ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Onder de Watergeuzen.Op het bepaalde uur traden vier mannen behoedzaam de Rijnsburgsche poort uit. Het waren Jan Treek, Lubbert De Ketelboeter, Joris Slot en Cornelis Joppensz.Met verrejagers gewapend, sprongen ze van de eene weide op de andere en kwamen langs vele omwegen, ongeveer te één ure te Rijnsburg aan, waar Cornelis, even als den vorigen keer, Leeuwke’s Oom opklopte.De oude man was aanstonds weer met zijn brood en spek voor den dag gekomen en de vier mannen sloegen er een geducht gat in.Toen Cornelis alle vragen beantwoord had, die Oom Jan betrekkelijk Gonda en alles, wat Leiden aanging, deed, meende hij heen te gaan, doch de man riep hem even terzijde en vroeg hem: „Hebt gij er nooit eens over gedacht, welken weg ik u wilde aanwijzen om u het best op den Spanjool te kunnen wreken? Ik beloofde het u te zullen zeggen, toen ge de laatste maal bij me waart en naar Delft gingt!”„Ik had er waarlijk niet meer aan gedacht,” antwoordde Cornelis, „maar ik wenschte het toch graag te weten; want daar er sinds dien tijd geene uitvallen meer gedaan zijn, en het schermutselen met den vijand is verboden, zoo zie ik geene kans meer om eenen Spanjaard in het gras te laten bijten!”„Dat is ook de rechte weg niet, jongen! Ge gaat nu naar van Boisot! Zeg hem, dat hij de Landscheiding laat doorgraven tusschen Wilsveen en Reguliersdam! Wel zullen ze daar met den Spanjool eene harde noot te kraken hebben; maar het is de beste plaats, hiervan ben ik zeker, daar ik jaren lang te Zoetermeer heb gewoond. Is de Landscheiding eenmaal doorgestoken, dan komt men aan den Voorweg, waarmede hetzelfde moet worden aangevangen. Is men hier maar eenmaal door, dan is men op den besten weg om tot Leiden te komen, want door eene vaart is er dan gelegenheid in den Zoetermeerschen plas te geraken!”„Maar, Oom Jan, dan moet men de brug voorbij, en ik heb gehoord, dat hier niet meer of minder dan dertig vendels Spanjaarden liggen!”„Al lagen er honderd vendels, zonder moeite krijgt men niets gedaan. Geloof me, beste jongen, ik spreek uit ondervinding, en laat dit nu uwe wraak zijn, dat ge van Boisot hiertoe tracht over te halen; want ik zeg u, als dat gedaan wordt, en de wind komt eens uit dien noordoosten hoek, waarin hij wel vastgevroren schijnt te zijn, in het noordwesten, dan staan in een paar dagen alle polders om Leiden blank, en zal er water genoeg zijn voor de schepen om verder te komen!”Cornelis beloofde, dat hij dit aan van Boisot zeggen zou en begaf zich, met de drie anderen, op weg langs het naaste pad door de duinen naar Wassenaar.Dicht bij Delft scheidde hij zich van zijne makkers en ging met vier duiven den weg op naar Rotterdam, waar hij meende dat de Admiraal was, om eene gunstige gelegenheidaf te wachten, dat hij de Landscheiding kon doorsteken.Nadat hij bijna een uur geloopen had, begon hij te voelen, dat eene voetreis van Leiden over Rijnsburg naar Delft en nog verder, juist geschikt is, om iemand op het laatst zóó ver te brengen, dat hij niet meer voort kan.Hij zette zich derhalve op den dijk onder eenen knotwilg neer om wat van de vermoeienis te bekomen, doch zoodra hij daar gezeten was, bemerkte hij eerst recht, welk een genot het was, na zulk eene wandeling, eens even op zijn gemak te kunnen uitblazen.Hij zette de duiven naast zich in het gras, vlijde zich zoo gemakkelijk mogelijk tegen den stam des booms en keek in het rond.Overal blank water, behalve op die plaatsen, waar eene bouwhoeve stond, of waar een dorp, dijk of eene kade lag.Het gezicht was zeer eentonig en, eer hij er aan dacht waren de oogen gesloten, het hoofd viel langzaam en telkens knikkend, op de borst en hij sliep in.Terwijl hij daar lag te slapen, waren hem, zonder dat hij het gehoord had, vijf Watergeuzen genaderd en een hunner maakte den knaap, door hem heen en weer te schudden, wakker.Cornelis keek gek in het rond. Hij wreef zich de oogen nog eens uit, en zag toen, dat hij door een vijftal vreemd toegetakelde mannen omringd was.Hij, die hem gewekt had, en hem nog altijd bij den schouder hield, had geenen neus en maar één oog, en wat de rosse baard van het aangezicht onbedekt had gelaten, was vreeselijk gekorven.De tweede zou er nog al wel uitgezien hebben, zoo hij zijne ooren maar gehad had, doch deze was hij kwijt.De derde had aan de linkerhand maar drie vingers en op beide wangen groote brandvlekken.De vierde had geen lichaamsgebrek, doch zag er recht gemeen uit, terwijl de vijfde maar één goed been had. Hetandere was tendeele door een stuk hout vervangen.„Waar-waar-ben-ik-ik-toch?” vroeg Cornelis verwonderd.„Bij Sint-Felten, jongen, waar komt gij dan vandaan, dat gij ons niet kent?” zei hij, die Cornelis bij den schouder had beet gehad, doch hem nu losliet en hem zijne wollen pelsmuts voor de oogen draaide. „Wat staat hier op, manneke?”„Een zilveren half maantje,” zeide Cornelis.„Zoo! En als je bij eenen schoolmeester op de banken gezeten, en daar nog wat anders dan kwaad gedaan hebt, dan zal je zeker ook wel zien, wat er op te lezen staat!”„Liever Turcx dan Paus!” was het antwoord.„Netjes hoor, je verstaat de kunst! En wat staat er op dit ding?” vroeg dezelfde en haalde de muts van den man zonder ooren van het hoofd.„Ende spit de la Messe, man!”„Precies, of in goed Hollandsch: „En tot spijt van de Mis.” Weet gij nu zoo wat onder welk volkje gij aangeland zijt?”„Ik geloof onder de Zeeuwsche vrijbuiters!”„De jongen is toch nog een beetje verstandiger dan Meu-Katrijns blinde kat,” zeide de ruwe man en vroeg terstond: „En zijt gij nu niet bang dat wij je levend zullen braden en opeten?”„Neen, want mijne boodschap heb ik aan eenen der vrijbuiters te doen, en, zoo ik er bang voor was, dan zou ik ze zeker niet op me genomen hebben!”„Ei-ei! eene boodschap aan eenen onzer! Zoo-zoo! En waar kom-je dan vandaan?”„Ik ben gisteren avond te tien uren uit Leiden gegaan!”„Uit Leiden, knaap? Ha, nu begrijp ik het, dat je sliep als eene marmot! Het is me dan ook eene gezegende wandeling, zou ik meenen! En, voor wien hebt gij eene boodschap en waar moet gij die kevie met vier duiven brengen?”„Bij Admiraal van Boisot, mannen!”„Bij onzen Admiraal? En hoe komt gij dan hier?”„Ik meende naar Rotterdam te gaan!”„Nu, dan zijt gij onder een gelukkig gesternte geboren, dat gij hier zoo in slaap zijt gevallen; want van Boisot is niet meer te Rotterdam! Zie, ginds ligt zijn kromsteven of galei. Wij zijn op pad om de Landscheiding te gaan doorsteken!”„Dat had ik waarlijk niet beter kunnen treffen! Kunt gij me bij Zijne Edelheid aanboord brengen?”„Dat zal wel gaan, denk ik,” antwoordde de man, die thans eenen heel anderen toon aansloeg.„Hier ligt onze boot! Halloh, stapt maar in!”De vijf mannen plaatsten zich hierop aan de riemen en roeiden stevig door.Weldra was nu Cornelis bij van Boisot aanboord.„Vanwaar komt gij, knaap?” vroeg de Admiraal.„Ik kom uit Leiden, Heer Admiraal,” antwoordde Cornelis en haalde uit den dubbelen bodem der kevie een paar brieven, die aan van Boisot’s adres gericht waren.„Nu,” zeide van Boisot nadat hij de brieven gelezen had, „het ziet er daar binnen Leiden niet al te best uit, manneke! Hebt gij ook al leeren honger lijden?”„Ja, Heer Admiraal, ja! Maar het zal nog wel erger worden! Vader zei, dat er voor ons vreeselijke dagen op handen zijn, vooral als de wind niet gauw in het noordwesten komt!”„En is het volk onder al dat honger lijden over het algemeen nog al goedsmoeds?”„De meesten wel, Heer Admiraal! Maar er zijn toch ontevredenen ook.” Hierop vertelde Cornelis van de bijeenkomst van enkele ontevreden bij de Koepoort.„Dat is minder fraai,” zeide van Boisot toen Cornelis hem alles gezegd had. „En wanneer gaat ge naar Leiden terug?”„Ja, Heer Admiraal, ik zou graag eerst dán terug gaan, als ik er het heugelijk nieuws kon brengen dat de Landscheiding doorgestoken is.”„Gij spreekt daar van het doorsteken der Landscheiding, knaap! Hoe is het u bekend dat dit ons voornemen is?”„De mannen die mij hierheen brachten, hebben het mij gezegd, Heer Admiraal! Ook meende Oom Jan, die te Rijnsburg woont, dat het nu gebeuren moest,” antwoordde Cornelis en begon toen meteen te zeggen, op welk eene plaats, zooals Oom Jan zei, die verscheidene jaren hier gewoond had, men dien dijk moest doorsteken om het spoedigst Leiden te kunnen bereiken.Van Boisot hoorde hem bedaard aan, en toen Cornelis alles gezegd en zoo goed hij kon uitgelegd had, zeide de wakkere Admiraal: „Dienzelfden raad hebben Jeroen Cornelisz. van Zoetermeer, Cornelis Willemsz. van Benthuizen en Leendert Pietersz. van Zevenhuizen mij ook gegeven. We zullen het dan maar beproeven.”Hierop wendde hij zich tot eenen der Kapiteins en vroeg dezen: „Dunkt het u ook niet goed?”„Ik zou in deze geenen raad durven geven, Heer Admiraal! Ik ben in deze streken niet bekend. Maar zooals het nu is, zie ik wel, dat er niets van komt! U zou de andere Heeren kunnen raadplegen. Misschien zijn er bij, die den omtrek hebben leeren kennen,” was het antwoord.„Dat is ook mijn plan,” sprak de Admiraal. Hierop keerde hij zich tot een paar matrozen en zeide: „Hei daar, mannen! In de booten! Gaat Kapitein De Moor zeggen, dat we over een uur scheepsraad zullen houden. Hij ligt te Nootdorp en kan vandaar onze vlag niet zien. En gij, Vendrig, hijsch de Admiraalsvlag!”Nauwelijks waren de mannen met het bootje op weg om De Moor te gaan roepen, en wapperde de Admiraals-vlag lustig van den achtersteven, toen van alle kanten sloepen werden uitgezet.De eene Kapitein na den anderen kwam bij van Boisot aanboord, en toen de raad voltallig was, werd Cornelis in de hut des Bevelhebbers geroepen en verzocht aande Heeren te zeggen, wat ook die boer van Rijnsburg aangaande het doorsteken van de Landscheiding had aangeraden.„Hoe denken de Heeren over een en ander?” vroeg van Boisot toen Cornelis uitgesproken en zich verwijderd had.„Ik meen, dat het een gevaarlijk spel is, dat we spelen zullen,” zeide Kapitein Adriaen Willemsz.„En ik geloof,” merkte Kapitein Cret aan, „dat de Heeren Ingelanden beter op de hoogte zullen zijn dan die Rijnsburgsche groentenboer en die andere drie mannen. De Ingelanden hebben me verzekerd, dat de Landscheiding eigenlijk niet ééne geschikte plaats oplevert om doorgestoken te worden; want overal zullen we op de zwarigheid stuiten, dat Rijnland hooger ligt dan Delfland!”„Hoor eens, Cret,” sprak De Moor, „ik wil gelooven, dat de Ingelanden gelijk hebben, en dat we overal zwarigheden ontmoeten zullen; maar men zal mij moeten toegeven, dat er toch iets gebeuren moet! Wat helpt het den Leidenaars of het water al tot de Landscheiding staat, maar er niet door kan komen. Wordt die dijk niet doorgestoken, dan had men, bij mijne trouwe, de gekheid niet behoeven uit te halen om de Maas- en IJseldijken door te steken. Het is niet Delft, dat belegerd wordt, het is Leiden!”„Dat weet ik ook wel,” antwoordde Cret eenigszins gebelgd, „maar wat nu toch maar niet kan, dat kan ook niet! Wij vrijbuiters zijn geene halve goden!”„Eilacie, neen, eer halve duivels dan halve goden,” zeide Willemsz. „Maar ik ben het volkomen met vriend De Moor eens, dat er geene sprake mag zijn van: „dit kan niet en dat kan niet! We moeten alles beproeven!”„Recht zoo, vriend Willemsz.,” hernam De Moor, „recht zoo! Ik ben er voor, dat we den gegeven raad volgen en de Landscheiding doorsteken op de plaats, die de beste genoemd wordt. Het zal er warm toegaan, dat is zeker; maar, als het zijn moet, dan heb ik goed en bloed voorhet Vaderland veil en mijne vrijbuiters ook. We zijn hier nu eenmaal niet op eene bruiloft!”„Waar het op vechten aankomt, Kapitein De Moor,” viel Cret weer in, „daar zult ge zien, dat ik ook handen aan het lijf heb! Het is geene vrees, die mij zoo doet spreken!”„We zijn hiervan overtuigd, Heer Kapitein,” zeide van Boisot, „en ik wed dat vriend De Moor de laatste zijn zal, die aan uwen moed en uwe trouw twijfelt; maar hij is een weinig driftig uitgevallen!”„Ho, ho,” zeide De Moor lachend. „Hier, mijn waarde, hier is de hand. Een Vlissingsche zeerob is wat heet gebakerd! Dacht ge, dat ik aan uwen moed twijfelde?”De gulhartig aangeboden hand van den ronden zeeman werd door Cret hartelijk gedrukt, en de vrede onder de Kapiteins was bewaard gebleven.Nadat nog verscheidene Bevelhebbers het voor en tegen der zaak besproken hadden, ging men eindelijk tot stemming over en er werd besloten, dat de Landscheiding op de genoemde plaats, den elfden van Herfstmaand, zou doorgestoken worden.Nauwelijks hadden de Spanjaarden zulks gemerkt, of ze trachtten het te beletten; maar ze kwamen te laat;—het werk was reeds verricht.Thans zat er voor hen niets anders op dan zorg te dragen, dat de vrijbuiters ook den Groenenweg niet doorstaken. De Spanjaarden hielden daar dapper stand.„Frisch op, Leidsche hongerlijder, en sta niet te gapen, als Jut voor het landhek! Help liever een handje mee!”Die uitroep gold onzen Cornelis, die reeds dapper aan den slag getrokken was, en thans een klein gebrek aan zijn musket trachtte te verhelpen.„Er is een gebrek aan mijn musket, kompeer,” antwoordde hij.„Een gebrek, zijt gij razend? Pak het ding bij den loopen sla er met den kolf op in! Komaan, wakker aangevat! Toon dat gij een hart hebt!”Cornelis bemerkte alras, dat de Spanjaarden ook geene katten waren om zonder handschoenen aan te vatten, doch nadat ze twee aanvallen afgeslagen hadden, gingen ze toch op de vlucht en gaven aldus den vrijbuiters gelegenheid, om ook den Groenenweg door te graven.Weldra was dit gebeurd, doch nu zag men, dat de Ingelanden de zwarigheden niet te hoog hadden opgevijzeld; want de vaarten en plassen liepen niet door, met uitzondering van ééne breede sloot, en deze liep nog door de Zoetermeersche brug, die door de Spanjaarden met eene sterke macht bezet was.„Valt aan, mannen, valt aan! De Spanjaard moet daar verdreven worden, of ons werk is hier vergeefsch geweest! Vooruit, valt aan, valt aan,” beval van Boisot.De vrijbuiters rukten op en deden eenen geweldigen aanval, doch de Spanjaarden waren er op voorbereid en sloegen hen terug.„Nog eenmaal mannen, nog eenmaal! Op, op, voor Leiden en den Prins van Oranje!” klonk andermaal de forsche stem des Admiraals.Met onbesuisd geweld hernieuwden de vrijbuiters den aanval; maar even standvastig als de eerste maal, hielden de Spanjaarden stand. Ze wisten van geen wijken en waar de musketschoten hunne gelederen dunden, daar vulden zij deze dadelijk weder aan.„Terug, mannen,” riep van Boisot, „dat is hier het Prinsenvolk op de slachtbank brengen! We zullen zien of ons nog geen andere weg openstaat!”De vrijbuiters niet gewoon krimp te geven, voldeden morrend aan het bevel en trokken terug om nog verscheidene dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere middelen te beramen, teneinde den Spanjaard bij de Zoetermeersche brug mis te loopen.Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig uit den noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een oogenblik, eene stevige koelte uit het noordwesten.„Thans hopen wij, dat de ellende spoedig zal geleden zijn, De Moor!” zeide van Boisot.„Het is te hopen, Heer Admiraal,” antwoordde deze, „doch hoe zullen we verder komen? De raad van dien Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet veel voordeel aangebracht!”„Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet ge, wat we vannacht wel konden doen, nu het water een weinig gestegen is?”„Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!”„Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen Zoetermeer en Bonthuizen eene slappe wacht houdt. Dien weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer innemen!”„Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!”„Dat zal het, De Moor, maar het moet, al schoot er de helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten te vergeefs gemaakt!”En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.De Spanjaard op geene overrompeling bedacht, werd verdreven en de weg tusschen Zoetermeer en Bonthuizen door de vrijbuiters bezet.Maar heeter was de strijd te Zoetermeer.Waar het gevaar het dreigendst was, daar was van Boisot, en zijne machtige stem klonk donderend tusschen het schieten der gotelingen en het kletteren der wapenen in:„Houdt stand, mannen! Op, op, voor Leiden en Oranje!”„Voor Valdez en den Koning!” klonk het van den anderen kant.„Wacht, ik zal je ’reis even „koningen” mooie Don!” riep Cornelis, en zijn musket aanleggende, schoot hij het af en een Spaansch Bevelhebber tuimelde op den grond.„Die kameraad zal onze jutteperen niet meer op-eten, Leidsche hongerlijder,” zeide Eenoog.„Gij hebt eene vaste hand, vaster dan ik! Hier, hier is mijn musket, schiet dat af, dan zal ik dat ding van jou onderwijl laden! Toe dan, knul, kijk, bij dat brandende huisje staat er een, blaas diens lichtje ook eens zoo knapjes uit!”Cornelis keek naar de aangewezen plaats en herkende den bedoelden persoon. Het was Jean Lebon!„Neen, Eenoog, dien man schietikniet dood. Dien man heb ik eens ontmoet, en toen heeft hij mij vertrouwd, niettegenstaande ik hem bedroog!”„Loop naar den Satan, met je gekwezel! Geef hier, dan zal ik mijne kunsten eens toonen,” schreeuwde Eenoog en rukte Cornelis het musket uit de handen.„Jean Lebon, berg-je!” schreeuwde de knaap in eene vlaag van edelmoedigheid, en Jean, die zulks gehoord had, was in een oogwenk verdwenen.„Hier, Lijs Putwater, daar heb-je een presentje van me,” riep de verbitterde vrijbuiter, en wilde Cornelis met de kolf van zijn musket op het hoofd slaan; maar, eer dit geschied was, viel er een schot, en Eenoog lag zoo goed als dood op den grond uitgestrekt.In een oogenblik was Cornelis door een achttal Spanjaarden omringd en reeds wilden dezen hem afmaken, toen Jean Lebon riep: „Houdt op, mannen, het is er een van de onzen!”„Een der onzen? Zijt gij behekst? Hoe zou die tusschen dat geuzenvolk komen?” vroeg een ander.„Ja, en hoe komt hij aan die muts met dat halve maantje?” klonk het van eenen anderen kant.„Slaat dood, slaat dood!” riepen weer anderen. „Jean Lebon is blind!”Reeds drongen van alle kanten de Spanjaarden op hem aan, toen eensklaps in hunne nabijheid de verschrikkelijke stem van den Aanvoerder der vrijbuiters klonk:„Vooruit, vooruit! Zoetermeer is ons! Op, op, voor Oranje en Leiden!”„Voort, voort,” schreeuwden de Spanjaarden en gingen op de vlucht. Jean Lebon werd echter achterhaald, en een der Fransche soldaten, die onder den Prins dienden, gaf hem met zijn breed zwaard zulk eenen geweldigen slag op het hoofd, dat Jean’s helmkap middendoor geslagen werd en hij zieltogend op den grond viel.In een oogenblik was Cornelis den ongelukkige nabij en hem opnemende, droeg hij hem uit het gedrang.„Het is te laat, kameraad,” zeide Jean.„Ho, ho! een boom valt niet met éénen slag,” antwoordde Cornelis.„Gij hebt me bedrogen! Gij waart geen knecht van Valdez: maar ge hebt toch woord gehouden!”„Mijn woord had ik gegeven, Jean, en dat wilde ik niet breken!”„Ik zal Sanne niet meer zien,” sprak de soldaat, en zwakker en zwakker klonk het: „Vrij-buiter, houd-ook-nu-woord-en-en-groet-San-San- .. Sa...”Nog eenen enkelen blik sloeg hij op Cornelis, als wilde hij met de oogen vragen, wat de mond niet meer doen kon.„Ik zal „Bruine Sanne” uw groeten overbrengen, arme vriend,” sprak Cornelis.Jean richtte zich nog half op, stamelde: „Ik-k-om, Moeder!” drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper soldaat, een goed man minder in zijn leger.„Wel te rusten, Jean,” fluisterde Cornelis en ging met tranen in de oogen heen.Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en Zoetermeer genomen.Thans liet van Boisot al zijne vaartuigen komen en vervolgde,steeds voortroeiende, den vluchtenden Spanjaard tot op het Noord-Aasche meer.Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in het noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat hij naderde, liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden dit hoorende, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.„Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan den Burgemeester, en dien aan mijnen vriend van der Does, en, zoo uwe Ouders, of wie dan ook, vragen: „Wanneer komt nu het ontzet?” zeg dan: „Als God maar wil; de vrijbuiter is iederen dag gereed,” zeide de Admiraal.Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden was, doch zijne ervarenheid in het zwemmen, gunde hem eene richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet opzoeken zou.Na eene afwezigheid van een dag of tien kwam hij thans in de stad terug.„We dachten, dat gij omgekomen waart, Cornelis,” zeide de man, die de wacht op den wal hield.„Gelukkig niet,” was het antwoord.„Ik weet niet wat u beter zou geweest zijn, kameraad,” hervatte de andere, „ginds hangt men u op; hier sterft men den hongerdood!”
