XXXIII.

[Inhoud]XXXIII.Ophelderingen.Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk[242]in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te worden gekend.In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen.Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich met de Roodhuiden meten.De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan met woeker terug te zullen betalen.In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt zou zijn.Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten,[243]met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan.De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in ’t oog te houden.In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen.Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in ’t oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat[244]zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.Zij trokken op weg.Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in ’t oog te kunnen houden.Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minsteslinkschebeweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte[245]was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat hetbastaardraswaartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben gezien.Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te worden overvallen.De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten.Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken.Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat[246]men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der brandendetakkebosschente bezigtigen.Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld—en die tabak wasversch.Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het jagerskamp bevinden.Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen.Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen.De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek ook hier weder het geval te zijn.Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een vuur branden.Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht.Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring[247]van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect.De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging had kunnen uitbrengen.De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in ’t verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar—wij behoeven het naauwelijks te zeggen—werd hij door don Estevan dadelijk herkend.—Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?—Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word.Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten.De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij zoo digt in de nabijheid waren.Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd had om don Estevan op te zoeken.Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen waren.Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach werden beantwoord.Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden.[248]Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft.Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord.Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij te doen hadden dan zij in ’t eerst vermoedden, en dat de vijand, wel verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken.Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen zijnden strijd te ondersteunen.Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hunne terugkomst af te wachten.Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani was binnen gekomen.Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriendChicuhcoatl—Acht-Slangen—den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani.Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt—die haar trouwens reeds bekend was—en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden.De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en[249]dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen.Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis derZonnemaagdenover te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij gepaste woorden vond.

[Inhoud]XXXIII.Ophelderingen.Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk[242]in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te worden gekend.In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen.Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich met de Roodhuiden meten.De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan met woeker terug te zullen betalen.In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt zou zijn.Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten,[243]met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan.De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in ’t oog te houden.In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen.Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in ’t oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat[244]zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.Zij trokken op weg.Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in ’t oog te kunnen houden.Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minsteslinkschebeweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte[245]was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat hetbastaardraswaartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben gezien.Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te worden overvallen.De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten.Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken.Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat[246]men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der brandendetakkebosschente bezigtigen.Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld—en die tabak wasversch.Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het jagerskamp bevinden.Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen.Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen.De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek ook hier weder het geval te zijn.Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een vuur branden.Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht.Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring[247]van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect.De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging had kunnen uitbrengen.De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in ’t verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar—wij behoeven het naauwelijks te zeggen—werd hij door don Estevan dadelijk herkend.—Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?—Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word.Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten.De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij zoo digt in de nabijheid waren.Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd had om don Estevan op te zoeken.Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen waren.Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach werden beantwoord.Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden.[248]Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft.Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord.Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij te doen hadden dan zij in ’t eerst vermoedden, en dat de vijand, wel verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken.Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen zijnden strijd te ondersteunen.Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hunne terugkomst af te wachten.Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani was binnen gekomen.Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriendChicuhcoatl—Acht-Slangen—den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani.Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt—die haar trouwens reeds bekend was—en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden.De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en[249]dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen.Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis derZonnemaagdenover te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij gepaste woorden vond.

XXXIII.Ophelderingen.

Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk[242]in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te worden gekend.In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen.Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich met de Roodhuiden meten.De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan met woeker terug te zullen betalen.In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt zou zijn.Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten,[243]met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan.De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in ’t oog te houden.In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen.Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in ’t oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat[244]zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.Zij trokken op weg.Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in ’t oog te kunnen houden.Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minsteslinkschebeweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte[245]was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat hetbastaardraswaartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben gezien.Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te worden overvallen.De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten.Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken.Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat[246]men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der brandendetakkebosschente bezigtigen.Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld—en die tabak wasversch.Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het jagerskamp bevinden.Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen.Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen.De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek ook hier weder het geval te zijn.Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een vuur branden.Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht.Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring[247]van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect.De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging had kunnen uitbrengen.De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in ’t verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar—wij behoeven het naauwelijks te zeggen—werd hij door don Estevan dadelijk herkend.—Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?—Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word.Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten.De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij zoo digt in de nabijheid waren.Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd had om don Estevan op te zoeken.Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen waren.Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach werden beantwoord.Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden.[248]Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft.Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord.Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij te doen hadden dan zij in ’t eerst vermoedden, en dat de vijand, wel verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken.Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen zijnden strijd te ondersteunen.Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hunne terugkomst af te wachten.Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani was binnen gekomen.Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriendChicuhcoatl—Acht-Slangen—den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani.Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt—die haar trouwens reeds bekend was—en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden.De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en[249]dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen.Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis derZonnemaagdenover te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij gepaste woorden vond.

Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk[242]in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te worden gekend.

In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen.

Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.

Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich met de Roodhuiden meten.

De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,

Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.

De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.

Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.

De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan met woeker terug te zullen betalen.

In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt zou zijn.

Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.

Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten,[243]met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?

Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?

Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan.

De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in ’t oog te houden.

In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen.

Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in ’t oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.

De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.

De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat[244]zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.

De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.

Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.

Zij trokken op weg.

Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.

Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.

Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.

Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in ’t oog te kunnen houden.

Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minsteslinkschebeweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.

Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.

Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte[245]was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.

Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat hetbastaardraswaartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.

Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.

Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.

Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.

Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben gezien.

Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te worden overvallen.

De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten.

Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken.

Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat[246]men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.

Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der brandendetakkebosschente bezigtigen.

Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld—en die tabak wasversch.

Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het jagerskamp bevinden.

Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen.

Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen.

De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.

Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek ook hier weder het geval te zijn.

Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een vuur branden.

Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht.

Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.

De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring[247]van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect.

De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging had kunnen uitbrengen.

De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.

Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in ’t verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.

Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar—wij behoeven het naauwelijks te zeggen—werd hij door don Estevan dadelijk herkend.

—Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?

—Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word.

Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten.

De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij zoo digt in de nabijheid waren.

Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd had om don Estevan op te zoeken.

Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen waren.

Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach werden beantwoord.

Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden.[248]

Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft.

Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord.

Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij te doen hadden dan zij in ’t eerst vermoedden, en dat de vijand, wel verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken.

Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen zijnden strijd te ondersteunen.

Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hunne terugkomst af te wachten.

Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani was binnen gekomen.

Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriendChicuhcoatl—Acht-Slangen—den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani.

Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.

Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt—die haar trouwens reeds bekend was—en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden.

De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en[249]dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.

Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen.

Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis derZonnemaagdenover te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.

Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.

Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij gepaste woorden vond.


Back to IndexNext