ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.Wat zal het nog worden?Sinds eenigen tijd werd het weinige vee, dat nog in de stad was, onder toezicht der Regeering geslacht en in het Koor der Sint-Pieterskerk uitgedeeld of verkocht. Zij, die rijk waren, konden evenwel niet méér koopen, dan de minvermogende burgers of de armen kregen; er werd eerlijk gedeeld. Ook Barend Cornelissen was er heen geweest om zijne portie te halen. Zwijgend zette hij het taaie vleesch neder en begaf zich naar den wal om daar op zijne beurt de wacht waar te nemen. Wie hem had zien heensloffen, want gaan kon het niet heeten, zou in die trage gestalte met gebogen hoofd, den wakkeren schipper van eene maand of drie geleden niet meer herkend hebben.Cornelis, die te zes uren thuis gekomen was, lag gerust te slapen. Jongens op dien leeftijd kunnen veel verdragen.Tegen den middag stond hij op en daar er nog niets te eten viel, begaf hij zich op straat, waar veel leven en beweging heerschten.„Er zijn weer brieven gekomen, Cornelis! Weet gij het al?” zeide Van der Morsch.„Van den Prins?” vroeg Cornelis.„Neen van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van Don Ferdinand de Lanoy!”„Zeker weer alle drie heel lief en aardig?”„Ja, dat weet ik niet. De Magistraat is vergaderd om over die brieven te spreken, en daar ik kennis op het Stadhuis heb, zullen ze ons wel binnensmokkelen en een plaatsje geven, waar wij alles zien en hooren kunnen, zonder dat men ons ziet of hoort.”„Top, dat doe ik! Dan zal ik mijne maag maar eens vullen met te kijken naar de leelijke gezichten der Spaanschgezinden, als er besloten wordt, te wachten op het beloofde ontzet!”Weldra bevonden beiden zich dicht bij de zaal waar de Regeering hare vergadering hield. Ze konden ieder Lid zien en alles verstaan.Juist werd de brief van Jonker van Mathenesse voorgelezen.„Ziet gij wel, Cornelis, welk een valsch-lachend, leelijk gezicht die Meester Jacobsz. zet?” fluisterde Van der Morsch.„Of ik,” antwoordde Cornelis. „Maar hoort gij wel, dat het weer schering en inslag het oude liedje is: „Gij hebt geen eten;—gij zult ziek worden;—gij zult van den honger sterven;—gij moet de stad overgeven;—Valdez en Requesens zullen u geen kwaad doen; want ze zijn de goedheid zelve. Als gij de stad niet overgeeft, en we krijgen haar vroeger of later toch, dan zullen wij het u inpeperen, dat gij ons zoo lang getart hebt. Och, lieve Jonker, gij hadt pen, inkt en perkament kunnen sparen, we...,”„Stil, Kees, daar beginnen ze aan den tweeden brief!”Cornelis zweeg stil en luisterde met de anderen wat er nu volgen zou, en daar begon de secretaris te lezen:Para el Magistrado y Pueblo de Leyden.„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Rey y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande obstinacion....”„Wacht even, Heer Secretaris,” sprak van der Werff. „Natuurlijk verstaan wij wel zooveel Spaansch, dat we den brief van het begin tot het einde begrijpen zullen. Doch dat houdt zoo op. Zeg ons liever den korten inhoud. Als een van de Heeren de brieven soms lezen wil, ze blijven hier tot hunne beschikking. Waarop komt alles neer?”„Hier op, Heer Burgemeester!” antwoordde Van Hout. „Wanneer we de stad overgeven, zal het leven van ons allen gespaard blijven, zelfs dat van u, van den Heer van der Does, van andere tegenstanders en van mij! Valdez geeft ons totMaandag den zesden van deze maand tijd van bedenking, en gedurende dien tijd kunnen we tot eene onderhandeling zenden, wie we willen. Hij zal ons eerlijk behandelen en wil onze vriend zijn, en staat voor een en ander met zijn Ridderwoord in. Maar, zoo we volharden in ons boos voornemen, dan moeten wij het scherpe mes der Justitie passeeren!”„Wij danken u, Heer Van Hout voor de bereidwilligheid waarmede ge Valdez’ schrijven vertolkt hebt, en verzoeken u den inhoud van den derden brief mede te deelen. Van wien komt dat schrijven?”„Dit is een brief van den Edelen Heere Ferdinand de Lanoy, Grave van Roche, enz., Stadhouder van Artois, Holland, Friesland en Utrecht, Overste-kapitein over het krijgsvolk van Zijne Koninklijke Majesteit liggende in Holland en Utrecht.”„Wij kennen hem en niemand onzer zal zeggen, dat de brief niet van een voornaam personage komt. Men doet ons eenvoudigen poorters, waarlijk al te veel eer aan. En wat schrijft hij?” vroeg van der Werff.Van Hout keek den brief eens in en zeide: „Hij klopt alleen met eenen anderen hamer hetzelfde ijzer op hetzelfde aanbeeld, als Valdez en de Jonker van Mathenesse. Maar er is nog een vierde brief, die is onderteekend door tien glippers, en....”Van der Werff viel met eenig ongeduldig gebaar den Secretaris in de rede en zeide: „Al genoeg. De vier brieven blijven hier en kunnen door ieder Lid van den Magistraat later gelezen worden. Wij moesten de zaak nu maar dadelijk in rondvraag brengen. Wie voor de overgave is en dus in den geest van deze brieven gehandeld wil zien, hij sta op en spreke.”Het werd plotseling doodstil in de zaal en in gespannen verwachting, wat er gezegd en daarna besproken zou worden, zagen allen in het rond.Daar stond Meester Jacobsz. op.De oude man beefde, en, nu het hooge woord er bij hem uit moest, was hij gansch niet op zijn gemak.„Als Lid van de Vroedschap der stad Leiden,” begon hij, „heb ik den eed gedaan voor het heil en welvaren der burgerij werkzaam te zijn. Dien eed zal ik houden, zoolang ik leef. Ware onze goede stad zoo ruim van levensmiddelen voorzien, als er nu gebrek aan is, zie, dan zouden mijne stramme ledematen mij niet beletten, om den eerste den beste, die van overgave sprak, overhoop te steken. Maar nu de honger door onze straten waart, de pest ons aangrijpt, ellende de wangen der burgeren verbleekt en het krachtigste lichaam tot een geraamte dreigt te maken, nu ben ik ook door mijnen eed gebonden, niet langer den Spanjaard te weerstreven! Ik ben vóór de overgave. Ik mag geene oorzaak zijn van den dood van zoovele menschen!”„Heeft Meester Jacobsz. uitgesproken?” vroeg van der Werff, op kalmen toon, alsof Meester Jacobsz. over de onschuldigste zaak ter wereld gesproken had.„Ja, Burgemeester,” hernam deze.„En heeft iemand nog iets aangaande deze zaak in het midden te brengen?” werd er andermaal gevraagd.Allen zwegen. Geen der Leden van den Magistraat wilde blijkbaar thans meer spreken.„Welnu,” hernam daarop van der Werff, „dan heb ik wat te zeggen. Toen ik verleden jaar in onze goede stad tot Burgemeester werd aangesteld, heb ik óók eenen eed gezworen, en dien eed zal ook ik niet verbreken; maar hem houden. Ik wil met den armsten onzer poorters hongerlijden, ja, met den hongerdood kampen en dien sterven! Ik wil tot mijne laatste oogenblikken onze stedelijke belangen behartigen. Maar de stad overgeven, neen, dàt nooit, dàt nooit! Ziet, half Holland is reeds onder water gezet; duizenden guldens zijn daartoe tot ons behoud opgeofferd; de arme weduwe heeft er haar laatste penningske, en de Edelvrouwhare sieraden voor afgestaan! Heel Holland heeft het oog op ons gevestigd en offert zich op voor ons behoud. Zullen wij ons al die offers en die hoop onwaardig maken? Ja? Welnu, geeft de stad dan over aan de Spanjaarden en ondergaat het lot van die van Naarden, Zutfen, Mechelen en Haarlem! Stelt dan al wie in den Spanjaard eenen vijand ziet, op de bitterste wijze teleur! Maar van mij moge de Spanjaard het zelfs weten, ik doe aan die overgave niet mede.”Van der Werff ging zitten. Zijne warme taal had bij velen weerklank gevonden en zij, die toch niet door hem overtuigd waren, aarzelden hunne stem tot de overgave te geven, juist omdat er in heel Holland reeds zooveel opgeofferd was. Niet alleen Leiden streed met tallooze opofferingen voor zichzelf, maar heel Holland streed mede.Een oogenblik was er stilte. Toen stond Meester Jacobsz. weer op en zeide, doch nu wat minder hortend en stootend dan de eerste maal, dat hij sprak: „Laten wij dan eenen middelweg kiezen. Gelooft mij, ik ben even goed een vijand van den Spanjaard, als onze voorzittende Burgemeester, en stellig verwacht ik van den Spanjaard bij het brood een zwaard en bij het vleesch eene galg. Laten we den toestand waarin we verkeeren nog eenige dagen rekken door onderhandelingen. Misschien zendt de goede God inmiddels uitkomst.”Die woorden brachten de voorstanders der overgave tot andere gedachten, zoodat er besloten werd, voorloopig tot onderhandelingen over te gaan om zoo tijd te winnen.Toen van der Werff pas van de vergadering thuis gekomen was, kwam Barend Cornelissen, aan wien Gonda de geheime bijeenkomst verteld had, den Burgemeester hiervan kennis geven.„Wij zullen vannacht samen gaan luisteren, schipper,” zeide hij. „Maar ik denk wel, dat alles beter afloopt dan gij vermoedt. De ontevredenen hebben hunnen grootsten steun verloren in Meester Jacobsz.”„Is Meester Jacobsz. dan van gedachten veranderd, Burgemeester?”„Ja, schipper! Na het lezen van de brieven sprak hij een warm woord voor de overgave, doch toen ik hem geantwoord had en vooral had gewezen op de groote opofferingen, die de Hollanders, buiten Leiden, voor ons over hebben gehad, zag ik aan zijn goedig gelaat, dat hij van gedachten veranderde, en toen ik vroeg wie er nu nog voor de overgave was, stond Meester Jacobsz. op en zeide, dat hij er eenen middelweg op bedacht had. Hij stelde voor met Valdez in onderhandeling te treden om zoo tijd te winnen. Van zijne zijde is het gevaar dus voorloopig bezworen.”