[Inhoud]XXVI.Eene Jagt in dePrairiën.De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen voor hen stond.De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam.Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk.Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man te ondervragen.—Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij ons te komen brengen?De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in ’t rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en onduidelijke stem te antwoorden:—Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen![185]Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping.—Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan.Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak:—Ik heb u verraden! lafhartig verraden!—Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend.—Ja, ik!Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig afkeurt.De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan.—Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best hoe ik hem aan ’t spreken kan krijgen.De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees.Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.—Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid.—Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u.—Maar in ’s hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn.—Ik deed erger dan dat.—O, o! maar wat deedt gij dan?—Ik heb.… begon Vrij-Kogel aarzelend.—Wat hebt gij?[186]Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide.—Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden te regtvaardigen, laat mij begaan.Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero.—Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, in een woord, hij heeft mijn broeder gered.—Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit.Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd.—O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan?—Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig.Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen wil en dank.—Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen.—Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten eer hij wegging.Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen.Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad.De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag had gedaan bleef alles nog een poos stil.—Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man zich verbinden kan.Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor zich[187]zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de woudloopers over zijn broeder uitgesproken.—Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks tegen ons gewend worden.—Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij nog tijdig genoeg aankomen!En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken terug gekregen.—Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor:—Spreek! riep don Leo.—Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van uw vijand acht.—Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden.—Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan.—Maar de meisjes dan? riep don Leo.—Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk van zal kwijten.Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte drukkende, zeide hij:[188]—De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen.Don Leo zuchtte.—Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt.—Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen.—Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter in uwe armen terug te voeren.—Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd die hem is opgedragen.—Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking kon vinden.—Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn.—Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op marsch gaan naar Amaxtlan1.—O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd.—Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander[189]ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken?—Ja, antwoordden al de aanwezigen.—Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met don Mariano alleen, denk ik?—Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk heb ik niet noodig.—Dat is te weinig, riep don Miguel.De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat beschrijven.—Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan mij over.—Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen.—Spreek.—Ik hoop dat gij slagen moogt.De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik.—Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte die zijn vriend hem toestak.De beide mannen hadden elkander begrepen.Don Leo ging nu de tent uit.Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan ’t werk om de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek.—Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen?—Ja, zei Vrij-Kogel.—Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden?—Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook.—God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij?—Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen.De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken te letten.Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer en groette hen beleefd.Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen[190]had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten.Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening:—Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige.Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet.—Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar zijn stam terug te keeren? vroeg hij.—De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien.—Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig.—De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet veel uit.—Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen.—Zoo doen immers alle menschen?—Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren.—Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken?—Ja.—Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug?—Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan de overzijde van de “groote rivier met de gouden golven.”—Ooah!riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie.—Hoedat, hoofdman?—Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders?—Neen, zei Loer-Vogel kortaf.—Ooah!mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen wanneer hij hen niet vergezelt?—Ik ga naar den kant der zon.De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik.—Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven.—Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan2aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh3.Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel[191]hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten.—Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later.—Waarom?—Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden.—Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord.—Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan!—Ja.Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij het woord weder op:—Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in deze reis?—Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne.—Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne bedoelingen edel en goed zijn.—Dat zijn ze.—Ooah!Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd.Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige voor zijn vertrek gereed te maken.Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste signaal tot den marsch.Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in[192]alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem de Gambucinos met een luid hoerah.Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij ontvangen zou.Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen.Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden.Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch.De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio.In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en weldra geheel verdwenen.Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, in alles zeven personen.De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld.Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder overgang op den dag volgt.Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag van[193]hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken.—Op marsch! riep hij met eene krachtige stem.Allen stonden op.De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.—Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult.De knecht was blijkbaar ontevreden.—Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, zeide hij.—Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van daan moogt zonder mijn order.—Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uwe terugkomst vinden zult.—Goed, zeiLoer-Vogel, ik maak staat op u.Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam dereata, of lasso die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich wegstappen.De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande inpemmicanof gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch—en gerooste maïskorrels.—Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks schouderde.—Op marsch! herhaalden de anderen.—Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet met hen mogt medegaan.—Dankje! antwoordden de avonturiers.Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamdeIndiaansche liniete baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden[194]of laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten.Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig bij het vuur neder.—Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders!Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem).1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.↑2Letterlijk; rietland, vanacatl, riet.↑3Waterzon, vanatl, water, entonatiuh, zon.↑
