[Inhoud]XX.Het vonnis.De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De Gambucinos verzameldenocote-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:—Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijkin pacewaar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb opgenomen.Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos[136]bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij:—Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen.Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met een spottenden blik.—O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als uwe zoetsappige snorkerij.Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt:—Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van hem dien het aangaat.—Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man.—Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit,[137]ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en wettige middelen.De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om hen te bedriegen?—Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene[138]hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of andere misdaad.Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig.De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd.Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed.—Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van haar vader wildet terugvoeren?—Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde verwondering, moet ik u dan alles zeggen?—Ja, alles, hernam de jongman kortaf.—Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan.Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging.—Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij zulk een schandelijken laster in ’t aangezigt zeggen?De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan[139]wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor de algemeene afkeuring.Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen.—Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe ziel en op uw geweten: is deze man schuldig?Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond ernstig, aller hart klopte hevig.Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, zijn lot af.Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon:—Caballeros, is deze man schuldig?—Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond.Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den terugkeer van het bewustzijn voorafgaan.Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in ’t oor:—Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn broeder laten bijwonen?—Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen wij hem het best verwijderen?—Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren.—Haast u dan.Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te[140]gaan. Door den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord.Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van begreep.—Ik ben verloren! mompelde hij.Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door een tooverslag.—Welke straf heeft de schuldige verdiend?—De dood! riepen allen, als een echo uit het graf.Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager:—Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende.—Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om oog, tand om tand.Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, met eene gesmoorde stem uitriep:—O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt mij liever op eens.—Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes.—O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken.—Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken.[141]—O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in magtelooze woede rondkroop.—Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen.Nu ging zijne woede in radeloosheid over.O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij!Loer-Vogel trad naar hem toe.—De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen?—Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd.—Wel zeker.—Maar dan zijt gij wilde beesten.—Wij zijn uwe regters.—O, laat mij leven, al was het maar voor één dag.—Gij zijt gevonnist.—Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden?—Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten?Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden toon:—Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet meer ben?—Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager.Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.—Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag!De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.—Ik zweer het u, zeide hij.De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen.—Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem.Loer-Vogelhaalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.[142]Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug.Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht en smeekend.—Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand.—Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u.—Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte.De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die reeds niet veel meer scheen dan een lijk.Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde den veroordeelde.—Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat er gebeuren zou.—U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch.—O! riep don Estevan.Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met hem deed; hij was geheel verbrijzeld.Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd.—Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem!De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte.De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging met akelige spooken vervulde.Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.[143]Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen.Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis.Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch bereikt—waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den hollen oever aan de overzijde.Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der hevigste ontroering, ja bijna van schrik.Er volgde eene pauze van doodelijke stilte.Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten hield, sprak hij op ernstigen toon:—Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven geregt.Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven.—Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel.—Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis.Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika[144]der feiten gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die tot hiertoe hun gemoed verontrustten.Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven.Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio.De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug.