„En wat heeft „Half Leyden” gezegd, Burgemeester?”Ofschoon Burgemeester van der Werff zeer goed wist, wie bedoeld werd, hield hij zich, terwille van den eerbied verschuldigd aan de Overheid, alsof hij het niet wist, en vroeg eenigszins ontevreden: „Wien bedoelt gij, schipper?”„Burgemeester Jan Jansz. Baersdorp bedoel ik. U zal toch wel weten dat dit zijn bijnaam is?”„Mij noemt men „Mennonieten Stijfkop”, doch het liefst heet ik Burgemeester van der Werff. In den Magistraat geven we elkander geene bijnamen, schipper! Burgemeester Baersdorp staat niet aan mijne zijde, doch hij zegt niet veel. Hij doet meer dan hij zegt en van zijn standpunt handelt hij loffelijk. Onze taak is het, schipper, zooveel mogelijk te zorgen, dat wij ook meer doen dan wij zeggen, dan kunnen onze tegenstanders, die gelukkig onder het volk nog in de minderheid zijn, niet zooveel kwaad doen. En hierin zult gij een loffelijk voorbeeld geven, dat weet ik. Intusschen van avond om tien uren zal ik bij u zijn om met u naar de plaats te gaan waar de ontevredenen zullen bijeenkomen. Tot vanavond dan.”Toen Barend Cornelissen weer op straat was, mompelde hij: „Toch een nobel man, die van der Werff. Zelfs voor zijne felste tegenstanders heeft hij nog een woord van lofover. Waren allen als hij, onze goede stad zou niet in dezen ellendigen toestand gekomen zijn.”Met wat te loopen lanterfanten werd de dag weer doorgebracht en met genoegen hoorde Barend de klok van tien slaan en pas was de laatste slag gevallen of van der Werff klopte aan. Hij was evenwel niet alleen, want Van Hout en van der Does waren ook bij hem. Zoodra ze op die afgesproken plaats, waar het zeer donker was, gekomen waren, verscholen ze zich en wachtten de komst der ontevredenen af.Jaspersz., Martensz., Jop de Snijder, die de overbuur van Barend was, en „Roode Jaap” verschenen het eerst en begonnen onder elkander al dadelijk te schelden op dien flauwhartigen Meester Jacobsz., die zoo gauw bakzeil gehaald had. Volgens het oordeel van „Jop de Snijder” was hij geenen knip voor den neus waard.Pas had Jop dit gezegd of Meester Jacobsz. verscheen. Hij had alles verstaan, naar het scheen, en zeide: „Hier is de man, die geenen knip voor den neus waard is, maar zou ik van „Jop de Snijder” mogen weten of Baersdorp, die hem hier gestuurd heeft, dan beter is dan ik.”„Zeker!” riep Jop. „Burgemeester Baersdorp is een man uit één stuk, die weet wat hij wil.”„En is dus zeker wel eenen knip voor den neus waard?” vroeg Meester Jacobsz. zoo leuk, dat de luisteraars moeite hadden om niet in den lach te schieten.„Maar zulk eenen knip waard of niet waard,” vervolgde Meester Jacobsz., „ik heb dit te zeggen. Eer sterf ik van honger eer ik Leiden help overgeven. Zie, heel Holland, ja, alles, wat tegen Spanje strijdt, houdt het oog op ons geslagen. Voor duizenden en duizenden schats ligt om onzentwille onder het water bedolven. Hij is een lafaard, die den moed niet heeft tegen den vijand te strijden.”„Geen moed hebben?” riepen „Roode Jaap” en Martensz. tegelijk. „Dat heeft de Spanjool vroeger voor Haarlem ondervonden waar we als leeuwen gestreden hebben, maar zonder honger.”„Wie het stalen zwaard van den vijand niet vreest, vreeze ook het hongerzwaard niet. Te vallen, na eenen dapperen en wanhopigen strijd met het stalen zwaard in de hand, wie dat kan, is een held; maar grooter held is hij, die valt onder het hongerzwaard; hij sterft onoverwonnen. En dat nu moet onze leuze zijn; we zijn het aan het Vaderland en aan de onzen verschuldigd. Wat ik in de vergadering van den Magistraat voorgesteld heb, dat weet ge, maar wat ik daar voorstelde, zegt niet veel. De onderhandelingen met Valdez zullen tot niets leiden, dat weet ik vooruit. Doch als die onderhandelingen wat gerekt worden, dan—wie weet keert de wind in dien tijd niet, dat de vloot der Watergeuzen onze veege stad kan naderen. Maar in alle gevallen, van heden af is er bij mij geene sprake meer van overgave, er gebeure, wat wil. En als ge van mij een waarschuwend woord wilt hooren, dan is het dit: „Denkt aan Haarlem, dan weet ge wat het woord eens Spanjaards is.”„En als wij daaraan nu niet denken willen?” vroeg „Roode Jaap”.„Dan verraadt de oude paai ons,” riep „Jop de Snijder.” „Menschen, als hij er een is, zijn tot alles instaat.”„Hierop heb ik geen antwoord dan: zooals de waard is vertrouwt hij zijne gasten,” klonk het fier.„Weet gij wel, dat er geen haan naar kraaien zal, als wij je hier op dit plekje voor altijd het zwijgen opleggen, zeg weet je dat?” beet „Jop de Snijder” den ouden man toe. „Gij hebt te lang met ons onder één hoedje gespeeld, man! Ge kunt, om uzelven te redden, ons aan de galg brengen. Mannen, wij moeten hem niet laten gaan, voor hij...”„Krombeen, laat los! Laat los,” klonk opeens eene stem en eer de vier luisteraars, die gereed stonden den ouden Jacobsz. te helpen, voor den dag traden, sprongen twee mannen te voorschijn, die „Jop de Snijder” met knuppels te lijf gingen.Die twee waren Van der Morsch en onze Cornelis.„Jop de Snijder”, Martensz. en Jaspersz. gingen terstond aan den haal. Alleen „Roode Jaap” bleef staan, doch daar hij meende in de nabijheid eene verdachte beweging te hooren, koos ook hij het hazenpad.„Ik dank u, mannen, voor uwe hulp,” zeide Jacobsz. „Maar hoe wist gij dat er hier eene bijeenkomst was?”„Mijne pleegzuster vertelde het mij, Meester, toen ik om halfelf van de wacht thuis kwam. Ik ben toen naar Van der Morsch gegaan, maar veel hebben we niet gehoord,” antwoordde Cornelis.„Kom, Burgemeester,” zeide Van der Morsch, „wij zullen u thuis brengen. De glippers zijn tot alles instaat.”Zoodra de drie zich verwijderd hadden, traden de luisteraars ook te voorschijn.„Een kranige jongen, die pleegzoon van u, schipper,” sprak van der Werff. „Ik wilde u wel voorstellen om hem morgen weer eens de stad uit te sturen, zoodra wij aan het onderhandelen zijn. Hebt ge er tegen?”„Neen, Burgemeester, als de jongen het wil doen, is het mij goed. Maar wat is die Meester Jacobsz. mij mede gevallen.”„Zoo zijn er meer, schipper! Ze meenen het in den grond van de zaak zoo kwaad niet, als ze zich voordoen. Maar, hier zijn we op een punt, waar we scheiden moeten, anders ziet een van die lieden ons. Wel te rusten, allen! Tot morgen, schipper!”Alle vier verspreidden zich langs verschillende wegen door de donkere straten der worstelende stad.Wat ieder dacht kan ik niet zeggen, doch stellig zal het betrekking gehad hebben op de belegerde stad, en met de gedachte daaraan zullen ze wel zijn gaan slapen. Iedereen immers sliep er mede in en stond er mede op? Men had geene andere gedachte meer; de honger dwong ieder om aan hetzelfde te denken. Alleen zij, die van de samenzwering wisten, dachten misschien er nog bij: „Wat zal het nog worden?”Den volgenden morgen was Burgemeester van der Werff al vroeg bij schipper Van Keulen om Cornelis bekend te maken met de boodschap, die hij buiten de stad te doen had.Cornelis, die er reeds alles van wist, zeide: „Graag, Burgemeester! Ik wil dadelijk er op uit. Geef u me de boodschap maar!”„Best, jongen! Maar ge gaat ditmaal niet alleen uit! Gij zult gezelschap hebben! Nóg houdt de Spanjaard niet zulk eene scherpe wacht, of, met beleid en voorzichtigheid is er altijd nog wel kans, dat men des nachts buiten de schansen komt. Gij weet den weg beter dan eenig ander, omdat ge hem al eenmaal hebt afgelegd, en daarom heb ik gemeend, dat gij de wegwijzer moest zijn voor drie onzer mede-burgeren, die zich aangeboden hebben, brieven naar den Prins en van Boisot te brengen! Hebt ge er nu nog lust toe?”„Ik ging liever alleen, Heer Burgemeester! Één man wordt zoo gauw niet gezien als vier mannen,” antwoordde Cornelis vrijmoedig.„Dat is ook zoo, jongen; maar waar het op een vechten aankomt, daar kunnen vier mannen toch meer dan één vriendje! Hoe denkt ge er over?”„Ik zal het doen, Heer Burgemeester! Wanneer gaan we heen?”„Vanavond als het donker is! Maar er is nog wat! Ge krijgt nog meer gezelschap op uwen weg.”„Nog meer, Heer Burgemeester?”„Ja, nog acht stuks! Kent ge Willem Cornelisz. Speelman?”„De man, die honger lijdt om zijne duiven toch maar in het leven te houden?”„Dezelfde! Hij zal eene kevie met acht zijner duiven medegeven, waarvan ge er vier bij den Prins en vier bij Admiraal van Boisot moet brengen!”„Duiven, Heer Burgemeester?” vroeg Cornelis met een gezicht waarop de grootste verwondering te lezen stond. „Wat moeten die duiven bij den Prins en van Boisot?”„Dat zijn briefdragers, jongen! Weldra zal de stad zoo nauw ingesloten zijn, dat er geene muis meer uit kan, of de Spanjaard ziet het, en, als het zóó ver gekomen is, dan zullen de duiven onze boden zijn!”„Ik begrijp er niets van, Heer Burgemeester, maar ik zal het doen,” antwoordde Cornelis.„Goed,” zeide van der Werff, „ik weet, dat ik op u rekenen kan. Vanavond tegen acht uren verwachten wij u bij Speelman!” en na nog een en ander met Vader Van Keulen afgesproken te hebben, ging hij heen.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.Wat zal het nog worden?Sinds eenigen tijd werd het weinige vee, dat nog in de stad was, onder toezicht der Regeering geslacht en in het Koor der Sint-Pieterskerk uitgedeeld of verkocht. Zij, die rijk waren, konden evenwel niet méér koopen, dan de minvermogende burgers of de armen kregen; er werd eerlijk gedeeld. Ook Barend Cornelissen was er heen geweest om zijne portie te halen. Zwijgend zette hij het taaie vleesch neder en begaf zich naar den wal om daar op zijne beurt de wacht waar te nemen. Wie hem had zien heensloffen, want gaan kon het niet heeten, zou in die trage gestalte met gebogen hoofd, den wakkeren schipper van eene maand of drie geleden niet meer herkend hebben.Cornelis, die te zes uren thuis gekomen was, lag gerust te slapen. Jongens op dien leeftijd kunnen veel verdragen.Tegen den middag stond hij op en daar er nog niets te eten viel, begaf hij zich op straat, waar veel leven en beweging heerschten.„Er zijn weer brieven gekomen, Cornelis! Weet gij het al?” zeide Van der Morsch.„Van den Prins?” vroeg Cornelis.„Neen van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van Don Ferdinand de Lanoy!”„Zeker weer alle drie heel lief en aardig?”„Ja, dat weet ik niet. De Magistraat is vergaderd om over die brieven te spreken, en daar ik kennis op het Stadhuis heb, zullen ze ons wel binnensmokkelen en een plaatsje geven, waar wij alles zien en hooren kunnen, zonder dat men ons ziet of hoort.”„Top, dat doe ik! Dan zal ik mijne maag maar eens vullen met te kijken naar de leelijke gezichten der Spaanschgezinden, als er besloten wordt, te wachten op het beloofde ontzet!”Weldra bevonden beiden zich dicht bij de zaal waar de Regeering hare vergadering hield. Ze konden ieder Lid zien en alles verstaan.Juist werd de brief van Jonker van Mathenesse voorgelezen.„Ziet gij wel, Cornelis, welk een valsch-lachend, leelijk gezicht die Meester Jacobsz. zet?” fluisterde Van der Morsch.„Of ik,” antwoordde Cornelis. „Maar hoort gij wel, dat het weer schering en inslag het oude liedje is: „Gij hebt geen eten;—gij zult ziek worden;—gij zult van den honger sterven;—gij moet de stad overgeven;—Valdez en Requesens zullen u geen kwaad doen; want ze zijn de goedheid zelve. Als gij de stad niet overgeeft, en we krijgen haar vroeger of later toch, dan zullen wij het u inpeperen, dat gij ons zoo lang getart hebt. Och, lieve Jonker, gij hadt pen, inkt en perkament kunnen sparen, we...,”„Stil, Kees, daar beginnen ze aan den tweeden brief!”Cornelis zweeg stil en luisterde met de anderen wat er nu volgen zou, en daar begon de secretaris te lezen:Para el Magistrado y Pueblo de Leyden.„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Rey y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande obstinacion....”„Wacht even, Heer Secretaris,” sprak van der Werff. „Natuurlijk verstaan wij wel zooveel Spaansch, dat we den brief van het begin tot het einde begrijpen zullen. Doch dat houdt zoo op. Zeg ons liever den korten inhoud. Als een van de Heeren de brieven soms lezen wil, ze blijven hier tot hunne beschikking. Waarop komt alles neer?”„Hier op, Heer Burgemeester!” antwoordde Van Hout. „Wanneer we de stad overgeven, zal het leven van ons allen gespaard blijven, zelfs dat van u, van den Heer van der Does, van andere tegenstanders en van mij! Valdez geeft ons totMaandag den zesden van deze maand tijd van bedenking, en gedurende dien tijd kunnen we tot eene onderhandeling zenden, wie we willen. Hij zal ons eerlijk behandelen en wil onze vriend zijn, en staat voor een en ander met zijn Ridderwoord in. Maar, zoo we volharden in ons boos voornemen, dan moeten wij het scherpe mes der Justitie passeeren!”„Wij danken u, Heer Van Hout voor de bereidwilligheid waarmede ge Valdez’ schrijven vertolkt hebt, en verzoeken u den inhoud van den derden brief mede te deelen. Van wien komt dat schrijven?”„Dit is een brief van den Edelen Heere Ferdinand de Lanoy, Grave van Roche, enz., Stadhouder van Artois, Holland, Friesland en Utrecht, Overste-kapitein over het krijgsvolk van Zijne Koninklijke Majesteit liggende in Holland en Utrecht.”„Wij kennen hem en niemand onzer zal zeggen, dat de brief niet van een voornaam personage komt. Men doet ons eenvoudigen poorters, waarlijk al te veel eer aan. En wat schrijft hij?” vroeg van der Werff.Van Hout keek den brief eens in en zeide: „Hij klopt alleen met eenen anderen hamer hetzelfde ijzer op hetzelfde aanbeeld, als Valdez en de Jonker van Mathenesse. Maar er is nog een vierde brief, die is onderteekend door tien glippers, en....”Van der Werff viel met eenig ongeduldig gebaar den Secretaris in de rede en zeide: „Al genoeg. De vier brieven blijven hier en kunnen door ieder Lid van den Magistraat later gelezen worden. Wij moesten de zaak nu maar dadelijk in rondvraag brengen. Wie voor de overgave is en dus in den geest van deze brieven gehandeld wil zien, hij sta op en spreke.”Het werd plotseling doodstil in de zaal en in gespannen verwachting, wat er gezegd en daarna besproken zou worden, zagen allen in het rond.Daar stond Meester Jacobsz. op.De oude man beefde, en, nu het hooge woord er bij hem uit moest, was hij gansch niet op zijn gemak.„Als Lid van de Vroedschap der stad Leiden,” begon hij, „heb ik den eed gedaan voor het heil en welvaren der burgerij werkzaam te zijn. Dien eed zal ik houden, zoolang ik leef. Ware onze goede stad zoo ruim van levensmiddelen voorzien, als er nu gebrek aan is, zie, dan zouden mijne stramme ledematen mij niet beletten, om den eerste den beste, die van overgave sprak, overhoop te steken. Maar nu de honger door onze straten waart, de pest ons aangrijpt, ellende de wangen der burgeren verbleekt en het krachtigste lichaam tot een geraamte dreigt te maken, nu ben ik ook door mijnen eed gebonden, niet langer den Spanjaard te weerstreven! Ik ben vóór de overgave. Ik mag geene oorzaak zijn van den dood van zoovele menschen!”„Heeft Meester Jacobsz. uitgesproken?” vroeg van der Werff, op kalmen toon, alsof Meester Jacobsz. over de onschuldigste zaak ter wereld gesproken had.„Ja, Burgemeester,” hernam deze.„En heeft iemand nog iets aangaande deze zaak in het midden te brengen?” werd er andermaal gevraagd.Allen zwegen. Geen der Leden van den Magistraat wilde blijkbaar thans meer spreken.„Welnu,” hernam daarop van der Werff, „dan heb ik wat te zeggen. Toen ik verleden jaar in onze goede stad tot Burgemeester werd aangesteld, heb ik óók eenen eed gezworen, en dien eed zal ook ik niet verbreken; maar hem houden. Ik wil met den armsten onzer poorters hongerlijden, ja, met den hongerdood kampen en dien sterven! Ik wil tot mijne laatste oogenblikken onze stedelijke belangen behartigen. Maar de stad overgeven, neen, dàt nooit, dàt nooit! Ziet, half Holland is reeds onder water gezet; duizenden guldens zijn daartoe tot ons behoud opgeofferd; de arme weduwe heeft er haar laatste penningske, en de Edelvrouwhare sieraden voor afgestaan! Heel Holland heeft het oog op ons gevestigd en offert zich op voor ons behoud. Zullen wij ons al die offers en die hoop onwaardig maken? Ja? Welnu, geeft de stad dan over aan de Spanjaarden en ondergaat het lot van die van Naarden, Zutfen, Mechelen en Haarlem! Stelt dan al wie in den Spanjaard eenen vijand ziet, op de bitterste wijze teleur! Maar van mij moge de Spanjaard het zelfs weten, ik doe aan die overgave niet mede.”Van der Werff ging zitten. Zijne warme taal had bij velen weerklank gevonden en zij, die toch niet door hem overtuigd waren, aarzelden hunne stem tot de overgave te geven, juist omdat er in heel Holland reeds zooveel opgeofferd was. Niet alleen Leiden streed met tallooze opofferingen voor zichzelf, maar heel Holland streed mede.Een oogenblik was er stilte. Toen stond Meester Jacobsz. weer op en zeide, doch nu wat minder hortend en stootend dan de eerste maal, dat hij sprak: „Laten wij dan eenen middelweg kiezen. Gelooft mij, ik ben even goed een vijand van den Spanjaard, als onze voorzittende Burgemeester, en stellig verwacht ik van den Spanjaard bij het brood een zwaard en bij het vleesch eene galg. Laten we den toestand waarin we verkeeren nog eenige dagen rekken door onderhandelingen. Misschien zendt de goede God inmiddels uitkomst.”Die woorden brachten de voorstanders der overgave tot andere gedachten, zoodat er besloten werd, voorloopig tot onderhandelingen over te gaan om zoo tijd te winnen.Toen van der Werff pas van de vergadering thuis gekomen was, kwam Barend Cornelissen, aan wien Gonda de geheime bijeenkomst verteld had, den Burgemeester hiervan kennis geven.„Wij zullen vannacht samen gaan luisteren, schipper,” zeide hij. „Maar ik denk wel, dat alles beter afloopt dan gij vermoedt. De ontevredenen hebben hunnen grootsten steun verloren in Meester Jacobsz.”„Is Meester Jacobsz. dan van gedachten veranderd, Burgemeester?”„Ja, schipper! Na het lezen van de brieven sprak hij een warm woord voor de overgave, doch toen ik hem geantwoord had en vooral had gewezen op de groote opofferingen, die de Hollanders, buiten Leiden, voor ons over hebben gehad, zag ik aan zijn goedig gelaat, dat hij van gedachten veranderde, en toen ik vroeg wie er nu nog voor de overgave was, stond Meester Jacobsz. op en zeide, dat hij er eenen middelweg op bedacht had. Hij stelde voor met Valdez in onderhandeling te treden om zoo tijd te winnen. Van zijne zijde is het gevaar dus voorloopig bezworen.”