[Inhoud]XVII.Don Mariano.Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, het woord op.—Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.[114]—Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!—Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.—Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven!—Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde.Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen.—Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen.Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:—Gaan wij!Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.—Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen.De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in zijn binnenste hem toeriep om te blijven.Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan ’t zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van[115]het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.—Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.—Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid.De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:—Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk.Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.—Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.—Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebbencolliers, (boeken).—Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.—Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.—Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken?De Vliegende-Arend schudde het hoofd.—Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.—Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt.De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.—Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt[116]om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.—Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidenecolliersbevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las:“Don Estevan de Real del Monte.”Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene papieren vielen op den grond.Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.[117]—Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen.—Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met blijkbaren weerzin.—Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.—Maar als ik mij eens bedroog.… als hij eens niet schuldig was?—Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.—Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo te handelen.—Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt.—Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij?—Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen.—Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, ’t is de Wacondah die hem bezielt!Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen de etiquette zondigde.—O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:—O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!—Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.—Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken.Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; ’t was alsof hij grooter[118]werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden van gramschap.—Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden.Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:—Is die man zwaar gewond?De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt.De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.—Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.—Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden.—Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal?—Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving.Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.—Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.Het opperhoofd gehoorzaamde.—Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.—Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?De jager en de Indiaan bogen toestemmend.—Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af.Er volgde een diepe stilte.Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.—In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben[119]de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.—Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?—Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en te veroordeelen of vrij te spreken.—En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt gij?Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.—Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken.—Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.—De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn.Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, en wachtten op antwoord.—Wie zijt gij? vroeg don Mariano.—Jagers.—Uw naam?—Loer-Vogel.—En de uwe?—Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man moet bijwonen.—Nog iemand! wie dan?—De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien[120]gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered.—Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?—Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen.—Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn.—Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij verpligt zijn aan het licht te brengen.—Wat bedoelt gij daarmede?—Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat.—Maar wie zal hem waarschuwen?—Ik, antwoordde Vrij-Kogel.—Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.—Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde.—Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.Loer-Vogel schudde het hoofd.—Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep was zijne smart.—Schep moed,mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.
[Inhoud]XVII.Don Mariano.Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, het woord op.—Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.[114]—Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!—Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.—Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven!—Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde.Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen.—Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen.Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:—Gaan wij!Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.—Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen.De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in zijn binnenste hem toeriep om te blijven.Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan ’t zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van[115]het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.—Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.—Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid.De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:—Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk.Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.—Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.—Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebbencolliers, (boeken).—Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.—Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.—Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken?De Vliegende-Arend schudde het hoofd.—Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.—Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt.De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.—Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt[116]om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.—Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidenecolliersbevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las:“Don Estevan de Real del Monte.”Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene papieren vielen op den grond.Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.[117]—Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen.—Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met blijkbaren weerzin.—Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.—Maar als ik mij eens bedroog.… als hij eens niet schuldig was?—Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.—Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo te handelen.—Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt.—Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij?—Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen.—Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, ’t is de Wacondah die hem bezielt!Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen de etiquette zondigde.—O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:—O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!—Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.—Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken.Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; ’t was alsof hij grooter[118]werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden van gramschap.—Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden.Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:—Is die man zwaar gewond?De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt.De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.—Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.—Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden.—Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal?—Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving.Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.—Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.Het opperhoofd gehoorzaamde.—Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.—Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?De jager en de Indiaan bogen toestemmend.—Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af.Er volgde een diepe stilte.Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.—In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben[119]de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.—Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?—Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en te veroordeelen of vrij te spreken.—En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt gij?Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.—Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken.—Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.—De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn.Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, en wachtten op antwoord.—Wie zijt gij? vroeg don Mariano.—Jagers.—Uw naam?—Loer-Vogel.—En de uwe?—Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man moet bijwonen.—Nog iemand! wie dan?—De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien[120]gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered.—Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?—Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen.—Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn.—Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij verpligt zijn aan het licht te brengen.—Wat bedoelt gij daarmede?—Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat.—Maar wie zal hem waarschuwen?—Ik, antwoordde Vrij-Kogel.—Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.—Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde.—Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.Loer-Vogel schudde het hoofd.—Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep was zijne smart.—Schep moed,mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.
XVII.Don Mariano.
Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, het woord op.—Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.[114]—Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!—Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.—Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven!—Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde.Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen.—Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen.Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:—Gaan wij!Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.—Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen.De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in zijn binnenste hem toeriep om te blijven.Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan ’t zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van[115]het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.—Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.—Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid.De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:—Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk.Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.—Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.—Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebbencolliers, (boeken).—Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.—Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.—Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken?De Vliegende-Arend schudde het hoofd.—Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.—Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt.De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.—Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt[116]om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.—Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidenecolliersbevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las:“Don Estevan de Real del Monte.”Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene papieren vielen op den grond.Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.[117]—Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen.—Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met blijkbaren weerzin.—Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.—Maar als ik mij eens bedroog.… als hij eens niet schuldig was?—Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.—Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo te handelen.—Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt.—Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij?—Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen.—Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, ’t is de Wacondah die hem bezielt!Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen de etiquette zondigde.—O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:—O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!—Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.—Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken.Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; ’t was alsof hij grooter[118]werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden van gramschap.—Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden.Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:—Is die man zwaar gewond?De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt.De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.—Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.—Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden.—Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal?—Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving.Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.—Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.Het opperhoofd gehoorzaamde.—Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.—Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?De jager en de Indiaan bogen toestemmend.—Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af.Er volgde een diepe stilte.Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.—In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben[119]de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.—Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?—Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en te veroordeelen of vrij te spreken.—En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt gij?Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.—Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken.—Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.—De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn.Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, en wachtten op antwoord.—Wie zijt gij? vroeg don Mariano.—Jagers.—Uw naam?—Loer-Vogel.—En de uwe?—Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man moet bijwonen.—Nog iemand! wie dan?—De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien[120]gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered.—Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?—Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen.—Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn.—Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij verpligt zijn aan het licht te brengen.—Wat bedoelt gij daarmede?—Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat.—Maar wie zal hem waarschuwen?—Ik, antwoordde Vrij-Kogel.—Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.—Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde.—Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.Loer-Vogel schudde het hoofd.—Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep was zijne smart.—Schep moed,mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.
Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.
De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.
Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, het woord op.
—Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.
Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.[114]
—Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!
—Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.
—Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven!
—Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.
Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde.
Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen.
—Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen.
Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:
—Gaan wij!
Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.
—Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen.
De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in zijn binnenste hem toeriep om te blijven.
Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.
Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.
Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan ’t zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van[115]het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.
De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.
—Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.
—Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid.
De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:
—Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk.
Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.
—Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.
—Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebbencolliers, (boeken).
—Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.
—Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.
—Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken?
De Vliegende-Arend schudde het hoofd.
—Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.
—Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt.
De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.
—Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.
Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt[116]om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.
—Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidenecolliersbevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.
Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.
De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.
Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las:
“Don Estevan de Real del Monte.”
Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene papieren vielen op den grond.
Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.[117]
—Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen.
—Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met blijkbaren weerzin.
—Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.
—Maar als ik mij eens bedroog.… als hij eens niet schuldig was?
—Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.
—Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo te handelen.
—Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.
En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt.
—Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij?
—Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen.
—Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, ’t is de Wacondah die hem bezielt!
Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen de etiquette zondigde.
—O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!
Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:
—O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!
—Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.
—Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken.
Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; ’t was alsof hij grooter[118]werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden van gramschap.
—Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden.
Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:
—Is die man zwaar gewond?
De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.
Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt.
De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.
—Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.
—Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden.
—Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal?
—Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving.
Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.
—Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.
Het opperhoofd gehoorzaamde.
—Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.
—Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?
De jager en de Indiaan bogen toestemmend.
—Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af.
Er volgde een diepe stilte.
Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.
—In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben[119]de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.
—Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?
—Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en te veroordeelen of vrij te spreken.
—En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt gij?
Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.
—Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken.
—Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.
—De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.
Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn.
Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, en wachtten op antwoord.
—Wie zijt gij? vroeg don Mariano.
—Jagers.
—Uw naam?
—Loer-Vogel.
—En de uwe?
—Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man moet bijwonen.
—Nog iemand! wie dan?
—De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien[120]gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered.
—Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?
—Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen.
—Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn.
—Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij verpligt zijn aan het licht te brengen.
—Wat bedoelt gij daarmede?
—Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat.
—Maar wie zal hem waarschuwen?
—Ik, antwoordde Vrij-Kogel.
—Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.
—Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.
Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde.
—Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.
Loer-Vogel schudde het hoofd.
—Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.
Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep was zijne smart.
—Schep moed,mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.
De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.