[Inhoud]XX.Het vonnis.De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De Gambucinos verzameldenocote-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:—Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijkin pacewaar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb opgenomen.Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos[136]bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij:—Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen.Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met een spottenden blik.—O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als uwe zoetsappige snorkerij.Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt:—Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van hem dien het aangaat.—Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man.—Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit,[137]ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en wettige middelen.De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om hen te bedriegen?—Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene[138]hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of andere misdaad.Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig.De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd.Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed.—Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van haar vader wildet terugvoeren?—Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde verwondering, moet ik u dan alles zeggen?—Ja, alles, hernam de jongman kortaf.—Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan.Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging.—Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij zulk een schandelijken laster in ’t aangezigt zeggen?De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan[139]wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor de algemeene afkeuring.Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen.—Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe ziel en op uw geweten: is deze man schuldig?Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond ernstig, aller hart klopte hevig.Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, zijn lot af.Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon:—Caballeros, is deze man schuldig?—Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond.Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den terugkeer van het bewustzijn voorafgaan.Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in ’t oor:—Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn broeder laten bijwonen?—Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen wij hem het best verwijderen?—Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren.—Haast u dan.Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te[140]gaan. Door den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord.Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van begreep.—Ik ben verloren! mompelde hij.Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door een tooverslag.—Welke straf heeft de schuldige verdiend?—De dood! riepen allen, als een echo uit het graf.Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager:—Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende.—Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om oog, tand om tand.Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, met eene gesmoorde stem uitriep:—O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt mij liever op eens.—Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes.—O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken.—Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken.[141]—O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in magtelooze woede rondkroop.—Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen.Nu ging zijne woede in radeloosheid over.O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij!Loer-Vogel trad naar hem toe.—De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen?—Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd.—Wel zeker.—Maar dan zijt gij wilde beesten.—Wij zijn uwe regters.—O, laat mij leven, al was het maar voor één dag.—Gij zijt gevonnist.—Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden?—Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten?Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden toon:—Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet meer ben?—Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager.Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.—Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag!De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.—Ik zweer het u, zeide hij.De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen.—Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem.Loer-Vogelhaalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.[142]Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug.Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht en smeekend.—Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand.—Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u.—Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte.De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die reeds niet veel meer scheen dan een lijk.Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde den veroordeelde.—Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat er gebeuren zou.—U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch.—O! riep don Estevan.Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met hem deed; hij was geheel verbrijzeld.Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd.—Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem!De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte.De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging met akelige spooken vervulde.Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.[143]Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen.Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis.Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch bereikt—waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den hollen oever aan de overzijde.Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der hevigste ontroering, ja bijna van schrik.Er volgde eene pauze van doodelijke stilte.Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten hield, sprak hij op ernstigen toon:—Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven geregt.Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven.—Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel.—Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis.Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika[144]der feiten gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die tot hiertoe hun gemoed verontrustten.Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven.Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio.De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug.
XX.Het vonnis.
De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De Gambucinos verzameldenocote-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:—Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijkin pacewaar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb opgenomen.Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos[136]bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij:—Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen.Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met een spottenden blik.—O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als uwe zoetsappige snorkerij.Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt:—Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van hem dien het aangaat.—Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man.—Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit,[137]ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en wettige middelen.De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om hen te bedriegen?—Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene[138]hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of andere misdaad.Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig.De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd.Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed.—Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van haar vader wildet terugvoeren?—Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde verwondering, moet ik u dan alles zeggen?—Ja, alles, hernam de jongman kortaf.—Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan.Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging.—Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij zulk een schandelijken laster in ’t aangezigt zeggen?De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan[139]wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor de algemeene afkeuring.Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen.—Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe ziel en op uw geweten: is deze man schuldig?Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond ernstig, aller hart klopte hevig.Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, zijn lot af.Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon:—Caballeros, is deze man schuldig?—Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond.Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den terugkeer van het bewustzijn voorafgaan.Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in ’t oor:—Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn broeder laten bijwonen?—Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen wij hem het best verwijderen?—Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren.—Haast u dan.Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te[140]gaan. Door den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord.Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van begreep.—Ik ben verloren! mompelde hij.Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door een tooverslag.—Welke straf heeft de schuldige verdiend?—De dood! riepen allen, als een echo uit het graf.Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager:—Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende.—Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om oog, tand om tand.Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, met eene gesmoorde stem uitriep:—O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt mij liever op eens.—Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes.—O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken.—Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken.[141]—O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in magtelooze woede rondkroop.—Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen.Nu ging zijne woede in radeloosheid over.O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij!Loer-Vogel trad naar hem toe.—De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen?—Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd.—Wel zeker.—Maar dan zijt gij wilde beesten.—Wij zijn uwe regters.—O, laat mij leven, al was het maar voor één dag.—Gij zijt gevonnist.—Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden?—Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten?Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden toon:—Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet meer ben?—Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager.Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.—Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag!De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.—Ik zweer het u, zeide hij.De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen.—Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem.Loer-Vogelhaalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.[142]Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug.Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht en smeekend.—Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand.—Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u.—Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte.De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die reeds niet veel meer scheen dan een lijk.Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde den veroordeelde.—Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat er gebeuren zou.—U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch.—O! riep don Estevan.Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met hem deed; hij was geheel verbrijzeld.Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd.—Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem!De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte.De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging met akelige spooken vervulde.Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.[143]Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen.Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis.Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch bereikt—waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den hollen oever aan de overzijde.Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der hevigste ontroering, ja bijna van schrik.Er volgde eene pauze van doodelijke stilte.Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten hield, sprak hij op ernstigen toon:—Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven geregt.Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven.—Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel.—Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis.Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika[144]der feiten gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die tot hiertoe hun gemoed verontrustten.Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven.Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio.De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug.