„En wat heeft „Half Leyden” gezegd, Burgemeester?”Ofschoon Burgemeester van der Werff zeer goed wist, wie bedoeld werd, hield hij zich, terwille van den eerbied verschuldigd aan de Overheid, alsof hij het niet wist, en vroeg eenigszins ontevreden: „Wien bedoelt gij, schipper?”„Burgemeester Jan Jansz. Baersdorp bedoel ik. U zal toch wel weten dat dit zijn bijnaam is?”„Mij noemt men „Mennonieten Stijfkop”, doch het liefst heet ik Burgemeester van der Werff. In den Magistraat geven we elkander geene bijnamen, schipper! Burgemeester Baersdorp staat niet aan mijne zijde, doch hij zegt niet veel. Hij doet meer dan hij zegt en van zijn standpunt handelt hij loffelijk. Onze taak is het, schipper, zooveel mogelijk te zorgen, dat wij ook meer doen dan wij zeggen, dan kunnen onze tegenstanders, die gelukkig onder het volk nog in de minderheid zijn, niet zooveel kwaad doen. En hierin zult gij een loffelijk voorbeeld geven, dat weet ik. Intusschen van avond om tien uren zal ik bij u zijn om met u naar de plaats te gaan waar de ontevredenen zullen bijeenkomen. Tot vanavond dan.”Toen Barend Cornelissen weer op straat was, mompelde hij: „Toch een nobel man, die van der Werff. Zelfs voor zijne felste tegenstanders heeft hij nog een woord van lofover. Waren allen als hij, onze goede stad zou niet in dezen ellendigen toestand gekomen zijn.”Met wat te loopen lanterfanten werd de dag weer doorgebracht en met genoegen hoorde Barend de klok van tien slaan en pas was de laatste slag gevallen of van der Werff klopte aan. Hij was evenwel niet alleen, want Van Hout en van der Does waren ook bij hem. Zoodra ze op die afgesproken plaats, waar het zeer donker was, gekomen waren, verscholen ze zich en wachtten de komst der ontevredenen af.Jaspersz., Martensz., Jop de Snijder, die de overbuur van Barend was, en „Roode Jaap” verschenen het eerst en begonnen onder elkander al dadelijk te schelden op dien flauwhartigen Meester Jacobsz., die zoo gauw bakzeil gehaald had. Volgens het oordeel van „Jop de Snijder” was hij geenen knip voor den neus waard.Pas had Jop dit gezegd of Meester Jacobsz. verscheen. Hij had alles verstaan, naar het scheen, en zeide: „Hier is de man, die geenen knip voor den neus waard is, maar zou ik van „Jop de Snijder” mogen weten of Baersdorp, die hem hier gestuurd heeft, dan beter is dan ik.”„Zeker!” riep Jop. „Burgemeester Baersdorp is een man uit één stuk, die weet wat hij wil.”„En is dus zeker wel eenen knip voor den neus waard?” vroeg Meester Jacobsz. zoo leuk, dat de luisteraars moeite hadden om niet in den lach te schieten.„Maar zulk eenen knip waard of niet waard,” vervolgde Meester Jacobsz., „ik heb dit te zeggen. Eer sterf ik van honger eer ik Leiden help overgeven. Zie, heel Holland, ja, alles, wat tegen Spanje strijdt, houdt het oog op ons geslagen. Voor duizenden en duizenden schats ligt om onzentwille onder het water bedolven. Hij is een lafaard, die den moed niet heeft tegen den vijand te strijden.”„Geen moed hebben?” riepen „Roode Jaap” en Martensz. tegelijk. „Dat heeft de Spanjool vroeger voor Haarlem ondervonden waar we als leeuwen gestreden hebben, maar zonder honger.”„Wie het stalen zwaard van den vijand niet vreest, vreeze ook het hongerzwaard niet. Te vallen, na eenen dapperen en wanhopigen strijd met het stalen zwaard in de hand, wie dat kan, is een held; maar grooter held is hij, die valt onder het hongerzwaard; hij sterft onoverwonnen. En dat nu moet onze leuze zijn; we zijn het aan het Vaderland en aan de onzen verschuldigd. Wat ik in de vergadering van den Magistraat voorgesteld heb, dat weet ge, maar wat ik daar voorstelde, zegt niet veel. De onderhandelingen met Valdez zullen tot niets leiden, dat weet ik vooruit. Doch als die onderhandelingen wat gerekt worden, dan—wie weet keert de wind in dien tijd niet, dat de vloot der Watergeuzen onze veege stad kan naderen. Maar in alle gevallen, van heden af is er bij mij geene sprake meer van overgave, er gebeure, wat wil. En als ge van mij een waarschuwend woord wilt hooren, dan is het dit: „Denkt aan Haarlem, dan weet ge wat het woord eens Spanjaards is.”„En als wij daaraan nu niet denken willen?” vroeg „Roode Jaap”.„Dan verraadt de oude paai ons,” riep „Jop de Snijder.” „Menschen, als hij er een is, zijn tot alles instaat.”„Hierop heb ik geen antwoord dan: zooals de waard is vertrouwt hij zijne gasten,” klonk het fier.„Weet gij wel, dat er geen haan naar kraaien zal, als wij je hier op dit plekje voor altijd het zwijgen opleggen, zeg weet je dat?” beet „Jop de Snijder” den ouden man toe. „Gij hebt te lang met ons onder één hoedje gespeeld, man! Ge kunt, om uzelven te redden, ons aan de galg brengen. Mannen, wij moeten hem niet laten gaan, voor hij...”„Krombeen, laat los! Laat los,” klonk opeens eene stem en eer de vier luisteraars, die gereed stonden den ouden Jacobsz. te helpen, voor den dag traden, sprongen twee mannen te voorschijn, die „Jop de Snijder” met knuppels te lijf gingen.Die twee waren Van der Morsch en onze Cornelis.„Jop de Snijder”, Martensz. en Jaspersz. gingen terstond aan den haal. Alleen „Roode Jaap” bleef staan, doch daar hij meende in de nabijheid eene verdachte beweging te hooren, koos ook hij het hazenpad.„Ik dank u, mannen, voor uwe hulp,” zeide Jacobsz. „Maar hoe wist gij dat er hier eene bijeenkomst was?”„Mijne pleegzuster vertelde het mij, Meester, toen ik om halfelf van de wacht thuis kwam. Ik ben toen naar Van der Morsch gegaan, maar veel hebben we niet gehoord,” antwoordde Cornelis.„Kom, Burgemeester,” zeide Van der Morsch, „wij zullen u thuis brengen. De glippers zijn tot alles instaat.”Zoodra de drie zich verwijderd hadden, traden de luisteraars ook te voorschijn.„Een kranige jongen, die pleegzoon van u, schipper,” sprak van der Werff. „Ik wilde u wel voorstellen om hem morgen weer eens de stad uit te sturen, zoodra wij aan het onderhandelen zijn. Hebt ge er tegen?”„Neen, Burgemeester, als de jongen het wil doen, is het mij goed. Maar wat is die Meester Jacobsz. mij mede gevallen.”„Zoo zijn er meer, schipper! Ze meenen het in den grond van de zaak zoo kwaad niet, als ze zich voordoen. Maar, hier zijn we op een punt, waar we scheiden moeten, anders ziet een van die lieden ons. Wel te rusten, allen! Tot morgen, schipper!”Alle vier verspreidden zich langs verschillende wegen door de donkere straten der worstelende stad.Wat ieder dacht kan ik niet zeggen, doch stellig zal het betrekking gehad hebben op de belegerde stad, en met de gedachte daaraan zullen ze wel zijn gaan slapen. Iedereen immers sliep er mede in en stond er mede op? Men had geene andere gedachte meer; de honger dwong ieder om aan hetzelfde te denken. Alleen zij, die van de samenzwering wisten, dachten misschien er nog bij: „Wat zal het nog worden?”Den volgenden morgen was Burgemeester van der Werff al vroeg bij schipper Van Keulen om Cornelis bekend te maken met de boodschap, die hij buiten de stad te doen had.Cornelis, die er reeds alles van wist, zeide: „Graag, Burgemeester! Ik wil dadelijk er op uit. Geef u me de boodschap maar!”„Best, jongen! Maar ge gaat ditmaal niet alleen uit! Gij zult gezelschap hebben! Nóg houdt de Spanjaard niet zulk eene scherpe wacht, of, met beleid en voorzichtigheid is er altijd nog wel kans, dat men des nachts buiten de schansen komt. Gij weet den weg beter dan eenig ander, omdat ge hem al eenmaal hebt afgelegd, en daarom heb ik gemeend, dat gij de wegwijzer moest zijn voor drie onzer mede-burgeren, die zich aangeboden hebben, brieven naar den Prins en van Boisot te brengen! Hebt ge er nu nog lust toe?”„Ik ging liever alleen, Heer Burgemeester! Één man wordt zoo gauw niet gezien als vier mannen,” antwoordde Cornelis vrijmoedig.„Dat is ook zoo, jongen; maar waar het op een vechten aankomt, daar kunnen vier mannen toch meer dan één vriendje! Hoe denkt ge er over?”„Ik zal het doen, Heer Burgemeester! Wanneer gaan we heen?”„Vanavond als het donker is! Maar er is nog wat! Ge krijgt nog meer gezelschap op uwen weg.”„Nog meer, Heer Burgemeester?”„Ja, nog acht stuks! Kent ge Willem Cornelisz. Speelman?”„De man, die honger lijdt om zijne duiven toch maar in het leven te houden?”„Dezelfde! Hij zal eene kevie met acht zijner duiven medegeven, waarvan ge er vier bij den Prins en vier bij Admiraal van Boisot moet brengen!”„Duiven, Heer Burgemeester?” vroeg Cornelis met een gezicht waarop de grootste verwondering te lezen stond. „Wat moeten die duiven bij den Prins en van Boisot?”„Dat zijn briefdragers, jongen! Weldra zal de stad zoo nauw ingesloten zijn, dat er geene muis meer uit kan, of de Spanjaard ziet het, en, als het zóó ver gekomen is, dan zullen de duiven onze boden zijn!”„Ik begrijp er niets van, Heer Burgemeester, maar ik zal het doen,” antwoordde Cornelis.„Goed,” zeide van der Werff, „ik weet, dat ik op u rekenen kan. Vanavond tegen acht uren verwachten wij u bij Speelman!” en na nog een en ander met Vader Van Keulen afgesproken te hebben, ging hij heen.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.Wat zal het nog worden?

