een schansje op om den Leidenaars geheel te beletten, zoo nu en dan nog eenige groenten uit de nabij gelegen tuinen te halen. Het was de laatste der tweeëntwintig,—niet tweeënzestig, zooals men vaak leest,—schansen door de Spanjaarden gelegd om de stad zóó in te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in kon komen.„Hei, Cornelis, gaat ge mede?” riep Barend Van Keulen. „Er is gelegenheid om den dood van uwen vriend te wreken! Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, knaap, denk aan Leeuwke!”De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen het weldra te kwaad.„Ik ben de eerste!” schreeuwde Pauwels Vliechuyt.„En ik de tweede!” galmde Cornelis en de kolf van zijn musket viel dreunend op het hoofd van eenen Spanjaard.„Dat is er al één!” bromde hij en zette zijne vervolging voort.In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen knaap zijne belooning ter hand.„Geef dit geld liever aan Leeuwkes Moeder, Kapitein,” zeide Cornelis. „Ik heb den dood van mijnen vriend te wreken! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb er nog maar twee!”Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders altijd goedlachs, sprak er nu uit zijne oogen een zucht naar wraak, dien men allerminst bij eenen jongen man zou zoeken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: „De soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn.”De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn gemoed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl hij Cornelis op den breeden schouder klopte: „Wacht maar, mijn jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen.”Die woorden zouden niet lang op vervulling wachten. Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een gelijke belooning, als die van Zondag den achttienden Juli werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het bestormen van de schans te Boshuyzen.Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van der Laan uit Haarlem, die zich in eene goed met geschut voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van „het schietvrije schip,” omdat het „seer dick ende sterckgemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquetscheut vrij was.” Die galei was opzettelijk gemaakt om bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook geheel aan dit doel. Onze knaap was met een musket gewapend, terwijl Van Keulen zich aansloot bij de bende, die onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van esschenhout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging, en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.De Spanjaarden waren evenwel op hunne hoede en een hunner zijn musket afschietende, trof eenen der burgers.„Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit!” schreeuwden thans de Leidenaars en stormden onder een vervaarlijk geschreeuw voorwaarts.Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit ongeveer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.„Voor Leiden!” klonk het hier.„Voor Valdez!” klonk het daar.„Dat is er drie!” bromde Cornelis en laadde zoo spoedig mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even eenen Spanjaard had dood geschoten.Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele burgers uit de stad. Ze droegen flesschen,—kruitflesschen namelijk,—met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er eene brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen zij de flesschen in de schans.„Victoria!” schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den wal der schans.„Goê-morgen, kameraad,” viel Van Keulen, die hem nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen beschreef suizend eenen kring door de lucht en viel met zijne ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.Daar staat Cornelis en nauwelijks heeft Van Keulen zijnen pleegzoon in het oog of hij roept: „Heidaar, jongen! Hoeveel?”„Nog maar vijf, Vader!” is het antwoord.„Goed, jongen! Op, op, voor Leiden! Hier, lange slungel van eenen vogel-verschrikker, pak aan je lot!”Een Spanjaard valt met eenen gil op den grond en een schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat Van Keulen daarop geeft.De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te houden. Zij werpen hunne wapens weg, vallen voor de Leidenaars op de knieën en schreeuwen:„Misericorde! Misericorde!”„Ik heet niet Misericorde!” roept Van Keulen met denzelfden wreeden lach. „Ik heet Barend Cornelissen Van Keulen!” en andermaal wordt de knuppel opgeheven.„Misericorde! Misericorde!” klinkt het ginds uit den mond van eenen Onder-hopman.„Dat is er zes van de twintig!” bromt Cornelis en schiet den man, die om genade smeekt, dood.De Leidenaars gaan vreeselijk te werk! Geene genade wordt gegeven! Ze smijten de Spanjaarden in het vuur en laten hen verbranden, of steken ze in koelen bloede dood, als ze het „Misericorde!” nog op de lippen hebben.Het voorname doel, het slechten van de schans werd evenwel niet bereikt, want de pioniers aan wie het werk was opgedragen, kwamen te laat, daar ze door de Spanjaarden bij de Poelbrug waren opgehouden. Zij, die de schans hadden ingenomen, waren te veel tijger geweest om aan het doel hunner onderneming te denken, en toen hunne woede bekoeld was, werden zij door de Spanjaarden, die van alle kanten kwamen opdagen, aangevallen en tot den terugtocht genoodzaakt.Wel werd een tamelijk goede buit aan eetwaren en wapenen medegevoerd; maar er was weinig gedaan voor zooveel vergoten bloed. Daarenboven ontstond er twist onder de lieden, die behoord hadden tot hen, die het eerst de schans beklommen hadden. Er waren er niet minder dan negentien,die beweerden de eerste, tweede of vierde te zijn geweest. De Magistraat beval, toen men hun het uitgeloofde geld geven zou, het eenvoudig onder elkander te verdeelen. Ook kregen een zekere Amersfoort en Robert Engelschman twee pond en acht schellingen, omdat ze twee hoofden van de vijanden, door hen in het gevecht afgeslagen, binnen de stad gebracht hadden. Wie had ooit verwacht dat een eerzame, deftige Magistraat zulk een loon voor zulke daden uitkeeren zou?Met oogen, die van genoegen straalden, was Cornelis thuis gekomen. Hij had thans zeven Spanjaarden gedood en wie er hem naar vroeg, kon er altijd nog bij vernemen: „En de dertien andere krijg ik ook nog, dat zult gij zien!”Bijna iederen dag zag men hem in de weiden, die om de stad lagen en waarin het vee, door sterk gewapende en talrijke wachters bewaakt, nog graasde, omdwalen en iedere Spanjaard, die onder het bereik van zijn musket kwam, moest het meestal met den dood bekoopen.Toch vorderde zijne wraak hem te langzaam naar den zin, en daarom besloot hij op zekeren dag met Vliechuyt en Dirksz. den vijand van naderbij te bestoken. De drie waaghalzen werden echter onverwachts aangevallen. Wel schoot Cornelis eenen Spanjaard neer en hoorde men hem juichen: „Dat is er tien, Leeuwke!” doch eer hij tijd had zijn musket opnieuw te laden, sloeg een Spanjaard hem met de kolf van zijn roer op het hoofd. Cornelis tuimelde op den grond en zeker zou hij den vijand in handen gevallen zijn, zoo zijne makkers hem niet opgenomen en vluchtende hem naar de stad hadden gebracht.Een paar dagen daarna werd bij klokslag aan de ingezetenen bekend gemaakt, dat dergelijke schermutselingen voortaan door de Vroedschap verboden werden. Ook had men nog noodzakelijk bevonden eene andere bepaling in het leven te roepen. Het was toch gebleken, dat de lieden, die bij de poorten de wacht hadden, sommige boden, die,vanwege Valdez met eenig bericht kwamen, eenvoudig weggestuurd hadden, zonder er den Magistraat kennis van te geven. Ja, het was ook voorgekomen, dat men hen had gescholden en slecht behandeld. Hieraan moest een einde komen, en daarom werd bepaald, dat iedereen, die vanwege Valdez met eenig bericht kwam, buiten de poort moest blijven wachten tot de Regeering antwoord had gegeven op het voorstel, dat Valdez gedaan had, en zij, die deze lieden onverhoord durfden wegzenden, of kwalijk bejegenen, zouden gestraft worden.
Maandag, de zevende van Zomermaand, zou voor de belegerden een heldere, zonnige dag zijn.
Weer popelden de harten, ja, weer werden de oogen vochtig, toen van het Utrechtsche veer andermaal eene menigte schouwen, plempen, en tentsnebben zich in beweging stelde.
