XXXV.

[Inhoud]XXXV.De Zamenkomst.Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre was van te bezitten.De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan ’t spreken te krijgen, om zoodoende aan zijne gedachten eene andere wending te geven.—Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding.—Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,—mijn vader weet het even goed als ik,—vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken.—Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en in alle winden te verstrooijen?—Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke[258]vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken.—Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen.—Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan1overgebleven, ’t zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen van Quetzalcoatl2, die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen.—Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen.Atoyac schudde treurig het hoofd.—Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar de bleekgezigten niet binnendringen?—Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd om haar te ontdekken.—Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk.—Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen.—De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zijn talrijk en wel gewapend.—Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde van schrik.—Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen[259]of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield.—Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat.—’t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust onze veiligheid voor de toekomst.—Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zijn?Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond.—Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick zijn geene verraders?De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:—Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken hartstogt en dorst naar wraak.—Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig.—Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al te onvoorzigtig laten wegslepen.—Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles zeggen.Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan ’t spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich door de—soms met gebeden gemengde—bedreigingen van zijn gastheer liet vervaard[260]maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac zoo dringend verlangde.—Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani ben.—Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grootenAyotl,—schildpad—dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan zijn eigen getuigenis.Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.—Ooah!hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik spreken.Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.—Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft.[261]—Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken.—’t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen meester worden.—Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in de stad het bevel zal voeren.Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren.De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer met zijn geleider binnengelaten.De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan.Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der jonge meisjes te onderzoeken.Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager[262]bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt.Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, zeide hij met eene zachte stem:—Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen.—Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek densprekermet een vragenden blik aan.—Ja, zei Atoyac.—Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam.Atoyac glimlachte vertrouwelijk:—Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf en Addick.De Amantzin huiverde onmerkbaar.—Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin.De jager boog en volgde den opperpriester.Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, zorgvuldig achter zich digt.Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen van gemak of weelde genoegen kon geven.[263]In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid.Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal van hare vriendin ook haar dreigde.Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vierocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in ’t rond verspreidde.Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene indrukwekkende stem:—De Wacondah is magtig; deAyotl—schildpad—draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op haar aangezigt te kunnen lezen.De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide landgenooten; hij aarzelde dus.—Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken.—Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit.De opperpriester boog deemoedig het hoofd.—Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek.En hij ging de zaal uit.De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge dames terug.Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik.[264]—Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend.—Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat.—Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, de vriend en medgezel van don Miguel.Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.—Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren.Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep.—Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven.—O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van allen verlaten!Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde:—O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe goedheid heb getwijfeld.Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht.—En don Miguel, riep zij, waar is hij?—Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar.—O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.—Weldra!—Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen.Loer-Vogel glimlachte.—Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet.Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op.—Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver!—Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust.—Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk.Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen.—Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede.—Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht.—Wachten en geduld hebben.—Wat! wilt gij vertrekken?—Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik.—Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld.—O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven.[265]—Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa.—Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, en ikzalu redden.—Heb dank! riepen beiden.De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur stil.Loer-Vogelwenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand.De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in de armen en barstten uit in tranen.1Letterlijk “het Roode land”, vantlapalli, rood.↑2De beschaver van Mexico: zijn naam komt vanquetzalli, veer, encoatl, slang; en beteekent “gevederde slang.”↑

[Inhoud]XXXV.De Zamenkomst.Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre was van te bezitten.De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan ’t spreken te krijgen, om zoodoende aan zijne gedachten eene andere wending te geven.—Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding.—Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,—mijn vader weet het even goed als ik,—vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken.—Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en in alle winden te verstrooijen?—Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke[258]vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken.—Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen.—Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan1overgebleven, ’t zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen van Quetzalcoatl2, die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen.—Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen.Atoyac schudde treurig het hoofd.—Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar de bleekgezigten niet binnendringen?—Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd om haar te ontdekken.—Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk.—Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen.—De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zijn talrijk en wel gewapend.—Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde van schrik.—Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen[259]of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield.—Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat.—’t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust onze veiligheid voor de toekomst.—Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zijn?Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond.—Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick zijn geene verraders?De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:—Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken hartstogt en dorst naar wraak.—Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig.—Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al te onvoorzigtig laten wegslepen.—Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles zeggen.Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan ’t spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich door de—soms met gebeden gemengde—bedreigingen van zijn gastheer liet vervaard[260]maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac zoo dringend verlangde.—Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani ben.—Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grootenAyotl,—schildpad—dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan zijn eigen getuigenis.Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.—Ooah!hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik spreken.Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.—Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft.[261]—Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken.—’t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen meester worden.—Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in de stad het bevel zal voeren.Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren.De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer met zijn geleider binnengelaten.De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan.Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der jonge meisjes te onderzoeken.Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager[262]bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt.Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, zeide hij met eene zachte stem:—Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen.—Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek densprekermet een vragenden blik aan.—Ja, zei Atoyac.—Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam.Atoyac glimlachte vertrouwelijk:—Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf en Addick.De Amantzin huiverde onmerkbaar.—Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin.De jager boog en volgde den opperpriester.Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, zorgvuldig achter zich digt.Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen van gemak of weelde genoegen kon geven.[263]In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid.Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal van hare vriendin ook haar dreigde.Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vierocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in ’t rond verspreidde.Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene indrukwekkende stem:—De Wacondah is magtig; deAyotl—schildpad—draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op haar aangezigt te kunnen lezen.De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide landgenooten; hij aarzelde dus.—Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken.—Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit.De opperpriester boog deemoedig het hoofd.—Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek.En hij ging de zaal uit.De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge dames terug.Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik.[264]—Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend.—Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat.—Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, de vriend en medgezel van don Miguel.Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.—Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren.Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep.—Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven.—O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van allen verlaten!Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde:—O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe goedheid heb getwijfeld.Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht.—En don Miguel, riep zij, waar is hij?—Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar.—O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.—Weldra!—Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen.Loer-Vogel glimlachte.—Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet.Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op.—Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver!—Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust.—Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk.Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen.—Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede.—Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht.—Wachten en geduld hebben.—Wat! wilt gij vertrekken?—Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik.—Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld.—O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven.[265]—Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa.—Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, en ikzalu redden.—Heb dank! riepen beiden.De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur stil.Loer-Vogelwenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand.De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in de armen en barstten uit in tranen.1Letterlijk “het Roode land”, vantlapalli, rood.↑2De beschaver van Mexico: zijn naam komt vanquetzalli, veer, encoatl, slang; en beteekent “gevederde slang.”↑

XXXV.De Zamenkomst.

Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre was van te bezitten.De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan ’t spreken te krijgen, om zoodoende aan zijne gedachten eene andere wending te geven.—Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding.—Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,—mijn vader weet het even goed als ik,—vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken.—Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en in alle winden te verstrooijen?—Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke[258]vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken.—Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen.—Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan1overgebleven, ’t zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen van Quetzalcoatl2, die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen.—Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen.Atoyac schudde treurig het hoofd.—Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar de bleekgezigten niet binnendringen?—Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd om haar te ontdekken.—Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk.—Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen.—De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zijn talrijk en wel gewapend.—Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde van schrik.—Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen[259]of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield.—Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat.—’t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust onze veiligheid voor de toekomst.—Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zijn?Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond.—Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick zijn geene verraders?De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:—Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken hartstogt en dorst naar wraak.—Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig.—Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al te onvoorzigtig laten wegslepen.—Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles zeggen.Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan ’t spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich door de—soms met gebeden gemengde—bedreigingen van zijn gastheer liet vervaard[260]maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac zoo dringend verlangde.—Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani ben.—Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grootenAyotl,—schildpad—dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan zijn eigen getuigenis.Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.—Ooah!hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik spreken.Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.—Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft.[261]—Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken.—’t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen meester worden.—Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in de stad het bevel zal voeren.Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren.De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer met zijn geleider binnengelaten.De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan.Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der jonge meisjes te onderzoeken.Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager[262]bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt.Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, zeide hij met eene zachte stem:—Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen.—Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek densprekermet een vragenden blik aan.—Ja, zei Atoyac.—Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam.Atoyac glimlachte vertrouwelijk:—Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf en Addick.De Amantzin huiverde onmerkbaar.—Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin.De jager boog en volgde den opperpriester.Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, zorgvuldig achter zich digt.Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen van gemak of weelde genoegen kon geven.[263]In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid.Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal van hare vriendin ook haar dreigde.Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vierocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in ’t rond verspreidde.Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene indrukwekkende stem:—De Wacondah is magtig; deAyotl—schildpad—draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op haar aangezigt te kunnen lezen.De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide landgenooten; hij aarzelde dus.—Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken.—Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit.De opperpriester boog deemoedig het hoofd.—Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek.En hij ging de zaal uit.De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge dames terug.Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik.[264]—Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend.—Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat.—Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, de vriend en medgezel van don Miguel.Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.—Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren.Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep.—Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven.—O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van allen verlaten!Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde:—O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe goedheid heb getwijfeld.Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht.—En don Miguel, riep zij, waar is hij?—Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar.—O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.—Weldra!—Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen.Loer-Vogel glimlachte.—Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet.Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op.—Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver!—Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust.—Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk.Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen.—Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede.—Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht.—Wachten en geduld hebben.—Wat! wilt gij vertrekken?—Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik.—Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld.—O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven.[265]—Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa.—Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, en ikzalu redden.—Heb dank! riepen beiden.De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur stil.Loer-Vogelwenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand.De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in de armen en barstten uit in tranen.

Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre was van te bezitten.

De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan ’t spreken te krijgen, om zoodoende aan zijne gedachten eene andere wending te geven.

—Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding.

—Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,—mijn vader weet het even goed als ik,—vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken.

—Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en in alle winden te verstrooijen?

—Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke[258]vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken.

—Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen.

—Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan1overgebleven, ’t zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen van Quetzalcoatl2, die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen.

—Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen.

Atoyac schudde treurig het hoofd.

—Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar de bleekgezigten niet binnendringen?

—Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd om haar te ontdekken.

—Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk.

—Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen.

—De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zijn talrijk en wel gewapend.

—Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde van schrik.

—Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen[259]of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield.

—Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat.

—’t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust onze veiligheid voor de toekomst.

—Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zijn?

Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond.

—Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick zijn geene verraders?

De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:

—Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken hartstogt en dorst naar wraak.

—Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig.

—Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al te onvoorzigtig laten wegslepen.

—Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles zeggen.

Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan ’t spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich door de—soms met gebeden gemengde—bedreigingen van zijn gastheer liet vervaard[260]maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac zoo dringend verlangde.

—Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani ben.

—Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grootenAyotl,—schildpad—dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan zijn eigen getuigenis.

Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.

—Ooah!hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik spreken.

Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.

—Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft.[261]

—Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken.

—’t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen meester worden.

—Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in de stad het bevel zal voeren.

Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren.

De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer met zijn geleider binnengelaten.

De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan.

Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der jonge meisjes te onderzoeken.

Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager[262]bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.

Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt.

Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.

Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, zeide hij met eene zachte stem:

—Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen.

—Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek densprekermet een vragenden blik aan.

—Ja, zei Atoyac.

—Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam.

Atoyac glimlachte vertrouwelijk:

—Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf en Addick.

De Amantzin huiverde onmerkbaar.

—Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin.

De jager boog en volgde den opperpriester.

Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, zorgvuldig achter zich digt.

Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen van gemak of weelde genoegen kon geven.[263]

In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid.

Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal van hare vriendin ook haar dreigde.

Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vierocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in ’t rond verspreidde.

Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene indrukwekkende stem:

—De Wacondah is magtig; deAyotl—schildpad—draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op haar aangezigt te kunnen lezen.

De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide landgenooten; hij aarzelde dus.

—Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken.

—Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit.

De opperpriester boog deemoedig het hoofd.

—Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek.

En hij ging de zaal uit.

De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge dames terug.

Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik.[264]

—Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend.

—Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat.

—Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, de vriend en medgezel van don Miguel.

Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.

—Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren.

Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep.

—Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven.

—O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van allen verlaten!

Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde:

—O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe goedheid heb getwijfeld.

Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht.

—En don Miguel, riep zij, waar is hij?

—Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar.

—O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.

—Weldra!

—Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen.

Loer-Vogel glimlachte.

—Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet.

Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op.

—Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver!

—Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust.

—Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk.

Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen.

—Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede.

—Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht.

—Wachten en geduld hebben.

—Wat! wilt gij vertrekken?

—Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik.

—Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld.

—O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven.[265]

—Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa.

—Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, en ikzalu redden.

—Heb dank! riepen beiden.

De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur stil.Loer-Vogelwenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand.

De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in de armen en barstten uit in tranen.

1Letterlijk “het Roode land”, vantlapalli, rood.↑2De beschaver van Mexico: zijn naam komt vanquetzalli, veer, encoatl, slang; en beteekent “gevederde slang.”↑

1Letterlijk “het Roode land”, vantlapalli, rood.↑2De beschaver van Mexico: zijn naam komt vanquetzalli, veer, encoatl, slang; en beteekent “gevederde slang.”↑

1Letterlijk “het Roode land”, vantlapalli, rood.↑

1Letterlijk “het Roode land”, vantlapalli, rood.↑

2De beschaver van Mexico: zijn naam komt vanquetzalli, veer, encoatl, slang; en beteekent “gevederde slang.”↑

2De beschaver van Mexico: zijn naam komt vanquetzalli, veer, encoatl, slang; en beteekent “gevederde slang.”↑


Back to IndexNext