XL.

[Inhoud]XL.De laatste storm.Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en gaf hij[301]zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in ’t eerst voor louter inbeelding. Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad.Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had,haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te bespieden wat er omging.Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen.Atoyac was de eerste die hen in ’t oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk in veiligheid.Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den[302]drom. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren en buksen.Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don Miguel order om stil te houden.Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten.Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting der stad afgetrokken.Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers.Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen.Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot.De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de veiligheid van allen zouden waken.De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet van kunsten[303]weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, er niets van scheen te bemerken.De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de “Mexicaansche maan” noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.Men ging dus op weg.De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district Sonora binnen.Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag,[304]dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne verschrikkingen er overheen gegaan was.Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte huizen van een versterktepueblo—burgt—in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde zich; geenmanada—kudde—verscheen er op de verwoeste velden, geenrecuos—troepen—van muildieren, met hunne rinkelendenenas—bellen—lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven.Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe.Eenafgrijselijkschouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve.De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op hetpatio—voorplein—geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed mogelijk te versterken.[305]Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het voorplein als op hetazotea—dak. Toen stelde hij twaalf van de dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend.De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede.De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan.Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis en wie weet met welke verschrikkingen.Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander.Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe.—Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman.—De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem.—Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; de calli’s van haar stam zijn te ver in de Prairie.[306]De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend het hoofd.—De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den Vliegenden-Arend.—Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden.De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.—De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt.Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel.—Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een paard laten geven.—Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin ons verlaten hebt.De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit woord:—Houd moed!Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.—Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij:—Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te worden.—Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval.—Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben.—Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen.—Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen werd.[307]—Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet.—De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in ’t geheugen lag, en die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel:—Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader.—Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van onzen kant zullen den onzen doen.Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet.Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder.De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering.Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de rigting der hacienda schenen voort te kruipen.—Zie eens, zeide hij droog.—Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel.—Ik heb ze reeds tien minuten in ’t oog gehouden, hernam de jager; maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen.Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en wierp een woesten blik op de patio.—Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde.Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen.[308]Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug.Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den stormhervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en woede uitstiet.Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen.Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.—Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd mengde.[309]—Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim daveren —een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud te zoeken.De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.

[Inhoud]XL.De laatste storm.Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en gaf hij[301]zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in ’t eerst voor louter inbeelding. Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad.Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had,haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te bespieden wat er omging.Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen.Atoyac was de eerste die hen in ’t oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk in veiligheid.Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den[302]drom. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren en buksen.Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don Miguel order om stil te houden.Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten.Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting der stad afgetrokken.Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers.Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen.Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot.De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de veiligheid van allen zouden waken.De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet van kunsten[303]weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, er niets van scheen te bemerken.De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de “Mexicaansche maan” noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.Men ging dus op weg.De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district Sonora binnen.Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag,[304]dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne verschrikkingen er overheen gegaan was.Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte huizen van een versterktepueblo—burgt—in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde zich; geenmanada—kudde—verscheen er op de verwoeste velden, geenrecuos—troepen—van muildieren, met hunne rinkelendenenas—bellen—lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven.Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe.Eenafgrijselijkschouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve.De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op hetpatio—voorplein—geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed mogelijk te versterken.[305]Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het voorplein als op hetazotea—dak. Toen stelde hij twaalf van de dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend.De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede.De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan.Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis en wie weet met welke verschrikkingen.Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander.Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe.—Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman.—De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem.—Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; de calli’s van haar stam zijn te ver in de Prairie.[306]De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend het hoofd.—De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den Vliegenden-Arend.—Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden.De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.—De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt.Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel.—Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een paard laten geven.—Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin ons verlaten hebt.De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit woord:—Houd moed!Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.—Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij:—Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te worden.—Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval.—Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben.—Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen.—Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen werd.[307]—Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet.—De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in ’t geheugen lag, en die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel:—Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader.—Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van onzen kant zullen den onzen doen.Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet.Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder.De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering.Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de rigting der hacienda schenen voort te kruipen.—Zie eens, zeide hij droog.—Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel.—Ik heb ze reeds tien minuten in ’t oog gehouden, hernam de jager; maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen.Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en wierp een woesten blik op de patio.—Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde.Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen.[308]Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug.Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den stormhervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en woede uitstiet.Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen.Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.—Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd mengde.[309]—Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim daveren —een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud te zoeken.De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.

XL.De laatste storm.

Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en gaf hij[301]zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in ’t eerst voor louter inbeelding. Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad.Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had,haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te bespieden wat er omging.Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen.Atoyac was de eerste die hen in ’t oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk in veiligheid.Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den[302]drom. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren en buksen.Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don Miguel order om stil te houden.Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten.Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting der stad afgetrokken.Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers.Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen.Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot.De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de veiligheid van allen zouden waken.De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet van kunsten[303]weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, er niets van scheen te bemerken.De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de “Mexicaansche maan” noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.Men ging dus op weg.De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district Sonora binnen.Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag,[304]dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne verschrikkingen er overheen gegaan was.Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte huizen van een versterktepueblo—burgt—in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde zich; geenmanada—kudde—verscheen er op de verwoeste velden, geenrecuos—troepen—van muildieren, met hunne rinkelendenenas—bellen—lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven.Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe.Eenafgrijselijkschouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve.De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op hetpatio—voorplein—geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed mogelijk te versterken.[305]Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het voorplein als op hetazotea—dak. Toen stelde hij twaalf van de dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend.De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede.De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan.Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis en wie weet met welke verschrikkingen.Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander.Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe.—Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman.—De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem.—Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; de calli’s van haar stam zijn te ver in de Prairie.[306]De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend het hoofd.—De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den Vliegenden-Arend.—Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden.De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.—De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt.Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel.—Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een paard laten geven.—Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin ons verlaten hebt.De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit woord:—Houd moed!Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.—Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij:—Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te worden.—Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval.—Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben.—Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen.—Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen werd.[307]—Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet.—De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in ’t geheugen lag, en die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel:—Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader.—Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van onzen kant zullen den onzen doen.Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet.Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder.De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering.Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de rigting der hacienda schenen voort te kruipen.—Zie eens, zeide hij droog.—Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel.—Ik heb ze reeds tien minuten in ’t oog gehouden, hernam de jager; maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen.Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en wierp een woesten blik op de patio.—Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde.Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen.[308]Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug.Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den stormhervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en woede uitstiet.Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen.Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.—Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd mengde.[309]—Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim daveren —een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud te zoeken.De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.

Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.

Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en gaf hij[301]zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in ’t eerst voor louter inbeelding. Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad.

Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had,haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te bespieden wat er omging.

Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen.

Atoyac was de eerste die hen in ’t oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.

Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk in veiligheid.

Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den[302]drom. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren en buksen.

Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.

Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don Miguel order om stil te houden.

Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten.

Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting der stad afgetrokken.

Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers.

Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen.

Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot.

De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de veiligheid van allen zouden waken.

De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet van kunsten[303]weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, er niets van scheen te bemerken.

De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.

Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de “Mexicaansche maan” noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.

Men ging dus op weg.

De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district Sonora binnen.

Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag,[304]dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne verschrikkingen er overheen gegaan was.

Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte huizen van een versterktepueblo—burgt—in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde zich; geenmanada—kudde—verscheen er op de verwoeste velden, geenrecuos—troepen—van muildieren, met hunne rinkelendenenas—bellen—lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven.

Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe.

Eenafgrijselijkschouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve.

De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op hetpatio—voorplein—geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed mogelijk te versterken.[305]

Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het voorplein als op hetazotea—dak. Toen stelde hij twaalf van de dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend.

De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede.

De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan.

Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis en wie weet met welke verschrikkingen.

Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander.

Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe.

—Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman.

—De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem.

—Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; de calli’s van haar stam zijn te ver in de Prairie.[306]

De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend het hoofd.

—De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den Vliegenden-Arend.

—Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden.

De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.

—De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt.

Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel.

—Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een paard laten geven.

—Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin ons verlaten hebt.

De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit woord:

—Houd moed!

Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.

—Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.

Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij:

—Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te worden.

—Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval.

—Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben.

—Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen.

—Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen werd.[307]

—Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet.

—De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in ’t geheugen lag, en die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel:

—Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader.

—Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van onzen kant zullen den onzen doen.

Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet.

Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder.

De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.

Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering.

Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de rigting der hacienda schenen voort te kruipen.

—Zie eens, zeide hij droog.

—Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel.

—Ik heb ze reeds tien minuten in ’t oog gehouden, hernam de jager; maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen.

Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.

Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en wierp een woesten blik op de patio.

—Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde.

Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen.[308]

Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug.

Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den stormhervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.

Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en woede uitstiet.

Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen.

Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.

—Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd mengde.[309]

—Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.

Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!

Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim daveren —een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud te zoeken.

De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.


Back to IndexNext