TIENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.Een duur slaapje.Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag, dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij heeft eenen polsstokof zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt, een deuntje fluitende, zijnen weg.Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht, terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil hij voorbij gaan.„Ho, knaap,” zei de een, „kunt gij niet spreken, als gij menschen groet?”„Jawel, Senor!”„Zoo, en waarom doet gij het dan niet?”„Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor,” was Leeuwkes antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: „Die jongen is niet wel bij het hoofd!”„Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk wel uit Leiden komt,” sprak de ander.Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht aan den eerste: „Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?”De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren in eenen luiden lach uitbarstten.„Hoe heet gij, bengel?” vroeg de eerste alweer.„Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze.”„En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?”„Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!”„Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!”Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: „Ik had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den Vaandrig van denDrossaardvan Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!”„En uw Vader is ook soldaat?”„Neen, Senor, Vader is ketelboeter!”„Wat is dat: een ketelboeter?”„Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet.”„Och kom, ga maar meê, Diala,” zeide de ander. „Die knaap is niet recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?”„Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn,” merkte de ander aan.„Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!”„Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan....”„Loop met heel je ketellappers-famielje naar degalgbengel!” zeide Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.„Dat is weer door eenen zuren appel gebeten,” dacht Leeuwke en vervolgde zijnen weg.Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippersdikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten en „Pier Quaet-Gelaet” zag. Deze herkende hem ook terstond en riep, terwijl hij opsprong: „Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion uit Leiden!”Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw; maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.Maar, waar nu heen?Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden in het dorp?Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende, telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers nog, zou aanzien, begonhij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde, nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht op hem moest laten vallen.Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker genoeg was om te wagen verder te gaan.Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw, en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?„In vrede,” dacht hij, „maar dwars de weilanden over.”Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering, die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.„Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?” riep eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het water op den kant hielp.Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken, dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.„Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken; maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd, dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?”„Gerrit, goede man!”„Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!”De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een oogenblik later door Gerrit gevolgd.Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje, dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene harde koorts kreeg.De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden moest worden en zeide: „Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!”Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, „Meu Sientje,” die hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer in het vertrek kwam: „Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan opknappen, dat zult gij!”Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was, verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: „God vergelde het u!”Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk altijd maar rechtuit.Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht in Ter Gouw.Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten tot hem zou worden opengedaan.Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de slotsom was?„De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!”Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij Klaas Koot ontmoet had.Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was, vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden, behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt, of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen: „God vergelde het u!”Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond vaak over.Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel binnen de stad te brengen, als hun maarmogelijk was. Dertig schuiten werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen voorraad van kruit en lood.Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen uitgezien.De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren, langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.„G’n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf,” zeide de een.„Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?”„Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik het zelf!”„Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld doorsteken!”„Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij ook, al zeg ik het zelf!”„Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt.”„Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt me wel!”„Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier uw kameraad met deze schuiten aankomt.”„Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw, als ik weten mag?”„Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?”„Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!”„Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!”„Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!”Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.„Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen, neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,—goed dagwerk!”Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?„Schooneman! Schooneman!!!”Geen antwoord.Nog eens, maar veel harder: „Schooneman!!!”Nog geen antwoord.„Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden ze den arbeider gevangen hebben genomen?”Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat een paar minuten verder lag en waarin de luiwammes lag te slapen, dat hij ronkte.De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot de meerderheid, dat men zou terugkeeren.Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: „Twaalf uur, jongens, dat is een voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie .... eenenvijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!”Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen; maar hoe graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg, toch begon het nu te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn strootje weer te baat en rekende uit, dat het al zes uur was.Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk rechtstreeks naar het huis van den Baljuw om te zeggen, dat ze niet gekomen waren en of hij vierentwintig maal drie, dat is tweeënzeventig stuivers mocht hebben.„Wat?” bulderde de Baljuw. „Jij tweeënzeventig stuivers! Pak je weg, lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar zat-je toen de schuiten kwamen?”„De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben tot van avond zes uur aan de Koppieren kade geweest!”„En van morgen om negen uur waren de schuiten er al! Hebt gij dan geslapen?”„Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al zeg ik het zelf, maar....”„Ongeluksvogel, die je bent,” bulderde de Baljuw, „jij met je tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!”„Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer Baljuw!” zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie beenen hem dragen konden, naar huis.„Dat was een duur tikkie,” bromde hij, „maar nooit meer zulke baantjes, hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee weeken!”Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman, was dus de geheele onderneming in duigen gevallen.Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien verdenken zou van zijne boodschap niet goed gedaan te hebben, en daarom ging hij, hoe men er ook op aandrong, dat hij blijven zou, tegen den avond, in eenen Spaanschen wachtmantel gedoken, op pad naar Leiden. In zijnen stok had hij nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat de schuld niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider, die was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te blijven, de onderneming geheel en al mislukt was.„In den donker zijn alle katjes grauw,” zegt men wel eens en daar vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn, dat hij onderweg door eenen Waal, uit het leger van Valdez, als Spaansch soldenier, werd aangesproken.Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Amsterdam over het Haarlemmermeer een nieuwe voorraad levensmiddelen voor het Spaansche leger zou aankomen, en de Waal wist er zoo veel van te vertellen, en hij zeide alles zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast waar moest zijn.Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager over de slooten springende, kwam hij gelukkig de wachtposten door en voor de Koepoort aan.Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz. van der Werff, den Burgemeester, en toen naar Jonker van der Does. Beiden hadden hem gezegd, dat hij eens bij Van Keulen moest aanloopen om hem een en ander te vertellen, en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij nu een paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootgesteld geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den volgenden nacht vrij van den dienst.Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het volgende hoofdstuk zien.

TIENDE HOOFDSTUK.Een duur slaapje.Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag, dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij heeft eenen polsstokof zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt, een deuntje fluitende, zijnen weg.Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht, terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil hij voorbij gaan.„Ho, knaap,” zei de een, „kunt gij niet spreken, als gij menschen groet?”„Jawel, Senor!”„Zoo, en waarom doet gij het dan niet?”„Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor,” was Leeuwkes antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: „Die jongen is niet wel bij het hoofd!”„Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk wel uit Leiden komt,” sprak de ander.Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht aan den eerste: „Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?”De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren in eenen luiden lach uitbarstten.„Hoe heet gij, bengel?” vroeg de eerste alweer.„Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze.”„En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?”„Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!”„Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!”Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: „Ik had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den Vaandrig van denDrossaardvan Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!”„En uw Vader is ook soldaat?”„Neen, Senor, Vader is ketelboeter!”„Wat is dat: een ketelboeter?”„Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet.”„Och kom, ga maar meê, Diala,” zeide de ander. „Die knaap is niet recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?”„Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn,” merkte de ander aan.„Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!”„Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan....”„Loop met heel je ketellappers-famielje naar degalgbengel!” zeide Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.„Dat is weer door eenen zuren appel gebeten,” dacht Leeuwke en vervolgde zijnen weg.Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippersdikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten en „Pier Quaet-Gelaet” zag. Deze herkende hem ook terstond en riep, terwijl hij opsprong: „Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion uit Leiden!”Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw; maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.Maar, waar nu heen?Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden in het dorp?Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende, telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers nog, zou aanzien, begonhij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde, nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht op hem moest laten vallen.Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker genoeg was om te wagen verder te gaan.Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw, en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?„In vrede,” dacht hij, „maar dwars de weilanden over.”Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering, die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.„Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?” riep eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het water op den kant hielp.Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken, dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.„Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken; maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd, dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?”„Gerrit, goede man!”„Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!”De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een oogenblik later door Gerrit gevolgd.Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje, dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene harde koorts kreeg.De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden moest worden en zeide: „Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!”Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, „Meu Sientje,” die hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer in het vertrek kwam: „Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan opknappen, dat zult gij!”Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was, verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: „God vergelde het u!”Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk altijd maar rechtuit.Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht in Ter Gouw.Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten tot hem zou worden opengedaan.Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de slotsom was?„De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!”Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij Klaas Koot ontmoet had.Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was, vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden, behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt, of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen: „God vergelde het u!”Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond vaak over.Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel binnen de stad te brengen, als hun maarmogelijk was. Dertig schuiten werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen voorraad van kruit en lood.Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen uitgezien.De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren, langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.„G’n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf,” zeide de een.„Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?”„Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik het zelf!”„Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld doorsteken!”„Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij ook, al zeg ik het zelf!”„Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt.”„Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt me wel!”„Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier uw kameraad met deze schuiten aankomt.”„Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw, als ik weten mag?”„Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?”„Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!”„Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!”„Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!”Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.„Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen, neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,—goed dagwerk!”Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?„Schooneman! Schooneman!!!”Geen antwoord.Nog eens, maar veel harder: „Schooneman!!!”Nog geen antwoord.„Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden ze den arbeider gevangen hebben genomen?”Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat een paar minuten verder lag en waarin de luiwammes lag te slapen, dat hij ronkte.De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot de meerderheid, dat men zou terugkeeren.Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: „Twaalf uur, jongens, dat is een voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie .... eenenvijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!”Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen; maar hoe graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg, toch begon het nu te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn strootje weer te baat en rekende uit, dat het al zes uur was.Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk rechtstreeks naar het huis van den Baljuw om te zeggen, dat ze niet gekomen waren en of hij vierentwintig maal drie, dat is tweeënzeventig stuivers mocht hebben.„Wat?” bulderde de Baljuw. „Jij tweeënzeventig stuivers! Pak je weg, lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar zat-je toen de schuiten kwamen?”„De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben tot van avond zes uur aan de Koppieren kade geweest!”„En van morgen om negen uur waren de schuiten er al! Hebt gij dan geslapen?”„Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al zeg ik het zelf, maar....”„Ongeluksvogel, die je bent,” bulderde de Baljuw, „jij met je tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!”„Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer Baljuw!” zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie beenen hem dragen konden, naar huis.„Dat was een duur tikkie,” bromde hij, „maar nooit meer zulke baantjes, hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee weeken!”Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman, was dus de geheele onderneming in duigen gevallen.Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien verdenken zou van zijne boodschap niet goed gedaan te hebben, en daarom ging hij, hoe men er ook op aandrong, dat hij blijven zou, tegen den avond, in eenen Spaanschen wachtmantel gedoken, op pad naar Leiden. In zijnen stok had hij nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat de schuld niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider, die was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te blijven, de onderneming geheel en al mislukt was.„In den donker zijn alle katjes grauw,” zegt men wel eens en daar vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn, dat hij onderweg door eenen Waal, uit het leger van Valdez, als Spaansch soldenier, werd aangesproken.Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Amsterdam over het Haarlemmermeer een nieuwe voorraad levensmiddelen voor het Spaansche leger zou aankomen, en de Waal wist er zoo veel van te vertellen, en hij zeide alles zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast waar moest zijn.Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager over de slooten springende, kwam hij gelukkig de wachtposten door en voor de Koepoort aan.Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz. van der Werff, den Burgemeester, en toen naar Jonker van der Does. Beiden hadden hem gezegd, dat hij eens bij Van Keulen moest aanloopen om hem een en ander te vertellen, en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij nu een paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootgesteld geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den volgenden nacht vrij van den dienst.Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het volgende hoofdstuk zien.

