TWAALFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.Godt behoede Leyden!Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht binnen de belegerde stad gedaan en welke maatregelen de Regeering ook nam, telkens eischte zij nieuwe slachtoffers. Scheen het nu eens, dat ze wijken zou, dan weder trad ze met vernieuwde hevigheid te voorschijn.Toch was de pest het ergste niet.De levensvoorraad begon met den dag te minderen en de strengste bepalingen werden gemaakt omtrent het voedsel, dat ieder in zijn eigen huis in voorraad had en van hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard werd. Groot en klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat rantsoen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens groot van eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem voor eenen heelen dag moest dienen. Het hongerspook waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had, vertoonde zich naast zijne zuster de Pest.Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeldheid. Van der Werff, die voorzittend Burgemeester was, stond alleen tegenover de drie andere Burgemeesters: Cornelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan Jansz. Boersdorp, bijgenaamd „Half-Leyden.” Die bijnaam beduidde veel, want een groot deel van het volk was op zijne hand. En dat waren nu juist niet allen Spaanschgezinden. We zouden hen liever „kleinmoedigen” noemen, die niet tegen den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste vrijbuiters, mannen, die tot zinspreuk hadden: „Liever Turksch dan Paapsch,” wilden wel vechten, vechten met alle soorten van wapenen tegen den vijand, maar honger en gebrek lijden, dat wilden ze niet. Ze sloegen tot oproer over en toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten ze de stad, waar een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen honger zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit vrees zich stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en porden de ontevredenen aan tot tegenstand, die bij den Magistraat steun vond. Waarlijk, al de geestkracht, al de moed, al de toewijding, al het verstand wasnoodigom Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does, Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der Does en enkele andere aanzienlijken, den storm, die dreigde, te laten bezweren.De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van der Werff geloofde er niet aan; hij wist al te goed in welke groote geldelijke verlegenheid de Prins verkeerde. En toch wilden die moedigen volharden, hoe dan ook. Twee mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren een zekere Bakker en Roos. Maar als ze terugkeerden brachten ze voor al de gevaren, die ze doorstaan hadden, oude beloften mede, zoodat het volk er niet meer nieuwsgierig naar was.Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus iets buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in het volk, dat den vorigen dag nog traag en lusteloos door de stille straten toog, of zich in huis zat te vervelen aan eenen ledigen disch.In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat het heele gezin in eene sombere stemming bijeen, zich bezighoudende met het voeren van allerlei gesprekken over het beleg, de verdeeldheid, den honger, de ziekte en allerlei akeligheden meer, toen opeens de deur openging en Van Schaeck, Van der Morsch en Bakker met veel beweging binnen traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze de brengers van eene goede boodschap waren.„Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt mij overvalt?” vroeg Van Keulen.„Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van Oranje heeft bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid, die reuzenmacht heeft, en deze zal den Spanjaard verstrooien, als kaf voor den wind, en Leiden ontzetten,” zeide Bakker.„Wat!?” riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna tegelijk en vol verbazing uit.„Het is zoo,” verklaarden Van Schaeck en Van der Morsch. „Er komt ontzet!”„Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?” vroeg Van Keulen opgewonden.„Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden,” zeide Bakker.Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: „Het water?”„Luister,” hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten was. „Gij weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest.”„Dat weet ik,” zeide Van Keulen, „en gij zijt zóó lang weggebleven, dat we al vermoedden, dat gij beiden in het lot van Leeuwken gedeeld hadt.”„Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef eenen geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: „Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevingen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der Does, Jan Van Hout en zoovele anderen, die met eene zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden; er moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb.” Zoo sprak de Prins en—wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen, zeide de Prins: „Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht en geweten, den toestand mede waarin het benarde Leiden verkeert.”Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wij uitgesproken hadden, vroeg de Prins: „Wat dunkt u, Heeren, moeten de Leidenaars niet geholpen worden? Kan ons één offer te groot zijn?”„Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?” vroeg de Advocaat van Holland, Meester Paulus Buys.„Gij kent mijn voorstel, Heeren,” zeide de Prins. „De Maas- en IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder water gezet worden. Het water moet onze bondgenoot worden; wij hebben geenen anderen.”„Ik heb berekend,” sprak nu een Lid, „dat dit aan ons gewest eene som van niet minder dan zevenmaal honderd duizend gulden zal kosten. Dat gaat boven onze krachten, Uwe Doorluchtigheid!”„Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Holland betaald worden.”„Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe Doorluchtigheid,” sprak weer een ander.„Beter bedorven dan verloren land, Heeren,” antwoordde de Prins.„Toegegeven,” zoo sprak nu een derde, „maar Rijnland ligt hooger dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij Zoetermeer houdt het water tegen.”„Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook de Landscheiding moet doorgestoken worden.”„Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt. Wij hebben geen leger om den vijand te wederstaan,” bromde een vierde.„Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aangevoerd worden door eenen man als Louis van Boisot, dan gelden ze voor meer dan een leger.”Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en zeide: „Zijn de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe zouden ze met hunne schepen, die zelfs te veel diepgang hebben voor onze weteringen, die toch vrij diep zijn, bij de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming geven, doch het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet te wederleggen en met dat bezwaar valt het heele plan.”De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen te hebben, doch deze wederlegde dat bezwaar.„Kom,” riep nu Van Keulen, „hoe kon hij dat? Ik zou er geene kans toe zien.”„De Prins wel,” vervolgde Bakker. „Er kwam een gelukkig lachje over zijn ernstig gelaat en hij zeide: „Danis het voorstel, dat ik deed, aangenomen. Heeren! Admiraal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd heb, zal met zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten, goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de Landscheiding verrichten, en—het zal, het moet gelukken.”Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er werd besloten, dat de dijken van Maas en IJsel zouden doorgestoken worden.„Besluiten is nog geen doen,” sprak Van Keulen, die nog geen enkel blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ontzet had.„Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaarmoedig?” vroeg Bakker.„Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord heb zonder er wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen is een ding, zegt het spreekwoord.”„Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?”„Veel, Bakker, heel veel!”„Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eergisteren, dus Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus Buys en eenige Leden van de Staten naar Kapelle aan den IJsel gegaan, en daar is, onze eigen oogen hebben het gezien, want wij waren er bij, onder toezicht van de Jonkers van Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den dijk, en de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en Delfshaven. De sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan niet alleen open, maar de vijf sluizen bij Vlaardingen ook. Het water stroomt nu over het land en—Holland wordt eene binnenzee. Wat zegt gij nu?”Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend, zeide hij: „Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder. Ik zal niet meer morren, maar het hoofd omhoog houden, dat beloof ik, dat zweer ik bij al wat heilig is!”Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welkendat blijde bericht maakte op de heele bevolking. Het liet zelfs de heftigste ontevredenen zwijgen en legde een slot op hunnen mond, of, om eene uitdrukking van die dagen te gebruiken, het liet „de tong in den lomberd brengen.”De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder, die niet met de wapenen de stad diende, doch men zag het nu door de vingers, dat elk oogenblik nieuwsgierigen kwamen om het wassen van het water te zien, want hiervan hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde evenwel met elken dag, want, was het water wel iets hooger dan het gewone zomerpeil, toch was er geene sprake van dat de weilanden onder stonden. Helaas, het doorsteken der dijken had niet gebaat, omdat bij de noordoosten-, oosten- en zuidoostenwinden het zeewater niet hoog genoeg kwam om het peil in Maas en IJsel op te voeren.En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter. De pest nam ook weer toe. De wakkere Bronckhorst, die met zulk eene vaste hand, in naam van den Prins, de Stadsvoogdij uitgeoefend had, stierf en werd opgevolgd door Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als Stadsvoogd, men nog afwachten moest.„De tongen werden weer uit den lomberd gehaald” en de tegenstand begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de Spaanschgezinden op en schreeuwden op straat de anderen toe: „Gaat nu op den toren, gij Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet!”Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals Van Schaeck en Van Keulen.Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt, zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: „Godt behoede Leyden.”„Als dit geld op is,” zeide hij met eenen diepen zucht, „en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik, die zulk een trotsch vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de nood ook aan den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!”Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel en ging de deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om eenen troep vrijwilligers, die eenen aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was een paar maaltjes erwten en boonen.Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water even laag. De ellende binnen de stad steeg en de ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de Breedstraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen.De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers goede reis en behouden wederkomst, doch haalden de schouders op en dachten: „Wat zal het anders geven dan beloften?”„Of het bevestigen van het gerucht dat de Prins dood is,” zeide Van der Morsch, die hen inhaalde en hunne verzuchting gehoord had.„Dat verhoede God, want dan is het werk der bevrijding vergeefsch geweest,” klaagde Van Schaeck.De beide boden bleven eene week lang weg en pas Donderdag den vijfden September kwamen ze terug met het bericht, dat ze den Prins niet gesproken hadden, omdat hij, bijna door iedereen verlaten, aan eene besmettelijke ziekte lag. Toch brachten ze eene tijding mede, die weer nieuwen moed gaf, en dat was dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag en Woensdag den derden en vierden September te Rotterdam aangekomen was en dat men terstond de platboomde vaartuigen, die reeds gereed lagen, gewapend en bemand had. De Watergeuzen waren achthonderd in getal, maar telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien en ze waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze den dood niet vreesden en bij voorkeur de grootste gevaren opzochten. Bij de Spanjaarden waren ze niet minder, maar nog meer gevreesd.De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter van korten duur, want zij brachten wel den wil mede om wat te doen, doch het water hooger doen stijgen, konden ze niet, en evenmin konden ze den wind veranderen.„Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer Leiden ontzet wordt,” heeft de Spanjaard geroepen.Het is erg genoeg!De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren; de mannen verzwakken!Maar neen,—nòg is er een weinig koren, nòg is er wat mout! Nòg heeft men enkele magere koeien en paarden! Nòg zwerven er op straat katten en honden! Nòg groeit op de wallen en op de ledige en doodsche straten tusschen de keien gras! Nòg dragen de boomen bladeren en nòg hebben ze wortels! Nòg leven in de riolen ratten en in de ledige korenmagazijnen muizen!Bah! katten, honden, gras, boombladeren, boomwortels, muizen en ratten, dat is geen voedsel!Geen voedsel, jawel, zeker, zeker! Dat alles zullen de Leidenaars eten en gegeten hebben, eer ze zich overgeven!O, dat de Prins het wist, het zou hem in zijne ziekte zeker goed doen!”„Laat mij naar Delft gaan! Ik zal het den Prins zeggen, dat Leiden zich niet overgeeft,” zeide Cornelis Joppensz. tot Burgemeester Pieter Adriaensz., die bij Van Keulen gekomen was om met dezen te onderzoeken of er nog niet eens wat door de Leidsche vrijbuiters zou kunnen gedaan worden.„Roos en Bakker wagen het niet meer,” sprak de Burgemeester. „De stad is te nauw ingesloten en in den laatsten tijd houdt men veel scherper wacht. Zoudt gij het dan durven wagen, jongen?”„Ja, Burgemeester! Vader heeft bij het gevecht te Leiderdorp eenen Spanjaard gedood en zijne kleederen buitgemaakt. Ze passen me, alsof ze voor mij gemaakt zijn. Met de Spaansche taal kan ik mij goed behelpen en ik wil zoo graag ook wat doen, Burgemeester!”Pieter Adriaensz. keek Van Keulen aan en deze zeide: „Laat den knaap gaan, Burgemeester! Moest hij in handen van den vijand vallen en sterven, och, wat nood, hier binnen de stad gaan we den hongerdood te gemoet.”„Nu goed dan, het zij zoo,” sprak van der Werff. „Over een uurtje wacht ik u voor den tocht geheel gereed op het stadhuis, om nogmaals eenen brief naar den Prins te brengen.”Na dit gezegd te hebben, vertrok de Burgemeester.Een uur later is Cornelis klaar en wil gaan.Daar valt Moeder Willempje Jansz. haren lieven Pleegzoon om den hals en bergt hare betraande wangen in de bruine lokken van den jongen, dien ze toch ook zoo innig, innig liefhad.„Nu, ga met God, mijn jongen,” zeide Van Keulen, en hield zich groot. „Geef uwe Moeder en uwe zusters eenen kus, mij en uwe broeders eene hand!”Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daaropde deur uit, doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde hij eene meisjeshand de zijne drukken.Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke’s zuster.„Dag, Cornelis,” zeide ze en eenen traan uit hare oogen pinkende, bracht ze er nog met moeite uit: „Denk aan Gerrit, Cornelis! God behoede u!”„Amen!” zeide Van Keulen, die Cornelis op straat gevolgd was, en voegde er in stilte bij: „Godt behoede Leyden!”

