XIX.

[Inhoud]XIX.Het geregtelijk verhoor.Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.—Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.Don Miguel schudde het hoofd.—Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij.—Wat wilt gij toch met mij?—Dat zult gij zien.Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden.Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.—Hoe is uw naam? begon hij.—Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.—De regters wisselden een blik.—Waar zijt gij geboren?—Te Mazatlan in1808.—Welk is uw beroep?—Koopman te Santa-Fé.—Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?—Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.—Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.—Ik moet u onder ’t oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen mij vermoeijen.—Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?[128]—Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.—Waar gaat gij heen?—Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.—Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.—Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.—Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik.—Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.…—Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.—Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan.Don Miguel keek hem strak in ’t gezigt.Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.—Ik zal u voldoen, zei de president.—Ik luister.—Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho.—Welnu?—Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.Don Miguel vervolgde:—Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in1805.Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan—gelijk wij hem voortaan noemen zullen—achtte het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen.Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:—Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden[129]blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik upor Dios!dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te gronden tegen een caballero!Cuerpo de Christo!ben ik dan deeenigein de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? ’t Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.—Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.—Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.—Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben.—Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, ik heb in ’t minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.[130]—Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen.—Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:—Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.—O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat overtoog.Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:—Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan?Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht.Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord nam, op de volgende wijs:—Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen[131]voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.—Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.—Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met blijkbaren ernst: “Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan ik geweest ben.” Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,—eene stem des hemels, die ik niet had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord[132]te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen.Er volgde een poosje stilte.Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.—Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, don[133]Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.—Op zekeren avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder zoude zien, meldde zichiemand, in een wijden mantel gewikkeld en met densombrerodiep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en hem bij don Mariano inleidde.Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.—Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen zal kort zijn.Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, hervatte hij:—Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend is.—Zij zijn dood, antwoordde ik.—Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne juweelen in verborgen had:—Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:—Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen:—“Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is[134]in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer de Real delMontedit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft.” Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was.Don Miguel hield op.—Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij het misschien die.…—Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige.—Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van de hand wees.—Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, wij hebben er nog sterkere in handen.[135]—Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano.—Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl hij opstond.Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten.

[Inhoud]XIX.Het geregtelijk verhoor.Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.—Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.Don Miguel schudde het hoofd.—Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij.—Wat wilt gij toch met mij?—Dat zult gij zien.Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden.Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.—Hoe is uw naam? begon hij.—Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.—De regters wisselden een blik.—Waar zijt gij geboren?—Te Mazatlan in1808.—Welk is uw beroep?—Koopman te Santa-Fé.—Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?—Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.—Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.—Ik moet u onder ’t oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen mij vermoeijen.—Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?[128]—Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.—Waar gaat gij heen?—Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.—Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.—Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.—Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik.—Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.…—Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.—Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan.Don Miguel keek hem strak in ’t gezigt.Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.—Ik zal u voldoen, zei de president.—Ik luister.—Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho.—Welnu?—Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.Don Miguel vervolgde:—Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in1805.Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan—gelijk wij hem voortaan noemen zullen—achtte het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen.Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:—Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden[129]blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik upor Dios!dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te gronden tegen een caballero!Cuerpo de Christo!ben ik dan deeenigein de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? ’t Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.—Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.—Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.—Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben.—Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, ik heb in ’t minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.[130]—Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen.—Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:—Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.—O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat overtoog.Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:—Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan?Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht.Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord nam, op de volgende wijs:—Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen[131]voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.—Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.—Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met blijkbaren ernst: “Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan ik geweest ben.” Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,—eene stem des hemels, die ik niet had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord[132]te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen.Er volgde een poosje stilte.Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.—Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, don[133]Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.—Op zekeren avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder zoude zien, meldde zichiemand, in een wijden mantel gewikkeld en met densombrerodiep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en hem bij don Mariano inleidde.Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.—Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen zal kort zijn.Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, hervatte hij:—Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend is.—Zij zijn dood, antwoordde ik.—Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne juweelen in verborgen had:—Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:—Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen:—“Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is[134]in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer de Real delMontedit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft.” Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was.Don Miguel hield op.—Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij het misschien die.…—Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige.—Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van de hand wees.—Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, wij hebben er nog sterkere in handen.[135]—Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano.—Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl hij opstond.Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten.

XIX.Het geregtelijk verhoor.

Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.—Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.Don Miguel schudde het hoofd.—Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij.—Wat wilt gij toch met mij?—Dat zult gij zien.Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden.Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.—Hoe is uw naam? begon hij.—Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.—De regters wisselden een blik.—Waar zijt gij geboren?—Te Mazatlan in1808.—Welk is uw beroep?—Koopman te Santa-Fé.—Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?—Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.—Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.—Ik moet u onder ’t oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen mij vermoeijen.—Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?[128]—Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.—Waar gaat gij heen?—Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.—Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.—Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.—Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik.—Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.…—Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.—Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan.Don Miguel keek hem strak in ’t gezigt.Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.—Ik zal u voldoen, zei de president.—Ik luister.—Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho.—Welnu?—Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.Don Miguel vervolgde:—Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in1805.Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan—gelijk wij hem voortaan noemen zullen—achtte het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen.Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:—Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden[129]blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik upor Dios!dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te gronden tegen een caballero!Cuerpo de Christo!ben ik dan deeenigein de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? ’t Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.—Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.—Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.—Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben.—Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, ik heb in ’t minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.[130]—Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen.—Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:—Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.—O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat overtoog.Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:—Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan?Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht.Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord nam, op de volgende wijs:—Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen[131]voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.—Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.—Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met blijkbaren ernst: “Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan ik geweest ben.” Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,—eene stem des hemels, die ik niet had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord[132]te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen.Er volgde een poosje stilte.Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.—Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, don[133]Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.—Op zekeren avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder zoude zien, meldde zichiemand, in een wijden mantel gewikkeld en met densombrerodiep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en hem bij don Mariano inleidde.Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.—Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen zal kort zijn.Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, hervatte hij:—Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend is.—Zij zijn dood, antwoordde ik.—Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne juweelen in verborgen had:—Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:—Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen:—“Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is[134]in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer de Real delMontedit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft.” Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was.Don Miguel hield op.—Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij het misschien die.…—Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige.—Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van de hand wees.—Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, wij hebben er nog sterkere in handen.[135]—Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano.—Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl hij opstond.Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten.

Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.

Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.

—Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.

Don Miguel schudde het hoofd.

—Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij.

—Wat wilt gij toch met mij?

—Dat zult gij zien.

Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden.

Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.

—Hoe is uw naam? begon hij.

—Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.

—De regters wisselden een blik.

—Waar zijt gij geboren?

—Te Mazatlan in1808.

—Welk is uw beroep?

—Koopman te Santa-Fé.

—Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?

—Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.

—Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.

—Ik moet u onder ’t oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen mij vermoeijen.

—Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?[128]

—Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.

—Waar gaat gij heen?

—Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.

—Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.

—Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.

—Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.

Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik.

—Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.…

—Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.

—Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan.

Don Miguel keek hem strak in ’t gezigt.

Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.

—Ik zal u voldoen, zei de president.

—Ik luister.

—Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho.

—Welnu?

—Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.

Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.

Don Miguel vervolgde:

—Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in1805.

Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan—gelijk wij hem voortaan noemen zullen—achtte het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen.

Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:

—Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden[129]blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.

Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:

Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik upor Dios!dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te gronden tegen een caballero!Cuerpo de Christo!ben ik dan deeenigein de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? ’t Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.

—Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.

—Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.

—Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben.

—Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, ik heb in ’t minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.

Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.[130]

—Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen.

—Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.

Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:

—Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.

—O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat overtoog.

Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:

—Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan?

Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.

Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht.

Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord nam, op de volgende wijs:

—Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen[131]voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.

Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.

—Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.

—Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met blijkbaren ernst: “Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan ik geweest ben.” Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,—eene stem des hemels, die ik niet had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord[132]te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.

Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen.

Er volgde een poosje stilte.

Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.

Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.

—Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, don[133]Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.—Op zekeren avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder zoude zien, meldde zichiemand, in een wijden mantel gewikkeld en met densombrerodiep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en hem bij don Mariano inleidde.

Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.

—Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen zal kort zijn.

Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, hervatte hij:

—Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend is.

—Zij zijn dood, antwoordde ik.

—Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?

Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne juweelen in verborgen had:

—Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:

—Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.

Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:

Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen:

—“Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is[134]in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer de Real delMontedit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft.” Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was.

Don Miguel hield op.

—Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij het misschien die.…

—Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige.

—Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.

Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van de hand wees.

—Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, wij hebben er nog sterkere in handen.[135]

—Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano.

—Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl hij opstond.

Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten.


Back to IndexNext