[Inhoud]XXIV.Quiepa Tani.Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen naar de stad Quiepa-Tani.Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van hun eigen stam.Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben.Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen—want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,—had eerst gedacht om ze naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke der twee[170]hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroederChicuhcoatl1den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen.De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zichovergevenaan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden te verduren hebben.Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren.Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om te worden binnengelaten.[171]Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort.Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortogt versperde.Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadsbeambten te herkennen, stond op van debutacca—zitbank—waar hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek.De Indiaan schrikte in ’t eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem eenige woorden in ’t oor.De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en liet de vreemdelingen door.Zij gingen de poort binnen.Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd.De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd en onvermijdelijk lot te onttrekken.Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts uitwendig bekend is.De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, uitgestrekt plein, dat den naam vanConaciuhtzin, of Zonne-plein, draagt.Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse en zinnebeeldige evenredigheid.Vier prachtigeExpan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote tempelAmantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud en zilver ingelegde kolommen.De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om[172]onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. In het midden des tempels staat eenteocaliof altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende op de grooteayalt, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekendemenhirsder Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma2onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.Aan de zuidzijde van het plein verrijst detanamitecof het paleis van den vorst.Dit paleis, welks naam letterlijk eene “door muren omgeven ruimte†aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter.[173]Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten aftogt uit Mexico in den bekendennoche triste(jammernacht) op den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en vrees,—wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet kon worden uitgewischt.Op het zelfde plein verheft zich de vermaardeciuatl-expan, of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de tegenwoordigheid van een derde persoon.Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt.In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping volstandig te volgen.Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het prachtigste en tevens het somberste van allen.Dit gebouw heetIztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient tot woonplaats voor denAmananien deChalchiuk—priesters.—Men kan zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de verschrikte Indianen in hun slaap storen.Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze zelden trouwen[174]en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang met de sekse onthouden.Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest geëerbiedigde man van zijn stam.Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en met verdubbelde kracht.De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde.De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid.De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen—meubels,[175]huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog.De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende specie—die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt—maar door middel van ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt of noodig heeft. Ziedaar alles.Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten.De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven.Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen.Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don Miguel te zullen vinden.[176]1“Acht-slangen,†vanchicuhacht, encoatlslang.↑2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)↑
[Inhoud]XXIV.Quiepa Tani.Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen naar de stad Quiepa-Tani.Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van hun eigen stam.Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben.Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen—want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,—had eerst gedacht om ze naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke der twee[170]hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroederChicuhcoatl1den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen.De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zichovergevenaan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden te verduren hebben.Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren.Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om te worden binnengelaten.[171]Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort.Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortogt versperde.Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadsbeambten te herkennen, stond op van debutacca—zitbank—waar hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek.De Indiaan schrikte in ’t eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem eenige woorden in ’t oor.De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en liet de vreemdelingen door.Zij gingen de poort binnen.Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd.De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd en onvermijdelijk lot te onttrekken.Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts uitwendig bekend is.De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, uitgestrekt plein, dat den naam vanConaciuhtzin, of Zonne-plein, draagt.Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse en zinnebeeldige evenredigheid.Vier prachtigeExpan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote tempelAmantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud en zilver ingelegde kolommen.De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om[172]onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. In het midden des tempels staat eenteocaliof altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende op de grooteayalt, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekendemenhirsder Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma2onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.Aan de zuidzijde van het plein verrijst detanamitecof het paleis van den vorst.Dit paleis, welks naam letterlijk eene “door muren omgeven ruimte†aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter.[173]Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten aftogt uit Mexico in den bekendennoche triste(jammernacht) op den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en vrees,—wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet kon worden uitgewischt.Op het zelfde plein verheft zich de vermaardeciuatl-expan, of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de tegenwoordigheid van een derde persoon.Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt.In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping volstandig te volgen.Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het prachtigste en tevens het somberste van allen.Dit gebouw heetIztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient tot woonplaats voor denAmananien deChalchiuk—priesters.—Men kan zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de verschrikte Indianen in hun slaap storen.Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze zelden trouwen[174]en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang met de sekse onthouden.Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest geëerbiedigde man van zijn stam.Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en met verdubbelde kracht.De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde.De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid.De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen—meubels,[175]huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog.De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende specie—die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt—maar door middel van ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt of noodig heeft. Ziedaar alles.Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten.De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven.Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen.Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don Miguel te zullen vinden.[176]1“Acht-slangen,†vanchicuhacht, encoatlslang.↑2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)↑
XXIV.Quiepa Tani.
Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen naar de stad Quiepa-Tani.Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van hun eigen stam.Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben.Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen—want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,—had eerst gedacht om ze naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke der twee[170]hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroederChicuhcoatl1den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen.De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zichovergevenaan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden te verduren hebben.Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren.Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om te worden binnengelaten.[171]Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort.Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortogt versperde.Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadsbeambten te herkennen, stond op van debutacca—zitbank—waar hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek.De Indiaan schrikte in ’t eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem eenige woorden in ’t oor.De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en liet de vreemdelingen door.Zij gingen de poort binnen.Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd.De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd en onvermijdelijk lot te onttrekken.Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts uitwendig bekend is.De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, uitgestrekt plein, dat den naam vanConaciuhtzin, of Zonne-plein, draagt.Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse en zinnebeeldige evenredigheid.Vier prachtigeExpan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote tempelAmantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud en zilver ingelegde kolommen.De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om[172]onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. In het midden des tempels staat eenteocaliof altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende op de grooteayalt, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekendemenhirsder Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma2onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.Aan de zuidzijde van het plein verrijst detanamitecof het paleis van den vorst.Dit paleis, welks naam letterlijk eene “door muren omgeven ruimte†aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter.[173]Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten aftogt uit Mexico in den bekendennoche triste(jammernacht) op den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en vrees,—wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet kon worden uitgewischt.Op het zelfde plein verheft zich de vermaardeciuatl-expan, of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de tegenwoordigheid van een derde persoon.Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt.In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping volstandig te volgen.Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het prachtigste en tevens het somberste van allen.Dit gebouw heetIztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient tot woonplaats voor denAmananien deChalchiuk—priesters.—Men kan zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de verschrikte Indianen in hun slaap storen.Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze zelden trouwen[174]en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang met de sekse onthouden.Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest geëerbiedigde man van zijn stam.Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en met verdubbelde kracht.De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde.De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid.De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen—meubels,[175]huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog.De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende specie—die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt—maar door middel van ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt of noodig heeft. Ziedaar alles.Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten.De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven.Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen.Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don Miguel te zullen vinden.[176]
Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen naar de stad Quiepa-Tani.
Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van hun eigen stam.
Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben.
Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen—want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,—had eerst gedacht om ze naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke der twee[170]hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.
Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroederChicuhcoatl1den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen.
De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zichovergevenaan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden te verduren hebben.
Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren.
Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om te worden binnengelaten.[171]
Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort.
Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortogt versperde.
Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadsbeambten te herkennen, stond op van debutacca—zitbank—waar hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek.
De Indiaan schrikte in ’t eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem eenige woorden in ’t oor.
De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en liet de vreemdelingen door.
Zij gingen de poort binnen.
Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd.
De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd en onvermijdelijk lot te onttrekken.
Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts uitwendig bekend is.
De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, uitgestrekt plein, dat den naam vanConaciuhtzin, of Zonne-plein, draagt.
Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse en zinnebeeldige evenredigheid.
Vier prachtigeExpan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote tempelAmantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud en zilver ingelegde kolommen.
De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om[172]onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. In het midden des tempels staat eenteocaliof altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende op de grooteayalt, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekendemenhirsder Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma2onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.
Aan de zuidzijde van het plein verrijst detanamitecof het paleis van den vorst.
Dit paleis, welks naam letterlijk eene “door muren omgeven ruimte†aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter.[173]
Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten aftogt uit Mexico in den bekendennoche triste(jammernacht) op den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en vrees,—wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet kon worden uitgewischt.
Op het zelfde plein verheft zich de vermaardeciuatl-expan, of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de tegenwoordigheid van een derde persoon.
Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt.
In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping volstandig te volgen.
Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het prachtigste en tevens het somberste van allen.
Dit gebouw heetIztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient tot woonplaats voor denAmananien deChalchiuk—priesters.—Men kan zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de verschrikte Indianen in hun slaap storen.
Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze zelden trouwen[174]en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang met de sekse onthouden.
Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest geëerbiedigde man van zijn stam.
Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en met verdubbelde kracht.
De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde.
De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid.
De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen—meubels,[175]huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.
Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog.
De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende specie—die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt—maar door middel van ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt of noodig heeft. Ziedaar alles.
Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten.
De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.
Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven.
Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen.
Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don Miguel te zullen vinden.[176]
1“Acht-slangen,†vanchicuhacht, encoatlslang.↑2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)↑
1“Acht-slangen,†vanchicuhacht, encoatlslang.↑2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)↑
1“Acht-slangen,†vanchicuhacht, encoatlslang.↑
1“Acht-slangen,†vanchicuhacht, encoatlslang.↑
2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)↑
2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)↑