TWAALFDE HOOFDSTUK.Godt behoede Leyden!Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht binnen de belegerde stad gedaan en welke maatregelen de Regeering ook nam, telkens eischte zij nieuwe slachtoffers. Scheen het nu eens, dat ze wijken zou, dan weder trad ze met vernieuwde hevigheid te voorschijn.Toch was de pest het ergste niet.De levensvoorraad begon met den dag te minderen en de strengste bepalingen werden gemaakt omtrent het voedsel, dat ieder in zijn eigen huis in voorraad had en van hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard werd. Groot en klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat rantsoen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens groot van eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem voor eenen heelen dag moest dienen. Het hongerspook waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had, vertoonde zich naast zijne zuster de Pest.Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeldheid. Van der Werff, die voorzittend Burgemeester was, stond alleen tegenover de drie andere Burgemeesters: Cornelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan Jansz. Boersdorp, bijgenaamd „Half-Leyden.” Die bijnaam beduidde veel, want een groot deel van het volk was op zijne hand. En dat waren nu juist niet allen Spaanschgezinden. We zouden hen liever „kleinmoedigen” noemen, die niet tegen den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste vrijbuiters, mannen, die tot zinspreuk hadden: „Liever Turksch dan Paapsch,” wilden wel vechten, vechten met alle soorten van wapenen tegen den vijand, maar honger en gebrek lijden, dat wilden ze niet. Ze sloegen tot oproer over en toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten ze de stad, waar een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen honger zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit vrees zich stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en porden de ontevredenen aan tot tegenstand, die bij den Magistraat steun vond. Waarlijk, al de geestkracht, al de moed, al de toewijding, al het verstand wasnoodigom Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does, Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der Does en enkele andere aanzienlijken, den storm, die dreigde, te laten bezweren.De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van der Werff geloofde er niet aan; hij wist al te goed in welke groote geldelijke verlegenheid de Prins verkeerde. En toch wilden die moedigen volharden, hoe dan ook. Twee mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren een zekere Bakker en Roos. Maar als ze terugkeerden brachten ze voor al de gevaren, die ze doorstaan hadden, oude beloften mede, zoodat het volk er niet meer nieuwsgierig naar was.Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus iets buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in het volk, dat den vorigen dag nog traag en lusteloos door de stille straten toog, of zich in huis zat te vervelen aan eenen ledigen disch.In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat het heele gezin in eene sombere stemming bijeen, zich bezighoudende met het voeren van allerlei gesprekken over het beleg, de verdeeldheid, den honger, de ziekte en allerlei akeligheden meer, toen opeens de deur openging en Van Schaeck, Van der Morsch en Bakker met veel beweging binnen traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze de brengers van eene goede boodschap waren.„Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt mij overvalt?” vroeg Van Keulen.„Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van Oranje heeft bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid, die reuzenmacht heeft, en deze zal den Spanjaard verstrooien, als kaf voor den wind, en Leiden ontzetten,” zeide Bakker.„Wat!?” riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna tegelijk en vol verbazing uit.„Het is zoo,” verklaarden Van Schaeck en Van der Morsch. „Er komt ontzet!”„Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?” vroeg Van Keulen opgewonden.„Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden,” zeide Bakker.Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: „Het water?”„Luister,” hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten was. „Gij weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest.”„Dat weet ik,” zeide Van Keulen, „en gij zijt zóó lang weggebleven, dat we al vermoedden, dat gij beiden in het lot van Leeuwken gedeeld hadt.”„Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef eenen geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: „Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevingen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der Does, Jan Van Hout en zoovele anderen, die met eene zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden; er moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb.” Zoo sprak de Prins en—wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen, zeide de Prins: „Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht en geweten, den toestand mede waarin het benarde Leiden verkeert.”Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wij uitgesproken hadden, vroeg de Prins: „Wat dunkt u, Heeren, moeten de Leidenaars niet geholpen worden? Kan ons één offer te groot zijn?”„Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?” vroeg de Advocaat van Holland, Meester Paulus Buys.„Gij kent mijn voorstel, Heeren,” zeide de Prins. „De Maas- en IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder water gezet worden. Het water moet onze bondgenoot worden; wij hebben geenen anderen.”„Ik heb berekend,” sprak nu een Lid, „dat dit aan ons gewest eene som van niet minder dan zevenmaal honderd duizend gulden zal kosten. Dat gaat boven onze krachten, Uwe Doorluchtigheid!”„Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Holland betaald worden.”„Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe Doorluchtigheid,” sprak weer een ander.„Beter bedorven dan verloren land, Heeren,” antwoordde de Prins.„Toegegeven,” zoo sprak nu een derde, „maar Rijnland ligt hooger dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij Zoetermeer houdt het water tegen.”„Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook de Landscheiding moet doorgestoken worden.”„Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt. Wij hebben geen leger om den vijand te wederstaan,” bromde een vierde.„Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aangevoerd worden door eenen man als Louis van Boisot, dan gelden ze voor meer dan een leger.”Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en zeide: „Zijn de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe zouden ze met hunne schepen, die zelfs te veel diepgang hebben voor onze weteringen, die toch vrij diep zijn, bij de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming geven, doch het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet te wederleggen en met dat bezwaar valt het heele plan.”De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen te hebben, doch deze wederlegde dat bezwaar.„Kom,” riep nu Van Keulen, „hoe kon hij dat? Ik zou er geene kans toe zien.”„De Prins wel,” vervolgde Bakker. „Er kwam een gelukkig lachje over zijn ernstig gelaat en hij zeide: „Danis het voorstel, dat ik deed, aangenomen. Heeren! Admiraal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd heb, zal met zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten, goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de Landscheiding verrichten, en—het zal, het moet gelukken.”Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er werd besloten, dat de dijken van Maas en IJsel zouden doorgestoken worden.„Besluiten is nog geen doen,” sprak Van Keulen, die nog geen enkel blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ontzet had.„Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaarmoedig?” vroeg Bakker.„Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord heb zonder er wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen is een ding, zegt het spreekwoord.”„Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?”„Veel, Bakker, heel veel!”„Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eergisteren, dus Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus Buys en eenige Leden van de Staten naar Kapelle aan den IJsel gegaan, en daar is, onze eigen oogen hebben het gezien, want wij waren er bij, onder toezicht van de Jonkers van Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den dijk, en de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en Delfshaven. De sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan niet alleen open, maar de vijf sluizen bij Vlaardingen ook. Het water stroomt nu over het land en—Holland wordt eene binnenzee. Wat zegt gij nu?”Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend, zeide hij: „Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder. Ik zal niet meer morren, maar het hoofd omhoog houden, dat beloof ik, dat zweer ik bij al wat heilig is!”Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welkendat blijde bericht maakte op de heele bevolking. Het liet zelfs de heftigste ontevredenen zwijgen en legde een slot op hunnen mond, of, om eene uitdrukking van die dagen te gebruiken, het liet „de tong in den lomberd brengen.”De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder, die niet met de wapenen de stad diende, doch men zag het nu door de vingers, dat elk oogenblik nieuwsgierigen kwamen om het wassen van het water te zien, want hiervan hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde evenwel met elken dag, want, was het water wel iets hooger dan het gewone zomerpeil, toch was er geene sprake van dat de weilanden onder stonden. Helaas, het doorsteken der dijken had niet gebaat, omdat bij de noordoosten-, oosten- en zuidoostenwinden het zeewater niet hoog genoeg kwam om het peil in Maas en IJsel op te voeren.En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter. De pest nam ook weer toe. De wakkere Bronckhorst, die met zulk eene vaste hand, in naam van den Prins, de Stadsvoogdij uitgeoefend had, stierf en werd opgevolgd door Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als Stadsvoogd, men nog afwachten moest.„De tongen werden weer uit den lomberd gehaald” en de tegenstand begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de Spaanschgezinden op en schreeuwden op straat de anderen toe: „Gaat nu op den toren, gij Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet!”Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals Van Schaeck en Van Keulen.Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt, zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: „Godt behoede Leyden.”„Als dit geld op is,” zeide hij met eenen diepen zucht, „en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik, die zulk een trotsch vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de nood ook aan den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!”Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel en ging de deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om eenen troep vrijwilligers, die eenen aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was een paar maaltjes erwten en boonen.Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water even laag. De ellende binnen de stad steeg en de ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de Breedstraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen.De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers goede reis en behouden wederkomst, doch haalden de schouders op en dachten: „Wat zal het anders geven dan beloften?”„Of het bevestigen van het gerucht dat de Prins dood is,” zeide Van der Morsch, die hen inhaalde en hunne verzuchting gehoord had.„Dat verhoede God, want dan is het werk der bevrijding vergeefsch geweest,” klaagde Van Schaeck.De beide boden bleven eene week lang weg en pas Donderdag den vijfden September kwamen ze terug met het bericht, dat ze den Prins niet gesproken hadden, omdat hij, bijna door iedereen verlaten, aan eene besmettelijke ziekte lag. Toch brachten ze eene tijding mede, die weer nieuwen moed gaf, en dat was dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag en Woensdag den derden en vierden September te Rotterdam aangekomen was en dat men terstond de platboomde vaartuigen, die reeds gereed lagen, gewapend en bemand had. De Watergeuzen waren achthonderd in getal, maar telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien en ze waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze den dood niet vreesden en bij voorkeur de grootste gevaren opzochten. Bij de Spanjaarden waren ze niet minder, maar nog meer gevreesd.De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter van korten duur, want zij brachten wel den wil mede om wat te doen, doch het water hooger doen stijgen, konden ze niet, en evenmin konden ze den wind veranderen.„Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer Leiden ontzet wordt,” heeft de Spanjaard geroepen.Het is erg genoeg!De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren; de mannen verzwakken!Maar neen,—nòg is er een weinig koren, nòg is er wat mout! Nòg heeft men enkele magere koeien en paarden! Nòg zwerven er op straat katten en honden! Nòg groeit op de wallen en op de ledige en doodsche straten tusschen de keien gras! Nòg dragen de boomen bladeren en nòg hebben ze wortels! Nòg leven in de riolen ratten en in de ledige korenmagazijnen muizen!Bah! katten, honden, gras, boombladeren, boomwortels, muizen en ratten, dat is geen voedsel!Geen voedsel, jawel, zeker, zeker! Dat alles zullen de Leidenaars eten en gegeten hebben, eer ze zich overgeven!O, dat de Prins het wist, het zou hem in zijne ziekte zeker goed doen!”„Laat mij naar Delft gaan! Ik zal het den Prins zeggen, dat Leiden zich niet overgeeft,” zeide Cornelis Joppensz. tot Burgemeester Pieter Adriaensz., die bij Van Keulen gekomen was om met dezen te onderzoeken of er nog niet eens wat door de Leidsche vrijbuiters zou kunnen gedaan worden.„Roos en Bakker wagen het niet meer,” sprak de Burgemeester. „De stad is te nauw ingesloten en in den laatsten tijd houdt men veel scherper wacht. Zoudt gij het dan durven wagen, jongen?”„Ja, Burgemeester! Vader heeft bij het gevecht te Leiderdorp eenen Spanjaard gedood en zijne kleederen buitgemaakt. Ze passen me, alsof ze voor mij gemaakt zijn. Met de Spaansche taal kan ik mij goed behelpen en ik wil zoo graag ook wat doen, Burgemeester!”Pieter Adriaensz. keek Van Keulen aan en deze zeide: „Laat den knaap gaan, Burgemeester! Moest hij in handen van den vijand vallen en sterven, och, wat nood, hier binnen de stad gaan we den hongerdood te gemoet.”„Nu goed dan, het zij zoo,” sprak van der Werff. „Over een uurtje wacht ik u voor den tocht geheel gereed op het stadhuis, om nogmaals eenen brief naar den Prins te brengen.”Na dit gezegd te hebben, vertrok de Burgemeester.Een uur later is Cornelis klaar en wil gaan.Daar valt Moeder Willempje Jansz. haren lieven Pleegzoon om den hals en bergt hare betraande wangen in de bruine lokken van den jongen, dien ze toch ook zoo innig, innig liefhad.„Nu, ga met God, mijn jongen,” zeide Van Keulen, en hield zich groot. „Geef uwe Moeder en uwe zusters eenen kus, mij en uwe broeders eene hand!”Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daaropde deur uit, doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde hij eene meisjeshand de zijne drukken.Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke’s zuster.„Dag, Cornelis,” zeide ze en eenen traan uit hare oogen pinkende, bracht ze er nog met moeite uit: „Denk aan Gerrit, Cornelis! God behoede u!”„Amen!” zeide Van Keulen, die Cornelis op straat gevolgd was, en voegde er in stilte bij: „Godt behoede Leyden!”

TWAALFDE HOOFDSTUK.Godt behoede Leyden!

Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht binnen de belegerde stad gedaan en welke maatregelen de Regeering ook nam, telkens eischte zij nieuwe slachtoffers. Scheen het nu eens, dat ze wijken zou, dan weder trad ze met vernieuwde hevigheid te voorschijn.Toch was de pest het ergste niet.De levensvoorraad begon met den dag te minderen en de strengste bepalingen werden gemaakt omtrent het voedsel, dat ieder in zijn eigen huis in voorraad had en van hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard werd. Groot en klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat rantsoen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens groot van eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem voor eenen heelen dag moest dienen. Het hongerspook waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had, vertoonde zich naast zijne zuster de Pest.Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeldheid. Van der Werff, die voorzittend Burgemeester was, stond alleen tegenover de drie andere Burgemeesters: Cornelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan Jansz. Boersdorp, bijgenaamd „Half-Leyden.” Die bijnaam beduidde veel, want een groot deel van het volk was op zijne hand. En dat waren nu juist niet allen Spaanschgezinden. We zouden hen liever „kleinmoedigen” noemen, die niet tegen den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste vrijbuiters, mannen, die tot zinspreuk hadden: „Liever Turksch dan Paapsch,” wilden wel vechten, vechten met alle soorten van wapenen tegen den vijand, maar honger en gebrek lijden, dat wilden ze niet. Ze sloegen tot oproer over en toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten ze de stad, waar een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen honger zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit vrees zich stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en porden de ontevredenen aan tot tegenstand, die bij den Magistraat steun vond. Waarlijk, al de geestkracht, al de moed, al de toewijding, al het verstand wasnoodigom Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does, Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der Does en enkele andere aanzienlijken, den storm, die dreigde, te laten bezweren.De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van der Werff geloofde er niet aan; hij wist al te goed in welke groote geldelijke verlegenheid de Prins verkeerde. En toch wilden die moedigen volharden, hoe dan ook. Twee mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren een zekere Bakker en Roos. Maar als ze terugkeerden brachten ze voor al de gevaren, die ze doorstaan hadden, oude beloften mede, zoodat het volk er niet meer nieuwsgierig naar was.Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus iets buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in het volk, dat den vorigen dag nog traag en lusteloos door de stille straten toog, of zich in huis zat te vervelen aan eenen ledigen disch.In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat het heele gezin in eene sombere stemming bijeen, zich bezighoudende met het voeren van allerlei gesprekken over het beleg, de verdeeldheid, den honger, de ziekte en allerlei akeligheden meer, toen opeens de deur openging en Van Schaeck, Van der Morsch en Bakker met veel beweging binnen traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze de brengers van eene goede boodschap waren.„Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt mij overvalt?” vroeg Van Keulen.„Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van Oranje heeft bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid, die reuzenmacht heeft, en deze zal den Spanjaard verstrooien, als kaf voor den wind, en Leiden ontzetten,” zeide Bakker.„Wat!?” riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna tegelijk en vol verbazing uit.„Het is zoo,” verklaarden Van Schaeck en Van der Morsch. „Er komt ontzet!”„Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?” vroeg Van Keulen opgewonden.„Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden,” zeide Bakker.Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: „Het water?”„Luister,” hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten was. „Gij weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest.”„Dat weet ik,” zeide Van Keulen, „en gij zijt zóó lang weggebleven, dat we al vermoedden, dat gij beiden in het lot van Leeuwken gedeeld hadt.”„Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef eenen geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: „Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevingen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der Does, Jan Van Hout en zoovele anderen, die met eene zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden; er moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb.” Zoo sprak de Prins en—wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen, zeide de Prins: „Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht en geweten, den toestand mede waarin het benarde Leiden verkeert.”Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wij uitgesproken hadden, vroeg de Prins: „Wat dunkt u, Heeren, moeten de Leidenaars niet geholpen worden? Kan ons één offer te groot zijn?”„Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?” vroeg de Advocaat van Holland, Meester Paulus Buys.„Gij kent mijn voorstel, Heeren,” zeide de Prins. „De Maas- en IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder water gezet worden. Het water moet onze bondgenoot worden; wij hebben geenen anderen.”„Ik heb berekend,” sprak nu een Lid, „dat dit aan ons gewest eene som van niet minder dan zevenmaal honderd duizend gulden zal kosten. Dat gaat boven onze krachten, Uwe Doorluchtigheid!”„Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Holland betaald worden.”„Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe Doorluchtigheid,” sprak weer een ander.„Beter bedorven dan verloren land, Heeren,” antwoordde de Prins.„Toegegeven,” zoo sprak nu een derde, „maar Rijnland ligt hooger dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij Zoetermeer houdt het water tegen.”„Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook de Landscheiding moet doorgestoken worden.”„Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt. Wij hebben geen leger om den vijand te wederstaan,” bromde een vierde.„Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aangevoerd worden door eenen man als Louis van Boisot, dan gelden ze voor meer dan een leger.”Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en zeide: „Zijn de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe zouden ze met hunne schepen, die zelfs te veel diepgang hebben voor onze weteringen, die toch vrij diep zijn, bij de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming geven, doch het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet te wederleggen en met dat bezwaar valt het heele plan.”De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen te hebben, doch deze wederlegde dat bezwaar.„Kom,” riep nu Van Keulen, „hoe kon hij dat? Ik zou er geene kans toe zien.”„De Prins wel,” vervolgde Bakker. „Er kwam een gelukkig lachje over zijn ernstig gelaat en hij zeide: „Danis het voorstel, dat ik deed, aangenomen. Heeren! Admiraal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd heb, zal met zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten, goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de Landscheiding verrichten, en—het zal, het moet gelukken.”Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er werd besloten, dat de dijken van Maas en IJsel zouden doorgestoken worden.„Besluiten is nog geen doen,” sprak Van Keulen, die nog geen enkel blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ontzet had.„Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaarmoedig?” vroeg Bakker.„Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord heb zonder er wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen is een ding, zegt het spreekwoord.”„Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?”„Veel, Bakker, heel veel!”„Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eergisteren, dus Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus Buys en eenige Leden van de Staten naar Kapelle aan den IJsel gegaan, en daar is, onze eigen oogen hebben het gezien, want wij waren er bij, onder toezicht van de Jonkers van Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den dijk, en de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en Delfshaven. De sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan niet alleen open, maar de vijf sluizen bij Vlaardingen ook. Het water stroomt nu over het land en—Holland wordt eene binnenzee. Wat zegt gij nu?”Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend, zeide hij: „Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder. Ik zal niet meer morren, maar het hoofd omhoog houden, dat beloof ik, dat zweer ik bij al wat heilig is!”Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welkendat blijde bericht maakte op de heele bevolking. Het liet zelfs de heftigste ontevredenen zwijgen en legde een slot op hunnen mond, of, om eene uitdrukking van die dagen te gebruiken, het liet „de tong in den lomberd brengen.”De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder, die niet met de wapenen de stad diende, doch men zag het nu door de vingers, dat elk oogenblik nieuwsgierigen kwamen om het wassen van het water te zien, want hiervan hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde evenwel met elken dag, want, was het water wel iets hooger dan het gewone zomerpeil, toch was er geene sprake van dat de weilanden onder stonden. Helaas, het doorsteken der dijken had niet gebaat, omdat bij de noordoosten-, oosten- en zuidoostenwinden het zeewater niet hoog genoeg kwam om het peil in Maas en IJsel op te voeren.En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter. De pest nam ook weer toe. De wakkere Bronckhorst, die met zulk eene vaste hand, in naam van den Prins, de Stadsvoogdij uitgeoefend had, stierf en werd opgevolgd door Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als Stadsvoogd, men nog afwachten moest.„De tongen werden weer uit den lomberd gehaald” en de tegenstand begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de Spaanschgezinden op en schreeuwden op straat de anderen toe: „Gaat nu op den toren, gij Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet!”Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals Van Schaeck en Van Keulen.Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt, zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: „Godt behoede Leyden.”„Als dit geld op is,” zeide hij met eenen diepen zucht, „en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik, die zulk een trotsch vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de nood ook aan den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!”Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel en ging de deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om eenen troep vrijwilligers, die eenen aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was een paar maaltjes erwten en boonen.Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water even laag. De ellende binnen de stad steeg en de ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de Breedstraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen.De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers goede reis en behouden wederkomst, doch haalden de schouders op en dachten: „Wat zal het anders geven dan beloften?”„Of het bevestigen van het gerucht dat de Prins dood is,” zeide Van der Morsch, die hen inhaalde en hunne verzuchting gehoord had.„Dat verhoede God, want dan is het werk der bevrijding vergeefsch geweest,” klaagde Van Schaeck.De beide boden bleven eene week lang weg en pas Donderdag den vijfden September kwamen ze terug met het bericht, dat ze den Prins niet gesproken hadden, omdat hij, bijna door iedereen verlaten, aan eene besmettelijke ziekte lag. Toch brachten ze eene tijding mede, die weer nieuwen moed gaf, en dat was dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag en Woensdag den derden en vierden September te Rotterdam aangekomen was en dat men terstond de platboomde vaartuigen, die reeds gereed lagen, gewapend en bemand had. De Watergeuzen waren achthonderd in getal, maar telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien en ze waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze den dood niet vreesden en bij voorkeur de grootste gevaren opzochten. Bij de Spanjaarden waren ze niet minder, maar nog meer gevreesd.De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter van korten duur, want zij brachten wel den wil mede om wat te doen, doch het water hooger doen stijgen, konden ze niet, en evenmin konden ze den wind veranderen.„Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer Leiden ontzet wordt,” heeft de Spanjaard geroepen.Het is erg genoeg!De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren; de mannen verzwakken!Maar neen,—nòg is er een weinig koren, nòg is er wat mout! Nòg heeft men enkele magere koeien en paarden! Nòg zwerven er op straat katten en honden! Nòg groeit op de wallen en op de ledige en doodsche straten tusschen de keien gras! Nòg dragen de boomen bladeren en nòg hebben ze wortels! Nòg leven in de riolen ratten en in de ledige korenmagazijnen muizen!Bah! katten, honden, gras, boombladeren, boomwortels, muizen en ratten, dat is geen voedsel!Geen voedsel, jawel, zeker, zeker! Dat alles zullen de Leidenaars eten en gegeten hebben, eer ze zich overgeven!O, dat de Prins het wist, het zou hem in zijne ziekte zeker goed doen!”„Laat mij naar Delft gaan! Ik zal het den Prins zeggen, dat Leiden zich niet overgeeft,” zeide Cornelis Joppensz. tot Burgemeester Pieter Adriaensz., die bij Van Keulen gekomen was om met dezen te onderzoeken of er nog niet eens wat door de Leidsche vrijbuiters zou kunnen gedaan worden.„Roos en Bakker wagen het niet meer,” sprak de Burgemeester. „De stad is te nauw ingesloten en in den laatsten tijd houdt men veel scherper wacht. Zoudt gij het dan durven wagen, jongen?”„Ja, Burgemeester! Vader heeft bij het gevecht te Leiderdorp eenen Spanjaard gedood en zijne kleederen buitgemaakt. Ze passen me, alsof ze voor mij gemaakt zijn. Met de Spaansche taal kan ik mij goed behelpen en ik wil zoo graag ook wat doen, Burgemeester!”Pieter Adriaensz. keek Van Keulen aan en deze zeide: „Laat den knaap gaan, Burgemeester! Moest hij in handen van den vijand vallen en sterven, och, wat nood, hier binnen de stad gaan we den hongerdood te gemoet.”„Nu goed dan, het zij zoo,” sprak van der Werff. „Over een uurtje wacht ik u voor den tocht geheel gereed op het stadhuis, om nogmaals eenen brief naar den Prins te brengen.”Na dit gezegd te hebben, vertrok de Burgemeester.Een uur later is Cornelis klaar en wil gaan.Daar valt Moeder Willempje Jansz. haren lieven Pleegzoon om den hals en bergt hare betraande wangen in de bruine lokken van den jongen, dien ze toch ook zoo innig, innig liefhad.„Nu, ga met God, mijn jongen,” zeide Van Keulen, en hield zich groot. „Geef uwe Moeder en uwe zusters eenen kus, mij en uwe broeders eene hand!”Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daaropde deur uit, doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde hij eene meisjeshand de zijne drukken.Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke’s zuster.„Dag, Cornelis,” zeide ze en eenen traan uit hare oogen pinkende, bracht ze er nog met moeite uit: „Denk aan Gerrit, Cornelis! God behoede u!”„Amen!” zeide Van Keulen, die Cornelis op straat gevolgd was, en voegde er in stilte bij: „Godt behoede Leyden!”

Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.

Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht binnen de belegerde stad gedaan en welke maatregelen de Regeering ook nam, telkens eischte zij nieuwe slachtoffers. Scheen het nu eens, dat ze wijken zou, dan weder trad ze met vernieuwde hevigheid te voorschijn.

Toch was de pest het ergste niet.

De levensvoorraad begon met den dag te minderen en de strengste bepalingen werden gemaakt omtrent het voedsel, dat ieder in zijn eigen huis in voorraad had en van hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard werd. Groot en klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat rantsoen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens groot van eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem voor eenen heelen dag moest dienen. Het hongerspook waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had, vertoonde zich naast zijne zuster de Pest.

Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.

Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeldheid. Van der Werff, die voorzittend Burgemeester was, stond alleen tegenover de drie andere Burgemeesters: Cornelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan Jansz. Boersdorp, bijgenaamd „Half-Leyden.” Die bijnaam beduidde veel, want een groot deel van het volk was op zijne hand. En dat waren nu juist niet allen Spaanschgezinden. We zouden hen liever „kleinmoedigen” noemen, die niet tegen den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste vrijbuiters, mannen, die tot zinspreuk hadden: „Liever Turksch dan Paapsch,” wilden wel vechten, vechten met alle soorten van wapenen tegen den vijand, maar honger en gebrek lijden, dat wilden ze niet. Ze sloegen tot oproer over en toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten ze de stad, waar een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen honger zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit vrees zich stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en porden de ontevredenen aan tot tegenstand, die bij den Magistraat steun vond. Waarlijk, al de geestkracht, al de moed, al de toewijding, al het verstand wasnoodigom Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does, Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der Does en enkele andere aanzienlijken, den storm, die dreigde, te laten bezweren.

De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van der Werff geloofde er niet aan; hij wist al te goed in welke groote geldelijke verlegenheid de Prins verkeerde. En toch wilden die moedigen volharden, hoe dan ook. Twee mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren een zekere Bakker en Roos. Maar als ze terugkeerden brachten ze voor al de gevaren, die ze doorstaan hadden, oude beloften mede, zoodat het volk er niet meer nieuwsgierig naar was.

Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus iets buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in het volk, dat den vorigen dag nog traag en lusteloos door de stille straten toog, of zich in huis zat te vervelen aan eenen ledigen disch.

In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat het heele gezin in eene sombere stemming bijeen, zich bezighoudende met het voeren van allerlei gesprekken over het beleg, de verdeeldheid, den honger, de ziekte en allerlei akeligheden meer, toen opeens de deur openging en Van Schaeck, Van der Morsch en Bakker met veel beweging binnen traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze de brengers van eene goede boodschap waren.

„Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt mij overvalt?” vroeg Van Keulen.

„Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van Oranje heeft bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid, die reuzenmacht heeft, en deze zal den Spanjaard verstrooien, als kaf voor den wind, en Leiden ontzetten,” zeide Bakker.

„Wat!?” riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna tegelijk en vol verbazing uit.

„Het is zoo,” verklaarden Van Schaeck en Van der Morsch. „Er komt ontzet!”

„Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?” vroeg Van Keulen opgewonden.

„Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden,” zeide Bakker.

Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: „Het water?”

„Luister,” hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten was. „Gij weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest.”

„Dat weet ik,” zeide Van Keulen, „en gij zijt zóó lang weggebleven, dat we al vermoedden, dat gij beiden in het lot van Leeuwken gedeeld hadt.”

„Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef eenen geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: „Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevingen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der Does, Jan Van Hout en zoovele anderen, die met eene zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden; er moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb.” Zoo sprak de Prins en—wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen, zeide de Prins: „Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht en geweten, den toestand mede waarin het benarde Leiden verkeert.”

Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wij uitgesproken hadden, vroeg de Prins: „Wat dunkt u, Heeren, moeten de Leidenaars niet geholpen worden? Kan ons één offer te groot zijn?”

„Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?” vroeg de Advocaat van Holland, Meester Paulus Buys.

„Gij kent mijn voorstel, Heeren,” zeide de Prins. „De Maas- en IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder water gezet worden. Het water moet onze bondgenoot worden; wij hebben geenen anderen.”

„Ik heb berekend,” sprak nu een Lid, „dat dit aan ons gewest eene som van niet minder dan zevenmaal honderd duizend gulden zal kosten. Dat gaat boven onze krachten, Uwe Doorluchtigheid!”

„Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Holland betaald worden.”

„Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe Doorluchtigheid,” sprak weer een ander.

„Beter bedorven dan verloren land, Heeren,” antwoordde de Prins.

„Toegegeven,” zoo sprak nu een derde, „maar Rijnland ligt hooger dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij Zoetermeer houdt het water tegen.”

„Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook de Landscheiding moet doorgestoken worden.”

„Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt. Wij hebben geen leger om den vijand te wederstaan,” bromde een vierde.

„Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aangevoerd worden door eenen man als Louis van Boisot, dan gelden ze voor meer dan een leger.”

Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en zeide: „Zijn de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe zouden ze met hunne schepen, die zelfs te veel diepgang hebben voor onze weteringen, die toch vrij diep zijn, bij de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming geven, doch het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet te wederleggen en met dat bezwaar valt het heele plan.”

De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen te hebben, doch deze wederlegde dat bezwaar.

„Kom,” riep nu Van Keulen, „hoe kon hij dat? Ik zou er geene kans toe zien.”

„De Prins wel,” vervolgde Bakker. „Er kwam een gelukkig lachje over zijn ernstig gelaat en hij zeide: „Danis het voorstel, dat ik deed, aangenomen. Heeren! Admiraal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd heb, zal met zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten, goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de Landscheiding verrichten, en—het zal, het moet gelukken.”

Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er werd besloten, dat de dijken van Maas en IJsel zouden doorgestoken worden.

„Besluiten is nog geen doen,” sprak Van Keulen, die nog geen enkel blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ontzet had.

„Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaarmoedig?” vroeg Bakker.

„Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord heb zonder er wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen is een ding, zegt het spreekwoord.”

„Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?”

„Veel, Bakker, heel veel!”

„Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eergisteren, dus Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus Buys en eenige Leden van de Staten naar Kapelle aan den IJsel gegaan, en daar is, onze eigen oogen hebben het gezien, want wij waren er bij, onder toezicht van de Jonkers van Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den dijk, en de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en Delfshaven. De sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan niet alleen open, maar de vijf sluizen bij Vlaardingen ook. Het water stroomt nu over het land en—Holland wordt eene binnenzee. Wat zegt gij nu?”

Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend, zeide hij: „Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder. Ik zal niet meer morren, maar het hoofd omhoog houden, dat beloof ik, dat zweer ik bij al wat heilig is!”

Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welkendat blijde bericht maakte op de heele bevolking. Het liet zelfs de heftigste ontevredenen zwijgen en legde een slot op hunnen mond, of, om eene uitdrukking van die dagen te gebruiken, het liet „de tong in den lomberd brengen.”

De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder, die niet met de wapenen de stad diende, doch men zag het nu door de vingers, dat elk oogenblik nieuwsgierigen kwamen om het wassen van het water te zien, want hiervan hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde evenwel met elken dag, want, was het water wel iets hooger dan het gewone zomerpeil, toch was er geene sprake van dat de weilanden onder stonden. Helaas, het doorsteken der dijken had niet gebaat, omdat bij de noordoosten-, oosten- en zuidoostenwinden het zeewater niet hoog genoeg kwam om het peil in Maas en IJsel op te voeren.

En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter. De pest nam ook weer toe. De wakkere Bronckhorst, die met zulk eene vaste hand, in naam van den Prins, de Stadsvoogdij uitgeoefend had, stierf en werd opgevolgd door Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als Stadsvoogd, men nog afwachten moest.

„De tongen werden weer uit den lomberd gehaald” en de tegenstand begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de Spaanschgezinden op en schreeuwden op straat de anderen toe: „Gaat nu op den toren, gij Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet!”

Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.

De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals Van Schaeck en Van Keulen.

Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt, zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: „Godt behoede Leyden.”

„Als dit geld op is,” zeide hij met eenen diepen zucht, „en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik, die zulk een trotsch vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de nood ook aan den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!”

Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel en ging de deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om eenen troep vrijwilligers, die eenen aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was een paar maaltjes erwten en boonen.

Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water even laag. De ellende binnen de stad steeg en de ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.

Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de Breedstraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen.

De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers goede reis en behouden wederkomst, doch haalden de schouders op en dachten: „Wat zal het anders geven dan beloften?”

„Of het bevestigen van het gerucht dat de Prins dood is,” zeide Van der Morsch, die hen inhaalde en hunne verzuchting gehoord had.

„Dat verhoede God, want dan is het werk der bevrijding vergeefsch geweest,” klaagde Van Schaeck.

De beide boden bleven eene week lang weg en pas Donderdag den vijfden September kwamen ze terug met het bericht, dat ze den Prins niet gesproken hadden, omdat hij, bijna door iedereen verlaten, aan eene besmettelijke ziekte lag. Toch brachten ze eene tijding mede, die weer nieuwen moed gaf, en dat was dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag en Woensdag den derden en vierden September te Rotterdam aangekomen was en dat men terstond de platboomde vaartuigen, die reeds gereed lagen, gewapend en bemand had. De Watergeuzen waren achthonderd in getal, maar telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien en ze waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze den dood niet vreesden en bij voorkeur de grootste gevaren opzochten. Bij de Spanjaarden waren ze niet minder, maar nog meer gevreesd.

De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter van korten duur, want zij brachten wel den wil mede om wat te doen, doch het water hooger doen stijgen, konden ze niet, en evenmin konden ze den wind veranderen.

„Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer Leiden ontzet wordt,” heeft de Spanjaard geroepen.

Het is erg genoeg!

De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren; de mannen verzwakken!

Maar neen,—nòg is er een weinig koren, nòg is er wat mout! Nòg heeft men enkele magere koeien en paarden! Nòg zwerven er op straat katten en honden! Nòg groeit op de wallen en op de ledige en doodsche straten tusschen de keien gras! Nòg dragen de boomen bladeren en nòg hebben ze wortels! Nòg leven in de riolen ratten en in de ledige korenmagazijnen muizen!

Bah! katten, honden, gras, boombladeren, boomwortels, muizen en ratten, dat is geen voedsel!

Geen voedsel, jawel, zeker, zeker! Dat alles zullen de Leidenaars eten en gegeten hebben, eer ze zich overgeven!O, dat de Prins het wist, het zou hem in zijne ziekte zeker goed doen!”

„Laat mij naar Delft gaan! Ik zal het den Prins zeggen, dat Leiden zich niet overgeeft,” zeide Cornelis Joppensz. tot Burgemeester Pieter Adriaensz., die bij Van Keulen gekomen was om met dezen te onderzoeken of er nog niet eens wat door de Leidsche vrijbuiters zou kunnen gedaan worden.

„Roos en Bakker wagen het niet meer,” sprak de Burgemeester. „De stad is te nauw ingesloten en in den laatsten tijd houdt men veel scherper wacht. Zoudt gij het dan durven wagen, jongen?”

„Ja, Burgemeester! Vader heeft bij het gevecht te Leiderdorp eenen Spanjaard gedood en zijne kleederen buitgemaakt. Ze passen me, alsof ze voor mij gemaakt zijn. Met de Spaansche taal kan ik mij goed behelpen en ik wil zoo graag ook wat doen, Burgemeester!”

Pieter Adriaensz. keek Van Keulen aan en deze zeide: „Laat den knaap gaan, Burgemeester! Moest hij in handen van den vijand vallen en sterven, och, wat nood, hier binnen de stad gaan we den hongerdood te gemoet.”

„Nu goed dan, het zij zoo,” sprak van der Werff. „Over een uurtje wacht ik u voor den tocht geheel gereed op het stadhuis, om nogmaals eenen brief naar den Prins te brengen.”

Na dit gezegd te hebben, vertrok de Burgemeester.

Een uur later is Cornelis klaar en wil gaan.

Daar valt Moeder Willempje Jansz. haren lieven Pleegzoon om den hals en bergt hare betraande wangen in de bruine lokken van den jongen, dien ze toch ook zoo innig, innig liefhad.

„Nu, ga met God, mijn jongen,” zeide Van Keulen, en hield zich groot. „Geef uwe Moeder en uwe zusters eenen kus, mij en uwe broeders eene hand!”

Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daaropde deur uit, doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde hij eene meisjeshand de zijne drukken.

Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke’s zuster.

„Dag, Cornelis,” zeide ze en eenen traan uit hare oogen pinkende, bracht ze er nog met moeite uit: „Denk aan Gerrit, Cornelis! God behoede u!”

„Amen!” zeide Van Keulen, die Cornelis op straat gevolgd was, en voegde er in stilte bij: „Godt behoede Leyden!”


Back to IndexNext