TIENDE HOOFDSTUK.Een duur slaapje.

Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag, dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij heeft eenen polsstokof zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt, een deuntje fluitende, zijnen weg.Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht, terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil hij voorbij gaan.„Ho, knaap,” zei de een, „kunt gij niet spreken, als gij menschen groet?”„Jawel, Senor!”„Zoo, en waarom doet gij het dan niet?”„Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor,” was Leeuwkes antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: „Die jongen is niet wel bij het hoofd!”„Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk wel uit Leiden komt,” sprak de ander.Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht aan den eerste: „Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?”De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren in eenen luiden lach uitbarstten.„Hoe heet gij, bengel?” vroeg de eerste alweer.„Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze.”„En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?”„Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!”„Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!”Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: „Ik had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den Vaandrig van denDrossaardvan Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!”„En uw Vader is ook soldaat?”„Neen, Senor, Vader is ketelboeter!”„Wat is dat: een ketelboeter?”„Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet.”„Och kom, ga maar meê, Diala,” zeide de ander. „Die knaap is niet recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?”„Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn,” merkte de ander aan.„Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!”„Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan....”„Loop met heel je ketellappers-famielje naar degalgbengel!” zeide Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.„Dat is weer door eenen zuren appel gebeten,” dacht Leeuwke en vervolgde zijnen weg.Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippersdikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten en „Pier Quaet-Gelaet” zag. Deze herkende hem ook terstond en riep, terwijl hij opsprong: „Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion uit Leiden!”Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw; maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.Maar, waar nu heen?Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden in het dorp?Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende, telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers nog, zou aanzien, begonhij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde, nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht op hem moest laten vallen.Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker genoeg was om te wagen verder te gaan.Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw, en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?„In vrede,” dacht hij, „maar dwars de weilanden over.”Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering, die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.„Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?” riep eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het water op den kant hielp.Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken, dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.„Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken; maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd, dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?”„Gerrit, goede man!”„Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!”De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een oogenblik later door Gerrit gevolgd.Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje, dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene harde koorts kreeg.De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden moest worden en zeide: „Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!”Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, „Meu Sientje,” die hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer in het vertrek kwam: „Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan opknappen, dat zult gij!”Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was, verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: „God vergelde het u!”Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk altijd maar rechtuit.Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht in Ter Gouw.Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten tot hem zou worden opengedaan.Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de slotsom was?„De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!”Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij Klaas Koot ontmoet had.Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was, vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden, behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt, of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen: „God vergelde het u!”Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond vaak over.Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel binnen de stad te brengen, als hun maarmogelijk was. Dertig schuiten werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen voorraad van kruit en lood.Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen uitgezien.De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren, langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.„G’n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf,” zeide de een.„Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?”„Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik het zelf!”„Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld doorsteken!”„Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij ook, al zeg ik het zelf!”„Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt.”„Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt me wel!”„Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier uw kameraad met deze schuiten aankomt.”„Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw, als ik weten mag?”„Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?”„Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!”„Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!”„Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!”Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.„Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen, neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,—goed dagwerk!”Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?„Schooneman! Schooneman!!!”Geen antwoord.Nog eens, maar veel harder: „Schooneman!!!”Nog geen antwoord.„Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden ze den arbeider gevangen hebben genomen?”Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat een paar minuten verder lag en waarin de luiwammes lag te slapen, dat hij ronkte.De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot de meerderheid, dat men zou terugkeeren.Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: „Twaalf uur, jongens, dat is een voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie .... eenenvijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!”Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen; maar hoe graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg, toch begon het nu te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn strootje weer te baat en rekende uit, dat het al zes uur was.Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk rechtstreeks naar het huis van den Baljuw om te zeggen, dat ze niet gekomen waren en of hij vierentwintig maal drie, dat is tweeënzeventig stuivers mocht hebben.„Wat?” bulderde de Baljuw. „Jij tweeënzeventig stuivers! Pak je weg, lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar zat-je toen de schuiten kwamen?”„De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben tot van avond zes uur aan de Koppieren kade geweest!”„En van morgen om negen uur waren de schuiten er al! Hebt gij dan geslapen?”„Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al zeg ik het zelf, maar....”„Ongeluksvogel, die je bent,” bulderde de Baljuw, „jij met je tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!”„Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer Baljuw!” zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie beenen hem dragen konden, naar huis.„Dat was een duur tikkie,” bromde hij, „maar nooit meer zulke baantjes, hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee weeken!”Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman, was dus de geheele onderneming in duigen gevallen.Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien verdenken zou van zijne boodschap niet goed gedaan te hebben, en daarom ging hij, hoe men er ook op aandrong, dat hij blijven zou, tegen den avond, in eenen Spaanschen wachtmantel gedoken, op pad naar Leiden. In zijnen stok had hij nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat de schuld niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider, die was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te blijven, de onderneming geheel en al mislukt was.„In den donker zijn alle katjes grauw,” zegt men wel eens en daar vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn, dat hij onderweg door eenen Waal, uit het leger van Valdez, als Spaansch soldenier, werd aangesproken.Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Amsterdam over het Haarlemmermeer een nieuwe voorraad levensmiddelen voor het Spaansche leger zou aankomen, en de Waal wist er zoo veel van te vertellen, en hij zeide alles zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast waar moest zijn.Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager over de slooten springende, kwam hij gelukkig de wachtposten door en voor de Koepoort aan.Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz. van der Werff, den Burgemeester, en toen naar Jonker van der Does. Beiden hadden hem gezegd, dat hij eens bij Van Keulen moest aanloopen om hem een en ander te vertellen, en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij nu een paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootgesteld geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den volgenden nacht vrij van den dienst.Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het volgende hoofdstuk zien.

Het was Vrijdag, den vierden Juni, omstreeks zes uur in den namiddag, dat we langs den Hoogen-Rijndijk, tusschen de Ridderhofsteden Swieten en Rhinenburg, eenen stoeren, flinkgebouwden jongen zien loopen. Hij heeft eenen polsstokof zoogenaamden verrejager in de hand en vervolgt, een deuntje fluitende, zijnen weg.

Van den kant van Rhinenburg ziet hij een paar Spaansche Officieren aankomen, en het hart popelt hem van onrust, als hij denkt, dat deze, nu hij zoo gelukkig tusschen de vijandelijke schansen tot hier gekomen is, hem zullen ophouden of, erger nog, hem in het verhoor zullen nemen. Hij heeft echter reeds vooraf een plan gemaakt, wat hij in dat geval doen zal en zet bij voorbaat een jammerlijk gezicht, terwijl hij eene hand voor het hoofd houdt.

Mijne lezers hebben zeker Leeuwke herkend.

Daar zijn de Officieren bij hem en, hen heel nederig groetend, wil hij voorbij gaan.

„Ho, knaap,” zei de een, „kunt gij niet spreken, als gij menschen groet?”

„Jawel, Senor!”

„Zoo, en waarom doet gij het dan niet?”

„Ik heb zulk eene hevige hoofd- en kiespijn, Senor,” was Leeuwkes antwoord en hij zette er zulk een onnoozel en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: „Die jongen is niet wel bij het hoofd!”

„Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk wel uit Leiden komt,” sprak de ander.

Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog onnoozeler gezicht aan den eerste: „Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor?”

De vraag was zóó leuk en het gezicht zóó dom, dat beide Officieren in eenen luiden lach uitbarstten.

„Hoe heet gij, bengel?” vroeg de eerste alweer.

„Ik heet Hannes Hannesz., zooals mijn Vader heet en ik kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijne Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen. Moeder zegt dat ik veel schooner ben, ja, zeker, dat zegt ze.”