Dat was eene vloot, eene oorlogsvloot binnen Leiden!
Wie had het ooit kunnen denken, dat die eenvoudige vrachtschuiten nog eenmaal in kleine oorlogsbodems zouden herschapen worden, en dat de traag-stroomde Rijn eene kleine vloot, met vrijbuiters bemand, op zijnen rug zou dragen?
En wie waren de voorsten van den tocht?
Die daar met zijne breede schouders, zijn dik behaard aangezicht en den hoed met breeden rand op het hoofd, is Vader Van Keulen. Dat kleine, dikke kereltje, wiens oogen als twee kooltjes vuur van onder de borstelige wenkbrauwen komen kijken, is Van der Morsch en naast hem staat Van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrienden Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer en aan den glans, die op hunne blozende aangezichten ligt, is het te zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hunne hand is.
Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Leiderdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Doesbrug de Does op te varen.
Alles ging naar wensch en op het Haarlemmermeer ontmoetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren van dezen buit was niet veel eer te behalen; want de schippers,die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen, daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren en alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op geenen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles, zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het terugkeeren zou hun moed echter op eene zware proef gesteld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het afgesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed zouden houden tot eenen uitval.
En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te bestoken.
Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde ook „Pier Quaet-Gelaet.”
„Leeuwke, Leeuwke!” schreeuwde Cornelis, „daar hebt ge dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen hem zijne bekomst eens geven!”
„Dat is goed,” riep Leeuwke, „dien schelm nemen wij voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt, dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!”
„Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voorschoten!” schreeuwde een Spaansch Hopman. „Vangt hem, mannen, levend of dood!”
„Hoort ge het, Keesje, ze willen me vangen, als een spreeuw! Hier pak aan je lootje, en als gij niet genoeg hebt, opperbest, man, dan kunt gij nog meer krijgen,” riep Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard eenen haak op het hoofd.
Intusschen was Van Schaeck op het voorste gedeelte van zijne schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouderwetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het lijf konden komen.
„Frisch op, jongens!” riep hij. „Cornelis, gij levert vandaag uw proefstuk, verstaat gij? Dan is Vader Van Keulen tevreden.”
„Dat zal ik,” antwoordde Cornelis, terwijl hij met de kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich afhield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.
Daar klonk het schot van eene veldslang langs het water, en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.
Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien hadden, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken later werd er een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en de Zijlpoort.
Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van Van Keulen.
Cornelis had zijn musket weggesmeten en even als Leeuwke eenen haak genomen.
Daar haakte hij eenen vijand in de kleeren en deze tuimelde in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.
„Het is Pier!” riep Cornelis en springt overboord. De worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.
„Wacht, Keesje, ik zal een handje helpen,” riep Leeuwke en zijnen haak in Piers wambuis slaande, zeide hij: „Al zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant op, beste jongen!”
„Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld als gij maar hebben wilt,” schreeuwde Pier.
„Ik heb geld genoeg, man, al leef ik geen half uur meer! Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te schillen,” riep Leeuwke.
Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en voor de twee koene jongens zwichten.
Daar tuimelde de laatste Spanjaard door Van Schaecks zwaard doodelijk getroffen, in het water.
„Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboordhelpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei de jongen en hij haalde eene waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie! welkom aanboord, Pier! Nog welvarende sedert den laatsten tijd, dat we elkander gezien hebben? Maar man, wat zit het haar verward! Het lijkt wel een braambosch. Hier Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijne voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en naar zijne gezondheid vragen,” spotte Van Schaeck.
Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie te verlossen en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als Van derMorschen Van Keulen niet toegeschoten waren. Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit, door de Leidenaars ontvangen.
Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijne vermoeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open en vloog zijne Moeder om den hals.
