VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Samenzweerders beluisterd.Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin van September.In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles in diepe rust, behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftienjarige Gonda.Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om, doch kon den slaap niet vatten.Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord tusschen Barend Cornelissen en zijne vrouw. Ze had gehoord, dat de leeftocht in Leiden was opgeteerd en dat er alleen nog eenige magere koeien te slachten waren overgebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?En dan het gesprek van den afgeloopen avond!Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel zwaarder, nog veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de arme Leidenaars stonden aan te breken! Had niet zijne vrouw met tranen in de oogen op hare kinderen gezien en gezegd: „God, Barend, als dát gebeuren moest, wat zal er dan van deze arme schepseltjes worden?”En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet van honger geweend, en dat nú nog, terwijl er nog een paar koeien konden geslacht worden en er dus nog vleesch was!Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofdpijn en geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naar de wallen gegaan?O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat hij geene hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag, bleef haar het vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in de keel steken en had ze ook genoeg!Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht aan haren Vader en hare Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goedhartigen Leeuwke, die het lekkerste en beste altijd voor zijne Gonda bespaarde, en toen was ze naar bed gegaan, niet om te slapen, maar om het hoofd in een kussen te verbergen en eens uit te weenen!Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende, stak ze haar verhit hoofd naar buiten.Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen enkel blaadje bewoog zich. Niets was er te hooren. Het scheen, dat de heele stad uitgestorven en zij alleen overgebleven was.Onderwijl ze daar echter zoo door het vensterzag, hoorde ze iemand voorzichtig langs de straat sluipen en een oogenblik later tegen het raam van eenen der overburen tikken.Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt had, vroeg:„Zijt gij gereed, Martensz.?”„Jawel,” antwoordde deze, „maar hebt ge „Roode Jaap” en Jaspersz. ook al gewekt?”„Ja,” zeide de ander weer, „ze zijn door de Molensteeg naar het rondeel van de Koepoort gegaan!”„Naar de Koepoort?” werd er verwonderd gevraagd. „Ik dacht dat we in het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij elkander zouden komen.”„Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz., die albedril, staat daar op wacht, en die nare jongen is mans genoeg om heel de zaak aan den dag te brengen.”„Dat geloof ik ook,” werd er weer geantwoord. „Wacht maar even, ik ga zoo aanstonds mee.”„Ik zou zulks gaarne willen doen,” zeide de ander weer; „maar ik moet den besten van allen nog wekken.”„Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?”„Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij is er ook bij. Komt gij dan?”„Ik zal er zijn,” was het antwoord. Het venster werd gesloten; de man verwijderde zich en het bovenraam van Barend Cornelissen werd ook voorzichtig toegedaan.Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd op een twintig schreden afstands gevolgd door Gonda, die zich in eene zwarte falie gewikkeld had.Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een weinig na Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien te zijn, den rand van het bedoelde rondeel.Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek neer, en beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig meenden te zijn en dus geene voorzorgen genomen hadden, en ook geene moeite deden zachter dan anders te spreken.„Hoor eens, Jaspersz.,” begon er een, die een gesprek scheen voort te zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen had, „ik zeg, als er geene verandering komt, dat we allen van den honger zullen sterven. Vertel ons eens, als gij kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?”„De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken.”„Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het einde van Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfstmaand, en waar is het water?”„Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding.”„En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en de platboomde vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood zouden brengen en den vijand uit zijne schansen jagen?”„Ze wachten op het wassen van het water.”„En waar is „de Arke van Delft”, dat reuzenschip, waarover ze een geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Spanjaarden voor dat enkele hebbeding aan den haal zouden gaan?”„Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water genoeg voor eene ledige pont, dus nog minder voor zulk een gevaarte.”„Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat heeft de Prins van Oranje nog meer laten doen?”„Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam op zeven plaatsen laten doorsteken.”„En?”„En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Spanjaarden met hooi en takkenbossen weer gestopt.”„En wie eten er brood met boter en kaas?”„De Leden van den Magistraat en de voorname Bevelhebbers!”„Neen, mannen, dat is niet waar,” zeide hierop een ander. „Ik zelf ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin brood met boter en kaas als gij. Ik weet ook, dat geen der andere leden het doet, doch wat de Bevelhebbers betreft, daar sta ik niet voor in!”„Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen,” bromde eene zware mannenstem.„Stil jongens, „Roode Jaap” zal ons hierover een boeksken open doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden, terwijl wij honger lijden,” riep de eerste spreker.„Welnu,” zeide „Roode Jaap,” „ik kan u zeggen, dat ik onzen Bevelhebber van der Does met smaak op eenen oudbakken moutkoek heb zien kauwen, en, vanmiddag gaf hij zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan Teunisz., wiens vrouw en kinderen ziek liggen.”„Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en kaas, en de Bevelhebbers hebben het niet beter,” zeide de woordvoerder weer. „Maar als die Heeren besloten hebben, den hongerdood te sterven, moeten wij dan maar zeggen: „Goê-man, dat doe ik ook?”„Neen, dat behoeft niet,” hervatte het Magistraatslid, „dat behoeft niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van der Does en Van Hout zullen toch niet altijd doof blijven, hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen wel eens opengaan!”„Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?” vroeg Martensz., zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.„God beware ons daarvoor,” zeide Meester Jacobsz. „Endaarom heb ik besloten om morgen in onze vergadering, wanneer de drie brieven, die gij vanavond ontvangen hebt, Jaspersz., zullen voorgelezen zijn, er ernstig op aan te dringen, dat de stad worde overgegeven.”„En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz.? Wat dan? Wij hebben toch maar al te zeer ondervonden, dat die van der Werff een stijfkop is.”„Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf uur weer om te overleggen welken weg wij zullen inslaan om een einde aan onze ellende te maken.”„En, zoo waar als ik hier sta, datmoeten datzalgebeuren! Ikwilmij niet langzaam laten doodhongeren,” zeide dezelfde man, die Martensz. had gewaarschuwd en die ook het meest ontevreden was.De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschillende wegen naar huis, en nauwelijks waren ze henengegaan, of Gonda richtte zich uit haren schuilhoek op, en sloop naar huis.Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige inspanning was, dan wel of de natuur eindelijk hare rechten liet gelden, nauwelijks had ze zich neergevlijd, of ze viel in eenen diepen en gerusten slaap.„Gonda, Gonda!” riep vrouw Van Keulen den volgenden morgen, zoo luid zij kon.„Wat belieft u, Moeder!” gaf Gonda ten antwoord, want sedert zij bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleegouders van Cornelis, evenals hij, Vader en Moeder.„Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het is meer dan tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!”„Ik kom,” antwoordde Gonda en stond weldra in de woonkamer, waar ze, zonder iets van haar nachtelijk avontuur te laten blijken, hare Pleegmoeder aan de huiselijke bezigheden medehielp.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Samenzweerders beluisterd.Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin van September.In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles in diepe rust, behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftienjarige Gonda.Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om, doch kon den slaap niet vatten.Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord tusschen Barend Cornelissen en zijne vrouw. Ze had gehoord, dat de leeftocht in Leiden was opgeteerd en dat er alleen nog eenige magere koeien te slachten waren overgebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?En dan het gesprek van den afgeloopen avond!Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel zwaarder, nog veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de arme Leidenaars stonden aan te breken! Had niet zijne vrouw met tranen in de oogen op hare kinderen gezien en gezegd: „God, Barend, als dát gebeuren moest, wat zal er dan van deze arme schepseltjes worden?”En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet van honger geweend, en dat nú nog, terwijl er nog een paar koeien konden geslacht worden en er dus nog vleesch was!Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofdpijn en geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naar de wallen gegaan?O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat hij geene hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag, bleef haar het vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in de keel steken en had ze ook genoeg!Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht aan haren Vader en hare Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goedhartigen Leeuwke, die het lekkerste en beste altijd voor zijne Gonda bespaarde, en toen was ze naar bed gegaan, niet om te slapen, maar om het hoofd in een kussen te verbergen en eens uit te weenen!Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende, stak ze haar verhit hoofd naar buiten.Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen enkel blaadje bewoog zich. Niets was er te hooren. Het scheen, dat de heele stad uitgestorven en zij alleen overgebleven was.Onderwijl ze daar echter zoo door het vensterzag, hoorde ze iemand voorzichtig langs de straat sluipen en een oogenblik later tegen het raam van eenen der overburen tikken.Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt had, vroeg:„Zijt gij gereed, Martensz.?”„Jawel,” antwoordde deze, „maar hebt ge „Roode Jaap” en Jaspersz. ook al gewekt?”„Ja,” zeide de ander weer, „ze zijn door de Molensteeg naar het rondeel van de Koepoort gegaan!”„Naar de Koepoort?” werd er verwonderd gevraagd. „Ik dacht dat we in het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij elkander zouden komen.”„Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz., die albedril, staat daar op wacht, en die nare jongen is mans genoeg om heel de zaak aan den dag te brengen.”„Dat geloof ik ook,” werd er weer geantwoord. „Wacht maar even, ik ga zoo aanstonds mee.”„Ik zou zulks gaarne willen doen,” zeide de ander weer; „maar ik moet den besten van allen nog wekken.”„Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?”„Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij is er ook bij. Komt gij dan?”„Ik zal er zijn,” was het antwoord. Het venster werd gesloten; de man verwijderde zich en het bovenraam van Barend Cornelissen werd ook voorzichtig toegedaan.Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd op een twintig schreden afstands gevolgd door Gonda, die zich in eene zwarte falie gewikkeld had.Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een weinig na Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien te zijn, den rand van het bedoelde rondeel.Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek neer, en beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig meenden te zijn en dus geene voorzorgen genomen hadden, en ook geene moeite deden zachter dan anders te spreken.„Hoor eens, Jaspersz.,” begon er een, die een gesprek scheen voort te zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen had, „ik zeg, als er geene verandering komt, dat we allen van den honger zullen sterven. Vertel ons eens, als gij kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?”„De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken.”„Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het einde van Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfstmaand, en waar is het water?”„Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding.”„En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en de platboomde vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood zouden brengen en den vijand uit zijne schansen jagen?”„Ze wachten op het wassen van het water.”„En waar is „de Arke van Delft”, dat reuzenschip, waarover ze een geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Spanjaarden voor dat enkele hebbeding aan den haal zouden gaan?”„Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water genoeg voor eene ledige pont, dus nog minder voor zulk een gevaarte.”„Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat heeft de Prins van Oranje nog meer laten doen?”„Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam op zeven plaatsen laten doorsteken.”„En?”„En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Spanjaarden met hooi en takkenbossen weer gestopt.”„En wie eten er brood met boter en kaas?”„De Leden van den Magistraat en de voorname Bevelhebbers!”„Neen, mannen, dat is niet waar,” zeide hierop een ander. „Ik zelf ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin brood met boter en kaas als gij. Ik weet ook, dat geen der andere leden het doet, doch wat de Bevelhebbers betreft, daar sta ik niet voor in!”„Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen,” bromde eene zware mannenstem.„Stil jongens, „Roode Jaap” zal ons hierover een boeksken open doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden, terwijl wij honger lijden,” riep de eerste spreker.„Welnu,” zeide „Roode Jaap,” „ik kan u zeggen, dat ik onzen Bevelhebber van der Does met smaak op eenen oudbakken moutkoek heb zien kauwen, en, vanmiddag gaf hij zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan Teunisz., wiens vrouw en kinderen ziek liggen.”„Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en kaas, en de Bevelhebbers hebben het niet beter,” zeide de woordvoerder weer. „Maar als die Heeren besloten hebben, den hongerdood te sterven, moeten wij dan maar zeggen: „Goê-man, dat doe ik ook?”„Neen, dat behoeft niet,” hervatte het Magistraatslid, „dat behoeft niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van der Does en Van Hout zullen toch niet altijd doof blijven, hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen wel eens opengaan!”„Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?” vroeg Martensz., zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.