[Inhoud]XXIX.De Raad.Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op:—Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand[210]reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,—hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouwbondgenoot, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:—De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid[211]die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.—Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.—Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude.—Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt.—Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever alles zeggen.De Comanch begon schalks te glimlagchen.—Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.—Ja.—Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.—O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?—Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen,datde eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:—Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste oogenblik toe zou besloten hebben.—Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel geruststelde.[212]—Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.—Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van diecolliers—boeken—geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden des gebeds heb gezien.—Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.—Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst hij van mij verwacht.—Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.—Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.—Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uwe plannen bekend.—Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen.—De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort.—Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd[213]krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient.—Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft—denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd—en nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen?De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:—Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt.—Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten …—Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst—een toovenaar.——Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was.—Ooah!dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort derTzinco—stad,—wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.—Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen?[214]—Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal deTzincoongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen.—Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.—Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen.—Laat hooren!—De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen.Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.—Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen.—Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.De jonge vrouw gehoorzaamde.Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:—De Wilde-Roos zal het weten.Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.—Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen.Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen[215]te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teekenen van onrust en verbazing.—Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid:—Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.Eindelijk stond hij weder op.[216]—Wel? vroeg hem Loer-Vogel.—Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord.—Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren.—Het zijn bleekgezigten, zeide hij.—Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.—Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.—Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunnemocksenslaten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen?Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.—Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?—Ooah!riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn.—Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen het hoofd schielijkopheffende, zeide hij:—De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn.—Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan.—Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg.De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan.—Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan zal zijn.[217]De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.—En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?—Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult.De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.
[Inhoud]XXIX.De Raad.Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op:—Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand[210]reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,—hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouwbondgenoot, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:—De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid[211]die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.—Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.—Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude.—Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt.—Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever alles zeggen.De Comanch begon schalks te glimlagchen.—Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.—Ja.—Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.—O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?—Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen,datde eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:—Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste oogenblik toe zou besloten hebben.—Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel geruststelde.[212]—Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.—Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van diecolliers—boeken—geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden des gebeds heb gezien.—Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.—Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst hij van mij verwacht.—Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.—Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.—Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uwe plannen bekend.—Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen.—De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort.—Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd[213]krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient.—Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft—denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd—en nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen?De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:—Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt.—Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten …—Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst—een toovenaar.——Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was.—Ooah!dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort derTzinco—stad,—wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.—Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen?[214]—Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal deTzincoongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen.—Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.—Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen.—Laat hooren!—De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen.Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.—Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen.—Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.De jonge vrouw gehoorzaamde.Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:—De Wilde-Roos zal het weten.Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.—Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen.Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen[215]te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teekenen van onrust en verbazing.—Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid:—Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.Eindelijk stond hij weder op.[216]—Wel? vroeg hem Loer-Vogel.—Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord.—Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren.—Het zijn bleekgezigten, zeide hij.—Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.—Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.—Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunnemocksenslaten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen?Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.—Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?—Ooah!riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn.—Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen het hoofd schielijkopheffende, zeide hij:—De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn.—Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan.—Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg.De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan.—Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan zal zijn.[217]De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.—En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?—Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult.De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.
XXIX.De Raad.
Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op:—Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand[210]reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,—hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouwbondgenoot, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:—De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid[211]die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.—Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.—Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude.—Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt.—Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever alles zeggen.De Comanch begon schalks te glimlagchen.—Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.—Ja.—Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.—O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?—Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen,datde eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:—Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste oogenblik toe zou besloten hebben.—Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel geruststelde.[212]—Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.—Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van diecolliers—boeken—geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden des gebeds heb gezien.—Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.—Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst hij van mij verwacht.—Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.—Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.—Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uwe plannen bekend.—Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen.—De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort.—Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd[213]krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient.—Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft—denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd—en nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen?De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:—Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt.—Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten …—Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst—een toovenaar.——Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was.—Ooah!dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort derTzinco—stad,—wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.—Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen?[214]—Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal deTzincoongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen.—Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.—Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen.—Laat hooren!—De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen.Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.—Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen.—Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.De jonge vrouw gehoorzaamde.Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:—De Wilde-Roos zal het weten.Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.—Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen.Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen[215]te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teekenen van onrust en verbazing.—Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid:—Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.Eindelijk stond hij weder op.[216]—Wel? vroeg hem Loer-Vogel.—Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord.—Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren.—Het zijn bleekgezigten, zeide hij.—Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.—Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.—Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunnemocksenslaten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen?Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.—Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?—Ooah!riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn.—Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen het hoofd schielijkopheffende, zeide hij:—De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn.—Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan.—Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg.De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan.—Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan zal zijn.[217]De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.—En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?—Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult.De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.
Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.
De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op:
—Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand[210]reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,—hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouwbondgenoot, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.
Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:
—De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid[211]die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.
—Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.
—Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude.
—Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt.
—Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever alles zeggen.
De Comanch begon schalks te glimlagchen.
—Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.
—Ja.
—Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.
De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.
—O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?
—Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen,datde eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.
De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:
—Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste oogenblik toe zou besloten hebben.
—Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel geruststelde.[212]
—Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.
—Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van diecolliers—boeken—geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden des gebeds heb gezien.
—Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.
—Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst hij van mij verwacht.
—Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.
—Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.
—Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uwe plannen bekend.
—Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen.
—De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort.
—Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd[213]krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient.
—Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft—denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd—en nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen?
De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:
—Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt.
—Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten …
—Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst—een toovenaar.—
—Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was.
—Ooah!dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort derTzinco—stad,—wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.
—Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen?[214]
—Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal deTzincoongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen.
—Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.
De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.
—Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen.
—Laat hooren!
—De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen.
Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.
—Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen.
—Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.
De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.
De jonge vrouw gehoorzaamde.
Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.
Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:
—De Wilde-Roos zal het weten.
Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.
—Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen.
Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen[215]te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.
Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.
Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.
Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.
Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.
Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teekenen van onrust en verbazing.
—Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.
De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid:
—Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.
De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.
Eindelijk stond hij weder op.[216]
—Wel? vroeg hem Loer-Vogel.
—Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord.
—Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.
De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren.
—Het zijn bleekgezigten, zeide hij.
—Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.
—Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.
—Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunnemocksenslaten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen?
Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.
—Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?
—Ooah!riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn.
—Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.
De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen het hoofd schielijkopheffende, zeide hij:
—De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn.
—Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan.
—Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg.
De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan.
—Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan zal zijn.[217]
De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.
—En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?
—Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult.
De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.