[Inhoud]XXXII.Eerste ontdekkingen in de stad.Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.Eenige stapels velden van tijgers enocelotl(boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.Buttacas(rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer voor het gezin.Het tweede is bestemd voor de kinderen.Het derde dient tot slaapkamer.Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk in dencoral, dat is in de open lucht bereiden.Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor.De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de[235]slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden.Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij gedoemd.Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef:Lasciate ogni speranza(Vaarwel, alle hoop).Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige[236]Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen.Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.—De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.—Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend.—De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.—Wat is er dan voor nieuws aan de hand?—De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem.De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.—Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen?—Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen.—Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?—Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?—Dat ik onmiddelijk in den raad kom.De Indiaan boog en vertrok.De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.De Vliegende-Arend weêrhield hem.—Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.—Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.—Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?—Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.[237]—De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen ongestoord uitvoeren.—Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.—Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet.—Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad.—Wat wilt gij hiermede zeggen?—Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen.—En wie zijn die twee mannen?—Gij kent hen maar al te goed.—Hoe heeten zij dan?—De Roode-Wolf en Addick.—Ooah!riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen.—Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?—Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?.…—Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.—Welk?—Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk?—Wat meer?—Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen.—Dat heb ik.—Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de[238]oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:—Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras in ’t algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen.—Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde.—Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken.—Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen.—Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.—Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling van den jager.—Laat ons vertrekken, zei Atoyac.De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.Zij gingen heen.Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:—Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in ’t voorbijgaan gezien heb.—Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op[239]mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in de calli te laten.De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden wenk.Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen.[240]Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.De jager vlijde zich op eenbutaccaneder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.—Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.—Ja, antwoordde de Duif.—Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.—Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan.De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.—O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.—Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig.—Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen.—Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?—Wanneer?—Morgen, zoo gij wilt.—Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen.Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.—Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.—Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag[241]van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.Laatstgenoemde glimlachte.Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven.—Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens met hem had.Hij nam het dus aan.—Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde.—Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.—Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel.—Zooveel te beter.—Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.—Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede.Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met eene bedaarde stem te kunnen zeggen:—Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.—Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.
[Inhoud]XXXII.Eerste ontdekkingen in de stad.Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.Eenige stapels velden van tijgers enocelotl(boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.Buttacas(rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer voor het gezin.Het tweede is bestemd voor de kinderen.Het derde dient tot slaapkamer.Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk in dencoral, dat is in de open lucht bereiden.Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor.De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de[235]slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden.Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij gedoemd.Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef:Lasciate ogni speranza(Vaarwel, alle hoop).Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige[236]Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen.Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.—De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.—Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend.—De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.—Wat is er dan voor nieuws aan de hand?—De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem.De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.—Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen?—Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen.—Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?—Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?—Dat ik onmiddelijk in den raad kom.De Indiaan boog en vertrok.De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.De Vliegende-Arend weêrhield hem.—Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.—Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.—Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?—Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.[237]—De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen ongestoord uitvoeren.—Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.—Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet.—Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad.—Wat wilt gij hiermede zeggen?—Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen.—En wie zijn die twee mannen?—Gij kent hen maar al te goed.—Hoe heeten zij dan?—De Roode-Wolf en Addick.—Ooah!riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen.—Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?—Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?.…—Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.—Welk?—Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk?—Wat meer?—Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen.—Dat heb ik.—Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de[238]oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:—Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras in ’t algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen.—Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde.—Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken.—Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen.—Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.—Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling van den jager.—Laat ons vertrekken, zei Atoyac.De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.Zij gingen heen.Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:—Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in ’t voorbijgaan gezien heb.—Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op[239]mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in de calli te laten.De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden wenk.Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen.[240]Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.De jager vlijde zich op eenbutaccaneder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.—Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.—Ja, antwoordde de Duif.—Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.—Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan.De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.—O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.—Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig.—Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen.—Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?—Wanneer?—Morgen, zoo gij wilt.—Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen.Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.—Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.—Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag[241]van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.Laatstgenoemde glimlachte.Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven.—Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens met hem had.Hij nam het dus aan.—Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde.—Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.—Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel.—Zooveel te beter.—Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.—Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede.Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met eene bedaarde stem te kunnen zeggen:—Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.—Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.
XXXII.Eerste ontdekkingen in de stad.
Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.Eenige stapels velden van tijgers enocelotl(boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.Buttacas(rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer voor het gezin.Het tweede is bestemd voor de kinderen.Het derde dient tot slaapkamer.Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk in dencoral, dat is in de open lucht bereiden.Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor.De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de[235]slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden.Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij gedoemd.Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef:Lasciate ogni speranza(Vaarwel, alle hoop).Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige[236]Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen.Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.—De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.—Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend.—De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.—Wat is er dan voor nieuws aan de hand?—De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem.De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.—Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen?—Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen.—Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?—Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?—Dat ik onmiddelijk in den raad kom.De Indiaan boog en vertrok.De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.De Vliegende-Arend weêrhield hem.—Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.—Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.—Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?—Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.[237]—De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen ongestoord uitvoeren.—Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.—Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet.—Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad.—Wat wilt gij hiermede zeggen?—Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen.—En wie zijn die twee mannen?—Gij kent hen maar al te goed.—Hoe heeten zij dan?—De Roode-Wolf en Addick.—Ooah!riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen.—Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?—Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?.…—Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.—Welk?—Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk?—Wat meer?—Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen.—Dat heb ik.—Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de[238]oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:—Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras in ’t algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen.—Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde.—Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken.—Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen.—Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.—Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling van den jager.—Laat ons vertrekken, zei Atoyac.De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.Zij gingen heen.Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:—Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in ’t voorbijgaan gezien heb.—Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op[239]mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in de calli te laten.De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden wenk.Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen.[240]Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.De jager vlijde zich op eenbutaccaneder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.—Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.—Ja, antwoordde de Duif.—Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.—Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan.De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.—O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.—Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig.—Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen.—Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?—Wanneer?—Morgen, zoo gij wilt.—Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen.Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.—Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.—Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag[241]van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.Laatstgenoemde glimlachte.Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven.—Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens met hem had.Hij nam het dus aan.—Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde.—Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.—Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel.—Zooveel te beter.—Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.—Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede.Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met eene bedaarde stem te kunnen zeggen:—Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.—Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.
Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.
Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.
Eenige stapels velden van tijgers enocelotl(boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.
Buttacas(rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.
Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.
Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer voor het gezin.
Het tweede is bestemd voor de kinderen.
Het derde dient tot slaapkamer.
Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.
Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.
Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.
Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk in dencoral, dat is in de open lucht bereiden.
Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor.
De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de[235]slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden.
Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij gedoemd.
Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.
Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef:Lasciate ogni speranza(Vaarwel, alle hoop).
Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.
Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.
Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige[236]Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen.
Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.
—De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.
—Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend.
—De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.
—Wat is er dan voor nieuws aan de hand?
—De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem.
De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.
—Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen?
—Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen.
—Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?
—Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?
—Dat ik onmiddelijk in den raad kom.
De Indiaan boog en vertrok.
De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.
De Vliegende-Arend weêrhield hem.
—Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.
—Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.
—Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?
—Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.[237]
—De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen ongestoord uitvoeren.
—Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.
—Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet.
—Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad.
—Wat wilt gij hiermede zeggen?
—Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen.
—En wie zijn die twee mannen?
—Gij kent hen maar al te goed.
—Hoe heeten zij dan?
—De Roode-Wolf en Addick.
—Ooah!riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen.
—Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?
—Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?.…
—Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.
—Welk?
—Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk?
—Wat meer?
—Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen.
—Dat heb ik.
—Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?
De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de[238]oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:
—Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras in ’t algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen.
—Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde.
—Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken.
—Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen.
—Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.
—Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling van den jager.
—Laat ons vertrekken, zei Atoyac.
De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.
Zij gingen heen.
Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.
De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.
De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:
—Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in ’t voorbijgaan gezien heb.
—Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op[239]mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in de calli te laten.
De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden wenk.
Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.
Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.
Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.
De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.
Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.
Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.
Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen.[240]
Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.
De jager vlijde zich op eenbutaccaneder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.
Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.
—Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.
—Ja, antwoordde de Duif.
—Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.
—Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan.
De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.
—O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.
—Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig.
—Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen.
—Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?
—Wanneer?
—Morgen, zoo gij wilt.
—Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.
Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.
Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.
Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.
Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen.
Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.
—Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.
—Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag[241]van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.
Laatstgenoemde glimlachte.
Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven.
—Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.
Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens met hem had.
Hij nam het dus aan.
—Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde.
—Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.
—Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel.
—Zooveel te beter.
—Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.
—Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede.
Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met eene bedaarde stem te kunnen zeggen:
—Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.
—Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.
Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.