[Inhoud]XXX.Het tweede detachement.Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.[218]Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.Wat had hij ontdekt?In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.—Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend komt hen bezoeken.—Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende.—Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.—Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.—Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.—Hoe dat? vroeg don Leo.—Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.—In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren.—Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . .—Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen.—Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.—Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten.[219]—Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben.De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.—Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst getroffen.—Wat wilt gij mij zeggen, in ’s hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd.—Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch.—Is het mogelijk? riep don Leo.—Een Sachem liegt nooit.—O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.—Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.—Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?—Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.—Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.—Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.—Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.—En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.[220]De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in.—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.—Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen deendit-ha—zonsopgang—zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen.—O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaanschecithuatlgedragen werden.—De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst.—Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?—Mijn broeder is vrij.—Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in ons kampement?—Begrijpt gij dat niet?—Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid waart.—Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister toch niet.—Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden.—Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen.—Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?Het opperhoofd knikte toestemmend.—Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.—Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken.—Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.—Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons?—Wij zullen hier komen.[221]—Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.—De Vliegende-Arend is een goedpayatzin—looper,—antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.—Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?—Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet.—Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?—Met ons vieren.—Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.—Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben.—Goed, dan ga ik met u mede.Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende.De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.Domingo was verdwenen.Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift:—Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!—Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager?—Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.—Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in ’s hemels naam?—Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.—Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.—Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken,[222]hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.—Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.—Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren.Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, donMarianoen don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd.—Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij.De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken kamp.Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken.—Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.—Houd op!schreeuwdeLoer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor.[223]De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.—Ooah!antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien.Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.—Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had—huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.—Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen.—Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is.—Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.—De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot zijneruhpa—geweer—op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.—Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.—Het zij zoo ’t wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is goed afgeloopen.[224]De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:—Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven.—Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.—Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen.—Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.—Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang.—Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.De Vliegende-Arend keerde het wapen af.—Die man behoort mij, broeder,zeide hij.Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide hij:—Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik trillen.—Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene onbeschrijfelijke stem:—Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.—Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..—Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer verraden.Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond1.[225]De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde zich naar zijne kameraden:—Laten wij vertrekken, zeide hij.De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden.Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht met de hand op den schouder.—Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.—De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.En hij ging terstond heen.—Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl hij hem naoogde.1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.↑
[Inhoud]XXX.Het tweede detachement.Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.[218]Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.Wat had hij ontdekt?In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.—Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend komt hen bezoeken.—Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende.—Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.—Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.—Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.—Hoe dat? vroeg don Leo.—Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.—In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren.—Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . .—Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen.—Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.—Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten.[219]—Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben.De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.—Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst getroffen.—Wat wilt gij mij zeggen, in ’s hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd.—Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch.—Is het mogelijk? riep don Leo.—Een Sachem liegt nooit.—O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.—Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.—Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?—Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.—Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.—Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.—Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.—En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.[220]De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in.—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.—Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen deendit-ha—zonsopgang—zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen.—O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaanschecithuatlgedragen werden.—De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst.—Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?—Mijn broeder is vrij.—Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in ons kampement?—Begrijpt gij dat niet?—Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid waart.—Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister toch niet.—Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden.—Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen.—Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?Het opperhoofd knikte toestemmend.—Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.—Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken.—Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.—Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons?—Wij zullen hier komen.[221]—Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.—De Vliegende-Arend is een goedpayatzin—looper,—antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.—Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?—Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet.—Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?—Met ons vieren.—Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.—Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben.—Goed, dan ga ik met u mede.Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende.De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.Domingo was verdwenen.Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift:—Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!—Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager?—Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.—Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in ’s hemels naam?—Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.—Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.—Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken,[222]hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.—Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.—Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren.Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, donMarianoen don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd.—Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij.De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken kamp.Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken.—Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.—Houd op!schreeuwdeLoer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor.[223]De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.—Ooah!antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien.Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.—Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had—huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.—Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen.—Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is.—Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.—De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot zijneruhpa—geweer—op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.—Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.—Het zij zoo ’t wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is goed afgeloopen.[224]De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:—Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven.—Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.—Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen.—Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.—Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang.—Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.De Vliegende-Arend keerde het wapen af.—Die man behoort mij, broeder,zeide hij.Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide hij:—Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik trillen.—Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene onbeschrijfelijke stem:—Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.—Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..—Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer verraden.Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond1.[225]De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde zich naar zijne kameraden:—Laten wij vertrekken, zeide hij.De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden.Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht met de hand op den schouder.—Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.—De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.En hij ging terstond heen.—Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl hij hem naoogde.1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.↑
XXX.Het tweede detachement.
Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.[218]Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.Wat had hij ontdekt?In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.—Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend komt hen bezoeken.—Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende.—Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.—Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.—Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.—Hoe dat? vroeg don Leo.—Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.—In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren.—Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . .—Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen.—Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.—Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten.[219]—Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben.De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.—Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst getroffen.—Wat wilt gij mij zeggen, in ’s hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd.—Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch.—Is het mogelijk? riep don Leo.—Een Sachem liegt nooit.—O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.—Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.—Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?—Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.—Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.—Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.—Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.—En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.[220]De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in.—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.—Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen deendit-ha—zonsopgang—zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen.—O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaanschecithuatlgedragen werden.—De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst.—Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?—Mijn broeder is vrij.—Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in ons kampement?—Begrijpt gij dat niet?—Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid waart.—Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister toch niet.—Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden.—Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen.—Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?Het opperhoofd knikte toestemmend.—Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.—Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken.—Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.—Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons?—Wij zullen hier komen.[221]—Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.—De Vliegende-Arend is een goedpayatzin—looper,—antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.—Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?—Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet.—Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?—Met ons vieren.—Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.—Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben.—Goed, dan ga ik met u mede.Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende.De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.Domingo was verdwenen.Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift:—Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!—Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager?—Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.—Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in ’s hemels naam?—Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.—Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.—Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken,[222]hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.—Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.—Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren.Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, donMarianoen don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd.—Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij.De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken kamp.Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken.—Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.—Houd op!schreeuwdeLoer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor.[223]De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.—Ooah!antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien.Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.—Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had—huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.—Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen.—Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is.—Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.—De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot zijneruhpa—geweer—op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.—Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.—Het zij zoo ’t wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is goed afgeloopen.[224]De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:—Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven.—Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.—Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen.—Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.—Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang.—Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.De Vliegende-Arend keerde het wapen af.—Die man behoort mij, broeder,zeide hij.Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide hij:—Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik trillen.—Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene onbeschrijfelijke stem:—Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.—Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..—Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer verraden.Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond1.[225]De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde zich naar zijne kameraden:—Laten wij vertrekken, zeide hij.De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden.Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht met de hand op den schouder.—Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.—De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.En hij ging terstond heen.—Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl hij hem naoogde.
Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.
De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.
Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.
Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.
Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.[218]
Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.
Wat had hij ontdekt?
In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.
De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.
—Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend komt hen bezoeken.
—Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende.
—Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.
De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.
—Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.
—Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.
—Hoe dat? vroeg don Leo.
—Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.
—In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren.
—Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . .
—Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen.
—Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.
—Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten.[219]
—Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben.
De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.
—Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.
De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst getroffen.
—Wat wilt gij mij zeggen, in ’s hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd.
—Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch.
—Is het mogelijk? riep don Leo.
—Een Sachem liegt nooit.
—O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.
—Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.
—Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?
—Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.
—Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.
—Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.
—Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.
—En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.[220]
De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in.
—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?
De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.
—Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen deendit-ha—zonsopgang—zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen.
—O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaanschecithuatlgedragen werden.
—De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst.
—Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?
—Mijn broeder is vrij.
—Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in ons kampement?
—Begrijpt gij dat niet?
—Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid waart.
—Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister toch niet.
—Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden.
—Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen.
—Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?
Het opperhoofd knikte toestemmend.
—Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.
—Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken.
—Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.
—Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons?
—Wij zullen hier komen.[221]
—Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.
—De Vliegende-Arend is een goedpayatzin—looper,—antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.
—Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?
—Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet.
—Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?
—Met ons vieren.
—Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.
—Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben.
—Goed, dan ga ik met u mede.
Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende.
De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.
Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.
Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.
Domingo was verdwenen.
Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift:
—Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!
—Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager?
—Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.
—Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in ’s hemels naam?
—Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.
—Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.
—Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.
Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken,[222]hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.
—Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.
—Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren.
Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.
Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, donMarianoen don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd.
—Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij.
De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.
De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.
De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken kamp.
Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken.
—Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.
—Houd op!schreeuwdeLoer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor.[223]
De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.
De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.
—Ooah!antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien.
Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.
—Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.
Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had—huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.
—Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen.
—Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is.
—Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.
—De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot zijneruhpa—geweer—op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.
—Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.
—Het zij zoo ’t wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is goed afgeloopen.[224]
De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:
—Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven.
—Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.
—Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen.
—Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.
—Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang.
—Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.
De Vliegende-Arend keerde het wapen af.
—Die man behoort mij, broeder,zeide hij.
Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide hij:
—Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.
Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik trillen.
—Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.
Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene onbeschrijfelijke stem:
—Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!
De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.
—Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..
—Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer verraden.
Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond1.[225]
De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde zich naar zijne kameraden:
—Laten wij vertrekken, zeide hij.
De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden.
Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.
Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht met de hand op den schouder.
—Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.
—De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.
En hij ging terstond heen.
—Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl hij hem naoogde.
1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.↑
1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.↑
1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.↑
1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen.↑