„Dat is eerst een dag geweest, Moedertje!” riep hij. „We hebben den Spanjool tarwe, rogge, honderdvijftig vaten boter, driehonderd hammen, honderd vaten bier, vijftien veldstukken en nog wat kruit en lood op den koop toe, ontnomen!”
„Kind, kind, is het wel waar? En wilt ge mij niet blijde maken met eene doode musch?”
„Neen, Moeder, het is waar, heusch en warempel waar! En dan hebben we nog wat! We hebben „Pier Quaet-Gelaet,” den Glipper, ook! Dag, Moeder!”
„Waar gaat gij dan nu weer heen, kind?”
„Ik moet toch zien, wat er met Pier gebeurt,” riep Cornelis en was al op straat.
„Naar den Blauwen-steen, mannen, naar den Blauwen-steen,” hoorde Cornelis roepen toen hij op de Breedstraat kwam, waar honderden mannen en vrouwen zich van den Glipper hadden meester gemaakt en zich niet stoorden aan de bevelen van enkele Hoplieden, die zeiden, dat het uitoefenen van het recht aan den Magistraat toekwam.
Eindelijk wist Jonker van der Does met zijne schutters de razende menigte tot staan en Pieter Van Wezel in handen te krijgen. Hij zag echter zeer goed in, dat het volk tot oproer zou kunnen overslaan, zoo men aarzelde den Glipper terstond zijn verraad met den dood te doen bekoopen. Hij liet dus den Magistraat zoo spoedig mogelijk roepen en midden op straat bij denBlauwen-Steenwerd de Glipper eerst ontpoorterd en daarna op eene buitengewoon wreedaardige wijze terdood gebracht.
DieBlauwen-Steenlag in de Breedstraat tegenover de Maarsmansteeg en werd altijd tot dat doel gebruikt.
Toen men den volgenden dag zag, dat de vijand weer druk in de weer was om de Lammenschans te voltooien, werd het volk, opgewonden door het krijgsgeluk op het Haarlemmermeer en op den Rijn, overmoedig en het meende, dat men even goed, zoo niet gemakkelijker, eene schans kon vernielen, als eene vloot met levensmiddelen binnen brengen. De Magistraat helde ook tot dat gevoelen over, en daarom werd er besloten om met zes plempen eenen uitval te doen om hetvoltooienvan die schans te beletten. Weer vochten onder hen, die den uitval deden, Van Keulen, Van Schaeck, Van der Morsch en de beide jongens als leeuwen; maar ze werden genoodzaakt met verlies van vijf man en vier hunner plempen terug te trekken.
Dat was de eerste donkere dag der belegering, en, er zouden er nog meer komen.
Tot nog toe hadden de Leidenaars hunne kool- en warmoestuinen, die buiten de Rijnsburger-poort lagen, door eene schans bij de Poelbrug tegen den vijand beveiligd, doch op Dinsdag, den vijftienden Juni, namen de Spanjaarden, die van Voskuyl kwamen, de schans in, zoodat de belegerden thans voor een groot gedeelte van versche groenten verstoken waren.
Het begon er dus voor hen, die daar binnen waren, met den dag al donkerder en donkerder uit te zien, en niettegenstaandede Prins van Oranje en de Staten des Lands gedurig middelen wisten te bedenken om binnen de belegerde stad bericht te brengen, dat er allerlei pogingen werden aangewend om den vijand, die zich zoo aan alle zijden van de stad genesteld had, te verjagen, en zoo het beleg te doen ophouden, werd de moed der arme burgers daardoor niet zeer aangewakkerd. Een nauwkeurig onderzoek deed uitkomen, dat de heele voorraad koren slechts honderdtien last bedroeg, en daar de Regeering weinig geloof sloeg aan de goede uitkomsten van de pogingen, die tot ontzet werden aangewend, besloot zij de burgerij op rantsoen te moeten stellen. Ieder, die op wacht moest, kreeg iederen dag een pond brood en zij, die daarvan bevrijd waren, moesten zich met een half pond tevreden stellen. Van hen, die voor meer dan veertien dagen leeftocht in huis hadden, kocht men de eetwaren op. Weldra ontstond er ook gebrek aan munt-specie, en hoewel men niet, evenals in het eerste beleg, tot het slaan van papieren geld zijne toevlucht nam, ging men er toch toe over geld te slaan naar het model van den stempel, die bij het eerste beleg gediend had om de papieren munt te maken. Aan de eene zijde stond weer trots den tegenstand der Predikanten bij het eerste beleg, „Haec Libertatis ergo” enaan deandere zijde was het stadswapen, om hetwelk de lettersN. O. V. L. S. G. J. P. A. C.stonden. Het waren de aanvangletters van eenige Latijnsche woorden, die beteekenen:Penning, geslagen in de belegerde stad Leyden onder het bestuur van den Doorluchtigen Prins van Oranje. In den buitenrand stond:Godt behoede Leyden. Deze munt was achtentwintig stuivers waard. Op een kleiner muntstuk, dat veertien stuivers waarde had, stond een leeuw met een zwaard in den eenen en het wapen der stad in den anderen klauw en in den rand de spreuk: „Pugno pro Patria,” dat is:ik strijd voor het vaderland. Aan de keerzijde stondLugdunum Batavorum, welke naam men in het Latijn aan Leiden geeft. Behalve deze, had menook nog koperen stukken met het omschrift:Heere ontfermt Holland ende salight Leyden.
De gevolgen der insluiting openbaarden zich hoe langer hoe meer, zoodat men besloot om opnieuw eenen bode naar den Prins te zenden. De koene Leeuwke had zich andermaal tot dien gevaarvollen tocht beschikbaar gesteld, en gewapend met zijnen verrejager ging hij op Maandag, den vijfden Juli, op weg.
„Wat zijt gij toch gelukkig, dat gij altijd zulke boodschappen moogt doen, Gerrit,” zeide Cornelis, die zijn vriend weer naar de wallen bracht. „Vader beschouwt mij nog altijd als een kind, en hoe ik hem ook vlei om eens te mogen uitgaan, het is al om niet! Als straks de belegering gedaan is, zal ieder den mond vol hebben van Leeuwke, en ik, die eveneens wil doen zooals gij doet, ik zal vergeten worden!”
„Hei, hei, wat ge vandaag niet doen moogt, dat moogt ge misschien morgen, Cornelis! Geloof me, kameraad, er is nog meer dan genoeg voor het mes. Maar zeg, als ik eens niet terugkwam, en de Spanjaard mij gevangen nam en doodde, zoudt gij dan mijnen dood willen wreken, Cornelis? En .... ja, zoudt gij dan ook voor mijne lieve Moeder en de anderen willen zorgen? Voor Moeder en zus Gonda vooral!”
„Ja, zeker zou ik dat! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! Maar ge zijt veel te slim en te vlug om in hunne handen te vallen! Dat zal niet gebeuren,” antwoordde Cornelis.
„Slimheid en vlugheid doen wel veel, Cornelis, maar niet alles, en het spreekwoord zegt niet ten onrechte: „Een vlieghe die vlocht soe langhe om die keerse, datsie daer ten lesten een mael in valt.” Het kan dus best gebeuren dat ik op eenen keer niet meer terugkom en die keer kan nu zijn. Maar kom, onnoodige zorgen maken vischgraten. Ik ga er van door! Dag, Kees!”
Dit zeggende liet de koene knaap zich het klinket vande poort openen en was daarop weldra tusschen de schansen verdwenen. Reeds meende hij in veiligheid te zijn, toen eenige Spanjaarden, die achter het hooge gras in hinderlaag lagen, te voorschijn sprongen en den moedigen knaap belett’en verder te gaan.
„Halt! Waar moet dat heen, manneke?” vroeg thans een der soldaten.