Sinds eenigen tijd werd het weinige vee, dat nog in de stad was, onder toezicht der Regeering geslacht en in het Koor der Sint-Pieterskerk uitgedeeld of verkocht. Zij, die rijk waren, konden evenwel niet méér koopen, dan de minvermogende burgers of de armen kregen; er werd eerlijk gedeeld. Ook Barend Cornelissen was er heen geweest om zijne portie te halen. Zwijgend zette hij het taaie vleesch neder en begaf zich naar den wal om daar op zijne beurt de wacht waar te nemen. Wie hem had zien heensloffen, want gaan kon het niet heeten, zou in die trage gestalte met gebogen hoofd, den wakkeren schipper van eene maand of drie geleden niet meer herkend hebben.Cornelis, die te zes uren thuis gekomen was, lag gerust te slapen. Jongens op dien leeftijd kunnen veel verdragen.Tegen den middag stond hij op en daar er nog niets te eten viel, begaf hij zich op straat, waar veel leven en beweging heerschten.„Er zijn weer brieven gekomen, Cornelis! Weet gij het al?” zeide Van der Morsch.„Van den Prins?” vroeg Cornelis.„Neen van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van Don Ferdinand de Lanoy!”„Zeker weer alle drie heel lief en aardig?”„Ja, dat weet ik niet. De Magistraat is vergaderd om over die brieven te spreken, en daar ik kennis op het Stadhuis heb, zullen ze ons wel binnensmokkelen en een plaatsje geven, waar wij alles zien en hooren kunnen, zonder dat men ons ziet of hoort.”„Top, dat doe ik! Dan zal ik mijne maag maar eens vullen met te kijken naar de leelijke gezichten der Spaanschgezinden, als er besloten wordt, te wachten op het beloofde ontzet!”Weldra bevonden beiden zich dicht bij de zaal waar de Regeering hare vergadering hield. Ze konden ieder Lid zien en alles verstaan.Juist werd de brief van Jonker van Mathenesse voorgelezen.„Ziet gij wel, Cornelis, welk een valsch-lachend, leelijk gezicht die Meester Jacobsz. zet?” fluisterde Van der Morsch.„Of ik,” antwoordde Cornelis. „Maar hoort gij wel, dat het weer schering en inslag het oude liedje is: „Gij hebt geen eten;—gij zult ziek worden;—gij zult van den honger sterven;—gij moet de stad overgeven;—Valdez en Requesens zullen u geen kwaad doen; want ze zijn de goedheid zelve. Als gij de stad niet overgeeft, en we krijgen haar vroeger of later toch, dan zullen wij het u inpeperen, dat gij ons zoo lang getart hebt. Och, lieve Jonker, gij hadt pen, inkt en perkament kunnen sparen, we...,”„Stil, Kees, daar beginnen ze aan den tweeden brief!”Cornelis zweeg stil en luisterde met de anderen wat er nu volgen zou, en daar begon de secretaris te lezen:Para el Magistrado y Pueblo de Leyden.„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Rey y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande obstinacion....”„Wacht even, Heer Secretaris,” sprak van der Werff. „Natuurlijk verstaan wij wel zooveel Spaansch, dat we den brief van het begin tot het einde begrijpen zullen. Doch dat houdt zoo op. Zeg ons liever den korten inhoud. Als een van de Heeren de brieven soms lezen wil, ze blijven hier tot hunne beschikking. Waarop komt alles neer?”„Hier op, Heer Burgemeester!” antwoordde Van Hout. „Wanneer we de stad overgeven, zal het leven van ons allen gespaard blijven, zelfs dat van u, van den Heer van der Does, van andere tegenstanders en van mij! Valdez geeft ons totMaandag den zesden van deze maand tijd van bedenking, en gedurende dien tijd kunnen we tot eene onderhandeling zenden, wie we willen. Hij zal ons eerlijk behandelen en wil onze vriend zijn, en staat voor een en ander met zijn Ridderwoord in. Maar, zoo we volharden in ons boos voornemen, dan moeten wij het scherpe mes der Justitie passeeren!”„Wij danken u, Heer Van Hout voor de bereidwilligheid waarmede ge Valdez’ schrijven vertolkt hebt, en verzoeken u den inhoud van den derden brief mede te deelen. Van wien komt dat schrijven?”„Dit is een brief van den Edelen Heere Ferdinand de Lanoy, Grave van Roche, enz., Stadhouder van Artois, Holland, Friesland en Utrecht, Overste-kapitein over het krijgsvolk van Zijne Koninklijke Majesteit liggende in Holland en Utrecht.”„Wij kennen hem en niemand onzer zal zeggen, dat de brief niet van een voornaam personage komt. Men doet ons eenvoudigen poorters, waarlijk al te veel eer aan. En wat schrijft hij?” vroeg van der Werff.Van Hout keek den brief eens in en zeide: „Hij klopt alleen met eenen anderen hamer hetzelfde ijzer op hetzelfde aanbeeld, als Valdez en de Jonker van Mathenesse. Maar er is nog een vierde brief, die is onderteekend door tien glippers, en....”Van der Werff viel met eenig ongeduldig gebaar den Secretaris in de rede en zeide: „Al genoeg. De vier brieven blijven hier en kunnen door ieder Lid van den Magistraat later gelezen worden. Wij moesten de zaak nu maar dadelijk in rondvraag brengen. Wie voor de overgave is en dus in den geest van deze brieven gehandeld wil zien, hij sta op en spreke.”Het werd plotseling doodstil in de zaal en in gespannen verwachting, wat er gezegd en daarna besproken zou worden, zagen allen in het rond.Daar stond Meester Jacobsz. op.De oude man beefde, en, nu het hooge woord er bij hem uit moest, was hij gansch niet op zijn gemak.„Als Lid van de Vroedschap der stad Leiden,” begon hij, „heb ik den eed gedaan voor het heil en welvaren der burgerij werkzaam te zijn. Dien eed zal ik houden, zoolang ik leef. Ware onze goede stad zoo ruim van levensmiddelen voorzien, als er nu gebrek aan is, zie, dan zouden mijne stramme ledematen mij niet beletten, om den eerste den beste, die van overgave sprak, overhoop te steken. Maar nu de honger door onze straten waart, de pest ons aangrijpt, ellende de wangen der burgeren verbleekt en het krachtigste lichaam tot een geraamte dreigt te maken, nu ben ik ook door mijnen eed gebonden, niet langer den Spanjaard te weerstreven! Ik ben vóór de overgave. Ik mag geene oorzaak zijn van den dood van zoovele menschen!”„Heeft Meester Jacobsz. uitgesproken?” vroeg van der Werff, op kalmen toon, alsof Meester Jacobsz. over de onschuldigste zaak ter wereld gesproken had.„Ja, Burgemeester,” hernam deze.„En heeft iemand nog iets aangaande deze zaak in het midden te brengen?” werd er andermaal gevraagd.Allen zwegen. Geen der Leden van den Magistraat wilde blijkbaar thans meer spreken.„Welnu,” hernam daarop van der Werff, „dan heb ik wat te zeggen. Toen ik verleden jaar in onze goede stad tot Burgemeester werd aangesteld, heb ik óók eenen eed gezworen, en dien eed zal ook ik niet verbreken; maar hem houden. Ik wil met den armsten onzer poorters hongerlijden, ja, met den hongerdood kampen en dien sterven! Ik wil tot mijne laatste oogenblikken onze stedelijke belangen behartigen. Maar de stad overgeven, neen, dàt nooit, dàt nooit! Ziet, half Holland is reeds onder water gezet; duizenden guldens zijn daartoe tot ons behoud opgeofferd; de arme weduwe heeft er haar laatste penningske, en de Edelvrouwhare sieraden voor afgestaan! Heel Holland heeft het oog op ons gevestigd en offert zich op voor ons behoud. Zullen wij ons al die offers en die hoop onwaardig maken? Ja? Welnu, geeft de stad dan over aan de Spanjaarden en ondergaat het lot van die van Naarden, Zutfen, Mechelen en Haarlem! Stelt dan al wie in den Spanjaard eenen vijand ziet, op de bitterste wijze teleur! Maar van mij moge de Spanjaard het zelfs weten, ik doe aan die overgave niet mede.”Van der Werff ging zitten. Zijne warme taal had bij velen weerklank gevonden en zij, die toch niet door hem overtuigd waren, aarzelden hunne stem tot de overgave te geven, juist omdat er in heel Holland reeds zooveel opgeofferd was. Niet alleen Leiden streed met tallooze opofferingen voor zichzelf, maar heel Holland streed mede.Een oogenblik was er stilte. Toen stond Meester Jacobsz. weer op en zeide, doch nu wat minder hortend en stootend dan de eerste maal, dat hij sprak: „Laten wij dan eenen middelweg kiezen. Gelooft mij, ik ben even goed een vijand van den Spanjaard, als onze voorzittende Burgemeester, en stellig verwacht ik van den Spanjaard bij het brood een zwaard en bij het vleesch eene galg. Laten we den toestand waarin we verkeeren nog eenige dagen rekken door onderhandelingen. Misschien zendt de goede God inmiddels uitkomst.”Die woorden brachten de voorstanders der overgave tot andere gedachten, zoodat er besloten werd, voorloopig tot onderhandelingen over te gaan om zoo tijd te winnen.Toen van der Werff pas van de vergadering thuis gekomen was, kwam Barend Cornelissen, aan wien Gonda de geheime bijeenkomst verteld had, den Burgemeester hiervan kennis geven.„Wij zullen vannacht samen gaan luisteren, schipper,” zeide hij. „Maar ik denk wel, dat alles beter afloopt dan gij vermoedt. De ontevredenen hebben hunnen grootsten steun verloren in Meester Jacobsz.”„Is Meester Jacobsz. dan van gedachten veranderd, Burgemeester?”„Ja, schipper! Na het lezen van de brieven sprak hij een warm woord voor de overgave, doch toen ik hem geantwoord had en vooral had gewezen op de groote opofferingen, die de Hollanders, buiten Leiden, voor ons over hebben gehad, zag ik aan zijn goedig gelaat, dat hij van gedachten veranderde, en toen ik vroeg wie er nu nog voor de overgave was, stond Meester Jacobsz. op en zeide, dat hij er eenen middelweg op bedacht had. Hij stelde voor met Valdez in onderhandeling te treden om zoo tijd te winnen. Van zijne zijde is het gevaar dus voorloopig bezworen.”