Tweede gedeelte.

Tweede gedeelte.I.Na de ontvoering.»Texar!”...Ja, Texar! dat was wel degelijk de verafschuwde naam, die door Zermah in den nacht uitgekreten was, juist op het oogenblik toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard op den oever derMarino-Kreekaankwamen.Het jonge meisje had daarenboven den ellendigen Spanjaard herkend, zoodat niet kon in twijfel getrokken worden, dat hij de bewerker der ontvoering van de kleine Dy en van de mestische vrouw Zermah was, ja, dat hij de uitvoerder van die schandelijke daad was.En inderdaad, Texar was de schuldige. Hij was bij zijn boevenstuk door een half dozijn kerels geholpen geworden, die aan hem met lijf en ziel verknocht waren en bij alle door hem gepleegde misdaden zijne medeplichtigen waren.De Spanjaard had reeds sedert lang dien tocht voorbereid, die de verwoesting van de plantage Camdless-Bay, de plundering van het heerenhuis Castle House, den financiëelen ondergang van de familie Burbank, en de gevangenneming of den dood van het hoofd van dat gezin moest tengevolge hebben.Met dat doel had hij zijne roofzieke benden over de plantage losgelaten! Hij had zich toen evenwel niet aan hun hoofd gesteld, maar de leiding van dien troep aan den meest woesten kerel zijner partijgangers opgedragen. Hierdoor wordt het verklaarbaar, dat John Bruce, de agent van masterHarvey, die zich bij den aanvallenden troep gevoegd had, aan James Burbank had kunnen verzekeren, dat Texar daarbij niet aanwezig was.Om hem te ontmoeten, zou men naar de Marino-Kreek hebben moeten gaan, die door middel van een tunnel, zooals de lezer weet, met Castle-House in gemeenschap stond. Voor het geval dat het heerenhuishet beleg niet langer zoude kunnen uithouden, zouden de verdedigers trachten langs dien tunnel den terugtocht aan te nemen, om aan hunne vijanden te ontkomen.Texar was met het bestaan van dien tunnel bekend. Hij was dan ook te Jacksonville in een vaartuig gestegen en had, terwijl Squambo, vergezeld van twee slaven in eene andere boot gezeten, zich bij hem gevoegd had, post gevat in de Marino-Kreek, ten einde de vlucht van master James Burbank te bespieden.En werkelijk, hij had zich niet vergist. Dat bespeurde hij dadelijk, toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag. De negers, die de wacht in dat vaartuigje hielden, werden overvallen en afgemaakt. Daarna viel er niets anders te doen dan te wachten. Weldra verscheen Zermah, die het kleine meisje bij zich had. Toen de mestische begon te schreeuwen en te gillen, vreesde de Spanjaard, dat men haar te hulp zoude komen. Hij greep haar en leverde haar aan Squambo over. Toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard een oogenblik later verschenen, bevond Zermah zich reeds in het vaartuig van den Indiaan op het midden der rivier.De lezer weet het overige.Intusschen had Texar, na de voltooide ontvoering van die vrouw en dat kind, het niet noodig geacht zich bij Squambo te vervoegen. Die man, die hem met lijf en ziel toegedaan was, wist naar welke onnaspeurlijke schuilplaats hij Zermah en de kleine Dy moest brengen. Toen dan ook de drie kanonschoten de aanvallers, juist op het oogenblik dat zij Castle-House zouden binnendringen, naar Jacksonville terugriepen, was de Spanjaard plotseling verdwenen en had hij zich uit de voeten gemaakt, door de Sint John in schuine richting over te steken.Waar was hij heengegaan?Dat wist niemand te zeggen. Zooveel was zeker dat hij gedurende den nacht van den 3denop den 4denMaart niet naar Jacksonville teruggekeerd was. Men zag hem daar eerst vier en twintig uren later. Wat voerde hij gedurende die onverklaarbare afwezigheid uit? Dat kan door niemand verklaard worden. Toch mocht aangenomen worden, dat die afwezigheid, wanneer hij als de hoofdschuldige of medeplichtige aan de ontvoering van de kleine Dy en van Zermah aangeklaagd mocht worden, hoogst verdacht moest voorkomen. Het samenvallen van zijne verdwijning met die ontvoering zou zeer zeker in zijn nadeel uitgelegd worden.Maar hoe het ook zij, hij keerde eerst in den ochtend van den 5dennaar Jacksonville terug, om er de leiding op zich te nemen en de noodige maatregelen te treffen voor de verdediging der stad en van den Staat tegen de Noordelijken.De lezer heeft reeds vernomen, dat hij tijdig genoeg wederkeerde om eene hinderlaag voor Gilbert Burbank open te stellen en om het voorzitterschap der rechtbank op zich te nemen, die gereed stond den jeugdigen officier ter dood te veroordeelen.Wat zeker was, dat is dat Texar zich niet in de sloep van den Indiaan Squambo bevond, toen dit vaartuig door den opkomenden vloed, in het donkere van den nacht naar het bovengedeelte der rivier ten noorden van Camdless-Bay voortgedreven werd.Zermah, die eindelijk ingezien had, dat hare kreten en haar gegil niet meer op de beide oevers der Sint John gehoord konden worden, was er toe overgegaan te zwijgen. Zij zat in het achtergedeelte der sloep en hield de kleine Dy in hare armen gesloten.Het verschrikte kleine meisje had geen enkelen kreet, geen enkele klacht laten ontsnappen. Zij sloot zich vast tegen de borst van de kleurlinge aan en poogde zich tusschen de plooien van het manteltje van de wakkere vrouw te verbergen. Slechts eens of twee malen hadden hare lippen eenige woorden gepreveld:»Mama!... Mama!... O, goede Zermah!... Ik ben zoo bang!...”En een oogenblik later herhaalde zij:»O, Zermah!... Ik ben zoo bang... Waar is mama?... Ik wil naar mama terug!”»Ja... lieve!” antwoordde de kleurlinge. »Wij gaan naar mama terug!... Wees niet ongerust...”»O, ik ben zoo bang!...”»Neen, niet bang zijn!... Ik ben bij je!...”In ditzelfde oogenblik liep mevrouw Burbank, schier waanzinnig van schrik en angst, langs den rechter oever der rivier en poogde het vaartuig te volgen, dat haar kind naar de overzijde voerde.De duisternis was toen groot. De vlammen der verschillende woningen en keten, die op de plantage in brand gestoken waren, begonnen uit te dooven, evenals het geknetter van het geweervuur begon te zwijgen. Uit de veelvuldige rookzuilen, die onder den aandrang van den zuidenwind naar het noorden ombogen, flikkerden nog van tijd tot tijd vlammen op, die dan weer uitdoofden, maar op de oppervlakte van den stroom eene schittering veroorzaakten als van verschietende bliksemstralen.Toen werd alles stil en somber.Het vaartuig volgde den stroomdraad van de rivier en hield zich in het midden daarvan, zoodat van de beide oevers niets te ontwaren was. Het was alsof die sloep zich in volle zee bevond, zoo eenzaam was zij.Naar welke kreek stevende dat vaartuig, welks roer door Squambo gestuurd werd?Dat wenschte Zermah bovenal te weten. Zij begreep dat het ondervragen van den Indiaan tot niets zou leiden. Zij zocht zich dus te oriënteeren, hetgeen in die dikke duisternis waarlijk niet gemakkelijk was, vooral zoolang Squambo het midden der rivier bleef houden. De vloed kwam met kracht op; daarenboven pagaaiden de twee negerslaven met alle kracht, zoodat men zoo snel mogelijk in zuidelijke richting voortstevende.Het ware toch uiterst nuttig en raadzaam geweest, indien Zermah een spoor van haren voorbijtocht achterliet, om de nasporingen van haren meester te vergemakkelijken. Dat begreep de goede vrouw. Ware zij aan wal geweest, dan zou een lap van haar manteltje, aan de takken van een struik vastgehecht, als eerste merkteeken hebben kunnen dienen om de verkenners op het spoor te brengen, die dat, eenmaal behoorlijk waargenomen, niet meer zouden hebben laten glippen. Maar op die rivier was zoo iets onmogelijk. Waartoe zou het dienen, dat het een of andere voorwerp, aan haar of aan het jonge meisje toebehoorende, aan den stroomdraad overgeleverd zoude worden? Zou de hoop werkelijk gekoesterd kunnen worden, dat het in handen van master James Burbank zou geraken? Neen, daaraan viel niet te denken. Op die hoop mocht niet gebouwd worden. En als een gevolg daarvan moest de arme mestische er zich toe bepalen om te trachten te herkennen op welk punt der oevers van de Sint John de sloep zou landen.Zoo verliep onder de gegeven omstandigheden een uur.Squambo had geen enkel woord gesproken. De beide negerslaven pagaaiden krachtig maar stilzwijgend. Geen enkel licht werd op de oevers waargenomen, noch in de huizen, noch onder de dichte loofkruinen van het hooge geboomte, welks sombere massa zich in het donker in een nevelvorm liet ontwaren.Terwijl Zermah rechts en links uitkeek en steeds gereed was, om iedere aanwijzing hoe gering ook te benutten, dacht zij slechts aan de gevaren, welke het kleine meisje liep, dat met haar ontvoerd was. De gevaren, die haar zelf bedreigden, telde zij niet; daaraan dacht zij zelfs niet. Hare vrees betrof slechts dat kind. Op dat dierbare hoofd verzamelden zich alle hare angsten.Het was wel degelijk Texar, die de ontvoering had doen ten uitvoer leggen. Dienaangaande was geen twijfel mogelijk. Zij had den Spanjaard zeer goed herkend, toen hij daar bij de Marino-Kreek de wacht hield, hetzij met het doel om langs den tunnel binnen Castle House te dringen, hetzij dat hij daar de verdedigers van het heerenhuis opwachtte, wanneer die door dien uitgang zouden pogen te ontsnappen.Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz. 2).Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz.2).Wanneer Texar niet zoo overijld was te werk gegaan, zouden mevrouw Burbank en miss Alice Stannard zich nu, evenals dekleine Dy en Zermah, in zijne macht bevinden. Dat hij zich niet aan het hoofd der militie-troepen en de bende plunderaars gesteld had, had zijne redenen daarin gevonden, dat hij er zeker van was de familie Burbank bij de Marino-Kreek des te gevoeliger te kunnen treffen. Wij hebben gezien, dat hij goed geraden had.Maar in ieder geval zou Texar niet kunnen loochenen, dat hij direct medeplichtig was aan de ontvoering van het kleine meisje en van de mestische vrouw. Later, wanneer het uur der gerechtigheid zoude gekomen zijn, wanneer de Spanjaard voor zijne misdaden ter verantwoording zoude geroepen worden, dan zou hem de uitvlucht niet kunnen baten, om een van die onverklaarbare alibi’s te kunnen inroepen, die hem tot heden zoo uitstekend gelukt waren.Maar welk lot dacht hij thans zijne twee slachtoffers toe?Kon hij ze in de moerassige streken van de Everglades, ver voorbij de bronnen van de Sint John verbergen?Kon hij zich van Zermah ontdoen als van eene lastige en gevaarlijke getuige, welker verklaring hem den een of anderen dag zoude kunnen vernietigen?Die vragen stelde zich de mestische vrouw. Zij zou gaarne haar leven ten offer gebracht hebben, om het kind te redden, dat met haar ontvoerd werd. Maar wanneer zij dood zoude zijn, wat zou er dan van de kleine Dy in de handen van Texar en zijne booswichten terecht komen? Die gedachte martelde haar en dan klemde zij het kleine meisje vaster aan hare borst, alsof Squambo het voornemen reeds aan den dag zoude gelegd hebben om haar het kind te ontrukken.Terwijl zij zoo in hare gedachten verdiept was, meende Zermah eindelijk te bemerken, dat het vaartuig den linker oever van de rivier naderde. Zou haar dat tot aanwijzing kunnen strekken? Neen, want zij wist niet, dat de Spanjaard zijne woning in het binnenste gedeelte van de Zwarte Kreek, op een der talrijke eilanden van die schier onbekende lagune, opgeslagen had. Dat wisten de partijgangers van Texar zelfs niet, daar niemand ooit in het blokhuis, dat hij met Squambo en zijne negerslaven bewoonde, toegelaten werd.Daar inderdaad bracht de Indiaan de kleine Dy en Zermah onder dak. Daar, te midden van de ondoordringbare struiken van die streek, overdekt met eene machtige moerassige tropische plantenwereld, zouden zij aan iedere nasporing onttrokken zijn. De kreek zelve was als het ware ondoordringbaar te noemen voor hem die er de richting van de doorvaarten en de ligging der eilandjes niet van kende. Zij bood schuilplaatsen bij duizenden aan, waar de ontvoerde gevangenen zoo goed en wel verborgen konden worden, dat het onmogelijk zoude zijn haar op het spoor te komen. Voor het geval dat master James Burbank zou pogen dit woeste en ondoordringbarestruikgewas te doorzoeken, waren maatregelen getroffen, om de mestische vrouw en het kleine meisje naar het zuidelijk gedeelte van het Floridasche schiereiland te vervoeren. Dan zou alle kans verkeken zijn om haar weer te vinden te midden van die uitgestrekte wildernissen, die door de Europeesche pionniers hoogst zelden bezocht worden, en waar slechts enkele benden Indianen aangetroffen worden, die daar niet wonen, maar de ongezonde vlakten slechts doortrekken.De vijf en veertig mijlen, die den afstand uitmaakten tusschen Camdless-Bay en de Zwarte Kreek, waren vrij spoedig afgelegd. Het was omstreeks elf uren, toen het vaartuig den elleboog passeerde, dien de Sint John op tweehonderd yards afstand benedenstrooms vormde. Er bleef niets anders te doen over dan de monding der haftvorming te verkennen. Dat was eene zeer moeielijke verrichting te midden van de dikke duisternis, welke den linker oever van den stroom omgaf. Hoe bekend hij ook al met deze streken was, aarzelde Squambo dan ook, toen hij het roer te boord moest leggen, om dwars door den snellen stroomdraad te kunnen stevenen. Het besturen van de sloep zou voorzeker eene meer gemakkelijke verrichting geweest zijn, wanneer het vaartuig den oever had kunnen volgen, welke door eene menigte kleine kreken, baaien, inhammen en haften, welke allen met hooge biezen begroeid of dicht met waterplanten overdekt waren, diep ingesneden was. Maar de Indiaan vreesde op ondiepten verzeild te raken. Daar nu het doorkomen van den vloed ten einde spoedde en de eb het water van de Sint John met bekwamen spoed naar de riviermonding zoude voeren, zou een vastraken in die modderige streken, hem in verlegenheid kunnen brengen. Hij zou dan moeten wachten tot het doorkomen van den volgenden vloed, dat vrij wel gelijk zou staan met eene vertraging van elf uren ongeveer. Hoe zou hij dan beletten kunnen om ontdekt te worden, wanneer het dag werd. Gewoonlijk doorkliefden talrijke vaartuigen met hunne stevens de oppervlakte der rivier. De tegenwoordige staat van zaken en de mogelijke gebeurtenissen, die verwacht werden, noodzaakten tot eene onafgebrokene briefwisseling tusschen Jacksonville en de havenstad Sint Augustijn. Daarenboven, wanneer de bewoners van Castle House niet bij den aanval op het heerenhuis omgekomen waren, zouden zij met de familie Burbank reeds den volgenden dag alles in het werk stellen, om de nasporingen met alle kracht te beginnen en met den meesten ijver door te zetten. Dan zou Squambo, aan den voet van den oever in de modder vastzittende, niet aan de vervolging kunnen ontsnappen, waaraan hij bloot zoude staan. De toestand kon dan zeer gevaarlijk geacht worden.Ten gevolge van al die overdenkingen verkoos de Indiaan in hetdiepe vaarwater te blijven en den oever van de Sint John te mijden. Zelfs was hij besloten om in den vollen stroom ten anker te gaan, wanneer dat noodig mocht worden. Dan zou hij bij het aanbreken van den dag, de toegangen van de Zwarte Kreek verkennen, en eenmaal daarbinnen aangeland, zou hij van eene vervolging niets meer te duchten hebben.Het vaartuig ging inmiddels voort om met behulp van den vloed de rivier opwaarts te stevenen. Te rekenen naar den verloopen tijd, schatte Squambo, dat hij nog niet ter hoogte van de Lagune-monding gekomen was. Hij voer dus verder door, totdat een verwijderd gerucht zijn oor trof.Dat was een dof geraas van het klepperen van een raderschip, dat zich langs de oppervlakte der rivier voortplantte en daardoor al duidelijker en duidelijker vernomen werd. Bijna ter zelfder tijd verscheen bij een hoek, die door den linker oever der rivier gevormd werd, eene in beweging zijnde massa.Het was eene stoomboot die langzaam en slechts halfwerk voortstoomde, welke het witte licht van haar seinlantaarn vertoonde. In minder dan eene minuut zou zij de sloep bereikt hebben en die met geweld aanvaren, hetgeen groote ongelukken kon ten gevolge hebben.Met een gebaar beval Squambo den negerslaven, met pagaaien op te houden. Tegelijkertijd bracht hij den helmstok van het roer naar het andere sloepsboord over en stak naar den rechter oever, zoowel om niet door de stoomboot overvaren, alsook door hare passagiers en opvarenden niet gezien te worden.Maar de sloep was door de wachthebbenden van de boot gezien geworden. Zij werd gepraaid met bevel om aan boord te komen.Squambo stiet een vervaarlijken vloek uit. Maar de onmogelijkheid inziende om door de vlucht aan de uitnoodiging, die in bevelenden toon tot hem gericht was, te ontkomen, moest hij gehoorzamen.Een oogenblik later schoot de sloep langs zijde en legde aan bij de rechter valreeptrap van de stoomboot, die middelerwijl om haar in te wachten gestopt had.Zermah stond toen van hare zitplaats op. In de zich voordoende omstandigheden, meende zij eene kans tot redding te bespeuren. Zou zij niet kunnen schreeuwen? Zou zij zich niet kunnen bekend maken? Zou zij geen hulp kunnen inroepen en zoodoende aan dien Squambo ontkomen?De Indiaan sprong ook op en stelde zich naast hare zijde. Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife; met de andere had hij het kleine meisje gegrepen, dat Zermah hem met alle kracht maar tevergeefs trachtte te ontrukken.Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz. 8).Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz.8).»Een enkele kreet, en ik steek haar dood!” zei hij met gedempte stem.Wanneer het slechts het offer van haar leven gegolden had, dan zou Zermah geen oogenblik geaarzeld hebben; maar daar dit noodlottige mes van den Indiaan het kind bedreigde, zweeg zij.Van het dek der stoomboot kon men onmogelijk ontwaren, wat in de sloep omging.De boot kwam van Piccolata, waar zij een detachement militie-troepen aan boord had genomen, om dat naar Jacksonville over te varen, ten einde het garnizoen van de bezettingstroepen der zuidelijken aldaar te versterken, wien opgedragen was de rivierverdediging te voeren.Een scheepsofficier boog zich over de leuning der brug en praaide den Indiaan.Ziehier de woorden, die tusschen hen gewisseld werden:»Ohoi!”»Ohoi!” antwoordde Squambo, na eene lichte aarzeling.»Waar gaat gij heen?”»Waar ik heen ga?”»Ja!”»Ik ga naar Piccolata.”Zermah onthield dien naam, hoewel zij bij zich zelve overlegde dat de Indiaan Squambo in de gegeven omstandigheden het grootste belang er bij had, zijne ware bestemming verborgen te houden.»Van waar komt gij?”vervolgde de scheepsofficier zijne ondervraging.»Van de noordelijke graafschappen.”»Maar van welke plaats vertrokt ge het laatst?”»Van Jacksonville.”»Is daar nieuws?”»Neen.”»Hoegenaamd niets?”»Neen, niets.”»En van den kant van het smaldeel van den Commodore Dupont?”»Niets.”»En van de kanonneerbooten van den commandant Stevens?”»Niets. Die liggen nog altijd buiten de bank voor hunne ankers te rijden.”»Zijn er sedert den aanval op de havenplaats Fernandina en van het fort Clinch geen nadere tijdingen ingekomen?”»Neen.”»En is geen enkele kanonneerboot er in geslaagd de bank te overschrijden en in het vaarwater van de Sint John te geraken?”»Geen enkele.”»Vanwaar komen die schitteringen, welke wij bij wijlen waargenomen hebben, en die losbrandingen, welke wij in noordelijke richting gehoord hebben, terwijl wij voor anker lagen, in afwachting dat de vloed zoude doorkomen?”»O, gedurende den nacht heeft een aanval op de plantage van Camdless Bay plaats gehad.”»Een aanval op Camdless Bay?”»Ja.”»Door wie? Door de Noordelijken?”»Neen, door de militie-troepen van Jacksonville.”»Wat was daarvan de reden?”»De eigenaar weerstreefde de bevelen van het bestuur.”»De eigenaar?”»Ja, de eigenaar.”»Is dat niet master James Burbank?”»Juist.”»Een noordelijkgezinde?”»Juist. Een doldriftige voorvechter voor de afschaffing der slavernij!”»Jawel. Nu begrijp ik het. En wat is de uitslag van dien aanval geweest?”»Dat weet ik niet.”»Weet gij dat niet?”»Neen, ik ben daar slechts voorbijgestevend, zonder aan wal te gaan... Het was toen alsof men alles in brand gestoken had.”»Zoo.”In dit oogenblik ontsnapte een kreet van schrik aan het kleine meisje.... Zermah legde haar eene hand op den mond, juist toen de vingers van den Indiaan den hals van het kind zochten om het te wurgen.De scheepsofficier, die steeds op de brug der stoomboot stond, had niets gehoord en kon niets zien.»Is Camdless Bay met geschutvuur aangevallen geworden?” vroeg hij verder.»Dat geloof ik niet.”»Wat beduidden dan die drie kanonschoten, die wij duidelijk vernomen hebben en die van den kant van Jacksonville schenen te komen?”»Kanonschoten?”»Ja, drie kanonschoten.”»Ik weet het niet. Ik heb ze niet gehoord.”»Niet?”»Neen.”»Dus de Sint John is nog vrij?”»Ja.”»Vrij van Piccolata af tot aan hare monding?”»Geheel vrij en gij kunt de rivier gerust afzakken. Gij zult geen der kanonneerbooten van de Noordelijken ontmoeten.”»Goed.”»Kan ik afhouden?”»Ja, gij zijt vrij. Houdt af!”En van de brug klonk reeds het bevel:»Vooruit. Half werk!”Toen Squambo de hand verhief, ten teeken dat hij nog iets wilde vragen, riep de officier:»Stoppen!”De raderen, die slechts langzaam in beweging geraakt waren, stonden dadelijk stil.»Mag ik om eene inlichting verzoeken?” vroeg de Indiaan.»Spreek. Welke?”»De nacht is donker,” begon Squambo.»Dat is zoo... Verder?”»Ik ben het spoor bijster... Ik herken de omstreken niet meer... Kunt gij mij zeggen waar ik ben?”»Ter hoogte van de Zwarte Kreek.”»Dank u.”»Geen dank,” antwoordde de scheepsofficier.Squambo liet den valreep los, terwijl hij de sloep met kracht afduwde. Toen het vaartuigje zich op weinige vademen verwijderd had, klonk andermaal het kommando naar de machinekamer:»Vooruit!... Half werk!”De schoepen der raderen sloegen de oppervlakte der rivier tot schuim, en weldra was de stoomboot in het donker verdwenen, terwijl zij een breed zog van heftig opgezweepte golven achter zich liet.Toen Squambo ontwaarde, dat hij zich weer alleen op de rivier bevond en geen enkel vaartuig in de nabijheid was, zette hij zich weer op de achterplecht neder en gaf de negerslaven bevel te pagaaien. Hij kende thans zijne stelling, loerde dientengevolge over stuurboord en stevende op de oever-insnijding aan, die toegang tot de Zwarte Kreek verleende.Dat de Indiaan in die streek, welke zoo woest was en waartoe de toegang zoo moeielijk te vinden was, een toegang zoude zoeken, was voor Zermah boven iederen twijfel verheven. Wat hierbij het ergste evenwel mocht heeten, was, dat haar die wetenschap bitter weinig baatte.Want, hoe zou zij haren meester daarvan kennis doen dragen, en hoe zou deze, al ware hij ook met die omstandigheid bekend, de nasporingen in dit ondoordringbaar doolhof kunnen leiden?Boden daarenboven buiten en aan de andere zijde van de kreek de maagdelijke wouden van het graafschap Duval niet alle gelegenheid aan om iedere nasporing te ontgaan, voor het geval dat master James Burbank en de zijnen er in slagen mochten door de lagune te worstelen? Dit westelijke gedeelte van den Staat Florida moest toch nog aangemerkt worden als een woest en onbekend land, waarin het feitelijk onmogelijk was, een spoor te kunnen volgen.Bovendien zou het niet voorzichtig genoemd kunnen worden zich in die streek te wagen. De Seminolen-Indianen dwaalden toch in de bosschen en in de moerassen rond, en die wilden waren inderdaad zeer te duchten.Volgaarne plunderden zij de reizigers uit, die hen in handen gesteld werden, en zij maakten er geene gewetenszaak van, hen eenvoudig en zonder vorm van proces te vermoorden, wanneer zij zich poogden te weer te stellen.Een hoogst ernstige gebeurtenis had zich nog niet lang geleden in het bovengedeelte van het graafschap, niet ver en ten noordwesten van Jacksonville, voorgedaan, en daarover was lang gesproken geworden.Ziehier wat er gebeurd was:Een twaalftal Europeesche bewoners van Florida, die zich naar de kusten langs de Golf van Mexico wilden begeven, waren door een troep Indianen, behoorende tot den stam der Seminolen, overvallen geworden. Dat zij niet allen tot den laatsten man gedood werden, vond alleen daarin zijn oorzaak, dat zij hoegenaamd geen weerstand geboden hadden. Datwastrouwens volmaakt nutteloos geweest, daar zij een tegen tien gestaan hadden.Die blanke reizigers werden derhalve op de meest nauwkeurige wijze aan den lijve onderzocht en van alles beroofd, wat zij bezaten, zelfs hunne kleederen. Maar nog meer, onder bedreiging van bij niet opvolging vermoord te zullen worden, werd hen bevolen, nimmermeer in die streken te verschijnen, waarvan de Indianen het grondbezit, met uitsluiting van iedere andere natie, voor zich opeischten.En om hen te kunnen herkennen, wanneer zij het in het hoofd mochten krijgen aan dat bevel ongehoorzaam te zijn, bezigde het opperhoofd dier Indianen een eenvoudig middel. Hij liet hun een bijzonder teeken op den arm tatoueeren. Dat geschiedde op de navolgende wijze: met eene fijne naald werden wondjes in de huid geprikt, die naast elkander den vorm van het gewilde teeken vertoonden. Die wondjes werden met heet water gewasschen, om een overvloedige verbloeding te veroorzaken, waarna zij met het scherpe sap eener kleurafgevende plant werden ingewreven, waardoor het werk onuitwischbaar werd.Die Floridasche reizigers, die zich overigens over geene mishandelingen te beklagen hadden, werden daarna naar hunne woonplaatsen teruggezonden. Zij kwamen daar op de plantages der noordelijke graafschappen van den Staat in vrij berooiden toestand aan, gemerkt als zooveel stuks vee met het wapen van den Indiaanschen stam, en toonden, zooals wel te begrijpen is, zeer weinig lust om andermaal dien Seminool-Indianen in handen te vallen, die hen alsdan zonder het minste mededoogen zouden vermoorden, al ware het maar om hunne handteekening, door dat merk vertegenwoordigd, gestand te doen.In ieder ander tijdperk zouden de militie-troepen van het graafschap Duval een zoodanigen misdadigen aanslag niet ongestraft hebben gelaten. Zij zouden onmiddellijk uitgetrokken zijn, om de Indianen te vervolgen en te tuchtigen. Maar in het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, was er wel wat anders te verrichten, dan een krijgstocht tegen die zwervende volksstammen te ondernemen.De vrees, dat het land door de federale troepen bezet zoude worden, overheerschte alles. Het grootste belang werd er in gesteld dat deze zich niet meester maakten van de mondingen van de Sint John en zoo het stroomgebied in hunne macht kregen. En nu kon men niets van de krijgsmacht der Zuidelijken, die van Jacksonville af tot aan de grens van den Staat Georgië opgesteld was, afnemen, om elders Indianen te gaan tuchtigen.Later zou tijd genoeg gevonden worden, om tegenover dien Seminolen-stam op te treden, die thans ten gevolge van den burgeroorlog stoutmoedigheid genoeg aan den dag legden, om het grondgebied in het noorden van Florida, vanwaar men ze voor altijd verjaagd dacht, onveilig te maken.Men zou zich dan niet vergenoegen hen terug te dringen naar de moerassen derEverglades-streek; maar men zou dan pogen hen tot den laatsten man uit te roeien.Maar intusschen was het zeer gevaarlijk, zich op het terrein, gelegen in het westen van Florida, te wagen; en wanneer master James Burbank zijne nasporingen ooit naar dien kant uitstrekte, dan zou dat een nieuw gevaar zijn, hetwelk de reeds zoovele zoude vermeerderen, door eene zoodanige expeditie teweeggebracht.Zoodanig was de gedachtengang van Squambo, terwijl hij de kleine Dy en Zermah ontvoerde.Intusschen had het vaartuig den linker oever bereikt, en nu de Indiaan wist, dat hij zich ter hoogte van de Zwarte Kreek bevond, die toegang aan de wateren van de Sint John, in de uitgestrekte lagune-vorming verleent, zoo vreesde hij niet meer met zijne sloep op de eene of andere ondiepte te geraken.Vijf minuten later gleed het vaartuig onder het sombere gewelfvan de boomkruinen, te midden eener duisternis, die nog zwarter was dan de oppervlakte van de rivier.Hoe gewoon Squambo ook was te varen, te midden van dit doolhof van kanalen tot deze lagune behoorende, zoo zou hij er thans evenwel van hebben moeten afzien, zoo donker was het. Maar daar hij van buiten af niet meer bespeurd kon worden, was de reden vervallen, waarom hij zijn pad niet zou verlichten. Hij hakte een harsachtigen tak van een boom op den oever af, ontstak dien en plaatste hem op de voorplecht van de sloep. Die walmende vlam was voor het geoefende oog van den Indiaan voldoende, om de verschillende doorvaarten te kunnen verkennen.Zoo werd gedurende ruim een half uur voortgestevend en volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek, totdat het eindelijk het eilandje bereikte, waarop zich het blokhuis verhief.Zermah moest toen aan wal stappen. Het kleine meisje, door vermoeienis uitgeput, was in de armen van de kleurlinge in slaap gevallen. De kleine Dy ontwaakte zelfs niet, toen Zermah de poterne van het fortje doorstapte, ook niet, toen zij in eene kamer, die aan het centraal reduit grensde, opgesloten werd.Het kleine meisje werd in een deken gewikkeld, die in een hoek van het vertrek lag, en daarna op een hoop stroo neergelegd, die tot bed voor beiden moest dienen. Zermah zou evenwel niet slapen; zij zou bij hare lieveling waken.II.Eene zonderlinge bewerking.Den volgenden ochtend, op den 3denMaart, trad Squambo tegen acht uren het vertrek, waarin Zermah den nacht doorgebracht had, binnen. Hij bracht voedingsmiddelen—wat brood, een stuk koud wildbraad, vruchten, een kruik vrij sterk bier en een karaf met water, alsook eenige tafelbenoodigdheden, als borden, lepels, vorken, messen, glazen enz. Ter zelfder tijd plaatsten een paar negers een oudachtig meubelstuk in een hoek, dat als toilettafel en kastje dienst moest doen en waarin eenig linnengoed, als beddelakens, handdoeken, servetten en andere kleine benoodigdheden besloten waren, die de mestische vrouw zoowel voor haar als voor de kleine Dy zou kunnen gebruiken.Het kleine meisje sliep gelukkig nog. Zermah had Squambo met een gebaar gesmeekt, haar toch niet wakker te maken.Toen de negerslaven het vertrek verlaten hadden, vroeg Zermah den Indiaan met fluisterende stem:»Wat wil men toch met ons?”»Dat weet ik niet,” antwoordde Squambo.»Weet gij dat niet?”»Waarlijk niet!”»Welke bevelen hebt gij van Texar ontvangen?”»Waarom moest ik juist bevelen van Texar ontvangen?” was de wedervraag van den Indiaan.»Och, die drijft hier te lande alles. Dat weet iedereen.”»Toch zoudt ge u kunnen vergissen.”»Om het even van wien ge uwe bevelen hebt,” antwoordde Zermah, »zeg mij wat zij betreffen?”»Juist, die zal ik u mededeelen, in de verwachting dat gij ze stipt zult opvolgen.”»Ik luister.”»Zoolang gij hier zult vertoeven, zal deze kamer de uwe zijn en zult gij des nachts in het reduit van het fortje opgesloten zijn.”En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz. 15).En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz.15).»Des nachts?... Alleen des nachts?”»Ja, des nachts.”»Maar overdag?”»Dan zult ge binnen de omheinde ruimte kunnen rondwandelen, zooveel gij zult willen.”»Rondwandelen?”»Ja.”»Zoolang als wij hier zullen vertoeven,... zeidet gij straks,” hernam Zermah. »Waar zijn wij hier eigenlijk?”»Waar gij zijt?... Wel op de plek, waarheen ik u voeren moest.”Zermah keek hem doordringend aan. Zij begreep dat de Indiaan niet praten wilde. Toch waagde zij nog eene vraag:»En zullen wij er lang blijven?”»Gij zijt nog al nieuwsgierig uitgevallen, dunkt me,” grinnikte de Indiaan.»Nieuwsgierig of niet, antwoordt mij,” bad de kleurlinge.»Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd,” antwoordde Squambo. »Wat ik kan mededeelen, heb ik u medegedeeld. Het is verder onnoodig mij te vragen, want ik zal niet meer antwoorden.”»Gij vertrouwt u zelven niet, naar ik vermeen.”»Wel mogelijk.”En inderdaad, Squambo, die niet meer wilde zeggen dan hij gezegd had, verliet na die korte woordenwisseling het vertrek en liet Zermah bij het kleine kind alleen.Deze bekeek toen de kleine Dy, die voortging met zoo gerust mogelijk te slapen. Een paar tranen pinkte de brave vrouw tusschen de oogwimpers. Zij veegde ze onmiddellijk af, want het kind mocht bij het ontwaken niet bespeuren, dat zij geweend had. Het was toch van het grootste belang, dat de kleine meid langzamerhand aan haren nieuwen toestand gewende.Die toestand vertoonde zich evenwel zeer dreigend, daar men met een vijand als dien ellendigen Spanjaard, op alles voorbereid moest zijn.Zermah dacht na over al hetgeen sedert den vorigen dag geschied was.Zij had goed en wel gezien, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard langs den oever der Sint John voortstapten, terwijl het vaartuig naar het midden der rivier stevende en zich dus van hen verwijderde. Hun wanhopig geroep, hunne hartverscheurende kreten hadden wel degelijk haar oor bereikt. Maar zouden zij Castle House weer bereikt hebben, zouden zij weer langs den tunnel in het belegerde heerenhuis hebben kunnen geraken, om aan master James Burbank en zijne metgezellen bericht te kunnen geven van de nieuwe ramp die hen getroffen had? Zouden zij niet in handenvan de handlangers van den Spanjaard gevallen zijn? Zouden zij dan niet ver van Camdless Bay gevoerd zijn? Misschien waren zij wel gedood!O, als dat het geval was, dan zou master James Burbank niet bekend worden met de afschuwelijke misdaad, dat zijn dochtertje met Zermah ontvoerd was. Hij zou dan natuurlijk in de meening verkeeren, dat zijne echtgenoote, dat miss Alice Stannard, dat de kleine Dy en dat de mestische zich in de Marino Kreek hadden kunnen inschepen, dat die vluchtelingen de schuilplaats bij de Ceder-rots hadden kunnen bereiken, alwaar hij haar in veiligheid moest wanen. Hij zou dan even natuurlijk geen onmiddellijke nasporingen instellen om de ontvoerden weer te vinden!...En.... al nam men ook al aan, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard binnen Castle House hadden kunnen geraken, ook dat master James Burbank thans op de hoogte van alles was, was het dan nog niet te duchten dat het heerenhuis bedwongen, dat het door de aanvallers bij storm genomen, dat het uitgeplunderd, in brand gestoken, in een woord vernietigd was?Wat zou er in dit geval van de moedige en vastberaden verdedigers geworden zijn?Zouden zij krijgsgevangen gemaakt of in den verwoeden strijd omgekomen zijn?Maar gevangen of dood, Zermah gevoelde het, dat zij dan geen bijstand van hunne zijde te wachten had. Zelfs wanneer de Noordelijken meester van de Sint John geworden zouden zijn, rekende zij zich verloren. Want noch Gilbert Burbank, noch Mars zouden vernemen, de eene dat zijn zusje, de andere dat zijne wederhelft op dat schier onbekende eilandje van de Zwarte Kreek gevangen gehouden en ten nauwkeurigste bewaakt werden.Welnu, wanneer dat het geval mocht zijn, wanneer Zermah op niemand anders dan op haar eigen persoon kon rekenen, dan zou haar hare geestkracht toch niet begeven. Zij zou alle mogelijke pogingen aanwenden om dat kleine kind te redden, dat wellicht niemand meer dan hare trouwe min op de wereld bezat.Haar geheele bestaan zou zich op een eenig doel richten, haar geheel denkvermogen zou slechts eene eenige gedachte koesteren, namelijk: de vlucht! Geen uur, geene minuut zou zij laten voorbijsnellen, zonder dat zij daadwerkelijk of met den geest bezig zoude zijn om de middelen tot die vlucht voor te bereiden.En toch, zou het mogelijk zijn, gadegeslagen als zij werd door den Indiaan Squambo en door zijne negerslaven, het fortje te kunnen verlaten? Zou het mogelijk zijn aan de woeste speurhonden, die rond de afgesloten ruimte omdoolden, te kunnen ontsnappen? Zou het mogelijk zijn, dat eilandje, hetwelk als verloren te beschouwenwas te midden van de duizenden kronkelingen van het doolhof dier lagune, te kunnen ontvluchten?Ja, mogelijk zou dat zijn, mits zij in het geheim door een der negerslaven van den Spanjaard, die de doorvaarten van dit labyrint behoorlijk kende, geholpen werd.Waarom zou het uitzicht eener groote belooning niet een dier mannen verlokken tot het verleenen van hulp aan Zermah bij die ontvluchting?...Ziet, het is daaraan, dat ze al haar krachten ging wijden.Intusschen was de kleine Dy ontwaakt. Het eerste wat zij deed, nadat zij hare oogjes uitgewreven had, was hare moeder te roepen. Daarna liet zij den blik door het vertrek waren. De herinnering aan het gebeurde daags te voren doemde op. Zij bespeurde Zermah, sprong van hare legerstede op en liep naar de mestische toe.»Zermah!... Goede, beste Zermah!...” fleemde het kind.»Wat is er Dy?” vroeg de goede vrouw.»O, ik ben zoo bang!”»Bang?”»Ja, zeer bang!”»Gij moet niet bang zijn, Dy!”»Toch ben ik het.”»Ik ben immers bij u, lieve!”»Waar is mama?...”»Die komt... straks...”»Straks, Zermah?”»Wij zijn genoodzaakt geweest te vluchten...”»Te vluchten, Zermah?...” vroeg het meisje.»Ja, te vluchten, Dy... Dat herinnert gij u toch nog?”»Maar, mama?...”»Die kon niet mede!”»Niet?”»Neen, die moest op Castle House blijven...”»Maar, waar zijn wij hier, goede Zermah?”»O, wij zijn hier in veiligheid!... Hier is niets te duchten...”»Maar, mama... en papa?...”»Zoodra master James Burbank hulp zal erlangd hebben, zal hij ons komen afhalen...”Dy keek Zermah met een doordringenden blik aan, alsof zij wilde zeggen:»Is dat wel waar?”Zermah werd verlegen onder den drang dier kinderlijke vragen. Maar vóór alles wilde zij het lieve meisje geruststellen. Daarom antwoordde zij:»Ja, Dy, ja, dat is waar! Master Burbank heeft mij aanbevolen hem hier te wachten.”»Maar, die mannen dan, Zermah?...”»Welke mannen, lieve?”»Die ons in hun vaartuig vervoerd hebben... Ik ken ze niet...”»Wel, dat waren ondergeschikten van master Harvey...”»Van master Harvey, Zermah?...”»Ja, lieve, van master Harvey, gij kent hem toch wel... de vriend van uw papa, die te Jacksonville woont...”»Maar, waar zijn wij hier?”»Op zijne villa HamptonRed!...”»Dit eene villa?.... Dit HamptonRed?....” vroeg het kind, wantrouwend rondkijkende.Zermah wist niet meer wat te antwoorden. Jokken gaat niet iedereen gemakkelijk af.»En mama... en Alice, die bij ons waren...” ging Dy met kinderlijke vasthoudendheid voort. »En mama... en Alice, waarom zijn die niet hier?”»Master Burbank, uw papa heeft ze teruggeroepen... Herinnert gij u dat niet, Dy?”»Neen, goede Zermah, daarvan herinner ik mij niets.”»Hij heeft ze teruggeroepen, juist op het oogenblik, toen ze bij ons in het vaartuig wilden stappen...”»Hoe jammer, niet waar?”»Zoodra die booze lieden van Camdless-Bay verjaagd zullen zijn, zal men ons komen afhalen...”»God geve het, Zermah... O, ik ben zoo bang!...”»Kom, niet huilen, lieve... En wees niet meer bang!... Zelfs al moesten wij hier nog eenige dagen verblijven.”»Eenige dagen?” vroeg het kind.»Ja, wij zijn hier goed verborgen, wees gerust!... En kom, laat ik mijn lieveling nu aankleeden.”De kleine Dy vestigde steeds haren doorborenden blik op Zermah, en niet zonder reden; want deze had een diepen zucht niet kunnen beletten zich baan te breken. Helaas, die goede vrouw had het lieve kind bij haar ontwaken niet kunnen toelachen, zooals zij steeds gewoon was te doen. Thans kwam het er evenwel vóór alles op aan om haar bezig te houden en hare gedachten te verstrooien.Daarop legde zich Zermah met de meeste teederheid en de meeste zorgvuldigheid toe.Zij kleedde het meisje met evenveel zorg, alsof zij zich nog in hare fraaie kamer van Castle-House bevond en tegelijkertijd poogde zij haar met vertellingen bezig te houden.Daarna at de kleine Dy een weinig van het brood en vleesch,dat door Squambo binnen gebracht was, terwijl Zermah dat eerste ontbijt van het meisje deelde.»En nu, lieve Dy... als gij wilt zullen wij buiten... in de afgeschoten ruimte... eene wandeling gaan doen,” sprak de mestische.»Is de villa van master Harvey mooi?” vroeg het kind.»De villa van master Harvey?...” vroeg Zermah.»Ja, de villa, waarin wij ons bevinden...”»Mooi?... Neen dat niet!...” antwoordde de mestische. »Ik geloof zelfs dat het een oud krot is! Maar er zijn toch boomen, waterstroomen, wegen, in een woord alles wat verlangd kan worden, om eene aangename wandeling te maken.”»Een oud krot!...” pruilde het kind.»Ja, maar... wij zullen er slechts weinige dagen blijven,” stelde Zermah haar gerust. »Gedurende dat kort tijdperk zult gij geene gelegenheid hebben u te kunnen vervelen, en bovendien...”»Wat, Zermah? Wat?”»Wanneer gij zoet zult wezen, zal mama zeer tevreden zijn.”»Ja, goede Zermah... ja!... ik zal zoet zijn,” antwoordde het meisje.»Dan zal het goed zijn, Dy!”De kamerdeur was niet op slot gesloten. Zermah nam het kind bij de hand en beiden traden naar buiten. Eerst bevonden zij zich in de binnenruimte van het centraal-reduit, die haar zeer somber toescheen. Maar een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte, waardoor de zonnestralen slechts spaarzaam vermochten door te dringen.De oppervlakte van de omheinde binnenruimte was niet uitgestrekt—een bunder ongeveer, waarvan nog het blokhuis, dat er het grootste gedeelte van besloeg, moest afgetrokken worden. De palissadeering, die het geheel omgaf, belette Zermah om de ligging van het eilandje te midden van de lagune te gaan verkennen. Alles wat zij door de spaarzame ruimte der oude poterne daar buiten kon waarnemen, was dat een vrij breed kanaal met vuil troebel water het van de naburige eilandjes scheidde. Eene vrouw en een kind zouden dus slechts zeer moeilijk uit dat fortje en van dat eiland kunnen ontsnappen.Voor het geval zelfs dat Zermah een vaartuig zoude kunnen bemachtigen, viel er niet aan te denken uit dit doolhof zonder gids te geraken. Wat de brave vrouw daarenboven onbekend bleef, was dat de Spanjaard Texar en de Indiaan Squambo de toegangs-vaarwaters tot die eilandengroep alleen kenden. De negers, die in het fortje aanwezig waren, verrichtten slavendiensten en verlieten het eilandje nooit. Zij waren nimmer daarbuiten geweest en wisten niet, waar hun meester hen huisvestte.Om den oever der Sint John, zoowel als de grenzen van het moeras, hetwelk de lagune aan den westkant omgaf, te bereiken, zou Zermah zich geheel aan het toeval moeten overgeven. En onder dit vooruitzicht de vlucht te ondernemen, was het verderf voorwaar te gemoet rennen.Bovendien bemerkte de mestische, die zich van den toestand rekenschap trachtte te geven, in de eerstvolgende dagen wel, dat zij zeer waarschijnlijk geen hulp of bijstand van de slaven van Texar te verwachten had. Dat waren voor het meerendeel half verdierlijkte negers, die hoegenaamd geen aanlokkelijk voorkomen hadden. Het is waar, zij waren door den Spanjaard niet aan den ketting geklonken; maar daarom misten zij toch op dat eilandje hunne vrijheid.De voortbrengselen van den grond, welken die slaven bewerken moesten, voorzagen voldoende in hun onderhoud, zoodat zij over hunne voeding niet te klagen hadden. Zij waren verslaafd aan den sterken drank, waarvan Squambo hen een niet te spaarzaam ration uitdeelde. Zij hadden er volstrekt geen belang bij, hun toestand veranderd te zien, en waren dan ook bij uitstek geschikt om het fortje te bewaken en als het mocht voorkomen het te verdedigen. De slavernij-quaestie, die zich op weinige mijlen buiten de Zwarte Kreek ontwikkelde en daar alle gemoederen van hartstochten deed blaken, liet deze negers koud.De vrijheid verkrijgen?... De vrijheid!... Waartoe?... En wat zouden zij er meê aanvangen?...Texar zorgde voor hun bestaan en Squambo mishandelde hen niet, hoewel deze er toch wel de man voor was om ieder hoofd, dat zich tegenover hem zou willen verheffen, met woest gebaar te verbrijzelen.De vrijheid!... Zij dachten er zelfs niet aan. Het waren verdierlijkte wezens, die op lageren trap stonden dan de speurhonden, die om het fortje ronddoolden. Het zou inderdaad geene overdrijving mogen genoemd worden, wanneer beweerd werd, dat die dieren hen in verstandelijk begrip overtroffen. Zij toch kenden het samenstel en den omvang der kreek. Zij zwommen ongehinderd de veelvuldige vaarwaters door en over. Zij bezochten al de eilandjes het eene na het andere, waarbij hen hun instinct zeer te stade kwam, om te beletten dat zij verdwaalden. Hun geblaf weerklonk soms tot op den linker oever van de Sint John. Maar hoe ver zij ook hunne tochten uitstrekten, de trouwe dieren keerden bij het vallen van den avond naar het blokhuis terug.Geen vaartuig hoegenaamd zou de Zwarte Kreek kunnen binnendringen, zonder dat die geduchte bewakers het ontwaard en zijne nadering door hevig blaffen verkondigd zouden hebben. Niemand bovendien zoude, Squambo en Texar uitgezonderd, het fortje kunnenverlaten, zonder gevaar te loopen door die wilde nakomelingen van het Caraïbische hondengeslacht verscheurd te worden.Toen Zermah opgemerkt had, welke waakzaamheid rondom het fortje betracht werd, welke maatregelen getroffen waren, om ontvluchting te voorkomen, was zij zeer bedroefd. Zij begreep, dat zij van hare bewakers hoegenaamd geen hulp te verwachten had. Iedere andere minder moedige en geestkrachtvolle vrouw zou der wanhoop ten prooi geworden zijn. Met haar was dit toch niet het geval.Wanneer hulp van buiten zoude komen opdagen, dan kon die niet anders komen dan van master James Burbank, wanneer die in zijne handelingen onbelemmerd zoude zijn, en van Mars, wanneer de mesties vernemen zoude, onder welke omstandigheden zijne echtgenoote verdwenen was.Maar, wanneer die hulp uitblijven zoude, dan moest de heldhaftige vrouw slechts op haar eigen persoon rekenen, om het kleine kind te redden. En bij die taak zou haar de moed niet ontzinken.Zermah, die zich met de kleine Dy geheel geïsoleerd te midden van die lagune bevond, zag zich slechts omringd door woestuitziende gezichten. Toch meende zij op te merken, dat een der negerslaven, die nog jeugdig was, haar met eene zekere meewarigheid, ja met deernis beschouwde. Zou die omstandigheid reden tot hopen kunnen geven?Zou zij hem kunnen vertrouwen? Zou zij hem de ligging van Camdless Bay mogen uitduiden, hem trachten over te halen om zich naar Castle House te begeven? Dat viel te betwijfelen. Daarenboven, Squambo scheen de belangstelling van den slaaf bemerkt of geraden te hebben; want deze werd eenvoudig ter zijde gehouden. Zermah ontmoette hem althans niet meer bij hare wandelingen in de omheinde ruimte.Zoo gingen verscheidene dagen voorbij, zonder dat er verandering in den toestand kwam. Zermah en de kleine Dy genoten de meest mogelijke vrijheid om te gaan en te komen, zooals zij wilden. Zelfs des nachts werden zij niet opgesloten. Squambo wist toch maar al te goed, dat het haar niet mogelijk zoude zijn het centraal reduit te verlaten.De Indiaan sprak haar nimmer aan, zoodat Zermah er dan ook van had moeten afzien hem te ondervragen en inlichtingen van dien botterik in te winnen. Hij verliet het eilandje geen enkel oogenblik. Men gevoelde dat hij ieder oogenblik van den dag en van den nacht waakzaam was.Zermah’s zorgen strekten zich dus alleen over het kind uit, dat helaas! onophoudelijk er op aandrong, om naar hare moeder gebracht te worden, of haar ten minste weer te zien.Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz. 18.)Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz.18.)»Mama?.. Waar is mama?” kreet de kleine Dy.»Zij komt!” antwoordde Zermah.»Maar wanneer?”»Straks of morgen.”»Hoe weet gij dat, Zermah?”»Ik heb tijding ontvangen, lieve.”»En papa?”»Uw papa... Die zal ook komen, Dy. Die komt met miss Alice.”En als het rampzalige schepsel die antwoorden gegeven had, wist zij waarlijk niet meer wat te verzinnen. Dan poogde zij het meisje, dat meer nadenken en meer verstand aan den dag legde, dan wel met haren leeftijd overeenkwam, zooveel mogelijk te verstrooien, wat niet gemakkelijk was.Zoo gingen de 4e, de 5e en de 6e Maart voorbij.Voortdurend spitste Zermah de ooren, om zich te vergewissen of in de verte geene losbrandingen van geschut vernomen werden, die aanduiden konden, dat de federalistische flottilje van kanonneerbooten de Sint John binnengedrongen was. Maar zij had niets gehoord. Geen knal, geen geschreeuw, niets, niets! De diepste stilte heerschte te midden van de eenzaamheid der Zwarte Kreek.Daaruit kon en moest afgeleid worden, dat Florida nog niet in het bezit van de krijgsmacht der Unie was. Dat verontrustte de goede vrouw zeer. Want, al waren master James Burbank en zijne metgezellen ook al in de onmogelijkheid gesteld om handelend op te kunnen treden, zoo zou zij toch op de tusschenkomst van Gilbert Burbank en van Mars kunnen rekenen. Wanneer toch de kanonneerbooten de rivier binnengedrongen waren, zouden zij toch de oeverstreken doorzocht hebben en dan zouden belanghebbenden wel tot het lagune-eilandje doorgedrongen zijn. Zij zouden toch wel door wien ook van het dienstpersoneel van Camdless Bay in kennis gesteld zijn van hetgeen voorgevallen was.Maar.... niets, niets duidde er op, dat een gevecht op de rivier plaats had gehad.Wat ook zonderling en opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat de Spanjaard zich nog geen enkelen keer, hetzij des nachts, hetzij over dag, in het fortje vertoond had. Zermah ten minste had, hoe wantrouwend hare blikken ook rondwaarden, niets bespeurd, wat haar tot een ander gevoelen kon brengen. Maar in weerwil daarvan sliep zij slechts weinige oogenblikken en in die lange uren van slapeloosheid spitste zij de ooren, maar steeds te vergeefs.Daarenboven, wat zou zij hebben kunnen doen, wanneer Texar in de Zwarte Kreek verschenen was en hij haar voor zich had doen brengen?Zou hij hare smeekingen verhoord hebben? Of zou hij acht geslagen hebben op hare bedreigingen?En zou de aanwezigheid van den Spanjaard niet meer te duchten zijn dan zijn afwezigheid?Nu zat Zermah in den avond van den 6denMaart voor de duizendste maal aan dit alles te denken. Het was ongeveer elf uren, en de kleine Dy was in een vrij gerusten slaap gedompeld. De kamer, die haar beiden tot cel diende, was in diepe duisternis gehuld. Geen enkel gerucht werd van buiten gehoord, tenzij men het zuchten der bries door de voegen der halfvergane planken-omwanding van het blokhuis daarvan zou willen uitzonderen.In dit oogenblik scheen het der mestische toe, dat in het binnengedeelte van het reduit geloopen werd. Zij onderstelde, dat het de Indiaan Squambo was, die, nadat hij rondom de omheinde omwalling zijne gewone ronde-wandeling afgelegd had, naar zijne slaapkamer ging, welke tegenover de hare gelegen was.Zermah vernam toen eenige woorden, die tusschen twee naderende personen gewisseld werden. Zij schreed zacht en onhoorbaar naar de deur en luisterde aandachtig. Het eerst herkende zij de stem van Squambo, daarna die van den Spanjaard Texar.Eene huivering overviel haar.Wat kwam die ellendeling op dit late uur in het fortje uitrichten? Gold het thans een nieuwen aanslag op de mestische vrouw en het kind? Zouden zij uit hun vertrek gesleurd worden om naar eene nog verder afgelegen schuilplaats vervoerd te worden, naar een oord dat nog meer ondoordringbaar was dan de Zwarte Kreek?Alle die onderstellingen vertoonden zich in een ondeelbaar oogenblik voor Zermah’s geest en dreigden haar tot wanhoop te brengen... Maar hare geestkracht keerde weldra terug en zou haar niet meer begeven. Zij leunde tegen den deurpost en luisterde aandachtig.»Is er niets nieuws?” vroeg Texar.»Niets, meester,” antwoordde Squambo.»In het geheel niets?”»Neen, niets.”»En... hoe verhoudt gij u tot Zermah?”»Tot Zermah? Wat bedoelt gij?”»Heeft zij niets gevraagd?”»Integendeel, zeer veel.”»En?...”»Ik heb natuurlijk geweigerd hare vragen te beantwoorden.”»Goed zoo.”Er ontstond eene stilte van weinige oogenblikken. Daarna vervolgde de Spanjaard zijne ondervraging:»Zijn er pogingen gedaan?”»Welke pogingen?”»Om sedert de gebeurtenissen op Camdless-Bay tot uwe gevangenen door te dringen?”»O, dat is dikwijls beproefd.”»En?”»Steeds zonder welslagen.”Zermah begreep, toen zij dat antwoord vernam, dat er nasporingen naar haar en naar de kleine Dy gedaan waren. Maar door wien? Dat wenschte zij te vernemen.»Hoe zijt gij dat te weten gekomen?” vervolgde Texar.»Wel, ik ben herhaalde malen tot aan den oever der Sint John doorgedrongen,” antwoordde de Indiaan. »En weinige dagen geleden bespeurde ik eene sloep, die in de nabijheid van de monding der Zwarte Kreek ronddoolde. Zelfs is het eens gebeurd...”»Wat?” viel Texar ongeduldig in.»Dat twee mannen ontscheepten op een der eilandjes in die monding.”»Wie waren het?”»Master James Burbank en master Walter Stannard.”Bij die woorden kon Zermah hare aandoening ternauwernood bedwingen. Zij hield hare beide handen vast op haar borst geklemd, als vreesde zij dat de beide mannen daar buiten het bonzend kloppen van haar hart zouden kunnen hooren. Het waren dus master James Burbank en master Walter Stannard, die daar in de nabijheid van de Zwarte Kreek gezien waren? De verdedigers van Castle House waren dus niet omgekomen bij den aanval op de plantage!En als zij met hunne nasporingen begonnen waren, dan was dat een onfeilbaar bewijs, dat zij met de ontvoering van het kind en de mestische bekend waren. En als zij daarmede bekend waren, dan kon het niet anders of mevrouw Burbank en miss Alice Stannard hadden het hun gezegd. Dus die twee dames hadden naar Castle House kunnen terugkeeren, nadat zij den laatsten kreet vernomen hadden, die door Zermah geslaakt was en waarmede zij om hulp tegen Texar geroepen had.Master James Burbank was dus op de hoogte van al het gebeurde. Hij wist den naam van den ellendeling, die zich aan al die misdaden had schuldig gemaakt. Misschien giste hij de plek, die tot gedwongen verblijf der slachtoffers aangewezen was? O, als dat het geval was, dan zou hij wel middelen weten uit te denken om tot haar te geraken! Dat kon niet missen! Dat was ontwijfelbaar!Die aaneenschakeling van feiten en gedachten vormde zich als het ware oogenblikkelijk in het brein van Zermah. Zij werd met eene onmetelijke hoop vervuld—eene hoop, die evenwel dadelijkin duigen viel, toen zij den Spanjaard en den Indiaan het gesprek volgenderwijze hoorde voortzetten.»Jawel, laten zij maar zoeken! Zij zullen niet vinden!” sprak Texar hoonend.»Misschien,” bracht Squambo bedachtzaam in het midden. »Het zou misschien voorzichtig zijn naar eene andere schuilplaats voor die vrouw en dat kind om te zien.”»Onnoodig,” antwoordde de Spanjaard.»Dunkt u dat?”»Ja, volkomen onnoodig; want over eenige dagen zal master James Burbank niet meer te vreezen zijn”»Zoo... dat is wat anders.”Wat beteekenden die woorden? De arme kleurlinge begreep ze niet. In ieder geval, in den mond van den man, die aan het hoofd der regeering van Jacksonville stond, behelsden zij eene schrikwekkende bedreiging. Dat viel inderdaad niet te ontkennen.»En nu Squambo,” zoo ging de Spanjaard voort, »heb ik uwe diensten noodig.”»Tot uwe bevelen, meester,” sprak de Indiaan.»Slechts gedurende een uur.”»Spreek, ik ben geheel tot uw dienst.”»Volg mij dan.”»Dadelijk.”Een oogenblik later hadden zij beiden hun intrek in de slaapkamer van den Indiaan genomen.Wat voerden zij daar uit? Behandelden zij daar een geheim, dat Zermah zou kunnen benutten? In haren toestand mocht zij inderdaad niets verwaarloozen of veronachtzamen, wat tot redding van de kleine Dy en van haar zelve kon strekken.De deur van de slaapkamer der kleurlinge werd, zooals men weet, nimmer op slot gesloten, zelfs niet des nachts. Die voorzorg zou dan ook geheel nutteloos moeten heeten, daar het reduit van het fortje behoorlijk afgesloten en gegrendeld kon worden, en Squambo den sleutel steeds bij zich droeg. En op Squambo kon Texar ten volle rekenen, dat wist hij.Het was dus feitelijk onmogelijk om buiten het fortje te geraken, en derhalve ook om eene ontvluchting te beproeven.Zermah kon dan ook de deur harer kamer open maken. Zij deed dat zoo stil mogelijk en trad daarna naar buiten, waarbij zij haren adem inhield, bevreesd als zij was om gehoord te worden.Dikke duisternis heerschte alom. Slechts eenige spaarzame lichtstralen schenen door de reten van de deur van het vertrek des Indiaans.Zermah naderde die deur en keek door een der voegen, die iets breeder uitgevallen was dan de anderen.Wat zij nu zag, kwam haar zoo zonderling voor, dat zij er de beteekenis onmogelijk van begreep.Hoewel het vertrek slechts verlicht werd door een eenig eindje kaars, dat van hars vervaardigd was en derhalve eene walmende vlam opleverde, die weinig helderheid verspreidde, was het toch voldoende voor den Indiaan, die met een zeer geheimzinnigen en kieskeurigen arbeid bezig was.Texar zat voor hem; hij had zijn lederen wambuis uitgetrokken en de linkermouw van zijn hemd opgestroopt, zoodat de arm bloot was. Dien arm hield hij uitgestrekt op eene kleine tafel, onmiddellijk onder de lichtstralen van de harskaars. Een papier van zonderlingen vorm en met kleine gaten doorprikt, lag op de binnenvlakte van den voorarm. Door middel van eene zeer fijne naald prikte Squambo in de huid door de gaatjes van dat papier. Het was eigenlijk eene tatoueerings-bewerking, welke de Indiaan uitvoerde, en in zijne hoedanigheid van stamgenoot der Seminolen moest hij daarin zeer behendig zijn.En inderdaad, hij volvoerde haar met zeer veel bedrevenheid en met zulke lichte hand, dat de buitenhuid alleen door de punt der naald aangetast werd, zonder dat de Spanjaard de minste smart ondervond.Toen die bewerking ten einde gebracht was, lichtte Squambo het papier op, greep toen een bosje bladeren van een plant, door Texar medegebracht, en wreef daarmede den voorarm van zijn meester in. Het sap dier plant geraakte daarbij in de wondjes, door de naaldenprikken veroorzaakt, en bracht eene hevige jeuking teweeg, hetgeen den Spanjaard betrekkelijk weinig deerde.Nadat de geheele bewerking geëindigd was, bracht Squambo het eindje kaars dicht bij het getatoueerde gedeelte. Een roodachtige teekening vertoonde zich toen op de huid van Texar’s voorarm. Die teekening was eene zuivere reproductie van die, welke door de naaldgaatjes op het papier gevormd werd. De overbrenging was met de grootste nauwkeurigheid geschied. Het waren reeksen van gestippelde lijnen die elkander kruisten en een der symbolieke figuren daarstelde van de geloofsbelijdenis der Seminolen.Dat merk was onuitwischbaar op den arm gegrift, waarop Squambo het zoo nauwkeurig mogelijk getatoueerd had.Zermah had dat alles gezien, maar, zooals reeds gezegd werd, zonder er iets van te begrijpen.Welk belang had de Spanjaard Texar er bij, met dat tatoueerwerk versierd te worden? Waartoe dat »merkbare teeken”, om de taal der signalementen op de paspoorten getrouw te blijven? Wilde hij dan voor een Indiaan doorgaan? Dat zoude noch de tint zijner huid, noch zijne persoonlijke geaardheid gedoogen. Moest men dusniet een soort van verband tusschen dit teeken zien en dat hetwelk onlangs op die Floridasche reizigers, die in handen van Seminolen-Indianen in het noorden van het graafschap gevallen waren, toegepast was? En wilde Texar door dat middel weer de mogelijkheid te voorschijn roepen, om andermaal een dier onverklaarbare alibi’s te kunnen inroepen, waarvan hij tot nu toe met zooveel welslagen partij getrokken had?Inderdaad was dit wellicht weer een zijner streken. De toekomst zal dat wel uitmaken.Een ander vraagstuk deed zich toen in het brein van Zermah voor.Zou de Spanjaard thans met geen ander doel op het lagune-eilandje en in het fortje gekomen zijn, dan om de behendigheid van Squambo in zake tatoueering op de proef te stellen? Zou hij, nu de bewerking afgeloopen was en het geheimzinnige teeken prachtig op zijn arm gegrift stond, de Zwarte Kreek verlaten om naar noordelijk Florida en naar Jacksonville, waar zijne partijgangers nog den baas speelden, terug te keeren?Of zou hij niet eerder voornemens zijn in het fortje te blijven totdat de dag zou zijn aangebroken, en van de gelegenheid gebruik maken om de kleurlinge voor zich te doen verschijnen en omtrent zijne gevangenen de een of andere nieuwe beslissing te nemen?Hieromtrent werd Zermah spoedig genoeg gerustgesteld.De Spanjaard stond van zijn zetel op en naderde de deur, om het reduit te verlaten. De mestische vloog naar hare kamer terug, en kon die gelukkig nog ongemerkt bereiken. Daar stond zij tegen de in haast gesloten deur geleund en hoorde de ettelijke volzinnen, die toen nog tusschen den Indiaan en zijn meester gewisseld werden.»Waak met nog meer zorg dan vroeger,” zei Texar.»Daar kunt gij staat op maken.”»Ik kan u dat niet genoeg inprenten.”»Wees gerust, op mij kunt gij u verlaten,” antwoordde Squambo. »Maar wanneer...”»Wat wilt gij zeggen?”»Wanneer master James Burbank de Zwarte Kreek ontdekt?”...»Die zal hij toch wel kennen, dunkt me.”»Maar, wanneer hij het verblijf hier van het kind en de kleurlinge in den neus krijgt?”...»Dat zal hij niet.”»Maar het zou toch kunnen.”»Hebt gij dan reeds vergeten, wat ik straks zeide, Squambo.”»Wat was dat, meester?”»Luister. Ik zeide, dat James Burbank over eenige dagen niet meer te vreezen zal zijn.”»Is dat wel zoo zeker?” vroeg de Indiaan.»Zeer zeker. Daarenboven, als het zoo ver mocht komen, dan weet ge waarheen gij het kind en de mestische moet brengen.”»Jawel, dat weet ik.”»Welnu, volbreng dan stipt mijne orders... ik zal mij dan daar bij u vervoegen.”»Ja, meester.”»Maar, waarom doet gij al die vragen? Gij schijnt angstvallig.”»Men kan nooit weten; het geval kon zich voordoen, dat Gilbert, de zoon van master James Burbank, dat Mars, de echtgenoot van Zermah...”»Wees toch gerust!”»Ja maar...”»Eer wij tweemaal vier en twintig uren verder in het leven zijn, zijn ook die in mijne macht,” antwoordde Texar. »En als ik ze in handen zal hebben, dan...”De beide mannen waren aan het einde van de gang, waarop de kamer van Zermah uitkwam. Zij kon het einde van dien volzin niet meer hooren, die zoo dreigend voor haren echtgenoot en ook voor Gilbert Burbank, den zoon van haren meester, was.Texar en Squambo verlieten toen het fortje, waarna de poort achter hen gesloten werd.Weinige oogenblikken later verliet de squif, door den Indiaan bestuurd, het eilandje en stevende door de sombere kronkelingen van de uitgestrekte lagune. Daar buiten gekomen, ontmoetten zij een vaartuig, dat in de monding der Zwarte Kreek, evenwel op stroom der Sint John, den Spanjaard lag te wachten.Daar scheidden de beide booswichten van elkander, nadat de een zijne aanbevelingen den ander nog eens herhaald had. Daarna stevende Texar, door den ebstroom snellijk voortgestuwd, in de richting van Jacksonville.Hij kwam daar bij het krieken van den dag aan en juist bijtijds, om zijne verfoeielijke plannen ten uitvoer te leggen.Inderdaad, weinige dagen later was Mars in de diepte der Sint John verdwenen en was Gilbert Burbank als verrader ter dood veroordeeld.Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz. 22.)Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz.22.)

Tweede gedeelte.I.Na de ontvoering.»Texar!”...Ja, Texar! dat was wel degelijk de verafschuwde naam, die door Zermah in den nacht uitgekreten was, juist op het oogenblik toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard op den oever derMarino-Kreekaankwamen.Het jonge meisje had daarenboven den ellendigen Spanjaard herkend, zoodat niet kon in twijfel getrokken worden, dat hij de bewerker der ontvoering van de kleine Dy en van de mestische vrouw Zermah was, ja, dat hij de uitvoerder van die schandelijke daad was.En inderdaad, Texar was de schuldige. Hij was bij zijn boevenstuk door een half dozijn kerels geholpen geworden, die aan hem met lijf en ziel verknocht waren en bij alle door hem gepleegde misdaden zijne medeplichtigen waren.De Spanjaard had reeds sedert lang dien tocht voorbereid, die de verwoesting van de plantage Camdless-Bay, de plundering van het heerenhuis Castle House, den financiëelen ondergang van de familie Burbank, en de gevangenneming of den dood van het hoofd van dat gezin moest tengevolge hebben.Met dat doel had hij zijne roofzieke benden over de plantage losgelaten! Hij had zich toen evenwel niet aan hun hoofd gesteld, maar de leiding van dien troep aan den meest woesten kerel zijner partijgangers opgedragen. Hierdoor wordt het verklaarbaar, dat John Bruce, de agent van masterHarvey, die zich bij den aanvallenden troep gevoegd had, aan James Burbank had kunnen verzekeren, dat Texar daarbij niet aanwezig was.Om hem te ontmoeten, zou men naar de Marino-Kreek hebben moeten gaan, die door middel van een tunnel, zooals de lezer weet, met Castle-House in gemeenschap stond. Voor het geval dat het heerenhuishet beleg niet langer zoude kunnen uithouden, zouden de verdedigers trachten langs dien tunnel den terugtocht aan te nemen, om aan hunne vijanden te ontkomen.Texar was met het bestaan van dien tunnel bekend. Hij was dan ook te Jacksonville in een vaartuig gestegen en had, terwijl Squambo, vergezeld van twee slaven in eene andere boot gezeten, zich bij hem gevoegd had, post gevat in de Marino-Kreek, ten einde de vlucht van master James Burbank te bespieden.En werkelijk, hij had zich niet vergist. Dat bespeurde hij dadelijk, toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag. De negers, die de wacht in dat vaartuigje hielden, werden overvallen en afgemaakt. Daarna viel er niets anders te doen dan te wachten. Weldra verscheen Zermah, die het kleine meisje bij zich had. Toen de mestische begon te schreeuwen en te gillen, vreesde de Spanjaard, dat men haar te hulp zoude komen. Hij greep haar en leverde haar aan Squambo over. Toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard een oogenblik later verschenen, bevond Zermah zich reeds in het vaartuig van den Indiaan op het midden der rivier.De lezer weet het overige.Intusschen had Texar, na de voltooide ontvoering van die vrouw en dat kind, het niet noodig geacht zich bij Squambo te vervoegen. Die man, die hem met lijf en ziel toegedaan was, wist naar welke onnaspeurlijke schuilplaats hij Zermah en de kleine Dy moest brengen. Toen dan ook de drie kanonschoten de aanvallers, juist op het oogenblik dat zij Castle-House zouden binnendringen, naar Jacksonville terugriepen, was de Spanjaard plotseling verdwenen en had hij zich uit de voeten gemaakt, door de Sint John in schuine richting over te steken.Waar was hij heengegaan?Dat wist niemand te zeggen. Zooveel was zeker dat hij gedurende den nacht van den 3denop den 4denMaart niet naar Jacksonville teruggekeerd was. Men zag hem daar eerst vier en twintig uren later. Wat voerde hij gedurende die onverklaarbare afwezigheid uit? Dat kan door niemand verklaard worden. Toch mocht aangenomen worden, dat die afwezigheid, wanneer hij als de hoofdschuldige of medeplichtige aan de ontvoering van de kleine Dy en van Zermah aangeklaagd mocht worden, hoogst verdacht moest voorkomen. Het samenvallen van zijne verdwijning met die ontvoering zou zeer zeker in zijn nadeel uitgelegd worden.Maar hoe het ook zij, hij keerde eerst in den ochtend van den 5dennaar Jacksonville terug, om er de leiding op zich te nemen en de noodige maatregelen te treffen voor de verdediging der stad en van den Staat tegen de Noordelijken.De lezer heeft reeds vernomen, dat hij tijdig genoeg wederkeerde om eene hinderlaag voor Gilbert Burbank open te stellen en om het voorzitterschap der rechtbank op zich te nemen, die gereed stond den jeugdigen officier ter dood te veroordeelen.Wat zeker was, dat is dat Texar zich niet in de sloep van den Indiaan Squambo bevond, toen dit vaartuig door den opkomenden vloed, in het donkere van den nacht naar het bovengedeelte der rivier ten noorden van Camdless-Bay voortgedreven werd.Zermah, die eindelijk ingezien had, dat hare kreten en haar gegil niet meer op de beide oevers der Sint John gehoord konden worden, was er toe overgegaan te zwijgen. Zij zat in het achtergedeelte der sloep en hield de kleine Dy in hare armen gesloten.Het verschrikte kleine meisje had geen enkelen kreet, geen enkele klacht laten ontsnappen. Zij sloot zich vast tegen de borst van de kleurlinge aan en poogde zich tusschen de plooien van het manteltje van de wakkere vrouw te verbergen. Slechts eens of twee malen hadden hare lippen eenige woorden gepreveld:»Mama!... Mama!... O, goede Zermah!... Ik ben zoo bang!...”En een oogenblik later herhaalde zij:»O, Zermah!... Ik ben zoo bang... Waar is mama?... Ik wil naar mama terug!”»Ja... lieve!” antwoordde de kleurlinge. »Wij gaan naar mama terug!... Wees niet ongerust...”»O, ik ben zoo bang!...”»Neen, niet bang zijn!... Ik ben bij je!...”In ditzelfde oogenblik liep mevrouw Burbank, schier waanzinnig van schrik en angst, langs den rechter oever der rivier en poogde het vaartuig te volgen, dat haar kind naar de overzijde voerde.De duisternis was toen groot. De vlammen der verschillende woningen en keten, die op de plantage in brand gestoken waren, begonnen uit te dooven, evenals het geknetter van het geweervuur begon te zwijgen. Uit de veelvuldige rookzuilen, die onder den aandrang van den zuidenwind naar het noorden ombogen, flikkerden nog van tijd tot tijd vlammen op, die dan weer uitdoofden, maar op de oppervlakte van den stroom eene schittering veroorzaakten als van verschietende bliksemstralen.Toen werd alles stil en somber.Het vaartuig volgde den stroomdraad van de rivier en hield zich in het midden daarvan, zoodat van de beide oevers niets te ontwaren was. Het was alsof die sloep zich in volle zee bevond, zoo eenzaam was zij.Naar welke kreek stevende dat vaartuig, welks roer door Squambo gestuurd werd?Dat wenschte Zermah bovenal te weten. Zij begreep dat het ondervragen van den Indiaan tot niets zou leiden. Zij zocht zich dus te oriënteeren, hetgeen in die dikke duisternis waarlijk niet gemakkelijk was, vooral zoolang Squambo het midden der rivier bleef houden. De vloed kwam met kracht op; daarenboven pagaaiden de twee negerslaven met alle kracht, zoodat men zoo snel mogelijk in zuidelijke richting voortstevende.Het ware toch uiterst nuttig en raadzaam geweest, indien Zermah een spoor van haren voorbijtocht achterliet, om de nasporingen van haren meester te vergemakkelijken. Dat begreep de goede vrouw. Ware zij aan wal geweest, dan zou een lap van haar manteltje, aan de takken van een struik vastgehecht, als eerste merkteeken hebben kunnen dienen om de verkenners op het spoor te brengen, die dat, eenmaal behoorlijk waargenomen, niet meer zouden hebben laten glippen. Maar op die rivier was zoo iets onmogelijk. Waartoe zou het dienen, dat het een of andere voorwerp, aan haar of aan het jonge meisje toebehoorende, aan den stroomdraad overgeleverd zoude worden? Zou de hoop werkelijk gekoesterd kunnen worden, dat het in handen van master James Burbank zou geraken? Neen, daaraan viel niet te denken. Op die hoop mocht niet gebouwd worden. En als een gevolg daarvan moest de arme mestische er zich toe bepalen om te trachten te herkennen op welk punt der oevers van de Sint John de sloep zou landen.Zoo verliep onder de gegeven omstandigheden een uur.Squambo had geen enkel woord gesproken. De beide negerslaven pagaaiden krachtig maar stilzwijgend. Geen enkel licht werd op de oevers waargenomen, noch in de huizen, noch onder de dichte loofkruinen van het hooge geboomte, welks sombere massa zich in het donker in een nevelvorm liet ontwaren.Terwijl Zermah rechts en links uitkeek en steeds gereed was, om iedere aanwijzing hoe gering ook te benutten, dacht zij slechts aan de gevaren, welke het kleine meisje liep, dat met haar ontvoerd was. De gevaren, die haar zelf bedreigden, telde zij niet; daaraan dacht zij zelfs niet. Hare vrees betrof slechts dat kind. Op dat dierbare hoofd verzamelden zich alle hare angsten.Het was wel degelijk Texar, die de ontvoering had doen ten uitvoer leggen. Dienaangaande was geen twijfel mogelijk. Zij had den Spanjaard zeer goed herkend, toen hij daar bij de Marino-Kreek de wacht hield, hetzij met het doel om langs den tunnel binnen Castle House te dringen, hetzij dat hij daar de verdedigers van het heerenhuis opwachtte, wanneer die door dien uitgang zouden pogen te ontsnappen.Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz. 2).Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz.2).Wanneer Texar niet zoo overijld was te werk gegaan, zouden mevrouw Burbank en miss Alice Stannard zich nu, evenals dekleine Dy en Zermah, in zijne macht bevinden. Dat hij zich niet aan het hoofd der militie-troepen en de bende plunderaars gesteld had, had zijne redenen daarin gevonden, dat hij er zeker van was de familie Burbank bij de Marino-Kreek des te gevoeliger te kunnen treffen. Wij hebben gezien, dat hij goed geraden had.Maar in ieder geval zou Texar niet kunnen loochenen, dat hij direct medeplichtig was aan de ontvoering van het kleine meisje en van de mestische vrouw. Later, wanneer het uur der gerechtigheid zoude gekomen zijn, wanneer de Spanjaard voor zijne misdaden ter verantwoording zoude geroepen worden, dan zou hem de uitvlucht niet kunnen baten, om een van die onverklaarbare alibi’s te kunnen inroepen, die hem tot heden zoo uitstekend gelukt waren.Maar welk lot dacht hij thans zijne twee slachtoffers toe?Kon hij ze in de moerassige streken van de Everglades, ver voorbij de bronnen van de Sint John verbergen?Kon hij zich van Zermah ontdoen als van eene lastige en gevaarlijke getuige, welker verklaring hem den een of anderen dag zoude kunnen vernietigen?Die vragen stelde zich de mestische vrouw. Zij zou gaarne haar leven ten offer gebracht hebben, om het kind te redden, dat met haar ontvoerd werd. Maar wanneer zij dood zoude zijn, wat zou er dan van de kleine Dy in de handen van Texar en zijne booswichten terecht komen? Die gedachte martelde haar en dan klemde zij het kleine meisje vaster aan hare borst, alsof Squambo het voornemen reeds aan den dag zoude gelegd hebben om haar het kind te ontrukken.Terwijl zij zoo in hare gedachten verdiept was, meende Zermah eindelijk te bemerken, dat het vaartuig den linker oever van de rivier naderde. Zou haar dat tot aanwijzing kunnen strekken? Neen, want zij wist niet, dat de Spanjaard zijne woning in het binnenste gedeelte van de Zwarte Kreek, op een der talrijke eilanden van die schier onbekende lagune, opgeslagen had. Dat wisten de partijgangers van Texar zelfs niet, daar niemand ooit in het blokhuis, dat hij met Squambo en zijne negerslaven bewoonde, toegelaten werd.Daar inderdaad bracht de Indiaan de kleine Dy en Zermah onder dak. Daar, te midden van de ondoordringbare struiken van die streek, overdekt met eene machtige moerassige tropische plantenwereld, zouden zij aan iedere nasporing onttrokken zijn. De kreek zelve was als het ware ondoordringbaar te noemen voor hem die er de richting van de doorvaarten en de ligging der eilandjes niet van kende. Zij bood schuilplaatsen bij duizenden aan, waar de ontvoerde gevangenen zoo goed en wel verborgen konden worden, dat het onmogelijk zoude zijn haar op het spoor te komen. Voor het geval dat master James Burbank zou pogen dit woeste en ondoordringbarestruikgewas te doorzoeken, waren maatregelen getroffen, om de mestische vrouw en het kleine meisje naar het zuidelijk gedeelte van het Floridasche schiereiland te vervoeren. Dan zou alle kans verkeken zijn om haar weer te vinden te midden van die uitgestrekte wildernissen, die door de Europeesche pionniers hoogst zelden bezocht worden, en waar slechts enkele benden Indianen aangetroffen worden, die daar niet wonen, maar de ongezonde vlakten slechts doortrekken.De vijf en veertig mijlen, die den afstand uitmaakten tusschen Camdless-Bay en de Zwarte Kreek, waren vrij spoedig afgelegd. Het was omstreeks elf uren, toen het vaartuig den elleboog passeerde, dien de Sint John op tweehonderd yards afstand benedenstrooms vormde. Er bleef niets anders te doen over dan de monding der haftvorming te verkennen. Dat was eene zeer moeielijke verrichting te midden van de dikke duisternis, welke den linker oever van den stroom omgaf. Hoe bekend hij ook al met deze streken was, aarzelde Squambo dan ook, toen hij het roer te boord moest leggen, om dwars door den snellen stroomdraad te kunnen stevenen. Het besturen van de sloep zou voorzeker eene meer gemakkelijke verrichting geweest zijn, wanneer het vaartuig den oever had kunnen volgen, welke door eene menigte kleine kreken, baaien, inhammen en haften, welke allen met hooge biezen begroeid of dicht met waterplanten overdekt waren, diep ingesneden was. Maar de Indiaan vreesde op ondiepten verzeild te raken. Daar nu het doorkomen van den vloed ten einde spoedde en de eb het water van de Sint John met bekwamen spoed naar de riviermonding zoude voeren, zou een vastraken in die modderige streken, hem in verlegenheid kunnen brengen. Hij zou dan moeten wachten tot het doorkomen van den volgenden vloed, dat vrij wel gelijk zou staan met eene vertraging van elf uren ongeveer. Hoe zou hij dan beletten kunnen om ontdekt te worden, wanneer het dag werd. Gewoonlijk doorkliefden talrijke vaartuigen met hunne stevens de oppervlakte der rivier. De tegenwoordige staat van zaken en de mogelijke gebeurtenissen, die verwacht werden, noodzaakten tot eene onafgebrokene briefwisseling tusschen Jacksonville en de havenstad Sint Augustijn. Daarenboven, wanneer de bewoners van Castle House niet bij den aanval op het heerenhuis omgekomen waren, zouden zij met de familie Burbank reeds den volgenden dag alles in het werk stellen, om de nasporingen met alle kracht te beginnen en met den meesten ijver door te zetten. Dan zou Squambo, aan den voet van den oever in de modder vastzittende, niet aan de vervolging kunnen ontsnappen, waaraan hij bloot zoude staan. De toestand kon dan zeer gevaarlijk geacht worden.Ten gevolge van al die overdenkingen verkoos de Indiaan in hetdiepe vaarwater te blijven en den oever van de Sint John te mijden. Zelfs was hij besloten om in den vollen stroom ten anker te gaan, wanneer dat noodig mocht worden. Dan zou hij bij het aanbreken van den dag, de toegangen van de Zwarte Kreek verkennen, en eenmaal daarbinnen aangeland, zou hij van eene vervolging niets meer te duchten hebben.Het vaartuig ging inmiddels voort om met behulp van den vloed de rivier opwaarts te stevenen. Te rekenen naar den verloopen tijd, schatte Squambo, dat hij nog niet ter hoogte van de Lagune-monding gekomen was. Hij voer dus verder door, totdat een verwijderd gerucht zijn oor trof.Dat was een dof geraas van het klepperen van een raderschip, dat zich langs de oppervlakte der rivier voortplantte en daardoor al duidelijker en duidelijker vernomen werd. Bijna ter zelfder tijd verscheen bij een hoek, die door den linker oever der rivier gevormd werd, eene in beweging zijnde massa.Het was eene stoomboot die langzaam en slechts halfwerk voortstoomde, welke het witte licht van haar seinlantaarn vertoonde. In minder dan eene minuut zou zij de sloep bereikt hebben en die met geweld aanvaren, hetgeen groote ongelukken kon ten gevolge hebben.Met een gebaar beval Squambo den negerslaven, met pagaaien op te houden. Tegelijkertijd bracht hij den helmstok van het roer naar het andere sloepsboord over en stak naar den rechter oever, zoowel om niet door de stoomboot overvaren, alsook door hare passagiers en opvarenden niet gezien te worden.Maar de sloep was door de wachthebbenden van de boot gezien geworden. Zij werd gepraaid met bevel om aan boord te komen.Squambo stiet een vervaarlijken vloek uit. Maar de onmogelijkheid inziende om door de vlucht aan de uitnoodiging, die in bevelenden toon tot hem gericht was, te ontkomen, moest hij gehoorzamen.Een oogenblik later schoot de sloep langs zijde en legde aan bij de rechter valreeptrap van de stoomboot, die middelerwijl om haar in te wachten gestopt had.Zermah stond toen van hare zitplaats op. In de zich voordoende omstandigheden, meende zij eene kans tot redding te bespeuren. Zou zij niet kunnen schreeuwen? Zou zij zich niet kunnen bekend maken? Zou zij geen hulp kunnen inroepen en zoodoende aan dien Squambo ontkomen?De Indiaan sprong ook op en stelde zich naast hare zijde. Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife; met de andere had hij het kleine meisje gegrepen, dat Zermah hem met alle kracht maar tevergeefs trachtte te ontrukken.Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz. 8).Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz.8).»Een enkele kreet, en ik steek haar dood!” zei hij met gedempte stem.Wanneer het slechts het offer van haar leven gegolden had, dan zou Zermah geen oogenblik geaarzeld hebben; maar daar dit noodlottige mes van den Indiaan het kind bedreigde, zweeg zij.Van het dek der stoomboot kon men onmogelijk ontwaren, wat in de sloep omging.De boot kwam van Piccolata, waar zij een detachement militie-troepen aan boord had genomen, om dat naar Jacksonville over te varen, ten einde het garnizoen van de bezettingstroepen der zuidelijken aldaar te versterken, wien opgedragen was de rivierverdediging te voeren.Een scheepsofficier boog zich over de leuning der brug en praaide den Indiaan.Ziehier de woorden, die tusschen hen gewisseld werden:»Ohoi!”»Ohoi!” antwoordde Squambo, na eene lichte aarzeling.»Waar gaat gij heen?”»Waar ik heen ga?”»Ja!”»Ik ga naar Piccolata.”Zermah onthield dien naam, hoewel zij bij zich zelve overlegde dat de Indiaan Squambo in de gegeven omstandigheden het grootste belang er bij had, zijne ware bestemming verborgen te houden.»Van waar komt gij?”vervolgde de scheepsofficier zijne ondervraging.»Van de noordelijke graafschappen.”»Maar van welke plaats vertrokt ge het laatst?”»Van Jacksonville.”»Is daar nieuws?”»Neen.”»Hoegenaamd niets?”»Neen, niets.”»En van den kant van het smaldeel van den Commodore Dupont?”»Niets.”»En van de kanonneerbooten van den commandant Stevens?”»Niets. Die liggen nog altijd buiten de bank voor hunne ankers te rijden.”»Zijn er sedert den aanval op de havenplaats Fernandina en van het fort Clinch geen nadere tijdingen ingekomen?”»Neen.”»En is geen enkele kanonneerboot er in geslaagd de bank te overschrijden en in het vaarwater van de Sint John te geraken?”»Geen enkele.”»Vanwaar komen die schitteringen, welke wij bij wijlen waargenomen hebben, en die losbrandingen, welke wij in noordelijke richting gehoord hebben, terwijl wij voor anker lagen, in afwachting dat de vloed zoude doorkomen?”»O, gedurende den nacht heeft een aanval op de plantage van Camdless Bay plaats gehad.”»Een aanval op Camdless Bay?”»Ja.”»Door wie? Door de Noordelijken?”»Neen, door de militie-troepen van Jacksonville.”»Wat was daarvan de reden?”»De eigenaar weerstreefde de bevelen van het bestuur.”»De eigenaar?”»Ja, de eigenaar.”»Is dat niet master James Burbank?”»Juist.”»Een noordelijkgezinde?”»Juist. Een doldriftige voorvechter voor de afschaffing der slavernij!”»Jawel. Nu begrijp ik het. En wat is de uitslag van dien aanval geweest?”»Dat weet ik niet.”»Weet gij dat niet?”»Neen, ik ben daar slechts voorbijgestevend, zonder aan wal te gaan... Het was toen alsof men alles in brand gestoken had.”»Zoo.”In dit oogenblik ontsnapte een kreet van schrik aan het kleine meisje.... Zermah legde haar eene hand op den mond, juist toen de vingers van den Indiaan den hals van het kind zochten om het te wurgen.De scheepsofficier, die steeds op de brug der stoomboot stond, had niets gehoord en kon niets zien.»Is Camdless Bay met geschutvuur aangevallen geworden?” vroeg hij verder.»Dat geloof ik niet.”»Wat beduidden dan die drie kanonschoten, die wij duidelijk vernomen hebben en die van den kant van Jacksonville schenen te komen?”»Kanonschoten?”»Ja, drie kanonschoten.”»Ik weet het niet. Ik heb ze niet gehoord.”»Niet?”»Neen.”»Dus de Sint John is nog vrij?”»Ja.”»Vrij van Piccolata af tot aan hare monding?”»Geheel vrij en gij kunt de rivier gerust afzakken. Gij zult geen der kanonneerbooten van de Noordelijken ontmoeten.”»Goed.”»Kan ik afhouden?”»Ja, gij zijt vrij. Houdt af!”En van de brug klonk reeds het bevel:»Vooruit. Half werk!”Toen Squambo de hand verhief, ten teeken dat hij nog iets wilde vragen, riep de officier:»Stoppen!”De raderen, die slechts langzaam in beweging geraakt waren, stonden dadelijk stil.»Mag ik om eene inlichting verzoeken?” vroeg de Indiaan.»Spreek. Welke?”»De nacht is donker,” begon Squambo.»Dat is zoo... Verder?”»Ik ben het spoor bijster... Ik herken de omstreken niet meer... Kunt gij mij zeggen waar ik ben?”»Ter hoogte van de Zwarte Kreek.”»Dank u.”»Geen dank,” antwoordde de scheepsofficier.Squambo liet den valreep los, terwijl hij de sloep met kracht afduwde. Toen het vaartuigje zich op weinige vademen verwijderd had, klonk andermaal het kommando naar de machinekamer:»Vooruit!... Half werk!”De schoepen der raderen sloegen de oppervlakte der rivier tot schuim, en weldra was de stoomboot in het donker verdwenen, terwijl zij een breed zog van heftig opgezweepte golven achter zich liet.Toen Squambo ontwaarde, dat hij zich weer alleen op de rivier bevond en geen enkel vaartuig in de nabijheid was, zette hij zich weer op de achterplecht neder en gaf de negerslaven bevel te pagaaien. Hij kende thans zijne stelling, loerde dientengevolge over stuurboord en stevende op de oever-insnijding aan, die toegang tot de Zwarte Kreek verleende.Dat de Indiaan in die streek, welke zoo woest was en waartoe de toegang zoo moeielijk te vinden was, een toegang zoude zoeken, was voor Zermah boven iederen twijfel verheven. Wat hierbij het ergste evenwel mocht heeten, was, dat haar die wetenschap bitter weinig baatte.Want, hoe zou zij haren meester daarvan kennis doen dragen, en hoe zou deze, al ware hij ook met die omstandigheid bekend, de nasporingen in dit ondoordringbaar doolhof kunnen leiden?Boden daarenboven buiten en aan de andere zijde van de kreek de maagdelijke wouden van het graafschap Duval niet alle gelegenheid aan om iedere nasporing te ontgaan, voor het geval dat master James Burbank en de zijnen er in slagen mochten door de lagune te worstelen? Dit westelijke gedeelte van den Staat Florida moest toch nog aangemerkt worden als een woest en onbekend land, waarin het feitelijk onmogelijk was, een spoor te kunnen volgen.Bovendien zou het niet voorzichtig genoemd kunnen worden zich in die streek te wagen. De Seminolen-Indianen dwaalden toch in de bosschen en in de moerassen rond, en die wilden waren inderdaad zeer te duchten.Volgaarne plunderden zij de reizigers uit, die hen in handen gesteld werden, en zij maakten er geene gewetenszaak van, hen eenvoudig en zonder vorm van proces te vermoorden, wanneer zij zich poogden te weer te stellen.Een hoogst ernstige gebeurtenis had zich nog niet lang geleden in het bovengedeelte van het graafschap, niet ver en ten noordwesten van Jacksonville, voorgedaan, en daarover was lang gesproken geworden.Ziehier wat er gebeurd was:Een twaalftal Europeesche bewoners van Florida, die zich naar de kusten langs de Golf van Mexico wilden begeven, waren door een troep Indianen, behoorende tot den stam der Seminolen, overvallen geworden. Dat zij niet allen tot den laatsten man gedood werden, vond alleen daarin zijn oorzaak, dat zij hoegenaamd geen weerstand geboden hadden. Datwastrouwens volmaakt nutteloos geweest, daar zij een tegen tien gestaan hadden.Die blanke reizigers werden derhalve op de meest nauwkeurige wijze aan den lijve onderzocht en van alles beroofd, wat zij bezaten, zelfs hunne kleederen. Maar nog meer, onder bedreiging van bij niet opvolging vermoord te zullen worden, werd hen bevolen, nimmermeer in die streken te verschijnen, waarvan de Indianen het grondbezit, met uitsluiting van iedere andere natie, voor zich opeischten.En om hen te kunnen herkennen, wanneer zij het in het hoofd mochten krijgen aan dat bevel ongehoorzaam te zijn, bezigde het opperhoofd dier Indianen een eenvoudig middel. Hij liet hun een bijzonder teeken op den arm tatoueeren. Dat geschiedde op de navolgende wijze: met eene fijne naald werden wondjes in de huid geprikt, die naast elkander den vorm van het gewilde teeken vertoonden. Die wondjes werden met heet water gewasschen, om een overvloedige verbloeding te veroorzaken, waarna zij met het scherpe sap eener kleurafgevende plant werden ingewreven, waardoor het werk onuitwischbaar werd.Die Floridasche reizigers, die zich overigens over geene mishandelingen te beklagen hadden, werden daarna naar hunne woonplaatsen teruggezonden. Zij kwamen daar op de plantages der noordelijke graafschappen van den Staat in vrij berooiden toestand aan, gemerkt als zooveel stuks vee met het wapen van den Indiaanschen stam, en toonden, zooals wel te begrijpen is, zeer weinig lust om andermaal dien Seminool-Indianen in handen te vallen, die hen alsdan zonder het minste mededoogen zouden vermoorden, al ware het maar om hunne handteekening, door dat merk vertegenwoordigd, gestand te doen.In ieder ander tijdperk zouden de militie-troepen van het graafschap Duval een zoodanigen misdadigen aanslag niet ongestraft hebben gelaten. Zij zouden onmiddellijk uitgetrokken zijn, om de Indianen te vervolgen en te tuchtigen. Maar in het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, was er wel wat anders te verrichten, dan een krijgstocht tegen die zwervende volksstammen te ondernemen.De vrees, dat het land door de federale troepen bezet zoude worden, overheerschte alles. Het grootste belang werd er in gesteld dat deze zich niet meester maakten van de mondingen van de Sint John en zoo het stroomgebied in hunne macht kregen. En nu kon men niets van de krijgsmacht der Zuidelijken, die van Jacksonville af tot aan de grens van den Staat Georgië opgesteld was, afnemen, om elders Indianen te gaan tuchtigen.Later zou tijd genoeg gevonden worden, om tegenover dien Seminolen-stam op te treden, die thans ten gevolge van den burgeroorlog stoutmoedigheid genoeg aan den dag legden, om het grondgebied in het noorden van Florida, vanwaar men ze voor altijd verjaagd dacht, onveilig te maken.Men zou zich dan niet vergenoegen hen terug te dringen naar de moerassen derEverglades-streek; maar men zou dan pogen hen tot den laatsten man uit te roeien.Maar intusschen was het zeer gevaarlijk, zich op het terrein, gelegen in het westen van Florida, te wagen; en wanneer master James Burbank zijne nasporingen ooit naar dien kant uitstrekte, dan zou dat een nieuw gevaar zijn, hetwelk de reeds zoovele zoude vermeerderen, door eene zoodanige expeditie teweeggebracht.Zoodanig was de gedachtengang van Squambo, terwijl hij de kleine Dy en Zermah ontvoerde.Intusschen had het vaartuig den linker oever bereikt, en nu de Indiaan wist, dat hij zich ter hoogte van de Zwarte Kreek bevond, die toegang aan de wateren van de Sint John, in de uitgestrekte lagune-vorming verleent, zoo vreesde hij niet meer met zijne sloep op de eene of andere ondiepte te geraken.Vijf minuten later gleed het vaartuig onder het sombere gewelfvan de boomkruinen, te midden eener duisternis, die nog zwarter was dan de oppervlakte van de rivier.Hoe gewoon Squambo ook was te varen, te midden van dit doolhof van kanalen tot deze lagune behoorende, zoo zou hij er thans evenwel van hebben moeten afzien, zoo donker was het. Maar daar hij van buiten af niet meer bespeurd kon worden, was de reden vervallen, waarom hij zijn pad niet zou verlichten. Hij hakte een harsachtigen tak van een boom op den oever af, ontstak dien en plaatste hem op de voorplecht van de sloep. Die walmende vlam was voor het geoefende oog van den Indiaan voldoende, om de verschillende doorvaarten te kunnen verkennen.Zoo werd gedurende ruim een half uur voortgestevend en volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek, totdat het eindelijk het eilandje bereikte, waarop zich het blokhuis verhief.Zermah moest toen aan wal stappen. Het kleine meisje, door vermoeienis uitgeput, was in de armen van de kleurlinge in slaap gevallen. De kleine Dy ontwaakte zelfs niet, toen Zermah de poterne van het fortje doorstapte, ook niet, toen zij in eene kamer, die aan het centraal reduit grensde, opgesloten werd.Het kleine meisje werd in een deken gewikkeld, die in een hoek van het vertrek lag, en daarna op een hoop stroo neergelegd, die tot bed voor beiden moest dienen. Zermah zou evenwel niet slapen; zij zou bij hare lieveling waken.

