XIV.

[Inhoud]XIV.De reizigers.De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorigehoofdstukvermelde feiten.Ongeveer een uur na detarde,—dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt—trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen zou.Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten[94]in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen.Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierdetorquilla(kap), demanga(mouwvest), de fluweelencalzoneras(broek) aan de knieën open, debotas vaqueros(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, eennavaja(dolk) en eenmachete(korte sabel).Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven te zijn.Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse derIndios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden of gewone reizigers konden zijn.[95]Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?Waar gingen zij heen of wat zochten zij?Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:—Houdt moed,muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.—Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een dercriados(knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen.—De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb.—Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek af.—Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.—Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt.Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan en wendde zich naar hen om.—Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch?De bedienden zagen uit.—Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt.[96]—Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel onzer reize.—Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.—Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.—Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik heb u jaren lang alsvaquero(koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden zijn.—Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast,maar ongelukkig komt zij een beetje te laat.—Waarom?—Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.—Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.—Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.—Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan—een bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen.—Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God[97]is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.—Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen.De drie mannen wisselden een blik van verrassing.—Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen.—Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger;de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.—Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven.Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.—Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don Mariano.[98]—O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien.—Gij wildet dus door ons gezien worden?—Ja; het was een gewaagde zaak.—Dat begrijp ik niet.—Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken.—Zijt gij dan bang voor dien ruiter?—Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.—Gij kent hem dus?—Volstrekt niet.—Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.—Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig weten zoudt?—Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij.Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op:—Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik[99]op raad van het opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt.—En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten.—Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen.—Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen.—Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen ons te doen staat.Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap.Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.—Het is tijd, zeide hij.Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt.Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet.Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.[100]—Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit.—Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd.Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen aan de overzijde plaats had.

[Inhoud]XIV.De reizigers.De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorigehoofdstukvermelde feiten.Ongeveer een uur na detarde,—dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt—trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen zou.Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten[94]in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen.Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierdetorquilla(kap), demanga(mouwvest), de fluweelencalzoneras(broek) aan de knieën open, debotas vaqueros(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, eennavaja(dolk) en eenmachete(korte sabel).Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven te zijn.Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse derIndios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden of gewone reizigers konden zijn.[95]Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?Waar gingen zij heen of wat zochten zij?Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:—Houdt moed,muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.—Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een dercriados(knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen.—De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb.—Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek af.—Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.—Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt.Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan en wendde zich naar hen om.—Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch?De bedienden zagen uit.—Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt.[96]—Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel onzer reize.—Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.—Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.—Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik heb u jaren lang alsvaquero(koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden zijn.—Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast,maar ongelukkig komt zij een beetje te laat.—Waarom?—Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.—Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.—Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.—Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan—een bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen.—Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God[97]is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.—Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen.De drie mannen wisselden een blik van verrassing.—Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen.—Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger;de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.—Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven.Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.—Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don Mariano.[98]—O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien.—Gij wildet dus door ons gezien worden?—Ja; het was een gewaagde zaak.—Dat begrijp ik niet.—Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken.—Zijt gij dan bang voor dien ruiter?—Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.—Gij kent hem dus?—Volstrekt niet.—Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.—Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig weten zoudt?—Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij.Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op:—Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik[99]op raad van het opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt.—En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten.—Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen.—Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen.—Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen ons te doen staat.Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap.Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.—Het is tijd, zeide hij.Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt.Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet.Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.[100]—Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit.—Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd.Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen aan de overzijde plaats had.

XIV.De reizigers.

De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorigehoofdstukvermelde feiten.Ongeveer een uur na detarde,—dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt—trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen zou.Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten[94]in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen.Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierdetorquilla(kap), demanga(mouwvest), de fluweelencalzoneras(broek) aan de knieën open, debotas vaqueros(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, eennavaja(dolk) en eenmachete(korte sabel).Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven te zijn.Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse derIndios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden of gewone reizigers konden zijn.[95]Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?Waar gingen zij heen of wat zochten zij?Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:—Houdt moed,muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.—Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een dercriados(knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen.—De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb.—Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek af.—Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.—Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt.Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan en wendde zich naar hen om.—Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch?De bedienden zagen uit.—Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt.[96]—Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel onzer reize.—Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.—Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.—Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik heb u jaren lang alsvaquero(koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden zijn.—Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast,maar ongelukkig komt zij een beetje te laat.—Waarom?—Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.—Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.—Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.—Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan—een bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen.—Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God[97]is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.—Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen.De drie mannen wisselden een blik van verrassing.—Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen.—Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger;de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.—Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven.Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.—Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don Mariano.[98]—O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien.—Gij wildet dus door ons gezien worden?—Ja; het was een gewaagde zaak.—Dat begrijp ik niet.—Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken.—Zijt gij dan bang voor dien ruiter?—Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.—Gij kent hem dus?—Volstrekt niet.—Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.—Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig weten zoudt?—Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij.Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op:—Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik[99]op raad van het opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt.—En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten.—Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen.—Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen.—Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen ons te doen staat.Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap.Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.—Het is tijd, zeide hij.Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt.Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet.Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.[100]—Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit.—Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd.Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen aan de overzijde plaats had.

De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorigehoofdstukvermelde feiten.

Ongeveer een uur na detarde,—dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt—trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen zou.

Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten[94]in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen.

Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierdetorquilla(kap), demanga(mouwvest), de fluweelencalzoneras(broek) aan de knieën open, debotas vaqueros(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, eennavaja(dolk) en eenmachete(korte sabel).Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.

Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven te zijn.

Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.

Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse derIndios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.

De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.

De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.

Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden of gewone reizigers konden zijn.[95]

Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?

Waar gingen zij heen of wat zochten zij?

Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.

Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:

—Houdt moed,muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.

—Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een dercriados(knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen.

—De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb.

—Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek af.

—Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.

—Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.

De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt.

Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan en wendde zich naar hen om.

—Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch?

De bedienden zagen uit.

—Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt.[96]

—Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel onzer reize.

—Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.

—Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.

—Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik heb u jaren lang alsvaquero(koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden zijn.

—Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast,maar ongelukkig komt zij een beetje te laat.

—Waarom?

—Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.

—Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.

Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.

—Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.

—Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan—een bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen.

—Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God[97]is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.

Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.

—Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen.

De drie mannen wisselden een blik van verrassing.

—Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen.

—Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.

Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.

Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.

De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.

De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.

Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger;de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.

—Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.

—Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don Mariano.[98]

—O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien.

—Gij wildet dus door ons gezien worden?

—Ja; het was een gewaagde zaak.

—Dat begrijp ik niet.

—Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken.

—Zijt gij dan bang voor dien ruiter?

—Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.

—Gij kent hem dus?

—Volstrekt niet.

—Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.

—Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig weten zoudt?

—Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.

Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij.

Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op:

—Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik[99]op raad van het opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt.

—En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten.

—Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen.

—Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen.

—Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen ons te doen staat.

Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap.

Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.

—Het is tijd, zeide hij.

Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.

Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt.

Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet.

Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.[100]

—Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit.

—Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd.

Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen aan de overzijde plaats had.


Back to IndexNext