[Inhoud]XXVI.Eene Jagt in dePrairiën.De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen voor hen stond.De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam.Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk.Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man te ondervragen.—Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij ons te komen brengen?De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in ’t rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en onduidelijke stem te antwoorden:—Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen![185]Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping.—Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan.Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak:—Ik heb u verraden! lafhartig verraden!—Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend.—Ja, ik!Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig afkeurt.De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan.—Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best hoe ik hem aan ’t spreken kan krijgen.De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees.Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.—Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid.—Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u.—Maar in ’s hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn.—Ik deed erger dan dat.—O, o! maar wat deedt gij dan?—Ik heb.… begon Vrij-Kogel aarzelend.—Wat hebt gij?[186]Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide.—Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden te regtvaardigen, laat mij begaan.Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero.—Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, in een woord, hij heeft mijn broeder gered.—Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit.Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd.—O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan?—Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig.Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen wil en dank.—Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen.—Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten eer hij wegging.Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen.Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad.De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag had gedaan bleef alles nog een poos stil.—Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man zich verbinden kan.Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor zich[187]zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de woudloopers over zijn broeder uitgesproken.—Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks tegen ons gewend worden.—Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij nog tijdig genoeg aankomen!En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken terug gekregen.—Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor:—Spreek! riep don Leo.—Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van uw vijand acht.—Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden.—Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan.—Maar de meisjes dan? riep don Leo.—Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk van zal kwijten.Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte drukkende, zeide hij:[188]—De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen.Don Leo zuchtte.—Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt.—Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen.—Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter in uwe armen terug te voeren.—Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd die hem is opgedragen.—Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking kon vinden.—Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn.—Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op marsch gaan naar Amaxtlan1.—O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd.—Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander[189]ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken?—Ja, antwoordden al de aanwezigen.—Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met don Mariano alleen, denk ik?—Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk heb ik niet noodig.—Dat is te weinig, riep don Miguel.De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat beschrijven.—Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan mij over.—Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen.—Spreek.—Ik hoop dat gij slagen moogt.De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik.—Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte die zijn vriend hem toestak.De beide mannen hadden elkander begrepen.Don Leo ging nu de tent uit.Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan ’t werk om de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek.—Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen?—Ja, zei Vrij-Kogel.—Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden?—Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook.—God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij?—Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen.De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken te letten.Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer en groette hen beleefd.Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen[190]had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten.Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening:—Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige.Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet.—Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar zijn stam terug te keeren? vroeg hij.—De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien.—Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig.—De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet veel uit.—Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen.—Zoo doen immers alle menschen?—Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren.—Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken?—Ja.—Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug?—Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan de overzijde van de “groote rivier met de gouden golven.”—Ooah!riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie.—Hoedat, hoofdman?—Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders?—Neen, zei Loer-Vogel kortaf.—Ooah!mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen wanneer hij hen niet vergezelt?—Ik ga naar den kant der zon.De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik.—Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven.—Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan2aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh3.Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel[191]hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten.—Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later.—Waarom?—Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden.—Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord.—Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan!—Ja.Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij het woord weder op:—Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in deze reis?—Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne.—Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne bedoelingen edel en goed zijn.—Dat zijn ze.—Ooah!Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd.Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige voor zijn vertrek gereed te maken.Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste signaal tot den marsch.Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in[192]alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem de Gambucinos met een luid hoerah.Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij ontvangen zou.Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen.Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden.Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch.De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio.In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en weldra geheel verdwenen.Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, in alles zeven personen.De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld.Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder overgang op den dag volgt.Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag van[193]hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken.—Op marsch! riep hij met eene krachtige stem.Allen stonden op.De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.—Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult.De knecht was blijkbaar ontevreden.—Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, zeide hij.—Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van daan moogt zonder mijn order.—Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uwe terugkomst vinden zult.—Goed, zeiLoer-Vogel, ik maak staat op u.Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam dereata, of lasso die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich wegstappen.De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande inpemmicanof gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch—en gerooste maïskorrels.—Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks schouderde.—Op marsch! herhaalden de anderen.—Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet met hen mogt medegaan.—Dankje! antwoordden de avonturiers.Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamdeIndiaansche liniete baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden[194]of laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten.Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig bij het vuur neder.—Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders!Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem).1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.↑2Letterlijk; rietland, vanacatl, riet.↑3Waterzon, vanatl, water, entonatiuh, zon.↑
XXVI.Eene Jagt in dePrairiën.