Hoe gevat Leeuwke in andere gevallen ook op een antwoord was, nu wist hij niet, wat hij zeggen moest en versprak zich telkens.
Mogelijk had hij er zich nog met eene leugen kunnen uitredden, doch daar kwam een der twee Officieren aan, die hij op zijnen eersten tocht misleid had en door wien hij te Leiderdorp herkend was geworden.
„Bij mijne zaligheid, dat is de knaap, die zulk eene hoofd- en kiespijn had,” zeide Diala zoodra hij den knaap in het oog kreeg. „Gij verbeurt het leven, kerels, als gij hem laat ontkomen! Brengt hem in mijne tent!”
Don Diala, die bevel voerde over de schans bij Zoeterwoude, ging vooruit en pas was hij gezeten, of ze brachten den sidderenden knaap voor hem.
„Waar gaat gij heen, knaap?” vroeg hij.
„Naar Hasaertswoude, Edele Heer!”
„Leugens en verzinsels,” riep de Spanjaard. „Zeg de waarheid! Of meent gij dat ik mij weer door uwe uitvluchten met een kluitken in het riet zal laten sturen?”
Nog zweeg Leeuwke, doch toen Diala begon te dreigen, hem te zullen laten ophangen, als hij niet sprak, verbrak de knaap het stilzwijgen, en antwoordde op alle vragen, die hem gedaan werden.
„Het schijnt dat de touwslagers-dochter den tongriem losgemaakt heeft, kwâjongen,” zeide de Spanjaard, met dat „touwslagers-dochter” de galg bedoelende.—Na eenige woorden met een ander Officier gesproken te hebben vervolgde hij luid lachend en op spottenden toon: „En zeg eens,hoe gaat het met uwe kiespijn? Is die al beter? En is uwe hoofdpijn ook al genezen, ja?”
Leeuwke zweeg.
„En met de ketelboeterij van uwen Vader? Altijd nog goede zaken, ja?”
Leeuwke barstte nu in tranen los, en op de knieën vallende bad hij om genade.
„En waarom zijt gij zoo bang voor de galg?” vroeg Diala.
„Ik heb nog eene Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog zoo-zoo-jong!”
„Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke!” was het antwoord en zich omkeerende ging hij heen.
„Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?” vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden genomen.
„Wat er met hem gedaan moet worden?”
„Ja, Senor!”
„Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat gij mij niet verstaat? Ziet gij daar dien boom op dat weiland?”
„Ja, Senor!”
„Dat ismijnegalg! Gij weet nu, wat ik wil!”
„Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!” kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet eens hem aan te zien en ging door.
„Genade, genade!” gilde Leeuwke nu weer, en vatte eenen soldaat om de knieën, doch deze was even wreed, als zijn Bevelhebber en kon hem ook geene genade geven, omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van zijnen meerdere, enhijvolbrengen moest wat deze beval.
De soldaten grepen hem aan en niet tevreden met hem naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op eene beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende Leidenaars waren toen ze „PierQuaet-Gelaet” in hunnemacht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een einde aan zijn martelend lijden.
Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den dood zijns makkers wreken; maar had hij geweten welk eenen dood men hem had doen sterven, hij zou geroepen hebben: „Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!”
Thans wachtte hij de komst van zijnen vriend af, en toen deze niet kwam en er in de brieven van den Prins volstrekt niet van eene boodschap, die Leeuwke mede gekregen had, gesproken werd, begreep de knaap, dat hij zou gehouden zijn aan dat, wat hij Leeuwke beloofd had: „Twintig Spanjolen voor één Leeuwke!”
Twee dagen later liet Valdez de stad door eenen trompetter opeischen, doch kreeg ten antwoord, dat de Leidenaars nog liever den linkerarm van honger zouden opeten om met den rechterarm te kunnen vechten, dan de stad over geven.