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Onder de Watergeuzen.Op het bepaalde uur traden vier mannen behoedzaam de Rijnsburgsche poort uit. Het waren Jan Treek, Lubbert De Ketelboeter, Joris Slot en Cornelis Joppensz.Met verrejagers gewapend, sprongen ze van de eene weide op de andere en kwamen langs vele omwegen, ongeveer te één ure te Rijnsburg aan, waar Cornelis, even als den vorigen keer, Leeuwke’s Oom opklopte.De oude man was aanstonds weer met zijn brood en spek voor den dag gekomen en de vier mannen sloegen er een geducht gat in.Toen Cornelis alle vragen beantwoord had, die Oom Jan betrekkelijk Gonda en alles, wat Leiden aanging, deed, meende hij heen te gaan, doch de man riep hem even terzijde en vroeg hem: „Hebt gij er nooit eens over gedacht, welken weg ik u wilde aanwijzen om u het best op den Spanjool te kunnen wreken? Ik beloofde het u te zullen zeggen, toen ge de laatste maal bij me waart en naar Delft gingt!”„Ik had er waarlijk niet meer aan gedacht,” antwoordde Cornelis, „maar ik wenschte het toch graag te weten; want daar er sinds dien tijd geene uitvallen meer gedaan zijn, en het schermutselen met den vijand is verboden, zoo zie ik geene kans meer om eenen Spanjaard in het gras te laten bijten!”„Dat is ook de rechte weg niet, jongen! Ge gaat nu naar van Boisot! Zeg hem, dat hij de Landscheiding laat doorgraven tusschen Wilsveen en Reguliersdam! Wel zullen ze daar met den Spanjool eene harde noot te kraken hebben; maar het is de beste plaats, hiervan ben ik zeker, daar ik jaren lang te Zoetermeer heb gewoond. Is de Landscheiding eenmaal doorgestoken, dan komt men aan den Voorweg, waarmede hetzelfde moet worden aangevangen. Is men hier maar eenmaal door, dan is men op den besten weg om tot Leiden te komen, want door eene vaart is er dan gelegenheid in den Zoetermeerschen plas te geraken!”„Maar, Oom Jan, dan moet men de brug voorbij, en ik heb gehoord, dat hier niet meer of minder dan dertig vendels Spanjaarden liggen!”„Al lagen er honderd vendels, zonder moeite krijgt men niets gedaan. Geloof me, beste jongen, ik spreek uit ondervinding, en laat dit nu uwe wraak zijn, dat ge van Boisot hiertoe tracht over te halen; want ik zeg u, als dat gedaan wordt, en de wind komt eens uit dien noordoosten hoek, waarin hij wel vastgevroren schijnt te zijn, in het noordwesten, dan staan in een paar dagen alle polders om Leiden blank, en zal er water genoeg zijn voor de schepen om verder te komen!”Cornelis beloofde, dat hij dit aan van Boisot zeggen zou en begaf zich, met de drie anderen, op weg langs het naaste pad door de duinen naar Wassenaar.Dicht bij Delft scheidde hij zich van zijne makkers en ging met vier duiven den weg op naar Rotterdam, waar hij meende dat de Admiraal was, om eene gunstige gelegenheidaf te wachten, dat hij de Landscheiding kon doorsteken.Nadat hij bijna een uur geloopen had, begon hij te voelen, dat eene voetreis van Leiden over Rijnsburg naar Delft en nog verder, juist geschikt is, om iemand op het laatst zóó ver te brengen, dat hij niet meer voort kan.Hij zette zich derhalve op den dijk onder eenen knotwilg neer om wat van de vermoeienis te bekomen, doch zoodra hij daar gezeten was, bemerkte hij eerst recht, welk een genot het was, na zulk eene wandeling, eens even op zijn gemak te kunnen uitblazen.Hij zette de duiven naast zich in het gras, vlijde zich zoo gemakkelijk mogelijk tegen den stam des booms en keek in het rond.Overal blank water, behalve op die plaatsen, waar eene bouwhoeve stond, of waar een dorp, dijk of eene kade lag.Het gezicht was zeer eentonig en, eer hij er aan dacht waren de oogen gesloten, het hoofd viel langzaam en telkens knikkend, op de borst en hij sliep in.Terwijl hij daar lag te slapen, waren hem, zonder dat hij het gehoord had, vijf Watergeuzen genaderd en een hunner maakte den knaap, door hem heen en weer te schudden, wakker.Cornelis keek gek in het rond. Hij wreef zich de oogen nog eens uit, en zag toen, dat hij door een vijftal vreemd toegetakelde mannen omringd was.Hij, die hem gewekt had, en hem nog altijd bij den schouder hield, had geenen neus en maar één oog, en wat de rosse baard van het aangezicht onbedekt had gelaten, was vreeselijk gekorven.De tweede zou er nog al wel uitgezien hebben, zoo hij zijne ooren maar gehad had, doch deze was hij kwijt.De derde had aan de linkerhand maar drie vingers en op beide wangen groote brandvlekken.De vierde had geen lichaamsgebrek, doch zag er recht gemeen uit, terwijl de vijfde maar één goed been had. Hetandere was tendeele door een stuk hout vervangen.„Waar-waar-ben-ik-ik-toch?” vroeg Cornelis verwonderd.„Bij Sint-Felten, jongen, waar komt gij dan vandaan, dat gij ons niet kent?” zei hij, die Cornelis bij den schouder had beet gehad, doch hem nu losliet en hem zijne wollen pelsmuts voor de oogen draaide. „Wat staat hier op, manneke?”„Een zilveren half maantje,” zeide Cornelis.„Zoo! En als je bij eenen schoolmeester op de banken gezeten, en daar nog wat anders dan kwaad gedaan hebt, dan zal je zeker ook wel zien, wat er op te lezen staat!”„Liever Turcx dan Paus!” was het antwoord.„Netjes hoor, je verstaat de kunst! En wat staat er op dit ding?” vroeg dezelfde en haalde de muts van den man zonder ooren van het hoofd.„Ende spit de la Messe, man!”„Precies, of in goed Hollandsch: „En tot spijt van de Mis.” Weet gij nu zoo wat onder welk volkje gij aangeland zijt?”„Ik geloof onder de Zeeuwsche vrijbuiters!”„De jongen is toch nog een beetje verstandiger dan Meu-Katrijns blinde kat,” zeide de ruwe man en vroeg terstond: „En zijt gij nu niet bang dat wij je levend zullen braden en opeten?”„Neen, want mijne boodschap heb ik aan eenen der vrijbuiters te doen, en, zoo ik er bang voor was, dan zou ik ze zeker niet op me genomen hebben!”„Ei-ei! eene boodschap aan eenen onzer! Zoo-zoo! En waar kom-je dan vandaan?”„Ik ben gisteren avond te tien uren uit Leiden gegaan!”„Uit Leiden, knaap? Ha, nu begrijp ik het, dat je sliep als eene marmot! Het is me dan ook eene gezegende wandeling, zou ik meenen! En, voor wien hebt gij eene boodschap en waar moet gij die kevie met vier duiven brengen?”„Bij Admiraal van Boisot, mannen!”„Bij onzen Admiraal? En hoe komt gij dan hier?”„Ik meende naar Rotterdam te gaan!”„Nu, dan zijt gij onder een gelukkig gesternte geboren, dat gij hier zoo in slaap zijt gevallen; want van Boisot is niet meer te Rotterdam! Zie, ginds ligt zijn kromsteven of galei. Wij zijn op pad om de Landscheiding te gaan doorsteken!”„Dat had ik waarlijk niet beter kunnen treffen! Kunt gij me bij Zijne Edelheid aanboord brengen?”„Dat zal wel gaan, denk ik,” antwoordde de man, die thans eenen heel anderen toon aansloeg.„Hier ligt onze boot! Halloh, stapt maar in!”De vijf mannen plaatsten zich hierop aan de riemen en roeiden stevig door.Weldra was nu Cornelis bij van Boisot aanboord.„Vanwaar komt gij, knaap?” vroeg de Admiraal.„Ik kom uit Leiden, Heer Admiraal,” antwoordde Cornelis en haalde uit den dubbelen bodem der kevie een paar brieven, die aan van Boisot’s adres gericht waren.„Nu,” zeide van Boisot nadat hij de brieven gelezen had, „het ziet er daar binnen Leiden niet al te best uit, manneke! Hebt gij ook al leeren honger lijden?”„Ja, Heer Admiraal, ja! Maar het zal nog wel erger worden! Vader zei, dat er voor ons vreeselijke dagen op handen zijn, vooral als de wind niet gauw in het noordwesten komt!”„En is het volk onder al dat honger lijden over het algemeen nog al goedsmoeds?”„De meesten wel, Heer Admiraal! Maar er zijn toch ontevredenen ook.” Hierop vertelde Cornelis van de bijeenkomst van enkele ontevreden bij de Koepoort.„Dat is minder fraai,” zeide van Boisot toen Cornelis hem alles gezegd had. „En wanneer gaat ge naar Leiden terug?”„Ja, Heer Admiraal, ik zou graag eerst dán terug gaan, als ik er het heugelijk nieuws kon brengen dat de Landscheiding doorgestoken is.”„Gij spreekt daar van het doorsteken der Landscheiding, knaap! Hoe is het u bekend dat dit ons voornemen is?”„De mannen die mij hierheen brachten, hebben het mij gezegd, Heer Admiraal! Ook meende Oom Jan, die te Rijnsburg woont, dat het nu gebeuren moest,” antwoordde Cornelis en begon toen meteen te zeggen, op welk eene plaats, zooals Oom Jan zei, die verscheidene jaren hier gewoond had, men dien dijk moest doorsteken om het spoedigst Leiden te kunnen bereiken.Van Boisot hoorde hem bedaard aan, en toen Cornelis alles gezegd en zoo goed hij kon uitgelegd had, zeide de wakkere Admiraal: „Dienzelfden raad hebben Jeroen Cornelisz. van Zoetermeer, Cornelis Willemsz. van Benthuizen en Leendert Pietersz. van Zevenhuizen mij ook gegeven. We zullen het dan maar beproeven.”Hierop wendde hij zich tot eenen der Kapiteins en vroeg dezen: „Dunkt het u ook niet goed?”„Ik zou in deze geenen raad durven geven, Heer Admiraal! Ik ben in deze streken niet bekend. Maar zooals het nu is, zie ik wel, dat er niets van komt! U zou de andere Heeren kunnen raadplegen. Misschien zijn er bij, die den omtrek hebben leeren kennen,” was het antwoord.„Dat is ook mijn plan,” sprak de Admiraal. Hierop keerde hij zich tot een paar matrozen en zeide: „Hei daar, mannen! In de booten! Gaat Kapitein De Moor zeggen, dat we over een uur scheepsraad zullen houden. Hij ligt te Nootdorp en kan vandaar onze vlag niet zien. En gij, Vendrig, hijsch de Admiraalsvlag!”Nauwelijks waren de mannen met het bootje op weg om De Moor te gaan roepen, en wapperde de Admiraals-vlag lustig van den achtersteven, toen van alle kanten sloepen werden uitgezet.De eene Kapitein na den anderen kwam bij van Boisot aanboord, en toen de raad voltallig was, werd Cornelis in de hut des Bevelhebbers geroepen en verzocht aande Heeren te zeggen, wat ook die boer van Rijnsburg aangaande het doorsteken van de Landscheiding had aangeraden.„Hoe denken de Heeren over een en ander?” vroeg van Boisot toen Cornelis uitgesproken en zich verwijderd had.„Ik meen, dat het een gevaarlijk spel is, dat we spelen zullen,” zeide Kapitein Adriaen Willemsz.„En ik geloof,” merkte Kapitein Cret aan, „dat de Heeren Ingelanden beter op de hoogte zullen zijn dan die Rijnsburgsche groentenboer en die andere drie mannen. De Ingelanden hebben me verzekerd, dat de Landscheiding eigenlijk niet ééne geschikte plaats oplevert om doorgestoken te worden; want overal zullen we op de zwarigheid stuiten, dat Rijnland hooger ligt dan Delfland!”„Hoor eens, Cret,” sprak De Moor, „ik wil gelooven, dat de Ingelanden gelijk hebben, en dat we overal zwarigheden ontmoeten zullen; maar men zal mij moeten toegeven, dat er toch iets gebeuren moet! Wat helpt het den Leidenaars of het water al tot de Landscheiding staat, maar er niet door kan komen. Wordt die dijk niet doorgestoken, dan had men, bij mijne trouwe, de gekheid niet behoeven uit te halen om de Maas- en IJseldijken door te steken. Het is niet Delft, dat belegerd wordt, het is Leiden!”„Dat weet ik ook wel,” antwoordde Cret eenigszins gebelgd, „maar wat nu toch maar niet kan, dat kan ook niet! Wij vrijbuiters zijn geene halve goden!”„Eilacie, neen, eer halve duivels dan halve goden,” zeide Willemsz. „Maar ik ben het volkomen met vriend De Moor eens, dat er geene sprake mag zijn van: „dit kan niet en dat kan niet! We moeten alles beproeven!”„Recht zoo, vriend Willemsz.,” hernam De Moor, „recht zoo! Ik ben er voor, dat we den gegeven raad volgen en de Landscheiding doorsteken op de plaats, die de beste genoemd wordt. Het zal er warm toegaan, dat is zeker; maar, als het zijn moet, dan heb ik goed en bloed voorhet Vaderland veil en mijne vrijbuiters ook. We zijn hier nu eenmaal niet op eene bruiloft!”„Waar het op vechten aankomt, Kapitein De Moor,” viel Cret weer in, „daar zult ge zien, dat ik ook handen aan het lijf heb! Het is geene vrees, die mij zoo doet spreken!”„We zijn hiervan overtuigd, Heer Kapitein,” zeide van Boisot, „en ik wed dat vriend De Moor de laatste zijn zal, die aan uwen moed en uwe trouw twijfelt; maar hij is een weinig driftig uitgevallen!”„Ho, ho,” zeide De Moor lachend. „Hier, mijn waarde, hier is de hand. Een Vlissingsche zeerob is wat heet gebakerd! Dacht ge, dat ik aan uwen moed twijfelde?”De gulhartig aangeboden hand van den ronden zeeman werd door Cret hartelijk gedrukt, en de vrede onder de Kapiteins was bewaard gebleven.Nadat nog verscheidene Bevelhebbers het voor en tegen der zaak besproken hadden, ging men eindelijk tot stemming over en er werd besloten, dat de Landscheiding op de genoemde plaats, den elfden van Herfstmaand, zou doorgestoken worden.Nauwelijks hadden de Spanjaarden zulks gemerkt, of ze trachtten het te beletten; maar ze kwamen te laat;—het werk was reeds verricht.Thans zat er voor hen niets anders op dan zorg te dragen, dat de vrijbuiters ook den Groenenweg niet doorstaken. De Spanjaarden hielden daar dapper stand.„Frisch op, Leidsche hongerlijder, en sta niet te gapen, als Jut voor het landhek! Help liever een handje mee!”Die uitroep gold onzen Cornelis, die reeds dapper aan den slag getrokken was, en thans een klein gebrek aan zijn musket trachtte te verhelpen.„Er is een gebrek aan mijn musket, kompeer,” antwoordde hij.„Een gebrek, zijt gij razend? Pak het ding bij den loopen sla er met den kolf op in! Komaan, wakker aangevat! Toon dat gij een hart hebt!”Cornelis bemerkte alras, dat de Spanjaarden ook geene katten waren om zonder handschoenen aan te vatten, doch nadat ze twee aanvallen afgeslagen hadden, gingen ze toch op de vlucht en gaven aldus den vrijbuiters gelegenheid, om ook den Groenenweg door te graven.Weldra was dit gebeurd, doch nu zag men, dat de Ingelanden de zwarigheden niet te hoog hadden opgevijzeld; want de vaarten en plassen liepen niet door, met uitzondering van ééne breede sloot, en deze liep nog door de Zoetermeersche brug, die door de Spanjaarden met eene sterke macht bezet was.„Valt aan, mannen, valt aan! De Spanjaard moet daar verdreven worden, of ons werk is hier vergeefsch geweest! Vooruit, valt aan, valt aan,” beval van Boisot.De vrijbuiters rukten op en deden eenen geweldigen aanval, doch de Spanjaarden waren er op voorbereid en sloegen hen terug.„Nog eenmaal mannen, nog eenmaal! Op, op, voor Leiden en den Prins van Oranje!” klonk andermaal de forsche stem des Admiraals.Met onbesuisd geweld hernieuwden de vrijbuiters den aanval; maar even standvastig als de eerste maal, hielden de Spanjaarden stand. Ze wisten van geen wijken en waar de musketschoten hunne gelederen dunden, daar vulden zij deze dadelijk weder aan.„Terug, mannen,” riep van Boisot, „dat is hier het Prinsenvolk op de slachtbank brengen! We zullen zien of ons nog geen andere weg openstaat!”De vrijbuiters niet gewoon krimp te geven, voldeden morrend aan het bevel en trokken terug om nog verscheidene dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere middelen te beramen, teneinde den Spanjaard bij de Zoetermeersche brug mis te loopen.Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig uit den noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een oogenblik, eene stevige koelte uit het noordwesten.„Thans hopen wij, dat de ellende spoedig zal geleden zijn, De Moor!” zeide van Boisot.„Het is te hopen, Heer Admiraal,” antwoordde deze, „doch hoe zullen we verder komen? De raad van dien Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet veel voordeel aangebracht!”„Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet ge, wat we vannacht wel konden doen, nu het water een weinig gestegen is?”„Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!”„Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen Zoetermeer en Bonthuizen eene slappe wacht houdt. Dien weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer innemen!”„Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!”„Dat zal het, De Moor, maar het moet, al schoot er de helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten te vergeefs gemaakt!”En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.De Spanjaard op geene overrompeling bedacht, werd verdreven en de weg tusschen Zoetermeer en Bonthuizen door de vrijbuiters bezet.Maar heeter was de strijd te Zoetermeer.Waar het gevaar het dreigendst was, daar was van Boisot, en zijne machtige stem klonk donderend tusschen het schieten der gotelingen en het kletteren der wapenen in:„Houdt stand, mannen! Op, op, voor Leiden en Oranje!”„Voor Valdez en den Koning!” klonk het van den anderen kant.„Wacht, ik zal je ’reis even „koningen” mooie Don!” riep Cornelis, en zijn musket aanleggende, schoot hij het af en een Spaansch Bevelhebber tuimelde op den grond.„Die kameraad zal onze jutteperen niet meer op-eten, Leidsche hongerlijder,” zeide Eenoog.„Gij hebt eene vaste hand, vaster dan ik! Hier, hier is mijn musket, schiet dat af, dan zal ik dat ding van jou onderwijl laden! Toe dan, knul, kijk, bij dat brandende huisje staat er een, blaas diens lichtje ook eens zoo knapjes uit!”Cornelis keek naar de aangewezen plaats en herkende den bedoelden persoon. Het was Jean Lebon!„Neen, Eenoog, dien man schietikniet dood. Dien man heb ik eens ontmoet, en toen heeft hij mij vertrouwd, niettegenstaande ik hem bedroog!”„Loop naar den Satan, met je gekwezel! Geef hier, dan zal ik mijne kunsten eens toonen,” schreeuwde Eenoog en rukte Cornelis het musket uit de handen.„Jean Lebon, berg-je!” schreeuwde de knaap in eene vlaag van edelmoedigheid, en Jean, die zulks gehoord had, was in een oogwenk verdwenen.„Hier, Lijs Putwater, daar heb-je een presentje van me,” riep de verbitterde vrijbuiter, en wilde Cornelis met de kolf van zijn musket op het hoofd slaan; maar, eer dit geschied was, viel er een schot, en Eenoog lag zoo goed als dood op den grond uitgestrekt.In een oogenblik was Cornelis door een achttal Spanjaarden omringd en reeds wilden dezen hem afmaken, toen Jean Lebon riep: „Houdt op, mannen, het is er een van de onzen!”„Een der onzen? Zijt gij behekst? Hoe zou die tusschen dat geuzenvolk komen?” vroeg een ander.„Ja, en hoe komt hij aan die muts met dat halve maantje?” klonk het van eenen anderen kant.„Slaat dood, slaat dood!” riepen weer anderen. „Jean Lebon is blind!”Reeds drongen van alle kanten de Spanjaarden op hem aan, toen eensklaps in hunne nabijheid de verschrikkelijke stem van den Aanvoerder der vrijbuiters klonk:„Vooruit, vooruit! Zoetermeer is ons! Op, op, voor Oranje en Leiden!”„Voort, voort,” schreeuwden de Spanjaarden en gingen op de vlucht. Jean Lebon werd echter achterhaald, en een der Fransche soldaten, die onder den Prins dienden, gaf hem met zijn breed zwaard zulk eenen geweldigen slag op het hoofd, dat Jean’s helmkap middendoor geslagen werd en hij zieltogend op den grond viel.In een oogenblik was Cornelis den ongelukkige nabij en hem opnemende, droeg hij hem uit het gedrang.„Het is te laat, kameraad,” zeide Jean.„Ho, ho! een boom valt niet met éénen slag,” antwoordde Cornelis.„Gij hebt me bedrogen! Gij waart geen knecht van Valdez: maar ge hebt toch woord gehouden!”„Mijn woord had ik gegeven, Jean, en dat wilde ik niet breken!”„Ik zal Sanne niet meer zien,” sprak de soldaat, en zwakker en zwakker klonk het: „Vrij-buiter, houd-ook-nu-woord-en-en-groet-San-San- .. Sa...”Nog eenen enkelen blik sloeg hij op Cornelis, als wilde hij met de oogen vragen, wat de mond niet meer doen kon.„Ik zal „Bruine Sanne” uw groeten overbrengen, arme vriend,” sprak Cornelis.Jean richtte zich nog half op, stamelde: „Ik-k-om, Moeder!” drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper soldaat, een goed man minder in zijn leger.„Wel te rusten, Jean,” fluisterde Cornelis en ging met tranen in de oogen heen.Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en Zoetermeer genomen.Thans liet van Boisot al zijne vaartuigen komen en vervolgde,steeds voortroeiende, den vluchtenden Spanjaard tot op het Noord-Aasche meer.Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in het noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat hij naderde, liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden dit hoorende, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.„Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan den Burgemeester, en dien aan mijnen vriend van der Does, en, zoo uwe Ouders, of wie dan ook, vragen: „Wanneer komt nu het ontzet?” zeg dan: „Als God maar wil; de vrijbuiter is iederen dag gereed,” zeide de Admiraal.Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden was, doch zijne ervarenheid in het zwemmen, gunde hem eene richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet opzoeken zou.Na eene afwezigheid van een dag of tien kwam hij thans in de stad terug.„We dachten, dat gij omgekomen waart, Cornelis,” zeide de man, die de wacht op den wal hield.„Gelukkig niet,” was het antwoord.„Ik weet niet wat u beter zou geweest zijn, kameraad,” hervatte de andere, „ginds hangt men u op; hier sterft men den hongerdood!”
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Onder de Watergeuzen.
