[Inhoud]XIII.De hinderlaag.Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren[86]doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte.Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten voor zonsondergang.Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden.De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte.Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen.Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door deIndianenworden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient.De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld.Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt.Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund.[87]Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan.Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat.Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak:—Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag.—Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn.Na zijne kameraden eenen laatstenafscheidsgroette hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna droogvoets kon oversteken.Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde.Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen door[88]struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in ’t oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen.—Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak.—Ooah!riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht.—Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden?—Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt.—Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie?—Ooah!maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken.—Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne troep deeenigeis die op dit oogenblik de wildernis doortrekt?De Roodhuid schudde het hoofd.—Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand.—Waarom zoudt gij dat denken?De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later:—Mijn broeder zal het zien.—Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden.—Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk.—Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd.—De belofte van Addick is heilig.—Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind.Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen.[89]—Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind?Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, deQueche-Pitao(Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten.—Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?—Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in deQueche, ver buiten het bereik harer vijanden.—En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen?De Indiaan aarzelde een poosje.—Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten.Don Miguel zuchtte.—Dat is vreemd, prevelde hij.Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond.—Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij.—Ik zal ze spoedig gaan bezoeken.—Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?—Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen.Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.—Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij.—Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?—Niets anders dan hetgeen ik zeg.—Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?—Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft toevertrouwd.—Zal ik u spoedig wederzien?—Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven?—Dat heb ik.—Wanneer komt mijn broeder daar?—In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag?—Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.—Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het laatst ontmoet hebben.—Addick zal er zijn.—Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt met kracht op, ik moet weg.[90]—Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden.—Adieu! riep don Miguel.Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg.Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn.Na vooraf een bespiedenden blik in ’t rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan.Die man was don Stefano Cohecho.—Wel? vroeg hij.—Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon.—Alles.—Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen?—Niets.—Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader?—Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed?—Ja.—Waar zijn ze?—Op de aangewezen plaats.—Goed, laat ons vertrekken.—Ja, vertrekken wij.De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om zich te doen verstaan.—Komt! riep don Stefano met luider stem.Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn.—Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende.Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:—Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man?—Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.Thans reden zij weg.—Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats[91]te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen.Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt langs hem heen.De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.—Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen in het Spaansch.Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den grond niet meer scheen te raken.Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind najaagden.—Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen.Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare vijanden te verdedigen,—Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand![92]Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.—Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door zijne drie dappere helpers.Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.—Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat.—O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.—Dood en verderf! was het antwoord.De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, tuimelde in ’t zand.—Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad.De bergpas was weder vrij.Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant.Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen.Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat naar een zweepslag geleek.—Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand.Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte[93]beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd.Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers beantwoord werd met:—Courage!Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:—Laura! Laura!Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in de duisternis.Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?
[Inhoud]XIII.De hinderlaag.Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren[86]doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte.Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten voor zonsondergang.Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden.De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte.Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen.Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door deIndianenworden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient.De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld.Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt.Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund.[87]Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan.Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat.Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak:—Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag.—Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn.Na zijne kameraden eenen laatstenafscheidsgroette hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna droogvoets kon oversteken.Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde.Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen door[88]struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in ’t oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen.—Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak.—Ooah!riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht.—Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden?—Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt.—Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie?—Ooah!maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken.—Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne troep deeenigeis die op dit oogenblik de wildernis doortrekt?De Roodhuid schudde het hoofd.—Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand.—Waarom zoudt gij dat denken?De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later:—Mijn broeder zal het zien.—Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden.—Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk.—Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd.—De belofte van Addick is heilig.—Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind.Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen.[89]—Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind?Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, deQueche-Pitao(Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten.—Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?—Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in deQueche, ver buiten het bereik harer vijanden.—En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen?De Indiaan aarzelde een poosje.—Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten.Don Miguel zuchtte.—Dat is vreemd, prevelde hij.Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond.—Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij.—Ik zal ze spoedig gaan bezoeken.—Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?—Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen.Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.—Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij.—Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?—Niets anders dan hetgeen ik zeg.—Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?—Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft toevertrouwd.—Zal ik u spoedig wederzien?—Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven?—Dat heb ik.—Wanneer komt mijn broeder daar?—In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag?—Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.—Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het laatst ontmoet hebben.—Addick zal er zijn.—Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt met kracht op, ik moet weg.[90]—Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden.—Adieu! riep don Miguel.Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg.Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn.Na vooraf een bespiedenden blik in ’t rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan.Die man was don Stefano Cohecho.—Wel? vroeg hij.—Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon.—Alles.—Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen?—Niets.—Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader?—Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed?—Ja.—Waar zijn ze?—Op de aangewezen plaats.—Goed, laat ons vertrekken.—Ja, vertrekken wij.De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om zich te doen verstaan.—Komt! riep don Stefano met luider stem.Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn.—Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende.Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:—Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man?—Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.Thans reden zij weg.—Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats[91]te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen.Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt langs hem heen.De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.—Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen in het Spaansch.Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den grond niet meer scheen te raken.Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind najaagden.—Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen.Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare vijanden te verdedigen,—Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand![92]Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.—Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door zijne drie dappere helpers.Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.—Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat.—O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.—Dood en verderf! was het antwoord.De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, tuimelde in ’t zand.—Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad.De bergpas was weder vrij.Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant.Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen.Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat naar een zweepslag geleek.—Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand.Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte[93]beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd.Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers beantwoord werd met:—Courage!Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:—Laura! Laura!Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in de duisternis.Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?
XIII.De hinderlaag.
Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren[86]doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte.Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten voor zonsondergang.Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden.De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte.Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen.Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door deIndianenworden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient.De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld.Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt.Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund.[87]Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan.Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat.Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak:—Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag.—Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn.Na zijne kameraden eenen laatstenafscheidsgroette hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna droogvoets kon oversteken.Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde.Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen door[88]struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in ’t oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen.—Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak.—Ooah!riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht.—Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden?—Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt.—Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie?—Ooah!maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken.—Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne troep deeenigeis die op dit oogenblik de wildernis doortrekt?De Roodhuid schudde het hoofd.—Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand.—Waarom zoudt gij dat denken?De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later:—Mijn broeder zal het zien.—Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden.—Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk.—Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd.—De belofte van Addick is heilig.—Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind.Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen.[89]—Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind?Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, deQueche-Pitao(Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten.—Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?—Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in deQueche, ver buiten het bereik harer vijanden.—En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen?De Indiaan aarzelde een poosje.—Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten.Don Miguel zuchtte.—Dat is vreemd, prevelde hij.Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond.—Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij.—Ik zal ze spoedig gaan bezoeken.—Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?—Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen.Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.—Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij.—Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?—Niets anders dan hetgeen ik zeg.—Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?—Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft toevertrouwd.—Zal ik u spoedig wederzien?—Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven?—Dat heb ik.—Wanneer komt mijn broeder daar?—In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag?—Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.—Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het laatst ontmoet hebben.—Addick zal er zijn.—Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt met kracht op, ik moet weg.[90]—Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden.—Adieu! riep don Miguel.Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg.Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn.Na vooraf een bespiedenden blik in ’t rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan.Die man was don Stefano Cohecho.—Wel? vroeg hij.—Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon.—Alles.—Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen?—Niets.—Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader?—Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed?—Ja.—Waar zijn ze?—Op de aangewezen plaats.—Goed, laat ons vertrekken.—Ja, vertrekken wij.De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om zich te doen verstaan.—Komt! riep don Stefano met luider stem.Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn.—Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende.Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:—Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man?—Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.Thans reden zij weg.—Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats[91]te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen.Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt langs hem heen.De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.—Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen in het Spaansch.Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den grond niet meer scheen te raken.Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind najaagden.—Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen.Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare vijanden te verdedigen,—Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand![92]Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.—Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door zijne drie dappere helpers.Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.—Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat.—O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.—Dood en verderf! was het antwoord.De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, tuimelde in ’t zand.—Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad.De bergpas was weder vrij.Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant.Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen.Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat naar een zweepslag geleek.—Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand.Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte[93]beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd.Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers beantwoord werd met:—Courage!Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:—Laura! Laura!Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in de duisternis.Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?
Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren[86]doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte.
Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten voor zonsondergang.
Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden.
De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte.
Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen.
Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door deIndianenworden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient.
De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld.
Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt.
Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund.[87]
Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan.
Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat.
Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak:
—Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag.
—Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn.
Na zijne kameraden eenen laatstenafscheidsgroette hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna droogvoets kon oversteken.
Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde.
Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen door[88]struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.
Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in ’t oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen.
—Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak.
—Ooah!riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht.
—Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden?
—Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt.
—Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie?
—Ooah!maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken.
—Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne troep deeenigeis die op dit oogenblik de wildernis doortrekt?
De Roodhuid schudde het hoofd.
—Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand.
—Waarom zoudt gij dat denken?
De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later:
—Mijn broeder zal het zien.
—Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden.
—Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk.
—Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd.
—De belofte van Addick is heilig.
—Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind.
Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen.[89]
—Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind?
Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, deQueche-Pitao(Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten.
—Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?
—Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in deQueche, ver buiten het bereik harer vijanden.
—En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen?
De Indiaan aarzelde een poosje.
—Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten.
Don Miguel zuchtte.
—Dat is vreemd, prevelde hij.
Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond.
—Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij.
—Ik zal ze spoedig gaan bezoeken.
—Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?
—Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen.
Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.
—Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij.
—Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?
—Niets anders dan hetgeen ik zeg.
—Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?
—Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft toevertrouwd.
—Zal ik u spoedig wederzien?
—Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven?
—Dat heb ik.
—Wanneer komt mijn broeder daar?
—In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag?
—Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.
—Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het laatst ontmoet hebben.
—Addick zal er zijn.
—Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt met kracht op, ik moet weg.[90]
—Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden.
—Adieu! riep don Miguel.
Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg.
Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.
Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn.
Na vooraf een bespiedenden blik in ’t rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan.
Die man was don Stefano Cohecho.
—Wel? vroeg hij.
—Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon.
—Alles.
—Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen?
—Niets.
—Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader?
—Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed?
—Ja.
—Waar zijn ze?
—Op de aangewezen plaats.
—Goed, laat ons vertrekken.
—Ja, vertrekken wij.
De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om zich te doen verstaan.
—Komt! riep don Stefano met luider stem.
Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn.
—Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende.
Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:
—Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man?
—Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.
Thans reden zij weg.—
Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats[91]te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.
Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen.
Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt langs hem heen.
De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.
—Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.
Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.
Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen in het Spaansch.
Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den grond niet meer scheen te raken.
Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind najaagden.
—Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen.
Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare vijanden te verdedigen,
—Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand![92]
Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.
Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.
—Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!
Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door zijne drie dappere helpers.
Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.
—Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat.
—O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.
—Dood en verderf! was het antwoord.
De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, tuimelde in ’t zand.
—Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.
Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad.
De bergpas was weder vrij.
Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant.
Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen.
Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat naar een zweepslag geleek.
—Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand.
Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte[93]beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd.
Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers beantwoord werd met:
—Courage!
Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:
—Laura! Laura!
Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in de duisternis.
Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?