Zoo verliepen weder eenige dagen onder toenemend gebrek en meerderen nood. De stad werd langzamerhand steeds nauwer ingesloten, ja, den achttienden van Hooimaand wierpen de Spanjaarden in de nabijheid van de Rijnsburgsche-poort een schansje op om den Leidenaars geheel te beletten, zoo nu en dan nog eenige groenten uit de nabij gelegen tuinen te halen. Het was de laatste der tweeëntwintig,—niet tweeënzestig, zooals men vaak leest,—schansen door de Spanjaarden gelegd om de stad zóó in te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in kon komen.
„Hei, Cornelis, gaat ge mede?” riep Barend Van Keulen. „Er is gelegenheid om den dood van uwen vriend te wreken! Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, knaap, denk aan Leeuwke!”
De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen het weldra te kwaad.
„Ik ben de eerste!” schreeuwde Pauwels Vliechuyt.
„En ik de tweede!” galmde Cornelis en de kolf van zijn musket viel dreunend op het hoofd van eenen Spanjaard.
„Dat is er al één!” bromde hij en zette zijne vervolging voort.
In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen knaap zijne belooning ter hand.
„Geef dit geld liever aan Leeuwkes Moeder, Kapitein,” zeide Cornelis. „Ik heb den dood van mijnen vriend te wreken! Twintig Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb er nog maar twee!”
Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders altijd goedlachs, sprak er nu uit zijne oogen een zucht naar wraak, dien men allerminst bij eenen jongen man zou zoeken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: „De soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn.”
De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn gemoed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl hij Cornelis op den breeden schouder klopte: „Wacht maar, mijn jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen.”
Die woorden zouden niet lang op vervulling wachten. Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een gelijke belooning, als die van Zondag den achttienden Juli werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het bestormen van de schans te Boshuyzen.
Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van der Laan uit Haarlem, die zich in eene goed met geschut voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van „het schietvrije schip,” omdat het „seer dick ende sterckgemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquetscheut vrij was.” Die galei was opzettelijk gemaakt om bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook geheel aan dit doel. Onze knaap was met een musket gewapend, terwijl Van Keulen zich aansloot bij de bende, die onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van esschenhout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.
Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging, en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.
De Spanjaarden waren evenwel op hunne hoede en een hunner zijn musket afschietende, trof eenen der burgers.
„Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit!” schreeuwden thans de Leidenaars en stormden onder een vervaarlijk geschreeuw voorwaarts.
Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit ongeveer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.
„Voor Leiden!” klonk het hier.
„Voor Valdez!” klonk het daar.
„Dat is er drie!” bromde Cornelis en laadde zoo spoedig mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even eenen Spanjaard had dood geschoten.
Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele burgers uit de stad. Ze droegen flesschen,—kruitflesschen namelijk,—met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er eene brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen zij de flesschen in de schans.
„Victoria!” schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den wal der schans.
„Goê-morgen, kameraad,” viel Van Keulen, die hem nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen beschreef suizend eenen kring door de lucht en viel met zijne ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.
Daar staat Cornelis en nauwelijks heeft Van Keulen zijnen pleegzoon in het oog of hij roept: „Heidaar, jongen! Hoeveel?”
„Nog maar vijf, Vader!” is het antwoord.
„Goed, jongen! Op, op, voor Leiden! Hier, lange slungel van eenen vogel-verschrikker, pak aan je lot!”
Een Spanjaard valt met eenen gil op den grond en een schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat Van Keulen daarop geeft.
De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te houden. Zij werpen hunne wapens weg, vallen voor de Leidenaars op de knieën en schreeuwen:
„Misericorde! Misericorde!”
„Ik heet niet Misericorde!” roept Van Keulen met denzelfden wreeden lach. „Ik heet Barend Cornelissen Van Keulen!” en andermaal wordt de knuppel opgeheven.
„Misericorde! Misericorde!” klinkt het ginds uit den mond van eenen Onder-hopman.
