[Inhoud]XII.Don Stefano Cohecho.Zoo als wij aan het slot van ons IIIdehoofdstukgezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zijn schouder gelegd.De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.—Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:—Is dat alles?—Alles, antwoordde Domingo.Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.—Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan.Domingo bedacht zich een oogenblik.—Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.—Weet gij ook de rede van die waarschuwing?—O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het veer del Rubio.Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.—Weet gij dat zeker? vroeg hij.[80]—Hij heeft mij zoo gezegd.Er volgden eenige sekonden stilte.—Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd?—Niets.—Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.—Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.—Gij kunt er op rekenen, Senor.—Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen.—Ik zal er aan denken.—Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd:—Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.—Dat zullen wij zien.—Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.—Gij hebt gelijk.Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten[81]een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.—Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen.—Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd.—Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend.—Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.—Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gij gedaan hebt.—Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft.—Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.—Kan dat waar zijn?—Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.—Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg don Miguel statig.—Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden teMontereyverscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier.—Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver vanMonterey.—Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen.—Caspita!als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder te komen.—Niet waar?[82]—Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen.—Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel.Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, vanSanta-Fénaar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaanschebravos, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen.Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen:—Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten.Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf.—Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan.…—O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.…—Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal.Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.—Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend.—Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van[83]een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid.Don Stefano zette een wanhopig gezigt.—Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend.—Hoe dat?—Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; ’t is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.…—Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen.—Het zou u inderdaad ergeren.—In ’t minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak.Don Stefano aarzelde.—Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt.—Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen.De jongman fronste de wenkbraauwen.—Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet?—Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen.—Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te bekennen?—Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is.—Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder.—Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken.—Ik luister.—En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige geroostemaïskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen.—Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten.[84]—Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk?—Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen?—Dus zijn wij altoos goede vrienden?—Beter dan ooit, lachte don Miguel.De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.—Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman.—Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg.—Ga uw gang, ga uw gang, caballero.Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen.—Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan.—Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed.—Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg.—Beschouw het op uw gemak, caballero.—Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende.Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.—Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze.—Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,—ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.—Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op mij?—O hemel! neen, dat zweer ik u.—Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt.—Ik ben tot uwe orders.Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit.Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard in en bleef staan.—Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano.—Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en bondig mijne gedachten zeggen en,voto a brios, ik zal het doen ook.De Mexicaan keek hem verbaasd aan.—Ik begrijp u niet, zeide hij.—Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans[85]zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden zijt.—Caballero deze taal.… riep don Stefano.—Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn!—Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn.—Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op ditoogenblikeene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en—vervolgde hij met een sarkastischen grijns,—door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe “gezegende maïskorrels,” de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg.Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijnchicote!(karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden.Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had.—Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht.Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg.
[Inhoud]XII.Don Stefano Cohecho.Zoo als wij aan het slot van ons IIIdehoofdstukgezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zijn schouder gelegd.De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.—Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:—Is dat alles?—Alles, antwoordde Domingo.Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.—Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan.Domingo bedacht zich een oogenblik.—Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.—Weet gij ook de rede van die waarschuwing?—O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het veer del Rubio.Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.—Weet gij dat zeker? vroeg hij.[80]—Hij heeft mij zoo gezegd.Er volgden eenige sekonden stilte.—Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd?—Niets.—Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.—Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.—Gij kunt er op rekenen, Senor.—Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen.—Ik zal er aan denken.—Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd:—Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.—Dat zullen wij zien.—Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.—Gij hebt gelijk.Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten[81]een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.—Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen.—Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd.—Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend.—Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.—Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gij gedaan hebt.—Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft.—Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.—Kan dat waar zijn?—Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.—Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg don Miguel statig.—Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden teMontereyverscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier.—Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver vanMonterey.—Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen.—Caspita!als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder te komen.—Niet waar?[82]—Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen.—Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel.Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, vanSanta-Fénaar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaanschebravos, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen.Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen:—Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten.Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf.—Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan.…—O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.…—Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal.Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.—Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend.—Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van[83]een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid.Don Stefano zette een wanhopig gezigt.—Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend.—Hoe dat?—Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; ’t is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.…—Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen.—Het zou u inderdaad ergeren.—In ’t minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak.Don Stefano aarzelde.—Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt.—Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen.De jongman fronste de wenkbraauwen.—Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet?—Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen.—Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te bekennen?—Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is.—Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder.—Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken.—Ik luister.—En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige geroostemaïskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen.—Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten.[84]—Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk?—Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen?—Dus zijn wij altoos goede vrienden?—Beter dan ooit, lachte don Miguel.De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.—Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman.—Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg.—Ga uw gang, ga uw gang, caballero.Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen.—Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan.—Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed.—Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg.—Beschouw het op uw gemak, caballero.—Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende.Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.—Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze.—Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,—ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.—Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op mij?—O hemel! neen, dat zweer ik u.—Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt.—Ik ben tot uwe orders.Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit.Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard in en bleef staan.—Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano.—Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en bondig mijne gedachten zeggen en,voto a brios, ik zal het doen ook.De Mexicaan keek hem verbaasd aan.—Ik begrijp u niet, zeide hij.—Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans[85]zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden zijt.—Caballero deze taal.… riep don Stefano.—Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn!—Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn.—Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op ditoogenblikeene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en—vervolgde hij met een sarkastischen grijns,—door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe “gezegende maïskorrels,” de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg.Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijnchicote!(karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden.Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had.—Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht.Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg.
XII.Don Stefano Cohecho.
Zoo als wij aan het slot van ons IIIdehoofdstukgezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zijn schouder gelegd.De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.—Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:—Is dat alles?—Alles, antwoordde Domingo.Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.—Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan.Domingo bedacht zich een oogenblik.—Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.—Weet gij ook de rede van die waarschuwing?—O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het veer del Rubio.Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.—Weet gij dat zeker? vroeg hij.[80]—Hij heeft mij zoo gezegd.Er volgden eenige sekonden stilte.—Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd?—Niets.—Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.—Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.—Gij kunt er op rekenen, Senor.—Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen.—Ik zal er aan denken.—Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd:—Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.—Dat zullen wij zien.—Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.—Gij hebt gelijk.Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten[81]een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.—Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen.—Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd.—Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend.—Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.—Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gij gedaan hebt.—Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft.—Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.—Kan dat waar zijn?—Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.—Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg don Miguel statig.—Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden teMontereyverscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier.—Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver vanMonterey.—Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen.—Caspita!als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder te komen.—Niet waar?[82]—Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen.—Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel.Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, vanSanta-Fénaar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaanschebravos, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen.Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen:—Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten.Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf.—Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan.…—O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.…—Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal.Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.—Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend.—Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van[83]een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid.Don Stefano zette een wanhopig gezigt.—Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend.—Hoe dat?—Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; ’t is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.…—Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen.—Het zou u inderdaad ergeren.—In ’t minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak.Don Stefano aarzelde.—Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt.—Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen.De jongman fronste de wenkbraauwen.—Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet?—Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen.—Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te bekennen?—Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is.—Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder.—Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken.—Ik luister.—En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige geroostemaïskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen.—Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten.[84]—Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk?—Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen?—Dus zijn wij altoos goede vrienden?—Beter dan ooit, lachte don Miguel.De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.—Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman.—Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg.—Ga uw gang, ga uw gang, caballero.Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen.—Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan.—Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed.—Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg.—Beschouw het op uw gemak, caballero.—Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende.Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.—Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze.—Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,—ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.—Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op mij?—O hemel! neen, dat zweer ik u.—Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt.—Ik ben tot uwe orders.Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit.Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard in en bleef staan.—Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano.—Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en bondig mijne gedachten zeggen en,voto a brios, ik zal het doen ook.De Mexicaan keek hem verbaasd aan.—Ik begrijp u niet, zeide hij.—Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans[85]zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden zijt.—Caballero deze taal.… riep don Stefano.—Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn!—Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn.—Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op ditoogenblikeene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en—vervolgde hij met een sarkastischen grijns,—door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe “gezegende maïskorrels,” de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg.Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijnchicote!(karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden.Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had.—Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht.Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg.
Zoo als wij aan het slot van ons IIIdehoofdstukgezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.
Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.
Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.
Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zijn schouder gelegd.
De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.
—Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.
Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:
—Is dat alles?
—Alles, antwoordde Domingo.
Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.
—Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan.
Domingo bedacht zich een oogenblik.
—Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.
—Weet gij ook de rede van die waarschuwing?
—O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het veer del Rubio.
Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.
—Weet gij dat zeker? vroeg hij.[80]
—Hij heeft mij zoo gezegd.
Er volgden eenige sekonden stilte.
—Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd?
—Niets.
—Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.
—Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.
—Gij kunt er op rekenen, Senor.
—Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen.
—Ik zal er aan denken.
—Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!
De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd:
—Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.
—Dat zullen wij zien.
—Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.
—Gij hebt gelijk.
Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.
Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.
Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.
Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.
Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten[81]een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.
—Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen.
—Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd.
—Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend.
—Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.
—Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gij gedaan hebt.
—Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft.
—Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.
—Kan dat waar zijn?
—Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.
—Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg don Miguel statig.
—Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden teMontereyverscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier.
—Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver vanMonterey.
—Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen.
—Caspita!als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder te komen.
—Niet waar?[82]
—Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen.
—Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel.
Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, vanSanta-Fénaar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaanschebravos, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen.
Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen:
—Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten.
Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf.
—Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan.…
—O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.…
—Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal.
Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.
—Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend.
—Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van[83]een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid.
Don Stefano zette een wanhopig gezigt.
—Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend.
—Hoe dat?
—Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; ’t is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.…
—Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen.
—Het zou u inderdaad ergeren.
—In ’t minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak.
Don Stefano aarzelde.
—Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt.
—Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen.
De jongman fronste de wenkbraauwen.
—Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet?
—Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen.
—Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te bekennen?
—Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is.
—Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder.
—Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken.
—Ik luister.
—En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige geroostemaïskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen.
—Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten.[84]
—Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk?
—Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen?
—Dus zijn wij altoos goede vrienden?
—Beter dan ooit, lachte don Miguel.
De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.
—Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman.
—Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg.
—Ga uw gang, ga uw gang, caballero.
Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen.
—Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan.
—Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed.
—Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg.
—Beschouw het op uw gemak, caballero.
—Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende.
Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.
—Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze.
—Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,—ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.
—Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op mij?
—O hemel! neen, dat zweer ik u.
—Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt.
—Ik ben tot uwe orders.
Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit.
Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard in en bleef staan.
—Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano.
—Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en bondig mijne gedachten zeggen en,voto a brios, ik zal het doen ook.
De Mexicaan keek hem verbaasd aan.
—Ik begrijp u niet, zeide hij.
—Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans[85]zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden zijt.
—Caballero deze taal.… riep don Stefano.
—Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn!
—Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn.
—Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op ditoogenblikeene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en—vervolgde hij met een sarkastischen grijns,—door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe “gezegende maïskorrels,” de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg.
Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijnchicote!(karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden.
Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had.
—Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht.
Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg.