[Inhoud]XXXIV.Een gesprek.De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid.De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot bevordering van eigen inzigten en belangen.Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren.[250]Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken.Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige verbolgenheid was overgebleven.—Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor.De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.—De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon.—De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij.—Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk.—Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen.—De wet luidt stellig: “de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden.”—Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten die ik hier heen heb gebragt.—Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist.—Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven.—Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet.Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen[251]geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester—en waarschijnlijk ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven—weerhield hij zich.—Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen?De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne blikken en wachtte zijn antwoord af.—Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel.—Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek.—Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen.—Ooah!daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd.—Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman veel stof tot nadenken gaf.—Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij.—Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen gunste neigen.—Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik juist bijeenzijn.—Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerstehachesto(heraut) der magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het genoegen had mijn zoon te zien.—Mijn vader gaat dus ook naar den raad?—Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft.—Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader rekenen, niet waar?—Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken?—Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning mijns vaders zeker wensch te zijn.—Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, antwoordde de opper-priester uitwijkend.Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig antwoord te vergenoegen.De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad vereenigd was.[252]Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde Sachems in ’t voorbijgaan met luide toejuiching.Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen terug en groetten hen stilzwijgend.Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde magt bezitten.De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester.De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, het symbool of zinnebeeld der wereld.Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met hieroglyphische figuren bezaaid.In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door den opper-priester mogt worden ontstoken.De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen indruk van het ruime en statige vertrek.Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee nog ontbrekende raadsheeren af te wachten.Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, hierin voorgegaan door den oudsten Sachem.Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden[253]onder de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten eerbied en ontzag.De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen als “het gelaat des waters”1; hij beweerde af te stammen van de aloude Incas die het land van Anahuac2regeerden voor de verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm meer de Europesche type naderde.Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft te doorkruisen.Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen.Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen van al de Indiaansche natiën.Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke stem de volgende woorden:—Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn.Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar het gewelf der zaal.Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzingedragenen eerbiedig[254]aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren spatel,—of toovertangetje,—om de kwade voorteekens te bezweren, een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, onder het uitspreken der volgende aanroepingen:—Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve.De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden:—Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan3smeeken om uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, opdat zij als wijze mannen spreken mogen.Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon.De oude Sachem vatte nu het woord weder op.—De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend.Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en Addick[255]volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig doel niet verkozen mede te werken.De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte.De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken.De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand in ’t oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden.Na deze besluiten ging de raad uiteen.De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dienhijsinds jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.[256]De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde.Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.—Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling.—Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden.—Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst.—De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd.Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten.De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte.Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de[257]twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden.Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den arm en haastte zich om hem te volgen.1Axayacatl is zamengesteld uitatl, water, enaxaya, vlak.↑2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).↑3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt vanaztatl, reiger.↑
[Inhoud]XXXIV.Een gesprek.De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid.De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot bevordering van eigen inzigten en belangen.Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren.[250]Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken.Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige verbolgenheid was overgebleven.—Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor.De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.—De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon.—De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij.—Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk.—Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen.—De wet luidt stellig: “de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden.”—Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten die ik hier heen heb gebragt.—Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist.—Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven.—Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet.Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen[251]geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester—en waarschijnlijk ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven—weerhield hij zich.—Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen?De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne blikken en wachtte zijn antwoord af.—Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel.—Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek.—Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen.—Ooah!daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd.—Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman veel stof tot nadenken gaf.—Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij.—Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen gunste neigen.—Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik juist bijeenzijn.—Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerstehachesto(heraut) der magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het genoegen had mijn zoon te zien.—Mijn vader gaat dus ook naar den raad?—Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft.—Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader rekenen, niet waar?—Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken?—Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning mijns vaders zeker wensch te zijn.—Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, antwoordde de opper-priester uitwijkend.Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig antwoord te vergenoegen.De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad vereenigd was.[252]Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde Sachems in ’t voorbijgaan met luide toejuiching.Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen terug en groetten hen stilzwijgend.Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde magt bezitten.De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester.De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, het symbool of zinnebeeld der wereld.Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met hieroglyphische figuren bezaaid.In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door den opper-priester mogt worden ontstoken.De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen indruk van het ruime en statige vertrek.Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee nog ontbrekende raadsheeren af te wachten.Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, hierin voorgegaan door den oudsten Sachem.Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden[253]onder de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten eerbied en ontzag.De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen als “het gelaat des waters”1; hij beweerde af te stammen van de aloude Incas die het land van Anahuac2regeerden voor de verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm meer de Europesche type naderde.Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft te doorkruisen.Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen.Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen van al de Indiaansche natiën.Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke stem de volgende woorden:—Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn.Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar het gewelf der zaal.Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzingedragenen eerbiedig[254]aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren spatel,—of toovertangetje,—om de kwade voorteekens te bezweren, een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, onder het uitspreken der volgende aanroepingen:—Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve.De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden:—Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan3smeeken om uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, opdat zij als wijze mannen spreken mogen.Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon.De oude Sachem vatte nu het woord weder op.—De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend.Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en Addick[255]volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig doel niet verkozen mede te werken.De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte.De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken.De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand in ’t oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden.Na deze besluiten ging de raad uiteen.De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dienhijsinds jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.[256]De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde.Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.—Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling.—Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden.—Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst.—De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd.Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten.De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte.Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de[257]twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden.Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den arm en haastte zich om hem te volgen.1Axayacatl is zamengesteld uitatl, water, enaxaya, vlak.↑2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).↑3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt vanaztatl, reiger.↑
XXXIV.Een gesprek.