De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen voor hen stond.De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam.Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk.Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man te ondervragen.—Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij ons te komen brengen?De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in ’t rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en onduidelijke stem te antwoorden:—Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen![185]Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping.—Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan.Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak:—Ik heb u verraden! lafhartig verraden!—Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend.—Ja, ik!Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig afkeurt.De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan.—Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best hoe ik hem aan ’t spreken kan krijgen.De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees.Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.—Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid.—Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u.—Maar in ’s hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn.—Ik deed erger dan dat.—O, o! maar wat deedt gij dan?—Ik heb.… begon Vrij-Kogel aarzelend.—Wat hebt gij?[186]Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide.—Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden te regtvaardigen, laat mij begaan.Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero.—Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, in een woord, hij heeft mijn broeder gered.—Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit.Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd.—O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan?—Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig.Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen wil en dank.—Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen.—Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten eer hij wegging.Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen.Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad.De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag had gedaan bleef alles nog een poos stil.—Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man zich verbinden kan.Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor zich[187]zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de woudloopers over zijn broeder uitgesproken.—Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks tegen ons gewend worden.—Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij nog tijdig genoeg aankomen!En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken terug gekregen.—Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor:—Spreek! riep don Leo.—Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van uw vijand acht.—Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden.—Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan.—Maar de meisjes dan? riep don Leo.—Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk van zal kwijten.Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte drukkende, zeide hij:[188]—De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen.Don Leo zuchtte.—Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt.—Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen.—Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter in uwe armen terug te voeren.—Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd die hem is opgedragen.—Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking kon vinden.—Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn.—Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op marsch gaan naar Amaxtlan1.—O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd.—Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander[189]ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken?—Ja, antwoordden al de aanwezigen.—Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met don Mariano alleen, denk ik?—Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk heb ik niet noodig.—Dat is te weinig, riep don Miguel.De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat beschrijven.—Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan mij over.—Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen.—Spreek.—Ik hoop dat gij slagen moogt.De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik.—Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte die zijn vriend hem toestak.De beide mannen hadden elkander begrepen.Don Leo ging nu de tent uit.Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan ’t werk om de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek.—Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen?—Ja, zei Vrij-Kogel.—Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden?—Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook.—God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij?—Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen.De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken te letten.Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer en groette hen beleefd.Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen[190]had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten.Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening:—Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige.Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet.—Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar zijn stam terug te keeren? vroeg hij.—De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien.—Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig.—De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet veel uit.—Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen.—Zoo doen immers alle menschen?—Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren.—Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken?—Ja.—Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug?—Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan de overzijde van de “groote rivier met de gouden golven.”—Ooah!riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie.—Hoedat, hoofdman?—Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders?—Neen, zei Loer-Vogel kortaf.—Ooah!mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen wanneer hij hen niet vergezelt?—Ik ga naar den kant der zon.De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik.—Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven.—Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan2aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh3.Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel[191]hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten.—Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later.—Waarom?—Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden.—Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord.—Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan!—Ja.Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij het woord weder op:—Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in deze reis?—Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne.—Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne bedoelingen edel en goed zijn.—Dat zijn ze.—Ooah!Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd.Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige voor zijn vertrek gereed te maken.Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste signaal tot den marsch.Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in[192]alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem de Gambucinos met een luid hoerah.Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij ontvangen zou.Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen.Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden.Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch.De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio.In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en weldra geheel verdwenen.Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, in alles zeven personen.De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld.Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder overgang op den dag volgt.Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag van[193]hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken.—Op marsch! riep hij met eene krachtige stem.Allen stonden op.De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.—Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult.De knecht was blijkbaar ontevreden.—Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, zeide hij.—Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van daan moogt zonder mijn order.—Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uwe terugkomst vinden zult.—Goed, zeiLoer-Vogel, ik maak staat op u.Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam dereata, of lasso die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich wegstappen.De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande inpemmicanof gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch—en gerooste maïskorrels.—Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks schouderde.—Op marsch! herhaalden de anderen.—Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet met hen mogt medegaan.—Dankje! antwoordden de avonturiers.Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamdeIndiaansche liniete baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden[194]of laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten.Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig bij het vuur neder.—Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders!Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem).
De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen voor hen stond.
De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam.
Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.
Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk.
Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man te ondervragen.
—Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij ons te komen brengen?
De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in ’t rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en onduidelijke stem te antwoorden:
—Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen![185]
Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping.
—Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan.
Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak:
—Ik heb u verraden! lafhartig verraden!
—Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend.
—Ja, ik!
Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig afkeurt.
De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan.
—Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best hoe ik hem aan ’t spreken kan krijgen.
De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees.
Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.
—Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid.
—Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u.
—Maar in ’s hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn.
—Ik deed erger dan dat.
—O, o! maar wat deedt gij dan?
—Ik heb.… begon Vrij-Kogel aarzelend.
—Wat hebt gij?[186]
Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide.
—Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden te regtvaardigen, laat mij begaan.
Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero.
—Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, in een woord, hij heeft mijn broeder gered.
—Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit.
Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd.
—O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan?
—Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig.
Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen wil en dank.
—Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen.
—Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten eer hij wegging.
Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen.
Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad.
De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag had gedaan bleef alles nog een poos stil.
—Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man zich verbinden kan.
Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor zich[187]zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de woudloopers over zijn broeder uitgesproken.
—Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks tegen ons gewend worden.
—Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij nog tijdig genoeg aankomen!
En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken terug gekregen.
—Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor:
—Spreek! riep don Leo.
—Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van uw vijand acht.
—Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden.
—Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan.
—Maar de meisjes dan? riep don Leo.
—Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk van zal kwijten.
Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte drukkende, zeide hij:[188]
—De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen.
Don Leo zuchtte.
—Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt.
—Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen.
—Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter in uwe armen terug te voeren.
—Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd die hem is opgedragen.
—Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking kon vinden.
—Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn.
—Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op marsch gaan naar Amaxtlan1.
—O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd.
—Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander[189]ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken?
—Ja, antwoordden al de aanwezigen.
—Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met don Mariano alleen, denk ik?
—Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk heb ik niet noodig.
—Dat is te weinig, riep don Miguel.
De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat beschrijven.
—Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan mij over.
—Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen.
—Spreek.
—Ik hoop dat gij slagen moogt.
De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik.
—Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte die zijn vriend hem toestak.
De beide mannen hadden elkander begrepen.
Don Leo ging nu de tent uit.
Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan ’t werk om de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek.
—Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen?
—Ja, zei Vrij-Kogel.
—Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden?
—Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook.
—God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij?
—Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen.
De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken te letten.
Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer en groette hen beleefd.
Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen[190]had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten.
Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening:
—Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige.
Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet.
—Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar zijn stam terug te keeren? vroeg hij.
—De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien.
—Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig.
—De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet veel uit.
—Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen.
—Zoo doen immers alle menschen?
—Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren.
—Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken?
—Ja.
—Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug?
—Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan de overzijde van de “groote rivier met de gouden golven.”
—Ooah!riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie.
—Hoedat, hoofdman?
—Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders?
—Neen, zei Loer-Vogel kortaf.
—Ooah!mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen wanneer hij hen niet vergezelt?
—Ik ga naar den kant der zon.
De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik.
—Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven.
—Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan2aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh3.
Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel[191]hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten.
—Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later.
—Waarom?
—Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden.
—Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord.
—Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan!
—Ja.
Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij het woord weder op:
—Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in deze reis?
—Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne.
—Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne bedoelingen edel en goed zijn.
—Dat zijn ze.
—Ooah!Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd.
Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige voor zijn vertrek gereed te maken.
Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste signaal tot den marsch.
Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in[192]alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem de Gambucinos met een luid hoerah.
Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij ontvangen zou.
Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen.
Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden.
Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch.
De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio.
In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en weldra geheel verdwenen.
Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, in alles zeven personen.
De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.
Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld.
Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder overgang op den dag volgt.
Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag van[193]hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken.
—Op marsch! riep hij met eene krachtige stem.
Allen stonden op.
De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.
—Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult.
De knecht was blijkbaar ontevreden.
—Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, zeide hij.
—Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van daan moogt zonder mijn order.
—Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uwe terugkomst vinden zult.
—Goed, zeiLoer-Vogel, ik maak staat op u.
Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam dereata, of lasso die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich wegstappen.
De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande inpemmicanof gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch—en gerooste maïskorrels.
—Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks schouderde.
—Op marsch! herhaalden de anderen.
—Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet met hen mogt medegaan.
—Dankje! antwoordden de avonturiers.
Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamdeIndiaansche liniete baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden[194]of laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten.
Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig bij het vuur neder.
—Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders!
Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem).
1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.↑2Letterlijk; rietland, vanacatl, riet.↑3Waterzon, vanatl, water, entonatiuh, zon.↑
1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.↑2Letterlijk; rietland, vanacatl, riet.↑3Waterzon, vanatl, water, entonatiuh, zon.↑
1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.↑
1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt.↑
2Letterlijk; rietland, vanacatl, riet.↑
2Letterlijk; rietland, vanacatl, riet.↑
3Waterzon, vanatl, water, entonatiuh, zon.↑
3Waterzon, vanatl, water, entonatiuh, zon.↑