»Texar!”...

Ja, Texar! dat was wel degelijk de verafschuwde naam, die door Zermah in den nacht uitgekreten was, juist op het oogenblik toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard op den oever derMarino-Kreekaankwamen.

Het jonge meisje had daarenboven den ellendigen Spanjaard herkend, zoodat niet kon in twijfel getrokken worden, dat hij de bewerker der ontvoering van de kleine Dy en van de mestische vrouw Zermah was, ja, dat hij de uitvoerder van die schandelijke daad was.

En inderdaad, Texar was de schuldige. Hij was bij zijn boevenstuk door een half dozijn kerels geholpen geworden, die aan hem met lijf en ziel verknocht waren en bij alle door hem gepleegde misdaden zijne medeplichtigen waren.

De Spanjaard had reeds sedert lang dien tocht voorbereid, die de verwoesting van de plantage Camdless-Bay, de plundering van het heerenhuis Castle House, den financiëelen ondergang van de familie Burbank, en de gevangenneming of den dood van het hoofd van dat gezin moest tengevolge hebben.

Met dat doel had hij zijne roofzieke benden over de plantage losgelaten! Hij had zich toen evenwel niet aan hun hoofd gesteld, maar de leiding van dien troep aan den meest woesten kerel zijner partijgangers opgedragen. Hierdoor wordt het verklaarbaar, dat John Bruce, de agent van masterHarvey, die zich bij den aanvallenden troep gevoegd had, aan James Burbank had kunnen verzekeren, dat Texar daarbij niet aanwezig was.

Om hem te ontmoeten, zou men naar de Marino-Kreek hebben moeten gaan, die door middel van een tunnel, zooals de lezer weet, met Castle-House in gemeenschap stond. Voor het geval dat het heerenhuishet beleg niet langer zoude kunnen uithouden, zouden de verdedigers trachten langs dien tunnel den terugtocht aan te nemen, om aan hunne vijanden te ontkomen.

Texar was met het bestaan van dien tunnel bekend. Hij was dan ook te Jacksonville in een vaartuig gestegen en had, terwijl Squambo, vergezeld van twee slaven in eene andere boot gezeten, zich bij hem gevoegd had, post gevat in de Marino-Kreek, ten einde de vlucht van master James Burbank te bespieden.

En werkelijk, hij had zich niet vergist. Dat bespeurde hij dadelijk, toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag. De negers, die de wacht in dat vaartuigje hielden, werden overvallen en afgemaakt. Daarna viel er niets anders te doen dan te wachten. Weldra verscheen Zermah, die het kleine meisje bij zich had. Toen de mestische begon te schreeuwen en te gillen, vreesde de Spanjaard, dat men haar te hulp zoude komen. Hij greep haar en leverde haar aan Squambo over. Toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard een oogenblik later verschenen, bevond Zermah zich reeds in het vaartuig van den Indiaan op het midden der rivier.

De lezer weet het overige.

Intusschen had Texar, na de voltooide ontvoering van die vrouw en dat kind, het niet noodig geacht zich bij Squambo te vervoegen. Die man, die hem met lijf en ziel toegedaan was, wist naar welke onnaspeurlijke schuilplaats hij Zermah en de kleine Dy moest brengen. Toen dan ook de drie kanonschoten de aanvallers, juist op het oogenblik dat zij Castle-House zouden binnendringen, naar Jacksonville terugriepen, was de Spanjaard plotseling verdwenen en had hij zich uit de voeten gemaakt, door de Sint John in schuine richting over te steken.

Waar was hij heengegaan?

Dat wist niemand te zeggen. Zooveel was zeker dat hij gedurende den nacht van den 3denop den 4denMaart niet naar Jacksonville teruggekeerd was. Men zag hem daar eerst vier en twintig uren later. Wat voerde hij gedurende die onverklaarbare afwezigheid uit? Dat kan door niemand verklaard worden. Toch mocht aangenomen worden, dat die afwezigheid, wanneer hij als de hoofdschuldige of medeplichtige aan de ontvoering van de kleine Dy en van Zermah aangeklaagd mocht worden, hoogst verdacht moest voorkomen. Het samenvallen van zijne verdwijning met die ontvoering zou zeer zeker in zijn nadeel uitgelegd worden.

Maar hoe het ook zij, hij keerde eerst in den ochtend van den 5dennaar Jacksonville terug, om er de leiding op zich te nemen en de noodige maatregelen te treffen voor de verdediging der stad en van den Staat tegen de Noordelijken.

De lezer heeft reeds vernomen, dat hij tijdig genoeg wederkeerde om eene hinderlaag voor Gilbert Burbank open te stellen en om het voorzitterschap der rechtbank op zich te nemen, die gereed stond den jeugdigen officier ter dood te veroordeelen.

Wat zeker was, dat is dat Texar zich niet in de sloep van den Indiaan Squambo bevond, toen dit vaartuig door den opkomenden vloed, in het donkere van den nacht naar het bovengedeelte der rivier ten noorden van Camdless-Bay voortgedreven werd.

Zermah, die eindelijk ingezien had, dat hare kreten en haar gegil niet meer op de beide oevers der Sint John gehoord konden worden, was er toe overgegaan te zwijgen. Zij zat in het achtergedeelte der sloep en hield de kleine Dy in hare armen gesloten.

Het verschrikte kleine meisje had geen enkelen kreet, geen enkele klacht laten ontsnappen. Zij sloot zich vast tegen de borst van de kleurlinge aan en poogde zich tusschen de plooien van het manteltje van de wakkere vrouw te verbergen. Slechts eens of twee malen hadden hare lippen eenige woorden gepreveld:

»Mama!... Mama!... O, goede Zermah!... Ik ben zoo bang!...”

En een oogenblik later herhaalde zij:

»O, Zermah!... Ik ben zoo bang... Waar is mama?... Ik wil naar mama terug!”

»Ja... lieve!” antwoordde de kleurlinge. »Wij gaan naar mama terug!... Wees niet ongerust...”

»O, ik ben zoo bang!...”

»Neen, niet bang zijn!... Ik ben bij je!...”

In ditzelfde oogenblik liep mevrouw Burbank, schier waanzinnig van schrik en angst, langs den rechter oever der rivier en poogde het vaartuig te volgen, dat haar kind naar de overzijde voerde.

De duisternis was toen groot. De vlammen der verschillende woningen en keten, die op de plantage in brand gestoken waren, begonnen uit te dooven, evenals het geknetter van het geweervuur begon te zwijgen. Uit de veelvuldige rookzuilen, die onder den aandrang van den zuidenwind naar het noorden ombogen, flikkerden nog van tijd tot tijd vlammen op, die dan weer uitdoofden, maar op de oppervlakte van den stroom eene schittering veroorzaakten als van verschietende bliksemstralen.

Toen werd alles stil en somber.

Het vaartuig volgde den stroomdraad van de rivier en hield zich in het midden daarvan, zoodat van de beide oevers niets te ontwaren was. Het was alsof die sloep zich in volle zee bevond, zoo eenzaam was zij.

Naar welke kreek stevende dat vaartuig, welks roer door Squambo gestuurd werd?

Dat wenschte Zermah bovenal te weten. Zij begreep dat het ondervragen van den Indiaan tot niets zou leiden. Zij zocht zich dus te oriënteeren, hetgeen in die dikke duisternis waarlijk niet gemakkelijk was, vooral zoolang Squambo het midden der rivier bleef houden. De vloed kwam met kracht op; daarenboven pagaaiden de twee negerslaven met alle kracht, zoodat men zoo snel mogelijk in zuidelijke richting voortstevende.

Het ware toch uiterst nuttig en raadzaam geweest, indien Zermah een spoor van haren voorbijtocht achterliet, om de nasporingen van haren meester te vergemakkelijken. Dat begreep de goede vrouw. Ware zij aan wal geweest, dan zou een lap van haar manteltje, aan de takken van een struik vastgehecht, als eerste merkteeken hebben kunnen dienen om de verkenners op het spoor te brengen, die dat, eenmaal behoorlijk waargenomen, niet meer zouden hebben laten glippen. Maar op die rivier was zoo iets onmogelijk. Waartoe zou het dienen, dat het een of andere voorwerp, aan haar of aan het jonge meisje toebehoorende, aan den stroomdraad overgeleverd zoude worden? Zou de hoop werkelijk gekoesterd kunnen worden, dat het in handen van master James Burbank zou geraken? Neen, daaraan viel niet te denken. Op die hoop mocht niet gebouwd worden. En als een gevolg daarvan moest de arme mestische er zich toe bepalen om te trachten te herkennen op welk punt der oevers van de Sint John de sloep zou landen.

Zoo verliep onder de gegeven omstandigheden een uur.

Squambo had geen enkel woord gesproken. De beide negerslaven pagaaiden krachtig maar stilzwijgend. Geen enkel licht werd op de oevers waargenomen, noch in de huizen, noch onder de dichte loofkruinen van het hooge geboomte, welks sombere massa zich in het donker in een nevelvorm liet ontwaren.

Terwijl Zermah rechts en links uitkeek en steeds gereed was, om iedere aanwijzing hoe gering ook te benutten, dacht zij slechts aan de gevaren, welke het kleine meisje liep, dat met haar ontvoerd was. De gevaren, die haar zelf bedreigden, telde zij niet; daaraan dacht zij zelfs niet. Hare vrees betrof slechts dat kind. Op dat dierbare hoofd verzamelden zich alle hare angsten.

Het was wel degelijk Texar, die de ontvoering had doen ten uitvoer leggen. Dienaangaande was geen twijfel mogelijk. Zij had den Spanjaard zeer goed herkend, toen hij daar bij de Marino-Kreek de wacht hield, hetzij met het doel om langs den tunnel binnen Castle House te dringen, hetzij dat hij daar de verdedigers van het heerenhuis opwachtte, wanneer die door dien uitgang zouden pogen te ontsnappen.

Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz. 2).Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz.2).

Toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter de biezen der kreek verscholen lag... (Bladz.2).

Wanneer Texar niet zoo overijld was te werk gegaan, zouden mevrouw Burbank en miss Alice Stannard zich nu, evenals dekleine Dy en Zermah, in zijne macht bevinden. Dat hij zich niet aan het hoofd der militie-troepen en de bende plunderaars gesteld had, had zijne redenen daarin gevonden, dat hij er zeker van was de familie Burbank bij de Marino-Kreek des te gevoeliger te kunnen treffen. Wij hebben gezien, dat hij goed geraden had.

Maar in ieder geval zou Texar niet kunnen loochenen, dat hij direct medeplichtig was aan de ontvoering van het kleine meisje en van de mestische vrouw. Later, wanneer het uur der gerechtigheid zoude gekomen zijn, wanneer de Spanjaard voor zijne misdaden ter verantwoording zoude geroepen worden, dan zou hem de uitvlucht niet kunnen baten, om een van die onverklaarbare alibi’s te kunnen inroepen, die hem tot heden zoo uitstekend gelukt waren.

Maar welk lot dacht hij thans zijne twee slachtoffers toe?

Kon hij ze in de moerassige streken van de Everglades, ver voorbij de bronnen van de Sint John verbergen?

Kon hij zich van Zermah ontdoen als van eene lastige en gevaarlijke getuige, welker verklaring hem den een of anderen dag zoude kunnen vernietigen?

Die vragen stelde zich de mestische vrouw. Zij zou gaarne haar leven ten offer gebracht hebben, om het kind te redden, dat met haar ontvoerd werd. Maar wanneer zij dood zoude zijn, wat zou er dan van de kleine Dy in de handen van Texar en zijne booswichten terecht komen? Die gedachte martelde haar en dan klemde zij het kleine meisje vaster aan hare borst, alsof Squambo het voornemen reeds aan den dag zoude gelegd hebben om haar het kind te ontrukken.

Terwijl zij zoo in hare gedachten verdiept was, meende Zermah eindelijk te bemerken, dat het vaartuig den linker oever van de rivier naderde. Zou haar dat tot aanwijzing kunnen strekken? Neen, want zij wist niet, dat de Spanjaard zijne woning in het binnenste gedeelte van de Zwarte Kreek, op een der talrijke eilanden van die schier onbekende lagune, opgeslagen had. Dat wisten de partijgangers van Texar zelfs niet, daar niemand ooit in het blokhuis, dat hij met Squambo en zijne negerslaven bewoonde, toegelaten werd.

Daar inderdaad bracht de Indiaan de kleine Dy en Zermah onder dak. Daar, te midden van de ondoordringbare struiken van die streek, overdekt met eene machtige moerassige tropische plantenwereld, zouden zij aan iedere nasporing onttrokken zijn. De kreek zelve was als het ware ondoordringbaar te noemen voor hem die er de richting van de doorvaarten en de ligging der eilandjes niet van kende. Zij bood schuilplaatsen bij duizenden aan, waar de ontvoerde gevangenen zoo goed en wel verborgen konden worden, dat het onmogelijk zoude zijn haar op het spoor te komen. Voor het geval dat master James Burbank zou pogen dit woeste en ondoordringbarestruikgewas te doorzoeken, waren maatregelen getroffen, om de mestische vrouw en het kleine meisje naar het zuidelijk gedeelte van het Floridasche schiereiland te vervoeren. Dan zou alle kans verkeken zijn om haar weer te vinden te midden van die uitgestrekte wildernissen, die door de Europeesche pionniers hoogst zelden bezocht worden, en waar slechts enkele benden Indianen aangetroffen worden, die daar niet wonen, maar de ongezonde vlakten slechts doortrekken.

De vijf en veertig mijlen, die den afstand uitmaakten tusschen Camdless-Bay en de Zwarte Kreek, waren vrij spoedig afgelegd. Het was omstreeks elf uren, toen het vaartuig den elleboog passeerde, dien de Sint John op tweehonderd yards afstand benedenstrooms vormde. Er bleef niets anders te doen over dan de monding der haftvorming te verkennen. Dat was eene zeer moeielijke verrichting te midden van de dikke duisternis, welke den linker oever van den stroom omgaf. Hoe bekend hij ook al met deze streken was, aarzelde Squambo dan ook, toen hij het roer te boord moest leggen, om dwars door den snellen stroomdraad te kunnen stevenen. Het besturen van de sloep zou voorzeker eene meer gemakkelijke verrichting geweest zijn, wanneer het vaartuig den oever had kunnen volgen, welke door eene menigte kleine kreken, baaien, inhammen en haften, welke allen met hooge biezen begroeid of dicht met waterplanten overdekt waren, diep ingesneden was. Maar de Indiaan vreesde op ondiepten verzeild te raken. Daar nu het doorkomen van den vloed ten einde spoedde en de eb het water van de Sint John met bekwamen spoed naar de riviermonding zoude voeren, zou een vastraken in die modderige streken, hem in verlegenheid kunnen brengen. Hij zou dan moeten wachten tot het doorkomen van den volgenden vloed, dat vrij wel gelijk zou staan met eene vertraging van elf uren ongeveer. Hoe zou hij dan beletten kunnen om ontdekt te worden, wanneer het dag werd. Gewoonlijk doorkliefden talrijke vaartuigen met hunne stevens de oppervlakte der rivier. De tegenwoordige staat van zaken en de mogelijke gebeurtenissen, die verwacht werden, noodzaakten tot eene onafgebrokene briefwisseling tusschen Jacksonville en de havenstad Sint Augustijn. Daarenboven, wanneer de bewoners van Castle House niet bij den aanval op het heerenhuis omgekomen waren, zouden zij met de familie Burbank reeds den volgenden dag alles in het werk stellen, om de nasporingen met alle kracht te beginnen en met den meesten ijver door te zetten. Dan zou Squambo, aan den voet van den oever in de modder vastzittende, niet aan de vervolging kunnen ontsnappen, waaraan hij bloot zoude staan. De toestand kon dan zeer gevaarlijk geacht worden.

Ten gevolge van al die overdenkingen verkoos de Indiaan in hetdiepe vaarwater te blijven en den oever van de Sint John te mijden. Zelfs was hij besloten om in den vollen stroom ten anker te gaan, wanneer dat noodig mocht worden. Dan zou hij bij het aanbreken van den dag, de toegangen van de Zwarte Kreek verkennen, en eenmaal daarbinnen aangeland, zou hij van eene vervolging niets meer te duchten hebben.

Het vaartuig ging inmiddels voort om met behulp van den vloed de rivier opwaarts te stevenen. Te rekenen naar den verloopen tijd, schatte Squambo, dat hij nog niet ter hoogte van de Lagune-monding gekomen was. Hij voer dus verder door, totdat een verwijderd gerucht zijn oor trof.

Dat was een dof geraas van het klepperen van een raderschip, dat zich langs de oppervlakte der rivier voortplantte en daardoor al duidelijker en duidelijker vernomen werd. Bijna ter zelfder tijd verscheen bij een hoek, die door den linker oever der rivier gevormd werd, eene in beweging zijnde massa.

Het was eene stoomboot die langzaam en slechts halfwerk voortstoomde, welke het witte licht van haar seinlantaarn vertoonde. In minder dan eene minuut zou zij de sloep bereikt hebben en die met geweld aanvaren, hetgeen groote ongelukken kon ten gevolge hebben.

Met een gebaar beval Squambo den negerslaven, met pagaaien op te houden. Tegelijkertijd bracht hij den helmstok van het roer naar het andere sloepsboord over en stak naar den rechter oever, zoowel om niet door de stoomboot overvaren, alsook door hare passagiers en opvarenden niet gezien te worden.

Maar de sloep was door de wachthebbenden van de boot gezien geworden. Zij werd gepraaid met bevel om aan boord te komen.

Squambo stiet een vervaarlijken vloek uit. Maar de onmogelijkheid inziende om door de vlucht aan de uitnoodiging, die in bevelenden toon tot hem gericht was, te ontkomen, moest hij gehoorzamen.

Een oogenblik later schoot de sloep langs zijde en legde aan bij de rechter valreeptrap van de stoomboot, die middelerwijl om haar in te wachten gestopt had.

Zermah stond toen van hare zitplaats op. In de zich voordoende omstandigheden, meende zij eene kans tot redding te bespeuren. Zou zij niet kunnen schreeuwen? Zou zij zich niet kunnen bekend maken? Zou zij geen hulp kunnen inroepen en zoodoende aan dien Squambo ontkomen?

De Indiaan sprong ook op en stelde zich naast hare zijde. Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife; met de andere had hij het kleine meisje gegrepen, dat Zermah hem met alle kracht maar tevergeefs trachtte te ontrukken.

Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz. 8).Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz.8).

Hij hield in de eene hand een breed bowie-knife. (Bladz.8).

»Een enkele kreet, en ik steek haar dood!” zei hij met gedempte stem.

Wanneer het slechts het offer van haar leven gegolden had, dan zou Zermah geen oogenblik geaarzeld hebben; maar daar dit noodlottige mes van den Indiaan het kind bedreigde, zweeg zij.

Van het dek der stoomboot kon men onmogelijk ontwaren, wat in de sloep omging.

De boot kwam van Piccolata, waar zij een detachement militie-troepen aan boord had genomen, om dat naar Jacksonville over te varen, ten einde het garnizoen van de bezettingstroepen der zuidelijken aldaar te versterken, wien opgedragen was de rivierverdediging te voeren.

Een scheepsofficier boog zich over de leuning der brug en praaide den Indiaan.

Ziehier de woorden, die tusschen hen gewisseld werden:

»Ohoi!”

»Ohoi!” antwoordde Squambo, na eene lichte aarzeling.

»Waar gaat gij heen?”

»Waar ik heen ga?”

»Ja!”

»Ik ga naar Piccolata.”

Zermah onthield dien naam, hoewel zij bij zich zelve overlegde dat de Indiaan Squambo in de gegeven omstandigheden het grootste belang er bij had, zijne ware bestemming verborgen te houden.

»Van waar komt gij?”vervolgde de scheepsofficier zijne ondervraging.

»Van de noordelijke graafschappen.”

»Maar van welke plaats vertrokt ge het laatst?”

»Van Jacksonville.”

»Is daar nieuws?”

»Neen.”

»Hoegenaamd niets?”

»Neen, niets.”

»En van den kant van het smaldeel van den Commodore Dupont?”

»Niets.”

»En van de kanonneerbooten van den commandant Stevens?”

»Niets. Die liggen nog altijd buiten de bank voor hunne ankers te rijden.”

»Zijn er sedert den aanval op de havenplaats Fernandina en van het fort Clinch geen nadere tijdingen ingekomen?”

»Neen.”

»En is geen enkele kanonneerboot er in geslaagd de bank te overschrijden en in het vaarwater van de Sint John te geraken?”

»Geen enkele.”

»Vanwaar komen die schitteringen, welke wij bij wijlen waargenomen hebben, en die losbrandingen, welke wij in noordelijke richting gehoord hebben, terwijl wij voor anker lagen, in afwachting dat de vloed zoude doorkomen?”

»O, gedurende den nacht heeft een aanval op de plantage van Camdless Bay plaats gehad.”

»Een aanval op Camdless Bay?”

»Ja.”

»Door wie? Door de Noordelijken?”

»Neen, door de militie-troepen van Jacksonville.”

»Wat was daarvan de reden?”

»De eigenaar weerstreefde de bevelen van het bestuur.”

»De eigenaar?”

»Ja, de eigenaar.”

»Is dat niet master James Burbank?”

»Juist.”

»Een noordelijkgezinde?”

»Juist. Een doldriftige voorvechter voor de afschaffing der slavernij!”

»Jawel. Nu begrijp ik het. En wat is de uitslag van dien aanval geweest?”

»Dat weet ik niet.”

»Weet gij dat niet?”

»Neen, ik ben daar slechts voorbijgestevend, zonder aan wal te gaan... Het was toen alsof men alles in brand gestoken had.”

»Zoo.”

In dit oogenblik ontsnapte een kreet van schrik aan het kleine meisje.... Zermah legde haar eene hand op den mond, juist toen de vingers van den Indiaan den hals van het kind zochten om het te wurgen.

De scheepsofficier, die steeds op de brug der stoomboot stond, had niets gehoord en kon niets zien.

»Is Camdless Bay met geschutvuur aangevallen geworden?” vroeg hij verder.

»Dat geloof ik niet.”

»Wat beduidden dan die drie kanonschoten, die wij duidelijk vernomen hebben en die van den kant van Jacksonville schenen te komen?”

»Kanonschoten?”

»Ja, drie kanonschoten.”

»Ik weet het niet. Ik heb ze niet gehoord.”

»Niet?”

»Neen.”

»Dus de Sint John is nog vrij?”

»Ja.”

»Vrij van Piccolata af tot aan hare monding?”

»Geheel vrij en gij kunt de rivier gerust afzakken. Gij zult geen der kanonneerbooten van de Noordelijken ontmoeten.”

»Goed.”

»Kan ik afhouden?”

»Ja, gij zijt vrij. Houdt af!”

En van de brug klonk reeds het bevel:

»Vooruit. Half werk!”

Toen Squambo de hand verhief, ten teeken dat hij nog iets wilde vragen, riep de officier:

»Stoppen!”

De raderen, die slechts langzaam in beweging geraakt waren, stonden dadelijk stil.

»Mag ik om eene inlichting verzoeken?” vroeg de Indiaan.

»Spreek. Welke?”

»De nacht is donker,” begon Squambo.

»Dat is zoo... Verder?”

»Ik ben het spoor bijster... Ik herken de omstreken niet meer... Kunt gij mij zeggen waar ik ben?”

»Ter hoogte van de Zwarte Kreek.”

»Dank u.”

»Geen dank,” antwoordde de scheepsofficier.

Squambo liet den valreep los, terwijl hij de sloep met kracht afduwde. Toen het vaartuigje zich op weinige vademen verwijderd had, klonk andermaal het kommando naar de machinekamer:

»Vooruit!... Half werk!”

De schoepen der raderen sloegen de oppervlakte der rivier tot schuim, en weldra was de stoomboot in het donker verdwenen, terwijl zij een breed zog van heftig opgezweepte golven achter zich liet.

Toen Squambo ontwaarde, dat hij zich weer alleen op de rivier bevond en geen enkel vaartuig in de nabijheid was, zette hij zich weer op de achterplecht neder en gaf de negerslaven bevel te pagaaien. Hij kende thans zijne stelling, loerde dientengevolge over stuurboord en stevende op de oever-insnijding aan, die toegang tot de Zwarte Kreek verleende.

Dat de Indiaan in die streek, welke zoo woest was en waartoe de toegang zoo moeielijk te vinden was, een toegang zoude zoeken, was voor Zermah boven iederen twijfel verheven. Wat hierbij het ergste evenwel mocht heeten, was, dat haar die wetenschap bitter weinig baatte.

Want, hoe zou zij haren meester daarvan kennis doen dragen, en hoe zou deze, al ware hij ook met die omstandigheid bekend, de nasporingen in dit ondoordringbaar doolhof kunnen leiden?

Boden daarenboven buiten en aan de andere zijde van de kreek de maagdelijke wouden van het graafschap Duval niet alle gelegenheid aan om iedere nasporing te ontgaan, voor het geval dat master James Burbank en de zijnen er in slagen mochten door de lagune te worstelen? Dit westelijke gedeelte van den Staat Florida moest toch nog aangemerkt worden als een woest en onbekend land, waarin het feitelijk onmogelijk was, een spoor te kunnen volgen.

Bovendien zou het niet voorzichtig genoemd kunnen worden zich in die streek te wagen. De Seminolen-Indianen dwaalden toch in de bosschen en in de moerassen rond, en die wilden waren inderdaad zeer te duchten.

Volgaarne plunderden zij de reizigers uit, die hen in handen gesteld werden, en zij maakten er geene gewetenszaak van, hen eenvoudig en zonder vorm van proces te vermoorden, wanneer zij zich poogden te weer te stellen.

Een hoogst ernstige gebeurtenis had zich nog niet lang geleden in het bovengedeelte van het graafschap, niet ver en ten noordwesten van Jacksonville, voorgedaan, en daarover was lang gesproken geworden.

Ziehier wat er gebeurd was:

Een twaalftal Europeesche bewoners van Florida, die zich naar de kusten langs de Golf van Mexico wilden begeven, waren door een troep Indianen, behoorende tot den stam der Seminolen, overvallen geworden. Dat zij niet allen tot den laatsten man gedood werden, vond alleen daarin zijn oorzaak, dat zij hoegenaamd geen weerstand geboden hadden. Datwastrouwens volmaakt nutteloos geweest, daar zij een tegen tien gestaan hadden.

Die blanke reizigers werden derhalve op de meest nauwkeurige wijze aan den lijve onderzocht en van alles beroofd, wat zij bezaten, zelfs hunne kleederen. Maar nog meer, onder bedreiging van bij niet opvolging vermoord te zullen worden, werd hen bevolen, nimmermeer in die streken te verschijnen, waarvan de Indianen het grondbezit, met uitsluiting van iedere andere natie, voor zich opeischten.

En om hen te kunnen herkennen, wanneer zij het in het hoofd mochten krijgen aan dat bevel ongehoorzaam te zijn, bezigde het opperhoofd dier Indianen een eenvoudig middel. Hij liet hun een bijzonder teeken op den arm tatoueeren. Dat geschiedde op de navolgende wijze: met eene fijne naald werden wondjes in de huid geprikt, die naast elkander den vorm van het gewilde teeken vertoonden. Die wondjes werden met heet water gewasschen, om een overvloedige verbloeding te veroorzaken, waarna zij met het scherpe sap eener kleurafgevende plant werden ingewreven, waardoor het werk onuitwischbaar werd.

Die Floridasche reizigers, die zich overigens over geene mishandelingen te beklagen hadden, werden daarna naar hunne woonplaatsen teruggezonden. Zij kwamen daar op de plantages der noordelijke graafschappen van den Staat in vrij berooiden toestand aan, gemerkt als zooveel stuks vee met het wapen van den Indiaanschen stam, en toonden, zooals wel te begrijpen is, zeer weinig lust om andermaal dien Seminool-Indianen in handen te vallen, die hen alsdan zonder het minste mededoogen zouden vermoorden, al ware het maar om hunne handteekening, door dat merk vertegenwoordigd, gestand te doen.

In ieder ander tijdperk zouden de militie-troepen van het graafschap Duval een zoodanigen misdadigen aanslag niet ongestraft hebben gelaten. Zij zouden onmiddellijk uitgetrokken zijn, om de Indianen te vervolgen en te tuchtigen. Maar in het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, was er wel wat anders te verrichten, dan een krijgstocht tegen die zwervende volksstammen te ondernemen.

De vrees, dat het land door de federale troepen bezet zoude worden, overheerschte alles. Het grootste belang werd er in gesteld dat deze zich niet meester maakten van de mondingen van de Sint John en zoo het stroomgebied in hunne macht kregen. En nu kon men niets van de krijgsmacht der Zuidelijken, die van Jacksonville af tot aan de grens van den Staat Georgië opgesteld was, afnemen, om elders Indianen te gaan tuchtigen.

Later zou tijd genoeg gevonden worden, om tegenover dien Seminolen-stam op te treden, die thans ten gevolge van den burgeroorlog stoutmoedigheid genoeg aan den dag legden, om het grondgebied in het noorden van Florida, vanwaar men ze voor altijd verjaagd dacht, onveilig te maken.

Men zou zich dan niet vergenoegen hen terug te dringen naar de moerassen derEverglades-streek; maar men zou dan pogen hen tot den laatsten man uit te roeien.