De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid.De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot bevordering van eigen inzigten en belangen.Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren.[250]Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken.Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige verbolgenheid was overgebleven.—Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor.De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.—De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon.—De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij.—Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk.—Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen.—De wet luidt stellig: “de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden.”—Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten die ik hier heen heb gebragt.—Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist.—Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven.—Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet.Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen[251]geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester—en waarschijnlijk ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven—weerhield hij zich.—Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen?De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne blikken en wachtte zijn antwoord af.—Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel.—Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek.—Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen.—Ooah!daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd.—Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman veel stof tot nadenken gaf.—Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij.—Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen gunste neigen.—Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik juist bijeenzijn.—Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerstehachesto(heraut) der magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het genoegen had mijn zoon te zien.—Mijn vader gaat dus ook naar den raad?—Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft.—Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader rekenen, niet waar?—Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken?—Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning mijns vaders zeker wensch te zijn.—Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, antwoordde de opper-priester uitwijkend.Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig antwoord te vergenoegen.De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad vereenigd was.[252]Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde Sachems in ’t voorbijgaan met luide toejuiching.Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen terug en groetten hen stilzwijgend.Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde magt bezitten.De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester.De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, het symbool of zinnebeeld der wereld.Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met hieroglyphische figuren bezaaid.In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door den opper-priester mogt worden ontstoken.De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen indruk van het ruime en statige vertrek.Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee nog ontbrekende raadsheeren af te wachten.Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, hierin voorgegaan door den oudsten Sachem.Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden[253]onder de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten eerbied en ontzag.De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen als “het gelaat des waters”1; hij beweerde af te stammen van de aloude Incas die het land van Anahuac2regeerden voor de verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm meer de Europesche type naderde.Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft te doorkruisen.Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen.Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen van al de Indiaansche natiën.Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke stem de volgende woorden:—Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn.Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar het gewelf der zaal.Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzingedragenen eerbiedig[254]aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren spatel,—of toovertangetje,—om de kwade voorteekens te bezweren, een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, onder het uitspreken der volgende aanroepingen:—Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve.De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden:—Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan3smeeken om uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, opdat zij als wijze mannen spreken mogen.Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon.De oude Sachem vatte nu het woord weder op.—De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend.Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en Addick[255]volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig doel niet verkozen mede te werken.De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte.De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken.De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand in ’t oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden.Na deze besluiten ging de raad uiteen.De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dienhijsinds jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.[256]De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde.Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.—Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling.—Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden.—Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst.—De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd.Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten.De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte.Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de[257]twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden.Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den arm en haastte zich om hem te volgen.
De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.
Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid.
De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot bevordering van eigen inzigten en belangen.
Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren.[250]
Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken.
Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.
Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige verbolgenheid was overgebleven.
—Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor.
De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.
—De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon.
—De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij.
—Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk.
—Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen.
—De wet luidt stellig: “de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden.”
—Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten die ik hier heen heb gebragt.
—Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist.
—Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven.
—Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet.
Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen[251]geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester—en waarschijnlijk ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven—weerhield hij zich.
—Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen?
De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne blikken en wachtte zijn antwoord af.
—Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel.
—Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek.
—Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen.
—Ooah!daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd.
—Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman veel stof tot nadenken gaf.
—Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij.
—Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen gunste neigen.
—Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik juist bijeenzijn.
—Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerstehachesto(heraut) der magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het genoegen had mijn zoon te zien.
—Mijn vader gaat dus ook naar den raad?
—Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft.
—Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader rekenen, niet waar?
—Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken?
—Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning mijns vaders zeker wensch te zijn.
—Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, antwoordde de opper-priester uitwijkend.
Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig antwoord te vergenoegen.
De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad vereenigd was.[252]
Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde Sachems in ’t voorbijgaan met luide toejuiching.
Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen terug en groetten hen stilzwijgend.
Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde magt bezitten.
De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester.
De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, het symbool of zinnebeeld der wereld.
Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met hieroglyphische figuren bezaaid.
In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door den opper-priester mogt worden ontstoken.
De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen indruk van het ruime en statige vertrek.
Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee nog ontbrekende raadsheeren af te wachten.
Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, hierin voorgegaan door den oudsten Sachem.
Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden[253]onder de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten eerbied en ontzag.
De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen als “het gelaat des waters”1; hij beweerde af te stammen van de aloude Incas die het land van Anahuac2regeerden voor de verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm meer de Europesche type naderde.
Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft te doorkruisen.
Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen.
Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen van al de Indiaansche natiën.
Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke stem de volgende woorden:
—Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn.
Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar het gewelf der zaal.
Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzingedragenen eerbiedig[254]aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren spatel,—of toovertangetje,—om de kwade voorteekens te bezweren, een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, onder het uitspreken der volgende aanroepingen:
—Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve.
De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden:
—Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan3smeeken om uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, opdat zij als wijze mannen spreken mogen.
Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon.
De oude Sachem vatte nu het woord weder op.
—De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend.
Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en Addick[255]volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig doel niet verkozen mede te werken.
De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte.
De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken.
De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand in ’t oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden.
Na deze besluiten ging de raad uiteen.
De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dienhijsinds jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.[256]
De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde.
Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.
—Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling.
—Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden.
—Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst.
—De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd.
Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten.
De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte.
Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de[257]twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden.
Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den arm en haastte zich om hem te volgen.
1Axayacatl is zamengesteld uitatl, water, enaxaya, vlak.↑2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).↑3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt vanaztatl, reiger.↑
1Axayacatl is zamengesteld uitatl, water, enaxaya, vlak.↑2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).↑3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt vanaztatl, reiger.↑
1Axayacatl is zamengesteld uitatl, water, enaxaya, vlak.↑
1Axayacatl is zamengesteld uitatl, water, enaxaya, vlak.↑
2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).↑
2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën).↑
3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt vanaztatl, reiger.↑
3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt vanaztatl, reiger.↑