[Inhoud]XXXIX.Het groote geneesmiddel.Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had.Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken.De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af te wachten.—Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; zonder u zou ik verloren zijn geweest.—Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders met den Rooden-Wolf.[291]—’t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen zullen wel slagen.De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd.—Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager.—Ik twijfel sterker dan ooit.—Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit den weg treden?—Ooah!sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats.—Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar.—Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een en prevelde vol verbazing:—Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu van ons worden?—Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don Miguel getroffen.—Maar wat doet gij in ’s Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was?—Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan.—Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen?—O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was.De jager schudde het hoofd.—Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen.—Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden.—Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke die reden zijn kan.—Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen.[292]—Spreek.—Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien.—Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel.—Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal.—Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u.De avonturier haalde de schouders op.—Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het.—Maar hoe zult gij het aanleggen?—Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad?—Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor.Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk nam hij het woord weder op:—Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen.—Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift.—Ja, maar op eene voorwaarde.—Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan.—Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik ubiddenmag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, maar ook dat van haar die gij redden wilt.De jongman huiverde min of meer.—Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte.—Die zal ik houden, zelfs heden nog.Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te[293]hebben, ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter.Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om zich naar den tempel te begeven.Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn.Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; toen dus de Amantzin zich verwijderd had—want de jager had bepaald gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten—zeide zij tegen den Canadees:—Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder eene voorwaarde slechts.—Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten?—Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren.—Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar …—Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij te weinig om mij te vertrouwen.—Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden.—Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen?—Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.—Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen.—Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig.—Van don Miguel.—Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk.—Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf om u ter hand te stellen.De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen te verbergen.[294]De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene zachte stem:—Tot van avond!In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst:—Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt.—Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.—Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen haar moeten worden toegediend.—Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is?—Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen.Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe te vertrouwen.—Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat mijn vader hem terstond binnenleide.Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, was hij geheel onkenbaar.Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende[295]de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnetempel verlieten.Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.—Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem.De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst met ongeduld verbeidde.—Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over.—Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene welluidende stem, op ontzagwekkenden toon:—Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende zonnen zijntertzauh—van kwade beduidenis—maar op den avond van den derden dag, zoodra demezteli—de maan—haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl1; daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen zelve naar dien heuvel geleiden.—Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak om het bed te verlaten daar zij op rust.—Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen.De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs.[296]—Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt.De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen:—Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen?—Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; maar wat krijg ik daar voor?Loer-Vogel keek hem strak aan.—De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd.Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid:—Goed, ik doe het.—Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem.—Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee mannen afscheid.Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten.Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, daaraan viel niet te denken.Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te[297]waarschuwen tegen den dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren.Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam had gemaakt.Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken aanval konden verwachten.De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren.Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden aan te bevelen op hunne hoede te zijn.[298]De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder te knielen en de gunst vanTeotlin te roepen.Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op.—Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam der gevangenen te verlaten.Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk.—Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel.Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde over te slaan.Don Miguel nam thans het woord weder op.—Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen geest onvatbaar te maken.De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling zeer ongerust hadden gemaakt.—Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem.De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde.Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, die[299]door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op en sprak een soort van bezwering uit.Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer.Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, prikte een van hen die hetdigtstbij hem lag eventjes met de punt van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten.Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel afwachtten.—Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal.Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde schreeuw in de verte beantwoord.—God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered.Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen nemen.—Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, ik kan loopen.—Kom dan mede, in ’s hemels naam!Dona Luisa stond op.—Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou mij wel weten te verdedigen.Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden geleden gegeven had.—Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts bij mij!Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet verder voortkonden.Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af.—Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk gered.[300]De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement geplaatst.—Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte.De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten.—Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet overrompelen.Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter don Miguel.Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen.—Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de Roodhuiden.De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, en reden met duizelingwekkende snelheid weg.1De onbekende Godheid.↑
[Inhoud]XXXIX.Het groote geneesmiddel.Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had.Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken.De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af te wachten.—Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; zonder u zou ik verloren zijn geweest.—Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders met den Rooden-Wolf.[291]—’t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen zullen wel slagen.De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd.—Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager.—Ik twijfel sterker dan ooit.—Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit den weg treden?—Ooah!sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats.—Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar.—Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een en prevelde vol verbazing:—Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu van ons worden?—Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don Miguel getroffen.—Maar wat doet gij in ’s Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was?—Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan.—Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen?—O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was.De jager schudde het hoofd.—Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen.—Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden.—Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke die reden zijn kan.—Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen.[292]—Spreek.—Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien.—Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel.—Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal.—Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u.De avonturier haalde de schouders op.—Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het.—Maar hoe zult gij het aanleggen?—Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad?—Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor.Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk nam hij het woord weder op:—Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen.—Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift.—Ja, maar op eene voorwaarde.—Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan.—Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik ubiddenmag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, maar ook dat van haar die gij redden wilt.De jongman huiverde min of meer.—Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte.—Die zal ik houden, zelfs heden nog.Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te[293]hebben, ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter.Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om zich naar den tempel te begeven.Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn.Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; toen dus de Amantzin zich verwijderd had—want de jager had bepaald gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten—zeide zij tegen den Canadees:—Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder eene voorwaarde slechts.—Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten?—Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren.—Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar …—Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij te weinig om mij te vertrouwen.—Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden.—Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen?—Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.—Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen.—Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig.—Van don Miguel.—Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk.—Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf om u ter hand te stellen.De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen te verbergen.[294]De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene zachte stem:—Tot van avond!In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst:—Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt.—Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.—Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen haar moeten worden toegediend.—Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is?—Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen.Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe te vertrouwen.—Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat mijn vader hem terstond binnenleide.Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, was hij geheel onkenbaar.Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende[295]de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnetempel verlieten.Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.—Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem.De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst met ongeduld verbeidde.—Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over.—Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene welluidende stem, op ontzagwekkenden toon:—Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende zonnen zijntertzauh—van kwade beduidenis—maar op den avond van den derden dag, zoodra demezteli—de maan—haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl1; daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen zelve naar dien heuvel geleiden.—Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak om het bed te verlaten daar zij op rust.—Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen.De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs.[296]—Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt.De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen:—Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen?—Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; maar wat krijg ik daar voor?Loer-Vogel keek hem strak aan.—De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd.Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid:—Goed, ik doe het.—Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem.—Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee mannen afscheid.Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten.Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, daaraan viel niet te denken.Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te[297]waarschuwen tegen den dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren.Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam had gemaakt.Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken aanval konden verwachten.De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren.Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden aan te bevelen op hunne hoede te zijn.[298]De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder te knielen en de gunst vanTeotlin te roepen.Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op.—Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam der gevangenen te verlaten.Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk.—Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel.Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde over te slaan.Don Miguel nam thans het woord weder op.—Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen geest onvatbaar te maken.De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling zeer ongerust hadden gemaakt.—Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem.De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde.Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, die[299]door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op en sprak een soort van bezwering uit.Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer.Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, prikte een van hen die hetdigtstbij hem lag eventjes met de punt van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten.Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel afwachtten.—Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal.Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde schreeuw in de verte beantwoord.—God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered.Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen nemen.—Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, ik kan loopen.—Kom dan mede, in ’s hemels naam!Dona Luisa stond op.—Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou mij wel weten te verdedigen.Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden geleden gegeven had.—Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts bij mij!Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet verder voortkonden.Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af.—Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk gered.[300]De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement geplaatst.—Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte.De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten.—Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet overrompelen.Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter don Miguel.Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen.—Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de Roodhuiden.De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, en reden met duizelingwekkende snelheid weg.1De onbekende Godheid.↑
XXXIX.Het groote geneesmiddel.
Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had.Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken.De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af te wachten.—Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; zonder u zou ik verloren zijn geweest.—Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders met den Rooden-Wolf.[291]—’t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen zullen wel slagen.De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd.—Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager.—Ik twijfel sterker dan ooit.—Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit den weg treden?—Ooah!sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats.—Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar.—Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een en prevelde vol verbazing:—Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu van ons worden?—Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don Miguel getroffen.—Maar wat doet gij in ’s Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was?—Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan.—Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen?—O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was.De jager schudde het hoofd.—Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen.—Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden.—Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke die reden zijn kan.—Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen.[292]—Spreek.—Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien.—Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel.—Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal.—Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u.De avonturier haalde de schouders op.—Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het.—Maar hoe zult gij het aanleggen?—Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad?—Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor.Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk nam hij het woord weder op:—Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen.—Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift.—Ja, maar op eene voorwaarde.—Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan.—Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik ubiddenmag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, maar ook dat van haar die gij redden wilt.De jongman huiverde min of meer.—Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte.—Die zal ik houden, zelfs heden nog.Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te[293]hebben, ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter.Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om zich naar den tempel te begeven.Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn.Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; toen dus de Amantzin zich verwijderd had—want de jager had bepaald gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten—zeide zij tegen den Canadees:—Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder eene voorwaarde slechts.—Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten?—Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren.—Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar …—Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij te weinig om mij te vertrouwen.—Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden.—Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen?—Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.—Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen.—Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig.—Van don Miguel.—Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk.—Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf om u ter hand te stellen.De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen te verbergen.[294]De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene zachte stem:—Tot van avond!In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst:—Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt.—Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.—Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen haar moeten worden toegediend.—Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is?—Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen.Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe te vertrouwen.—Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat mijn vader hem terstond binnenleide.Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, was hij geheel onkenbaar.Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende[295]de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnetempel verlieten.Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.—Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem.De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst met ongeduld verbeidde.—Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over.—Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene welluidende stem, op ontzagwekkenden toon:—Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende zonnen zijntertzauh—van kwade beduidenis—maar op den avond van den derden dag, zoodra demezteli—de maan—haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl1; daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen zelve naar dien heuvel geleiden.—Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak om het bed te verlaten daar zij op rust.—Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen.De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs.[296]—Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt.De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen:—Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen?—Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; maar wat krijg ik daar voor?Loer-Vogel keek hem strak aan.—De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd.Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid:—Goed, ik doe het.—Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem.—Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee mannen afscheid.Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten.Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, daaraan viel niet te denken.Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te[297]waarschuwen tegen den dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren.Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam had gemaakt.Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken aanval konden verwachten.De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren.Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden aan te bevelen op hunne hoede te zijn.[298]De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder te knielen en de gunst vanTeotlin te roepen.Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op.—Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam der gevangenen te verlaten.Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk.—Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel.Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde over te slaan.Don Miguel nam thans het woord weder op.—Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen geest onvatbaar te maken.De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling zeer ongerust hadden gemaakt.—Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem.De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde.Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, die[299]door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op en sprak een soort van bezwering uit.Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer.Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, prikte een van hen die hetdigtstbij hem lag eventjes met de punt van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten.Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel afwachtten.—Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal.Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde schreeuw in de verte beantwoord.—God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered.Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen nemen.—Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, ik kan loopen.—Kom dan mede, in ’s hemels naam!Dona Luisa stond op.—Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou mij wel weten te verdedigen.Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden geleden gegeven had.—Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts bij mij!Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet verder voortkonden.Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af.—Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk gered.[300]De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement geplaatst.—Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte.De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten.—Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet overrompelen.Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter don Miguel.Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen.—Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de Roodhuiden.De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, en reden met duizelingwekkende snelheid weg.
Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had.
Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken.
De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af te wachten.
—Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; zonder u zou ik verloren zijn geweest.
—Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders met den Rooden-Wolf.[291]
—’t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen zullen wel slagen.
De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd.
—Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager.
—Ik twijfel sterker dan ooit.
—Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit den weg treden?
—Ooah!sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats.
—Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar.
—Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een en prevelde vol verbazing:
—Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu van ons worden?
—Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don Miguel getroffen.
—Maar wat doet gij in ’s Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was?
—Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan.
—Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen?
—O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was.
De jager schudde het hoofd.
—Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen.
—Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden.
—Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke die reden zijn kan.
—Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen.[292]
—Spreek.
—Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien.
—Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel.
—Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal.
—Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u.
De avonturier haalde de schouders op.
—Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het.
—Maar hoe zult gij het aanleggen?
—Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad?
—Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor.
Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk nam hij het woord weder op:
—Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen.
—Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift.
—Ja, maar op eene voorwaarde.
—Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan.
—Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik ubiddenmag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, maar ook dat van haar die gij redden wilt.
De jongman huiverde min of meer.
—Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte.
—Die zal ik houden, zelfs heden nog.
Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te[293]hebben, ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter.
Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om zich naar den tempel te begeven.
Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn.
Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; toen dus de Amantzin zich verwijderd had—want de jager had bepaald gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten—zeide zij tegen den Canadees:
—Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder eene voorwaarde slechts.
—Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten?—Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren.
—Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar …
—Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij te weinig om mij te vertrouwen.
—Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden.
—Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen?
—Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?
De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.
—Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen.
—Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig.
—Van don Miguel.
—Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk.
—Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf om u ter hand te stellen.
De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen te verbergen.[294]
De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene zachte stem:
—Tot van avond!
In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst:
—Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt.
—Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.
Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.
—Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen haar moeten worden toegediend.
—Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is?
—Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen.
Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe te vertrouwen.
—Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat mijn vader hem terstond binnenleide.
Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.
Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, was hij geheel onkenbaar.
Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende[295]de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnetempel verlieten.
Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.
—Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem.
De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.
Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst met ongeduld verbeidde.
—Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over.
—Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.
Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene welluidende stem, op ontzagwekkenden toon:
—Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende zonnen zijntertzauh—van kwade beduidenis—maar op den avond van den derden dag, zoodra demezteli—de maan—haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl1; daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen zelve naar dien heuvel geleiden.
—Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak om het bed te verlaten daar zij op rust.
—Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen.
De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs.[296]
—Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt.
De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen:
—Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen?
—Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; maar wat krijg ik daar voor?
Loer-Vogel keek hem strak aan.
—De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd.
Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid:
—Goed, ik doe het.
—Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem.
—Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee mannen afscheid.
Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten.
Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, daaraan viel niet te denken.
Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te[297]waarschuwen tegen den dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren.
Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam had gemaakt.
Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken aanval konden verwachten.
De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren.
Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden aan te bevelen op hunne hoede te zijn.[298]
De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder te knielen en de gunst vanTeotlin te roepen.
Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op.
—Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam der gevangenen te verlaten.
Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk.
—Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel.
Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde over te slaan.
Don Miguel nam thans het woord weder op.
—Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen geest onvatbaar te maken.
De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling zeer ongerust hadden gemaakt.
—Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem.
De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde.
Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, die[299]door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op en sprak een soort van bezwering uit.
Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer.
Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, prikte een van hen die hetdigtstbij hem lag eventjes met de punt van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten.
Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel afwachtten.
—Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal.
Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde schreeuw in de verte beantwoord.
—God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered.
Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen nemen.
—Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, ik kan loopen.
—Kom dan mede, in ’s hemels naam!
Dona Luisa stond op.
—Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou mij wel weten te verdedigen.
Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden geleden gegeven had.
—Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts bij mij!
Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet verder voortkonden.
Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af.
—Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk gered.[300]
De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement geplaatst.
—Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte.
De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten.
—Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet overrompelen.
Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter don Miguel.
Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen.
—Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de Roodhuiden.
De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, en reden met duizelingwekkende snelheid weg.
1De onbekende Godheid.↑
1De onbekende Godheid.↑
1De onbekende Godheid.↑
1De onbekende Godheid.↑