„God beware ons daarvoor,” zeide Meester Jacobsz. „Endaarom heb ik besloten om morgen in onze vergadering, wanneer de drie brieven, die gij vanavond ontvangen hebt, Jaspersz., zullen voorgelezen zijn, er ernstig op aan te dringen, dat de stad worde overgegeven.”„En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz.? Wat dan? Wij hebben toch maar al te zeer ondervonden, dat die van der Werff een stijfkop is.”„Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf uur weer om te overleggen welken weg wij zullen inslaan om een einde aan onze ellende te maken.”„En, zoo waar als ik hier sta, datmoeten datzalgebeuren! Ikwilmij niet langzaam laten doodhongeren,” zeide dezelfde man, die Martensz. had gewaarschuwd en die ook het meest ontevreden was.De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschillende wegen naar huis, en nauwelijks waren ze henengegaan, of Gonda richtte zich uit haren schuilhoek op, en sloop naar huis.Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige inspanning was, dan wel of de natuur eindelijk hare rechten liet gelden, nauwelijks had ze zich neergevlijd, of ze viel in eenen diepen en gerusten slaap.„Gonda, Gonda!” riep vrouw Van Keulen den volgenden morgen, zoo luid zij kon.„Wat belieft u, Moeder!” gaf Gonda ten antwoord, want sedert zij bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleegouders van Cornelis, evenals hij, Vader en Moeder.„Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het is meer dan tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!”„Ik kom,” antwoordde Gonda en stond weldra in de woonkamer, waar ze, zonder iets van haar nachtelijk avontuur te laten blijken, hare Pleegmoeder aan de huiselijke bezigheden medehielp.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Samenzweerders beluisterd.
Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin van September.In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles in diepe rust, behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftienjarige Gonda.Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om, doch kon den slaap niet vatten.Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord tusschen Barend Cornelissen en zijne vrouw. Ze had gehoord, dat de leeftocht in Leiden was opgeteerd en dat er alleen nog eenige magere koeien te slachten waren overgebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?En dan het gesprek van den afgeloopen avond!Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel zwaarder, nog veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de arme Leidenaars stonden aan te breken! Had niet zijne vrouw met tranen in de oogen op hare kinderen gezien en gezegd: „God, Barend, als dát gebeuren moest, wat zal er dan van deze arme schepseltjes worden?”En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet van honger geweend, en dat nú nog, terwijl er nog een paar koeien konden geslacht worden en er dus nog vleesch was!Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofdpijn en geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naar de wallen gegaan?O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat hij geene hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag, bleef haar het vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in de keel steken en had ze ook genoeg!Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht aan haren Vader en hare Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goedhartigen Leeuwke, die het lekkerste en beste altijd voor zijne Gonda bespaarde, en toen was ze naar bed gegaan, niet om te slapen, maar om het hoofd in een kussen te verbergen en eens uit te weenen!Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende, stak ze haar verhit hoofd naar buiten.Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen enkel blaadje bewoog zich. Niets was er te hooren. Het scheen, dat de heele stad uitgestorven en zij alleen overgebleven was.Onderwijl ze daar echter zoo door het vensterzag, hoorde ze iemand voorzichtig langs de straat sluipen en een oogenblik later tegen het raam van eenen der overburen tikken.Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt had, vroeg:„Zijt gij gereed, Martensz.?”„Jawel,” antwoordde deze, „maar hebt ge „Roode Jaap” en Jaspersz. ook al gewekt?”„Ja,” zeide de ander weer, „ze zijn door de Molensteeg naar het rondeel van de Koepoort gegaan!”„Naar de Koepoort?” werd er verwonderd gevraagd. „Ik dacht dat we in het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij elkander zouden komen.”„Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz., die albedril, staat daar op wacht, en die nare jongen is mans genoeg om heel de zaak aan den dag te brengen.”„Dat geloof ik ook,” werd er weer geantwoord. „Wacht maar even, ik ga zoo aanstonds mee.”„Ik zou zulks gaarne willen doen,” zeide de ander weer; „maar ik moet den besten van allen nog wekken.”„Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?”„Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij is er ook bij. Komt gij dan?”„Ik zal er zijn,” was het antwoord. Het venster werd gesloten; de man verwijderde zich en het bovenraam van Barend Cornelissen werd ook voorzichtig toegedaan.Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd op een twintig schreden afstands gevolgd door Gonda, die zich in eene zwarte falie gewikkeld had.Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een weinig na Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien te zijn, den rand van het bedoelde rondeel.Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek neer, en beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig meenden te zijn en dus geene voorzorgen genomen hadden, en ook geene moeite deden zachter dan anders te spreken.„Hoor eens, Jaspersz.,” begon er een, die een gesprek scheen voort te zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen had, „ik zeg, als er geene verandering komt, dat we allen van den honger zullen sterven. Vertel ons eens, als gij kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?”„De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken.”„Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het einde van Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfstmaand, en waar is het water?”„Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding.”„En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en de platboomde vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood zouden brengen en den vijand uit zijne schansen jagen?”„Ze wachten op het wassen van het water.”„En waar is „de Arke van Delft”, dat reuzenschip, waarover ze een geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Spanjaarden voor dat enkele hebbeding aan den haal zouden gaan?”„Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water genoeg voor eene ledige pont, dus nog minder voor zulk een gevaarte.”„Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat heeft de Prins van Oranje nog meer laten doen?”„Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam op zeven plaatsen laten doorsteken.”„En?”„En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Spanjaarden met hooi en takkenbossen weer gestopt.”„En wie eten er brood met boter en kaas?”„De Leden van den Magistraat en de voorname Bevelhebbers!”„Neen, mannen, dat is niet waar,” zeide hierop een ander. „Ik zelf ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin brood met boter en kaas als gij. Ik weet ook, dat geen der andere leden het doet, doch wat de Bevelhebbers betreft, daar sta ik niet voor in!”„Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen,” bromde eene zware mannenstem.„Stil jongens, „Roode Jaap” zal ons hierover een boeksken open doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden, terwijl wij honger lijden,” riep de eerste spreker.„Welnu,” zeide „Roode Jaap,” „ik kan u zeggen, dat ik onzen Bevelhebber van der Does met smaak op eenen oudbakken moutkoek heb zien kauwen, en, vanmiddag gaf hij zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan Teunisz., wiens vrouw en kinderen ziek liggen.”„Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en kaas, en de Bevelhebbers hebben het niet beter,” zeide de woordvoerder weer. „Maar als die Heeren besloten hebben, den hongerdood te sterven, moeten wij dan maar zeggen: „Goê-man, dat doe ik ook?”„Neen, dat behoeft niet,” hervatte het Magistraatslid, „dat behoeft niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van der Does en Van Hout zullen toch niet altijd doof blijven, hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen wel eens opengaan!”„Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?” vroeg Martensz., zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.„God beware ons daarvoor,” zeide Meester Jacobsz. „Endaarom heb ik besloten om morgen in onze vergadering, wanneer de drie brieven, die gij vanavond ontvangen hebt, Jaspersz., zullen voorgelezen zijn, er ernstig op aan te dringen, dat de stad worde overgegeven.”„En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz.? Wat dan? Wij hebben toch maar al te zeer ondervonden, dat die van der Werff een stijfkop is.”„Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf uur weer om te overleggen welken weg wij zullen inslaan om een einde aan onze ellende te maken.”„En, zoo waar als ik hier sta, datmoeten datzalgebeuren! Ikwilmij niet langzaam laten doodhongeren,” zeide dezelfde man, die Martensz. had gewaarschuwd en die ook het meest ontevreden was.De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschillende wegen naar huis, en nauwelijks waren ze henengegaan, of Gonda richtte zich uit haren schuilhoek op, en sloop naar huis.Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige inspanning was, dan wel of de natuur eindelijk hare rechten liet gelden, nauwelijks had ze zich neergevlijd, of ze viel in eenen diepen en gerusten slaap.„Gonda, Gonda!” riep vrouw Van Keulen den volgenden morgen, zoo luid zij kon.„Wat belieft u, Moeder!” gaf Gonda ten antwoord, want sedert zij bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleegouders van Cornelis, evenals hij, Vader en Moeder.„Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het is meer dan tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!”„Ik kom,” antwoordde Gonda en stond weldra in de woonkamer, waar ze, zonder iets van haar nachtelijk avontuur te laten blijken, hare Pleegmoeder aan de huiselijke bezigheden medehielp.
Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin van September.
In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles in diepe rust, behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.
Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftienjarige Gonda.
Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om, doch kon den slaap niet vatten.
Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?
Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord tusschen Barend Cornelissen en zijne vrouw. Ze had gehoord, dat de leeftocht in Leiden was opgeteerd en dat er alleen nog eenige magere koeien te slachten waren overgebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?
En dan het gesprek van den afgeloopen avond!
Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel zwaarder, nog veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de arme Leidenaars stonden aan te breken! Had niet zijne vrouw met tranen in de oogen op hare kinderen gezien en gezegd: „God, Barend, als dát gebeuren moest, wat zal er dan van deze arme schepseltjes worden?”
En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet van honger geweend, en dat nú nog, terwijl er nog een paar koeien konden geslacht worden en er dus nog vleesch was!
Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofdpijn en geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naar de wallen gegaan?
O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat hij geene hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag, bleef haar het vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in de keel steken en had ze ook genoeg!
Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht aan haren Vader en hare Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goedhartigen Leeuwke, die het lekkerste en beste altijd voor zijne Gonda bespaarde, en toen was ze naar bed gegaan, niet om te slapen, maar om het hoofd in een kussen te verbergen en eens uit te weenen!
Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende, stak ze haar verhit hoofd naar buiten.
Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen enkel blaadje bewoog zich. Niets was er te hooren. Het scheen, dat de heele stad uitgestorven en zij alleen overgebleven was.
Onderwijl ze daar echter zoo door het vensterzag, hoorde ze iemand voorzichtig langs de straat sluipen en een oogenblik later tegen het raam van eenen der overburen tikken.
Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt had, vroeg:
„Zijt gij gereed, Martensz.?”
„Jawel,” antwoordde deze, „maar hebt ge „Roode Jaap” en Jaspersz. ook al gewekt?”
„Ja,” zeide de ander weer, „ze zijn door de Molensteeg naar het rondeel van de Koepoort gegaan!”
„Naar de Koepoort?” werd er verwonderd gevraagd. „Ik dacht dat we in het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij elkander zouden komen.”
„Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz., die albedril, staat daar op wacht, en die nare jongen is mans genoeg om heel de zaak aan den dag te brengen.”
„Dat geloof ik ook,” werd er weer geantwoord. „Wacht maar even, ik ga zoo aanstonds mee.”
„Ik zou zulks gaarne willen doen,” zeide de ander weer; „maar ik moet den besten van allen nog wekken.”
„Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?”
„Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij is er ook bij. Komt gij dan?”
„Ik zal er zijn,” was het antwoord. Het venster werd gesloten; de man verwijderde zich en het bovenraam van Barend Cornelissen werd ook voorzichtig toegedaan.
Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd op een twintig schreden afstands gevolgd door Gonda, die zich in eene zwarte falie gewikkeld had.
Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een weinig na Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien te zijn, den rand van het bedoelde rondeel.
Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek neer, en beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig meenden te zijn en dus geene voorzorgen genomen hadden, en ook geene moeite deden zachter dan anders te spreken.