Op het bepaalde uur traden vier mannen behoedzaam de Rijnsburgsche poort uit. Het waren Jan Treek, Lubbert De Ketelboeter, Joris Slot en Cornelis Joppensz.Met verrejagers gewapend, sprongen ze van de eene weide op de andere en kwamen langs vele omwegen, ongeveer te één ure te Rijnsburg aan, waar Cornelis, even als den vorigen keer, Leeuwke’s Oom opklopte.De oude man was aanstonds weer met zijn brood en spek voor den dag gekomen en de vier mannen sloegen er een geducht gat in.Toen Cornelis alle vragen beantwoord had, die Oom Jan betrekkelijk Gonda en alles, wat Leiden aanging, deed, meende hij heen te gaan, doch de man riep hem even terzijde en vroeg hem: „Hebt gij er nooit eens over gedacht, welken weg ik u wilde aanwijzen om u het best op den Spanjool te kunnen wreken? Ik beloofde het u te zullen zeggen, toen ge de laatste maal bij me waart en naar Delft gingt!”„Ik had er waarlijk niet meer aan gedacht,” antwoordde Cornelis, „maar ik wenschte het toch graag te weten; want daar er sinds dien tijd geene uitvallen meer gedaan zijn, en het schermutselen met den vijand is verboden, zoo zie ik geene kans meer om eenen Spanjaard in het gras te laten bijten!”„Dat is ook de rechte weg niet, jongen! Ge gaat nu naar van Boisot! Zeg hem, dat hij de Landscheiding laat doorgraven tusschen Wilsveen en Reguliersdam! Wel zullen ze daar met den Spanjool eene harde noot te kraken hebben; maar het is de beste plaats, hiervan ben ik zeker, daar ik jaren lang te Zoetermeer heb gewoond. Is de Landscheiding eenmaal doorgestoken, dan komt men aan den Voorweg, waarmede hetzelfde moet worden aangevangen. Is men hier maar eenmaal door, dan is men op den besten weg om tot Leiden te komen, want door eene vaart is er dan gelegenheid in den Zoetermeerschen plas te geraken!”„Maar, Oom Jan, dan moet men de brug voorbij, en ik heb gehoord, dat hier niet meer of minder dan dertig vendels Spanjaarden liggen!”„Al lagen er honderd vendels, zonder moeite krijgt men niets gedaan. Geloof me, beste jongen, ik spreek uit ondervinding, en laat dit nu uwe wraak zijn, dat ge van Boisot hiertoe tracht over te halen; want ik zeg u, als dat gedaan wordt, en de wind komt eens uit dien noordoosten hoek, waarin hij wel vastgevroren schijnt te zijn, in het noordwesten, dan staan in een paar dagen alle polders om Leiden blank, en zal er water genoeg zijn voor de schepen om verder te komen!”Cornelis beloofde, dat hij dit aan van Boisot zeggen zou en begaf zich, met de drie anderen, op weg langs het naaste pad door de duinen naar Wassenaar.Dicht bij Delft scheidde hij zich van zijne makkers en ging met vier duiven den weg op naar Rotterdam, waar hij meende dat de Admiraal was, om eene gunstige gelegenheidaf te wachten, dat hij de Landscheiding kon doorsteken.Nadat hij bijna een uur geloopen had, begon hij te voelen, dat eene voetreis van Leiden over Rijnsburg naar Delft en nog verder, juist geschikt is, om iemand op het laatst zóó ver te brengen, dat hij niet meer voort kan.Hij zette zich derhalve op den dijk onder eenen knotwilg neer om wat van de vermoeienis te bekomen, doch zoodra hij daar gezeten was, bemerkte hij eerst recht, welk een genot het was, na zulk eene wandeling, eens even op zijn gemak te kunnen uitblazen.Hij zette de duiven naast zich in het gras, vlijde zich zoo gemakkelijk mogelijk tegen den stam des booms en keek in het rond.Overal blank water, behalve op die plaatsen, waar eene bouwhoeve stond, of waar een dorp, dijk of eene kade lag.Het gezicht was zeer eentonig en, eer hij er aan dacht waren de oogen gesloten, het hoofd viel langzaam en telkens knikkend, op de borst en hij sliep in.Terwijl hij daar lag te slapen, waren hem, zonder dat hij het gehoord had, vijf Watergeuzen genaderd en een hunner maakte den knaap, door hem heen en weer te schudden, wakker.Cornelis keek gek in het rond. Hij wreef zich de oogen nog eens uit, en zag toen, dat hij door een vijftal vreemd toegetakelde mannen omringd was.Hij, die hem gewekt had, en hem nog altijd bij den schouder hield, had geenen neus en maar één oog, en wat de rosse baard van het aangezicht onbedekt had gelaten, was vreeselijk gekorven.De tweede zou er nog al wel uitgezien hebben, zoo hij zijne ooren maar gehad had, doch deze was hij kwijt.De derde had aan de linkerhand maar drie vingers en op beide wangen groote brandvlekken.De vierde had geen lichaamsgebrek, doch zag er recht gemeen uit, terwijl de vijfde maar één goed been had. Hetandere was tendeele door een stuk hout vervangen.„Waar-waar-ben-ik-ik-toch?” vroeg Cornelis verwonderd.„Bij Sint-Felten, jongen, waar komt gij dan vandaan, dat gij ons niet kent?” zei hij, die Cornelis bij den schouder had beet gehad, doch hem nu losliet en hem zijne wollen pelsmuts voor de oogen draaide. „Wat staat hier op, manneke?”„Een zilveren half maantje,” zeide Cornelis.„Zoo! En als je bij eenen schoolmeester op de banken gezeten, en daar nog wat anders dan kwaad gedaan hebt, dan zal je zeker ook wel zien, wat er op te lezen staat!”„Liever Turcx dan Paus!” was het antwoord.„Netjes hoor, je verstaat de kunst! En wat staat er op dit ding?” vroeg dezelfde en haalde de muts van den man zonder ooren van het hoofd.„Ende spit de la Messe, man!”„Precies, of in goed Hollandsch: „En tot spijt van de Mis.” Weet gij nu zoo wat onder welk volkje gij aangeland zijt?”„Ik geloof onder de Zeeuwsche vrijbuiters!”„De jongen is toch nog een beetje verstandiger dan Meu-Katrijns blinde kat,” zeide de ruwe man en vroeg terstond: „En zijt gij nu niet bang dat wij je levend zullen braden en opeten?”„Neen, want mijne boodschap heb ik aan eenen der vrijbuiters te doen, en, zoo ik er bang voor was, dan zou ik ze zeker niet op me genomen hebben!”„Ei-ei! eene boodschap aan eenen onzer! Zoo-zoo! En waar kom-je dan vandaan?”„Ik ben gisteren avond te tien uren uit Leiden gegaan!”„Uit Leiden, knaap? Ha, nu begrijp ik het, dat je sliep als eene marmot! Het is me dan ook eene gezegende wandeling, zou ik meenen! En, voor wien hebt gij eene boodschap en waar moet gij die kevie met vier duiven brengen?”„Bij Admiraal van Boisot, mannen!”„Bij onzen Admiraal? En hoe komt gij dan hier?”„Ik meende naar Rotterdam te gaan!”„Nu, dan zijt gij onder een gelukkig gesternte geboren, dat gij hier zoo in slaap zijt gevallen; want van Boisot is niet meer te Rotterdam! Zie, ginds ligt zijn kromsteven of galei. Wij zijn op pad om de Landscheiding te gaan doorsteken!”„Dat had ik waarlijk niet beter kunnen treffen! Kunt gij me bij Zijne Edelheid aanboord brengen?”„Dat zal wel gaan, denk ik,” antwoordde de man, die thans eenen heel anderen toon aansloeg.„Hier ligt onze boot! Halloh, stapt maar in!”De vijf mannen plaatsten zich hierop aan de riemen en roeiden stevig door.Weldra was nu Cornelis bij van Boisot aanboord.„Vanwaar komt gij, knaap?” vroeg de Admiraal.„Ik kom uit Leiden, Heer Admiraal,” antwoordde Cornelis en haalde uit den dubbelen bodem der kevie een paar brieven, die aan van Boisot’s adres gericht waren.„Nu,” zeide van Boisot nadat hij de brieven gelezen had, „het ziet er daar binnen Leiden niet al te best uit, manneke! Hebt gij ook al leeren honger lijden?”„Ja, Heer Admiraal, ja! Maar het zal nog wel erger worden! Vader zei, dat er voor ons vreeselijke dagen op handen zijn, vooral als de wind niet gauw in het noordwesten komt!”„En is het volk onder al dat honger lijden over het algemeen nog al goedsmoeds?”„De meesten wel, Heer Admiraal! Maar er zijn toch ontevredenen ook.” Hierop vertelde Cornelis van de bijeenkomst van enkele ontevreden bij de Koepoort.„Dat is minder fraai,” zeide van Boisot toen Cornelis hem alles gezegd had. „En wanneer gaat ge naar Leiden terug?”„Ja, Heer Admiraal, ik zou graag eerst dán terug gaan, als ik er het heugelijk nieuws kon brengen dat de Landscheiding doorgestoken is.”„Gij spreekt daar van het doorsteken der Landscheiding, knaap! Hoe is het u bekend dat dit ons voornemen is?”„De mannen die mij hierheen brachten, hebben het mij gezegd, Heer Admiraal! Ook meende Oom Jan, die te Rijnsburg woont, dat het nu gebeuren moest,” antwoordde Cornelis en begon toen meteen te zeggen, op welk eene plaats, zooals Oom Jan zei, die verscheidene jaren hier gewoond had, men dien dijk moest doorsteken om het spoedigst Leiden te kunnen bereiken.Van Boisot hoorde hem bedaard aan, en toen Cornelis alles gezegd en zoo goed hij kon uitgelegd had, zeide de wakkere Admiraal: „Dienzelfden raad hebben Jeroen Cornelisz. van Zoetermeer, Cornelis Willemsz. van Benthuizen en Leendert Pietersz. van Zevenhuizen mij ook gegeven. We zullen het dan maar beproeven.”Hierop wendde hij zich tot eenen der Kapiteins en vroeg dezen: „Dunkt het u ook niet goed?”„Ik zou in deze geenen raad durven geven, Heer Admiraal! Ik ben in deze streken niet bekend. Maar zooals het nu is, zie ik wel, dat er niets van komt! U zou de andere Heeren kunnen raadplegen. Misschien zijn er bij, die den omtrek hebben leeren kennen,” was het antwoord.„Dat is ook mijn plan,” sprak de Admiraal. Hierop keerde hij zich tot een paar matrozen en zeide: „Hei daar, mannen! In de booten! Gaat Kapitein De Moor zeggen, dat we over een uur scheepsraad zullen houden. Hij ligt te Nootdorp en kan vandaar onze vlag niet zien. En gij, Vendrig, hijsch de Admiraalsvlag!”Nauwelijks waren de mannen met het bootje op weg om De Moor te gaan roepen, en wapperde de Admiraals-vlag lustig van den achtersteven, toen van alle kanten sloepen werden uitgezet.De eene Kapitein na den anderen kwam bij van Boisot aanboord, en toen de raad voltallig was, werd Cornelis in de hut des Bevelhebbers geroepen en verzocht aande Heeren te zeggen, wat ook die boer van Rijnsburg aangaande het doorsteken van de Landscheiding had aangeraden.„Hoe denken de Heeren over een en ander?” vroeg van Boisot toen Cornelis uitgesproken en zich verwijderd had.„Ik meen, dat het een gevaarlijk spel is, dat we spelen zullen,” zeide Kapitein Adriaen Willemsz.„En ik geloof,” merkte Kapitein Cret aan, „dat de Heeren Ingelanden beter op de hoogte zullen zijn dan die Rijnsburgsche groentenboer en die andere drie mannen. De Ingelanden hebben me verzekerd, dat de Landscheiding eigenlijk niet ééne geschikte plaats oplevert om doorgestoken te worden; want overal zullen we op de zwarigheid stuiten, dat Rijnland hooger ligt dan Delfland!”