XXXI.

[Inhoud]XXXI.De Tlacateotzin1.Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van de Wilde-Roos.Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder:De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten.Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van[226]mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom waar de wet vanIlhuicamitl2den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land vanHanahuca3beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op.Het opperhoofd vervolgde:—De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten?—Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.—Ooah!hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.—God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano.—Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen.—Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide don Miguel.—Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.—Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.…—Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt.[227]—En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen.—Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.—Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.—Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen?—Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.—Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon.—Ooah!denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een blanke?—Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even.De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet.Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk eenayotlof gewijdenschildpadop de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier derYumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.—Op mijn woord, riep Vrij-Kogelnaïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.…—En wat zegtgijer van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.[228]Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.—Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.—Ooah!de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.—Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.—Mijn broeder zal eentlacateotzinzijn, een groote Yumeesche doctor.—Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen.De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.—Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen.Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.—Ik ben gereed, zeide hij.—Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken.De Tlacateotzin boog toestemmend.De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?—Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen.—Kom, antwoordde de jager kortaf.Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.De jager bleef staan.—Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.[229]—Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.De Canadeeswachtteeen oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij:—Hebt gij mij niets te zeggen?—Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering.—Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben.—Ja, ’t is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, ’t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.—Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?—Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.—O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!—Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe.—Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren.—Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.—En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;—het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat zakje is eene heilige reliek—een splinter van het heilig kruis, gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. ’t Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel,[230]ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand had toegeworpen.Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.—Arme jongman, mompeldehijmet een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt?Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij:—Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den schouder en eenreata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager.De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de[231]stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen vanLoer-Vogelhad willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.—Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:—Is mijn broeder een opperhoofd?—Ik ben een opperhoofd.—Ooah!dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest[232]voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudigTwee-Konijnen,4zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.—Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.—De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.—Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?—Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.—Ooah!hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van mijns broeders stam?—Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).—Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen?—Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.—Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.—Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.—Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.—Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.—Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijnecalli(hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.—Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.—De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder[233]Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.—Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl—de Duif—de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat vanmaïs-strootortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden tebeschrijven, en waarop men met regt den titel vanwildenmag toepassen.Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.—Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.—De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde zij.De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.—Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.—De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.—Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.—Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.—Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet.—De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.Hiermede was de voorstelling afgeloopen.De slavinnen bragten eenigebutaccas(legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende[234]naar de Spaanschealcaforas, metpulquegevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, vantlacatl, man enteotlGod. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.↑2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,”vanIlhuicatl, hemel, enmitlschicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.↑3Mexico.↑4Ometochtliis zamengesteld uitom, twee, entochtli, konijn.↑

[Inhoud]XXXI.De Tlacateotzin1.Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van de Wilde-Roos.Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder:De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten.Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van[226]mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom waar de wet vanIlhuicamitl2den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land vanHanahuca3beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op.Het opperhoofd vervolgde:—De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten?—Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.—Ooah!hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.—God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano.—Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen.—Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide don Miguel.—Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.—Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.…—Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt.[227]—En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen.—Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.—Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.—Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen?—Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.—Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon.—Ooah!denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een blanke?—Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even.De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet.Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk eenayotlof gewijdenschildpadop de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier derYumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.—Op mijn woord, riep Vrij-Kogelnaïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.…—En wat zegtgijer van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.[228]Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.—Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.—Ooah!de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.—Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.—Mijn broeder zal eentlacateotzinzijn, een groote Yumeesche doctor.—Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen.De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.—Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen.Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.—Ik ben gereed, zeide hij.—Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken.De Tlacateotzin boog toestemmend.De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?—Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen.—Kom, antwoordde de jager kortaf.Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.De jager bleef staan.—Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.[229]—Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.De Canadeeswachtteeen oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij:—Hebt gij mij niets te zeggen?—Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering.—Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben.—Ja, ’t is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, ’t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.—Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?—Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.—O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!—Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe.—Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren.—Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.—En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;—het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat zakje is eene heilige reliek—een splinter van het heilig kruis, gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. ’t Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel,[230]ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand had toegeworpen.Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.—Arme jongman, mompeldehijmet een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt?Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij:—Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den schouder en eenreata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager.De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de[231]stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen vanLoer-Vogelhad willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.—Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:—Is mijn broeder een opperhoofd?—Ik ben een opperhoofd.—Ooah!dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest[232]voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudigTwee-Konijnen,4zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.—Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.—De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.—Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?—Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.—Ooah!hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van mijns broeders stam?—Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).—Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen?—Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.—Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.—Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.—Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.—Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.—Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijnecalli(hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.—Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.—De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder[233]Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.—Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl—de Duif—de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat vanmaïs-strootortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden tebeschrijven, en waarop men met regt den titel vanwildenmag toepassen.Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.—Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.—De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde zij.De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.—Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.—De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.—Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.—Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.—Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet.—De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.Hiermede was de voorstelling afgeloopen.De slavinnen bragten eenigebutaccas(legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende[234]naar de Spaanschealcaforas, metpulquegevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, vantlacatl, man enteotlGod. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.↑2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,”vanIlhuicatl, hemel, enmitlschicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.↑3Mexico.↑4Ometochtliis zamengesteld uitom, twee, entochtli, konijn.↑

XXXI.De Tlacateotzin1.

Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van de Wilde-Roos.Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder:De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten.Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van[226]mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom waar de wet vanIlhuicamitl2den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land vanHanahuca3beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op.Het opperhoofd vervolgde:—De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten?—Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.—Ooah!hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.—God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano.—Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen.—Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide don Miguel.—Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.—Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.…—Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt.[227]—En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen.—Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.—Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.—Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen?—Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.—Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon.—Ooah!denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een blanke?—Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even.De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet.Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk eenayotlof gewijdenschildpadop de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier derYumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.—Op mijn woord, riep Vrij-Kogelnaïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.…—En wat zegtgijer van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.[228]Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.—Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.—Ooah!de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.—Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.—Mijn broeder zal eentlacateotzinzijn, een groote Yumeesche doctor.—Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen.De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.—Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen.Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.—Ik ben gereed, zeide hij.—Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken.De Tlacateotzin boog toestemmend.De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?—Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen.—Kom, antwoordde de jager kortaf.Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.De jager bleef staan.—Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.[229]—Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.De Canadeeswachtteeen oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij:—Hebt gij mij niets te zeggen?—Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering.—Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben.—Ja, ’t is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, ’t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.—Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?—Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.—O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!—Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe.—Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren.—Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.—En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;—het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat zakje is eene heilige reliek—een splinter van het heilig kruis, gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. ’t Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel,[230]ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand had toegeworpen.Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.—Arme jongman, mompeldehijmet een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt?Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij:—Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den schouder en eenreata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager.De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de[231]stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen vanLoer-Vogelhad willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.—Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:—Is mijn broeder een opperhoofd?—Ik ben een opperhoofd.—Ooah!dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest[232]voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudigTwee-Konijnen,4zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.—Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.—De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.—Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?—Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.—Ooah!hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van mijns broeders stam?—Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).—Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen?—Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.—Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.—Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.—Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.—Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.—Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijnecalli(hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.—Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.—De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder[233]Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.—Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl—de Duif—de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat vanmaïs-strootortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden tebeschrijven, en waarop men met regt den titel vanwildenmag toepassen.Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.—Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.—De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde zij.De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.—Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.—De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.—Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.—Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.—Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet.—De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.Hiermede was de voorstelling afgeloopen.De slavinnen bragten eenigebutaccas(legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende[234]naar de Spaanschealcaforas, metpulquegevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.

Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van de Wilde-Roos.

Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.

De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder:

De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.

Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten.

Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!

Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.

In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.

Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.

Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van[226]mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom waar de wet vanIlhuicamitl2den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land vanHanahuca3beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.

Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op.

Het opperhoofd vervolgde:

—De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten?

—Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.

—Ooah!hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.

—God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano.

—Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen.

—Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide don Miguel.

—Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.

—Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.…

—Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt.[227]

—En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen.

—Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.

—Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.

—Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen?

—Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.

—Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon.

—Ooah!denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een blanke?

—Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even.

De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.

De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet.

Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk eenayotlof gewijdenschildpadop de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier derYumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.

Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.

—Op mijn woord, riep Vrij-Kogelnaïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.…

—En wat zegtgijer van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.[228]

Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.

—Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.

—Ooah!de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.

—Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.

—Mijn broeder zal eentlacateotzinzijn, een groote Yumeesche doctor.

—Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen.

De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.

—Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen.

Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.

—Ik ben gereed, zeide hij.

—Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken.

De Tlacateotzin boog toestemmend.

De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.

Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?

—Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen.

—Kom, antwoordde de jager kortaf.

Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.

De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.

De jager bleef staan.

—Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.[229]

—Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.

De Canadeeswachtteeen oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij:

—Hebt gij mij niets te zeggen?

—Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering.

—Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben.

—Ja, ’t is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, ’t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.

—Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?

—Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.

—O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!

—Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe.

—Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren.

—Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.

—En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;—het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat zakje is eene heilige reliek—een splinter van het heilig kruis, gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. ’t Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel,[230]ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!

Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand had toegeworpen.

Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.

—Arme jongman, mompeldehijmet een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt?

Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij:

—Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!

Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.

In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.

Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den schouder en eenreata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager.

De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.

De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.

Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de[231]stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.

Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.

Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.

Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.

De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.

Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.

Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.

Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.

Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.

Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen vanLoer-Vogelhad willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.

De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.

—Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.

Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:

—Is mijn broeder een opperhoofd?

—Ik ben een opperhoofd.

—Ooah!dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.

Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest[232]voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudigTwee-Konijnen,4zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.

—Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.

—De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.

—Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?

—Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.

—Ooah!hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van mijns broeders stam?

—Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).

—Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen?

—Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.

—Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.

Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.

—Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.

Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.

—Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.

—Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!

De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.

—Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijnecalli(hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.

Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.

—Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.

—De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder[233]Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.

—Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.

En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.

Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.

Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.

Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl—de Duif—de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat vanmaïs-strootortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden tebeschrijven, en waarop men met regt den titel vanwildenmag toepassen.

Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.

—Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.

—De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde zij.

De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.

—Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.

—De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.

—Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.

—Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.

—Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet.

—De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.

Hiermede was de voorstelling afgeloopen.

De slavinnen bragten eenigebutaccas(legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende[234]naar de Spaanschealcaforas, metpulquegevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.

1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, vantlacatl, man enteotlGod. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.↑2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,”vanIlhuicatl, hemel, enmitlschicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.↑3Mexico.↑4Ometochtliis zamengesteld uitom, twee, entochtli, konijn.↑

1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, vantlacatl, man enteotlGod. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.↑2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,”vanIlhuicatl, hemel, enmitlschicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.↑3Mexico.↑4Ometochtliis zamengesteld uitom, twee, entochtli, konijn.↑

1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, vantlacatl, man enteotlGod. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.↑

1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, vantlacatl, man enteotlGod. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen.↑

2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,”vanIlhuicatl, hemel, enmitlschicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.↑

2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,”vanIlhuicatl, hemel, enmitlschicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.↑

3Mexico.↑

3Mexico.↑

4Ometochtliis zamengesteld uitom, twee, entochtli, konijn.↑

4Ometochtliis zamengesteld uitom, twee, entochtli, konijn.↑


Back to IndexNext