„En wat moet gij hier doen als gij te Voorschoten woont?”

„Ik ga naar Hasaertswoude, Senor! Daar woont eene vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw!”

„Maar dan maakt gij eenen grooten omweg, jongen!”

Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: „Ik had voor den trompetter uit Don Carions vendel eene boodschap aan den Vaandrig van denDrossaardvan Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!”

„En uw Vader is ook soldaat?”

„Neen, Senor, Vader is ketelboeter!”

„Wat is dat: een ketelboeter?”

„Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid eenen kapotten ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wàt goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen niet.”

„Och kom, ga maar meê, Diala,” zeide de ander. „Die knaap is niet recht wijs! Wat staat ge met dat bedelpak te snappen?”

„Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn,” merkte de ander aan.

„Denkt ge dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen overzenden? Als ik u was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk eene belooning er op zat!”

„Als de Heeren nu soms eenen ketel mochten hebben, die gelapt moet worden, willen ze het dan maar laten weten? Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen en hij is ook veel duurder dan....”

„Loop met heel je ketellappers-famielje naar degalgbengel!” zeide Diala en volgde zijnen vriend, die reeds heen gegaan was.

„Dat is weer door eenen zuren appel gebeten,” dacht Leeuwke en vervolgde zijnen weg.

Dicht bij Rhinenburg lag een bierhuis waar de schippersdikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes en ook wel eene kan bier dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins en reeds stond Leeuwke gereed om daar binnen te gaan vragen, hoe hij veilig verder kon gaan, toen hij in de gelagkamer vier Spaansche soldaten en „Pier Quaet-Gelaet” zag. Deze herkende hem ook terstond en riep, terwijl hij opsprong: „Op, mannen, vat dien bengel! Dat is een spion uit Leiden!”

Leeuwke had de woorden van den Glipper niet meer verstaan, want hij was terstond op den loop gegaan en snelde, zoo vlug als zijne beenen hem dragen konden, de naburige hofstede Rhinenburg op.

Daar vond hij eenen nieuwen vijand in eenen grooten wachthond, die hem blaffend te gemoet sprong. De Spanjaarden volgden met veel geschreeuw; maar toen dacht de hond zeker, dat de grootste schreeuwers ook de grootste kwaaddoeners waren, en Leeuwke latende loopen, keerde het dier zich om en vloog eenen Spanjaard naar de keel.

Deze, op zulk eene vreemde ontvangst niet voorbereid, tuimelde achterover, en zou zeker door den hond van kant gemaakt zijn, indien zijne kameraads hem niet in allerijl waren komen helpen.

Het kostte moeite den van pijn schreeuwenden Spanjaard van den woedenden hond te bevrijden en, toen het razende dier eindelijk dood aan hunne voeten nederlag, was Leeuwke in het bosch, dat achter de huizinge lag, en tot aan het Galgeveld zich uitstrekte, ontkomen.

Maar, waar nu heen?

Den weg opzoeken, dat was te gevaarlijk! Hij wist immers niet of de Spanjaarden daar in den omtrek kruisten. Waren er ook geene Spanjaarden in het dorp?

Zoo besluiteloos in het hem onbekende bosch heen en weer loopende, telkens vreezende, dat hij den eigenaar of iemand van het huis ontmoeten zou, die hem misschien wel voor eenen dief, of iets ergers nog, zou aanzien, begonhij te denken, dat hij, eenmaal hier zijnde, nu maar wachten moest tot het vallen van den avond. Hier in het bosch tusschen het hout, zou men hem niet gemakkelijk vinden, meende hij.

Dat was de knaap van weinig ondervinding, die zoo handelde; want hij had toch lichtelijk kunnen begrijpen, dat de aanval van den hond en de achtervolging van vier Spanjaarden en eenen Glipper de aandacht op hem moest laten vallen.

Maar gelukkig voor Leeuwke was het, dat de Heer van Rhinenburg niet thuis was, en dat de Spanjaarden te veel met hunnen kameraad te doen hadden, om den vluchteling in het geboomte op te sporen. Daardoor kwam het dat hij ongestoord in het bosch blijven kon, tot het donker genoeg was om te wagen verder te gaan.

Zijn eerste werk was nu uit het bosch te komen. Op goed geluk ging hij rechtuit en kwam eindelijk aan eene vaart, die te breed was om er over te springen. Daar lag aan de andere zijde eene baggerschouw, en zonder zich lang te bedenken, ging hij de vaart door naar den overkant. Ze was dieper dan hij vermoed had; want in het midden begon hij plotseling te zakken. Leeuwke gaf onwillekeurig eenen schreeuw en begon allerlei bewegingen in het water te maken. Eindelijk was hij, waar hij zijn wilde; maar hoe hij er gekomen was, dat wist hij niet! Hij rilde van de koude, en gaarne zou hij ginder op een van de huisjes, waarin hij licht schemeren zag, afgegaan zijn, om zich bij een goed vuur te warmen en een stuk brood te vragen; maar hij durfde niet.

Goede raad was duur; wat moest hij nu doen?

„In vrede,” dacht hij, „maar dwars de weilanden over.”

Hij stapte dus voort, doch kwam weldra weer aan eene breede wetering, die hij waagde over te springen. Hij nam echter den sprong te kort en kwam dicht bij den kant andermaal in het water terecht.

„Ho, jongen, wat doet gij daar? Hoe komt gij hier? Wie zijt gij?” riep eensklaps een man, die daar te visschen stond en Leeuwke uit het water op den kant hielp.

Het was een oud man en zijne stem had zoo vriendelijk geklonken, dat de knaap zich geen oogenblik bedacht, maar, het was onvoorzichtig genoeg, alles zeide, wat hem op het hart lag.

„Ik heb medelijden met uwe jaren, knaap, en ik zal u niet verklikken; maar weet, dat Klaas Koot den opstand tegen onzen wettigen Vorst verfoeit, en dat hij der Moederkerk is trouw gebleven. Maar ik bleef ook mensch, jongen, en daarom zal ik u helpen, al ben ik overtuigd, dat ik door dat te doen, de zaak van Willem van Oranje bevoordeel en de mijne kwaad doe. Gij vraagt naar Spanjaarden, nietwaar? Nu, ze zijn in mijn huis en het is voor hen, dat ik op mijnen ouden dag, in den laten avond, nog uit visschen ga. Ik heb nu nog al eene tamelijke zoô en kan dus ophouden! Ik ga vooruit en een kwartier daarna klopt gij aan. Dan ben ik uw Oom Klaas en gij zijt?”

„Gerrit, goede man!”

„Best, neef Gerrit, die naar Boskoop moet om mijne zuster te zeggen, dat uwe Moeder ziek is! Begrepen? De Heere vergeve me deze leugens. Maar het is zooals ik zeg, ik heb medelijden met u, ik wil u niet ongelukkig maken! Dus, zooals afgesproken is!”

De oude man pakte zijn vischtuig bij elkander en ging heen, een oogenblik later door Gerrit gevolgd.

Wel keken de Spanjaarden vreemd op toen een jongen, van onder tot boven bemodderd en doornat, binnentrad. Maar zij geloofden het sprookje, dat hij opdischte en lieten hem zelfs vrij goeden Spaanschen wijn uit hunne flesschen drinken, om ook van binnen wat warm te worden. En dat was hard noodig, want Leeuwke rilde en beefde zoo, dat hij haast op de beenen niet kon blijven staan, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene harde koorts kreeg.

De oude Koot had spoedig een vuur gebouwd, alsof er een os op gebraden moest worden en zeide: „Nu, neefje, gij weet den weg! Daar hangen mijne Zondagsche kleeren! Gij trekt die natte uit, die kunnen dan hier drogen. Onderwijl eet gij met ons van den baars mede, en als dan uwe kleeren weder droog en in orde zijn, gaat gij maar dadelijk naar Boskoop; want zuster Mina zal er vast van opzien, als ze het hoort!”

Leeuwke had zich spoedig in de veel te ruime kleeding van zijnen zoogenaamden Oom Klaas gestoken en diens vrouw, „Meu Sientje,” die hem nog droog ondergoed gegeven had bovendien, zeide toen hij weer in het vertrek kwam: „Toe, neefje-jongen, eet maar! Gij zult ervan opknappen, dat zult gij!”

Leeuwke liet zich niet tweemaal noodigen en daar hij Roomsch was, verried hij zich ook niet bij het gebed, dat hij vooraf deed. Hij at als een delver en dronk als een tempelier, terwijl de Spanjaarden gul genoeg waren hem de beste visschen en de grootste boterhammen te laten.

Een paar uren later ging Leeuwke heen en nog nimmer had hij meer welgemeend, dan op dit oogenblik, gezegd: „God vergelde het u!”

Nu was er voor hem geen gevaar meer. Hier aan deze plas, De Cat geheeten, was de uiterste wachtpost der belegeraars.

Met vernieuwden moed vervolgde hij zijnen weg midden door het dorp. Niemand hoorde hem daar; want alles was er reeds in diepe rust.

Wel had hij gaarne naar den weg gevraagd, maar daar hij nergens eenig leven ontdekte, ging hij, toen hij het dorp uit was, op goed geluk altijd maar rechtuit.

Na een half uurtje geloopen te hebben, kwam hij bij de eerste huizen van Boskoop aan. Eenmaal dáár zijnde, wist hij goed den weg; want hij had de Gouwe dikwijls genoeg bevaren.

Zonder ergens gestoord geworden te zijn, kwam hij midden in den nacht in Ter Gouw.

Gelukkig wist hij waar Geert Soet vertoefde, en onbeschroomd den klopper op de deur latende vallen, stond hij op de stoep te wachten tot hem zou worden opengedaan.

Dat duurde nog al lang en terwijl hij daar zoo stond, begon hij na te denken over alles, wat hem den verloopen dag gebeurd was. En de slotsom was?

„De Spaanschgezinden kunnen toch ook hartelijk en braaf zijn en de Spanjaarden zijn ook menschen, die het zoo kwaad niet meenen!”

Arme jongen, hoe spoedig zou hij ondervinden, dat dan toch vast niet alle Spanjaarden zulke goedige menschen waren, als die welke hij bij Klaas Koot ontmoet had.

Eindelijk werd de deur even geopend en toen hij op de vraag, vanwaar hij kwam en wie hij was, geantwoord had, dat hij uit Leiden kwam en Gerrit Verlaen heette, werd hij terstond binnengelaten.

Zoodra men uit het medegebrachte briefje, dat geheel ongeschonden was, vernam, dat ze Zondag tegen den noen eerst te Leiden verwacht werden, behoefde er niet zulke eene haast gemaakt te worden, en daarom maakte Leeuwke een gretig gebruik van het verlof om gerust te gaan slapen.

Het is waar, de jongen lag maar op eenen stroozak en onder een paar paardendekens, doch dat voelde hij niet, want nauwelijks had hij zich uitgekleed en zijne moede leden op het harde bed uitgestrekt, of hij sliep! Of hij droomde, ja, ziet ge, dat weet ik zoo juist niet te zeggen; maar dat is zeker, dat Geert Soet, toen hij hem des morgens te acht uren kwam wekken, in den slaap hoorde zeggen: „God vergelde het u!”

Waar het hart vol van is, daarvan loopt, in den slaap zelfs, de mond vaak over.

Er was handen vol werks; want de buiten-geslotenen wenschten zooveel binnen de stad te brengen, als hun maarmogelijk was. Dertig schuiten werden volgeladen met allerhande levensmiddelen benevens eenigen voorraad van kruit en lood.

Het zou natuurlijk onmogelijk geweest zijn met deze bezending voorbij de Gouwesluis of Alfen te komen, en daarom had men naar andere wegen uitgezien.

De Baljuw van Hasaertswoude, een man aan de zijde van den Prins, had aangeboden om de vaartuigen, mits ze niet te breed en te lang waren, langs eene binnenvaart, den Spanjaarden onbekend, uit de Gouwe in den Rijn te brengen. Hij kwam des avonds te Ter Gouw aan en zeide, dat hij twee mannen besteld had, die hen nu verder zouden voorthelpen. De een zou vooruitgaan en de Koppieren-kade doorsteken, terwijl de andere achter zou blijven om hun den volgenden morgen den weg te wijzen.

Een oogenblik later kwamen de beide mannen aan.

„G’n avond, Heer Baljuw! Mooi weertje, hè, al zeg ik het zelf,” zeide de een.

„Ja, Schooneman, dat is het. Verdient gij nog al graag wat?”

„Dat zou ik gelooven, Heer Baljuw, hoe meer hoe liever, al zeg ik het zelf!”

„Nu best, dan moet ge vannacht de Koppieren-kade bij het Rietveld doorsteken!”

„Ai, Heer Baljuw, als ze me snappen, dan ben ik er bij, gloeiend bij ook, al zeg ik het zelf!”

„Ze zullen je niet snappen, Schooneman, ga maar gerust uwen gang! Het is immer de Baljuw zelf, die het u beveelt.”

„Ja, maar Heer Baljuw, hoeveel .... nu, de Heer Baljuw begrijpt me wel!”

„Gij verdient er drie stuivers per uur aan, en ge blijft er, tot hier uw kameraad met deze schuiten aankomt.”

„Dat is goed, Heer Baljuw, maar hoeveel verdient mijn kameraad Touw, als ik weten mag?”

„Daar hebt gij immers niemendal mee te maken, Schooneman?”

„Dat is te zeggen, niemendal mee te maken? Als Touw precies zooveel verdient, als ik, dan wil ik wel hier blijven en morgen dezen luiden den weg wijzen. Al zeg ik het zelf, ik ben niet voor ruzie! Hi-hi-hi!”

„Nu, wees maar gerust, Schooneman! Uw kameraad Touw verdient maar twee stuivers in het uur! Hoe denkt gij er over? Gauw hoor, niet of wel!”

„Wel, dan zal ik maar gaan, Heer Baljuw! Voor drie stuivers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!”

Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppieren-kade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.

„Weet-je wat, ik ga een tikkie doen! Zoo den heelen nacht in de kousen, neen maar, een mensch is een mensch, een paar uurtjes slapen en dan toch tweemaal drie, dat is zes stuivers verdienen,—goed dagwerk!”

Na dit bij zichzelven gezegd te hebben stond hij op en ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.

Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan. Ja, de Koppieren kade was doorgestoken, maar, waar was Schooneman?

„Schooneman! Schooneman!!!”

Geen antwoord.

Nog eens, maar veel harder: „Schooneman!!!”

Nog geen antwoord.

„Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn? Zouden ze den arbeider gevangen hebben genomen?”

Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.

Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat een paar minuten verder lag en waarin de luiwammes lag te slapen, dat hij ronkte.

De schuitenvoerders belegden nu raad en eindelijk besloot de meerderheid, dat men zou terugkeeren.

Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.

Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: „Twaalf uur, jongens, dat is een voordeeltje. Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie .... eenenvijftig stuivers! En nog zijn de schuiten er niet! Dat heet ik nog eens de kaas snijden, al zeg ik het zelf!”

Zijn slaap was over en hij begon heen en weer te loopen; maar hoe graag hij ook drie stuivers voor het uur kreeg, toch begon het nu te lang te duren. Eindelijk nam hij zijn strootje weer te baat en rekende uit, dat het al zes uur was.

Hij wachtte nog een uur en ging toen heen, natuurlijk rechtstreeks naar het huis van den Baljuw om te zeggen, dat ze niet gekomen waren en of hij vierentwintig maal drie, dat is tweeënzeventig stuivers mocht hebben.

„Wat?” bulderde de Baljuw. „Jij tweeënzeventig stuivers! Pak je weg, lummel! tweeënzeventig stokslagen, ja! Waar zat-je toen de schuiten kwamen?”

„De schuiten zijn er niet geweest, Heer Baljuw! Ik ben tot van avond zes uur aan de Koppieren kade geweest!”

„En van morgen om negen uur waren de schuiten er al! Hebt gij dan geslapen?”

„Hé ja, Heer Baljuw, ik heb wel een tikkie gedaan, al zeg ik het zelf, maar....”

„Ongeluksvogel, die je bent,” bulderde de Baljuw, „jij met je tikkie! Kom hier, dan zal ik je tweeënzeventig tikkies geven!”

„Als het geene stuivers zijn, houd ze dan zelf maar, Heer Baljuw!” zeide Schooneman en liep zoo hard, als zijn luie beenen hem dragen konden, naar huis.

„Dat was een duur tikkie,” bromde hij, „maar nooit meer zulke baantjes, hoor! Daar zal ik geene vette soppen mee weeken!”

Door de verregaande onvoorzichtigheid van dezen huisman, was dus de geheele onderneming in duigen gevallen.

Leeuwke kon niet verdragen, dat men hem misschien verdenken zou van zijne boodschap niet goed gedaan te hebben, en daarom ging hij, hoe men er ook op aandrong, dat hij blijven zou, tegen den avond, in eenen Spaanschen wachtmantel gedoken, op pad naar Leiden. In zijnen stok had hij nu weer een briefje en hierin werd gemeld dat de schuld niet aan hem lag, maar dat door eenen boeren arbeider, die was gaan slapen, inplaats van wakend op zijnen post te blijven, de onderneming geheel en al mislukt was.

„In den donker zijn alle katjes grauw,” zegt men wel eens en daar vandaan zal het dan ook wel gekomen zijn, dat hij onderweg door eenen Waal, uit het leger van Valdez, als Spaansch soldenier, werd aangesproken.

Van dezen vernam hij, dat den volgenden dag van Amsterdam over het Haarlemmermeer een nieuwe voorraad levensmiddelen voor het Spaansche leger zou aankomen, en de Waal wist er zoo veel van te vertellen, en hij zeide alles zoo zonder erg, dat Leeuwke begreep, dat het vast waar moest zijn.

Sluipend tusschen het lange gras en met zijnen verrejager over de slooten springende, kwam hij gelukkig de wachtposten door en voor de Koepoort aan.

Natuurlijk was zijn eerste gang naar Pieter Adriaensz. van der Werff, den Burgemeester, en toen naar Jonker van der Does. Beiden hadden hem gezegd, dat hij eens bij Van Keulen moest aanloopen om hem een en ander te vertellen, en vooral het laatste niet te vergeten, en, omdat hij nu een paar dagen lang aan zoovele vermoeienissen was blootgesteld geweest, gaf van der Does hem dezen dag en den volgenden nacht vrij van den dienst.

Hoe hij dien vrijen dag gebruikte, zullen we in het volgende hoofdstuk zien.


Back to IndexNext