„Hoor eens, Cret,” sprak De Moor, „ik wil gelooven, dat de Ingelanden gelijk hebben, en dat we overal zwarigheden ontmoeten zullen; maar men zal mij moeten toegeven, dat er toch iets gebeuren moet! Wat helpt het den Leidenaars of het water al tot de Landscheiding staat, maar er niet door kan komen. Wordt die dijk niet doorgestoken, dan had men, bij mijne trouwe, de gekheid niet behoeven uit te halen om de Maas- en IJseldijken door te steken. Het is niet Delft, dat belegerd wordt, het is Leiden!”„Dat weet ik ook wel,” antwoordde Cret eenigszins gebelgd, „maar wat nu toch maar niet kan, dat kan ook niet! Wij vrijbuiters zijn geene halve goden!”„Eilacie, neen, eer halve duivels dan halve goden,” zeide Willemsz. „Maar ik ben het volkomen met vriend De Moor eens, dat er geene sprake mag zijn van: „dit kan niet en dat kan niet! We moeten alles beproeven!”„Recht zoo, vriend Willemsz.,” hernam De Moor, „recht zoo! Ik ben er voor, dat we den gegeven raad volgen en de Landscheiding doorsteken op de plaats, die de beste genoemd wordt. Het zal er warm toegaan, dat is zeker; maar, als het zijn moet, dan heb ik goed en bloed voorhet Vaderland veil en mijne vrijbuiters ook. We zijn hier nu eenmaal niet op eene bruiloft!”„Waar het op vechten aankomt, Kapitein De Moor,” viel Cret weer in, „daar zult ge zien, dat ik ook handen aan het lijf heb! Het is geene vrees, die mij zoo doet spreken!”„We zijn hiervan overtuigd, Heer Kapitein,” zeide van Boisot, „en ik wed dat vriend De Moor de laatste zijn zal, die aan uwen moed en uwe trouw twijfelt; maar hij is een weinig driftig uitgevallen!”„Ho, ho,” zeide De Moor lachend. „Hier, mijn waarde, hier is de hand. Een Vlissingsche zeerob is wat heet gebakerd! Dacht ge, dat ik aan uwen moed twijfelde?”De gulhartig aangeboden hand van den ronden zeeman werd door Cret hartelijk gedrukt, en de vrede onder de Kapiteins was bewaard gebleven.Nadat nog verscheidene Bevelhebbers het voor en tegen der zaak besproken hadden, ging men eindelijk tot stemming over en er werd besloten, dat de Landscheiding op de genoemde plaats, den elfden van Herfstmaand, zou doorgestoken worden.Nauwelijks hadden de Spanjaarden zulks gemerkt, of ze trachtten het te beletten; maar ze kwamen te laat;—het werk was reeds verricht.Thans zat er voor hen niets anders op dan zorg te dragen, dat de vrijbuiters ook den Groenenweg niet doorstaken. De Spanjaarden hielden daar dapper stand.„Frisch op, Leidsche hongerlijder, en sta niet te gapen, als Jut voor het landhek! Help liever een handje mee!”Die uitroep gold onzen Cornelis, die reeds dapper aan den slag getrokken was, en thans een klein gebrek aan zijn musket trachtte te verhelpen.„Er is een gebrek aan mijn musket, kompeer,” antwoordde hij.„Een gebrek, zijt gij razend? Pak het ding bij den loopen sla er met den kolf op in! Komaan, wakker aangevat! Toon dat gij een hart hebt!”Cornelis bemerkte alras, dat de Spanjaarden ook geene katten waren om zonder handschoenen aan te vatten, doch nadat ze twee aanvallen afgeslagen hadden, gingen ze toch op de vlucht en gaven aldus den vrijbuiters gelegenheid, om ook den Groenenweg door te graven.Weldra was dit gebeurd, doch nu zag men, dat de Ingelanden de zwarigheden niet te hoog hadden opgevijzeld; want de vaarten en plassen liepen niet door, met uitzondering van ééne breede sloot, en deze liep nog door de Zoetermeersche brug, die door de Spanjaarden met eene sterke macht bezet was.„Valt aan, mannen, valt aan! De Spanjaard moet daar verdreven worden, of ons werk is hier vergeefsch geweest! Vooruit, valt aan, valt aan,” beval van Boisot.De vrijbuiters rukten op en deden eenen geweldigen aanval, doch de Spanjaarden waren er op voorbereid en sloegen hen terug.„Nog eenmaal mannen, nog eenmaal! Op, op, voor Leiden en den Prins van Oranje!” klonk andermaal de forsche stem des Admiraals.Met onbesuisd geweld hernieuwden de vrijbuiters den aanval; maar even standvastig als de eerste maal, hielden de Spanjaarden stand. Ze wisten van geen wijken en waar de musketschoten hunne gelederen dunden, daar vulden zij deze dadelijk weder aan.„Terug, mannen,” riep van Boisot, „dat is hier het Prinsenvolk op de slachtbank brengen! We zullen zien of ons nog geen andere weg openstaat!”De vrijbuiters niet gewoon krimp te geven, voldeden morrend aan het bevel en trokken terug om nog verscheidene dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere middelen te beramen, teneinde den Spanjaard bij de Zoetermeersche brug mis te loopen.Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig uit den noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een oogenblik, eene stevige koelte uit het noordwesten.„Thans hopen wij, dat de ellende spoedig zal geleden zijn, De Moor!” zeide van Boisot.„Het is te hopen, Heer Admiraal,” antwoordde deze, „doch hoe zullen we verder komen? De raad van dien Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet veel voordeel aangebracht!”„Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet ge, wat we vannacht wel konden doen, nu het water een weinig gestegen is?”„Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!”„Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen Zoetermeer en Bonthuizen eene slappe wacht houdt. Dien weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer innemen!”„Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!”„Dat zal het, De Moor, maar het moet, al schoot er de helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten te vergeefs gemaakt!”En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.De Spanjaard op geene overrompeling bedacht, werd verdreven en de weg tusschen Zoetermeer en Bonthuizen door de vrijbuiters bezet.Maar heeter was de strijd te Zoetermeer.Waar het gevaar het dreigendst was, daar was van Boisot, en zijne machtige stem klonk donderend tusschen het schieten der gotelingen en het kletteren der wapenen in:„Houdt stand, mannen! Op, op, voor Leiden en Oranje!”„Voor Valdez en den Koning!” klonk het van den anderen kant.„Wacht, ik zal je ’reis even „koningen” mooie Don!” riep Cornelis, en zijn musket aanleggende, schoot hij het af en een Spaansch Bevelhebber tuimelde op den grond.„Die kameraad zal onze jutteperen niet meer op-eten, Leidsche hongerlijder,” zeide Eenoog.„Gij hebt eene vaste hand, vaster dan ik! Hier, hier is mijn musket, schiet dat af, dan zal ik dat ding van jou onderwijl laden! Toe dan, knul, kijk, bij dat brandende huisje staat er een, blaas diens lichtje ook eens zoo knapjes uit!”Cornelis keek naar de aangewezen plaats en herkende den bedoelden persoon. Het was Jean Lebon!„Neen, Eenoog, dien man schietikniet dood. Dien man heb ik eens ontmoet, en toen heeft hij mij vertrouwd, niettegenstaande ik hem bedroog!”„Loop naar den Satan, met je gekwezel! Geef hier, dan zal ik mijne kunsten eens toonen,” schreeuwde Eenoog en rukte Cornelis het musket uit de handen.„Jean Lebon, berg-je!” schreeuwde de knaap in eene vlaag van edelmoedigheid, en Jean, die zulks gehoord had, was in een oogwenk verdwenen.„Hier, Lijs Putwater, daar heb-je een presentje van me,” riep de verbitterde vrijbuiter, en wilde Cornelis met de kolf van zijn musket op het hoofd slaan; maar, eer dit geschied was, viel er een schot, en Eenoog lag zoo goed als dood op den grond uitgestrekt.In een oogenblik was Cornelis door een achttal Spanjaarden omringd en reeds wilden dezen hem afmaken, toen Jean Lebon riep: „Houdt op, mannen, het is er een van de onzen!”„Een der onzen? Zijt gij behekst? Hoe zou die tusschen dat geuzenvolk komen?” vroeg een ander.„Ja, en hoe komt hij aan die muts met dat halve maantje?” klonk het van eenen anderen kant.„Slaat dood, slaat dood!” riepen weer anderen. „Jean Lebon is blind!”Reeds drongen van alle kanten de Spanjaarden op hem aan, toen eensklaps in hunne nabijheid de verschrikkelijke stem van den Aanvoerder der vrijbuiters klonk:„Vooruit, vooruit! Zoetermeer is ons! Op, op, voor Oranje en Leiden!”„Voort, voort,” schreeuwden de Spanjaarden en gingen op de vlucht. Jean Lebon werd echter achterhaald, en een der Fransche soldaten, die onder den Prins dienden, gaf hem met zijn breed zwaard zulk eenen geweldigen slag op het hoofd, dat Jean’s helmkap middendoor geslagen werd en hij zieltogend op den grond viel.In een oogenblik was Cornelis den ongelukkige nabij en hem opnemende, droeg hij hem uit het gedrang.„Het is te laat, kameraad,” zeide Jean.„Ho, ho! een boom valt niet met éénen slag,” antwoordde Cornelis.„Gij hebt me bedrogen! Gij waart geen knecht van Valdez: maar ge hebt toch woord gehouden!”„Mijn woord had ik gegeven, Jean, en dat wilde ik niet breken!”„Ik zal Sanne niet meer zien,” sprak de soldaat, en zwakker en zwakker klonk het: „Vrij-buiter, houd-ook-nu-woord-en-en-groet-San-San- .. Sa...”Nog eenen enkelen blik sloeg hij op Cornelis, als wilde hij met de oogen vragen, wat de mond niet meer doen kon.„Ik zal „Bruine Sanne” uw groeten overbrengen, arme vriend,” sprak Cornelis.Jean richtte zich nog half op, stamelde: „Ik-k-om, Moeder!” drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper soldaat, een goed man minder in zijn leger.„Wel te rusten, Jean,” fluisterde Cornelis en ging met tranen in de oogen heen.Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en Zoetermeer genomen.Thans liet van Boisot al zijne vaartuigen komen en vervolgde,steeds voortroeiende, den vluchtenden Spanjaard tot op het Noord-Aasche meer.Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in het noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat hij naderde, liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden dit hoorende, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.„Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan den Burgemeester, en dien aan mijnen vriend van der Does, en, zoo uwe Ouders, of wie dan ook, vragen: „Wanneer komt nu het ontzet?” zeg dan: „Als God maar wil; de vrijbuiter is iederen dag gereed,” zeide de Admiraal.Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden was, doch zijne ervarenheid in het zwemmen, gunde hem eene richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet opzoeken zou.Na eene afwezigheid van een dag of tien kwam hij thans in de stad terug.„We dachten, dat gij omgekomen waart, Cornelis,” zeide de man, die de wacht op den wal hield.„Gelukkig niet,” was het antwoord.„Ik weet niet wat u beter zou geweest zijn, kameraad,” hervatte de andere, „ginds hangt men u op; hier sterft men den hongerdood!”
Op het bepaalde uur traden vier mannen behoedzaam de Rijnsburgsche poort uit. Het waren Jan Treek, Lubbert De Ketelboeter, Joris Slot en Cornelis Joppensz.
Met verrejagers gewapend, sprongen ze van de eene weide op de andere en kwamen langs vele omwegen, ongeveer te één ure te Rijnsburg aan, waar Cornelis, even als den vorigen keer, Leeuwke’s Oom opklopte.
De oude man was aanstonds weer met zijn brood en spek voor den dag gekomen en de vier mannen sloegen er een geducht gat in.
Toen Cornelis alle vragen beantwoord had, die Oom Jan betrekkelijk Gonda en alles, wat Leiden aanging, deed, meende hij heen te gaan, doch de man riep hem even terzijde en vroeg hem: „Hebt gij er nooit eens over gedacht, welken weg ik u wilde aanwijzen om u het best op den Spanjool te kunnen wreken? Ik beloofde het u te zullen zeggen, toen ge de laatste maal bij me waart en naar Delft gingt!”
„Ik had er waarlijk niet meer aan gedacht,” antwoordde Cornelis, „maar ik wenschte het toch graag te weten; want daar er sinds dien tijd geene uitvallen meer gedaan zijn, en het schermutselen met den vijand is verboden, zoo zie ik geene kans meer om eenen Spanjaard in het gras te laten bijten!”
„Dat is ook de rechte weg niet, jongen! Ge gaat nu naar van Boisot! Zeg hem, dat hij de Landscheiding laat doorgraven tusschen Wilsveen en Reguliersdam! Wel zullen ze daar met den Spanjool eene harde noot te kraken hebben; maar het is de beste plaats, hiervan ben ik zeker, daar ik jaren lang te Zoetermeer heb gewoond. Is de Landscheiding eenmaal doorgestoken, dan komt men aan den Voorweg, waarmede hetzelfde moet worden aangevangen. Is men hier maar eenmaal door, dan is men op den besten weg om tot Leiden te komen, want door eene vaart is er dan gelegenheid in den Zoetermeerschen plas te geraken!”
„Maar, Oom Jan, dan moet men de brug voorbij, en ik heb gehoord, dat hier niet meer of minder dan dertig vendels Spanjaarden liggen!”
„Al lagen er honderd vendels, zonder moeite krijgt men niets gedaan. Geloof me, beste jongen, ik spreek uit ondervinding, en laat dit nu uwe wraak zijn, dat ge van Boisot hiertoe tracht over te halen; want ik zeg u, als dat gedaan wordt, en de wind komt eens uit dien noordoosten hoek, waarin hij wel vastgevroren schijnt te zijn, in het noordwesten, dan staan in een paar dagen alle polders om Leiden blank, en zal er water genoeg zijn voor de schepen om verder te komen!”
Cornelis beloofde, dat hij dit aan van Boisot zeggen zou en begaf zich, met de drie anderen, op weg langs het naaste pad door de duinen naar Wassenaar.
Dicht bij Delft scheidde hij zich van zijne makkers en ging met vier duiven den weg op naar Rotterdam, waar hij meende dat de Admiraal was, om eene gunstige gelegenheidaf te wachten, dat hij de Landscheiding kon doorsteken.
Nadat hij bijna een uur geloopen had, begon hij te voelen, dat eene voetreis van Leiden over Rijnsburg naar Delft en nog verder, juist geschikt is, om iemand op het laatst zóó ver te brengen, dat hij niet meer voort kan.
Hij zette zich derhalve op den dijk onder eenen knotwilg neer om wat van de vermoeienis te bekomen, doch zoodra hij daar gezeten was, bemerkte hij eerst recht, welk een genot het was, na zulk eene wandeling, eens even op zijn gemak te kunnen uitblazen.
Hij zette de duiven naast zich in het gras, vlijde zich zoo gemakkelijk mogelijk tegen den stam des booms en keek in het rond.
Overal blank water, behalve op die plaatsen, waar eene bouwhoeve stond, of waar een dorp, dijk of eene kade lag.
Het gezicht was zeer eentonig en, eer hij er aan dacht waren de oogen gesloten, het hoofd viel langzaam en telkens knikkend, op de borst en hij sliep in.
Terwijl hij daar lag te slapen, waren hem, zonder dat hij het gehoord had, vijf Watergeuzen genaderd en een hunner maakte den knaap, door hem heen en weer te schudden, wakker.
Cornelis keek gek in het rond. Hij wreef zich de oogen nog eens uit, en zag toen, dat hij door een vijftal vreemd toegetakelde mannen omringd was.
Hij, die hem gewekt had, en hem nog altijd bij den schouder hield, had geenen neus en maar één oog, en wat de rosse baard van het aangezicht onbedekt had gelaten, was vreeselijk gekorven.
De tweede zou er nog al wel uitgezien hebben, zoo hij zijne ooren maar gehad had, doch deze was hij kwijt.
De derde had aan de linkerhand maar drie vingers en op beide wangen groote brandvlekken.
De vierde had geen lichaamsgebrek, doch zag er recht gemeen uit, terwijl de vijfde maar één goed been had. Hetandere was tendeele door een stuk hout vervangen.
„Waar-waar-ben-ik-ik-toch?” vroeg Cornelis verwonderd.
„Bij Sint-Felten, jongen, waar komt gij dan vandaan, dat gij ons niet kent?” zei hij, die Cornelis bij den schouder had beet gehad, doch hem nu losliet en hem zijne wollen pelsmuts voor de oogen draaide. „Wat staat hier op, manneke?”
„Een zilveren half maantje,” zeide Cornelis.
„Zoo! En als je bij eenen schoolmeester op de banken gezeten, en daar nog wat anders dan kwaad gedaan hebt, dan zal je zeker ook wel zien, wat er op te lezen staat!”
„Liever Turcx dan Paus!” was het antwoord.
„Netjes hoor, je verstaat de kunst! En wat staat er op dit ding?” vroeg dezelfde en haalde de muts van den man zonder ooren van het hoofd.
„Ende spit de la Messe, man!”
„Precies, of in goed Hollandsch: „En tot spijt van de Mis.” Weet gij nu zoo wat onder welk volkje gij aangeland zijt?”
„Ik geloof onder de Zeeuwsche vrijbuiters!”
„De jongen is toch nog een beetje verstandiger dan Meu-Katrijns blinde kat,” zeide de ruwe man en vroeg terstond: „En zijt gij nu niet bang dat wij je levend zullen braden en opeten?”
„Neen, want mijne boodschap heb ik aan eenen der vrijbuiters te doen, en, zoo ik er bang voor was, dan zou ik ze zeker niet op me genomen hebben!”
„Ei-ei! eene boodschap aan eenen onzer! Zoo-zoo! En waar kom-je dan vandaan?”
„Ik ben gisteren avond te tien uren uit Leiden gegaan!”
„Uit Leiden, knaap? Ha, nu begrijp ik het, dat je sliep als eene marmot! Het is me dan ook eene gezegende wandeling, zou ik meenen! En, voor wien hebt gij eene boodschap en waar moet gij die kevie met vier duiven brengen?”
„Bij Admiraal van Boisot, mannen!”
„Bij onzen Admiraal? En hoe komt gij dan hier?”
„Ik meende naar Rotterdam te gaan!”
„Nu, dan zijt gij onder een gelukkig gesternte geboren, dat gij hier zoo in slaap zijt gevallen; want van Boisot is niet meer te Rotterdam! Zie, ginds ligt zijn kromsteven of galei. Wij zijn op pad om de Landscheiding te gaan doorsteken!”
„Dat had ik waarlijk niet beter kunnen treffen! Kunt gij me bij Zijne Edelheid aanboord brengen?”
„Dat zal wel gaan, denk ik,” antwoordde de man, die thans eenen heel anderen toon aansloeg.
„Hier ligt onze boot! Halloh, stapt maar in!”
De vijf mannen plaatsten zich hierop aan de riemen en roeiden stevig door.
Weldra was nu Cornelis bij van Boisot aanboord.
„Vanwaar komt gij, knaap?” vroeg de Admiraal.
„Ik kom uit Leiden, Heer Admiraal,” antwoordde Cornelis en haalde uit den dubbelen bodem der kevie een paar brieven, die aan van Boisot’s adres gericht waren.
„Nu,” zeide van Boisot nadat hij de brieven gelezen had, „het ziet er daar binnen Leiden niet al te best uit, manneke! Hebt gij ook al leeren honger lijden?”
„Ja, Heer Admiraal, ja! Maar het zal nog wel erger worden! Vader zei, dat er voor ons vreeselijke dagen op handen zijn, vooral als de wind niet gauw in het noordwesten komt!”
„En is het volk onder al dat honger lijden over het algemeen nog al goedsmoeds?”
„De meesten wel, Heer Admiraal! Maar er zijn toch ontevredenen ook.” Hierop vertelde Cornelis van de bijeenkomst van enkele ontevreden bij de Koepoort.
„Dat is minder fraai,” zeide van Boisot toen Cornelis hem alles gezegd had. „En wanneer gaat ge naar Leiden terug?”
„Ja, Heer Admiraal, ik zou graag eerst dán terug gaan, als ik er het heugelijk nieuws kon brengen dat de Landscheiding doorgestoken is.”
„Gij spreekt daar van het doorsteken der Landscheiding, knaap! Hoe is het u bekend dat dit ons voornemen is?”
„De mannen die mij hierheen brachten, hebben het mij gezegd, Heer Admiraal! Ook meende Oom Jan, die te Rijnsburg woont, dat het nu gebeuren moest,” antwoordde Cornelis en begon toen meteen te zeggen, op welk eene plaats, zooals Oom Jan zei, die verscheidene jaren hier gewoond had, men dien dijk moest doorsteken om het spoedigst Leiden te kunnen bereiken.
Van Boisot hoorde hem bedaard aan, en toen Cornelis alles gezegd en zoo goed hij kon uitgelegd had, zeide de wakkere Admiraal: „Dienzelfden raad hebben Jeroen Cornelisz. van Zoetermeer, Cornelis Willemsz. van Benthuizen en Leendert Pietersz. van Zevenhuizen mij ook gegeven. We zullen het dan maar beproeven.”
Hierop wendde hij zich tot eenen der Kapiteins en vroeg dezen: „Dunkt het u ook niet goed?”
„Ik zou in deze geenen raad durven geven, Heer Admiraal! Ik ben in deze streken niet bekend. Maar zooals het nu is, zie ik wel, dat er niets van komt! U zou de andere Heeren kunnen raadplegen. Misschien zijn er bij, die den omtrek hebben leeren kennen,” was het antwoord.
„Dat is ook mijn plan,” sprak de Admiraal. Hierop keerde hij zich tot een paar matrozen en zeide: „Hei daar, mannen! In de booten! Gaat Kapitein De Moor zeggen, dat we over een uur scheepsraad zullen houden. Hij ligt te Nootdorp en kan vandaar onze vlag niet zien. En gij, Vendrig, hijsch de Admiraalsvlag!”
Nauwelijks waren de mannen met het bootje op weg om De Moor te gaan roepen, en wapperde de Admiraals-vlag lustig van den achtersteven, toen van alle kanten sloepen werden uitgezet.
De eene Kapitein na den anderen kwam bij van Boisot aanboord, en toen de raad voltallig was, werd Cornelis in de hut des Bevelhebbers geroepen en verzocht aande Heeren te zeggen, wat ook die boer van Rijnsburg aangaande het doorsteken van de Landscheiding had aangeraden.
„Hoe denken de Heeren over een en ander?” vroeg van Boisot toen Cornelis uitgesproken en zich verwijderd had.
„Ik meen, dat het een gevaarlijk spel is, dat we spelen zullen,” zeide Kapitein Adriaen Willemsz.
„En ik geloof,” merkte Kapitein Cret aan, „dat de Heeren Ingelanden beter op de hoogte zullen zijn dan die Rijnsburgsche groentenboer en die andere drie mannen. De Ingelanden hebben me verzekerd, dat de Landscheiding eigenlijk niet ééne geschikte plaats oplevert om doorgestoken te worden; want overal zullen we op de zwarigheid stuiten, dat Rijnland hooger ligt dan Delfland!”
„Hoor eens, Cret,” sprak De Moor, „ik wil gelooven, dat de Ingelanden gelijk hebben, en dat we overal zwarigheden ontmoeten zullen; maar men zal mij moeten toegeven, dat er toch iets gebeuren moet! Wat helpt het den Leidenaars of het water al tot de Landscheiding staat, maar er niet door kan komen. Wordt die dijk niet doorgestoken, dan had men, bij mijne trouwe, de gekheid niet behoeven uit te halen om de Maas- en IJseldijken door te steken. Het is niet Delft, dat belegerd wordt, het is Leiden!”
„Dat weet ik ook wel,” antwoordde Cret eenigszins gebelgd, „maar wat nu toch maar niet kan, dat kan ook niet! Wij vrijbuiters zijn geene halve goden!”
„Eilacie, neen, eer halve duivels dan halve goden,” zeide Willemsz. „Maar ik ben het volkomen met vriend De Moor eens, dat er geene sprake mag zijn van: „dit kan niet en dat kan niet! We moeten alles beproeven!”
„Recht zoo, vriend Willemsz.,” hernam De Moor, „recht zoo! Ik ben er voor, dat we den gegeven raad volgen en de Landscheiding doorsteken op de plaats, die de beste genoemd wordt. Het zal er warm toegaan, dat is zeker; maar, als het zijn moet, dan heb ik goed en bloed voorhet Vaderland veil en mijne vrijbuiters ook. We zijn hier nu eenmaal niet op eene bruiloft!”
„Waar het op vechten aankomt, Kapitein De Moor,” viel Cret weer in, „daar zult ge zien, dat ik ook handen aan het lijf heb! Het is geene vrees, die mij zoo doet spreken!”
„We zijn hiervan overtuigd, Heer Kapitein,” zeide van Boisot, „en ik wed dat vriend De Moor de laatste zijn zal, die aan uwen moed en uwe trouw twijfelt; maar hij is een weinig driftig uitgevallen!”
„Ho, ho,” zeide De Moor lachend. „Hier, mijn waarde, hier is de hand. Een Vlissingsche zeerob is wat heet gebakerd! Dacht ge, dat ik aan uwen moed twijfelde?”
De gulhartig aangeboden hand van den ronden zeeman werd door Cret hartelijk gedrukt, en de vrede onder de Kapiteins was bewaard gebleven.
Nadat nog verscheidene Bevelhebbers het voor en tegen der zaak besproken hadden, ging men eindelijk tot stemming over en er werd besloten, dat de Landscheiding op de genoemde plaats, den elfden van Herfstmaand, zou doorgestoken worden.
Nauwelijks hadden de Spanjaarden zulks gemerkt, of ze trachtten het te beletten; maar ze kwamen te laat;—het werk was reeds verricht.
Thans zat er voor hen niets anders op dan zorg te dragen, dat de vrijbuiters ook den Groenenweg niet doorstaken. De Spanjaarden hielden daar dapper stand.
„Frisch op, Leidsche hongerlijder, en sta niet te gapen, als Jut voor het landhek! Help liever een handje mee!”
Die uitroep gold onzen Cornelis, die reeds dapper aan den slag getrokken was, en thans een klein gebrek aan zijn musket trachtte te verhelpen.
„Er is een gebrek aan mijn musket, kompeer,” antwoordde hij.
„Een gebrek, zijt gij razend? Pak het ding bij den loopen sla er met den kolf op in! Komaan, wakker aangevat! Toon dat gij een hart hebt!”
Cornelis bemerkte alras, dat de Spanjaarden ook geene katten waren om zonder handschoenen aan te vatten, doch nadat ze twee aanvallen afgeslagen hadden, gingen ze toch op de vlucht en gaven aldus den vrijbuiters gelegenheid, om ook den Groenenweg door te graven.
Weldra was dit gebeurd, doch nu zag men, dat de Ingelanden de zwarigheden niet te hoog hadden opgevijzeld; want de vaarten en plassen liepen niet door, met uitzondering van ééne breede sloot, en deze liep nog door de Zoetermeersche brug, die door de Spanjaarden met eene sterke macht bezet was.
„Valt aan, mannen, valt aan! De Spanjaard moet daar verdreven worden, of ons werk is hier vergeefsch geweest! Vooruit, valt aan, valt aan,” beval van Boisot.
De vrijbuiters rukten op en deden eenen geweldigen aanval, doch de Spanjaarden waren er op voorbereid en sloegen hen terug.
„Nog eenmaal mannen, nog eenmaal! Op, op, voor Leiden en den Prins van Oranje!” klonk andermaal de forsche stem des Admiraals.
Met onbesuisd geweld hernieuwden de vrijbuiters den aanval; maar even standvastig als de eerste maal, hielden de Spanjaarden stand. Ze wisten van geen wijken en waar de musketschoten hunne gelederen dunden, daar vulden zij deze dadelijk weder aan.
„Terug, mannen,” riep van Boisot, „dat is hier het Prinsenvolk op de slachtbank brengen! We zullen zien of ons nog geen andere weg openstaat!”
De vrijbuiters niet gewoon krimp te geven, voldeden morrend aan het bevel en trokken terug om nog verscheidene dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere middelen te beramen, teneinde den Spanjaard bij de Zoetermeersche brug mis te loopen.
Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig uit den noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een oogenblik, eene stevige koelte uit het noordwesten.
„Thans hopen wij, dat de ellende spoedig zal geleden zijn, De Moor!” zeide van Boisot.
„Het is te hopen, Heer Admiraal,” antwoordde deze, „doch hoe zullen we verder komen? De raad van dien Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet veel voordeel aangebracht!”
„Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet ge, wat we vannacht wel konden doen, nu het water een weinig gestegen is?”
„Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!”
„Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen Zoetermeer en Bonthuizen eene slappe wacht houdt. Dien weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer innemen!”
„Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!”
„Dat zal het, De Moor, maar het moet, al schoot er de helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten te vergeefs gemaakt!”
En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.
De Spanjaard op geene overrompeling bedacht, werd verdreven en de weg tusschen Zoetermeer en Bonthuizen door de vrijbuiters bezet.
Maar heeter was de strijd te Zoetermeer.
Waar het gevaar het dreigendst was, daar was van Boisot, en zijne machtige stem klonk donderend tusschen het schieten der gotelingen en het kletteren der wapenen in:
„Houdt stand, mannen! Op, op, voor Leiden en Oranje!”
„Voor Valdez en den Koning!” klonk het van den anderen kant.
„Wacht, ik zal je ’reis even „koningen” mooie Don!” riep Cornelis, en zijn musket aanleggende, schoot hij het af en een Spaansch Bevelhebber tuimelde op den grond.
„Die kameraad zal onze jutteperen niet meer op-eten, Leidsche hongerlijder,” zeide Eenoog.
„Gij hebt eene vaste hand, vaster dan ik! Hier, hier is mijn musket, schiet dat af, dan zal ik dat ding van jou onderwijl laden! Toe dan, knul, kijk, bij dat brandende huisje staat er een, blaas diens lichtje ook eens zoo knapjes uit!”
Cornelis keek naar de aangewezen plaats en herkende den bedoelden persoon. Het was Jean Lebon!
„Neen, Eenoog, dien man schietikniet dood. Dien man heb ik eens ontmoet, en toen heeft hij mij vertrouwd, niettegenstaande ik hem bedroog!”
„Loop naar den Satan, met je gekwezel! Geef hier, dan zal ik mijne kunsten eens toonen,” schreeuwde Eenoog en rukte Cornelis het musket uit de handen.
„Jean Lebon, berg-je!” schreeuwde de knaap in eene vlaag van edelmoedigheid, en Jean, die zulks gehoord had, was in een oogwenk verdwenen.
„Hier, Lijs Putwater, daar heb-je een presentje van me,” riep de verbitterde vrijbuiter, en wilde Cornelis met de kolf van zijn musket op het hoofd slaan; maar, eer dit geschied was, viel er een schot, en Eenoog lag zoo goed als dood op den grond uitgestrekt.
In een oogenblik was Cornelis door een achttal Spanjaarden omringd en reeds wilden dezen hem afmaken, toen Jean Lebon riep: „Houdt op, mannen, het is er een van de onzen!”
„Een der onzen? Zijt gij behekst? Hoe zou die tusschen dat geuzenvolk komen?” vroeg een ander.
„Ja, en hoe komt hij aan die muts met dat halve maantje?” klonk het van eenen anderen kant.
„Slaat dood, slaat dood!” riepen weer anderen. „Jean Lebon is blind!”
Reeds drongen van alle kanten de Spanjaarden op hem aan, toen eensklaps in hunne nabijheid de verschrikkelijke stem van den Aanvoerder der vrijbuiters klonk:
„Vooruit, vooruit! Zoetermeer is ons! Op, op, voor Oranje en Leiden!”
„Voort, voort,” schreeuwden de Spanjaarden en gingen op de vlucht. Jean Lebon werd echter achterhaald, en een der Fransche soldaten, die onder den Prins dienden, gaf hem met zijn breed zwaard zulk eenen geweldigen slag op het hoofd, dat Jean’s helmkap middendoor geslagen werd en hij zieltogend op den grond viel.
In een oogenblik was Cornelis den ongelukkige nabij en hem opnemende, droeg hij hem uit het gedrang.
„Het is te laat, kameraad,” zeide Jean.
„Ho, ho! een boom valt niet met éénen slag,” antwoordde Cornelis.
„Gij hebt me bedrogen! Gij waart geen knecht van Valdez: maar ge hebt toch woord gehouden!”
„Mijn woord had ik gegeven, Jean, en dat wilde ik niet breken!”
„Ik zal Sanne niet meer zien,” sprak de soldaat, en zwakker en zwakker klonk het: „Vrij-buiter, houd-ook-nu-woord-en-en-groet-San-San- .. Sa...”
Nog eenen enkelen blik sloeg hij op Cornelis, als wilde hij met de oogen vragen, wat de mond niet meer doen kon.
„Ik zal „Bruine Sanne” uw groeten overbrengen, arme vriend,” sprak Cornelis.
Jean richtte zich nog half op, stamelde: „Ik-k-om, Moeder!” drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper soldaat, een goed man minder in zijn leger.
„Wel te rusten, Jean,” fluisterde Cornelis en ging met tranen in de oogen heen.
Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en Zoetermeer genomen.
Thans liet van Boisot al zijne vaartuigen komen en vervolgde,steeds voortroeiende, den vluchtenden Spanjaard tot op het Noord-Aasche meer.
Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in het noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat hij naderde, liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden dit hoorende, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.
„Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan den Burgemeester, en dien aan mijnen vriend van der Does, en, zoo uwe Ouders, of wie dan ook, vragen: „Wanneer komt nu het ontzet?” zeg dan: „Als God maar wil; de vrijbuiter is iederen dag gereed,” zeide de Admiraal.
Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden was, doch zijne ervarenheid in het zwemmen, gunde hem eene richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet opzoeken zou.
Na eene afwezigheid van een dag of tien kwam hij thans in de stad terug.
„We dachten, dat gij omgekomen waart, Cornelis,” zeide de man, die de wacht op den wal hield.
„Gelukkig niet,” was het antwoord.
„Ik weet niet wat u beter zou geweest zijn, kameraad,” hervatte de andere, „ginds hangt men u op; hier sterft men den hongerdood!”