XXXVI.

[Inhoud]XXXVI.Eene ontmoeting.Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken.Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij vurig verlangden beantwoord te zien.—Hoe is het, vader? vroegen beiden.—Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u?De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met eene zachte haperende stem:[266]—De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente.De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik eenige passen terug.—O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige kennis geschonken?Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met eene sombere stem:—Dat de zonen van den gewijdenAyotlzich wapenen met moed!—Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard.—Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden meester gemaakt.De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had.—Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig.—Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon.De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.—Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn.—Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van welke ik mij bedienen moet.De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.—Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik zal hem in den tempel binnenleiden.—Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen.De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.—Goed, riep de jager; morgen met deendit-ha—zonsopgang—zal ik mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te zeggen of er hoop is om de kranken te redden.[267]—Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard.De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van denRooden-Wolfen Addick gehoord hadden.Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis en doorzigt.Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen gedaald;—maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven.De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De[268]eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman[269]betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden.Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, gruwzamer straf dan de dood zelf.Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en gudste hem het koude zweet van de slapen.—Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat er van is.[270]Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en sprak eene schertsende stem:—Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat gij in mijne magt zijt.De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. De andere vervolgde:—Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren?Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.—Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag.—Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat ik medelijden met u had.—Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u.De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.—Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet.—Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe[271]goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels te bezoedelen.De Indiaan meesmuilde.—Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind des doods geweest!—Misschien! maar wat wilt gij van mij?—Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen is.—Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen.De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon:—Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan mij.—Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken.—Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de Roode-Wolf de uwe zijn.De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.—Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit gij thans in ’t naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid[272]vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft!De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks hoorbare stem:—Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten.—Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken.—Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem schroomvallig en op deemoedigen toon.—Wel zeker, ik doe reeds veel voor u.—Wat doet mijn vader dan?—Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten.De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem:—Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen?—Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal kunnen bewegen.—Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets aan veranderen.—Ooah!maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel willen helpen.—Neen, zeg ik u.—Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen?—Ik wil het niet.—Is dit mijns vaders laatste woord?—Mijn laatste woord.—Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den jager staan bleef.Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het[273]oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in ’t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat.De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep en dien met zooveelkracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige beweging trilde door zijn geheeleligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem:—Vergeving! vader! vergeving!De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een toon van de uiterste minachting:—Raap uw wapen op, moordenaar!Toteenigantwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem magteloos langs het lijf hing.—Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu.—Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben?—Dat is zoo. Gij zijt genoeggestraft; sta op, en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom.De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke[274]geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind.De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af en bragt hem tot aan de eerste straat.Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.—Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken.—Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig.Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling naar huis.Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt.Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen.

[Inhoud]XXXVI.Eene ontmoeting.Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken.Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij vurig verlangden beantwoord te zien.—Hoe is het, vader? vroegen beiden.—Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u?De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met eene zachte haperende stem:[266]—De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente.De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik eenige passen terug.—O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige kennis geschonken?Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met eene sombere stem:—Dat de zonen van den gewijdenAyotlzich wapenen met moed!—Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard.—Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden meester gemaakt.De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had.—Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig.—Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon.De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.—Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn.—Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van welke ik mij bedienen moet.De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.—Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik zal hem in den tempel binnenleiden.—Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen.De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.—Goed, riep de jager; morgen met deendit-ha—zonsopgang—zal ik mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te zeggen of er hoop is om de kranken te redden.[267]—Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard.De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van denRooden-Wolfen Addick gehoord hadden.Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis en doorzigt.Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen gedaald;—maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven.De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De[268]eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman[269]betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden.Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, gruwzamer straf dan de dood zelf.Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en gudste hem het koude zweet van de slapen.—Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat er van is.[270]Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en sprak eene schertsende stem:—Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat gij in mijne magt zijt.De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. De andere vervolgde:—Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren?Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.—Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag.—Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat ik medelijden met u had.—Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u.De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.—Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet.—Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe[271]goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels te bezoedelen.De Indiaan meesmuilde.—Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind des doods geweest!—Misschien! maar wat wilt gij van mij?—Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen is.—Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen.De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon:—Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan mij.—Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken.—Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de Roode-Wolf de uwe zijn.De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.—Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit gij thans in ’t naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid[272]vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft!De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks hoorbare stem:—Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten.—Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken.—Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem schroomvallig en op deemoedigen toon.—Wel zeker, ik doe reeds veel voor u.—Wat doet mijn vader dan?—Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten.De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem:—Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen?—Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal kunnen bewegen.—Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets aan veranderen.—Ooah!maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel willen helpen.—Neen, zeg ik u.—Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen?—Ik wil het niet.—Is dit mijns vaders laatste woord?—Mijn laatste woord.—Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den jager staan bleef.Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het[273]oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in ’t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat.De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep en dien met zooveelkracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige beweging trilde door zijn geheeleligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem:—Vergeving! vader! vergeving!De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een toon van de uiterste minachting:—Raap uw wapen op, moordenaar!Toteenigantwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem magteloos langs het lijf hing.—Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu.—Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben?—Dat is zoo. Gij zijt genoeggestraft; sta op, en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom.De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke[274]geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind.De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af en bragt hem tot aan de eerste straat.Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.—Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken.—Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig.Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling naar huis.Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt.Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen.

XXXVI.Eene ontmoeting.

Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken.Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij vurig verlangden beantwoord te zien.—Hoe is het, vader? vroegen beiden.—Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u?De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met eene zachte haperende stem:[266]—De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente.De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik eenige passen terug.—O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige kennis geschonken?Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met eene sombere stem:—Dat de zonen van den gewijdenAyotlzich wapenen met moed!—Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard.—Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden meester gemaakt.De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had.—Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig.—Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon.De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.—Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn.—Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van welke ik mij bedienen moet.De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.—Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik zal hem in den tempel binnenleiden.—Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen.De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.—Goed, riep de jager; morgen met deendit-ha—zonsopgang—zal ik mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te zeggen of er hoop is om de kranken te redden.[267]—Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard.De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van denRooden-Wolfen Addick gehoord hadden.Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis en doorzigt.Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen gedaald;—maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven.De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De[268]eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman[269]betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden.Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, gruwzamer straf dan de dood zelf.Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en gudste hem het koude zweet van de slapen.—Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat er van is.[270]Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en sprak eene schertsende stem:—Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat gij in mijne magt zijt.De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. De andere vervolgde:—Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren?Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.—Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag.—Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat ik medelijden met u had.—Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u.De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.—Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet.—Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe[271]goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels te bezoedelen.De Indiaan meesmuilde.—Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind des doods geweest!—Misschien! maar wat wilt gij van mij?—Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen is.—Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen.De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon:—Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan mij.—Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken.—Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de Roode-Wolf de uwe zijn.De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.—Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit gij thans in ’t naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid[272]vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft!De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks hoorbare stem:—Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten.—Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken.—Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem schroomvallig en op deemoedigen toon.—Wel zeker, ik doe reeds veel voor u.—Wat doet mijn vader dan?—Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten.De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem:—Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen?—Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal kunnen bewegen.—Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets aan veranderen.—Ooah!maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel willen helpen.—Neen, zeg ik u.—Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen?—Ik wil het niet.—Is dit mijns vaders laatste woord?—Mijn laatste woord.—Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den jager staan bleef.Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het[273]oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in ’t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat.De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep en dien met zooveelkracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige beweging trilde door zijn geheeleligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem:—Vergeving! vader! vergeving!De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een toon van de uiterste minachting:—Raap uw wapen op, moordenaar!Toteenigantwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem magteloos langs het lijf hing.—Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu.—Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben?—Dat is zoo. Gij zijt genoeggestraft; sta op, en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom.De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke[274]geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind.De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af en bragt hem tot aan de eerste straat.Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.—Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken.—Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig.Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling naar huis.Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt.Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen.

Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.

De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken.

Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij vurig verlangden beantwoord te zien.

—Hoe is het, vader? vroegen beiden.

—Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u?

De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met eene zachte haperende stem:[266]

—De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente.

De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik eenige passen terug.

—O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige kennis geschonken?

Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met eene sombere stem:

—Dat de zonen van den gewijdenAyotlzich wapenen met moed!

—Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard.

—Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden meester gemaakt.

De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had.

—Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig.

—Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon.

De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.

—Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn.

—Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van welke ik mij bedienen moet.

De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.

—Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik zal hem in den tempel binnenleiden.

—Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen.

De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.

—Goed, riep de jager; morgen met deendit-ha—zonsopgang—zal ik mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te zeggen of er hoop is om de kranken te redden.[267]

—Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard.

De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van denRooden-Wolfen Addick gehoord hadden.

Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis en doorzigt.

Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen gedaald;—maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven.

De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De[268]eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.

Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.

Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.

Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman[269]betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden.

Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.

En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, gruwzamer straf dan de dood zelf.

Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en gudste hem het koude zweet van de slapen.

—Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat er van is.[270]

Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en sprak eene schertsende stem:

—Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat gij in mijne magt zijt.

De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. De andere vervolgde:

—Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren?

Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.

—Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?

De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag.

—Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat ik medelijden met u had.

—Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u.

De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.

—Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet.

—Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe[271]goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels te bezoedelen.

De Indiaan meesmuilde.

—Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind des doods geweest!

—Misschien! maar wat wilt gij van mij?

—Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen is.

—Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen.

De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon:

—Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan mij.

—Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken.

—Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de Roode-Wolf de uwe zijn.

De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.

—Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit gij thans in ’t naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid[272]vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft!

De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks hoorbare stem:

—Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten.

—Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken.

—Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem schroomvallig en op deemoedigen toon.

—Wel zeker, ik doe reeds veel voor u.

—Wat doet mijn vader dan?

—Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten.

De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem:

—Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen?

—Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal kunnen bewegen.

—Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets aan veranderen.

—Ooah!maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel willen helpen.

—Neen, zeg ik u.

—Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen?

—Ik wil het niet.

—Is dit mijns vaders laatste woord?

—Mijn laatste woord.

—Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den jager staan bleef.

Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het[273]oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in ’t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat.

De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep en dien met zooveelkracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.

De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige beweging trilde door zijn geheeleligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem:

—Vergeving! vader! vergeving!

De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een toon van de uiterste minachting:

—Raap uw wapen op, moordenaar!

Toteenigantwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem magteloos langs het lijf hing.

—Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu.

—Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben?

—Dat is zoo. Gij zijt genoeggestraft; sta op, en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom.

De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke[274]geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind.

De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af en bragt hem tot aan de eerste straat.

Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.

—Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken.

—Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig.

Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling naar huis.

Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt.

Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen.


Back to IndexNext