Maar intusschen was het zeer gevaarlijk, zich op het terrein, gelegen in het westen van Florida, te wagen; en wanneer master James Burbank zijne nasporingen ooit naar dien kant uitstrekte, dan zou dat een nieuw gevaar zijn, hetwelk de reeds zoovele zoude vermeerderen, door eene zoodanige expeditie teweeggebracht.

Zoodanig was de gedachtengang van Squambo, terwijl hij de kleine Dy en Zermah ontvoerde.

Intusschen had het vaartuig den linker oever bereikt, en nu de Indiaan wist, dat hij zich ter hoogte van de Zwarte Kreek bevond, die toegang aan de wateren van de Sint John, in de uitgestrekte lagune-vorming verleent, zoo vreesde hij niet meer met zijne sloep op de eene of andere ondiepte te geraken.

Vijf minuten later gleed het vaartuig onder het sombere gewelfvan de boomkruinen, te midden eener duisternis, die nog zwarter was dan de oppervlakte van de rivier.

Hoe gewoon Squambo ook was te varen, te midden van dit doolhof van kanalen tot deze lagune behoorende, zoo zou hij er thans evenwel van hebben moeten afzien, zoo donker was het. Maar daar hij van buiten af niet meer bespeurd kon worden, was de reden vervallen, waarom hij zijn pad niet zou verlichten. Hij hakte een harsachtigen tak van een boom op den oever af, ontstak dien en plaatste hem op de voorplecht van de sloep. Die walmende vlam was voor het geoefende oog van den Indiaan voldoende, om de verschillende doorvaarten te kunnen verkennen.

Zoo werd gedurende ruim een half uur voortgestevend en volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek, totdat het eindelijk het eilandje bereikte, waarop zich het blokhuis verhief.

Zermah moest toen aan wal stappen. Het kleine meisje, door vermoeienis uitgeput, was in de armen van de kleurlinge in slaap gevallen. De kleine Dy ontwaakte zelfs niet, toen Zermah de poterne van het fortje doorstapte, ook niet, toen zij in eene kamer, die aan het centraal reduit grensde, opgesloten werd.

Het kleine meisje werd in een deken gewikkeld, die in een hoek van het vertrek lag, en daarna op een hoop stroo neergelegd, die tot bed voor beiden moest dienen. Zermah zou evenwel niet slapen; zij zou bij hare lieveling waken.

II.Eene zonderlinge bewerking.Den volgenden ochtend, op den 3denMaart, trad Squambo tegen acht uren het vertrek, waarin Zermah den nacht doorgebracht had, binnen. Hij bracht voedingsmiddelen—wat brood, een stuk koud wildbraad, vruchten, een kruik vrij sterk bier en een karaf met water, alsook eenige tafelbenoodigdheden, als borden, lepels, vorken, messen, glazen enz. Ter zelfder tijd plaatsten een paar negers een oudachtig meubelstuk in een hoek, dat als toilettafel en kastje dienst moest doen en waarin eenig linnengoed, als beddelakens, handdoeken, servetten en andere kleine benoodigdheden besloten waren, die de mestische vrouw zoowel voor haar als voor de kleine Dy zou kunnen gebruiken.Het kleine meisje sliep gelukkig nog. Zermah had Squambo met een gebaar gesmeekt, haar toch niet wakker te maken.Toen de negerslaven het vertrek verlaten hadden, vroeg Zermah den Indiaan met fluisterende stem:»Wat wil men toch met ons?”»Dat weet ik niet,” antwoordde Squambo.»Weet gij dat niet?”»Waarlijk niet!”»Welke bevelen hebt gij van Texar ontvangen?”»Waarom moest ik juist bevelen van Texar ontvangen?” was de wedervraag van den Indiaan.»Och, die drijft hier te lande alles. Dat weet iedereen.”»Toch zoudt ge u kunnen vergissen.”»Om het even van wien ge uwe bevelen hebt,” antwoordde Zermah, »zeg mij wat zij betreffen?”»Juist, die zal ik u mededeelen, in de verwachting dat gij ze stipt zult opvolgen.”»Ik luister.”»Zoolang gij hier zult vertoeven, zal deze kamer de uwe zijn en zult gij des nachts in het reduit van het fortje opgesloten zijn.”En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz. 15).En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz.15).»Des nachts?... Alleen des nachts?”»Ja, des nachts.”»Maar overdag?”»Dan zult ge binnen de omheinde ruimte kunnen rondwandelen, zooveel gij zult willen.”»Rondwandelen?”»Ja.”»Zoolang als wij hier zullen vertoeven,... zeidet gij straks,” hernam Zermah. »Waar zijn wij hier eigenlijk?”»Waar gij zijt?... Wel op de plek, waarheen ik u voeren moest.”Zermah keek hem doordringend aan. Zij begreep dat de Indiaan niet praten wilde. Toch waagde zij nog eene vraag:»En zullen wij er lang blijven?”»Gij zijt nog al nieuwsgierig uitgevallen, dunkt me,” grinnikte de Indiaan.»Nieuwsgierig of niet, antwoordt mij,” bad de kleurlinge.»Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd,” antwoordde Squambo. »Wat ik kan mededeelen, heb ik u medegedeeld. Het is verder onnoodig mij te vragen, want ik zal niet meer antwoorden.”»Gij vertrouwt u zelven niet, naar ik vermeen.”»Wel mogelijk.”En inderdaad, Squambo, die niet meer wilde zeggen dan hij gezegd had, verliet na die korte woordenwisseling het vertrek en liet Zermah bij het kleine kind alleen.Deze bekeek toen de kleine Dy, die voortging met zoo gerust mogelijk te slapen. Een paar tranen pinkte de brave vrouw tusschen de oogwimpers. Zij veegde ze onmiddellijk af, want het kind mocht bij het ontwaken niet bespeuren, dat zij geweend had. Het was toch van het grootste belang, dat de kleine meid langzamerhand aan haren nieuwen toestand gewende.Die toestand vertoonde zich evenwel zeer dreigend, daar men met een vijand als dien ellendigen Spanjaard, op alles voorbereid moest zijn.Zermah dacht na over al hetgeen sedert den vorigen dag geschied was.Zij had goed en wel gezien, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard langs den oever der Sint John voortstapten, terwijl het vaartuig naar het midden der rivier stevende en zich dus van hen verwijderde. Hun wanhopig geroep, hunne hartverscheurende kreten hadden wel degelijk haar oor bereikt. Maar zouden zij Castle House weer bereikt hebben, zouden zij weer langs den tunnel in het belegerde heerenhuis hebben kunnen geraken, om aan master James Burbank en zijne metgezellen bericht te kunnen geven van de nieuwe ramp die hen getroffen had? Zouden zij niet in handenvan de handlangers van den Spanjaard gevallen zijn? Zouden zij dan niet ver van Camdless Bay gevoerd zijn? Misschien waren zij wel gedood!O, als dat het geval was, dan zou master James Burbank niet bekend worden met de afschuwelijke misdaad, dat zijn dochtertje met Zermah ontvoerd was. Hij zou dan natuurlijk in de meening verkeeren, dat zijne echtgenoote, dat miss Alice Stannard, dat de kleine Dy en dat de mestische zich in de Marino Kreek hadden kunnen inschepen, dat die vluchtelingen de schuilplaats bij de Ceder-rots hadden kunnen bereiken, alwaar hij haar in veiligheid moest wanen. Hij zou dan even natuurlijk geen onmiddellijke nasporingen instellen om de ontvoerden weer te vinden!...En.... al nam men ook al aan, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard binnen Castle House hadden kunnen geraken, ook dat master James Burbank thans op de hoogte van alles was, was het dan nog niet te duchten dat het heerenhuis bedwongen, dat het door de aanvallers bij storm genomen, dat het uitgeplunderd, in brand gestoken, in een woord vernietigd was?Wat zou er in dit geval van de moedige en vastberaden verdedigers geworden zijn?Zouden zij krijgsgevangen gemaakt of in den verwoeden strijd omgekomen zijn?Maar gevangen of dood, Zermah gevoelde het, dat zij dan geen bijstand van hunne zijde te wachten had. Zelfs wanneer de Noordelijken meester van de Sint John geworden zouden zijn, rekende zij zich verloren. Want noch Gilbert Burbank, noch Mars zouden vernemen, de eene dat zijn zusje, de andere dat zijne wederhelft op dat schier onbekende eilandje van de Zwarte Kreek gevangen gehouden en ten nauwkeurigste bewaakt werden.Welnu, wanneer dat het geval mocht zijn, wanneer Zermah op niemand anders dan op haar eigen persoon kon rekenen, dan zou haar hare geestkracht toch niet begeven. Zij zou alle mogelijke pogingen aanwenden om dat kleine kind te redden, dat wellicht niemand meer dan hare trouwe min op de wereld bezat.Haar geheele bestaan zou zich op een eenig doel richten, haar geheel denkvermogen zou slechts eene eenige gedachte koesteren, namelijk: de vlucht! Geen uur, geene minuut zou zij laten voorbijsnellen, zonder dat zij daadwerkelijk of met den geest bezig zoude zijn om de middelen tot die vlucht voor te bereiden.En toch, zou het mogelijk zijn, gadegeslagen als zij werd door den Indiaan Squambo en door zijne negerslaven, het fortje te kunnen verlaten? Zou het mogelijk zijn aan de woeste speurhonden, die rond de afgesloten ruimte omdoolden, te kunnen ontsnappen? Zou het mogelijk zijn, dat eilandje, hetwelk als verloren te beschouwenwas te midden van de duizenden kronkelingen van het doolhof dier lagune, te kunnen ontvluchten?Ja, mogelijk zou dat zijn, mits zij in het geheim door een der negerslaven van den Spanjaard, die de doorvaarten van dit labyrint behoorlijk kende, geholpen werd.Waarom zou het uitzicht eener groote belooning niet een dier mannen verlokken tot het verleenen van hulp aan Zermah bij die ontvluchting?...Ziet, het is daaraan, dat ze al haar krachten ging wijden.Intusschen was de kleine Dy ontwaakt. Het eerste wat zij deed, nadat zij hare oogjes uitgewreven had, was hare moeder te roepen. Daarna liet zij den blik door het vertrek waren. De herinnering aan het gebeurde daags te voren doemde op. Zij bespeurde Zermah, sprong van hare legerstede op en liep naar de mestische toe.»Zermah!... Goede, beste Zermah!...” fleemde het kind.»Wat is er Dy?” vroeg de goede vrouw.»O, ik ben zoo bang!”»Bang?”»Ja, zeer bang!”»Gij moet niet bang zijn, Dy!”»Toch ben ik het.”»Ik ben immers bij u, lieve!”»Waar is mama?...”»Die komt... straks...”»Straks, Zermah?”»Wij zijn genoodzaakt geweest te vluchten...”»Te vluchten, Zermah?...” vroeg het meisje.»Ja, te vluchten, Dy... Dat herinnert gij u toch nog?”»Maar, mama?...”»Die kon niet mede!”»Niet?”»Neen, die moest op Castle House blijven...”»Maar, waar zijn wij hier, goede Zermah?”»O, wij zijn hier in veiligheid!... Hier is niets te duchten...”»Maar, mama... en papa?...”»Zoodra master James Burbank hulp zal erlangd hebben, zal hij ons komen afhalen...”Dy keek Zermah met een doordringenden blik aan, alsof zij wilde zeggen:»Is dat wel waar?”Zermah werd verlegen onder den drang dier kinderlijke vragen. Maar vóór alles wilde zij het lieve meisje geruststellen. Daarom antwoordde zij:»Ja, Dy, ja, dat is waar! Master Burbank heeft mij aanbevolen hem hier te wachten.”»Maar, die mannen dan, Zermah?...”»Welke mannen, lieve?”»Die ons in hun vaartuig vervoerd hebben... Ik ken ze niet...”»Wel, dat waren ondergeschikten van master Harvey...”»Van master Harvey, Zermah?...”»Ja, lieve, van master Harvey, gij kent hem toch wel... de vriend van uw papa, die te Jacksonville woont...”»Maar, waar zijn wij hier?”»Op zijne villa HamptonRed!...”»Dit eene villa?.... Dit HamptonRed?....” vroeg het kind, wantrouwend rondkijkende.Zermah wist niet meer wat te antwoorden. Jokken gaat niet iedereen gemakkelijk af.»En mama... en Alice, die bij ons waren...” ging Dy met kinderlijke vasthoudendheid voort. »En mama... en Alice, waarom zijn die niet hier?”»Master Burbank, uw papa heeft ze teruggeroepen... Herinnert gij u dat niet, Dy?”»Neen, goede Zermah, daarvan herinner ik mij niets.”»Hij heeft ze teruggeroepen, juist op het oogenblik, toen ze bij ons in het vaartuig wilden stappen...”»Hoe jammer, niet waar?”»Zoodra die booze lieden van Camdless-Bay verjaagd zullen zijn, zal men ons komen afhalen...”»God geve het, Zermah... O, ik ben zoo bang!...”»Kom, niet huilen, lieve... En wees niet meer bang!... Zelfs al moesten wij hier nog eenige dagen verblijven.”»Eenige dagen?” vroeg het kind.»Ja, wij zijn hier goed verborgen, wees gerust!... En kom, laat ik mijn lieveling nu aankleeden.”De kleine Dy vestigde steeds haren doorborenden blik op Zermah, en niet zonder reden; want deze had een diepen zucht niet kunnen beletten zich baan te breken. Helaas, die goede vrouw had het lieve kind bij haar ontwaken niet kunnen toelachen, zooals zij steeds gewoon was te doen. Thans kwam het er evenwel vóór alles op aan om haar bezig te houden en hare gedachten te verstrooien.Daarop legde zich Zermah met de meeste teederheid en de meeste zorgvuldigheid toe.Zij kleedde het meisje met evenveel zorg, alsof zij zich nog in hare fraaie kamer van Castle-House bevond en tegelijkertijd poogde zij haar met vertellingen bezig te houden.Daarna at de kleine Dy een weinig van het brood en vleesch,dat door Squambo binnen gebracht was, terwijl Zermah dat eerste ontbijt van het meisje deelde.»En nu, lieve Dy... als gij wilt zullen wij buiten... in de afgeschoten ruimte... eene wandeling gaan doen,” sprak de mestische.»Is de villa van master Harvey mooi?” vroeg het kind.»De villa van master Harvey?...” vroeg Zermah.»Ja, de villa, waarin wij ons bevinden...”»Mooi?... Neen dat niet!...” antwoordde de mestische. »Ik geloof zelfs dat het een oud krot is! Maar er zijn toch boomen, waterstroomen, wegen, in een woord alles wat verlangd kan worden, om eene aangename wandeling te maken.”»Een oud krot!...” pruilde het kind.»Ja, maar... wij zullen er slechts weinige dagen blijven,” stelde Zermah haar gerust. »Gedurende dat kort tijdperk zult gij geene gelegenheid hebben u te kunnen vervelen, en bovendien...”»Wat, Zermah? Wat?”»Wanneer gij zoet zult wezen, zal mama zeer tevreden zijn.”»Ja, goede Zermah... ja!... ik zal zoet zijn,” antwoordde het meisje.»Dan zal het goed zijn, Dy!”De kamerdeur was niet op slot gesloten. Zermah nam het kind bij de hand en beiden traden naar buiten. Eerst bevonden zij zich in de binnenruimte van het centraal-reduit, die haar zeer somber toescheen. Maar een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte, waardoor de zonnestralen slechts spaarzaam vermochten door te dringen.De oppervlakte van de omheinde binnenruimte was niet uitgestrekt—een bunder ongeveer, waarvan nog het blokhuis, dat er het grootste gedeelte van besloeg, moest afgetrokken worden. De palissadeering, die het geheel omgaf, belette Zermah om de ligging van het eilandje te midden van de lagune te gaan verkennen. Alles wat zij door de spaarzame ruimte der oude poterne daar buiten kon waarnemen, was dat een vrij breed kanaal met vuil troebel water het van de naburige eilandjes scheidde. Eene vrouw en een kind zouden dus slechts zeer moeilijk uit dat fortje en van dat eiland kunnen ontsnappen.Voor het geval zelfs dat Zermah een vaartuig zoude kunnen bemachtigen, viel er niet aan te denken uit dit doolhof zonder gids te geraken. Wat de brave vrouw daarenboven onbekend bleef, was dat de Spanjaard Texar en de Indiaan Squambo de toegangs-vaarwaters tot die eilandengroep alleen kenden. De negers, die in het fortje aanwezig waren, verrichtten slavendiensten en verlieten het eilandje nooit. Zij waren nimmer daarbuiten geweest en wisten niet, waar hun meester hen huisvestte.Om den oever der Sint John, zoowel als de grenzen van het moeras, hetwelk de lagune aan den westkant omgaf, te bereiken, zou Zermah zich geheel aan het toeval moeten overgeven. En onder dit vooruitzicht de vlucht te ondernemen, was het verderf voorwaar te gemoet rennen.Bovendien bemerkte de mestische, die zich van den toestand rekenschap trachtte te geven, in de eerstvolgende dagen wel, dat zij zeer waarschijnlijk geen hulp of bijstand van de slaven van Texar te verwachten had. Dat waren voor het meerendeel half verdierlijkte negers, die hoegenaamd geen aanlokkelijk voorkomen hadden. Het is waar, zij waren door den Spanjaard niet aan den ketting geklonken; maar daarom misten zij toch op dat eilandje hunne vrijheid.De voortbrengselen van den grond, welken die slaven bewerken moesten, voorzagen voldoende in hun onderhoud, zoodat zij over hunne voeding niet te klagen hadden. Zij waren verslaafd aan den sterken drank, waarvan Squambo hen een niet te spaarzaam ration uitdeelde. Zij hadden er volstrekt geen belang bij, hun toestand veranderd te zien, en waren dan ook bij uitstek geschikt om het fortje te bewaken en als het mocht voorkomen het te verdedigen. De slavernij-quaestie, die zich op weinige mijlen buiten de Zwarte Kreek ontwikkelde en daar alle gemoederen van hartstochten deed blaken, liet deze negers koud.De vrijheid verkrijgen?... De vrijheid!... Waartoe?... En wat zouden zij er meê aanvangen?...Texar zorgde voor hun bestaan en Squambo mishandelde hen niet, hoewel deze er toch wel de man voor was om ieder hoofd, dat zich tegenover hem zou willen verheffen, met woest gebaar te verbrijzelen.De vrijheid!... Zij dachten er zelfs niet aan. Het waren verdierlijkte wezens, die op lageren trap stonden dan de speurhonden, die om het fortje ronddoolden. Het zou inderdaad geene overdrijving mogen genoemd worden, wanneer beweerd werd, dat die dieren hen in verstandelijk begrip overtroffen. Zij toch kenden het samenstel en den omvang der kreek. Zij zwommen ongehinderd de veelvuldige vaarwaters door en over. Zij bezochten al de eilandjes het eene na het andere, waarbij hen hun instinct zeer te stade kwam, om te beletten dat zij verdwaalden. Hun geblaf weerklonk soms tot op den linker oever van de Sint John. Maar hoe ver zij ook hunne tochten uitstrekten, de trouwe dieren keerden bij het vallen van den avond naar het blokhuis terug.Geen vaartuig hoegenaamd zou de Zwarte Kreek kunnen binnendringen, zonder dat die geduchte bewakers het ontwaard en zijne nadering door hevig blaffen verkondigd zouden hebben. Niemand bovendien zoude, Squambo en Texar uitgezonderd, het fortje kunnenverlaten, zonder gevaar te loopen door die wilde nakomelingen van het Caraïbische hondengeslacht verscheurd te worden.Toen Zermah opgemerkt had, welke waakzaamheid rondom het fortje betracht werd, welke maatregelen getroffen waren, om ontvluchting te voorkomen, was zij zeer bedroefd. Zij begreep, dat zij van hare bewakers hoegenaamd geen hulp te verwachten had. Iedere andere minder moedige en geestkrachtvolle vrouw zou der wanhoop ten prooi geworden zijn. Met haar was dit toch niet het geval.Wanneer hulp van buiten zoude komen opdagen, dan kon die niet anders komen dan van master James Burbank, wanneer die in zijne handelingen onbelemmerd zoude zijn, en van Mars, wanneer de mesties vernemen zoude, onder welke omstandigheden zijne echtgenoote verdwenen was.Maar, wanneer die hulp uitblijven zoude, dan moest de heldhaftige vrouw slechts op haar eigen persoon rekenen, om het kleine kind te redden. En bij die taak zou haar de moed niet ontzinken.Zermah, die zich met de kleine Dy geheel geïsoleerd te midden van die lagune bevond, zag zich slechts omringd door woestuitziende gezichten. Toch meende zij op te merken, dat een der negerslaven, die nog jeugdig was, haar met eene zekere meewarigheid, ja met deernis beschouwde. Zou die omstandigheid reden tot hopen kunnen geven?Zou zij hem kunnen vertrouwen? Zou zij hem de ligging van Camdless Bay mogen uitduiden, hem trachten over te halen om zich naar Castle House te begeven? Dat viel te betwijfelen. Daarenboven, Squambo scheen de belangstelling van den slaaf bemerkt of geraden te hebben; want deze werd eenvoudig ter zijde gehouden. Zermah ontmoette hem althans niet meer bij hare wandelingen in de omheinde ruimte.Zoo gingen verscheidene dagen voorbij, zonder dat er verandering in den toestand kwam. Zermah en de kleine Dy genoten de meest mogelijke vrijheid om te gaan en te komen, zooals zij wilden. Zelfs des nachts werden zij niet opgesloten. Squambo wist toch maar al te goed, dat het haar niet mogelijk zoude zijn het centraal reduit te verlaten.De Indiaan sprak haar nimmer aan, zoodat Zermah er dan ook van had moeten afzien hem te ondervragen en inlichtingen van dien botterik in te winnen. Hij verliet het eilandje geen enkel oogenblik. Men gevoelde dat hij ieder oogenblik van den dag en van den nacht waakzaam was.Zermah’s zorgen strekten zich dus alleen over het kind uit, dat helaas! onophoudelijk er op aandrong, om naar hare moeder gebracht te worden, of haar ten minste weer te zien.Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz. 18.)Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz.18.)»Mama?.. Waar is mama?” kreet de kleine Dy.»Zij komt!” antwoordde Zermah.»Maar wanneer?”»Straks of morgen.”»Hoe weet gij dat, Zermah?”»Ik heb tijding ontvangen, lieve.”»En papa?”»Uw papa... Die zal ook komen, Dy. Die komt met miss Alice.”En als het rampzalige schepsel die antwoorden gegeven had, wist zij waarlijk niet meer wat te verzinnen. Dan poogde zij het meisje, dat meer nadenken en meer verstand aan den dag legde, dan wel met haren leeftijd overeenkwam, zooveel mogelijk te verstrooien, wat niet gemakkelijk was.Zoo gingen de 4e, de 5e en de 6e Maart voorbij.Voortdurend spitste Zermah de ooren, om zich te vergewissen of in de verte geene losbrandingen van geschut vernomen werden, die aanduiden konden, dat de federalistische flottilje van kanonneerbooten de Sint John binnengedrongen was. Maar zij had niets gehoord. Geen knal, geen geschreeuw, niets, niets! De diepste stilte heerschte te midden van de eenzaamheid der Zwarte Kreek.Daaruit kon en moest afgeleid worden, dat Florida nog niet in het bezit van de krijgsmacht der Unie was. Dat verontrustte de goede vrouw zeer. Want, al waren master James Burbank en zijne metgezellen ook al in de onmogelijkheid gesteld om handelend op te kunnen treden, zoo zou zij toch op de tusschenkomst van Gilbert Burbank en van Mars kunnen rekenen. Wanneer toch de kanonneerbooten de rivier binnengedrongen waren, zouden zij toch de oeverstreken doorzocht hebben en dan zouden belanghebbenden wel tot het lagune-eilandje doorgedrongen zijn. Zij zouden toch wel door wien ook van het dienstpersoneel van Camdless Bay in kennis gesteld zijn van hetgeen voorgevallen was.Maar.... niets, niets duidde er op, dat een gevecht op de rivier plaats had gehad.Wat ook zonderling en opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat de Spanjaard zich nog geen enkelen keer, hetzij des nachts, hetzij over dag, in het fortje vertoond had. Zermah ten minste had, hoe wantrouwend hare blikken ook rondwaarden, niets bespeurd, wat haar tot een ander gevoelen kon brengen. Maar in weerwil daarvan sliep zij slechts weinige oogenblikken en in die lange uren van slapeloosheid spitste zij de ooren, maar steeds te vergeefs.Daarenboven, wat zou zij hebben kunnen doen, wanneer Texar in de Zwarte Kreek verschenen was en hij haar voor zich had doen brengen?Zou hij hare smeekingen verhoord hebben? Of zou hij acht geslagen hebben op hare bedreigingen?En zou de aanwezigheid van den Spanjaard niet meer te duchten zijn dan zijn afwezigheid?Nu zat Zermah in den avond van den 6denMaart voor de duizendste maal aan dit alles te denken. Het was ongeveer elf uren, en de kleine Dy was in een vrij gerusten slaap gedompeld. De kamer, die haar beiden tot cel diende, was in diepe duisternis gehuld. Geen enkel gerucht werd van buiten gehoord, tenzij men het zuchten der bries door de voegen der halfvergane planken-omwanding van het blokhuis daarvan zou willen uitzonderen.In dit oogenblik scheen het der mestische toe, dat in het binnengedeelte van het reduit geloopen werd. Zij onderstelde, dat het de Indiaan Squambo was, die, nadat hij rondom de omheinde omwalling zijne gewone ronde-wandeling afgelegd had, naar zijne slaapkamer ging, welke tegenover de hare gelegen was.Zermah vernam toen eenige woorden, die tusschen twee naderende personen gewisseld werden. Zij schreed zacht en onhoorbaar naar de deur en luisterde aandachtig. Het eerst herkende zij de stem van Squambo, daarna die van den Spanjaard Texar.Eene huivering overviel haar.Wat kwam die ellendeling op dit late uur in het fortje uitrichten? Gold het thans een nieuwen aanslag op de mestische vrouw en het kind? Zouden zij uit hun vertrek gesleurd worden om naar eene nog verder afgelegen schuilplaats vervoerd te worden, naar een oord dat nog meer ondoordringbaar was dan de Zwarte Kreek?Alle die onderstellingen vertoonden zich in een ondeelbaar oogenblik voor Zermah’s geest en dreigden haar tot wanhoop te brengen... Maar hare geestkracht keerde weldra terug en zou haar niet meer begeven. Zij leunde tegen den deurpost en luisterde aandachtig.»Is er niets nieuws?” vroeg Texar.»Niets, meester,” antwoordde Squambo.»In het geheel niets?”»Neen, niets.”»En... hoe verhoudt gij u tot Zermah?”»Tot Zermah? Wat bedoelt gij?”»Heeft zij niets gevraagd?”»Integendeel, zeer veel.”»En?...”»Ik heb natuurlijk geweigerd hare vragen te beantwoorden.”»Goed zoo.”Er ontstond eene stilte van weinige oogenblikken. Daarna vervolgde de Spanjaard zijne ondervraging:»Zijn er pogingen gedaan?”»Welke pogingen?”»Om sedert de gebeurtenissen op Camdless-Bay tot uwe gevangenen door te dringen?”»O, dat is dikwijls beproefd.”»En?”»Steeds zonder welslagen.”Zermah begreep, toen zij dat antwoord vernam, dat er nasporingen naar haar en naar de kleine Dy gedaan waren. Maar door wien? Dat wenschte zij te vernemen.»Hoe zijt gij dat te weten gekomen?” vervolgde Texar.»Wel, ik ben herhaalde malen tot aan den oever der Sint John doorgedrongen,” antwoordde de Indiaan. »En weinige dagen geleden bespeurde ik eene sloep, die in de nabijheid van de monding der Zwarte Kreek ronddoolde. Zelfs is het eens gebeurd...”»Wat?” viel Texar ongeduldig in.»Dat twee mannen ontscheepten op een der eilandjes in die monding.”»Wie waren het?”»Master James Burbank en master Walter Stannard.”Bij die woorden kon Zermah hare aandoening ternauwernood bedwingen. Zij hield hare beide handen vast op haar borst geklemd, als vreesde zij dat de beide mannen daar buiten het bonzend kloppen van haar hart zouden kunnen hooren. Het waren dus master James Burbank en master Walter Stannard, die daar in de nabijheid van de Zwarte Kreek gezien waren? De verdedigers van Castle House waren dus niet omgekomen bij den aanval op de plantage!En als zij met hunne nasporingen begonnen waren, dan was dat een onfeilbaar bewijs, dat zij met de ontvoering van het kind en de mestische bekend waren. En als zij daarmede bekend waren, dan kon het niet anders of mevrouw Burbank en miss Alice Stannard hadden het hun gezegd. Dus die twee dames hadden naar Castle House kunnen terugkeeren, nadat zij den laatsten kreet vernomen hadden, die door Zermah geslaakt was en waarmede zij om hulp tegen Texar geroepen had.Master James Burbank was dus op de hoogte van al het gebeurde. Hij wist den naam van den ellendeling, die zich aan al die misdaden had schuldig gemaakt. Misschien giste hij de plek, die tot gedwongen verblijf der slachtoffers aangewezen was? O, als dat het geval was, dan zou hij wel middelen weten uit te denken om tot haar te geraken! Dat kon niet missen! Dat was ontwijfelbaar!Die aaneenschakeling van feiten en gedachten vormde zich als het ware oogenblikkelijk in het brein van Zermah. Zij werd met eene onmetelijke hoop vervuld—eene hoop, die evenwel dadelijkin duigen viel, toen zij den Spanjaard en den Indiaan het gesprek volgenderwijze hoorde voortzetten.»Jawel, laten zij maar zoeken! Zij zullen niet vinden!” sprak Texar hoonend.»Misschien,” bracht Squambo bedachtzaam in het midden. »Het zou misschien voorzichtig zijn naar eene andere schuilplaats voor die vrouw en dat kind om te zien.”»Onnoodig,” antwoordde de Spanjaard.»Dunkt u dat?”»Ja, volkomen onnoodig; want over eenige dagen zal master James Burbank niet meer te vreezen zijn”»Zoo... dat is wat anders.”Wat beteekenden die woorden? De arme kleurlinge begreep ze niet. In ieder geval, in den mond van den man, die aan het hoofd der regeering van Jacksonville stond, behelsden zij eene schrikwekkende bedreiging. Dat viel inderdaad niet te ontkennen.»En nu Squambo,” zoo ging de Spanjaard voort, »heb ik uwe diensten noodig.”»Tot uwe bevelen, meester,” sprak de Indiaan.»Slechts gedurende een uur.”»Spreek, ik ben geheel tot uw dienst.”»Volg mij dan.”»Dadelijk.”Een oogenblik later hadden zij beiden hun intrek in de slaapkamer van den Indiaan genomen.Wat voerden zij daar uit? Behandelden zij daar een geheim, dat Zermah zou kunnen benutten? In haren toestand mocht zij inderdaad niets verwaarloozen of veronachtzamen, wat tot redding van de kleine Dy en van haar zelve kon strekken.De deur van de slaapkamer der kleurlinge werd, zooals men weet, nimmer op slot gesloten, zelfs niet des nachts. Die voorzorg zou dan ook geheel nutteloos moeten heeten, daar het reduit van het fortje behoorlijk afgesloten en gegrendeld kon worden, en Squambo den sleutel steeds bij zich droeg. En op Squambo kon Texar ten volle rekenen, dat wist hij.Het was dus feitelijk onmogelijk om buiten het fortje te geraken, en derhalve ook om eene ontvluchting te beproeven.Zermah kon dan ook de deur harer kamer open maken. Zij deed dat zoo stil mogelijk en trad daarna naar buiten, waarbij zij haren adem inhield, bevreesd als zij was om gehoord te worden.Dikke duisternis heerschte alom. Slechts eenige spaarzame lichtstralen schenen door de reten van de deur van het vertrek des Indiaans.Zermah naderde die deur en keek door een der voegen, die iets breeder uitgevallen was dan de anderen.Wat zij nu zag, kwam haar zoo zonderling voor, dat zij er de beteekenis onmogelijk van begreep.Hoewel het vertrek slechts verlicht werd door een eenig eindje kaars, dat van hars vervaardigd was en derhalve eene walmende vlam opleverde, die weinig helderheid verspreidde, was het toch voldoende voor den Indiaan, die met een zeer geheimzinnigen en kieskeurigen arbeid bezig was.Texar zat voor hem; hij had zijn lederen wambuis uitgetrokken en de linkermouw van zijn hemd opgestroopt, zoodat de arm bloot was. Dien arm hield hij uitgestrekt op eene kleine tafel, onmiddellijk onder de lichtstralen van de harskaars. Een papier van zonderlingen vorm en met kleine gaten doorprikt, lag op de binnenvlakte van den voorarm. Door middel van eene zeer fijne naald prikte Squambo in de huid door de gaatjes van dat papier. Het was eigenlijk eene tatoueerings-bewerking, welke de Indiaan uitvoerde, en in zijne hoedanigheid van stamgenoot der Seminolen moest hij daarin zeer behendig zijn.En inderdaad, hij volvoerde haar met zeer veel bedrevenheid en met zulke lichte hand, dat de buitenhuid alleen door de punt der naald aangetast werd, zonder dat de Spanjaard de minste smart ondervond.Toen die bewerking ten einde gebracht was, lichtte Squambo het papier op, greep toen een bosje bladeren van een plant, door Texar medegebracht, en wreef daarmede den voorarm van zijn meester in. Het sap dier plant geraakte daarbij in de wondjes, door de naaldenprikken veroorzaakt, en bracht eene hevige jeuking teweeg, hetgeen den Spanjaard betrekkelijk weinig deerde.Nadat de geheele bewerking geëindigd was, bracht Squambo het eindje kaars dicht bij het getatoueerde gedeelte. Een roodachtige teekening vertoonde zich toen op de huid van Texar’s voorarm. Die teekening was eene zuivere reproductie van die, welke door de naaldgaatjes op het papier gevormd werd. De overbrenging was met de grootste nauwkeurigheid geschied. Het waren reeksen van gestippelde lijnen die elkander kruisten en een der symbolieke figuren daarstelde van de geloofsbelijdenis der Seminolen.Dat merk was onuitwischbaar op den arm gegrift, waarop Squambo het zoo nauwkeurig mogelijk getatoueerd had.Zermah had dat alles gezien, maar, zooals reeds gezegd werd, zonder er iets van te begrijpen.Welk belang had de Spanjaard Texar er bij, met dat tatoueerwerk versierd te worden? Waartoe dat »merkbare teeken”, om de taal der signalementen op de paspoorten getrouw te blijven? Wilde hij dan voor een Indiaan doorgaan? Dat zoude noch de tint zijner huid, noch zijne persoonlijke geaardheid gedoogen. Moest men dusniet een soort van verband tusschen dit teeken zien en dat hetwelk onlangs op die Floridasche reizigers, die in handen van Seminolen-Indianen in het noorden van het graafschap gevallen waren, toegepast was? En wilde Texar door dat middel weer de mogelijkheid te voorschijn roepen, om andermaal een dier onverklaarbare alibi’s te kunnen inroepen, waarvan hij tot nu toe met zooveel welslagen partij getrokken had?Inderdaad was dit wellicht weer een zijner streken. De toekomst zal dat wel uitmaken.Een ander vraagstuk deed zich toen in het brein van Zermah voor.Zou de Spanjaard thans met geen ander doel op het lagune-eilandje en in het fortje gekomen zijn, dan om de behendigheid van Squambo in zake tatoueering op de proef te stellen? Zou hij, nu de bewerking afgeloopen was en het geheimzinnige teeken prachtig op zijn arm gegrift stond, de Zwarte Kreek verlaten om naar noordelijk Florida en naar Jacksonville, waar zijne partijgangers nog den baas speelden, terug te keeren?Of zou hij niet eerder voornemens zijn in het fortje te blijven totdat de dag zou zijn aangebroken, en van de gelegenheid gebruik maken om de kleurlinge voor zich te doen verschijnen en omtrent zijne gevangenen de een of andere nieuwe beslissing te nemen?Hieromtrent werd Zermah spoedig genoeg gerustgesteld.De Spanjaard stond van zijn zetel op en naderde de deur, om het reduit te verlaten. De mestische vloog naar hare kamer terug, en kon die gelukkig nog ongemerkt bereiken. Daar stond zij tegen de in haast gesloten deur geleund en hoorde de ettelijke volzinnen, die toen nog tusschen den Indiaan en zijn meester gewisseld werden.»Waak met nog meer zorg dan vroeger,” zei Texar.»Daar kunt gij staat op maken.”»Ik kan u dat niet genoeg inprenten.”»Wees gerust, op mij kunt gij u verlaten,” antwoordde Squambo. »Maar wanneer...”»Wat wilt gij zeggen?”»Wanneer master James Burbank de Zwarte Kreek ontdekt?”...»Die zal hij toch wel kennen, dunkt me.”»Maar, wanneer hij het verblijf hier van het kind en de kleurlinge in den neus krijgt?”...»Dat zal hij niet.”»Maar het zou toch kunnen.”»Hebt gij dan reeds vergeten, wat ik straks zeide, Squambo.”»Wat was dat, meester?”»Luister. Ik zeide, dat James Burbank over eenige dagen niet meer te vreezen zal zijn.”»Is dat wel zoo zeker?” vroeg de Indiaan.»Zeer zeker. Daarenboven, als het zoo ver mocht komen, dan weet ge waarheen gij het kind en de mestische moet brengen.”»Jawel, dat weet ik.”»Welnu, volbreng dan stipt mijne orders... ik zal mij dan daar bij u vervoegen.”»Ja, meester.”»Maar, waarom doet gij al die vragen? Gij schijnt angstvallig.”»Men kan nooit weten; het geval kon zich voordoen, dat Gilbert, de zoon van master James Burbank, dat Mars, de echtgenoot van Zermah...”»Wees toch gerust!”»Ja maar...”»Eer wij tweemaal vier en twintig uren verder in het leven zijn, zijn ook die in mijne macht,” antwoordde Texar. »En als ik ze in handen zal hebben, dan...”De beide mannen waren aan het einde van de gang, waarop de kamer van Zermah uitkwam. Zij kon het einde van dien volzin niet meer hooren, die zoo dreigend voor haren echtgenoot en ook voor Gilbert Burbank, den zoon van haren meester, was.Texar en Squambo verlieten toen het fortje, waarna de poort achter hen gesloten werd.Weinige oogenblikken later verliet de squif, door den Indiaan bestuurd, het eilandje en stevende door de sombere kronkelingen van de uitgestrekte lagune. Daar buiten gekomen, ontmoetten zij een vaartuig, dat in de monding der Zwarte Kreek, evenwel op stroom der Sint John, den Spanjaard lag te wachten.Daar scheidden de beide booswichten van elkander, nadat de een zijne aanbevelingen den ander nog eens herhaald had. Daarna stevende Texar, door den ebstroom snellijk voortgestuwd, in de richting van Jacksonville.Hij kwam daar bij het krieken van den dag aan en juist bijtijds, om zijne verfoeielijke plannen ten uitvoer te leggen.Inderdaad, weinige dagen later was Mars in de diepte der Sint John verdwenen en was Gilbert Burbank als verrader ter dood veroordeeld.Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz. 22.)Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz.22.)

Den volgenden ochtend, op den 3denMaart, trad Squambo tegen acht uren het vertrek, waarin Zermah den nacht doorgebracht had, binnen. Hij bracht voedingsmiddelen—wat brood, een stuk koud wildbraad, vruchten, een kruik vrij sterk bier en een karaf met water, alsook eenige tafelbenoodigdheden, als borden, lepels, vorken, messen, glazen enz. Ter zelfder tijd plaatsten een paar negers een oudachtig meubelstuk in een hoek, dat als toilettafel en kastje dienst moest doen en waarin eenig linnengoed, als beddelakens, handdoeken, servetten en andere kleine benoodigdheden besloten waren, die de mestische vrouw zoowel voor haar als voor de kleine Dy zou kunnen gebruiken.

Het kleine meisje sliep gelukkig nog. Zermah had Squambo met een gebaar gesmeekt, haar toch niet wakker te maken.

Toen de negerslaven het vertrek verlaten hadden, vroeg Zermah den Indiaan met fluisterende stem:

»Wat wil men toch met ons?”

»Dat weet ik niet,” antwoordde Squambo.

»Weet gij dat niet?”

»Waarlijk niet!”

»Welke bevelen hebt gij van Texar ontvangen?”

»Waarom moest ik juist bevelen van Texar ontvangen?” was de wedervraag van den Indiaan.

»Och, die drijft hier te lande alles. Dat weet iedereen.”

»Toch zoudt ge u kunnen vergissen.”

»Om het even van wien ge uwe bevelen hebt,” antwoordde Zermah, »zeg mij wat zij betreffen?”

»Juist, die zal ik u mededeelen, in de verwachting dat gij ze stipt zult opvolgen.”

»Ik luister.”

»Zoolang gij hier zult vertoeven, zal deze kamer de uwe zijn en zult gij des nachts in het reduit van het fortje opgesloten zijn.”

En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz. 15).En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz.15).

En volgde het vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek. (Bladz.15).

»Des nachts?... Alleen des nachts?”

»Ja, des nachts.”

»Maar overdag?”

»Dan zult ge binnen de omheinde ruimte kunnen rondwandelen, zooveel gij zult willen.”

»Rondwandelen?”

»Ja.”

»Zoolang als wij hier zullen vertoeven,... zeidet gij straks,” hernam Zermah. »Waar zijn wij hier eigenlijk?”

»Waar gij zijt?... Wel op de plek, waarheen ik u voeren moest.”

Zermah keek hem doordringend aan. Zij begreep dat de Indiaan niet praten wilde. Toch waagde zij nog eene vraag:

»En zullen wij er lang blijven?”

»Gij zijt nog al nieuwsgierig uitgevallen, dunkt me,” grinnikte de Indiaan.

»Nieuwsgierig of niet, antwoordt mij,” bad de kleurlinge.

»Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd,” antwoordde Squambo. »Wat ik kan mededeelen, heb ik u medegedeeld. Het is verder onnoodig mij te vragen, want ik zal niet meer antwoorden.”

»Gij vertrouwt u zelven niet, naar ik vermeen.”

»Wel mogelijk.”

En inderdaad, Squambo, die niet meer wilde zeggen dan hij gezegd had, verliet na die korte woordenwisseling het vertrek en liet Zermah bij het kleine kind alleen.

Deze bekeek toen de kleine Dy, die voortging met zoo gerust mogelijk te slapen. Een paar tranen pinkte de brave vrouw tusschen de oogwimpers. Zij veegde ze onmiddellijk af, want het kind mocht bij het ontwaken niet bespeuren, dat zij geweend had. Het was toch van het grootste belang, dat de kleine meid langzamerhand aan haren nieuwen toestand gewende.

Die toestand vertoonde zich evenwel zeer dreigend, daar men met een vijand als dien ellendigen Spanjaard, op alles voorbereid moest zijn.

Zermah dacht na over al hetgeen sedert den vorigen dag geschied was.

Zij had goed en wel gezien, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard langs den oever der Sint John voortstapten, terwijl het vaartuig naar het midden der rivier stevende en zich dus van hen verwijderde. Hun wanhopig geroep, hunne hartverscheurende kreten hadden wel degelijk haar oor bereikt. Maar zouden zij Castle House weer bereikt hebben, zouden zij weer langs den tunnel in het belegerde heerenhuis hebben kunnen geraken, om aan master James Burbank en zijne metgezellen bericht te kunnen geven van de nieuwe ramp die hen getroffen had? Zouden zij niet in handenvan de handlangers van den Spanjaard gevallen zijn? Zouden zij dan niet ver van Camdless Bay gevoerd zijn? Misschien waren zij wel gedood!

O, als dat het geval was, dan zou master James Burbank niet bekend worden met de afschuwelijke misdaad, dat zijn dochtertje met Zermah ontvoerd was. Hij zou dan natuurlijk in de meening verkeeren, dat zijne echtgenoote, dat miss Alice Stannard, dat de kleine Dy en dat de mestische zich in de Marino Kreek hadden kunnen inschepen, dat die vluchtelingen de schuilplaats bij de Ceder-rots hadden kunnen bereiken, alwaar hij haar in veiligheid moest wanen. Hij zou dan even natuurlijk geen onmiddellijke nasporingen instellen om de ontvoerden weer te vinden!...

En.... al nam men ook al aan, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard binnen Castle House hadden kunnen geraken, ook dat master James Burbank thans op de hoogte van alles was, was het dan nog niet te duchten dat het heerenhuis bedwongen, dat het door de aanvallers bij storm genomen, dat het uitgeplunderd, in brand gestoken, in een woord vernietigd was?

Wat zou er in dit geval van de moedige en vastberaden verdedigers geworden zijn?

Zouden zij krijgsgevangen gemaakt of in den verwoeden strijd omgekomen zijn?

Maar gevangen of dood, Zermah gevoelde het, dat zij dan geen bijstand van hunne zijde te wachten had. Zelfs wanneer de Noordelijken meester van de Sint John geworden zouden zijn, rekende zij zich verloren. Want noch Gilbert Burbank, noch Mars zouden vernemen, de eene dat zijn zusje, de andere dat zijne wederhelft op dat schier onbekende eilandje van de Zwarte Kreek gevangen gehouden en ten nauwkeurigste bewaakt werden.

Welnu, wanneer dat het geval mocht zijn, wanneer Zermah op niemand anders dan op haar eigen persoon kon rekenen, dan zou haar hare geestkracht toch niet begeven. Zij zou alle mogelijke pogingen aanwenden om dat kleine kind te redden, dat wellicht niemand meer dan hare trouwe min op de wereld bezat.

Haar geheele bestaan zou zich op een eenig doel richten, haar geheel denkvermogen zou slechts eene eenige gedachte koesteren, namelijk: de vlucht! Geen uur, geene minuut zou zij laten voorbijsnellen, zonder dat zij daadwerkelijk of met den geest bezig zoude zijn om de middelen tot die vlucht voor te bereiden.

En toch, zou het mogelijk zijn, gadegeslagen als zij werd door den Indiaan Squambo en door zijne negerslaven, het fortje te kunnen verlaten? Zou het mogelijk zijn aan de woeste speurhonden, die rond de afgesloten ruimte omdoolden, te kunnen ontsnappen? Zou het mogelijk zijn, dat eilandje, hetwelk als verloren te beschouwenwas te midden van de duizenden kronkelingen van het doolhof dier lagune, te kunnen ontvluchten?

Ja, mogelijk zou dat zijn, mits zij in het geheim door een der negerslaven van den Spanjaard, die de doorvaarten van dit labyrint behoorlijk kende, geholpen werd.

Waarom zou het uitzicht eener groote belooning niet een dier mannen verlokken tot het verleenen van hulp aan Zermah bij die ontvluchting?...

Ziet, het is daaraan, dat ze al haar krachten ging wijden.

Intusschen was de kleine Dy ontwaakt. Het eerste wat zij deed, nadat zij hare oogjes uitgewreven had, was hare moeder te roepen. Daarna liet zij den blik door het vertrek waren. De herinnering aan het gebeurde daags te voren doemde op. Zij bespeurde Zermah, sprong van hare legerstede op en liep naar de mestische toe.

»Zermah!... Goede, beste Zermah!...” fleemde het kind.

»Wat is er Dy?” vroeg de goede vrouw.

»O, ik ben zoo bang!”

»Bang?”

»Ja, zeer bang!”

»Gij moet niet bang zijn, Dy!”

»Toch ben ik het.”

»Ik ben immers bij u, lieve!”

»Waar is mama?...”

»Die komt... straks...”

»Straks, Zermah?”

»Wij zijn genoodzaakt geweest te vluchten...”

»Te vluchten, Zermah?...” vroeg het meisje.

»Ja, te vluchten, Dy... Dat herinnert gij u toch nog?”

»Maar, mama?...”

»Die kon niet mede!”

»Niet?”

»Neen, die moest op Castle House blijven...”

»Maar, waar zijn wij hier, goede Zermah?”

»O, wij zijn hier in veiligheid!... Hier is niets te duchten...”

»Maar, mama... en papa?...”

»Zoodra master James Burbank hulp zal erlangd hebben, zal hij ons komen afhalen...”

Dy keek Zermah met een doordringenden blik aan, alsof zij wilde zeggen:

»Is dat wel waar?”

Zermah werd verlegen onder den drang dier kinderlijke vragen. Maar vóór alles wilde zij het lieve meisje geruststellen. Daarom antwoordde zij:

»Ja, Dy, ja, dat is waar! Master Burbank heeft mij aanbevolen hem hier te wachten.”

»Maar, die mannen dan, Zermah?...”

»Welke mannen, lieve?”

»Die ons in hun vaartuig vervoerd hebben... Ik ken ze niet...”

»Wel, dat waren ondergeschikten van master Harvey...”

»Van master Harvey, Zermah?...”

»Ja, lieve, van master Harvey, gij kent hem toch wel... de vriend van uw papa, die te Jacksonville woont...”

»Maar, waar zijn wij hier?”

»Op zijne villa HamptonRed!...”

»Dit eene villa?.... Dit HamptonRed?....” vroeg het kind, wantrouwend rondkijkende.

Zermah wist niet meer wat te antwoorden. Jokken gaat niet iedereen gemakkelijk af.

»En mama... en Alice, die bij ons waren...” ging Dy met kinderlijke vasthoudendheid voort. »En mama... en Alice, waarom zijn die niet hier?”

»Master Burbank, uw papa heeft ze teruggeroepen... Herinnert gij u dat niet, Dy?”

»Neen, goede Zermah, daarvan herinner ik mij niets.”

»Hij heeft ze teruggeroepen, juist op het oogenblik, toen ze bij ons in het vaartuig wilden stappen...”

»Hoe jammer, niet waar?”

»Zoodra die booze lieden van Camdless-Bay verjaagd zullen zijn, zal men ons komen afhalen...”

»God geve het, Zermah... O, ik ben zoo bang!...”

»Kom, niet huilen, lieve... En wees niet meer bang!... Zelfs al moesten wij hier nog eenige dagen verblijven.”

»Eenige dagen?” vroeg het kind.

»Ja, wij zijn hier goed verborgen, wees gerust!... En kom, laat ik mijn lieveling nu aankleeden.”

De kleine Dy vestigde steeds haren doorborenden blik op Zermah, en niet zonder reden; want deze had een diepen zucht niet kunnen beletten zich baan te breken. Helaas, die goede vrouw had het lieve kind bij haar ontwaken niet kunnen toelachen, zooals zij steeds gewoon was te doen. Thans kwam het er evenwel vóór alles op aan om haar bezig te houden en hare gedachten te verstrooien.

Daarop legde zich Zermah met de meeste teederheid en de meeste zorgvuldigheid toe.

Zij kleedde het meisje met evenveel zorg, alsof zij zich nog in hare fraaie kamer van Castle-House bevond en tegelijkertijd poogde zij haar met vertellingen bezig te houden.

Daarna at de kleine Dy een weinig van het brood en vleesch,dat door Squambo binnen gebracht was, terwijl Zermah dat eerste ontbijt van het meisje deelde.

»En nu, lieve Dy... als gij wilt zullen wij buiten... in de afgeschoten ruimte... eene wandeling gaan doen,” sprak de mestische.

»Is de villa van master Harvey mooi?” vroeg het kind.

»De villa van master Harvey?...” vroeg Zermah.