„Hoor eens, Jaspersz.,” begon er een, die een gesprek scheen voort te zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen had, „ik zeg, als er geene verandering komt, dat we allen van den honger zullen sterven. Vertel ons eens, als gij kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?”
„De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken.”
„Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het einde van Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfstmaand, en waar is het water?”
„Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding.”
„En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en de platboomde vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood zouden brengen en den vijand uit zijne schansen jagen?”
„Ze wachten op het wassen van het water.”
„En waar is „de Arke van Delft”, dat reuzenschip, waarover ze een geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Spanjaarden voor dat enkele hebbeding aan den haal zouden gaan?”
„Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water genoeg voor eene ledige pont, dus nog minder voor zulk een gevaarte.”
„Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat heeft de Prins van Oranje nog meer laten doen?”
„Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam op zeven plaatsen laten doorsteken.”
„En?”
„En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Spanjaarden met hooi en takkenbossen weer gestopt.”
„En wie eten er brood met boter en kaas?”
„De Leden van den Magistraat en de voorname Bevelhebbers!”
„Neen, mannen, dat is niet waar,” zeide hierop een ander. „Ik zelf ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin brood met boter en kaas als gij. Ik weet ook, dat geen der andere leden het doet, doch wat de Bevelhebbers betreft, daar sta ik niet voor in!”
„Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen,” bromde eene zware mannenstem.
„Stil jongens, „Roode Jaap” zal ons hierover een boeksken open doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden, terwijl wij honger lijden,” riep de eerste spreker.
„Welnu,” zeide „Roode Jaap,” „ik kan u zeggen, dat ik onzen Bevelhebber van der Does met smaak op eenen oudbakken moutkoek heb zien kauwen, en, vanmiddag gaf hij zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan Teunisz., wiens vrouw en kinderen ziek liggen.”
„Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en kaas, en de Bevelhebbers hebben het niet beter,” zeide de woordvoerder weer. „Maar als die Heeren besloten hebben, den hongerdood te sterven, moeten wij dan maar zeggen: „Goê-man, dat doe ik ook?”
„Neen, dat behoeft niet,” hervatte het Magistraatslid, „dat behoeft niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van der Does en Van Hout zullen toch niet altijd doof blijven, hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen wel eens opengaan!”
„Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?” vroeg Martensz., zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.
„God beware ons daarvoor,” zeide Meester Jacobsz. „Endaarom heb ik besloten om morgen in onze vergadering, wanneer de drie brieven, die gij vanavond ontvangen hebt, Jaspersz., zullen voorgelezen zijn, er ernstig op aan te dringen, dat de stad worde overgegeven.”
„En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz.? Wat dan? Wij hebben toch maar al te zeer ondervonden, dat die van der Werff een stijfkop is.”
„Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf uur weer om te overleggen welken weg wij zullen inslaan om een einde aan onze ellende te maken.”
„En, zoo waar als ik hier sta, datmoeten datzalgebeuren! Ikwilmij niet langzaam laten doodhongeren,” zeide dezelfde man, die Martensz. had gewaarschuwd en die ook het meest ontevreden was.
De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschillende wegen naar huis, en nauwelijks waren ze henengegaan, of Gonda richtte zich uit haren schuilhoek op, en sloop naar huis.
Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige inspanning was, dan wel of de natuur eindelijk hare rechten liet gelden, nauwelijks had ze zich neergevlijd, of ze viel in eenen diepen en gerusten slaap.
„Gonda, Gonda!” riep vrouw Van Keulen den volgenden morgen, zoo luid zij kon.
„Wat belieft u, Moeder!” gaf Gonda ten antwoord, want sedert zij bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleegouders van Cornelis, evenals hij, Vader en Moeder.
„Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het is meer dan tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!”
„Ik kom,” antwoordde Gonda en stond weldra in de woonkamer, waar ze, zonder iets van haar nachtelijk avontuur te laten blijken, hare Pleegmoeder aan de huiselijke bezigheden medehielp.