„En wat heeft „Half Leyden” gezegd, Burgemeester?”Ofschoon Burgemeester van der Werff zeer goed wist, wie bedoeld werd, hield hij zich, terwille van den eerbied verschuldigd aan de Overheid, alsof hij het niet wist, en vroeg eenigszins ontevreden: „Wien bedoelt gij, schipper?”„Burgemeester Jan Jansz. Baersdorp bedoel ik. U zal toch wel weten dat dit zijn bijnaam is?”„Mij noemt men „Mennonieten Stijfkop”, doch het liefst heet ik Burgemeester van der Werff. In den Magistraat geven we elkander geene bijnamen, schipper! Burgemeester Baersdorp staat niet aan mijne zijde, doch hij zegt niet veel. Hij doet meer dan hij zegt en van zijn standpunt handelt hij loffelijk. Onze taak is het, schipper, zooveel mogelijk te zorgen, dat wij ook meer doen dan wij zeggen, dan kunnen onze tegenstanders, die gelukkig onder het volk nog in de minderheid zijn, niet zooveel kwaad doen. En hierin zult gij een loffelijk voorbeeld geven, dat weet ik. Intusschen van avond om tien uren zal ik bij u zijn om met u naar de plaats te gaan waar de ontevredenen zullen bijeenkomen. Tot vanavond dan.”Toen Barend Cornelissen weer op straat was, mompelde hij: „Toch een nobel man, die van der Werff. Zelfs voor zijne felste tegenstanders heeft hij nog een woord van lofover. Waren allen als hij, onze goede stad zou niet in dezen ellendigen toestand gekomen zijn.”Met wat te loopen lanterfanten werd de dag weer doorgebracht en met genoegen hoorde Barend de klok van tien slaan en pas was de laatste slag gevallen of van der Werff klopte aan. Hij was evenwel niet alleen, want Van Hout en van der Does waren ook bij hem. Zoodra ze op die afgesproken plaats, waar het zeer donker was, gekomen waren, verscholen ze zich en wachtten de komst der ontevredenen af.Jaspersz., Martensz., Jop de Snijder, die de overbuur van Barend was, en „Roode Jaap” verschenen het eerst en begonnen onder elkander al dadelijk te schelden op dien flauwhartigen Meester Jacobsz., die zoo gauw bakzeil gehaald had. Volgens het oordeel van „Jop de Snijder” was hij geenen knip voor den neus waard.Pas had Jop dit gezegd of Meester Jacobsz. verscheen. Hij had alles verstaan, naar het scheen, en zeide: „Hier is de man, die geenen knip voor den neus waard is, maar zou ik van „Jop de Snijder” mogen weten of Baersdorp, die hem hier gestuurd heeft, dan beter is dan ik.”„Zeker!” riep Jop. „Burgemeester Baersdorp is een man uit één stuk, die weet wat hij wil.”„En is dus zeker wel eenen knip voor den neus waard?” vroeg Meester Jacobsz. zoo leuk, dat de luisteraars moeite hadden om niet in den lach te schieten.„Maar zulk eenen knip waard of niet waard,” vervolgde Meester Jacobsz., „ik heb dit te zeggen. Eer sterf ik van honger eer ik Leiden help overgeven. Zie, heel Holland, ja, alles, wat tegen Spanje strijdt, houdt het oog op ons geslagen. Voor duizenden en duizenden schats ligt om onzentwille onder het water bedolven. Hij is een lafaard, die den moed niet heeft tegen den vijand te strijden.”„Geen moed hebben?” riepen „Roode Jaap” en Martensz. tegelijk. „Dat heeft de Spanjool vroeger voor Haarlem ondervonden waar we als leeuwen gestreden hebben, maar zonder honger.”„Wie het stalen zwaard van den vijand niet vreest, vreeze ook het hongerzwaard niet. Te vallen, na eenen dapperen en wanhopigen strijd met het stalen zwaard in de hand, wie dat kan, is een held; maar grooter held is hij, die valt onder het hongerzwaard; hij sterft onoverwonnen. En dat nu moet onze leuze zijn; we zijn het aan het Vaderland en aan de onzen verschuldigd. Wat ik in de vergadering van den Magistraat voorgesteld heb, dat weet ge, maar wat ik daar voorstelde, zegt niet veel. De onderhandelingen met Valdez zullen tot niets leiden, dat weet ik vooruit. Doch als die onderhandelingen wat gerekt worden, dan—wie weet keert de wind in dien tijd niet, dat de vloot der Watergeuzen onze veege stad kan naderen. Maar in alle gevallen, van heden af is er bij mij geene sprake meer van overgave, er gebeure, wat wil. En als ge van mij een waarschuwend woord wilt hooren, dan is het dit: „Denkt aan Haarlem, dan weet ge wat het woord eens Spanjaards is.”„En als wij daaraan nu niet denken willen?” vroeg „Roode Jaap”.„Dan verraadt de oude paai ons,” riep „Jop de Snijder.” „Menschen, als hij er een is, zijn tot alles instaat.”„Hierop heb ik geen antwoord dan: zooals de waard is vertrouwt hij zijne gasten,” klonk het fier.„Weet gij wel, dat er geen haan naar kraaien zal, als wij je hier op dit plekje voor altijd het zwijgen opleggen, zeg weet je dat?” beet „Jop de Snijder” den ouden man toe. „Gij hebt te lang met ons onder één hoedje gespeeld, man! Ge kunt, om uzelven te redden, ons aan de galg brengen. Mannen, wij moeten hem niet laten gaan, voor hij...”„Krombeen, laat los! Laat los,” klonk opeens eene stem en eer de vier luisteraars, die gereed stonden den ouden Jacobsz. te helpen, voor den dag traden, sprongen twee mannen te voorschijn, die „Jop de Snijder” met knuppels te lijf gingen.Die twee waren Van der Morsch en onze Cornelis.„Jop de Snijder”, Martensz. en Jaspersz. gingen terstond aan den haal. Alleen „Roode Jaap” bleef staan, doch daar hij meende in de nabijheid eene verdachte beweging te hooren, koos ook hij het hazenpad.„Ik dank u, mannen, voor uwe hulp,” zeide Jacobsz. „Maar hoe wist gij dat er hier eene bijeenkomst was?”„Mijne pleegzuster vertelde het mij, Meester, toen ik om halfelf van de wacht thuis kwam. Ik ben toen naar Van der Morsch gegaan, maar veel hebben we niet gehoord,” antwoordde Cornelis.„Kom, Burgemeester,” zeide Van der Morsch, „wij zullen u thuis brengen. De glippers zijn tot alles instaat.”Zoodra de drie zich verwijderd hadden, traden de luisteraars ook te voorschijn.„Een kranige jongen, die pleegzoon van u, schipper,” sprak van der Werff. „Ik wilde u wel voorstellen om hem morgen weer eens de stad uit te sturen, zoodra wij aan het onderhandelen zijn. Hebt ge er tegen?”„Neen, Burgemeester, als de jongen het wil doen, is het mij goed. Maar wat is die Meester Jacobsz. mij mede gevallen.”„Zoo zijn er meer, schipper! Ze meenen het in den grond van de zaak zoo kwaad niet, als ze zich voordoen. Maar, hier zijn we op een punt, waar we scheiden moeten, anders ziet een van die lieden ons. Wel te rusten, allen! Tot morgen, schipper!”Alle vier verspreidden zich langs verschillende wegen door de donkere straten der worstelende stad.Wat ieder dacht kan ik niet zeggen, doch stellig zal het betrekking gehad hebben op de belegerde stad, en met de gedachte daaraan zullen ze wel zijn gaan slapen. Iedereen immers sliep er mede in en stond er mede op? Men had geene andere gedachte meer; de honger dwong ieder om aan hetzelfde te denken. Alleen zij, die van de samenzwering wisten, dachten misschien er nog bij: „Wat zal het nog worden?”Den volgenden morgen was Burgemeester van der Werff al vroeg bij schipper Van Keulen om Cornelis bekend te maken met de boodschap, die hij buiten de stad te doen had.Cornelis, die er reeds alles van wist, zeide: „Graag, Burgemeester! Ik wil dadelijk er op uit. Geef u me de boodschap maar!”„Best, jongen! Maar ge gaat ditmaal niet alleen uit! Gij zult gezelschap hebben! Nóg houdt de Spanjaard niet zulk eene scherpe wacht, of, met beleid en voorzichtigheid is er altijd nog wel kans, dat men des nachts buiten de schansen komt. Gij weet den weg beter dan eenig ander, omdat ge hem al eenmaal hebt afgelegd, en daarom heb ik gemeend, dat gij de wegwijzer moest zijn voor drie onzer mede-burgeren, die zich aangeboden hebben, brieven naar den Prins en van Boisot te brengen! Hebt ge er nu nog lust toe?”„Ik ging liever alleen, Heer Burgemeester! Één man wordt zoo gauw niet gezien als vier mannen,” antwoordde Cornelis vrijmoedig.„Dat is ook zoo, jongen; maar waar het op een vechten aankomt, daar kunnen vier mannen toch meer dan één vriendje! Hoe denkt ge er over?”„Ik zal het doen, Heer Burgemeester! Wanneer gaan we heen?”„Vanavond als het donker is! Maar er is nog wat! Ge krijgt nog meer gezelschap op uwen weg.”„Nog meer, Heer Burgemeester?”„Ja, nog acht stuks! Kent ge Willem Cornelisz. Speelman?”„De man, die honger lijdt om zijne duiven toch maar in het leven te houden?”„Dezelfde! Hij zal eene kevie met acht zijner duiven medegeven, waarvan ge er vier bij den Prins en vier bij Admiraal van Boisot moet brengen!”„Duiven, Heer Burgemeester?” vroeg Cornelis met een gezicht waarop de grootste verwondering te lezen stond. „Wat moeten die duiven bij den Prins en van Boisot?”„Dat zijn briefdragers, jongen! Weldra zal de stad zoo nauw ingesloten zijn, dat er geene muis meer uit kan, of de Spanjaard ziet het, en, als het zóó ver gekomen is, dan zullen de duiven onze boden zijn!”„Ik begrijp er niets van, Heer Burgemeester, maar ik zal het doen,” antwoordde Cornelis.„Goed,” zeide van der Werff, „ik weet, dat ik op u rekenen kan. Vanavond tegen acht uren verwachten wij u bij Speelman!” en na nog een en ander met Vader Van Keulen afgesproken te hebben, ging hij heen.

Sinds eenigen tijd werd het weinige vee, dat nog in de stad was, onder toezicht der Regeering geslacht en in het Koor der Sint-Pieterskerk uitgedeeld of verkocht. Zij, die rijk waren, konden evenwel niet méér koopen, dan de minvermogende burgers of de armen kregen; er werd eerlijk gedeeld. Ook Barend Cornelissen was er heen geweest om zijne portie te halen. Zwijgend zette hij het taaie vleesch neder en begaf zich naar den wal om daar op zijne beurt de wacht waar te nemen. Wie hem had zien heensloffen, want gaan kon het niet heeten, zou in die trage gestalte met gebogen hoofd, den wakkeren schipper van eene maand of drie geleden niet meer herkend hebben.

Cornelis, die te zes uren thuis gekomen was, lag gerust te slapen. Jongens op dien leeftijd kunnen veel verdragen.

Tegen den middag stond hij op en daar er nog niets te eten viel, begaf hij zich op straat, waar veel leven en beweging heerschten.

„Er zijn weer brieven gekomen, Cornelis! Weet gij het al?” zeide Van der Morsch.

„Van den Prins?” vroeg Cornelis.

„Neen van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van Don Ferdinand de Lanoy!”

„Zeker weer alle drie heel lief en aardig?”

„Ja, dat weet ik niet. De Magistraat is vergaderd om over die brieven te spreken, en daar ik kennis op het Stadhuis heb, zullen ze ons wel binnensmokkelen en een plaatsje geven, waar wij alles zien en hooren kunnen, zonder dat men ons ziet of hoort.”

„Top, dat doe ik! Dan zal ik mijne maag maar eens vullen met te kijken naar de leelijke gezichten der Spaanschgezinden, als er besloten wordt, te wachten op het beloofde ontzet!”

Weldra bevonden beiden zich dicht bij de zaal waar de Regeering hare vergadering hield. Ze konden ieder Lid zien en alles verstaan.

Juist werd de brief van Jonker van Mathenesse voorgelezen.

„Ziet gij wel, Cornelis, welk een valsch-lachend, leelijk gezicht die Meester Jacobsz. zet?” fluisterde Van der Morsch.

„Of ik,” antwoordde Cornelis. „Maar hoort gij wel, dat het weer schering en inslag het oude liedje is: „Gij hebt geen eten;—gij zult ziek worden;—gij zult van den honger sterven;—gij moet de stad overgeven;—Valdez en Requesens zullen u geen kwaad doen; want ze zijn de goedheid zelve. Als gij de stad niet overgeeft, en we krijgen haar vroeger of later toch, dan zullen wij het u inpeperen, dat gij ons zoo lang getart hebt. Och, lieve Jonker, gij hadt pen, inkt en perkament kunnen sparen, we...,”

„Stil, Kees, daar beginnen ze aan den tweeden brief!”

Cornelis zweeg stil en luisterde met de anderen wat er nu volgen zou, en daar begon de secretaris te lezen:

Para el Magistrado y Pueblo de Leyden.„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Rey y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande obstinacion....”

Para el Magistrado y Pueblo de Leyden.

„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Rey y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande obstinacion....”

„Wacht even, Heer Secretaris,” sprak van der Werff. „Natuurlijk verstaan wij wel zooveel Spaansch, dat we den brief van het begin tot het einde begrijpen zullen. Doch dat houdt zoo op. Zeg ons liever den korten inhoud. Als een van de Heeren de brieven soms lezen wil, ze blijven hier tot hunne beschikking. Waarop komt alles neer?”

„Hier op, Heer Burgemeester!” antwoordde Van Hout. „Wanneer we de stad overgeven, zal het leven van ons allen gespaard blijven, zelfs dat van u, van den Heer van der Does, van andere tegenstanders en van mij! Valdez geeft ons totMaandag den zesden van deze maand tijd van bedenking, en gedurende dien tijd kunnen we tot eene onderhandeling zenden, wie we willen. Hij zal ons eerlijk behandelen en wil onze vriend zijn, en staat voor een en ander met zijn Ridderwoord in. Maar, zoo we volharden in ons boos voornemen, dan moeten wij het scherpe mes der Justitie passeeren!”

„Wij danken u, Heer Van Hout voor de bereidwilligheid waarmede ge Valdez’ schrijven vertolkt hebt, en verzoeken u den inhoud van den derden brief mede te deelen. Van wien komt dat schrijven?”

„Dit is een brief van den Edelen Heere Ferdinand de Lanoy, Grave van Roche, enz., Stadhouder van Artois, Holland, Friesland en Utrecht, Overste-kapitein over het krijgsvolk van Zijne Koninklijke Majesteit liggende in Holland en Utrecht.”

„Wij kennen hem en niemand onzer zal zeggen, dat de brief niet van een voornaam personage komt. Men doet ons eenvoudigen poorters, waarlijk al te veel eer aan. En wat schrijft hij?” vroeg van der Werff.

Van Hout keek den brief eens in en zeide: „Hij klopt alleen met eenen anderen hamer hetzelfde ijzer op hetzelfde aanbeeld, als Valdez en de Jonker van Mathenesse. Maar er is nog een vierde brief, die is onderteekend door tien glippers, en....”

Van der Werff viel met eenig ongeduldig gebaar den Secretaris in de rede en zeide: „Al genoeg. De vier brieven blijven hier en kunnen door ieder Lid van den Magistraat later gelezen worden. Wij moesten de zaak nu maar dadelijk in rondvraag brengen. Wie voor de overgave is en dus in den geest van deze brieven gehandeld wil zien, hij sta op en spreke.”

Het werd plotseling doodstil in de zaal en in gespannen verwachting, wat er gezegd en daarna besproken zou worden, zagen allen in het rond.

Daar stond Meester Jacobsz. op.

De oude man beefde, en, nu het hooge woord er bij hem uit moest, was hij gansch niet op zijn gemak.

„Als Lid van de Vroedschap der stad Leiden,” begon hij, „heb ik den eed gedaan voor het heil en welvaren der burgerij werkzaam te zijn. Dien eed zal ik houden, zoolang ik leef. Ware onze goede stad zoo ruim van levensmiddelen voorzien, als er nu gebrek aan is, zie, dan zouden mijne stramme ledematen mij niet beletten, om den eerste den beste, die van overgave sprak, overhoop te steken. Maar nu de honger door onze straten waart, de pest ons aangrijpt, ellende de wangen der burgeren verbleekt en het krachtigste lichaam tot een geraamte dreigt te maken, nu ben ik ook door mijnen eed gebonden, niet langer den Spanjaard te weerstreven! Ik ben vóór de overgave. Ik mag geene oorzaak zijn van den dood van zoovele menschen!”

„Heeft Meester Jacobsz. uitgesproken?” vroeg van der Werff, op kalmen toon, alsof Meester Jacobsz. over de onschuldigste zaak ter wereld gesproken had.

„Ja, Burgemeester,” hernam deze.

„En heeft iemand nog iets aangaande deze zaak in het midden te brengen?” werd er andermaal gevraagd.

Allen zwegen. Geen der Leden van den Magistraat wilde blijkbaar thans meer spreken.

„Welnu,” hernam daarop van der Werff, „dan heb ik wat te zeggen. Toen ik verleden jaar in onze goede stad tot Burgemeester werd aangesteld, heb ik óók eenen eed gezworen, en dien eed zal ook ik niet verbreken; maar hem houden. Ik wil met den armsten onzer poorters hongerlijden, ja, met den hongerdood kampen en dien sterven! Ik wil tot mijne laatste oogenblikken onze stedelijke belangen behartigen. Maar de stad overgeven, neen, dàt nooit, dàt nooit! Ziet, half Holland is reeds onder water gezet; duizenden guldens zijn daartoe tot ons behoud opgeofferd; de arme weduwe heeft er haar laatste penningske, en de Edelvrouwhare sieraden voor afgestaan! Heel Holland heeft het oog op ons gevestigd en offert zich op voor ons behoud. Zullen wij ons al die offers en die hoop onwaardig maken? Ja? Welnu, geeft de stad dan over aan de Spanjaarden en ondergaat het lot van die van Naarden, Zutfen, Mechelen en Haarlem! Stelt dan al wie in den Spanjaard eenen vijand ziet, op de bitterste wijze teleur! Maar van mij moge de Spanjaard het zelfs weten, ik doe aan die overgave niet mede.”

Van der Werff ging zitten. Zijne warme taal had bij velen weerklank gevonden en zij, die toch niet door hem overtuigd waren, aarzelden hunne stem tot de overgave te geven, juist omdat er in heel Holland reeds zooveel opgeofferd was. Niet alleen Leiden streed met tallooze opofferingen voor zichzelf, maar heel Holland streed mede.

Een oogenblik was er stilte. Toen stond Meester Jacobsz. weer op en zeide, doch nu wat minder hortend en stootend dan de eerste maal, dat hij sprak: „Laten wij dan eenen middelweg kiezen. Gelooft mij, ik ben even goed een vijand van den Spanjaard, als onze voorzittende Burgemeester, en stellig verwacht ik van den Spanjaard bij het brood een zwaard en bij het vleesch eene galg. Laten we den toestand waarin we verkeeren nog eenige dagen rekken door onderhandelingen. Misschien zendt de goede God inmiddels uitkomst.”

Die woorden brachten de voorstanders der overgave tot andere gedachten, zoodat er besloten werd, voorloopig tot onderhandelingen over te gaan om zoo tijd te winnen.

Toen van der Werff pas van de vergadering thuis gekomen was, kwam Barend Cornelissen, aan wien Gonda de geheime bijeenkomst verteld had, den Burgemeester hiervan kennis geven.

„Wij zullen vannacht samen gaan luisteren, schipper,” zeide hij. „Maar ik denk wel, dat alles beter afloopt dan gij vermoedt. De ontevredenen hebben hunnen grootsten steun verloren in Meester Jacobsz.”

„Is Meester Jacobsz. dan van gedachten veranderd, Burgemeester?”

„Ja, schipper! Na het lezen van de brieven sprak hij een warm woord voor de overgave, doch toen ik hem geantwoord had en vooral had gewezen op de groote opofferingen, die de Hollanders, buiten Leiden, voor ons over hebben gehad, zag ik aan zijn goedig gelaat, dat hij van gedachten veranderde, en toen ik vroeg wie er nu nog voor de overgave was, stond Meester Jacobsz. op en zeide, dat hij er eenen middelweg op bedacht had. Hij stelde voor met Valdez in onderhandeling te treden om zoo tijd te winnen. Van zijne zijde is het gevaar dus voorloopig bezworen.”

„En wat heeft „Half Leyden” gezegd, Burgemeester?”