„Dat is er zes van de twintig!” bromt Cornelis en schiet den man, die om genade smeekt, dood.
De Leidenaars gaan vreeselijk te werk! Geene genade wordt gegeven! Ze smijten de Spanjaarden in het vuur en laten hen verbranden, of steken ze in koelen bloede dood, als ze het „Misericorde!” nog op de lippen hebben.
Het voorname doel, het slechten van de schans werd evenwel niet bereikt, want de pioniers aan wie het werk was opgedragen, kwamen te laat, daar ze door de Spanjaarden bij de Poelbrug waren opgehouden. Zij, die de schans hadden ingenomen, waren te veel tijger geweest om aan het doel hunner onderneming te denken, en toen hunne woede bekoeld was, werden zij door de Spanjaarden, die van alle kanten kwamen opdagen, aangevallen en tot den terugtocht genoodzaakt.
Wel werd een tamelijk goede buit aan eetwaren en wapenen medegevoerd; maar er was weinig gedaan voor zooveel vergoten bloed. Daarenboven ontstond er twist onder de lieden, die behoord hadden tot hen, die het eerst de schans beklommen hadden. Er waren er niet minder dan negentien,die beweerden de eerste, tweede of vierde te zijn geweest. De Magistraat beval, toen men hun het uitgeloofde geld geven zou, het eenvoudig onder elkander te verdeelen. Ook kregen een zekere Amersfoort en Robert Engelschman twee pond en acht schellingen, omdat ze twee hoofden van de vijanden, door hen in het gevecht afgeslagen, binnen de stad gebracht hadden. Wie had ooit verwacht dat een eerzame, deftige Magistraat zulk een loon voor zulke daden uitkeeren zou?
Met oogen, die van genoegen straalden, was Cornelis thuis gekomen. Hij had thans zeven Spanjaarden gedood en wie er hem naar vroeg, kon er altijd nog bij vernemen: „En de dertien andere krijg ik ook nog, dat zult gij zien!”
Bijna iederen dag zag men hem in de weiden, die om de stad lagen en waarin het vee, door sterk gewapende en talrijke wachters bewaakt, nog graasde, omdwalen en iedere Spanjaard, die onder het bereik van zijn musket kwam, moest het meestal met den dood bekoopen.
Toch vorderde zijne wraak hem te langzaam naar den zin, en daarom besloot hij op zekeren dag met Vliechuyt en Dirksz. den vijand van naderbij te bestoken. De drie waaghalzen werden echter onverwachts aangevallen. Wel schoot Cornelis eenen Spanjaard neer en hoorde men hem juichen: „Dat is er tien, Leeuwke!” doch eer hij tijd had zijn musket opnieuw te laden, sloeg een Spanjaard hem met de kolf van zijn roer op het hoofd. Cornelis tuimelde op den grond en zeker zou hij den vijand in handen gevallen zijn, zoo zijne makkers hem niet opgenomen en vluchtende hem naar de stad hadden gebracht.
Een paar dagen daarna werd bij klokslag aan de ingezetenen bekend gemaakt, dat dergelijke schermutselingen voortaan door de Vroedschap verboden werden. Ook had men nog noodzakelijk bevonden eene andere bepaling in het leven te roepen. Het was toch gebleken, dat de lieden, die bij de poorten de wacht hadden, sommige boden, die,vanwege Valdez met eenig bericht kwamen, eenvoudig weggestuurd hadden, zonder er den Magistraat kennis van te geven. Ja, het was ook voorgekomen, dat men hen had gescholden en slecht behandeld. Hieraan moest een einde komen, en daarom werd bepaald, dat iedereen, die vanwege Valdez met eenig bericht kwam, buiten de poort moest blijven wachten tot de Regeering antwoord had gegeven op het voorstel, dat Valdez gedaan had, en zij, die deze lieden onverhoord durfden wegzenden, of kwalijk bejegenen, zouden gestraft worden.