XVIII.

[Inhoud]XVIII.Wat de Regtspleging voorafging.Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten.Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en[121]kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht.—Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou houden.Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van[122]veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem eindelijk zoodanig in ’t naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.—Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.—Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren.—Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men een val heeft gedaan.—Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.—Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio.—Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?—Ja, eenige uren geleden.—Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.—Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken.—Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze[123]dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.—Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal.Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toealsofhij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.—Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.—Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer dan de langste verklaring.—Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.—Met al mijn hart, zei de Canadees.—Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.…—Dat is waar, zeide Ruperto.—Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.—Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, zei Ruperto.—Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is.—Dat alles is juist.—Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in ’t wild opgroeijen.—Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.—Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja of neen?—De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?—Ik?—Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen?—Ja, maar die man is mijn vijand.—Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man?—Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.—Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.—Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.[124]—Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.—Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.—Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in ’t minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij.—Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden.—Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die tegen u,—niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.—Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?—Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks gebiedend vorderen.—En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een lijk.—De Lynch-wet.—De Lynch-wet!—Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.—Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man die mij beschuldigt?—Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe[125]verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag.Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken van radeloosheid.—Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.—Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.—O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op de borst.—Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.—Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen allengs nader te komen.Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen.—Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen?Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een man op een baar,—die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend.—Don Miguel Ortega?—O! o! vervolgde hij een oogenblik later[126]met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.—Geen nood, geen nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging tot vlugten hem onmogelijk werd.Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis.—Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof.[127]Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.—Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger?De kapitein haalde even de schouders op.—Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.

[Inhoud]XVIII.Wat de Regtspleging voorafging.Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten.Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en[121]kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht.—Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou houden.Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van[122]veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem eindelijk zoodanig in ’t naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.—Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.—Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren.—Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men een val heeft gedaan.—Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.—Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio.—Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?—Ja, eenige uren geleden.—Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.—Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken.—Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze[123]dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.—Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal.Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toealsofhij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.—Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.—Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer dan de langste verklaring.—Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.—Met al mijn hart, zei de Canadees.—Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.…—Dat is waar, zeide Ruperto.—Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.—Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, zei Ruperto.—Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is.—Dat alles is juist.—Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in ’t wild opgroeijen.—Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.—Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja of neen?—De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?—Ik?—Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen?—Ja, maar die man is mijn vijand.—Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man?—Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.—Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.—Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.[124]—Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.—Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.—Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in ’t minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij.—Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden.—Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die tegen u,—niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.—Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?—Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks gebiedend vorderen.—En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een lijk.—De Lynch-wet.—De Lynch-wet!—Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.—Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man die mij beschuldigt?—Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe[125]verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag.Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken van radeloosheid.—Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.—Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.—O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op de borst.—Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.—Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen allengs nader te komen.Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen.—Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen?Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een man op een baar,—die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend.—Don Miguel Ortega?—O! o! vervolgde hij een oogenblik later[126]met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.—Geen nood, geen nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging tot vlugten hem onmogelijk werd.Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis.—Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof.[127]Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.—Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger?De kapitein haalde even de schouders op.—Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.

XVIII.Wat de Regtspleging voorafging.

Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten.Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en[121]kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht.—Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou houden.Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van[122]veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem eindelijk zoodanig in ’t naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.—Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.—Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren.—Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men een val heeft gedaan.—Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.—Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio.—Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?—Ja, eenige uren geleden.—Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.—Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken.—Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze[123]dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.—Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal.Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toealsofhij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.—Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.—Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer dan de langste verklaring.—Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.—Met al mijn hart, zei de Canadees.—Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.…—Dat is waar, zeide Ruperto.—Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.—Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, zei Ruperto.—Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is.—Dat alles is juist.—Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in ’t wild opgroeijen.—Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.—Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja of neen?—De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?—Ik?—Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen?—Ja, maar die man is mijn vijand.—Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man?—Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.—Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.—Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.[124]—Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.—Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.—Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in ’t minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij.—Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden.—Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die tegen u,—niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.—Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?—Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks gebiedend vorderen.—En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een lijk.—De Lynch-wet.—De Lynch-wet!—Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.—Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man die mij beschuldigt?—Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe[125]verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag.Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken van radeloosheid.—Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.—Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.—O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op de borst.—Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.—Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen allengs nader te komen.Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen.—Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen?Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een man op een baar,—die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend.—Don Miguel Ortega?—O! o! vervolgde hij een oogenblik later[126]met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.—Geen nood, geen nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging tot vlugten hem onmogelijk werd.Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis.—Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof.[127]Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.—Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger?De kapitein haalde even de schouders op.—Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.

Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten.

Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en[121]kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.

Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.

Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.

Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht.

—Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.

De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou houden.

Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.

Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van[122]veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.

De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.

Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem eindelijk zoodanig in ’t naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.

—Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.

—Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren.

—Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men een val heeft gedaan.

—Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.

—Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio.

—Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?

—Ja, eenige uren geleden.

—Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.

—Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken.

—Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze[123]dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.

—Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal.

Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toealsofhij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.

—Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.

—Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.

Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer dan de langste verklaring.

—Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.

—Met al mijn hart, zei de Canadees.

—Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.…

—Dat is waar, zeide Ruperto.

—Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.

—Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, zei Ruperto.

—Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is.

—Dat alles is juist.

—Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in ’t wild opgroeijen.

—Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.

—Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja of neen?

—De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?

—Ik?

—Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen?

—Ja, maar die man is mijn vijand.

—Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man?

—Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.

—Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?

Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.

—Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.[124]

—Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.

—Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.

De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.

—Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in ’t minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij.

—Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden.

—Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die tegen u,—niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.

—Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?

—Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks gebiedend vorderen.

—En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een lijk.

—De Lynch-wet.

—De Lynch-wet!

—Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.

—Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man die mij beschuldigt?

—Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe[125]verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag.

Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken van radeloosheid.

—Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.

—Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.

—O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.

Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.

De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.

Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op de borst.

—Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?

Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.

—Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?

Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen allengs nader te komen.

Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen.

—Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen?

Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een man op een baar,—die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend.

—Don Miguel Ortega?—O! o! vervolgde hij een oogenblik later[126]met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.—Geen nood, geen nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.

Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging tot vlugten hem onmogelijk werd.

Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.

Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.

Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis.

—Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.

Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof.[127]

Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.

—Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger?

De kapitein haalde even de schouders op.

—Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.


Back to IndexNext