Ofschoon Burgemeester van der Werff zeer goed wist, wie bedoeld werd, hield hij zich, terwille van den eerbied verschuldigd aan de Overheid, alsof hij het niet wist, en vroeg eenigszins ontevreden: „Wien bedoelt gij, schipper?”

„Burgemeester Jan Jansz. Baersdorp bedoel ik. U zal toch wel weten dat dit zijn bijnaam is?”

„Mij noemt men „Mennonieten Stijfkop”, doch het liefst heet ik Burgemeester van der Werff. In den Magistraat geven we elkander geene bijnamen, schipper! Burgemeester Baersdorp staat niet aan mijne zijde, doch hij zegt niet veel. Hij doet meer dan hij zegt en van zijn standpunt handelt hij loffelijk. Onze taak is het, schipper, zooveel mogelijk te zorgen, dat wij ook meer doen dan wij zeggen, dan kunnen onze tegenstanders, die gelukkig onder het volk nog in de minderheid zijn, niet zooveel kwaad doen. En hierin zult gij een loffelijk voorbeeld geven, dat weet ik. Intusschen van avond om tien uren zal ik bij u zijn om met u naar de plaats te gaan waar de ontevredenen zullen bijeenkomen. Tot vanavond dan.”

Toen Barend Cornelissen weer op straat was, mompelde hij: „Toch een nobel man, die van der Werff. Zelfs voor zijne felste tegenstanders heeft hij nog een woord van lofover. Waren allen als hij, onze goede stad zou niet in dezen ellendigen toestand gekomen zijn.”

Met wat te loopen lanterfanten werd de dag weer doorgebracht en met genoegen hoorde Barend de klok van tien slaan en pas was de laatste slag gevallen of van der Werff klopte aan. Hij was evenwel niet alleen, want Van Hout en van der Does waren ook bij hem. Zoodra ze op die afgesproken plaats, waar het zeer donker was, gekomen waren, verscholen ze zich en wachtten de komst der ontevredenen af.

Jaspersz., Martensz., Jop de Snijder, die de overbuur van Barend was, en „Roode Jaap” verschenen het eerst en begonnen onder elkander al dadelijk te schelden op dien flauwhartigen Meester Jacobsz., die zoo gauw bakzeil gehaald had. Volgens het oordeel van „Jop de Snijder” was hij geenen knip voor den neus waard.

Pas had Jop dit gezegd of Meester Jacobsz. verscheen. Hij had alles verstaan, naar het scheen, en zeide: „Hier is de man, die geenen knip voor den neus waard is, maar zou ik van „Jop de Snijder” mogen weten of Baersdorp, die hem hier gestuurd heeft, dan beter is dan ik.”

„Zeker!” riep Jop. „Burgemeester Baersdorp is een man uit één stuk, die weet wat hij wil.”

„En is dus zeker wel eenen knip voor den neus waard?” vroeg Meester Jacobsz. zoo leuk, dat de luisteraars moeite hadden om niet in den lach te schieten.

„Maar zulk eenen knip waard of niet waard,” vervolgde Meester Jacobsz., „ik heb dit te zeggen. Eer sterf ik van honger eer ik Leiden help overgeven. Zie, heel Holland, ja, alles, wat tegen Spanje strijdt, houdt het oog op ons geslagen. Voor duizenden en duizenden schats ligt om onzentwille onder het water bedolven. Hij is een lafaard, die den moed niet heeft tegen den vijand te strijden.”

„Geen moed hebben?” riepen „Roode Jaap” en Martensz. tegelijk. „Dat heeft de Spanjool vroeger voor Haarlem ondervonden waar we als leeuwen gestreden hebben, maar zonder honger.”

„Wie het stalen zwaard van den vijand niet vreest, vreeze ook het hongerzwaard niet. Te vallen, na eenen dapperen en wanhopigen strijd met het stalen zwaard in de hand, wie dat kan, is een held; maar grooter held is hij, die valt onder het hongerzwaard; hij sterft onoverwonnen. En dat nu moet onze leuze zijn; we zijn het aan het Vaderland en aan de onzen verschuldigd. Wat ik in de vergadering van den Magistraat voorgesteld heb, dat weet ge, maar wat ik daar voorstelde, zegt niet veel. De onderhandelingen met Valdez zullen tot niets leiden, dat weet ik vooruit. Doch als die onderhandelingen wat gerekt worden, dan—wie weet keert de wind in dien tijd niet, dat de vloot der Watergeuzen onze veege stad kan naderen. Maar in alle gevallen, van heden af is er bij mij geene sprake meer van overgave, er gebeure, wat wil. En als ge van mij een waarschuwend woord wilt hooren, dan is het dit: „Denkt aan Haarlem, dan weet ge wat het woord eens Spanjaards is.”

„En als wij daaraan nu niet denken willen?” vroeg „Roode Jaap”.

„Dan verraadt de oude paai ons,” riep „Jop de Snijder.” „Menschen, als hij er een is, zijn tot alles instaat.”

„Hierop heb ik geen antwoord dan: zooals de waard is vertrouwt hij zijne gasten,” klonk het fier.

„Weet gij wel, dat er geen haan naar kraaien zal, als wij je hier op dit plekje voor altijd het zwijgen opleggen, zeg weet je dat?” beet „Jop de Snijder” den ouden man toe. „Gij hebt te lang met ons onder één hoedje gespeeld, man! Ge kunt, om uzelven te redden, ons aan de galg brengen. Mannen, wij moeten hem niet laten gaan, voor hij...”

„Krombeen, laat los! Laat los,” klonk opeens eene stem en eer de vier luisteraars, die gereed stonden den ouden Jacobsz. te helpen, voor den dag traden, sprongen twee mannen te voorschijn, die „Jop de Snijder” met knuppels te lijf gingen.

Die twee waren Van der Morsch en onze Cornelis.

„Jop de Snijder”, Martensz. en Jaspersz. gingen terstond aan den haal. Alleen „Roode Jaap” bleef staan, doch daar hij meende in de nabijheid eene verdachte beweging te hooren, koos ook hij het hazenpad.

„Ik dank u, mannen, voor uwe hulp,” zeide Jacobsz. „Maar hoe wist gij dat er hier eene bijeenkomst was?”

„Mijne pleegzuster vertelde het mij, Meester, toen ik om halfelf van de wacht thuis kwam. Ik ben toen naar Van der Morsch gegaan, maar veel hebben we niet gehoord,” antwoordde Cornelis.

„Kom, Burgemeester,” zeide Van der Morsch, „wij zullen u thuis brengen. De glippers zijn tot alles instaat.”

Zoodra de drie zich verwijderd hadden, traden de luisteraars ook te voorschijn.

„Een kranige jongen, die pleegzoon van u, schipper,” sprak van der Werff. „Ik wilde u wel voorstellen om hem morgen weer eens de stad uit te sturen, zoodra wij aan het onderhandelen zijn. Hebt ge er tegen?”

„Neen, Burgemeester, als de jongen het wil doen, is het mij goed. Maar wat is die Meester Jacobsz. mij mede gevallen.”

„Zoo zijn er meer, schipper! Ze meenen het in den grond van de zaak zoo kwaad niet, als ze zich voordoen. Maar, hier zijn we op een punt, waar we scheiden moeten, anders ziet een van die lieden ons. Wel te rusten, allen! Tot morgen, schipper!”

Alle vier verspreidden zich langs verschillende wegen door de donkere straten der worstelende stad.

Wat ieder dacht kan ik niet zeggen, doch stellig zal het betrekking gehad hebben op de belegerde stad, en met de gedachte daaraan zullen ze wel zijn gaan slapen. Iedereen immers sliep er mede in en stond er mede op? Men had geene andere gedachte meer; de honger dwong ieder om aan hetzelfde te denken. Alleen zij, die van de samenzwering wisten, dachten misschien er nog bij: „Wat zal het nog worden?”

Den volgenden morgen was Burgemeester van der Werff al vroeg bij schipper Van Keulen om Cornelis bekend te maken met de boodschap, die hij buiten de stad te doen had.

Cornelis, die er reeds alles van wist, zeide: „Graag, Burgemeester! Ik wil dadelijk er op uit. Geef u me de boodschap maar!”

„Best, jongen! Maar ge gaat ditmaal niet alleen uit! Gij zult gezelschap hebben! Nóg houdt de Spanjaard niet zulk eene scherpe wacht, of, met beleid en voorzichtigheid is er altijd nog wel kans, dat men des nachts buiten de schansen komt. Gij weet den weg beter dan eenig ander, omdat ge hem al eenmaal hebt afgelegd, en daarom heb ik gemeend, dat gij de wegwijzer moest zijn voor drie onzer mede-burgeren, die zich aangeboden hebben, brieven naar den Prins en van Boisot te brengen! Hebt ge er nu nog lust toe?”

„Ik ging liever alleen, Heer Burgemeester! Één man wordt zoo gauw niet gezien als vier mannen,” antwoordde Cornelis vrijmoedig.

„Dat is ook zoo, jongen; maar waar het op een vechten aankomt, daar kunnen vier mannen toch meer dan één vriendje! Hoe denkt ge er over?”

„Ik zal het doen, Heer Burgemeester! Wanneer gaan we heen?”

„Vanavond als het donker is! Maar er is nog wat! Ge krijgt nog meer gezelschap op uwen weg.”

„Nog meer, Heer Burgemeester?”

„Ja, nog acht stuks! Kent ge Willem Cornelisz. Speelman?”

„De man, die honger lijdt om zijne duiven toch maar in het leven te houden?”

„Dezelfde! Hij zal eene kevie met acht zijner duiven medegeven, waarvan ge er vier bij den Prins en vier bij Admiraal van Boisot moet brengen!”

„Duiven, Heer Burgemeester?” vroeg Cornelis met een gezicht waarop de grootste verwondering te lezen stond. „Wat moeten die duiven bij den Prins en van Boisot?”

„Dat zijn briefdragers, jongen! Weldra zal de stad zoo nauw ingesloten zijn, dat er geene muis meer uit kan, of de Spanjaard ziet het, en, als het zóó ver gekomen is, dan zullen de duiven onze boden zijn!”

„Ik begrijp er niets van, Heer Burgemeester, maar ik zal het doen,” antwoordde Cornelis.

„Goed,” zeide van der Werff, „ik weet, dat ik op u rekenen kan. Vanavond tegen acht uren verwachten wij u bij Speelman!” en na nog een en ander met Vader Van Keulen afgesproken te hebben, ging hij heen.


Back to IndexNext