[Inhoud]XXV.Een drietal schurken.Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen.Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der zonnemaagden opsluiten.Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt.Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan ’t licht kwam.Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde te bestrijden.Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk.Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw van haar geleider.Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat[177]vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu weder zou te hulp komen.Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg op dit punt of ontweek telkens hare vraag.—Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen.—Querida de mi corazon—mijn allerliefste hartje, antwoordde dona Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is.Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg.Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting had, ja dien zij naauwelijks kende?Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet weder genoemd.Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks.[178]De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene Indiaanschemanza—beschaafde vrouw—gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden.De vrouw van Atoyac heetteHuitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid was voor de meisjes eene aangename afleiding.Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer zij weigerden[179]zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt was dus alles behalve geruststellend.De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende angsten verscheurd.Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten.Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne rol spelen.Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd.Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood een verlosser beschikte.Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen[180]die hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet.Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan.Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen.In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers.Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeijenissen.Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te denken.Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er gebeuren kon!Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in de gedachte—die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.[181]Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en verschrikt opstond.Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd.Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug te brengen.Hij keek op.Er stonden twee Indianen bij hem.Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten.Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik.—Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid naar het schijnt.—Ja, zei don Estevan.Er volgde een poosje stilte.—Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan.—Zoo! zei don Estevan laconisch.—Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen.De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.—Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, ik heb niemands hulp noodig.—Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen.—Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen—een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes ofnutteloozegesprekken te verkwisten.Addick meesmuilde grinnekend.—Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij[182]heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn.—Voto a brios!—ferm gezegd!—dat noem ik spreken als een man: zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel eens worden.—Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen zijn uitgeput.—De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen.—Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan.De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte plaats was opgeslagen.De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:—Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne ooren geopend?—Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik bezit.—Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken?—Ja, riep don Estevan met drift.—Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind.—Dat is waar, prevelde de Mexicaan.—Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen.Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene krampachtige rilling deed zijne leden sidderen.—Voto a brios!bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt.—Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen.—Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde[183]onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk kennen.De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling:—Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt.Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene vergiftige slang gebeten werd.—Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende.—Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard.—Dat is onmogelijk.De Indiaan glimlachte met minachting.—Ondermijnopzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden.—En kunt gij mij daar ook brengen?—Dat kan ik.—Op het oogenblik?—Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt.—Dat is waar, noem mij die dan.—Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak?—De wraak!—Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunnecalli’szijn ledig, zij hebben elk eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; deciuatlmaken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder mij begrepen?Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg:—Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan?—De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen uitvoeren.Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde scheen hem erger dan de dood.De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart behalen zou. De[184]strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried:—Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe.—Dat zullen wij, antwoordden de Indianen.—Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken.—Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan.—Hoor ons ontwerp, zei Addick.En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met anderepersonaadjesbezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen.
[Inhoud]XXV.Een drietal schurken.Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen.Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der zonnemaagden opsluiten.Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt.Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan ’t licht kwam.Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde te bestrijden.Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk.Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw van haar geleider.Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat[177]vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu weder zou te hulp komen.Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg op dit punt of ontweek telkens hare vraag.—Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen.—Querida de mi corazon—mijn allerliefste hartje, antwoordde dona Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is.Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg.Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting had, ja dien zij naauwelijks kende?Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet weder genoemd.Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks.[178]De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene Indiaanschemanza—beschaafde vrouw—gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden.De vrouw van Atoyac heetteHuitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid was voor de meisjes eene aangename afleiding.Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer zij weigerden[179]zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt was dus alles behalve geruststellend.De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende angsten verscheurd.Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten.Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne rol spelen.Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd.Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood een verlosser beschikte.Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen[180]die hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet.Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan.Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen.In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers.Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeijenissen.Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te denken.Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er gebeuren kon!Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in de gedachte—die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.[181]Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en verschrikt opstond.Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd.Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug te brengen.Hij keek op.Er stonden twee Indianen bij hem.Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten.Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik.—Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid naar het schijnt.—Ja, zei don Estevan.Er volgde een poosje stilte.—Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan.—Zoo! zei don Estevan laconisch.—Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen.De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.—Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, ik heb niemands hulp noodig.—Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen.—Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen—een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes ofnutteloozegesprekken te verkwisten.Addick meesmuilde grinnekend.—Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij[182]heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn.—Voto a brios!—ferm gezegd!—dat noem ik spreken als een man: zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel eens worden.—Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen zijn uitgeput.—De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen.—Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan.De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte plaats was opgeslagen.De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:—Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne ooren geopend?—Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik bezit.—Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken?—Ja, riep don Estevan met drift.—Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind.—Dat is waar, prevelde de Mexicaan.—Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen.Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene krampachtige rilling deed zijne leden sidderen.—Voto a brios!bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt.—Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen.—Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde[183]onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk kennen.De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling:—Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt.Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene vergiftige slang gebeten werd.—Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende.—Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard.—Dat is onmogelijk.De Indiaan glimlachte met minachting.—Ondermijnopzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden.—En kunt gij mij daar ook brengen?—Dat kan ik.—Op het oogenblik?—Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt.—Dat is waar, noem mij die dan.—Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak?—De wraak!—Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunnecalli’szijn ledig, zij hebben elk eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; deciuatlmaken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder mij begrepen?Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg:—Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan?—De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen uitvoeren.Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde scheen hem erger dan de dood.De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart behalen zou. De[184]strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried:—Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe.—Dat zullen wij, antwoordden de Indianen.—Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken.—Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan.—Hoor ons ontwerp, zei Addick.En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met anderepersonaadjesbezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen.
XXV.Een drietal schurken.
Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen.Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der zonnemaagden opsluiten.Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt.Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan ’t licht kwam.Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde te bestrijden.Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk.Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw van haar geleider.Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat[177]vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu weder zou te hulp komen.Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg op dit punt of ontweek telkens hare vraag.—Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen.—Querida de mi corazon—mijn allerliefste hartje, antwoordde dona Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is.Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg.Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting had, ja dien zij naauwelijks kende?Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet weder genoemd.Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks.[178]De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene Indiaanschemanza—beschaafde vrouw—gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden.De vrouw van Atoyac heetteHuitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid was voor de meisjes eene aangename afleiding.Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer zij weigerden[179]zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt was dus alles behalve geruststellend.De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende angsten verscheurd.Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten.Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne rol spelen.Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd.Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood een verlosser beschikte.Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen[180]die hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet.Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan.Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen.In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers.Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeijenissen.Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te denken.Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er gebeuren kon!Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in de gedachte—die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.[181]Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en verschrikt opstond.Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd.Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug te brengen.Hij keek op.Er stonden twee Indianen bij hem.Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten.Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik.—Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid naar het schijnt.—Ja, zei don Estevan.Er volgde een poosje stilte.—Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan.—Zoo! zei don Estevan laconisch.—Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen.De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.—Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, ik heb niemands hulp noodig.—Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen.—Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen—een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes ofnutteloozegesprekken te verkwisten.Addick meesmuilde grinnekend.—Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij[182]heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn.—Voto a brios!—ferm gezegd!—dat noem ik spreken als een man: zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel eens worden.—Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen zijn uitgeput.—De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen.—Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan.De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte plaats was opgeslagen.De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:—Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne ooren geopend?—Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik bezit.—Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken?—Ja, riep don Estevan met drift.—Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind.—Dat is waar, prevelde de Mexicaan.—Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen.Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene krampachtige rilling deed zijne leden sidderen.—Voto a brios!bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt.—Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen.—Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde[183]onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk kennen.De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling:—Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt.Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene vergiftige slang gebeten werd.—Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende.—Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard.—Dat is onmogelijk.De Indiaan glimlachte met minachting.—Ondermijnopzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden.—En kunt gij mij daar ook brengen?—Dat kan ik.—Op het oogenblik?—Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt.—Dat is waar, noem mij die dan.—Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak?—De wraak!—Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunnecalli’szijn ledig, zij hebben elk eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; deciuatlmaken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder mij begrepen?Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg:—Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan?—De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen uitvoeren.Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde scheen hem erger dan de dood.De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart behalen zou. De[184]strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried:—Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe.—Dat zullen wij, antwoordden de Indianen.—Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken.—Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan.—Hoor ons ontwerp, zei Addick.En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met anderepersonaadjesbezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen.
Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen.
Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der zonnemaagden opsluiten.
Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt.
Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan ’t licht kwam.
Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde te bestrijden.
Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk.
Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw van haar geleider.
Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat[177]vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu weder zou te hulp komen.
Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg op dit punt of ontweek telkens hare vraag.
—Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen.
—Querida de mi corazon—mijn allerliefste hartje, antwoordde dona Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is.
Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg.
Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting had, ja dien zij naauwelijks kende?
Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet weder genoemd.
Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks.[178]
De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene Indiaanschemanza—beschaafde vrouw—gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden.
De vrouw van Atoyac heetteHuitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.
Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid was voor de meisjes eene aangename afleiding.
Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer zij weigerden[179]zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt was dus alles behalve geruststellend.
De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende angsten verscheurd.
Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten.
Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne rol spelen.
Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd.
Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood een verlosser beschikte.
Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen[180]die hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet.
Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan.
Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen.
In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers.
Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeijenissen.
Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te denken.
Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er gebeuren kon!
Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in de gedachte—die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.[181]
Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en verschrikt opstond.
Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd.
Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug te brengen.
Hij keek op.
Er stonden twee Indianen bij hem.
Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.
Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten.
Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik.
—Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid naar het schijnt.
—Ja, zei don Estevan.
Er volgde een poosje stilte.
—Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan.
—Zoo! zei don Estevan laconisch.
—Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen.
De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.
—Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, ik heb niemands hulp noodig.
—Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen.
—Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen—een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes ofnutteloozegesprekken te verkwisten.
Addick meesmuilde grinnekend.
—Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij[182]heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn.
—Voto a brios!—ferm gezegd!—dat noem ik spreken als een man: zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel eens worden.
—Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen zijn uitgeput.
—De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen.
—Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan.
De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte plaats was opgeslagen.
De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.
Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:
—Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne ooren geopend?
—Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik bezit.
—Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken?
—Ja, riep don Estevan met drift.
—Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind.
—Dat is waar, prevelde de Mexicaan.
—Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen.
Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene krampachtige rilling deed zijne leden sidderen.
—Voto a brios!bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt.
—Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen.
—Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde[183]onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk kennen.
De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling:
—Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt.
Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene vergiftige slang gebeten werd.
—Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende.
—Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard.
—Dat is onmogelijk.
De Indiaan glimlachte met minachting.
—Ondermijnopzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden.
—En kunt gij mij daar ook brengen?
—Dat kan ik.
—Op het oogenblik?
—Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt.
—Dat is waar, noem mij die dan.
—Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak?
—De wraak!
—Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunnecalli’szijn ledig, zij hebben elk eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; deciuatlmaken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder mij begrepen?
Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg:
—Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan?
—De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen uitvoeren.
Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde scheen hem erger dan de dood.
De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart behalen zou. De[184]strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried:
—Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe.
—Dat zullen wij, antwoordden de Indianen.
—Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken.
—Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan.
—Hoor ons ontwerp, zei Addick.
En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met anderepersonaadjesbezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen.