XXXVIII.

[Inhoud]XXXVIII.Eene nachtelijke verkenning.De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten.Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen:De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in ’t zin hadden, te wagen.Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen.Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen.De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming.In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.Zij hadden alleen hun doel in ’t oog gehouden.Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen.Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden.Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging.Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere nachtschemering.Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid[284]van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, vooreerst om eene menschelijke stem te hooren—eene reden die misschien onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven.Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den omtrek te bewaken.De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende aanmerking:—Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger.—Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don Miguel, dat is meer dan noodig is.—Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn?—Dat weet ik zeker.—Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen.—Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt.—Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene nachtelijke expeditie uitga.—Kom!—’t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving.—Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid.—Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, om[285]zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van den kommandant op het fort Mackensie1te schaken; maar …—Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort gij niets?De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde verontwaardigd het hoofd.—Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij.—Weet gij het zeker?—Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren.Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes klonk op korten afstand.—Ziet gij? zeide de Canadees droogjes.—Inderdaad, antwoordde don Miguel.En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.—Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet.—Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen.—Daar hebben wij kans op.—Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het liever anders willen, wanneer het mogelijk was.—Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af?—Mij?—in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf.De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.—Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan te volgen?—Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken.[286]Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden?—Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen?—Ik denk wel van ja.—Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk.—Goed; kunt gij zwemmen?—Waarom vraagt gij dat?—Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten.—Ik zwem als een steur.—En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let thans op hetgeen ik u zeggen zal.—Ga door als het u b’lieft.—Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts.—Welzeker!—Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo niet?—Ja!—Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten?—Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf.—Al beter en beter;—waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn.—Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; dat ik daaraan niet gedacht heb!—Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard als een philozoof.—Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen.—Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij hem … gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven.Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van een zilveren lint.—Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene praauw vonden.In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio’s; de pagaaijen lagen eenige passen verder.[287]Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten was zij te water.—Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel.—Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen bewoelen om het gekraak te vermijden.Vrij-Kogel haalde de schouders op.—Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke ideeën in ’t hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar 1835, daar ik u zoo even van sprak …—Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte.De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende.—Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van het visschen komt en naar zijne calli terugkeert.Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug—de plaats waar de Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,—ontdekte Vrij-Kogel in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de schildwacht alleen was.—Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen.[288]Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; deze antwoordde hem met een paar woorden.—Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander middel op.Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe:—Ooah!mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur.—Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede.—Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien?—Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken.—Oah!mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem uw aanbod aan.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, ’t is wonderlijk zoo gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal.Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, om het op het drooge te halen.—Ooah!riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want de boot is zwaar.Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel ereensklapsuitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.—La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden.—Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons van hem ontdoen.—Dat is gemakkelijk genoeg.De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om op te lossen.—Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden[289]dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij zien.—Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen.—Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen.—Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan.—Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen—den grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, vervolgde hij lagchende.Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.—Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt?—Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken.—Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen.—Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg.—Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere.De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar de binnenstad liep.Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein.—Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie.—Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand.—Waar?De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel.—Daar! antwoordde hij.—Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken?Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee[290]verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing.—De Vliegende-Arend! mompelden beiden.Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op.—Ooah!riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe.De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor hen stond.—Ik ben het! riep don Miguel.—En ik! vervolgde Vrij-Kogel.Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug.—Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die zich moeijelijk laat beschrijven.1ZieVrij-Kogel, 3edruk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.↑

[Inhoud]XXXVIII.Eene nachtelijke verkenning.De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten.Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen:De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in ’t zin hadden, te wagen.Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen.Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen.De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming.In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.Zij hadden alleen hun doel in ’t oog gehouden.Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen.Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden.Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging.Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere nachtschemering.Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid[284]van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, vooreerst om eene menschelijke stem te hooren—eene reden die misschien onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven.Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den omtrek te bewaken.De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende aanmerking:—Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger.—Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don Miguel, dat is meer dan noodig is.—Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn?—Dat weet ik zeker.—Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen.—Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt.—Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene nachtelijke expeditie uitga.—Kom!—’t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving.—Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid.—Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, om[285]zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van den kommandant op het fort Mackensie1te schaken; maar …—Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort gij niets?De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde verontwaardigd het hoofd.—Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij.—Weet gij het zeker?—Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren.Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes klonk op korten afstand.—Ziet gij? zeide de Canadees droogjes.—Inderdaad, antwoordde don Miguel.En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.—Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet.—Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen.—Daar hebben wij kans op.—Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het liever anders willen, wanneer het mogelijk was.—Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af?—Mij?—in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf.De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.—Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan te volgen?—Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken.[286]Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden?—Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen?—Ik denk wel van ja.—Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk.—Goed; kunt gij zwemmen?—Waarom vraagt gij dat?—Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten.—Ik zwem als een steur.—En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let thans op hetgeen ik u zeggen zal.—Ga door als het u b’lieft.—Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts.—Welzeker!—Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo niet?—Ja!—Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten?—Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf.—Al beter en beter;—waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn.—Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; dat ik daaraan niet gedacht heb!—Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard als een philozoof.—Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen.—Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij hem … gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven.Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van een zilveren lint.—Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene praauw vonden.In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio’s; de pagaaijen lagen eenige passen verder.[287]Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten was zij te water.—Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel.—Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen bewoelen om het gekraak te vermijden.Vrij-Kogel haalde de schouders op.—Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke ideeën in ’t hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar 1835, daar ik u zoo even van sprak …—Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte.De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende.—Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van het visschen komt en naar zijne calli terugkeert.Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug—de plaats waar de Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,—ontdekte Vrij-Kogel in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de schildwacht alleen was.—Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen.[288]Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; deze antwoordde hem met een paar woorden.—Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander middel op.Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe:—Ooah!mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur.—Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede.—Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien?—Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken.—Oah!mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem uw aanbod aan.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, ’t is wonderlijk zoo gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal.Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, om het op het drooge te halen.—Ooah!riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want de boot is zwaar.Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel ereensklapsuitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.—La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden.—Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons van hem ontdoen.—Dat is gemakkelijk genoeg.De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om op te lossen.—Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden[289]dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij zien.—Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen.—Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen.—Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan.—Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen—den grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, vervolgde hij lagchende.Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.—Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt?—Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken.—Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen.—Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg.—Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere.De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar de binnenstad liep.Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein.—Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie.—Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand.—Waar?De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel.—Daar! antwoordde hij.—Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken?Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee[290]verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing.—De Vliegende-Arend! mompelden beiden.Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op.—Ooah!riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe.De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor hen stond.—Ik ben het! riep don Miguel.—En ik! vervolgde Vrij-Kogel.Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug.—Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die zich moeijelijk laat beschrijven.1ZieVrij-Kogel, 3edruk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.↑

XXXVIII.Eene nachtelijke verkenning.

De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten.Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen:De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in ’t zin hadden, te wagen.Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen.Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen.De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming.In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.Zij hadden alleen hun doel in ’t oog gehouden.Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen.Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden.Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging.Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere nachtschemering.Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid[284]van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, vooreerst om eene menschelijke stem te hooren—eene reden die misschien onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven.Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den omtrek te bewaken.De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende aanmerking:—Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger.—Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don Miguel, dat is meer dan noodig is.—Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn?—Dat weet ik zeker.—Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen.—Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt.—Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene nachtelijke expeditie uitga.—Kom!—’t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving.—Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid.—Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, om[285]zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van den kommandant op het fort Mackensie1te schaken; maar …—Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort gij niets?De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde verontwaardigd het hoofd.—Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij.—Weet gij het zeker?—Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren.Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes klonk op korten afstand.—Ziet gij? zeide de Canadees droogjes.—Inderdaad, antwoordde don Miguel.En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.—Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet.—Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen.—Daar hebben wij kans op.—Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het liever anders willen, wanneer het mogelijk was.—Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af?—Mij?—in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf.De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.—Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan te volgen?—Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken.[286]Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden?—Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen?—Ik denk wel van ja.—Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk.—Goed; kunt gij zwemmen?—Waarom vraagt gij dat?—Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten.—Ik zwem als een steur.—En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let thans op hetgeen ik u zeggen zal.—Ga door als het u b’lieft.—Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts.—Welzeker!—Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo niet?—Ja!—Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten?—Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf.—Al beter en beter;—waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn.—Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; dat ik daaraan niet gedacht heb!—Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard als een philozoof.—Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen.—Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij hem … gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven.Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van een zilveren lint.—Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene praauw vonden.In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio’s; de pagaaijen lagen eenige passen verder.[287]Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten was zij te water.—Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel.—Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen bewoelen om het gekraak te vermijden.Vrij-Kogel haalde de schouders op.—Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke ideeën in ’t hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar 1835, daar ik u zoo even van sprak …—Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte.De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende.—Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van het visschen komt en naar zijne calli terugkeert.Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug—de plaats waar de Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,—ontdekte Vrij-Kogel in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de schildwacht alleen was.—Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen.[288]Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; deze antwoordde hem met een paar woorden.—Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander middel op.Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe:—Ooah!mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur.—Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede.—Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien?—Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken.—Oah!mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem uw aanbod aan.—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, ’t is wonderlijk zoo gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal.Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, om het op het drooge te halen.—Ooah!riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want de boot is zwaar.Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel ereensklapsuitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.—La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden.—Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons van hem ontdoen.—Dat is gemakkelijk genoeg.De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om op te lossen.—Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden[289]dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij zien.—Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen.—Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen.—Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan.—Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen—den grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, vervolgde hij lagchende.Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.—Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt?—Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken.—Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen.—Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg.—Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere.De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar de binnenstad liep.Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein.—Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie.—Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand.—Waar?De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel.—Daar! antwoordde hij.—Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken?Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee[290]verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing.—De Vliegende-Arend! mompelden beiden.Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op.—Ooah!riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe.De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor hen stond.—Ik ben het! riep don Miguel.—En ik! vervolgde Vrij-Kogel.Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug.—Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die zich moeijelijk laat beschrijven.

De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten.

Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen:

De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in ’t zin hadden, te wagen.

Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen.

Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen.

De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming.

In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.

Zij hadden alleen hun doel in ’t oog gehouden.

Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen.

Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden.

Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging.

Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere nachtschemering.

Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.

Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid[284]van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, vooreerst om eene menschelijke stem te hooren—eene reden die misschien onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven.

Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den omtrek te bewaken.

De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.

Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende aanmerking:

—Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger.

—Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don Miguel, dat is meer dan noodig is.

—Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn?

—Dat weet ik zeker.

—Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen.

—Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt.

—Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene nachtelijke expeditie uitga.

—Kom!

—’t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving.

—Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid.

—Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, om[285]zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van den kommandant op het fort Mackensie1te schaken; maar …

—Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort gij niets?

De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde verontwaardigd het hoofd.

—Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij.

—Weet gij het zeker?

—Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren.

Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes klonk op korten afstand.

—Ziet gij? zeide de Canadees droogjes.

—Inderdaad, antwoordde don Miguel.

En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.

—Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet.

—Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen.

—Daar hebben wij kans op.

—Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het liever anders willen, wanneer het mogelijk was.

—Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af?

—Mij?—in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf.

De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.

—Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan te volgen?

—Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken.[286]Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden?

—Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen?

—Ik denk wel van ja.

—Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk.

—Goed; kunt gij zwemmen?

—Waarom vraagt gij dat?

—Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten.

—Ik zwem als een steur.

—En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let thans op hetgeen ik u zeggen zal.

—Ga door als het u b’lieft.

—Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts.

—Welzeker!

—Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo niet?

—Ja!

—Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten?

—Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf.

—Al beter en beter;—waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn.

—Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; dat ik daaraan niet gedacht heb!

—Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard als een philozoof.

—Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen.

—Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij hem … gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven.

Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van een zilveren lint.

—Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene praauw vonden.

In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio’s; de pagaaijen lagen eenige passen verder.[287]

Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten was zij te water.

—Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel.

—Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen bewoelen om het gekraak te vermijden.

Vrij-Kogel haalde de schouders op.

—Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke ideeën in ’t hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar 1835, daar ik u zoo even van sprak …

—Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte.

De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende.

—Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van het visschen komt en naar zijne calli terugkeert.

Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug—de plaats waar de Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,—ontdekte Vrij-Kogel in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de schildwacht alleen was.

—Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen.[288]

Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; deze antwoordde hem met een paar woorden.

—Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander middel op.

Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe:

—Ooah!mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur.

—Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede.

—Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien?

—Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken.

—Oah!mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem uw aanbod aan.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, ’t is wonderlijk zoo gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal.

Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, om het op het drooge te halen.

—Ooah!riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want de boot is zwaar.

Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel ereensklapsuitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.

—La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden.

—Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons van hem ontdoen.

—Dat is gemakkelijk genoeg.

De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.

De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om op te lossen.

—Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden[289]dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij zien.

—Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen.

—Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen.

—Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan.

—Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen—den grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, vervolgde hij lagchende.

Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.

—Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt?

—Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken.

—Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen.

—Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg.

—Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere.

De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar de binnenstad liep.

Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein.

—Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie.

—Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand.

—Waar?

De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel.

—Daar! antwoordde hij.

—Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken?

Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee[290]verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing.

—De Vliegende-Arend! mompelden beiden.

Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op.

—Ooah!riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe.

De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor hen stond.

—Ik ben het! riep don Miguel.

—En ik! vervolgde Vrij-Kogel.

Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug.

—Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die zich moeijelijk laat beschrijven.

1ZieVrij-Kogel, 3edruk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.↑

1ZieVrij-Kogel, 3edruk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.↑

1ZieVrij-Kogel, 3edruk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.↑

1ZieVrij-Kogel, 3edruk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152.↑


Back to IndexNext