»Ja, de villa, waarin wij ons bevinden...”

»Mooi?... Neen dat niet!...” antwoordde de mestische. »Ik geloof zelfs dat het een oud krot is! Maar er zijn toch boomen, waterstroomen, wegen, in een woord alles wat verlangd kan worden, om eene aangename wandeling te maken.”

»Een oud krot!...” pruilde het kind.

»Ja, maar... wij zullen er slechts weinige dagen blijven,” stelde Zermah haar gerust. »Gedurende dat kort tijdperk zult gij geene gelegenheid hebben u te kunnen vervelen, en bovendien...”

»Wat, Zermah? Wat?”

»Wanneer gij zoet zult wezen, zal mama zeer tevreden zijn.”

»Ja, goede Zermah... ja!... ik zal zoet zijn,” antwoordde het meisje.

»Dan zal het goed zijn, Dy!”

De kamerdeur was niet op slot gesloten. Zermah nam het kind bij de hand en beiden traden naar buiten. Eerst bevonden zij zich in de binnenruimte van het centraal-reduit, die haar zeer somber toescheen. Maar een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte, waardoor de zonnestralen slechts spaarzaam vermochten door te dringen.

De oppervlakte van de omheinde binnenruimte was niet uitgestrekt—een bunder ongeveer, waarvan nog het blokhuis, dat er het grootste gedeelte van besloeg, moest afgetrokken worden. De palissadeering, die het geheel omgaf, belette Zermah om de ligging van het eilandje te midden van de lagune te gaan verkennen. Alles wat zij door de spaarzame ruimte der oude poterne daar buiten kon waarnemen, was dat een vrij breed kanaal met vuil troebel water het van de naburige eilandjes scheidde. Eene vrouw en een kind zouden dus slechts zeer moeilijk uit dat fortje en van dat eiland kunnen ontsnappen.

Voor het geval zelfs dat Zermah een vaartuig zoude kunnen bemachtigen, viel er niet aan te denken uit dit doolhof zonder gids te geraken. Wat de brave vrouw daarenboven onbekend bleef, was dat de Spanjaard Texar en de Indiaan Squambo de toegangs-vaarwaters tot die eilandengroep alleen kenden. De negers, die in het fortje aanwezig waren, verrichtten slavendiensten en verlieten het eilandje nooit. Zij waren nimmer daarbuiten geweest en wisten niet, waar hun meester hen huisvestte.

Om den oever der Sint John, zoowel als de grenzen van het moeras, hetwelk de lagune aan den westkant omgaf, te bereiken, zou Zermah zich geheel aan het toeval moeten overgeven. En onder dit vooruitzicht de vlucht te ondernemen, was het verderf voorwaar te gemoet rennen.

Bovendien bemerkte de mestische, die zich van den toestand rekenschap trachtte te geven, in de eerstvolgende dagen wel, dat zij zeer waarschijnlijk geen hulp of bijstand van de slaven van Texar te verwachten had. Dat waren voor het meerendeel half verdierlijkte negers, die hoegenaamd geen aanlokkelijk voorkomen hadden. Het is waar, zij waren door den Spanjaard niet aan den ketting geklonken; maar daarom misten zij toch op dat eilandje hunne vrijheid.

De voortbrengselen van den grond, welken die slaven bewerken moesten, voorzagen voldoende in hun onderhoud, zoodat zij over hunne voeding niet te klagen hadden. Zij waren verslaafd aan den sterken drank, waarvan Squambo hen een niet te spaarzaam ration uitdeelde. Zij hadden er volstrekt geen belang bij, hun toestand veranderd te zien, en waren dan ook bij uitstek geschikt om het fortje te bewaken en als het mocht voorkomen het te verdedigen. De slavernij-quaestie, die zich op weinige mijlen buiten de Zwarte Kreek ontwikkelde en daar alle gemoederen van hartstochten deed blaken, liet deze negers koud.

De vrijheid verkrijgen?... De vrijheid!... Waartoe?... En wat zouden zij er meê aanvangen?...

Texar zorgde voor hun bestaan en Squambo mishandelde hen niet, hoewel deze er toch wel de man voor was om ieder hoofd, dat zich tegenover hem zou willen verheffen, met woest gebaar te verbrijzelen.

De vrijheid!... Zij dachten er zelfs niet aan. Het waren verdierlijkte wezens, die op lageren trap stonden dan de speurhonden, die om het fortje ronddoolden. Het zou inderdaad geene overdrijving mogen genoemd worden, wanneer beweerd werd, dat die dieren hen in verstandelijk begrip overtroffen. Zij toch kenden het samenstel en den omvang der kreek. Zij zwommen ongehinderd de veelvuldige vaarwaters door en over. Zij bezochten al de eilandjes het eene na het andere, waarbij hen hun instinct zeer te stade kwam, om te beletten dat zij verdwaalden. Hun geblaf weerklonk soms tot op den linker oever van de Sint John. Maar hoe ver zij ook hunne tochten uitstrekten, de trouwe dieren keerden bij het vallen van den avond naar het blokhuis terug.

Geen vaartuig hoegenaamd zou de Zwarte Kreek kunnen binnendringen, zonder dat die geduchte bewakers het ontwaard en zijne nadering door hevig blaffen verkondigd zouden hebben. Niemand bovendien zoude, Squambo en Texar uitgezonderd, het fortje kunnenverlaten, zonder gevaar te loopen door die wilde nakomelingen van het Caraïbische hondengeslacht verscheurd te worden.

Toen Zermah opgemerkt had, welke waakzaamheid rondom het fortje betracht werd, welke maatregelen getroffen waren, om ontvluchting te voorkomen, was zij zeer bedroefd. Zij begreep, dat zij van hare bewakers hoegenaamd geen hulp te verwachten had. Iedere andere minder moedige en geestkrachtvolle vrouw zou der wanhoop ten prooi geworden zijn. Met haar was dit toch niet het geval.

Wanneer hulp van buiten zoude komen opdagen, dan kon die niet anders komen dan van master James Burbank, wanneer die in zijne handelingen onbelemmerd zoude zijn, en van Mars, wanneer de mesties vernemen zoude, onder welke omstandigheden zijne echtgenoote verdwenen was.

Maar, wanneer die hulp uitblijven zoude, dan moest de heldhaftige vrouw slechts op haar eigen persoon rekenen, om het kleine kind te redden. En bij die taak zou haar de moed niet ontzinken.

Zermah, die zich met de kleine Dy geheel geïsoleerd te midden van die lagune bevond, zag zich slechts omringd door woestuitziende gezichten. Toch meende zij op te merken, dat een der negerslaven, die nog jeugdig was, haar met eene zekere meewarigheid, ja met deernis beschouwde. Zou die omstandigheid reden tot hopen kunnen geven?

Zou zij hem kunnen vertrouwen? Zou zij hem de ligging van Camdless Bay mogen uitduiden, hem trachten over te halen om zich naar Castle House te begeven? Dat viel te betwijfelen. Daarenboven, Squambo scheen de belangstelling van den slaaf bemerkt of geraden te hebben; want deze werd eenvoudig ter zijde gehouden. Zermah ontmoette hem althans niet meer bij hare wandelingen in de omheinde ruimte.

Zoo gingen verscheidene dagen voorbij, zonder dat er verandering in den toestand kwam. Zermah en de kleine Dy genoten de meest mogelijke vrijheid om te gaan en te komen, zooals zij wilden. Zelfs des nachts werden zij niet opgesloten. Squambo wist toch maar al te goed, dat het haar niet mogelijk zoude zijn het centraal reduit te verlaten.

De Indiaan sprak haar nimmer aan, zoodat Zermah er dan ook van had moeten afzien hem te ondervragen en inlichtingen van dien botterik in te winnen. Hij verliet het eilandje geen enkel oogenblik. Men gevoelde dat hij ieder oogenblik van den dag en van den nacht waakzaam was.

Zermah’s zorgen strekten zich dus alleen over het kind uit, dat helaas! onophoudelijk er op aandrong, om naar hare moeder gebracht te worden, of haar ten minste weer te zien.

Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz. 18.)Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz.18.)

Squambo, die niet meer wilde zeggen, verliet na een korte woordenwisseling het vertrek. (Bladz.18.)

»Mama?.. Waar is mama?” kreet de kleine Dy.

»Zij komt!” antwoordde Zermah.

»Maar wanneer?”

»Straks of morgen.”

»Hoe weet gij dat, Zermah?”

»Ik heb tijding ontvangen, lieve.”

»En papa?”

»Uw papa... Die zal ook komen, Dy. Die komt met miss Alice.”

En als het rampzalige schepsel die antwoorden gegeven had, wist zij waarlijk niet meer wat te verzinnen. Dan poogde zij het meisje, dat meer nadenken en meer verstand aan den dag legde, dan wel met haren leeftijd overeenkwam, zooveel mogelijk te verstrooien, wat niet gemakkelijk was.

Zoo gingen de 4e, de 5e en de 6e Maart voorbij.

Voortdurend spitste Zermah de ooren, om zich te vergewissen of in de verte geene losbrandingen van geschut vernomen werden, die aanduiden konden, dat de federalistische flottilje van kanonneerbooten de Sint John binnengedrongen was. Maar zij had niets gehoord. Geen knal, geen geschreeuw, niets, niets! De diepste stilte heerschte te midden van de eenzaamheid der Zwarte Kreek.

Daaruit kon en moest afgeleid worden, dat Florida nog niet in het bezit van de krijgsmacht der Unie was. Dat verontrustte de goede vrouw zeer. Want, al waren master James Burbank en zijne metgezellen ook al in de onmogelijkheid gesteld om handelend op te kunnen treden, zoo zou zij toch op de tusschenkomst van Gilbert Burbank en van Mars kunnen rekenen. Wanneer toch de kanonneerbooten de rivier binnengedrongen waren, zouden zij toch de oeverstreken doorzocht hebben en dan zouden belanghebbenden wel tot het lagune-eilandje doorgedrongen zijn. Zij zouden toch wel door wien ook van het dienstpersoneel van Camdless Bay in kennis gesteld zijn van hetgeen voorgevallen was.

Maar.... niets, niets duidde er op, dat een gevecht op de rivier plaats had gehad.

Wat ook zonderling en opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat de Spanjaard zich nog geen enkelen keer, hetzij des nachts, hetzij over dag, in het fortje vertoond had. Zermah ten minste had, hoe wantrouwend hare blikken ook rondwaarden, niets bespeurd, wat haar tot een ander gevoelen kon brengen. Maar in weerwil daarvan sliep zij slechts weinige oogenblikken en in die lange uren van slapeloosheid spitste zij de ooren, maar steeds te vergeefs.

Daarenboven, wat zou zij hebben kunnen doen, wanneer Texar in de Zwarte Kreek verschenen was en hij haar voor zich had doen brengen?

Zou hij hare smeekingen verhoord hebben? Of zou hij acht geslagen hebben op hare bedreigingen?

En zou de aanwezigheid van den Spanjaard niet meer te duchten zijn dan zijn afwezigheid?

Nu zat Zermah in den avond van den 6denMaart voor de duizendste maal aan dit alles te denken. Het was ongeveer elf uren, en de kleine Dy was in een vrij gerusten slaap gedompeld. De kamer, die haar beiden tot cel diende, was in diepe duisternis gehuld. Geen enkel gerucht werd van buiten gehoord, tenzij men het zuchten der bries door de voegen der halfvergane planken-omwanding van het blokhuis daarvan zou willen uitzonderen.

In dit oogenblik scheen het der mestische toe, dat in het binnengedeelte van het reduit geloopen werd. Zij onderstelde, dat het de Indiaan Squambo was, die, nadat hij rondom de omheinde omwalling zijne gewone ronde-wandeling afgelegd had, naar zijne slaapkamer ging, welke tegenover de hare gelegen was.

Zermah vernam toen eenige woorden, die tusschen twee naderende personen gewisseld werden. Zij schreed zacht en onhoorbaar naar de deur en luisterde aandachtig. Het eerst herkende zij de stem van Squambo, daarna die van den Spanjaard Texar.

Eene huivering overviel haar.

Wat kwam die ellendeling op dit late uur in het fortje uitrichten? Gold het thans een nieuwen aanslag op de mestische vrouw en het kind? Zouden zij uit hun vertrek gesleurd worden om naar eene nog verder afgelegen schuilplaats vervoerd te worden, naar een oord dat nog meer ondoordringbaar was dan de Zwarte Kreek?

Alle die onderstellingen vertoonden zich in een ondeelbaar oogenblik voor Zermah’s geest en dreigden haar tot wanhoop te brengen... Maar hare geestkracht keerde weldra terug en zou haar niet meer begeven. Zij leunde tegen den deurpost en luisterde aandachtig.

»Is er niets nieuws?” vroeg Texar.

»Niets, meester,” antwoordde Squambo.

»In het geheel niets?”

»Neen, niets.”

»En... hoe verhoudt gij u tot Zermah?”

»Tot Zermah? Wat bedoelt gij?”

»Heeft zij niets gevraagd?”

»Integendeel, zeer veel.”

»En?...”

»Ik heb natuurlijk geweigerd hare vragen te beantwoorden.”

»Goed zoo.”

Er ontstond eene stilte van weinige oogenblikken. Daarna vervolgde de Spanjaard zijne ondervraging:

»Zijn er pogingen gedaan?”

»Welke pogingen?”

»Om sedert de gebeurtenissen op Camdless-Bay tot uwe gevangenen door te dringen?”

»O, dat is dikwijls beproefd.”

»En?”

»Steeds zonder welslagen.”

Zermah begreep, toen zij dat antwoord vernam, dat er nasporingen naar haar en naar de kleine Dy gedaan waren. Maar door wien? Dat wenschte zij te vernemen.

»Hoe zijt gij dat te weten gekomen?” vervolgde Texar.

»Wel, ik ben herhaalde malen tot aan den oever der Sint John doorgedrongen,” antwoordde de Indiaan. »En weinige dagen geleden bespeurde ik eene sloep, die in de nabijheid van de monding der Zwarte Kreek ronddoolde. Zelfs is het eens gebeurd...”

»Wat?” viel Texar ongeduldig in.

»Dat twee mannen ontscheepten op een der eilandjes in die monding.”

»Wie waren het?”

»Master James Burbank en master Walter Stannard.”

Bij die woorden kon Zermah hare aandoening ternauwernood bedwingen. Zij hield hare beide handen vast op haar borst geklemd, als vreesde zij dat de beide mannen daar buiten het bonzend kloppen van haar hart zouden kunnen hooren. Het waren dus master James Burbank en master Walter Stannard, die daar in de nabijheid van de Zwarte Kreek gezien waren? De verdedigers van Castle House waren dus niet omgekomen bij den aanval op de plantage!

En als zij met hunne nasporingen begonnen waren, dan was dat een onfeilbaar bewijs, dat zij met de ontvoering van het kind en de mestische bekend waren. En als zij daarmede bekend waren, dan kon het niet anders of mevrouw Burbank en miss Alice Stannard hadden het hun gezegd. Dus die twee dames hadden naar Castle House kunnen terugkeeren, nadat zij den laatsten kreet vernomen hadden, die door Zermah geslaakt was en waarmede zij om hulp tegen Texar geroepen had.

Master James Burbank was dus op de hoogte van al het gebeurde. Hij wist den naam van den ellendeling, die zich aan al die misdaden had schuldig gemaakt. Misschien giste hij de plek, die tot gedwongen verblijf der slachtoffers aangewezen was? O, als dat het geval was, dan zou hij wel middelen weten uit te denken om tot haar te geraken! Dat kon niet missen! Dat was ontwijfelbaar!

Die aaneenschakeling van feiten en gedachten vormde zich als het ware oogenblikkelijk in het brein van Zermah. Zij werd met eene onmetelijke hoop vervuld—eene hoop, die evenwel dadelijkin duigen viel, toen zij den Spanjaard en den Indiaan het gesprek volgenderwijze hoorde voortzetten.

»Jawel, laten zij maar zoeken! Zij zullen niet vinden!” sprak Texar hoonend.

»Misschien,” bracht Squambo bedachtzaam in het midden. »Het zou misschien voorzichtig zijn naar eene andere schuilplaats voor die vrouw en dat kind om te zien.”

»Onnoodig,” antwoordde de Spanjaard.

»Dunkt u dat?”

»Ja, volkomen onnoodig; want over eenige dagen zal master James Burbank niet meer te vreezen zijn”

»Zoo... dat is wat anders.”

Wat beteekenden die woorden? De arme kleurlinge begreep ze niet. In ieder geval, in den mond van den man, die aan het hoofd der regeering van Jacksonville stond, behelsden zij eene schrikwekkende bedreiging. Dat viel inderdaad niet te ontkennen.

»En nu Squambo,” zoo ging de Spanjaard voort, »heb ik uwe diensten noodig.”

»Tot uwe bevelen, meester,” sprak de Indiaan.

»Slechts gedurende een uur.”

»Spreek, ik ben geheel tot uw dienst.”

»Volg mij dan.”

»Dadelijk.”

Een oogenblik later hadden zij beiden hun intrek in de slaapkamer van den Indiaan genomen.

Wat voerden zij daar uit? Behandelden zij daar een geheim, dat Zermah zou kunnen benutten? In haren toestand mocht zij inderdaad niets verwaarloozen of veronachtzamen, wat tot redding van de kleine Dy en van haar zelve kon strekken.

De deur van de slaapkamer der kleurlinge werd, zooals men weet, nimmer op slot gesloten, zelfs niet des nachts. Die voorzorg zou dan ook geheel nutteloos moeten heeten, daar het reduit van het fortje behoorlijk afgesloten en gegrendeld kon worden, en Squambo den sleutel steeds bij zich droeg. En op Squambo kon Texar ten volle rekenen, dat wist hij.

Het was dus feitelijk onmogelijk om buiten het fortje te geraken, en derhalve ook om eene ontvluchting te beproeven.

Zermah kon dan ook de deur harer kamer open maken. Zij deed dat zoo stil mogelijk en trad daarna naar buiten, waarbij zij haren adem inhield, bevreesd als zij was om gehoord te worden.

Dikke duisternis heerschte alom. Slechts eenige spaarzame lichtstralen schenen door de reten van de deur van het vertrek des Indiaans.

Zermah naderde die deur en keek door een der voegen, die iets breeder uitgevallen was dan de anderen.

Wat zij nu zag, kwam haar zoo zonderling voor, dat zij er de beteekenis onmogelijk van begreep.

Hoewel het vertrek slechts verlicht werd door een eenig eindje kaars, dat van hars vervaardigd was en derhalve eene walmende vlam opleverde, die weinig helderheid verspreidde, was het toch voldoende voor den Indiaan, die met een zeer geheimzinnigen en kieskeurigen arbeid bezig was.

Texar zat voor hem; hij had zijn lederen wambuis uitgetrokken en de linkermouw van zijn hemd opgestroopt, zoodat de arm bloot was. Dien arm hield hij uitgestrekt op eene kleine tafel, onmiddellijk onder de lichtstralen van de harskaars. Een papier van zonderlingen vorm en met kleine gaten doorprikt, lag op de binnenvlakte van den voorarm. Door middel van eene zeer fijne naald prikte Squambo in de huid door de gaatjes van dat papier. Het was eigenlijk eene tatoueerings-bewerking, welke de Indiaan uitvoerde, en in zijne hoedanigheid van stamgenoot der Seminolen moest hij daarin zeer behendig zijn.

En inderdaad, hij volvoerde haar met zeer veel bedrevenheid en met zulke lichte hand, dat de buitenhuid alleen door de punt der naald aangetast werd, zonder dat de Spanjaard de minste smart ondervond.

Toen die bewerking ten einde gebracht was, lichtte Squambo het papier op, greep toen een bosje bladeren van een plant, door Texar medegebracht, en wreef daarmede den voorarm van zijn meester in. Het sap dier plant geraakte daarbij in de wondjes, door de naaldenprikken veroorzaakt, en bracht eene hevige jeuking teweeg, hetgeen den Spanjaard betrekkelijk weinig deerde.

Nadat de geheele bewerking geëindigd was, bracht Squambo het eindje kaars dicht bij het getatoueerde gedeelte. Een roodachtige teekening vertoonde zich toen op de huid van Texar’s voorarm. Die teekening was eene zuivere reproductie van die, welke door de naaldgaatjes op het papier gevormd werd. De overbrenging was met de grootste nauwkeurigheid geschied. Het waren reeksen van gestippelde lijnen die elkander kruisten en een der symbolieke figuren daarstelde van de geloofsbelijdenis der Seminolen.

Dat merk was onuitwischbaar op den arm gegrift, waarop Squambo het zoo nauwkeurig mogelijk getatoueerd had.

Zermah had dat alles gezien, maar, zooals reeds gezegd werd, zonder er iets van te begrijpen.

Welk belang had de Spanjaard Texar er bij, met dat tatoueerwerk versierd te worden? Waartoe dat »merkbare teeken”, om de taal der signalementen op de paspoorten getrouw te blijven? Wilde hij dan voor een Indiaan doorgaan? Dat zoude noch de tint zijner huid, noch zijne persoonlijke geaardheid gedoogen. Moest men dusniet een soort van verband tusschen dit teeken zien en dat hetwelk onlangs op die Floridasche reizigers, die in handen van Seminolen-Indianen in het noorden van het graafschap gevallen waren, toegepast was? En wilde Texar door dat middel weer de mogelijkheid te voorschijn roepen, om andermaal een dier onverklaarbare alibi’s te kunnen inroepen, waarvan hij tot nu toe met zooveel welslagen partij getrokken had?

Inderdaad was dit wellicht weer een zijner streken. De toekomst zal dat wel uitmaken.

Een ander vraagstuk deed zich toen in het brein van Zermah voor.

Zou de Spanjaard thans met geen ander doel op het lagune-eilandje en in het fortje gekomen zijn, dan om de behendigheid van Squambo in zake tatoueering op de proef te stellen? Zou hij, nu de bewerking afgeloopen was en het geheimzinnige teeken prachtig op zijn arm gegrift stond, de Zwarte Kreek verlaten om naar noordelijk Florida en naar Jacksonville, waar zijne partijgangers nog den baas speelden, terug te keeren?

Of zou hij niet eerder voornemens zijn in het fortje te blijven totdat de dag zou zijn aangebroken, en van de gelegenheid gebruik maken om de kleurlinge voor zich te doen verschijnen en omtrent zijne gevangenen de een of andere nieuwe beslissing te nemen?

Hieromtrent werd Zermah spoedig genoeg gerustgesteld.

De Spanjaard stond van zijn zetel op en naderde de deur, om het reduit te verlaten. De mestische vloog naar hare kamer terug, en kon die gelukkig nog ongemerkt bereiken. Daar stond zij tegen de in haast gesloten deur geleund en hoorde de ettelijke volzinnen, die toen nog tusschen den Indiaan en zijn meester gewisseld werden.

»Waak met nog meer zorg dan vroeger,” zei Texar.

»Daar kunt gij staat op maken.”

»Ik kan u dat niet genoeg inprenten.”

»Wees gerust, op mij kunt gij u verlaten,” antwoordde Squambo. »Maar wanneer...”

»Wat wilt gij zeggen?”

»Wanneer master James Burbank de Zwarte Kreek ontdekt?”...

»Die zal hij toch wel kennen, dunkt me.”

»Maar, wanneer hij het verblijf hier van het kind en de kleurlinge in den neus krijgt?”...

»Dat zal hij niet.”

»Maar het zou toch kunnen.”

»Hebt gij dan reeds vergeten, wat ik straks zeide, Squambo.”

»Wat was dat, meester?”

»Luister. Ik zeide, dat James Burbank over eenige dagen niet meer te vreezen zal zijn.”

»Is dat wel zoo zeker?” vroeg de Indiaan.

»Zeer zeker. Daarenboven, als het zoo ver mocht komen, dan weet ge waarheen gij het kind en de mestische moet brengen.”

»Jawel, dat weet ik.”

»Welnu, volbreng dan stipt mijne orders... ik zal mij dan daar bij u vervoegen.”

»Ja, meester.”

»Maar, waarom doet gij al die vragen? Gij schijnt angstvallig.”

»Men kan nooit weten; het geval kon zich voordoen, dat Gilbert, de zoon van master James Burbank, dat Mars, de echtgenoot van Zermah...”

»Wees toch gerust!”

»Ja maar...”

»Eer wij tweemaal vier en twintig uren verder in het leven zijn, zijn ook die in mijne macht,” antwoordde Texar. »En als ik ze in handen zal hebben, dan...”

De beide mannen waren aan het einde van de gang, waarop de kamer van Zermah uitkwam. Zij kon het einde van dien volzin niet meer hooren, die zoo dreigend voor haren echtgenoot en ook voor Gilbert Burbank, den zoon van haren meester, was.

Texar en Squambo verlieten toen het fortje, waarna de poort achter hen gesloten werd.

Weinige oogenblikken later verliet de squif, door den Indiaan bestuurd, het eilandje en stevende door de sombere kronkelingen van de uitgestrekte lagune. Daar buiten gekomen, ontmoetten zij een vaartuig, dat in de monding der Zwarte Kreek, evenwel op stroom der Sint John, den Spanjaard lag te wachten.

Daar scheidden de beide booswichten van elkander, nadat de een zijne aanbevelingen den ander nog eens herhaald had. Daarna stevende Texar, door den ebstroom snellijk voortgestuwd, in de richting van Jacksonville.

Hij kwam daar bij het krieken van den dag aan en juist bijtijds, om zijne verfoeielijke plannen ten uitvoer te leggen.

Inderdaad, weinige dagen later was Mars in de diepte der Sint John verdwenen en was Gilbert Burbank als verrader ter dood veroordeeld.

Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz. 22.)Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz.22.)

Een oogenblik later wandelden zij in het volle licht onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte. (Bladz.22.)


Back to IndexNext