XXXVII.

[Inhoud]XXXVII.Verwikkelingen.Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden.Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten.Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, die hij zoo vurig verlangde weder te zien.Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met zorg bestudeerd.Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver[275]altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven.Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren om zijne vriendinnen te redden,—de reden die hem thans norsch en verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat hij dona Laura de Real del Monte beminde.Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft.Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan.Geen jong mensch van don Leo’s karakter, zal ooit met een beminnelijk jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder zich aan haar te hechten.Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt.Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart tot beminnen.Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch boeijenden blik, gepaard met de onschuldigezachtheidvaneenmin[276]of meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den moedwil vernietigt.Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen.Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven.Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou.Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, waarin en waardoor zij leven.Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigenlandedelman, moest zijne luchtkasteelen voor altijd vernietigen.De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven de jonge schoone dame te vergeten.Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen,[277]tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder haar te bezitten.Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten.Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona Laura te zien.Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde.Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid te dompelen.Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord met elkander wisselden.Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden de schildwachten de aannadering van een troep ruiters.Iedereen greep naar de wapenen.Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en thans met zich naar het kamp voerde.Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters in de grot aan denoeverder rivier op te sluiten; maar de jager was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk het kamp van don Miguel bereikte.Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen[278]slag te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen.De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen te bekomen, waarop hij niet had durven hopen.De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.—Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden.—Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om ons niet te laten overrompelen.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836—ik was destijds.…—En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken.—Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel dat hij den Vliegenden-Arend en zijnecihuatl, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft.Don Miguel keek den jager scherp aan.—Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij.—Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat ik ze geen zier vertrouw.—Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en een of ander vreesselijk onheil ducht.—Zijne vermomming was niettemin volmaakt.—Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt van verraad?[279]—Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader?—Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, want dat zijn deeenigetwee die hem kennen.—Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik.—Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo ’t u blieft?—Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, wij allen, en gij in ’t bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten.De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten.—Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.…—Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt?Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk verbrak door op nieuw het woord te nemen.—Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van …—Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in derede, moet ik u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad.—Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent.—Laten wij er dan niet meer over spreken.—Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak over Loer-Vogel.—Ha! daar hebt gij het al.—Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd.[280]—Zeg mij om welke?—O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd.—En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden?Vrij-Kogel schudde het hoofd.—Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren.—Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, wat zouden wij dan doen?—Wat wij doen zouden?—Ja.—Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan beantwoorden.—Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij ons in bevonden.—Dat zeker; wij zouden wel moeten.—Maar hoe dan?—Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor hetoogenblik, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen.—Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen? riep don Miguel verheugd.De jager zag hem verwonderd aan.—Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen?—Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven.—Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde de jager nadrukkelijk.—Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen.—Zooveel te beter, wij willen het hopen.[281]—Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak ondernemen.—Om in de stad te gaan?—Ja!—Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt.—Vindt gij niet?—Zeker; maar hoe komen wij er in?—Laat dat maar aan mij over.—Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets anders.—En dat is?—Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid.—Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt.—Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn.—En ik ook.De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen.Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien.Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.—Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij.—Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit.—Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u.—Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood!—Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind weder te zien!Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming zou na zich slepen.—Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht.—Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij nooit weder dacht te zullen omarmen.[282]—Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen verliezen.—Wat zegt gij daar?—Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig.Don Mariano slaakte een zucht.—Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien.—Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is.Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jongman de hand en zonk magteloos op den grond.De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen.[283]

[Inhoud]XXXVII.Verwikkelingen.Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden.Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten.Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, die hij zoo vurig verlangde weder te zien.Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met zorg bestudeerd.Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver[275]altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven.Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren om zijne vriendinnen te redden,—de reden die hem thans norsch en verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat hij dona Laura de Real del Monte beminde.Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft.Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan.Geen jong mensch van don Leo’s karakter, zal ooit met een beminnelijk jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder zich aan haar te hechten.Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt.Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart tot beminnen.Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch boeijenden blik, gepaard met de onschuldigezachtheidvaneenmin[276]of meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den moedwil vernietigt.Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen.Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven.Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou.Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, waarin en waardoor zij leven.Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigenlandedelman, moest zijne luchtkasteelen voor altijd vernietigen.De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven de jonge schoone dame te vergeten.Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen,[277]tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder haar te bezitten.Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten.Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona Laura te zien.Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde.Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid te dompelen.Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord met elkander wisselden.Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden de schildwachten de aannadering van een troep ruiters.Iedereen greep naar de wapenen.Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en thans met zich naar het kamp voerde.Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters in de grot aan denoeverder rivier op te sluiten; maar de jager was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk het kamp van don Miguel bereikte.Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen[278]slag te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen.De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen te bekomen, waarop hij niet had durven hopen.De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.—Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden.—Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om ons niet te laten overrompelen.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836—ik was destijds.…—En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken.—Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel dat hij den Vliegenden-Arend en zijnecihuatl, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft.Don Miguel keek den jager scherp aan.—Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij.—Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat ik ze geen zier vertrouw.—Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en een of ander vreesselijk onheil ducht.—Zijne vermomming was niettemin volmaakt.—Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt van verraad?[279]—Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader?—Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, want dat zijn deeenigetwee die hem kennen.—Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik.—Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo ’t u blieft?—Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, wij allen, en gij in ’t bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten.De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten.—Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.…—Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt?Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk verbrak door op nieuw het woord te nemen.—Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van …—Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in derede, moet ik u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad.—Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent.—Laten wij er dan niet meer over spreken.—Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak over Loer-Vogel.—Ha! daar hebt gij het al.—Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd.[280]—Zeg mij om welke?—O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd.—En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden?Vrij-Kogel schudde het hoofd.—Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren.—Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, wat zouden wij dan doen?—Wat wij doen zouden?—Ja.—Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan beantwoorden.—Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij ons in bevonden.—Dat zeker; wij zouden wel moeten.—Maar hoe dan?—Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor hetoogenblik, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen.—Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen? riep don Miguel verheugd.De jager zag hem verwonderd aan.—Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen?—Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven.—Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde de jager nadrukkelijk.—Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen.—Zooveel te beter, wij willen het hopen.[281]—Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak ondernemen.—Om in de stad te gaan?—Ja!—Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt.—Vindt gij niet?—Zeker; maar hoe komen wij er in?—Laat dat maar aan mij over.—Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets anders.—En dat is?—Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid.—Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt.—Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn.—En ik ook.De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen.Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien.Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.—Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij.—Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit.—Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u.—Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood!—Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind weder te zien!Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming zou na zich slepen.—Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht.—Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij nooit weder dacht te zullen omarmen.[282]—Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen verliezen.—Wat zegt gij daar?—Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig.Don Mariano slaakte een zucht.—Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien.—Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is.Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jongman de hand en zonk magteloos op den grond.De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen.[283]

XXXVII.Verwikkelingen.

Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden.Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten.Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, die hij zoo vurig verlangde weder te zien.Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met zorg bestudeerd.Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver[275]altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven.Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren om zijne vriendinnen te redden,—de reden die hem thans norsch en verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat hij dona Laura de Real del Monte beminde.Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft.Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan.Geen jong mensch van don Leo’s karakter, zal ooit met een beminnelijk jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder zich aan haar te hechten.Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt.Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart tot beminnen.Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch boeijenden blik, gepaard met de onschuldigezachtheidvaneenmin[276]of meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den moedwil vernietigt.Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen.Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven.Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou.Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, waarin en waardoor zij leven.Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigenlandedelman, moest zijne luchtkasteelen voor altijd vernietigen.De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven de jonge schoone dame te vergeten.Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen,[277]tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder haar te bezitten.Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten.Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona Laura te zien.Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde.Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid te dompelen.Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord met elkander wisselden.Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden de schildwachten de aannadering van een troep ruiters.Iedereen greep naar de wapenen.Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en thans met zich naar het kamp voerde.Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters in de grot aan denoeverder rivier op te sluiten; maar de jager was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk het kamp van don Miguel bereikte.Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen[278]slag te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen.De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen te bekomen, waarop hij niet had durven hopen.De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.—Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden.—Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om ons niet te laten overrompelen.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836—ik was destijds.…—En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken.—Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel dat hij den Vliegenden-Arend en zijnecihuatl, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft.Don Miguel keek den jager scherp aan.—Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij.—Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat ik ze geen zier vertrouw.—Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en een of ander vreesselijk onheil ducht.—Zijne vermomming was niettemin volmaakt.—Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt van verraad?[279]—Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader?—Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, want dat zijn deeenigetwee die hem kennen.—Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik.—Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo ’t u blieft?—Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, wij allen, en gij in ’t bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten.De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten.—Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.…—Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt?Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk verbrak door op nieuw het woord te nemen.—Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van …—Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in derede, moet ik u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad.—Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent.—Laten wij er dan niet meer over spreken.—Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak over Loer-Vogel.—Ha! daar hebt gij het al.—Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd.[280]—Zeg mij om welke?—O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd.—En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden?Vrij-Kogel schudde het hoofd.—Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren.—Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, wat zouden wij dan doen?—Wat wij doen zouden?—Ja.—Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan beantwoorden.—Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij ons in bevonden.—Dat zeker; wij zouden wel moeten.—Maar hoe dan?—Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor hetoogenblik, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen.—Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen? riep don Miguel verheugd.De jager zag hem verwonderd aan.—Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen?—Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven.—Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde de jager nadrukkelijk.—Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen.—Zooveel te beter, wij willen het hopen.[281]—Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak ondernemen.—Om in de stad te gaan?—Ja!—Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt.—Vindt gij niet?—Zeker; maar hoe komen wij er in?—Laat dat maar aan mij over.—Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets anders.—En dat is?—Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid.—Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt.—Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn.—En ik ook.De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen.Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien.Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.—Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij.—Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit.—Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u.—Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood!—Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind weder te zien!Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming zou na zich slepen.—Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht.—Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij nooit weder dacht te zullen omarmen.[282]—Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen verliezen.—Wat zegt gij daar?—Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig.Don Mariano slaakte een zucht.—Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien.—Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is.Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jongman de hand en zonk magteloos op den grond.De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen.[283]

Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden.

Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten.

Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, die hij zoo vurig verlangde weder te zien.

Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met zorg bestudeerd.

Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver[275]altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven.

Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren om zijne vriendinnen te redden,—de reden die hem thans norsch en verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat hij dona Laura de Real del Monte beminde.

Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft.

Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan.

Geen jong mensch van don Leo’s karakter, zal ooit met een beminnelijk jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder zich aan haar te hechten.

Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt.

Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart tot beminnen.

Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch boeijenden blik, gepaard met de onschuldigezachtheidvaneenmin[276]of meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den moedwil vernietigt.

Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen.

Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven.

Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou.

Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, waarin en waardoor zij leven.

Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigenlandedelman, moest zijne luchtkasteelen voor altijd vernietigen.

De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven de jonge schoone dame te vergeten.

Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen,[277]tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder haar te bezitten.

Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten.

Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona Laura te zien.

Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde.

Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid te dompelen.

Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord met elkander wisselden.

Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden de schildwachten de aannadering van een troep ruiters.

Iedereen greep naar de wapenen.

Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en thans met zich naar het kamp voerde.

Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters in de grot aan denoeverder rivier op te sluiten; maar de jager was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk het kamp van don Miguel bereikte.

Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen[278]slag te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen.

De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen te bekomen, waarop hij niet had durven hopen.

De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.

Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.

—Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden.

—Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om ons niet te laten overrompelen.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836—ik was destijds.…

—En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken.

—Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel dat hij den Vliegenden-Arend en zijnecihuatl, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft.

Don Miguel keek den jager scherp aan.

—Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij.

—Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat ik ze geen zier vertrouw.

—Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en een of ander vreesselijk onheil ducht.

—Zijne vermomming was niettemin volmaakt.

—Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt van verraad?[279]

—Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader?

—Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, want dat zijn deeenigetwee die hem kennen.

—Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik.

—Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo ’t u blieft?

—Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, wij allen, en gij in ’t bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten.

De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten.

—Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.…

—Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt?

Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk verbrak door op nieuw het woord te nemen.

—Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van …

—Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in derede, moet ik u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad.

—Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent.

—Laten wij er dan niet meer over spreken.

—Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak over Loer-Vogel.

—Ha! daar hebt gij het al.

—Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd.[280]

—Zeg mij om welke?

—O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd.

—En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden?

Vrij-Kogel schudde het hoofd.

—Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren.

—Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, wat zouden wij dan doen?

—Wat wij doen zouden?

—Ja.

—Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan beantwoorden.

—Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij ons in bevonden.

—Dat zeker; wij zouden wel moeten.

—Maar hoe dan?

—Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor hetoogenblik, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen.

—Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen? riep don Miguel verheugd.

De jager zag hem verwonderd aan.

—Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen?

—Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven.

—Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde de jager nadrukkelijk.

—Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen.

—Zooveel te beter, wij willen het hopen.[281]

—Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak ondernemen.

—Om in de stad te gaan?

—Ja!

—Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt.

—Vindt gij niet?

—Zeker; maar hoe komen wij er in?

—Laat dat maar aan mij over.

—Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets anders.

—En dat is?

—Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid.

—Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt.

—Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn.

—En ik ook.

De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen.Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien.

Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.

—Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij.

—Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit.

—Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u.

—Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood!

—Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind weder te zien!

Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming zou na zich slepen.

—Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht.

—Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij nooit weder dacht te zullen omarmen.[282]

—Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen verliezen.

—Wat zegt gij daar?

—Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig.

Don Mariano slaakte een zucht.

—Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien.

—Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is.

Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jongman de hand en zonk magteloos op den grond.

De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.

Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen.[283]


Back to IndexNext