De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De Gambucinos verzameldenocote-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.
Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:
—Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijkin pacewaar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb opgenomen.
Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos[136]bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.
Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij:
—Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen.
Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met een spottenden blik.
—O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als uwe zoetsappige snorkerij.
Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt:
—Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van hem dien het aangaat.
—Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man.
—Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit,[137]ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en wettige middelen.
De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om hen te bedriegen?
—Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene[138]hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of andere misdaad.
Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig.
De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd.
Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed.
—Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van haar vader wildet terugvoeren?
—Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde verwondering, moet ik u dan alles zeggen?
—Ja, alles, hernam de jongman kortaf.
—Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan.
Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging.
—Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij zulk een schandelijken laster in ’t aangezigt zeggen?
De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan[139]wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor de algemeene afkeuring.
Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen.
—Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe ziel en op uw geweten: is deze man schuldig?
Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond ernstig, aller hart klopte hevig.
Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, zijn lot af.
Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon:
—Caballeros, is deze man schuldig?
—Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond.
Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den terugkeer van het bewustzijn voorafgaan.
Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in ’t oor:
—Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn broeder laten bijwonen?
—Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen wij hem het best verwijderen?
—Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren.
—Haast u dan.
Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te[140]gaan. Door den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord.
Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van begreep.
—Ik ben verloren! mompelde hij.
Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door een tooverslag.
—Welke straf heeft de schuldige verdiend?
—De dood! riepen allen, als een echo uit het graf.
Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager:
—Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende.
—Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om oog, tand om tand.
Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, met eene gesmoorde stem uitriep:
—O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt mij liever op eens.
—Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes.
—O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken.
—Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken.[141]
—O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in magtelooze woede rondkroop.
—Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.
Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen.
Nu ging zijne woede in radeloosheid over.
O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij!
Loer-Vogel trad naar hem toe.
—De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen?
—Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd.
—Wel zeker.
—Maar dan zijt gij wilde beesten.
—Wij zijn uwe regters.
—O, laat mij leven, al was het maar voor één dag.
—Gij zijt gevonnist.
—Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden?
—Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten?
Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden toon:
—Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet meer ben?
—Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager.
Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.
—Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag!
De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.
—Ik zweer het u, zeide hij.
De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen.
—Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem.
Loer-Vogelhaalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.[142]
Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug.
Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht en smeekend.
—Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand.
—Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u.
—Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte.
De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die reeds niet veel meer scheen dan een lijk.
Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde den veroordeelde.
—Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat er gebeuren zou.
—U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch.
—O! riep don Estevan.
Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met hem deed; hij was geheel verbrijzeld.
Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd.
—Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem!
De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte.
De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging met akelige spooken vervulde.
Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.
Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.[143]
Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.
Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen.
Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis.
Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch bereikt—waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den hollen oever aan de overzijde.
Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der hevigste ontroering, ja bijna van schrik.
Er volgde eene pauze van doodelijke stilte.
Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten hield, sprak hij op ernstigen toon:
—Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven geregt.
Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven.
—Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel.
—Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis.
Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika[144]der feiten gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die tot hiertoe hun gemoed verontrustten.
Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven.
Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio.
De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug.