VII.

VII.Laatste woorden en laatste verzuchting.Dienzelfden dag, den 17denMaart, vertrokken master James Burbank, zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter miss Alice, alsook Mars, de echtgenoote van Zermah, naar Camdless-Bay en kwamen weinige uren later op Castle House aan.Helaas, men kon, men mocht de waarheid voor mevrouw Burbank niet verborgen houden.Der ongelukkige moeder werd daardoor andermaal een slag toegebracht, die in den staat van zwakte en uitputting, waarin zij zich bevond, hoogst noodlottig, ja doodelijk in zijne gevolgen kon worden.Die laatste poging om zich omtrent het lot van het meisje en de kindermeid te vergewissen, of om haar op het spoor te komen, was volkomen mislukt. Texar had daarop niet geantwoord en was in zijn stilzwijgen volhard. En hoe zou men hem hebben kunnen dwingen te bekennen waar die twee vrouwen waren, nu hij beweerde de ontvoering niet gepleegd te hebben? Maar niet alleen beweerde hij dat, hij had het ook bewezen door een alibi, niet minder onverklaarbaar dan al de voorgaande, dat hij niet in de Marino-Kreek had kunnen zijn op het oogenblik dat de misdaad bedreven werd.Daar hij omtrent de tegen hem ingebrachte beschuldigingen vrijgesproken was, kon hem de keuze niet meer aangeboden worden tusschen eene straf en eene openbaring, die op het spoor der slachtoffers had kunnen brengen.»Maar als Texar de schuldige niet is,” herhaalde Gilbert Burbank, »wie is het dan?”»Die misdaad kan door zijne lieden bedreven zijn,” antwoordde master Walter Stannard, »zonder dat hij er bij tegenwoordig geweest is.”»Dit is de eenige aanneembare uitleg, die te geven is,” hernam Edward Carrol.Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz. 98).Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz.98).»Neen, vader, neen mijnheer Carrol,” betuigde miss Alice Stannard, »Texar bevond zich in het vaartuig dat onze arme kleine Dy ontvoerde!Ik heb hem gezien en goed ook... Ik heb hem herkend en degelijk herkend, toen Zermah bij haar laatste hulpgeschrei zijn naam uitgilde. Nogmaals en blijf ik daarbij: ik heb hem gezien!... ik heb hem gezien!”Het jonge meisje uitte die betuiging met eene opmerkelijke geestdrift en zeggingskracht.Maar wat kon er op die formeele bewering geantwoord worden?Van haar kant was eene vergissing onmogelijk, zoo betuigde zij te Castle-House evenals zij dit voor den krijgsraad gedaan had.En toch, wanneer het waar was, dat zij zich niet vergiste, hoe was het dan toch mogelijk, dat de Spanjaard zich onder de krijgsgevangenen van Fernandina bevonden had, die aan boord van de kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont in verzekerde bewaring genomen waren?Dat was een onverklaarbaar, een onoplosbaar raadsel, voorwaar! Dat moet erkend worden.Maar al was ook de twijfel in het gemoed van de overigen gerezen, in dat van Mars bestond die niet. Hij trachtte niet te begrijpen, hij poogde zich geen rekenschap te geven omtrent hetgeen hem onverklaarbaar voorkwam. Hij was vast besloten het spoor van Texar te volgen en zou, wanneer hij hem weervond, hem wel noodzaken zijn geheim te openbaren, al zou hij hem door pijniging of door andere gewelddadigheden dat ontrukken.»Gij hebt gelijk, Mars,” antwoordde Gilbert Burbank, wien de mesties zijne voornemens mededeelde.»Gij hebt gelijk, Mars. Maar als het noodig is, moeten wij onze taak zonder hulp van dien ellendeling weten te volbrengen, daar niemand weet waarheen hij getrokken is!... Wij moeten onze nasporingen hervatten!... Ik heb verlof gekregen om te Camdless-Bay te blijven als dit noodig zal blijken, en reeds morgen zullen wij...”»Ja zeker, master Gilbert, reeds morgen zullen wij ons op weg begeven!” antwoordde Mars.»Ja, dat zullen wij.”De mesties begaf zich naar zijne woonkamer, alwaar hij zoowel aan zijne droefheid als zijn toorn den vrijen teugel kon vieren. Tot zeer laat zou men hem in zijn vertrek op en neer hebben kunnen hooren loopen. Eindelijk scheen hij toch rust te genieten; maar toen was de morgenstond nabij.Het daglicht vond Gilbert Burbank en Mars reeds bezig met de toebereidselen tot hunnen tocht. Zij zouden dien dag geheel en al besteden met het nauwkeurig onderzoeken van de geringste kreken en van de kleinste eilanden, die bovenstrooms van Camdless-Bay op de beide rivieroevers der Sint John aangetroffen worden. Voorwaar geen geringe taak.Master James Burbank en Edward Carrol zouden gedurende hunne afwezigheid de toebereidselen treffen tot het volvoeren van een meer uitgestrekten onderzoekingstocht. Levensmiddelen, munitiën, transportmiddelen, het benoodigde personeel, dat alles werd met zorg bij elkander gebracht, en niets zou verwaarloosd of uit het oog verloren worden, dat een gunstig welslagen zou kunnen bevorderen.Al moest men ook tot de woeste streken vanBeneden-Floridadoordringen, al moest men door de moerassige vlakten van het zuiden, dwars door de Everglades trekken; neen, men zou voor niets terugdeinzen.Het kon toch tot de onmogelijkheden gerekend worden, dat Texar het Floridasche grondgebied verlaten had. Wanneer hij zich toch noordwaarts begeven had, dan zou hij op de federalistische troepen gestuit hebben, die op de grens van den Staat Georgië als een ondoordringbaren muur vormden.Wanneer hij langs den zeekant zou hebben willen ontsnappen, dan zou hij hebben moeten pogen langs de zeeëngte van Bahama te stevenen, om eene toevlucht op de Lucaiïsche eilanden te vinden, die aan Engeland toebehooren. Maar de vaartuigen van den Commodore Dupont hielden de vaarwaters bezet van Mosquito-Inlet af tot aan den ingang van genoemde zeeëngte. Die kanonneerbooten en hare sloepen blokkeerden de geheele kuststrook volkomen. Neen, van dien kant bood zich geen enkele gunstige gelegenheid voor den Spanjaard aan, om te kunnen ontsnappen.Hij moest nog in Florida zijn en moest zich ongetwijfeld sedert veertien dagen daar verscholen houden, waar de Indiaan Squambo zijne slachtoffers gevangen hield.De tocht, die door master James Burbank beraamd werd, had dus ten doel om het spoor van Texar over de geheele uitgestrektheid van het Floridasche grondgebied te zoeken.Trouwens dat geheele grondgebied genoot thans de meest gewenschte rust, die men aan de tegenwoordigheid der federalistische troepen verschuldigd was en aan de vaartuigen van den Commodore Dupont, die de oostelijke kusten blokkeerden.Het zal wel niet behoeven verzekerd te worden, dat de rust te Jacksonville ook gehandhaafd werd. De vroegere autoriteitspersonen hadden hunne zetels in het stedelijk bestuur hernomen. Geen burgers, geen ingezetenen werden gevangen genomen of ook maar verontrust voor hunne lauwe of voor hunne vijandige staatkundige gevoelens. De aanhangers en handlangers van Texar waren evenwel uit elkander gejaagd. Hun opperhoofd had het daarenboven veiliger geacht van het eerste oogenblik in het gevolg der terugtrekkende Floridasche militie-troepen te verdwijnen.Wat ook niet uit het oog verloren mag worden, is dat de oorlog,die in de midden-landstreken van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met hardnekkigheid voortgezet werd, ten voordeele van de Federalisten verliep.Den 18denen den 19denontscheepte de eerste divisie van hetPotomac-legerbij het fort Monroe.Den 22stenmaakte de tweede divisie zich gereed om Alexandria te verlaten en naar hetzelfde doel te marcheeren.In weerwil van het krijgskundig talent, dat die oude professor in de scheikunde ontwikkelde, die gewoonlijk den naam van J. Jackson voerde, maar den naam van Stonewall (steenen wal) Jackson verworven had, werden de Zuidelijken weinige dagen later bij het gevecht van Kernstown geslagen.Een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat een vernieuwd oproer in Florida niet meer te vreezen was. Die Staat had—en dit kan niet genoeg herhaald worden—zich vrij onverschillig betoond, bij de botsingen tusschen de Noordelijken en Zuidelijken, die de aangrenzende Staten beroerd hadden.Onder die omstandigheden had het personeel van Camdless-Bay, hetwelk na den aanslag op de plantage verstrooid was geworden, gelegenheid gevonden langzamerhand terug te keeren.Sedert dat Jacksonville hernomen was, hadden de besluiten van Texar en zijn bestuur, betreffende de verbanning van de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat, geen kracht van wet of uitvoering meer. Op den datum van den 17denMaart, was het grootste gedeelte der negerfamiliën op het domein teruggekeerd en hielden zich reeds met den wederopbouw der barakken onledig.Terzelfder tijd ruimden talrijke werklieden de puinhoopen der werkplaatsen en der houtzaagmolens op, om nieuwe toestellen te plaatsen, ten einde de regelmatige exploitatie van de voortbrengselen van Camdless-Bay zoo spoedig mogelijk te kunnen hervatten.Master Perry en de opzieners ontwikkelden onder het bestuur van master Edward Carrol eene groote bedrijvigheid en arbeidsvermogen.Wanneer master James Burbank zijn ouden deelgenoot de zorg der geheele reorganisatie van de plantage overliet, vond dit daarin zijne reden, dat hij zich aan eene andere taak—namelijk aan het opsporen van zijn kind wenschte te wijden.Met het oog daarop en vast besloten een afdoenden onderzoekingstocht in de naaste toekomst te ondernemen, verzamelde hij daartoe al de benoodigdheden. Een detachement van twaalf vrijgestelde negerslaven, die onder de besten en van de geheele plantage met de meeste toewijding vervuld, uitgezocht waren, werd aangewezen om hem bij zijne nasporingen te vergezellen. Men kon er zeker van zijn, dat die brave lieden die taak met geestdrift aanvaarden en met ijver volbrengen zouden.Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz. 107).Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz.107).Er bleef thans nog maar over te beslissen hoedanig die expeditie geleid zoude worden. Dienaangaande was aarzeling wel gerechtvaardigd. En inderdaad, op welk gedeelte van het grondgebied van den Staat Florida zouden de nasporingen het allereerst begonnen worden? Die vraag moest natuurlijk elke andere beheerschen.Eene onverhoopte omstandigheid, geheel en al aan het toeval verschuldigd, zou met eene zekere nauwkeurigheid het spoor aanduiden, dat bij het begin van den veldtocht moest gevolgd worden.Gilbert en Mars, die in den vroegen morgen van den 19denCastle House verlaten hadden, stevenden met de meeste snelheid in een der lichtste vaartuigen van Camdless-Bay de Sint John op. Geen enkele neger van de plantage vergezelde hen bij die nasporingen, welke zij iederen dag opnieuw op de beide oevers van den stroom ten uitvoer brachten. Zij stelden zich tot taak zoo geheimzinnig mogelijk te werk te gaan, om de aandacht niet gaande te maken van de spionnen, die de omstreken van Castle House op bevel van Texar gadesloegen.Dien dag gleden beiden langs den linkeroever voort. Hun sloepje schoot tusschen het lange rietgras en achter de eilandjes voort, die door het geweld van den stroom bij de sterkeequinoxiaal-vloedenvan den vasten wal afgeschuurd waren, en liep geen kans om bemerkt te worden. Van de vaartuigen, die op de rivier stevenden, waren zij niet te bespeuren; en evenmin aan den oever zelven, wiens hoogte hen voor den blik dekte van iedereen, die zich in dien chaos van gewassen gewaagd had.Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s van de graafschappen Duval en Putnam te doorzoeken.Het algemeen uitzicht van den stroom is tot bij het gehucht Mandarijn bijna dat van een moeras. Bij volzee spreidt zich de watervlakte over hare beide oevers, die van zeer lage gesteldheid zijn, uit. De oevers komen weer te voorschijn bij halftij, wanneer de eb genoegzaam ingetreden is, om de Sint John tot haar normaal peil terug te voeren.Op den rechteroever vertoonde het terrein evenwel een weinig meer verhevenheid. Daar bevonden zich maïsvelden, die boven die periodieke overstroomingen, die geen bebouwing toelieten, gelegen waren. De naam van heuvelachtige streek kon zelfs aan die plek gegeven worden, waarop de weinige huizen van Mandarijn verrezen. Dat terrein liep in eene kaap uit, die zich tot in het vaarwater uitstrekte.Iets verder was de vernauwde oppervlakte van den stroom met eilandjes bezaaid. Drie hoofdarmen van de rivier kronkelen daar tusschen door en weerkaatsen in hunne wateren de witachtige bloempluimen van de overheerlijke magnoliastruiken, die allerwege op dieeilandjes weelderig groeien. Die vaarwaters, waarvan de stroomingen naarmate van het doorstaan van eb en vloed, geregeld nu eens naar zee, dan weer in tegenovergestelde richting voeren, zijn de scheepvaart tweemalen in de vier-en-twintig uren zeer dienstig, onverschillig werwaarts de koers genomen moet worden.Na den westelijken arm ingestevend te zijn, zochten en snuffelden Gilbert Burbank en Mars tot in de geringste inkepingen van den oever. Zij zochten of niet de een of andere rio-monding onder de neerhangende takken der tulpboomen verborgen was. In dat geval zouden zij die beek tot in het binnenland gevolgd zijn. Waar zij zich nu bevonden, bespeurde men de uitgestrekte moerassen van de benedenrivier niet meer. Integendeel, men trof daar dalspleten aan, die met boomachtige varens bekleed waren, met liquidambars, die op Java rasamala’s genoemd worden en wier bloesems vermengd met festoenen van welriekende slingerplanten, de lucht met doordringende geuren vervulden.Maar de rio’s boden op die verschillende plaatsen geene genoegzame diepte aan. Het waren slechts beekjes, die zich als een zilveren lint in het landschap vertoonden en geheel en al ongeschikt waren om een squif toegang te verleenen, terwijl zij bij eb geheel en al droog vielen.Geen enkele woning werd op hare oevers waargenomen. Ternauwernood zag men hier en daar eenige jagershutten, die toen onbewoond waren en de meest onbedriegelijke sporen droegen in langen tijd niet betrokken te zijn geweest. Bij sommigen scheen het, alsof bij gebrek aan menschelijke bewoners, verschillende dieren er hun verblijf in opgeslagen hadden. Daarin werd toch hondengeblaf, kattengemauw, kikvorschengekwaak, slangengesis, vossengejank in hunne verschillende grondtonen vernomen. En toch waren er geen honden, geen katten, geen kikvorschen, geen slangen en geen vossen aanwezig.Maar vanwaar kwam dat geluid dan? Wel, dat waren slechts nabootsingskreten van den kat-vogel, eene soort van donkerbruinachtigen lijster, met zwarten kop en rood-oranjekleurigen bek, die bij de nadering van de sloep ijlings wegvloog.Het was toen ongeveer drie uur des namiddags. In dat oogenblik raakte de voorsteven van het lichte vaartuig in een sombere massa van reusachtige rietstengels verward, toen een krachtige duw van Mars met den bootshaak, dien hij hanteerde, de sloep eene afsluiting van groen deed doorbreken, die onaantastbaar scheen. Daarachter rondde zich een inham af, die de uitgestrektheid van ongeveer een bunder besloeg en welker wateroppervlakte onder een dichten koepel van tulpboomen verscholen was en derhalve nimmer door de zonnestralen verwarmd werd.»Kijk, dat is een vijver, dien ik niet ken,” merkte Mars op, die opstond en zich uitrekte, om den toestand en de richting der oevers verderop van dien inham waar te nemen.»Wij zullen hem doorzoeken,” antwoordde Gilbert. »Hij moet in gemeenschap staan met de riomeertjes, die dit gedeelte van de lagune vormen. Misschien worden die gevoed door een riviertje, dat ons gelegenheid kan geven om verder het binnenland binnen te dringen.”»Inderdaad, master Gilbert.”»Kom vooruit, Mars!”»Juist vooruit! Steeds vooruit! Ik zie de opening van een doorgang ten noordwesten van ons.”»Waar zoekt gij het noordwesten in dit doolhof?” vroeg de jeugdige zeeofficier onthutst.»Daar in die richting,” sprak de mesties zonder aarzelen, terwijl hij de hand naar een zekeren kant uitstrekte.»Kunt gij mij zeggen,” vroeg de blanke, »waar ter wereld wij ons bevinden?”»Ja, geheel nauwkeurig niet, master Gilbert.”»Maar, waar denkt ge?”»Ik begin ... waarlijk te gelooven,” hernam Mars, na eens rondgekeken te hebben, »dat wij ons in de Zwarte Kreek bevinden.”»In de Zwarte Kreek, Mars?”»En toch ... meende ik, evenals alle bewoners van deze streek, dat het onmogelijk was er in door te dringen en dat zij niet in verbinding stond met de Sint-John.”»Bestond er vroeger niet in die kreek een fortje, dat men tot verdediging tegen de Seminool-Indianen opgeworpen had?”»Ja, master Gilbert; maar...”»Welnu, wat wilt ge zeggen?”»Maar sedert vele jaren is de monding, waarlangs de gemeenschap met den stroom plaats had, verzand, en het....”»Nu ga voort. Waarom te aarzelen, Mars?”»En het fortje is verlaten en aan den tand des tijds overgegeven geworden.”»Zijt gij er ooit geweest?”»Nooit.”»Welnu, wat denkt gij er van?”»Dat, als er van dat fortje nog iets bestaat, dit niet heel veel kan wezen.”»Kom, laten wij het trachten te bereiken,” hernam Gilbert Burbank.»Laten wij trachten,” herhaalde Mars, »maar dat zal waarschijnlijk zeer moeilijk zijn, master Gilbert.”»Waarom?”Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz. 118).Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz.118).»Omdat het water weldra verdwenen zal zijn met de ingetreden eb en dat...”»Nu?”»En dat de moerassige bodem geen weerstand genoeg zal bieden, om er op te gaan.”»Dat is zoo, Mars.”»Maar, wat te doen, master Gilbert?”»In het schuitje blijven, Mars, zoolang wij water genoeg zullen aantreffen.”»Laat ons dan geen oogenblik verloren laten gaan, master Gilbert.”»Juist, Mars.”»Het is reeds drie uren en onder dit zware geboomte valt de duistere nacht spoedig in.”Het was inderdaad de Zwarte Kreek waarin Gilbert Burbank en de mesties Mars, dank zij dien stoot met den bootshaak, die hunne sloep door de afsluiting van biezen gedreven had, gedrongen waren.Men weet het, dat die lagune slechts bevaarbaar was voor lichte vaartuigen zooals de squif, waarvan de Indiaan Squambo of zijn baas Texar zich bedienden, wanneer zij zich op de Sint-John waagden. Daarenboven, om bij het blokhuis te komen, hetwelk te midden van die kreek gelegen was, moest men merkwaardig goed bekend zijn met de duizenden en duizenden kronkelingen en doolwegen van het onuitwarbaar net der vaarwaters tusschen de veelvuldige eilandjes van die lagune-vorming. En het was lange en vele jaren geleden, dat zich iemand daarin gewaagd had. Men geloofde zelfs niet meer aan het bestaan van het fortje, en daaruit was eene soort van veiligheid voor het vreemdsoortig en boosaardig wezen gesproten, die er zijn gewoon verblijf had opgeslagen.En vandaar dan ook het geheimzinnige, dat het privaat-leven van Texar als met een sluier omgaf.Men zou inderdaad den draad van Ariadne moeten gehad hebben, om den weg te vinden te midden van dit doolhof, dat in duisternis gehuld was, zelfs wanneer de zon den middagcirkel van de plaats sneed. Intusschen kan bij gebrek van dien gewenschten draad het toeval er toe leiden, dat het centraal-eilandje van de Zwarte Kreek ontdekt werd.Het was dus aan dien onzekeren en onbewusten gids, dat Gilbert Burbank en Mars zich moesten toevertrouwen. Toen zij de eerste inkeping binnengevaren waren, stevenden zij door kanalen, welker waterinhoud met den stijgenden vloed zelfs in de kleinsten vermeerderde, zoodat de toegang voor hunne sloep mogelijk scheen. Zij bewogen zich vooruit, als door een geheim voorgevoel voortgedrongen,zonder zich rekenschap te geven hoe zij den terugtocht later zouden kunnen aanvaarden. Daar het geheele graafschap door hen doorzocht zoude worden, was het natuurlijk dat geen enkel gedeelte van deze lagune aan hunne nasporingen ontsnapte.Na ruim een half uur geroeid, geboomd en gezwoegd te hebben, had de sloep, volgens de gissing van Gilbert Burbank, eene gestrekte mijl binnen de kreek afgelegd.Meer dan eens was het vaartuig op eene onoverkomelijke ondiepte vastgeraakt en had men moeten terugkeeren, om langs een ander kanaal eene doorvaart te vinden. Geen twijfel evenwel bestond er omtrent de hoofdrichting van de lagune. Die moest westwaarts voeren.Noch de jeugdige officier, noch Mars hadden tot op dit oogenblik gepoogd voet aan wal te zetten,—hetgeen zij trouwens niet dan met zeer groote moeite zouden hebben kunnen doen, daar de bodem der eilandjes slechts zeer weinig boven den gemiddelden waterstand van den stroom gelegen was. Het was dus beter het lichte vaartuig niet te verlaten, zoolang gebrek aan diepte den voortgang niet zou beletten.Het was evenwel niet zonder groote inspanning, dat Gilbert Burbank en Mars er in geslaagd waren die gestrekte mijl af te leggen. Hoe krachtig van gestel de mesties ook was, zoo kwam er een oogenblik dat hij genoodzaakt werd wat uit te rusten. Hij wilde dat evenwel niet doen alvorens een eilandje bereikt te hebben, dat hij ontwaarde en dat hooger van terrein en van grooter uitgebreidheid scheen bij de weinige lichtstralen, die door meer ijle boomkruinen schitterden, dan al de anderen, die men reeds voorbijgestevend was.»Kijk, daar...” zei hij.»Wat is er?” vroeg Gilbert Burbank.»Dat is zonderling!” ging Mars voort.»Maar wat?”»Er zijn sporen van landbouw op dat eilandje!” antwoordde de mesties met de hand wijzende.»Ja, waarlijk!”Beiden ontscheepten en zetten voet aan wal op een oever, die minder moerassig dan de overigen was.Mars had zich niet vergist. De sporen van landbouw waren duidelijk zichtbaar. Eenige knolplanten werden hier en daar ontwaard. In den bodem werden voren bespeurd, die met menschenhanden gespit waren. Een schop, die achtergelaten was, stak nog in den grond.»De kreek is dus bewoond?...” vroeg Gilbert Burbank.»Dat schijnt wel,” antwoordde Mars.»Dat had ik niet gedacht.”»Misschien is zij slechts bekend aan eenige woudbewoners, misschien aan zwerf-Indianen die er eenige groenten teelen. Dunkt u niet, master Gilbert?”»Ja, Mars, en het zou niet onmogelijk zijn, dat zij er woningen gebouwd hebben, al waren het maar hutten...”»Inderdaad, master Gilbert, en als er een aanwezig is, dan...”»Wat, dan?”»Dan zullen wij haar wel weten te vinden, niet waar?”Zij hadden er groot belang bij om te weten te komen, welke soort lieden die Zwarte Kreek bewoonden of bezochten. Of het jagers der beneden-streken waren, die er zich heimelijk heen begaven? Of het Seminool-Indianen waren, die beneden nog te midden der moerassen van den Staat Florida rondzwierven.Dus Gilbert Burbank en Mars, zonder aan den terugtocht te denken, namen weer plaats in hun vaartuig en stevenden verder en dieper langs de kronkelingen der kreek.Het scheen dat een soort van voorgevoel hen naar hare somberste schuilhoeken voortstuwde. Hunne blikken, gewoon aan de betrekkelijke duisternis, welke door de dichte loofkruinen boven de oppervlakte der eilandjes veroorzaakt werd, peilden het woud in alle richtingen.Nu eens meenden zij een woonhuis te ontwaren, terwijl het slechts een muur van groen was, die zich als eene gordijn van den eenen boomstam naar den anderen uitstrekte.Dan eens verbeeldden zij zich een man te zien, die hen onbewegelijk stond aan te kijken, en bij nader onderzoek was het slechts een oude stronk, die zonderling gegroeid was en wel eenige overeenkomst met een menschengestalte vertoonde.Zij spitsten scherp hun gehoor.»Want”, sprak de een, »waar het oog faalt, kan het oor soms goede diensten bewijzen.”Dat was waar; want in die stilte der wouden is het minste gerucht voldoende om de tegenwoordigheid van een levend wezen te verraden.Beiden waren een half uur later bij het Centraal-eilandje aangekomen.Het bouwvallige blokhuis was zoo volkomen tusschen het struikgewas en door de slingerplanten verborgen, dat er hoegenaamd niets van te bespeuren was.Het kwam hen zelfs voor, dat de kreek daar ten einde liep, dat de met takken en grasgewassen versperde kanalen niet meer bevaarbaar waren. Daar verrees ook eene dichte afsluiting van zwaar struikgewas tusschen de laatste kronkelingen van de vaarwaters en het moerassige woud, hetwelk zich over het geheele graafschap Duval op den linkeroever der Sint John uitstrekte.»Het komt mij onmogelijk voor, verder te kunnen doordringen,” merkte de mesties op.»Mij ook, Mars.”»Het water ontbreekt daarenboven, master Gilbert...”»En toch, wij hebben ons straks niet vergist...”»Neen, dat hebben wij niet.”»Wij hebben wel degelijk sporen van landbouw waargenomen.”»Ongetwijfeld.”»Menschelijke wezens bezoeken deze kreek. Misschien waren zij er kort geleden.”»Ja, dat kan.”»Misschien zijn zij er nog.”»Ja, dat is ook mogelijk,” hernam Mars, »maar het wordt zaak om, van hetgeen nog van den dag overblijft, gebruik te maken, om naar de Sint John terug te keeren. Dunkt u dat ook niet, master Gilbert?”Deze antwoordde niet en scheen in gedachten verzonken.»De nacht begint reeds in te vallen,” ging de mesties voort, »en de duisternis zal weldra zwart zijn. Hoe zullen wij onzen weg in dit bochtige vaarwater weer vinden? Ik geloof, master Gilbert, dat het voorzichtig is terug te keeren. Wij kunnen dan onze nasporingen morgen ochtend bij het krieken van den dag hervatten. Laten wij, zooals wij gewoon zijn te doen, naar Castle-House wederkeeren. Wij zullen daar vertellen, wat wij gezien hebben. Wij zullen dan eene meer volledige verkenning organiseeren van de Zwarte Kreek, en wij zullen dat dan onder veel betere omstandigheden kunnen ondernemen.”»Ja, dat moet,” antwoordde de jeugdige zeeofficier.»Juist, master Gilbert.”»Maar toch wenschte ik, alvorens heen te gaan...”Hij was blijven stilstaan en wierp nog een uitvorschenden blik onder het hooge geboomte. Hij steeg toen in de sloep en was op het punt om het bevel te geven om van den wal te steken, toen hem plotseling Mars met een gebaar weerhield.De mesties bleef roerloos staan, spitste de ooren en luisterde.Een kreet of beter uitgedrukt een soort van voortdurend gekerm, dat niet te verwarren was met de gewone bosch-geluiden, werd vernomen. Het was als een wanhoopsgil, als de klacht van een menschelijk wezen, die door hevig lijden ontwrongen werd. Men zou gezegd hebben, dat het ’t laatste geroep was van eene stem, die op het punt was weg te sterven.»Een mensch is daar!...” riep Gilbert Burbank uit.Mars knikte bevestigend.»Hij smeekt om hulp,” vervolgde de jeugdige officier. »Hij is misschien stervende!”»Ja,” antwoordde Mars. »Wij moeten naar hem toe!... Wij moeten weten wie hij is!... Kom dadelijk de schuit uit!...”Dat was terstond geschied.Het vaartuig werd stevig vastgebonden. Gilbert Burbank en Mars sprongen op den oever en stoven onder het geboomte voort.Daar troffen zij alras eenige sporen van een voetpad aan, dat tusschen de struiken door slingerde. Hier en daar kon men zelfs den afdruk van een menschenvoet waarnemen. Dat daar menschen geloopen hadden, was thans boven allen twijfel verheven.Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. Zij luisterden. De klagende geluiden lieten zich nog steeds vernemen. Op dezen, op dezen slechts konden zij richting nemen.Beiden hoorden ze andermaal en thans zeer dicht bij. In weerwil van de duisternis, die al meer en meer inviel, zou het niet onmogelijk zijn de plek te bereiken, waar dat gekerm geslaakt werd.Plotseling weerklonk een nog pijnlijker kreet. Men kon zich omtrent de richting, die gevolgd moest worden, niet vergissen.Gilbert Burbank en Mars drongen door een boschje van dicht struikgewas en bevonden zich toen in tegenwoordigheid van een man, die bij eene palissadeering uitgestrekt lag en het sterven nabij was.Hij had een dolksteek in de volle borst ontvangen en een stroom bloed overdekte den ongelukkige. Met moeite bracht hij nog eenige zuchten uit. Blijkbaar had hij nog slechts weinige oogenblikken te leven.Gilbert Burbank en Mars bukten zich over dien man. Deze opende de oogen, maar poogde tevergeefs op hunne vragen te antwoorden.»Wij moeten dien man zien!” riep Gilbert uit. »Wij moeten zijn gelaat kunnen zien! Spoedig, eene flambouw... een vlammend stuk hout!...”Mars had reeds een tak afgerukt van een der harshoudende boomen, die in grooten getale op het eilandje groeiden. Hij stak dien met een lucifer aan, en een rookachtige vlam verspreidde eenig licht in het donker.Gilbert Burbank knielde naast den stervende neder.Het was een neger, een slaaf, die nog zeer jong scheen. Zijn hemd was geopend en liet ter hoogte van de borst eene diep doordringende wond ontwaren, waaruit het bloed vloeide. Die wond moest doodelijk geacht worden, daar het lemmet van den dolk de long doorstoken had.»Wie zijt gij?...” vroeg Gilbert.Geen antwoord.»Wie zijt gij?...” herhaalde Mars luider.De lijder bewoog zich niet.»Wie heeft u getroffen?”De arme slaaf kon geen enkel woord meer uitbrengen, welke moeite hij daartoe ook aanwendde.Mars zwaaide evenwel den brandenden tak, om licht te verspreiden, ten einde de plaats te verkennen, waar die gruwelijke moord bedreven was.Hij ontwaarde toen de palissadeering, en door de potern, die openstond, de onduidelijke omtrekken van het blokhuis.»Het fortje!” riep Mars uit.Het was inderdaad de versterking van de Zwarte Kreek, waarvan het bestaan in dit gedeelte van het graafschap Duval zelfs niet meer vermoed werd.En zijn meester bij den armen slaaf latende, die den doodsstrijd begonnen was, spoedde hij zich voort door de potern van het fortje.Mars had niet veel tijd noodig om het innerlijke van het blokhuis te doorloopen. In een schier ondeelbaar oogenblik had hij alle vertrekken doorzocht, die allerwege op het centraal-reduit uitzicht verleenden. In een van die kamers vond hij de overblijfselen van een vuur, die nog rookten. Het fortje was dus kort geleden nog bewoond geweest. Maar door welk soort van lieden? Waren dat Floridianen of Seminolen, blanken of Indianen? Aan wie hunner strekte die versterking tot schuilplaats? Dat moest men, het koste wat het wilde, vernemen. Maar zou die gewonde, die stervende, dat kunnen mededeelen? Men moest weten, wie zijne moordenaars waren, die eerst ettelijke uren geleden de vlucht genomen hadden.Mars kwam eindelijk weer buiten het blokhuis. Hij stapte langs de palissadeering rondom de afgesloten binnenruimte. Hij zwaaide zijn toorts onder iedere boomgroep, maar... hij ontwaarde niemand. Wanneer Gilbert Burbank en hij in den ochtend aangekomen waren, dan voorzeker zouden zij de bewoners van het fortje aangetroffen hebben. Thans was het te laat.De mesties keerde naar zijn meester terug en deelde hem mede, dat zij zich thans bij het blokhuis van de Zwarte Kreek bevonden.»Heeft die man u kunnen inlichten?” vroeg hij vervolgens.»Neen...” antwoordde Gilbert Burbank.»Waarom niet?”»Hij is buiten kennis en ik twijfel er aan of hij zijn bewustzijn weer zal krijgen.”»Wij moeten toch alles beproeven, master Gilbert.”»Dat erken ik.”»Want het geldt hier een geheim, bij welks ontsluiering wij het grootste belang hebben.”»Inderdaad.”»En dat niemand zal kunnen openbaren, wanneer deze ongelukkige overleden zal zijn.”»Voorzeker, Mars. Maar laten wij hem in het fortje dragen. Dan zal hij wellicht tot bewustzijn komen... Wij kunnen hem toch niet hier op den oever den laatsten adem laten uitblazen.”»Neemt gij de flambouw, master Gilbert,” antwoordde Mars. »Ik zal wel kracht genoeg bezitten om hem te dragen.”Gilbert Burbank greep den brandenden harsachtigen tak. De mesties tilde toen dat lichaam op, hetwelk niet veel meer was dan een beweginglooze klomp; klom de treden van de trap op, die naar de poterne voerde, schreed door de opening, die toegang tot de binnenruimte van de versterking verleende, en legde zijn last in een der vertrekken van het blokhuis neer.Het hart van den ongelukkige klopte nog, hoewel zeer flauw en slechts met lange tusschenpoozen. De levensvonk ging ontbreken... Zou het geheim hem niet te ontlokken zijn vóórdat hij den laatsten zucht zoude geslaakt hebben?De stervende was op eene laag gras neergelegd. Mars greep zijne veldflesch en bracht haren hals tusschen de lippen van den gewonde.Die weinige droppels brandewijn schenen hem een weinig te verlevendigen. Hij opende de oogen en vestigde ze op Mars en op Gilbert Burbank, die ijverig in de weer waren om zijn leven aan den dood te betwisten.Hij wilde spreken... Eenige onverstaanbare klanken ontsnapten aan zijne lippen... Een naam wellicht.»Spreek!... Spreek!...” riep Mars.De opgewondenheid, die den mesties beheerschte, was inderdaad onverklaarbaar. Het was of de uitslag van de taak, waaraan hij zijn leven gewijd had, geheel afhankelijk was van de laatste woorden van dezen stervende.De jeugdige slaaf poogde herhaaldelijk maar steeds tevergeefs eenige woorden uit te brengen... De krachten daartoe schoten te kort...In dit oogenblik voelde Mars, dat een stuk papier in den zak van den verwonde opgeborgen was.Dit papier te grijpen, het bij het licht van den brandenden hars tak te lezen, in weerwil dat het met bloed gedrenkt was, dat alles was slechts het werk van een oogenblik.Ettelijke woorden slechts waren er met houtskool opgekrabbeld. Het waren de navolgende:»Door Texar bij de Marino-Kreek ontvoerd... Naar de Everglades overgebracht... en gevangen gehouden op het eiland Garneral... Dit briefje bestemd voor master James Burbank... toevertrouwd aan dezen jeugdigen slaaf.”Mars herkende dit schrift dadelijk.Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz. 126).Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz.126).»Van Zermah!...” zei hij.Bij het hooren van dien naam opende de stervende de oogen en bewoog het hoofd, alsof hij dat gezegde wilde bevestigen.Gilbert Burbank tilde hem een weinig op en ondervroeg hem:»Van Zermah?”»Ja!”»En van Dy?”»Ja!”»Wie heeft u verwond?”»Texar.”Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. Hij stiet een kreet uit, daarna nog een zucht, rekte zich uit en viel dood op zijn grasleger neder.VIII.Van Camdless-Bay naar het Meer Washington.Dienzelfden avond waren Gilbert Burbank en Mars nog vóór het middernachtelijk uur op Castle House teruggekeerd.Maar welke moeielijkheden zij te overwinnen hadden gehad, om buiten de Zwarte Kreek te geraken, is eenvoudig onmogelijk om mede te deelen.Toen zij het blokhuis verlieten, was de nacht reeds over het dal der Sint John gedaald. De duisternis was dan ook volkomen onder de dichte loofkruinen van die zoo begroeide lagune. Zonder een soort van instinct, dat Mars geleidde door de vaarwaters tusschen die eilandjes, welke in den zwarten nacht niet te onderscheiden waren, zouden geen van beiden de hoofdrivier teruggevonden hebben. Twintig malen raakte hun vaartuig op eene ondiepte vast, die onoverkomelijk was, en moest men terugkeeren, om een meer bevaarbaar kanaal op te zoeken en door te stevenen.Men moest takken van harshoudend hout ontsteken en die op de voorplecht van het schuitje vastmaken, om zoodoende de vaart zoo goed mogelijk te verlichten. Maar de moeielijkheden werden buitengewoon groot, toen Mars op het punt meende aangekomen te zijn, waar de wateren van de Zwarte Kreek zich in de Sint John uitstortten. De mesties vond de plek niet meer terug waar de boeg van de sloep zich een weg door de rietstengels eenige uren vroeger gebaand had. Gelukkig was de eb ingetreden, zoodat het voldoende was het vaartuig aan den invloed van den stroomdraad over te laten, die het in zijn natuurlijk vergaarbekken zoude voeren.Mars en Gilbert Burbank ontscheepten, na de twintig mijlen, die de Zwarte Kreek van de plantage scheidden, zoo spoedig mogelijk afgelegd te hebben, eindelijk op de pier van Camdless-Bay.Men wachtte hen natuurlijk vol ongerustheid op Castle-House.Noch James Burbank, noch een zijner huisgenooten waren naar hunne slaapvertrekken gegaan. Zij bespraken natuurlijk dat ongewoonlange uitblijven. Gilbert en Mars waren toch in den regel iederen dag bij het vallen van den avond te huis.Waarom waren zij thans niet teruggekeerd?Moest of mocht men daaruit opmaken, dat zij een nieuw spoor gevonden hadden? Zouden hunne pogingen eindelijk slagen?O, wat was dat wachten pijnlijk en wreed!Eindelijk kwamen zij aan, en toen zij de hall binnentraden, vloog het geheele huisgezin hen tegemoet.»Welnu.... Gilbert....” riep master James Burbank hartstochtelijk uit.»Vader,” antwoordde de jeugdige officier. »Alice heeft zich niet vergist!... Het is wel degelijk Texar, die mijn zusje en Zermah ontvoerd heeft.”»Hebt gij er het bewijs van?”»Ja!”»Waar is het?”»Lees!”En Gilbert Burbank bood zijnen vader het verkreukt en bloederig papier aan, waarop de woorden, door de mestische vrouw gekrabbeld, te lezen stonden.»Ja,” zei hij, »thans is geen twijfel meer geoorloofd. Het is de Spanjaard! En hij heeft zijne beide slachtoffers naar het fortje vervoerd of doen vervoeren. Daar woonde hij, hetgeen niemand wist. Een arme slaaf, aan wien Zermah dat papier had toevertrouwd, om het naar Castle House over te brengen en van wien zij waarschijnlijk vernomen had, dat Texar naar het eiland Garneral zou vertrekken, heeft zijn voornemen om zich voor haar nuttig te maken met zijn leven geboet. Wij hebben hem stervende gevonden. Hij werd door de hand van Texar getroffen en thans is hij dood. Maar al zijn de kleine Dy en Zermah niet meer in de Zwarte Kreek, wij weten ten minste thans naar welk gedeelte van Florida men ze vervoerd heeft. Dat is naar de Everglades, en daar moeten wij heen om haar te verlossen. Morgen reeds, vader, morgen reeds moeten wij derwaarts vertrekken!...”»Wij zijn gereed, Gilbert.”»Dus morgen!”»Ja, morgen!”De hoop was op Castle House weergekeerd. Men zou zich thans niet meer vergissen. Men zou thans niet meer op een dwaalspoor geraken. Men zou thans geene vruchtelooze pogingen meer ondernemen. Mevrouw Burbank werd geheel en al op de hoogte gebracht, en deze waardige moeder gevoelde zich bij die tijdingen als het ware herleven. Zij had de kracht om op te staan, om te knielen en een dankgebed tot God te richten.Dus volgens de bekentenis van Zermah, was het Texar in persoon geweest, die de ontvoering van de kleine Dy in de Marino Kreek had gepleegd. Hij was het dus, dien miss Alice Stannard voor op de plecht van het vaartuig gezien had, toen dat naar het midden der rivier stevende.En toch.... hoe was dat alles overeen te brengen, met het alibi, waarop de Spanjaard zich beroepen en wat hij bewezen had? Hoe kon hij op hetzelfde oogenblik, dat hij die misdaad bedreef, krijgsgevangene der Federalisten aan boord van een der kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont zijn?Dat alibi moest ongetwijfeld valsch zijn, valsch evenals al de anderen waren.Maar waarin bestond die valschheid? Hoe haar te bewijzen?Zou men ooit het geheim vernemen van die alomtegenwoordigheid, waarvan Texar zoo behendig bewijzen scheen te kunnen afleggen?Maar wat kon dat, alles wel beschouwd, schelen? Wat thans als bewezen kon aangenomen worden, was dat de mestische vrouw en het kleine meisje eerst naar het blokhuis van de Zwarte Kreek overgevoerd waren geworden en daarna naar het eiland Garneral.Daar moest men haar zoeken. Daar moest men Texar overvallen. Ditmaal zou niets hem aan de straf kunnen onttrekken, welke zijne misdadige kuiperijen zoo dubbel en dwars verdiend hadden.Er was bovendien geen tijd te verliezen.De afstand van Camdless-Bay tot de Everglades is vrij aanzienlijk. Men zou verscheidene dagen noodig hebben, om hem af te leggen. Gelukkig dat, zooals meester James Burbank verzekerd had, de expeditie, die door hem uitgerust was, op en top gereed was om Castle House te kunnen verlaten.Wat het eiland Garneral betrof, de kaarten van het Floridasche schiereiland gaven aan, dat het gelegen was in het meer Okee-cho-bee.En wat de Everglades aangaat, aldus wordt eene moerassige landstreek genoemd, die aan het meer Okee-cho-bee grenst en een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad in het zuidelijkste gedeelte van den Staat Florida gelegen is.De afstand tusschen Jacksonville en dat meer werd op vierhonderd mijlen of op honderdtachtig uren gaans gerekend. Verderop was de streek zeer weinig bezocht en op dat tijdstip bijna geheel onbekend.Indien de Sint John tot aan haren oorsprong bevaarbaar ware geweest, dan zou die afstand in korten tijd en zonder groote moeielijkheden kunnen worden afgelegd. Maar zeer waarschijnlijk zou men den stroom slechts over een betrekkelijk klein gedeeltevan zijne uitgestrektheid kunnen benutten, dat wil zeggen tot aan het George-meer of over een afstand van honderd-zeven mijlen ongeveer.Verderop zouden op haren verhinderden loop kleine eilanden verschijnen, ondiepten, waartusschen geen vaarwater voldoende aangegeven was, armen en spruiten, soms drooggeloopen in den ebtijd. Waarlijk, een eenigszins diepgeladen vaartuig zoude daar ernstige hinderpalen of voor het minst aanmerkelijke vertragingen hebben ondervonden. Wanneer het intusschen mogelijk bleek, den stroom tot bij het meer Washington op te stevenen, dat wil zeggen ter hoogte van den acht-en-twintigsten breedtegraad, dwars van kaap Malabar, dan zou men reeds veel gewonnen hebben; want dan zou men het einddoel meer nabij gekomen zijn.Intusschen mocht daarop niet te veel vertrouwd worden. Het beste was, om zich gereed te houden tot het afleggen van een afstand van tweehonderd-en-vijftig mijlen te midden van eene bijna eenzame landstreek, waar het kompas en alle andere hulpmiddelen, zoo onontbeerlijk voor eene expeditie, die met snelheid gevoerd moest worden, niet zouden mogen ontbreken.Het was dan ook met het oog op dergelijke gebeurlijkheden, dat master James Burbank zijne voorbereidende maatregelen getroffen had.Den volgenden ochtend, zijnde den 20stenMaart, stond het personeel der expeditie op de pier van Camdless Bay vereenigd, gereed om te vertrekken.Master James Burbank en zijn zoon Gilbert hadden mevrouw Burbank, die hare kamer nog niet verlaten kon, vaarwel gezegd en omhelsd, evenwel niet zonder daarbij eene angstige gewaarwording te ondervinden. Miss Alice, haar vader master Walter Stannard en de onder-administrateurs van de plantage vergezelden hen. Zelfs Pyg was master Perry, voor wien hij thans eene zekere toegenegenheid koesterde, komen vaarwel zeggen. Hij herinnerde zich de lessen en de raadgevingen van den waardigen administrateur, ter zake van de bezwaren eener vrijheid, waarvoor hij zich nog niet rijp of geschikt gevoelde.De expeditie was volgenderwijze samengesteld:Master James Burbank, zijn zwager master Edward Carrol, die van zijn verwonding genezen was, zijn zoon Gilbert Burbank, de hoofdadministrateur Perry, Mars en een dozijn negers, uitgekozen onder de dappersten en onder de meest toewijdingsvollen van de geheele plantage—in het geheel zeventien personen.Mars kende genoegzaam den loop der Sint John, om als loods dienst te doen, zoolang deze bevaarbaar bleef. Dat wil zeggen tot voorbij het George-meer. Wat de negers betreft, die waren gewoonmet de roeiriemen om te gaan. Zij zouden zich met hunne krachtige armen van hunne taak behoorlijk weten te kwijten, wanneer de wind of de stroom hen in den steek zou laten.Het vaartuig, dat onder de grootsten van Camdless-Bay uitgekozen was, kon een zeil voeren, dat, doelmatig getuigd, veroorloofde als het noodig was scherp bij den wind te loopen. Dat kon van onschatbare waarde gerekend worden, om het soms sterk kronkelende vaarwater te kunnen volgen. Het vaartuig was bewapend en had genoeg oorlogsmunitiën aan boord, om master James Burbank en zijne metgezellen volkomen gerust te stellen ten opzichte van de benden Seminool-Indianen, die nog in beneden Florida aangetroffen worden, en ten opzichte van de makkers van Texar, wanneer de Spanjaard namelijk eenigen hunner rondom zich verzameld mocht hebben.Met eene dergelijke gebeurlijkheid moest inderdaad rekening gehouden worden, wilde men den goeden uitslag der expeditie niet in groot gevaar brengen.Eindelijk was het oogenblik van scheiden daar; Gilbert omhelsde miss Alice, master James Burbank sloot haar ook in zijne armen, inderdaad alsof zij reeds zijne eigene dochter ware.»Vader!...” kreet zij snikkende. »Gilbert!... breng onze kleine Dy terug!... Breng mij mijne zuster terug!”»Ja, lieve Alice,” antwoordde de jeugdige officier. »Ja, met Gods hulp en bescherming zullen wij haar terugbrengen! Reken daar op!”Master Walter Stannard, miss Alice, de opzichters der plantage, alsook Pyg waren op de pier van Camdless-Bay verbleven, terwijl het vaartuig afstak.Allen wenkten en wuifden ten afscheid tot het oogenblik, dat de noordwestenwind het zeil van het vaartuig vulde en dit laatste, door den opkomenden vloed voortgestuwd, achter de landspits verdween, die zich aan den eenen kantderMarino-Kreek vormde.Het was toen ongeveer zes uren in den ochtend. Het vaartuig stevende een uur later het gehucht Mandarijn voorbij en bevond zich, zonder dat men van de roeiriemen had behoeven gebruik te maken, zoo omstreeks tien uren ter hoogte van de Zwarte-Kreek.Het hart klopte allen in de borstkas, toen zij langs dien linkeroever der Sint John stevenden, waarover het hooggaande water van den vloed heen stroomde. Daar achter die rietstengels, die biezen, die dichte strooken van rhisophoren, met hunne lucht- en steltwortels, waren de kleine Dy en Zermah aanvankelijk gevangen gehouden geworden. Daar was het, dat Texar en zijne medeplichtigen haar gedurende meer dan veertien dagen zoo geheimzinnig verborgen hadden gehouden, dat geen spoor van hunne misdadige ontvoeringachtergebleven was. Tien malen, ja meer waren master James Burbank, master Walter Stannard en later Gilbert Burbank en Mars den stroom op- en neerwaarts gestevend en hadden die plek daar bij de lagune voorbijgevaren, zonder te kunnen gissen, dat het oude blokhuis de ontvoerde geliefden tot verblijfplaats strekte.Ditmaal was het niet noodig daar stil te houden. Men moest de nasporingen eenige honderden mijlen meer zuidwaarts uitstrekken. De wind blies wakker in het zeil en het vaartuig stevende de Zwarte-Kreek voorbij, zonder haar aan te doen.De eerste maaltijd werd gemeenschappelijk genoten. De kisten, die men medegenomen had, bevatten voldoenden voorraad van verduurzaamde levensmiddelen, voor een twintigtal dagen. Een gedeelte daarvan was in eenmansvrachten afgedeeld, om vervoerd te kunnen worden, wanneer de tocht over land voortgezet moest worden. Eenige kampements benoodigdheden zouden veroorloven om halt te houden, hetzij bij nacht, hetzij bij dag, hetzij te midden der maagdelijke wouden, hetzij te midden der uitgestrekte moerassen, waarmede de oeverstreken der Sint John overdekt zijn.Toen de vloed tegen elf uur ongeveer kenterde en de eb intrad, bleef de wind toch gunstig. Toch moest men de roeiriemen te water brengen, om dezelfde snelheid te bewaren. De negers aanvaardden hunne taak, en weldra schoot de boot, onder den aandrang van vijf paren krachtige armen, met spoed vooruit en stevende onverdroten den stroom op.Mars stond stilzwijgend op de achterplecht en hield met onwrikbare hand het roer, terwijl hij het vaartuig tusschen de eilanden en eilandjes door stuurde, die te midden van de Sint John aangetroffen werden. Hij zocht de vaarwaters uit, waarin de stroom met het minste geweld doorstond. Hij stevende er zonder eenige aarzeling in. Nooit begaf hij zich bij vergissing in eene onbruikbare doorvaart, nooit liep hij gevaar op eenige ondiepte, die bij eb droog zou loopen, vast te raken. Hij kende de bedding der rivier tot het George-meer even goed als hij haar kende benedenstrooms van Jacksonville, en hij stuurde het vaartuig met even vaste hand en met evenveel zekerheid, alsof het een der kanonneerbooten was van den commandant Stevens, die hij langs de kronkelende geul over de zandbanken in de monding van de Sint John geloodsd had.De Sint John was op dit gedeelte van haren loop geheel verlaten. De scheepvaartbeweging, die er gewoonlijk ten dienste der naburige plantages waargenomen werd, was sedert de inname van Jacksonville geheel vernietigd. Wanneer eenig vaartuig den stroom nog opstevende of afzakte, dan geschiedde dat uitsluitend ten dienste der federalistische troepen, of om de gemeenschap te onderhouden met de kanonneerbooten van het eskader der Noordelijken.Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz. 130).Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz.130).En het was meer dan waarschijnlijk, dat wanneer men Piccolata voorbijgestevend zoude zijn, ook die scheepvaart-beweging zoude ophouden.De expeditie van master James Burbank kwam tegen zes uur in den avond bij dit plaatsje aan. De pier van de aanlegplaats was door een detachement der Noordelijke troepen bezet. De sloep werd gepraaid en moest bij de kade aanleggen.Daar maakte Gilbert Burbank zich bekend aan den officier die te Piccolata bevel voerde.Op vertoon van den geleidebrief, die hem door den commandant Stevens overhandigd was, werd hem alras vergunning verleend zijne reis te vervolgen.Dat oponthoud had slechts weinige oogenblikken geduurd.Daar de vloed weer begon door te staan, kon men de roeiriemen met rust laten en schoot het vaartuig met snelheid tusschen de uitgestrekte bosschen door, die zich op beide oevers der rivier verheffen. Op den linkeroever evenwel zoude het woud eenige mijlen boven Piccolata, door moerassen vervangen worden.Wat de bosschen op den rechteroever betreft, die vertoonen zich dichter en dieper, en schijnen onmetelijk uitgestrekt, ja zonder einde te zijn. Men zou inderdaad het George-meer bereiken, zonder het einde er van te zien. Daar verwijderen zij zich eenigermate van den rivieroever en laten een breede strook vrij, die door den landbouw in beslag genomen is. Daar ziet men uitgestrekte rijstvelden, suikerrietvelden, indigovelden, katoenaanplantingen, die allen eene schitterende getuigenis afleggen ten gunste van de vruchtbaarheid van het Floridasche schiereiland.Een poos na zes uur hadden master James Burbank en zijne makkers den roodachtigen toren, die het oude Spaansche fort kroonde, achter een uitspringenden hoek van den stroom uit het oog verloren. Dit fort was sedert meer dan eene eeuw verlaten en ontmanteld, maar in weerwil daarvan stak die toren nog altijd boven de hooge kruinen der palmboomen van den oever uit.»Mars,” vroeg toen master James Burbank, »vreest gij niet om bij nacht de Sint John verder op te varen?”»Neen, master James,” antwoordde de mesties.»Kent gij het vaarwater volkomen?”»Ja, tot bij het George-meer.”»En verder op?”»Dan zullen wij zien. Wij hebben daarenboven geen oogenblik te verliezen. De tijd is kostbaar. En daar de vloed ons begunstigt, moeten wij er van profiteeren.”»Maar zal die vloed lang doorstaan?”»Hoe verder wij komen, master James, hoe minder hij zijn invloeddoet gevoelen. Daarom juist moeten wij de reis nacht en dag voortzetten.”Dat voorstel van Mars werd door de omstandigheden geboden. Daar hij voor de vaart instond, moest men zich aan zijne behendigheid toevertrouwen. Men zou trouwens geen reden hebben daarover berouw te gevoelen.Het vaartuig stevende gemakkelijk den geheelen nacht de Sint John op. De vloed hielp nog gedurende een paar uren, daarna moesten de negers elkander op de roeiriemen aflossen, en zoo won men nog een goede vijftien mijlen in zuidelijke richting.Men hield halt noch dien nacht, noch den daaropvolgenden dag van den 22sten, die daarenboven door geen enkel voorval gekenmerkt werd. Men stevende ook nog gedurende de volgende twaalf uren verder. De bovenloop van den stroom scheen geheel verlaten. Men stevende als het ware te midden van een onmetelijk woud van oude ceders, wier bladermassa’s elkander nu en dan over de Sint John heen ontmoetten en zoo een dicht gewelf van groen vormden. Geen enkel dorp werd ontwaard. Ook geen bouwland noch eenzaam staande woning. De oeverstreken leenden zich tot geen enkele soort van bebouwing. Het kon geen enkelen kolonist in het hoofd komen, daar eene landbouwonderneming aan te leggen.Op den 23sten, bij het aanbreken van den dag, verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk, welks oevers eindelijk van het onafzienbare woud bevrijd werden. De landstreek was zeer vlak en liet een gezichteinder ontwaren, die zich over eene oppervlakte van vele mijlen uitstrekte.Dat was een meer—het George-meer, dat door de Sint John, die er van het zuiden naar het noorden doorheen stroomt, gevormd wordt en waarin de stroom het grootste gedeelte zijner wateren uitstort.»Is dat het George-meer, Mars?” vroeg master James Burbank aan den mesties.»Inderdaad,” antwoordde deze. »Ik kan mij niet vergissen. Ik maakte toch deel uit van de expeditie, die tot taak had, het bovengedeelte van den stroom op te nemen en in kaart te brengen.”»En op welken afstand bevinden wij ons thans van Camdless-Bay?”»Op een afstand van honderd mijlen ongeveer.”»Dat is nog niet eens het derde gedeelte van den afstand, dien wij af te leggen hebben, om de Everglades te bereiken,” merkte Edward Carrol op.»Neen, dat is het nog niet,” antwoordde master James Burbank met een zucht.»Mars,” vroeg Gilbert, »hoe zullen wij nu verder te werk gaan?”»Hoe bedoelt gij?”»Zullen wij het vaartuig hier verlaten, om langs een der beide oevers van de Sint John voort te marcheeren? Dat zal niet zonder veel moeite en zonder veel oponthoud kunnen geschieden.”»Dat is waar, master Gilbert.”»Zou het niet mogelijk zijn om, wanneer wij het George-meer in zijne geheele lengte zullen overgevaren zijn, den waterweg te blijven houden, zoolang hij bevaarbaar zal blijken te zijn?”»Ja, wat zal ik daarop antwoorden?”»Zouden wij het niet kunnen beproeven?”»Ja, dat kunnen wij altijd.”»Wij kunnen niet erger ondervinden, dan dat wij op eene ondiepte vastraken.”»Dat is zoo.”»Welnu, als wij het vaartuig niet meer vlot kunnen krijgen, dan zullen wij ontschepen, om den tocht verder voort te zetten. Mij dunkt, dat het wel waard is om geprobeerd te worden. Zeg, wat denkt gij er van?”»Ik deel uwe meening volkomen, master Gilbert,” antwoordde Mars. »Wij zullen het beproeven.”En inderdaad, in de omstandigheden waarin men zich bevond, kon niet beter besloten worden.Men kon altijd aan wal gaan, om den tocht te voet voort te zetten. En zoolang men den waterweg kon benuttigen, zoude men veel vermoeienissen uitsparen en ook veel vertraging voorkomen.Het vaartuig stevende dus het George-meer op en stuurde daarbij langs en nagenoeg evenwijdig aan den oostelijken oever van dat zoetwaterbekken.De plantengroei was op het terrein, dat rondom het meer slechts eene geringe verhevenheid aanbood, niet zoo ontwikkeld als op de beide oevers van de Sint John. Onafzienbare moerasgronden strekten zich allerwege uit. Eenige gedeelten van den bodem, die minder aan den invloed van de overstroomingen blootgesteld waren, waren overdekt als het ware met een tapijt van zwartachtige mossoorten, waartusschen de violetachtige tinten van kleine paddestoelen, die daar bij millioenen en millioenen groeiden en tierden, scherp afstaken.Het zou uiterst onvoorzichtig zijn, zich op dien bewegelijken bodem, die slechts uit zacht slijk bestond en onvermogend was om den voetganger een vast steunpunt aan te bieden, te wagen.Wanneer master James Burbank en zijne tochtgenooten genoodzaakt waren geweest over dit gedeelte van het Floridasche grondgebied te marcheeren, dan zouden zij dat niet hebben kunnen doen dan ten koste van de grootste inspanningen, van de zwaarste vermoeienissen en ten koste van onberekenbare vertragingen, inde vooronderstelling namelijk, dat de marsch mogelijk zoude bevonden worden en dat men niet genoodzaakt zoude worden om terug te keeren.Slechts watervogels, namelijk die, wier pooten van zwemvliezen voorzien zijn, kunnen zich op zulke moerassige terreinen wagen. Die werden dan ook in overgroot getal aangetroffen. Daaronder had men talingen, eenden en watersnippen, in hare veelvuldige soorten vertegenwoordigd. Er was daar wild in overvloed, genoeg om den voorraad levensmiddelen aan te vullen, wanneer die in het vaartuig uitgeput mocht raken.Maar dat was het geval nog in lang niet, en had men dus niet noodig tot eene in ieder geval tijdroovende jacht over te gaan. Wat die mannen daar ook van weerhield, was dat men wist dat het in die moerasgronden van gevaarlijke slangen als het ware krioelde. Men hoorde hun scherp gesis onder het groene tapijt van waterplanten, die den bodem bedekten. Die reptiliën vinden, wel is waar, onverzoenlijke vijanden in de schare witte pelicanen, die voor dezen oorlog uitmuntend bewapend zijn, en daar te huis behooren; maar zij hebben zulke onbereikbare schuilhoeken in het diepe meer, en zijn met zulke vruchtbaarheid van voortplanting begaafd, dat zij gerust onuitroeibaar genoemd kunnen worden.Intusschen gleed het vaartuig met snelheid over de oppervlakte van het waterbekken.Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde en de sloep in de goede richting voortstuwde. Dank zij dier wakkere bries, konden de roeiers dien geheelen dag rusten, zonder dat daardoor eenige vertraging ontstond. Toen de avond viel, waren dan ook de dertig mijlen uitgestrektheid, die het meer van het noorden naar het zuiden meet, zonder bezwaar en zonder vermoeienis afgelegd.Toen het ongeveer zes uren was, was master James Burbank met zijne tochtgenooten aangekomen bij de zuidelijkste kaap, waarlangs de Sint-John zich in het George-meer stort.Men hield daar voor een oogenblik halt. Niet om uit te rusten; dat was niet noodig; want niemand was vermoeid. Maar men bemerkte daar een dorpje, uit een viertal woningen bestaande, en men wenschte, als het kon, berichten in te winnen.Die huizen waren door eenigen dier Floridasche zwervelingen betrokken, die zich hoofdzakelijk gedurende het gunstige seizoen met de jacht en de visscherij bezighielden.Het was van Edward Carrol, dat het voorstel uitging om te trachten inlichtingen in te winnen omtrent den voorbijtocht van Texar, en men had gelijk dat voorstel op te volgen.Een der inwoners van dat kleine gehucht werd ondervraagd ofhij of iemand anders een vaartuig gezien had, dat het George-meer opstevende en zich naar het Washington-meer begaf en waarin zeven of acht personen gezeten waren en eene mestische vrouw en een kind, een meisje van blanken oorsprong?»Inderdaad,” antwoordde de man.»Wanneer?”»Het is nu tweemaal vier-en-twintig uren geleden, dat ik een vaartuig heb zien voorbijstevenen, dat met uwe aanduidingen vrij wel overeenkomt.”»En heeft dat vaartuig bij uw dorp aangelegd?” vroeg Gilbert Burbank.»Neen.”»Niet?”»Het heeft zich integendeel zeer gehaast om den bovenloop van den stroom te bereiken.”»Maar hebt gij niets opgemerkt?”»Ik heb aan boord duidelijk eene vrouw gezien, die een klein meisje in hare armen gestrengeld hield.”»Is dat waar?”»Inderdaad.”»Vrienden!” riep Gilbert Burbank uit. »Laten wij goeden moed houden!”»Dat zullen wij!” betuigden allen.»Wij zijn dien Texar op het spoor,” vervolgde de jeugdige zeeofficier met vuur.»Ja,” antwoordde master James Burbank, »en hij heeft op ons slechts een voorsprong van tweemaal vier-en-twintig uren. Dat is niet veel.”»Niet veel?” meende Edward Carrol. »Mij dunkt, in tweemaal vier-en-twintig uren is nog al eenige afstand af te leggen.”»En wanneer ons vaartuig,” vervolgde master James Burbank, »ons nog eenige dagen zal kunnen voeren, dan zullen wij wel op hem winnen.”»Kent gij den loop der Sint-John boven het George-meer,” vroeg de jeugdige zee-officier aan den dorpsbewoner.»Ja, heer, en ik heb dien stroom meer dan honderd mijlen ver opgestevend.”»Zoo, dat treffen wij gelukkig,” merkte Edward Carrol op.»Denkt gij dat hij bevaarbaar is voor een vaartuig als het onze?” ging Gilbert Burbank zijne ondervragingen voort.»Hoe diep gaat het?”»Ongeveer drie voet,” antwoordde Mars.»Drie voet?” vroeg de Floridiaan. »Drommels, dat zal er op sommige plekken knapjes om houden.”»Denkt gij?”»Maar als gij ijverig het lood uitwerpen zult om het vaarwater niet te ontloopen, dan zult gij het Washington-meer wel bereiken.”»Maar daar aangekomen,” vroeg Edward Carrol, »op welken afstand zijn wij dan nog van hetmeer Okee-cho-bee?”»Op ongeveer honderdvijftig mijlen.”»Nog zoo ver!”»Ja zeker.”»Dank je, vriend.”»Kom aan boord!” riep Gilbert Burbank.»Ja, aan boord!” herhaalden allen.»En vooruit met de schuit, totdat de waterdiepte ons begeeft!”Ieder hernam zijne plaats in het vaartuig. Daar de wind bij het vallen van den avond veel geluwd was, werden de roeiriemen uitgelegd en krachtig gehanteerd. De oevers der rivier vlogen voorbij.Vóórdat de nacht geheel gevallen was, had men eenige mijlen in zuidwaartsche richting afgelegd.Er was geen quaestie van om op te houden of ten anker te gaan, daar men aan boord slapen kon.Het was daarenboven volle maan, zoodat de nacht helder genoeg was om het vaartuig veilig te kunnen sturen. Gilbert Burbank had den helmstok van het roer ter hand genomen. Mars stond op de voorplecht gewapend met een langen bootshaak, waarmede hij voortdurend de diepte van het vaarwater peilde. Wanneer hij daarmede den bodem der rivier aanraakte, dan gaf hij een teeken om het vaartuig stuurboord of bakboord te doen uitwijken. Zoo vooruitstevenende, was men gelukkig genoeg dat de kiel gedurende dien nachtelijken tocht slechts vijf- of zesmalen den bodem aanraakte, waarbij men telkenmale zonder groote inspanning weer vlot raakte.Toen de zon tegen vier uren in den ochtend aan de kim verscheen, giste Gilbert Burbank dat men niet minder dan vijftien mijlen in den verloopen nacht had afgelegd.Wat zouden de kansen zich gunstig voor master James Burbank en zijne tochtgenooten leenen, wanneer de Sint-John nog gedurende eenige dagen bevaarbaar bleef en hun zoo tot nabij hun doel zou voeren.Intusschen deden zich gedurende dien dag eenige materiëele hinderpalen voor. Ten gevolge van de kronkelingen der rivier vormde zij bij de scherpe hoeken vooruitspringende ondiepten, die door hare veelvuldigheid moeielijk te vermijden waren. Bij die hoeken of kapen versnelde de stroom zeer en voerde kleine kiezelsteenen en zand in aanmerkelijke hoeveelheid mede. Maar even voorbij den hoek, in stille waters aangekomen, bezonken die weder en verlengden zoo de ondiepte tot in het oneindige.Al die kronkelingen, al die zandbanken, die omgevaren moesten worden, verlengden den af te leggen afstand zeer, en daaruit ontstond voorzeker vertraging. Men kon ook niet altijd den wind benutten, die, wat de algemeene richting betreft, gunstig bleef. Het vaarwater kronkelde toch dermate, dat het soms was alsof de rivier van noord naar zuid stroomde, en dus op haren weg scheen terug te keeren. Maar de negers hanteerden ijverig de roeiriemen en ontwikkelden daarbij zulk een kracht, dat zij er in slaagden het tijdverlies tot een minimum terug te brengen.Men ontmoette ook hinderpalen, die aan de Sint John in het bijzonder eigen waren. Dat waren drijvende eilanden, die door eene overgroote opeenhooping gevormd werden van eene weelderig groeiende plant, de »pistia” genoemd, welke door sommige natuuronderzoekers, die den Floridaschen stroom bezochten, vergeleken werd met eene reusachtige latuw of saladekrop, die zich op de wateroppervlakte uitspreidde. Dat groene tapijt bezat genoeg stevigheid, om otters en reigers te veroorloven daarop te dartelen. Voor den mensch was het evenwel niet geraden zich te midden van die plantaardige massa te begeven, want hij zou er zich niet dan met veel moeite uit kunnen redden.Wanneer hunne nadering aangekondigd werd, dan nam Mars alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om ze te vermijden.De beide oevers van den stroom waren thans met dichte bosschen overdekt, die de wateroppervlakte als het ware tusschen twee groene muren insloten. Men ontwaarde er wel is waar de ceders niet, die meer benedenstrooms hunne wortels in de Sint John baadden; maar hier trof men eene groote hoeveelheid pijnboomen aan, die eene hoogte van honderdvijftig voet bereikten en tot de Australische pijnboomsoorten behoorden. Deze vonden eene gunstige gelegenheid voor hunnen groei te midden van die terreinen met moerassigen ondergrond, die door de Amerikanen »barrens” genoemd worden.De teelaarde van dien bodem is buitengewoon veerkrachtig en soms zoo sterk, dat een voetganger op sommige punten het evenwicht zou verliezen, wanneer hij zich op die bedriegelijke oppervlakte zou willen wagen. Gelukkig behoefde de kleine troep van master James Burbank dat niet te doen, want het vaartuig kon nog steeds de Sint John opstevenen en bijgevolg de expeditie dwars door de streken van beneden-Florida voeren.De dag ging zonder eenig voorval voorbij. Zoo ook de nacht.De rivier was en bleef eenzaam en verlaten. Geen enkel vaartuig werd op hare oppervlakte, geen enkele hut op hare oevers bespeurd. Maar over die omstandigheid had men geen reden om zich te beklagen. Het was oneindig beter niemand in verafgelegenstreken te ontmoeten, alwaar zooveel slecht volk rondzwierf. Want het kon niet ontkend worden, dat de woudloopers, de beroepsjagers en de avonturiers van allerhande slag en oorsprong, die daar aangetroffen werden, lieden waren van het meest verdachte allooi.Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz. 134).Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz.134).Men had ook alle reden om de ontmoeting te duchten der militie-troepen van Jacksonville, van Fernandina en van Sint Augustijn, die door de vlootvoogden Dupont en Stevens genoodzaakt waren geworden in zuidwaartsche richting af te trekken.Die gebeurlijkheid zou wel de ergste van allen zijn. In die detachementen schuilden voorzeker partijgangers van Texar, en die zouden zich ongetwijfeld op master James Burbank en zijn zoon Gilbert willen wreken.Nu is het duidelijk, dat het kleine troepje ieder gevecht moest ontwijken, tenzij men den Spanjaard ontmoette, in welk geval men pogen moest, hem de gevangen vrouwen met geweld te ontrukken.Gelukkig waren de omstandigheden van master James Burbank en zijne tochtgenooten zoo gunstig, dat de afstand tusschen het George-meer en het Washington-meer reeds in den avond van den 25stenafgelegd was. Toen men de grens van die stilstaande wateren bereikt had, was een verder voortdringen met het vaartuig onmogelijk. De rivier was zoo smal geworden, hare bedding was zoo ondiep, dat eene verdere vaart in zuidelijke richting niet meer uitvoerbaar was.Bij het berekenen der afstanden, kwamen master James Burbank en zijne reismakkers tot de slotsom, dat twee derden van de reis afgelegd waren.En inderdaad bevonden zij zich nog slechts op een afstand van honderd-veertig mijlen van de Everglades, de landstreek, die bereikt moest worden.

VII.Laatste woorden en laatste verzuchting.Dienzelfden dag, den 17denMaart, vertrokken master James Burbank, zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter miss Alice, alsook Mars, de echtgenoote van Zermah, naar Camdless-Bay en kwamen weinige uren later op Castle House aan.Helaas, men kon, men mocht de waarheid voor mevrouw Burbank niet verborgen houden.Der ongelukkige moeder werd daardoor andermaal een slag toegebracht, die in den staat van zwakte en uitputting, waarin zij zich bevond, hoogst noodlottig, ja doodelijk in zijne gevolgen kon worden.Die laatste poging om zich omtrent het lot van het meisje en de kindermeid te vergewissen, of om haar op het spoor te komen, was volkomen mislukt. Texar had daarop niet geantwoord en was in zijn stilzwijgen volhard. En hoe zou men hem hebben kunnen dwingen te bekennen waar die twee vrouwen waren, nu hij beweerde de ontvoering niet gepleegd te hebben? Maar niet alleen beweerde hij dat, hij had het ook bewezen door een alibi, niet minder onverklaarbaar dan al de voorgaande, dat hij niet in de Marino-Kreek had kunnen zijn op het oogenblik dat de misdaad bedreven werd.Daar hij omtrent de tegen hem ingebrachte beschuldigingen vrijgesproken was, kon hem de keuze niet meer aangeboden worden tusschen eene straf en eene openbaring, die op het spoor der slachtoffers had kunnen brengen.»Maar als Texar de schuldige niet is,” herhaalde Gilbert Burbank, »wie is het dan?”»Die misdaad kan door zijne lieden bedreven zijn,” antwoordde master Walter Stannard, »zonder dat hij er bij tegenwoordig geweest is.”»Dit is de eenige aanneembare uitleg, die te geven is,” hernam Edward Carrol.Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz. 98).Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz.98).»Neen, vader, neen mijnheer Carrol,” betuigde miss Alice Stannard, »Texar bevond zich in het vaartuig dat onze arme kleine Dy ontvoerde!Ik heb hem gezien en goed ook... Ik heb hem herkend en degelijk herkend, toen Zermah bij haar laatste hulpgeschrei zijn naam uitgilde. Nogmaals en blijf ik daarbij: ik heb hem gezien!... ik heb hem gezien!”Het jonge meisje uitte die betuiging met eene opmerkelijke geestdrift en zeggingskracht.Maar wat kon er op die formeele bewering geantwoord worden?Van haar kant was eene vergissing onmogelijk, zoo betuigde zij te Castle-House evenals zij dit voor den krijgsraad gedaan had.En toch, wanneer het waar was, dat zij zich niet vergiste, hoe was het dan toch mogelijk, dat de Spanjaard zich onder de krijgsgevangenen van Fernandina bevonden had, die aan boord van de kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont in verzekerde bewaring genomen waren?Dat was een onverklaarbaar, een onoplosbaar raadsel, voorwaar! Dat moet erkend worden.Maar al was ook de twijfel in het gemoed van de overigen gerezen, in dat van Mars bestond die niet. Hij trachtte niet te begrijpen, hij poogde zich geen rekenschap te geven omtrent hetgeen hem onverklaarbaar voorkwam. Hij was vast besloten het spoor van Texar te volgen en zou, wanneer hij hem weervond, hem wel noodzaken zijn geheim te openbaren, al zou hij hem door pijniging of door andere gewelddadigheden dat ontrukken.»Gij hebt gelijk, Mars,” antwoordde Gilbert Burbank, wien de mesties zijne voornemens mededeelde.»Gij hebt gelijk, Mars. Maar als het noodig is, moeten wij onze taak zonder hulp van dien ellendeling weten te volbrengen, daar niemand weet waarheen hij getrokken is!... Wij moeten onze nasporingen hervatten!... Ik heb verlof gekregen om te Camdless-Bay te blijven als dit noodig zal blijken, en reeds morgen zullen wij...”»Ja zeker, master Gilbert, reeds morgen zullen wij ons op weg begeven!” antwoordde Mars.»Ja, dat zullen wij.”De mesties begaf zich naar zijne woonkamer, alwaar hij zoowel aan zijne droefheid als zijn toorn den vrijen teugel kon vieren. Tot zeer laat zou men hem in zijn vertrek op en neer hebben kunnen hooren loopen. Eindelijk scheen hij toch rust te genieten; maar toen was de morgenstond nabij.Het daglicht vond Gilbert Burbank en Mars reeds bezig met de toebereidselen tot hunnen tocht. Zij zouden dien dag geheel en al besteden met het nauwkeurig onderzoeken van de geringste kreken en van de kleinste eilanden, die bovenstrooms van Camdless-Bay op de beide rivieroevers der Sint John aangetroffen worden. Voorwaar geen geringe taak.Master James Burbank en Edward Carrol zouden gedurende hunne afwezigheid de toebereidselen treffen tot het volvoeren van een meer uitgestrekten onderzoekingstocht. Levensmiddelen, munitiën, transportmiddelen, het benoodigde personeel, dat alles werd met zorg bij elkander gebracht, en niets zou verwaarloosd of uit het oog verloren worden, dat een gunstig welslagen zou kunnen bevorderen.Al moest men ook tot de woeste streken vanBeneden-Floridadoordringen, al moest men door de moerassige vlakten van het zuiden, dwars door de Everglades trekken; neen, men zou voor niets terugdeinzen.Het kon toch tot de onmogelijkheden gerekend worden, dat Texar het Floridasche grondgebied verlaten had. Wanneer hij zich toch noordwaarts begeven had, dan zou hij op de federalistische troepen gestuit hebben, die op de grens van den Staat Georgië als een ondoordringbaren muur vormden.Wanneer hij langs den zeekant zou hebben willen ontsnappen, dan zou hij hebben moeten pogen langs de zeeëngte van Bahama te stevenen, om eene toevlucht op de Lucaiïsche eilanden te vinden, die aan Engeland toebehooren. Maar de vaartuigen van den Commodore Dupont hielden de vaarwaters bezet van Mosquito-Inlet af tot aan den ingang van genoemde zeeëngte. Die kanonneerbooten en hare sloepen blokkeerden de geheele kuststrook volkomen. Neen, van dien kant bood zich geen enkele gunstige gelegenheid voor den Spanjaard aan, om te kunnen ontsnappen.Hij moest nog in Florida zijn en moest zich ongetwijfeld sedert veertien dagen daar verscholen houden, waar de Indiaan Squambo zijne slachtoffers gevangen hield.De tocht, die door master James Burbank beraamd werd, had dus ten doel om het spoor van Texar over de geheele uitgestrektheid van het Floridasche grondgebied te zoeken.Trouwens dat geheele grondgebied genoot thans de meest gewenschte rust, die men aan de tegenwoordigheid der federalistische troepen verschuldigd was en aan de vaartuigen van den Commodore Dupont, die de oostelijke kusten blokkeerden.Het zal wel niet behoeven verzekerd te worden, dat de rust te Jacksonville ook gehandhaafd werd. De vroegere autoriteitspersonen hadden hunne zetels in het stedelijk bestuur hernomen. Geen burgers, geen ingezetenen werden gevangen genomen of ook maar verontrust voor hunne lauwe of voor hunne vijandige staatkundige gevoelens. De aanhangers en handlangers van Texar waren evenwel uit elkander gejaagd. Hun opperhoofd had het daarenboven veiliger geacht van het eerste oogenblik in het gevolg der terugtrekkende Floridasche militie-troepen te verdwijnen.Wat ook niet uit het oog verloren mag worden, is dat de oorlog,die in de midden-landstreken van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met hardnekkigheid voortgezet werd, ten voordeele van de Federalisten verliep.Den 18denen den 19denontscheepte de eerste divisie van hetPotomac-legerbij het fort Monroe.Den 22stenmaakte de tweede divisie zich gereed om Alexandria te verlaten en naar hetzelfde doel te marcheeren.In weerwil van het krijgskundig talent, dat die oude professor in de scheikunde ontwikkelde, die gewoonlijk den naam van J. Jackson voerde, maar den naam van Stonewall (steenen wal) Jackson verworven had, werden de Zuidelijken weinige dagen later bij het gevecht van Kernstown geslagen.Een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat een vernieuwd oproer in Florida niet meer te vreezen was. Die Staat had—en dit kan niet genoeg herhaald worden—zich vrij onverschillig betoond, bij de botsingen tusschen de Noordelijken en Zuidelijken, die de aangrenzende Staten beroerd hadden.Onder die omstandigheden had het personeel van Camdless-Bay, hetwelk na den aanslag op de plantage verstrooid was geworden, gelegenheid gevonden langzamerhand terug te keeren.Sedert dat Jacksonville hernomen was, hadden de besluiten van Texar en zijn bestuur, betreffende de verbanning van de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat, geen kracht van wet of uitvoering meer. Op den datum van den 17denMaart, was het grootste gedeelte der negerfamiliën op het domein teruggekeerd en hielden zich reeds met den wederopbouw der barakken onledig.Terzelfder tijd ruimden talrijke werklieden de puinhoopen der werkplaatsen en der houtzaagmolens op, om nieuwe toestellen te plaatsen, ten einde de regelmatige exploitatie van de voortbrengselen van Camdless-Bay zoo spoedig mogelijk te kunnen hervatten.Master Perry en de opzieners ontwikkelden onder het bestuur van master Edward Carrol eene groote bedrijvigheid en arbeidsvermogen.Wanneer master James Burbank zijn ouden deelgenoot de zorg der geheele reorganisatie van de plantage overliet, vond dit daarin zijne reden, dat hij zich aan eene andere taak—namelijk aan het opsporen van zijn kind wenschte te wijden.Met het oog daarop en vast besloten een afdoenden onderzoekingstocht in de naaste toekomst te ondernemen, verzamelde hij daartoe al de benoodigdheden. Een detachement van twaalf vrijgestelde negerslaven, die onder de besten en van de geheele plantage met de meeste toewijding vervuld, uitgezocht waren, werd aangewezen om hem bij zijne nasporingen te vergezellen. Men kon er zeker van zijn, dat die brave lieden die taak met geestdrift aanvaarden en met ijver volbrengen zouden.Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz. 107).Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz.107).Er bleef thans nog maar over te beslissen hoedanig die expeditie geleid zoude worden. Dienaangaande was aarzeling wel gerechtvaardigd. En inderdaad, op welk gedeelte van het grondgebied van den Staat Florida zouden de nasporingen het allereerst begonnen worden? Die vraag moest natuurlijk elke andere beheerschen.Eene onverhoopte omstandigheid, geheel en al aan het toeval verschuldigd, zou met eene zekere nauwkeurigheid het spoor aanduiden, dat bij het begin van den veldtocht moest gevolgd worden.Gilbert en Mars, die in den vroegen morgen van den 19denCastle House verlaten hadden, stevenden met de meeste snelheid in een der lichtste vaartuigen van Camdless-Bay de Sint John op. Geen enkele neger van de plantage vergezelde hen bij die nasporingen, welke zij iederen dag opnieuw op de beide oevers van den stroom ten uitvoer brachten. Zij stelden zich tot taak zoo geheimzinnig mogelijk te werk te gaan, om de aandacht niet gaande te maken van de spionnen, die de omstreken van Castle House op bevel van Texar gadesloegen.Dien dag gleden beiden langs den linkeroever voort. Hun sloepje schoot tusschen het lange rietgras en achter de eilandjes voort, die door het geweld van den stroom bij de sterkeequinoxiaal-vloedenvan den vasten wal afgeschuurd waren, en liep geen kans om bemerkt te worden. Van de vaartuigen, die op de rivier stevenden, waren zij niet te bespeuren; en evenmin aan den oever zelven, wiens hoogte hen voor den blik dekte van iedereen, die zich in dien chaos van gewassen gewaagd had.Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s van de graafschappen Duval en Putnam te doorzoeken.Het algemeen uitzicht van den stroom is tot bij het gehucht Mandarijn bijna dat van een moeras. Bij volzee spreidt zich de watervlakte over hare beide oevers, die van zeer lage gesteldheid zijn, uit. De oevers komen weer te voorschijn bij halftij, wanneer de eb genoegzaam ingetreden is, om de Sint John tot haar normaal peil terug te voeren.Op den rechteroever vertoonde het terrein evenwel een weinig meer verhevenheid. Daar bevonden zich maïsvelden, die boven die periodieke overstroomingen, die geen bebouwing toelieten, gelegen waren. De naam van heuvelachtige streek kon zelfs aan die plek gegeven worden, waarop de weinige huizen van Mandarijn verrezen. Dat terrein liep in eene kaap uit, die zich tot in het vaarwater uitstrekte.Iets verder was de vernauwde oppervlakte van den stroom met eilandjes bezaaid. Drie hoofdarmen van de rivier kronkelen daar tusschen door en weerkaatsen in hunne wateren de witachtige bloempluimen van de overheerlijke magnoliastruiken, die allerwege op dieeilandjes weelderig groeien. Die vaarwaters, waarvan de stroomingen naarmate van het doorstaan van eb en vloed, geregeld nu eens naar zee, dan weer in tegenovergestelde richting voeren, zijn de scheepvaart tweemalen in de vier-en-twintig uren zeer dienstig, onverschillig werwaarts de koers genomen moet worden.Na den westelijken arm ingestevend te zijn, zochten en snuffelden Gilbert Burbank en Mars tot in de geringste inkepingen van den oever. Zij zochten of niet de een of andere rio-monding onder de neerhangende takken der tulpboomen verborgen was. In dat geval zouden zij die beek tot in het binnenland gevolgd zijn. Waar zij zich nu bevonden, bespeurde men de uitgestrekte moerassen van de benedenrivier niet meer. Integendeel, men trof daar dalspleten aan, die met boomachtige varens bekleed waren, met liquidambars, die op Java rasamala’s genoemd worden en wier bloesems vermengd met festoenen van welriekende slingerplanten, de lucht met doordringende geuren vervulden.Maar de rio’s boden op die verschillende plaatsen geene genoegzame diepte aan. Het waren slechts beekjes, die zich als een zilveren lint in het landschap vertoonden en geheel en al ongeschikt waren om een squif toegang te verleenen, terwijl zij bij eb geheel en al droog vielen.Geen enkele woning werd op hare oevers waargenomen. Ternauwernood zag men hier en daar eenige jagershutten, die toen onbewoond waren en de meest onbedriegelijke sporen droegen in langen tijd niet betrokken te zijn geweest. Bij sommigen scheen het, alsof bij gebrek aan menschelijke bewoners, verschillende dieren er hun verblijf in opgeslagen hadden. Daarin werd toch hondengeblaf, kattengemauw, kikvorschengekwaak, slangengesis, vossengejank in hunne verschillende grondtonen vernomen. En toch waren er geen honden, geen katten, geen kikvorschen, geen slangen en geen vossen aanwezig.Maar vanwaar kwam dat geluid dan? Wel, dat waren slechts nabootsingskreten van den kat-vogel, eene soort van donkerbruinachtigen lijster, met zwarten kop en rood-oranjekleurigen bek, die bij de nadering van de sloep ijlings wegvloog.Het was toen ongeveer drie uur des namiddags. In dat oogenblik raakte de voorsteven van het lichte vaartuig in een sombere massa van reusachtige rietstengels verward, toen een krachtige duw van Mars met den bootshaak, dien hij hanteerde, de sloep eene afsluiting van groen deed doorbreken, die onaantastbaar scheen. Daarachter rondde zich een inham af, die de uitgestrektheid van ongeveer een bunder besloeg en welker wateroppervlakte onder een dichten koepel van tulpboomen verscholen was en derhalve nimmer door de zonnestralen verwarmd werd.»Kijk, dat is een vijver, dien ik niet ken,” merkte Mars op, die opstond en zich uitrekte, om den toestand en de richting der oevers verderop van dien inham waar te nemen.»Wij zullen hem doorzoeken,” antwoordde Gilbert. »Hij moet in gemeenschap staan met de riomeertjes, die dit gedeelte van de lagune vormen. Misschien worden die gevoed door een riviertje, dat ons gelegenheid kan geven om verder het binnenland binnen te dringen.”»Inderdaad, master Gilbert.”»Kom vooruit, Mars!”»Juist vooruit! Steeds vooruit! Ik zie de opening van een doorgang ten noordwesten van ons.”»Waar zoekt gij het noordwesten in dit doolhof?” vroeg de jeugdige zeeofficier onthutst.»Daar in die richting,” sprak de mesties zonder aarzelen, terwijl hij de hand naar een zekeren kant uitstrekte.»Kunt gij mij zeggen,” vroeg de blanke, »waar ter wereld wij ons bevinden?”»Ja, geheel nauwkeurig niet, master Gilbert.”»Maar, waar denkt ge?”»Ik begin ... waarlijk te gelooven,” hernam Mars, na eens rondgekeken te hebben, »dat wij ons in de Zwarte Kreek bevinden.”»In de Zwarte Kreek, Mars?”»En toch ... meende ik, evenals alle bewoners van deze streek, dat het onmogelijk was er in door te dringen en dat zij niet in verbinding stond met de Sint-John.”»Bestond er vroeger niet in die kreek een fortje, dat men tot verdediging tegen de Seminool-Indianen opgeworpen had?”»Ja, master Gilbert; maar...”»Welnu, wat wilt ge zeggen?”»Maar sedert vele jaren is de monding, waarlangs de gemeenschap met den stroom plaats had, verzand, en het....”»Nu ga voort. Waarom te aarzelen, Mars?”»En het fortje is verlaten en aan den tand des tijds overgegeven geworden.”»Zijt gij er ooit geweest?”»Nooit.”»Welnu, wat denkt gij er van?”»Dat, als er van dat fortje nog iets bestaat, dit niet heel veel kan wezen.”»Kom, laten wij het trachten te bereiken,” hernam Gilbert Burbank.»Laten wij trachten,” herhaalde Mars, »maar dat zal waarschijnlijk zeer moeilijk zijn, master Gilbert.”»Waarom?”Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz. 118).Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz.118).»Omdat het water weldra verdwenen zal zijn met de ingetreden eb en dat...”»Nu?”»En dat de moerassige bodem geen weerstand genoeg zal bieden, om er op te gaan.”»Dat is zoo, Mars.”»Maar, wat te doen, master Gilbert?”»In het schuitje blijven, Mars, zoolang wij water genoeg zullen aantreffen.”»Laat ons dan geen oogenblik verloren laten gaan, master Gilbert.”»Juist, Mars.”»Het is reeds drie uren en onder dit zware geboomte valt de duistere nacht spoedig in.”Het was inderdaad de Zwarte Kreek waarin Gilbert Burbank en de mesties Mars, dank zij dien stoot met den bootshaak, die hunne sloep door de afsluiting van biezen gedreven had, gedrongen waren.Men weet het, dat die lagune slechts bevaarbaar was voor lichte vaartuigen zooals de squif, waarvan de Indiaan Squambo of zijn baas Texar zich bedienden, wanneer zij zich op de Sint-John waagden. Daarenboven, om bij het blokhuis te komen, hetwelk te midden van die kreek gelegen was, moest men merkwaardig goed bekend zijn met de duizenden en duizenden kronkelingen en doolwegen van het onuitwarbaar net der vaarwaters tusschen de veelvuldige eilandjes van die lagune-vorming. En het was lange en vele jaren geleden, dat zich iemand daarin gewaagd had. Men geloofde zelfs niet meer aan het bestaan van het fortje, en daaruit was eene soort van veiligheid voor het vreemdsoortig en boosaardig wezen gesproten, die er zijn gewoon verblijf had opgeslagen.En vandaar dan ook het geheimzinnige, dat het privaat-leven van Texar als met een sluier omgaf.Men zou inderdaad den draad van Ariadne moeten gehad hebben, om den weg te vinden te midden van dit doolhof, dat in duisternis gehuld was, zelfs wanneer de zon den middagcirkel van de plaats sneed. Intusschen kan bij gebrek van dien gewenschten draad het toeval er toe leiden, dat het centraal-eilandje van de Zwarte Kreek ontdekt werd.Het was dus aan dien onzekeren en onbewusten gids, dat Gilbert Burbank en Mars zich moesten toevertrouwen. Toen zij de eerste inkeping binnengevaren waren, stevenden zij door kanalen, welker waterinhoud met den stijgenden vloed zelfs in de kleinsten vermeerderde, zoodat de toegang voor hunne sloep mogelijk scheen. Zij bewogen zich vooruit, als door een geheim voorgevoel voortgedrongen,zonder zich rekenschap te geven hoe zij den terugtocht later zouden kunnen aanvaarden. Daar het geheele graafschap door hen doorzocht zoude worden, was het natuurlijk dat geen enkel gedeelte van deze lagune aan hunne nasporingen ontsnapte.Na ruim een half uur geroeid, geboomd en gezwoegd te hebben, had de sloep, volgens de gissing van Gilbert Burbank, eene gestrekte mijl binnen de kreek afgelegd.Meer dan eens was het vaartuig op eene onoverkomelijke ondiepte vastgeraakt en had men moeten terugkeeren, om langs een ander kanaal eene doorvaart te vinden. Geen twijfel evenwel bestond er omtrent de hoofdrichting van de lagune. Die moest westwaarts voeren.Noch de jeugdige officier, noch Mars hadden tot op dit oogenblik gepoogd voet aan wal te zetten,—hetgeen zij trouwens niet dan met zeer groote moeite zouden hebben kunnen doen, daar de bodem der eilandjes slechts zeer weinig boven den gemiddelden waterstand van den stroom gelegen was. Het was dus beter het lichte vaartuig niet te verlaten, zoolang gebrek aan diepte den voortgang niet zou beletten.Het was evenwel niet zonder groote inspanning, dat Gilbert Burbank en Mars er in geslaagd waren die gestrekte mijl af te leggen. Hoe krachtig van gestel de mesties ook was, zoo kwam er een oogenblik dat hij genoodzaakt werd wat uit te rusten. Hij wilde dat evenwel niet doen alvorens een eilandje bereikt te hebben, dat hij ontwaarde en dat hooger van terrein en van grooter uitgebreidheid scheen bij de weinige lichtstralen, die door meer ijle boomkruinen schitterden, dan al de anderen, die men reeds voorbijgestevend was.»Kijk, daar...” zei hij.»Wat is er?” vroeg Gilbert Burbank.»Dat is zonderling!” ging Mars voort.»Maar wat?”»Er zijn sporen van landbouw op dat eilandje!” antwoordde de mesties met de hand wijzende.»Ja, waarlijk!”Beiden ontscheepten en zetten voet aan wal op een oever, die minder moerassig dan de overigen was.Mars had zich niet vergist. De sporen van landbouw waren duidelijk zichtbaar. Eenige knolplanten werden hier en daar ontwaard. In den bodem werden voren bespeurd, die met menschenhanden gespit waren. Een schop, die achtergelaten was, stak nog in den grond.»De kreek is dus bewoond?...” vroeg Gilbert Burbank.»Dat schijnt wel,” antwoordde Mars.»Dat had ik niet gedacht.”»Misschien is zij slechts bekend aan eenige woudbewoners, misschien aan zwerf-Indianen die er eenige groenten teelen. Dunkt u niet, master Gilbert?”»Ja, Mars, en het zou niet onmogelijk zijn, dat zij er woningen gebouwd hebben, al waren het maar hutten...”»Inderdaad, master Gilbert, en als er een aanwezig is, dan...”»Wat, dan?”»Dan zullen wij haar wel weten te vinden, niet waar?”Zij hadden er groot belang bij om te weten te komen, welke soort lieden die Zwarte Kreek bewoonden of bezochten. Of het jagers der beneden-streken waren, die er zich heimelijk heen begaven? Of het Seminool-Indianen waren, die beneden nog te midden der moerassen van den Staat Florida rondzwierven.Dus Gilbert Burbank en Mars, zonder aan den terugtocht te denken, namen weer plaats in hun vaartuig en stevenden verder en dieper langs de kronkelingen der kreek.Het scheen dat een soort van voorgevoel hen naar hare somberste schuilhoeken voortstuwde. Hunne blikken, gewoon aan de betrekkelijke duisternis, welke door de dichte loofkruinen boven de oppervlakte der eilandjes veroorzaakt werd, peilden het woud in alle richtingen.Nu eens meenden zij een woonhuis te ontwaren, terwijl het slechts een muur van groen was, die zich als eene gordijn van den eenen boomstam naar den anderen uitstrekte.Dan eens verbeeldden zij zich een man te zien, die hen onbewegelijk stond aan te kijken, en bij nader onderzoek was het slechts een oude stronk, die zonderling gegroeid was en wel eenige overeenkomst met een menschengestalte vertoonde.Zij spitsten scherp hun gehoor.»Want”, sprak de een, »waar het oog faalt, kan het oor soms goede diensten bewijzen.”Dat was waar; want in die stilte der wouden is het minste gerucht voldoende om de tegenwoordigheid van een levend wezen te verraden.Beiden waren een half uur later bij het Centraal-eilandje aangekomen.Het bouwvallige blokhuis was zoo volkomen tusschen het struikgewas en door de slingerplanten verborgen, dat er hoegenaamd niets van te bespeuren was.Het kwam hen zelfs voor, dat de kreek daar ten einde liep, dat de met takken en grasgewassen versperde kanalen niet meer bevaarbaar waren. Daar verrees ook eene dichte afsluiting van zwaar struikgewas tusschen de laatste kronkelingen van de vaarwaters en het moerassige woud, hetwelk zich over het geheele graafschap Duval op den linkeroever der Sint John uitstrekte.»Het komt mij onmogelijk voor, verder te kunnen doordringen,” merkte de mesties op.»Mij ook, Mars.”»Het water ontbreekt daarenboven, master Gilbert...”»En toch, wij hebben ons straks niet vergist...”»Neen, dat hebben wij niet.”»Wij hebben wel degelijk sporen van landbouw waargenomen.”»Ongetwijfeld.”»Menschelijke wezens bezoeken deze kreek. Misschien waren zij er kort geleden.”»Ja, dat kan.”»Misschien zijn zij er nog.”»Ja, dat is ook mogelijk,” hernam Mars, »maar het wordt zaak om, van hetgeen nog van den dag overblijft, gebruik te maken, om naar de Sint John terug te keeren. Dunkt u dat ook niet, master Gilbert?”Deze antwoordde niet en scheen in gedachten verzonken.»De nacht begint reeds in te vallen,” ging de mesties voort, »en de duisternis zal weldra zwart zijn. Hoe zullen wij onzen weg in dit bochtige vaarwater weer vinden? Ik geloof, master Gilbert, dat het voorzichtig is terug te keeren. Wij kunnen dan onze nasporingen morgen ochtend bij het krieken van den dag hervatten. Laten wij, zooals wij gewoon zijn te doen, naar Castle-House wederkeeren. Wij zullen daar vertellen, wat wij gezien hebben. Wij zullen dan eene meer volledige verkenning organiseeren van de Zwarte Kreek, en wij zullen dat dan onder veel betere omstandigheden kunnen ondernemen.”»Ja, dat moet,” antwoordde de jeugdige zeeofficier.»Juist, master Gilbert.”»Maar toch wenschte ik, alvorens heen te gaan...”Hij was blijven stilstaan en wierp nog een uitvorschenden blik onder het hooge geboomte. Hij steeg toen in de sloep en was op het punt om het bevel te geven om van den wal te steken, toen hem plotseling Mars met een gebaar weerhield.De mesties bleef roerloos staan, spitste de ooren en luisterde.Een kreet of beter uitgedrukt een soort van voortdurend gekerm, dat niet te verwarren was met de gewone bosch-geluiden, werd vernomen. Het was als een wanhoopsgil, als de klacht van een menschelijk wezen, die door hevig lijden ontwrongen werd. Men zou gezegd hebben, dat het ’t laatste geroep was van eene stem, die op het punt was weg te sterven.»Een mensch is daar!...” riep Gilbert Burbank uit.Mars knikte bevestigend.»Hij smeekt om hulp,” vervolgde de jeugdige officier. »Hij is misschien stervende!”»Ja,” antwoordde Mars. »Wij moeten naar hem toe!... Wij moeten weten wie hij is!... Kom dadelijk de schuit uit!...”Dat was terstond geschied.Het vaartuig werd stevig vastgebonden. Gilbert Burbank en Mars sprongen op den oever en stoven onder het geboomte voort.Daar troffen zij alras eenige sporen van een voetpad aan, dat tusschen de struiken door slingerde. Hier en daar kon men zelfs den afdruk van een menschenvoet waarnemen. Dat daar menschen geloopen hadden, was thans boven allen twijfel verheven.Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. Zij luisterden. De klagende geluiden lieten zich nog steeds vernemen. Op dezen, op dezen slechts konden zij richting nemen.Beiden hoorden ze andermaal en thans zeer dicht bij. In weerwil van de duisternis, die al meer en meer inviel, zou het niet onmogelijk zijn de plek te bereiken, waar dat gekerm geslaakt werd.Plotseling weerklonk een nog pijnlijker kreet. Men kon zich omtrent de richting, die gevolgd moest worden, niet vergissen.Gilbert Burbank en Mars drongen door een boschje van dicht struikgewas en bevonden zich toen in tegenwoordigheid van een man, die bij eene palissadeering uitgestrekt lag en het sterven nabij was.Hij had een dolksteek in de volle borst ontvangen en een stroom bloed overdekte den ongelukkige. Met moeite bracht hij nog eenige zuchten uit. Blijkbaar had hij nog slechts weinige oogenblikken te leven.Gilbert Burbank en Mars bukten zich over dien man. Deze opende de oogen, maar poogde tevergeefs op hunne vragen te antwoorden.»Wij moeten dien man zien!” riep Gilbert uit. »Wij moeten zijn gelaat kunnen zien! Spoedig, eene flambouw... een vlammend stuk hout!...”Mars had reeds een tak afgerukt van een der harshoudende boomen, die in grooten getale op het eilandje groeiden. Hij stak dien met een lucifer aan, en een rookachtige vlam verspreidde eenig licht in het donker.Gilbert Burbank knielde naast den stervende neder.Het was een neger, een slaaf, die nog zeer jong scheen. Zijn hemd was geopend en liet ter hoogte van de borst eene diep doordringende wond ontwaren, waaruit het bloed vloeide. Die wond moest doodelijk geacht worden, daar het lemmet van den dolk de long doorstoken had.»Wie zijt gij?...” vroeg Gilbert.Geen antwoord.»Wie zijt gij?...” herhaalde Mars luider.De lijder bewoog zich niet.»Wie heeft u getroffen?”De arme slaaf kon geen enkel woord meer uitbrengen, welke moeite hij daartoe ook aanwendde.Mars zwaaide evenwel den brandenden tak, om licht te verspreiden, ten einde de plaats te verkennen, waar die gruwelijke moord bedreven was.Hij ontwaarde toen de palissadeering, en door de potern, die openstond, de onduidelijke omtrekken van het blokhuis.»Het fortje!” riep Mars uit.Het was inderdaad de versterking van de Zwarte Kreek, waarvan het bestaan in dit gedeelte van het graafschap Duval zelfs niet meer vermoed werd.En zijn meester bij den armen slaaf latende, die den doodsstrijd begonnen was, spoedde hij zich voort door de potern van het fortje.Mars had niet veel tijd noodig om het innerlijke van het blokhuis te doorloopen. In een schier ondeelbaar oogenblik had hij alle vertrekken doorzocht, die allerwege op het centraal-reduit uitzicht verleenden. In een van die kamers vond hij de overblijfselen van een vuur, die nog rookten. Het fortje was dus kort geleden nog bewoond geweest. Maar door welk soort van lieden? Waren dat Floridianen of Seminolen, blanken of Indianen? Aan wie hunner strekte die versterking tot schuilplaats? Dat moest men, het koste wat het wilde, vernemen. Maar zou die gewonde, die stervende, dat kunnen mededeelen? Men moest weten, wie zijne moordenaars waren, die eerst ettelijke uren geleden de vlucht genomen hadden.Mars kwam eindelijk weer buiten het blokhuis. Hij stapte langs de palissadeering rondom de afgesloten binnenruimte. Hij zwaaide zijn toorts onder iedere boomgroep, maar... hij ontwaarde niemand. Wanneer Gilbert Burbank en hij in den ochtend aangekomen waren, dan voorzeker zouden zij de bewoners van het fortje aangetroffen hebben. Thans was het te laat.De mesties keerde naar zijn meester terug en deelde hem mede, dat zij zich thans bij het blokhuis van de Zwarte Kreek bevonden.»Heeft die man u kunnen inlichten?” vroeg hij vervolgens.»Neen...” antwoordde Gilbert Burbank.»Waarom niet?”»Hij is buiten kennis en ik twijfel er aan of hij zijn bewustzijn weer zal krijgen.”»Wij moeten toch alles beproeven, master Gilbert.”»Dat erken ik.”»Want het geldt hier een geheim, bij welks ontsluiering wij het grootste belang hebben.”»Inderdaad.”»En dat niemand zal kunnen openbaren, wanneer deze ongelukkige overleden zal zijn.”»Voorzeker, Mars. Maar laten wij hem in het fortje dragen. Dan zal hij wellicht tot bewustzijn komen... Wij kunnen hem toch niet hier op den oever den laatsten adem laten uitblazen.”»Neemt gij de flambouw, master Gilbert,” antwoordde Mars. »Ik zal wel kracht genoeg bezitten om hem te dragen.”Gilbert Burbank greep den brandenden harsachtigen tak. De mesties tilde toen dat lichaam op, hetwelk niet veel meer was dan een beweginglooze klomp; klom de treden van de trap op, die naar de poterne voerde, schreed door de opening, die toegang tot de binnenruimte van de versterking verleende, en legde zijn last in een der vertrekken van het blokhuis neer.Het hart van den ongelukkige klopte nog, hoewel zeer flauw en slechts met lange tusschenpoozen. De levensvonk ging ontbreken... Zou het geheim hem niet te ontlokken zijn vóórdat hij den laatsten zucht zoude geslaakt hebben?De stervende was op eene laag gras neergelegd. Mars greep zijne veldflesch en bracht haren hals tusschen de lippen van den gewonde.Die weinige droppels brandewijn schenen hem een weinig te verlevendigen. Hij opende de oogen en vestigde ze op Mars en op Gilbert Burbank, die ijverig in de weer waren om zijn leven aan den dood te betwisten.Hij wilde spreken... Eenige onverstaanbare klanken ontsnapten aan zijne lippen... Een naam wellicht.»Spreek!... Spreek!...” riep Mars.De opgewondenheid, die den mesties beheerschte, was inderdaad onverklaarbaar. Het was of de uitslag van de taak, waaraan hij zijn leven gewijd had, geheel afhankelijk was van de laatste woorden van dezen stervende.De jeugdige slaaf poogde herhaaldelijk maar steeds tevergeefs eenige woorden uit te brengen... De krachten daartoe schoten te kort...In dit oogenblik voelde Mars, dat een stuk papier in den zak van den verwonde opgeborgen was.Dit papier te grijpen, het bij het licht van den brandenden hars tak te lezen, in weerwil dat het met bloed gedrenkt was, dat alles was slechts het werk van een oogenblik.Ettelijke woorden slechts waren er met houtskool opgekrabbeld. Het waren de navolgende:»Door Texar bij de Marino-Kreek ontvoerd... Naar de Everglades overgebracht... en gevangen gehouden op het eiland Garneral... Dit briefje bestemd voor master James Burbank... toevertrouwd aan dezen jeugdigen slaaf.”Mars herkende dit schrift dadelijk.Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz. 126).Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz.126).»Van Zermah!...” zei hij.Bij het hooren van dien naam opende de stervende de oogen en bewoog het hoofd, alsof hij dat gezegde wilde bevestigen.Gilbert Burbank tilde hem een weinig op en ondervroeg hem:»Van Zermah?”»Ja!”»En van Dy?”»Ja!”»Wie heeft u verwond?”»Texar.”Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. Hij stiet een kreet uit, daarna nog een zucht, rekte zich uit en viel dood op zijn grasleger neder.

Dienzelfden dag, den 17denMaart, vertrokken master James Burbank, zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter miss Alice, alsook Mars, de echtgenoote van Zermah, naar Camdless-Bay en kwamen weinige uren later op Castle House aan.

Helaas, men kon, men mocht de waarheid voor mevrouw Burbank niet verborgen houden.

Der ongelukkige moeder werd daardoor andermaal een slag toegebracht, die in den staat van zwakte en uitputting, waarin zij zich bevond, hoogst noodlottig, ja doodelijk in zijne gevolgen kon worden.

Die laatste poging om zich omtrent het lot van het meisje en de kindermeid te vergewissen, of om haar op het spoor te komen, was volkomen mislukt. Texar had daarop niet geantwoord en was in zijn stilzwijgen volhard. En hoe zou men hem hebben kunnen dwingen te bekennen waar die twee vrouwen waren, nu hij beweerde de ontvoering niet gepleegd te hebben? Maar niet alleen beweerde hij dat, hij had het ook bewezen door een alibi, niet minder onverklaarbaar dan al de voorgaande, dat hij niet in de Marino-Kreek had kunnen zijn op het oogenblik dat de misdaad bedreven werd.

Daar hij omtrent de tegen hem ingebrachte beschuldigingen vrijgesproken was, kon hem de keuze niet meer aangeboden worden tusschen eene straf en eene openbaring, die op het spoor der slachtoffers had kunnen brengen.

»Maar als Texar de schuldige niet is,” herhaalde Gilbert Burbank, »wie is het dan?”

»Die misdaad kan door zijne lieden bedreven zijn,” antwoordde master Walter Stannard, »zonder dat hij er bij tegenwoordig geweest is.”

»Dit is de eenige aanneembare uitleg, die te geven is,” hernam Edward Carrol.

Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz. 98).Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz.98).

Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz.98).

»Neen, vader, neen mijnheer Carrol,” betuigde miss Alice Stannard, »Texar bevond zich in het vaartuig dat onze arme kleine Dy ontvoerde!Ik heb hem gezien en goed ook... Ik heb hem herkend en degelijk herkend, toen Zermah bij haar laatste hulpgeschrei zijn naam uitgilde. Nogmaals en blijf ik daarbij: ik heb hem gezien!... ik heb hem gezien!”

Het jonge meisje uitte die betuiging met eene opmerkelijke geestdrift en zeggingskracht.

Maar wat kon er op die formeele bewering geantwoord worden?

Van haar kant was eene vergissing onmogelijk, zoo betuigde zij te Castle-House evenals zij dit voor den krijgsraad gedaan had.

En toch, wanneer het waar was, dat zij zich niet vergiste, hoe was het dan toch mogelijk, dat de Spanjaard zich onder de krijgsgevangenen van Fernandina bevonden had, die aan boord van de kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont in verzekerde bewaring genomen waren?

Dat was een onverklaarbaar, een onoplosbaar raadsel, voorwaar! Dat moet erkend worden.

Maar al was ook de twijfel in het gemoed van de overigen gerezen, in dat van Mars bestond die niet. Hij trachtte niet te begrijpen, hij poogde zich geen rekenschap te geven omtrent hetgeen hem onverklaarbaar voorkwam. Hij was vast besloten het spoor van Texar te volgen en zou, wanneer hij hem weervond, hem wel noodzaken zijn geheim te openbaren, al zou hij hem door pijniging of door andere gewelddadigheden dat ontrukken.

»Gij hebt gelijk, Mars,” antwoordde Gilbert Burbank, wien de mesties zijne voornemens mededeelde.

»Gij hebt gelijk, Mars. Maar als het noodig is, moeten wij onze taak zonder hulp van dien ellendeling weten te volbrengen, daar niemand weet waarheen hij getrokken is!... Wij moeten onze nasporingen hervatten!... Ik heb verlof gekregen om te Camdless-Bay te blijven als dit noodig zal blijken, en reeds morgen zullen wij...”

»Ja zeker, master Gilbert, reeds morgen zullen wij ons op weg begeven!” antwoordde Mars.

»Ja, dat zullen wij.”

De mesties begaf zich naar zijne woonkamer, alwaar hij zoowel aan zijne droefheid als zijn toorn den vrijen teugel kon vieren. Tot zeer laat zou men hem in zijn vertrek op en neer hebben kunnen hooren loopen. Eindelijk scheen hij toch rust te genieten; maar toen was de morgenstond nabij.

Het daglicht vond Gilbert Burbank en Mars reeds bezig met de toebereidselen tot hunnen tocht. Zij zouden dien dag geheel en al besteden met het nauwkeurig onderzoeken van de geringste kreken en van de kleinste eilanden, die bovenstrooms van Camdless-Bay op de beide rivieroevers der Sint John aangetroffen worden. Voorwaar geen geringe taak.

Master James Burbank en Edward Carrol zouden gedurende hunne afwezigheid de toebereidselen treffen tot het volvoeren van een meer uitgestrekten onderzoekingstocht. Levensmiddelen, munitiën, transportmiddelen, het benoodigde personeel, dat alles werd met zorg bij elkander gebracht, en niets zou verwaarloosd of uit het oog verloren worden, dat een gunstig welslagen zou kunnen bevorderen.

Al moest men ook tot de woeste streken vanBeneden-Floridadoordringen, al moest men door de moerassige vlakten van het zuiden, dwars door de Everglades trekken; neen, men zou voor niets terugdeinzen.

Het kon toch tot de onmogelijkheden gerekend worden, dat Texar het Floridasche grondgebied verlaten had. Wanneer hij zich toch noordwaarts begeven had, dan zou hij op de federalistische troepen gestuit hebben, die op de grens van den Staat Georgië als een ondoordringbaren muur vormden.

Wanneer hij langs den zeekant zou hebben willen ontsnappen, dan zou hij hebben moeten pogen langs de zeeëngte van Bahama te stevenen, om eene toevlucht op de Lucaiïsche eilanden te vinden, die aan Engeland toebehooren. Maar de vaartuigen van den Commodore Dupont hielden de vaarwaters bezet van Mosquito-Inlet af tot aan den ingang van genoemde zeeëngte. Die kanonneerbooten en hare sloepen blokkeerden de geheele kuststrook volkomen. Neen, van dien kant bood zich geen enkele gunstige gelegenheid voor den Spanjaard aan, om te kunnen ontsnappen.

Hij moest nog in Florida zijn en moest zich ongetwijfeld sedert veertien dagen daar verscholen houden, waar de Indiaan Squambo zijne slachtoffers gevangen hield.

De tocht, die door master James Burbank beraamd werd, had dus ten doel om het spoor van Texar over de geheele uitgestrektheid van het Floridasche grondgebied te zoeken.

Trouwens dat geheele grondgebied genoot thans de meest gewenschte rust, die men aan de tegenwoordigheid der federalistische troepen verschuldigd was en aan de vaartuigen van den Commodore Dupont, die de oostelijke kusten blokkeerden.

Het zal wel niet behoeven verzekerd te worden, dat de rust te Jacksonville ook gehandhaafd werd. De vroegere autoriteitspersonen hadden hunne zetels in het stedelijk bestuur hernomen. Geen burgers, geen ingezetenen werden gevangen genomen of ook maar verontrust voor hunne lauwe of voor hunne vijandige staatkundige gevoelens. De aanhangers en handlangers van Texar waren evenwel uit elkander gejaagd. Hun opperhoofd had het daarenboven veiliger geacht van het eerste oogenblik in het gevolg der terugtrekkende Floridasche militie-troepen te verdwijnen.

Wat ook niet uit het oog verloren mag worden, is dat de oorlog,die in de midden-landstreken van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met hardnekkigheid voortgezet werd, ten voordeele van de Federalisten verliep.

Den 18denen den 19denontscheepte de eerste divisie van hetPotomac-legerbij het fort Monroe.

Den 22stenmaakte de tweede divisie zich gereed om Alexandria te verlaten en naar hetzelfde doel te marcheeren.

In weerwil van het krijgskundig talent, dat die oude professor in de scheikunde ontwikkelde, die gewoonlijk den naam van J. Jackson voerde, maar den naam van Stonewall (steenen wal) Jackson verworven had, werden de Zuidelijken weinige dagen later bij het gevecht van Kernstown geslagen.

Een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat een vernieuwd oproer in Florida niet meer te vreezen was. Die Staat had—en dit kan niet genoeg herhaald worden—zich vrij onverschillig betoond, bij de botsingen tusschen de Noordelijken en Zuidelijken, die de aangrenzende Staten beroerd hadden.

Onder die omstandigheden had het personeel van Camdless-Bay, hetwelk na den aanslag op de plantage verstrooid was geworden, gelegenheid gevonden langzamerhand terug te keeren.

Sedert dat Jacksonville hernomen was, hadden de besluiten van Texar en zijn bestuur, betreffende de verbanning van de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat, geen kracht van wet of uitvoering meer. Op den datum van den 17denMaart, was het grootste gedeelte der negerfamiliën op het domein teruggekeerd en hielden zich reeds met den wederopbouw der barakken onledig.

Terzelfder tijd ruimden talrijke werklieden de puinhoopen der werkplaatsen en der houtzaagmolens op, om nieuwe toestellen te plaatsen, ten einde de regelmatige exploitatie van de voortbrengselen van Camdless-Bay zoo spoedig mogelijk te kunnen hervatten.

Master Perry en de opzieners ontwikkelden onder het bestuur van master Edward Carrol eene groote bedrijvigheid en arbeidsvermogen.

Wanneer master James Burbank zijn ouden deelgenoot de zorg der geheele reorganisatie van de plantage overliet, vond dit daarin zijne reden, dat hij zich aan eene andere taak—namelijk aan het opsporen van zijn kind wenschte te wijden.

Met het oog daarop en vast besloten een afdoenden onderzoekingstocht in de naaste toekomst te ondernemen, verzamelde hij daartoe al de benoodigdheden. Een detachement van twaalf vrijgestelde negerslaven, die onder de besten en van de geheele plantage met de meeste toewijding vervuld, uitgezocht waren, werd aangewezen om hem bij zijne nasporingen te vergezellen. Men kon er zeker van zijn, dat die brave lieden die taak met geestdrift aanvaarden en met ijver volbrengen zouden.

Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz. 107).Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz.107).

Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz.107).

Er bleef thans nog maar over te beslissen hoedanig die expeditie geleid zoude worden. Dienaangaande was aarzeling wel gerechtvaardigd. En inderdaad, op welk gedeelte van het grondgebied van den Staat Florida zouden de nasporingen het allereerst begonnen worden? Die vraag moest natuurlijk elke andere beheerschen.

Eene onverhoopte omstandigheid, geheel en al aan het toeval verschuldigd, zou met eene zekere nauwkeurigheid het spoor aanduiden, dat bij het begin van den veldtocht moest gevolgd worden.

Gilbert en Mars, die in den vroegen morgen van den 19denCastle House verlaten hadden, stevenden met de meeste snelheid in een der lichtste vaartuigen van Camdless-Bay de Sint John op. Geen enkele neger van de plantage vergezelde hen bij die nasporingen, welke zij iederen dag opnieuw op de beide oevers van den stroom ten uitvoer brachten. Zij stelden zich tot taak zoo geheimzinnig mogelijk te werk te gaan, om de aandacht niet gaande te maken van de spionnen, die de omstreken van Castle House op bevel van Texar gadesloegen.

Dien dag gleden beiden langs den linkeroever voort. Hun sloepje schoot tusschen het lange rietgras en achter de eilandjes voort, die door het geweld van den stroom bij de sterkeequinoxiaal-vloedenvan den vasten wal afgeschuurd waren, en liep geen kans om bemerkt te worden. Van de vaartuigen, die op de rivier stevenden, waren zij niet te bespeuren; en evenmin aan den oever zelven, wiens hoogte hen voor den blik dekte van iedereen, die zich in dien chaos van gewassen gewaagd had.

Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s van de graafschappen Duval en Putnam te doorzoeken.

Het algemeen uitzicht van den stroom is tot bij het gehucht Mandarijn bijna dat van een moeras. Bij volzee spreidt zich de watervlakte over hare beide oevers, die van zeer lage gesteldheid zijn, uit. De oevers komen weer te voorschijn bij halftij, wanneer de eb genoegzaam ingetreden is, om de Sint John tot haar normaal peil terug te voeren.

Op den rechteroever vertoonde het terrein evenwel een weinig meer verhevenheid. Daar bevonden zich maïsvelden, die boven die periodieke overstroomingen, die geen bebouwing toelieten, gelegen waren. De naam van heuvelachtige streek kon zelfs aan die plek gegeven worden, waarop de weinige huizen van Mandarijn verrezen. Dat terrein liep in eene kaap uit, die zich tot in het vaarwater uitstrekte.

Iets verder was de vernauwde oppervlakte van den stroom met eilandjes bezaaid. Drie hoofdarmen van de rivier kronkelen daar tusschen door en weerkaatsen in hunne wateren de witachtige bloempluimen van de overheerlijke magnoliastruiken, die allerwege op dieeilandjes weelderig groeien. Die vaarwaters, waarvan de stroomingen naarmate van het doorstaan van eb en vloed, geregeld nu eens naar zee, dan weer in tegenovergestelde richting voeren, zijn de scheepvaart tweemalen in de vier-en-twintig uren zeer dienstig, onverschillig werwaarts de koers genomen moet worden.

Na den westelijken arm ingestevend te zijn, zochten en snuffelden Gilbert Burbank en Mars tot in de geringste inkepingen van den oever. Zij zochten of niet de een of andere rio-monding onder de neerhangende takken der tulpboomen verborgen was. In dat geval zouden zij die beek tot in het binnenland gevolgd zijn. Waar zij zich nu bevonden, bespeurde men de uitgestrekte moerassen van de benedenrivier niet meer. Integendeel, men trof daar dalspleten aan, die met boomachtige varens bekleed waren, met liquidambars, die op Java rasamala’s genoemd worden en wier bloesems vermengd met festoenen van welriekende slingerplanten, de lucht met doordringende geuren vervulden.

Maar de rio’s boden op die verschillende plaatsen geene genoegzame diepte aan. Het waren slechts beekjes, die zich als een zilveren lint in het landschap vertoonden en geheel en al ongeschikt waren om een squif toegang te verleenen, terwijl zij bij eb geheel en al droog vielen.

Geen enkele woning werd op hare oevers waargenomen. Ternauwernood zag men hier en daar eenige jagershutten, die toen onbewoond waren en de meest onbedriegelijke sporen droegen in langen tijd niet betrokken te zijn geweest. Bij sommigen scheen het, alsof bij gebrek aan menschelijke bewoners, verschillende dieren er hun verblijf in opgeslagen hadden. Daarin werd toch hondengeblaf, kattengemauw, kikvorschengekwaak, slangengesis, vossengejank in hunne verschillende grondtonen vernomen. En toch waren er geen honden, geen katten, geen kikvorschen, geen slangen en geen vossen aanwezig.Maar vanwaar kwam dat geluid dan? Wel, dat waren slechts nabootsingskreten van den kat-vogel, eene soort van donkerbruinachtigen lijster, met zwarten kop en rood-oranjekleurigen bek, die bij de nadering van de sloep ijlings wegvloog.

Het was toen ongeveer drie uur des namiddags. In dat oogenblik raakte de voorsteven van het lichte vaartuig in een sombere massa van reusachtige rietstengels verward, toen een krachtige duw van Mars met den bootshaak, dien hij hanteerde, de sloep eene afsluiting van groen deed doorbreken, die onaantastbaar scheen. Daarachter rondde zich een inham af, die de uitgestrektheid van ongeveer een bunder besloeg en welker wateroppervlakte onder een dichten koepel van tulpboomen verscholen was en derhalve nimmer door de zonnestralen verwarmd werd.

»Kijk, dat is een vijver, dien ik niet ken,” merkte Mars op, die opstond en zich uitrekte, om den toestand en de richting der oevers verderop van dien inham waar te nemen.

»Wij zullen hem doorzoeken,” antwoordde Gilbert. »Hij moet in gemeenschap staan met de riomeertjes, die dit gedeelte van de lagune vormen. Misschien worden die gevoed door een riviertje, dat ons gelegenheid kan geven om verder het binnenland binnen te dringen.”

»Inderdaad, master Gilbert.”

»Kom vooruit, Mars!”

»Juist vooruit! Steeds vooruit! Ik zie de opening van een doorgang ten noordwesten van ons.”

»Waar zoekt gij het noordwesten in dit doolhof?” vroeg de jeugdige zeeofficier onthutst.

»Daar in die richting,” sprak de mesties zonder aarzelen, terwijl hij de hand naar een zekeren kant uitstrekte.

»Kunt gij mij zeggen,” vroeg de blanke, »waar ter wereld wij ons bevinden?”

»Ja, geheel nauwkeurig niet, master Gilbert.”

»Maar, waar denkt ge?”

»Ik begin ... waarlijk te gelooven,” hernam Mars, na eens rondgekeken te hebben, »dat wij ons in de Zwarte Kreek bevinden.”

»In de Zwarte Kreek, Mars?”

»En toch ... meende ik, evenals alle bewoners van deze streek, dat het onmogelijk was er in door te dringen en dat zij niet in verbinding stond met de Sint-John.”

»Bestond er vroeger niet in die kreek een fortje, dat men tot verdediging tegen de Seminool-Indianen opgeworpen had?”

»Ja, master Gilbert; maar...”

»Welnu, wat wilt ge zeggen?”

»Maar sedert vele jaren is de monding, waarlangs de gemeenschap met den stroom plaats had, verzand, en het....”

»Nu ga voort. Waarom te aarzelen, Mars?”

»En het fortje is verlaten en aan den tand des tijds overgegeven geworden.”

»Zijt gij er ooit geweest?”

»Nooit.”

»Welnu, wat denkt gij er van?”

»Dat, als er van dat fortje nog iets bestaat, dit niet heel veel kan wezen.”

»Kom, laten wij het trachten te bereiken,” hernam Gilbert Burbank.

»Laten wij trachten,” herhaalde Mars, »maar dat zal waarschijnlijk zeer moeilijk zijn, master Gilbert.”

»Waarom?”

Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz. 118).Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz.118).

Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio’s te doorzoeken. (Bladz.118).

»Omdat het water weldra verdwenen zal zijn met de ingetreden eb en dat...”

»Nu?”

»En dat de moerassige bodem geen weerstand genoeg zal bieden, om er op te gaan.”

»Dat is zoo, Mars.”

»Maar, wat te doen, master Gilbert?”

»In het schuitje blijven, Mars, zoolang wij water genoeg zullen aantreffen.”

»Laat ons dan geen oogenblik verloren laten gaan, master Gilbert.”

»Juist, Mars.”

»Het is reeds drie uren en onder dit zware geboomte valt de duistere nacht spoedig in.”

Het was inderdaad de Zwarte Kreek waarin Gilbert Burbank en de mesties Mars, dank zij dien stoot met den bootshaak, die hunne sloep door de afsluiting van biezen gedreven had, gedrongen waren.

Men weet het, dat die lagune slechts bevaarbaar was voor lichte vaartuigen zooals de squif, waarvan de Indiaan Squambo of zijn baas Texar zich bedienden, wanneer zij zich op de Sint-John waagden. Daarenboven, om bij het blokhuis te komen, hetwelk te midden van die kreek gelegen was, moest men merkwaardig goed bekend zijn met de duizenden en duizenden kronkelingen en doolwegen van het onuitwarbaar net der vaarwaters tusschen de veelvuldige eilandjes van die lagune-vorming. En het was lange en vele jaren geleden, dat zich iemand daarin gewaagd had. Men geloofde zelfs niet meer aan het bestaan van het fortje, en daaruit was eene soort van veiligheid voor het vreemdsoortig en boosaardig wezen gesproten, die er zijn gewoon verblijf had opgeslagen.

En vandaar dan ook het geheimzinnige, dat het privaat-leven van Texar als met een sluier omgaf.

Men zou inderdaad den draad van Ariadne moeten gehad hebben, om den weg te vinden te midden van dit doolhof, dat in duisternis gehuld was, zelfs wanneer de zon den middagcirkel van de plaats sneed. Intusschen kan bij gebrek van dien gewenschten draad het toeval er toe leiden, dat het centraal-eilandje van de Zwarte Kreek ontdekt werd.

Het was dus aan dien onzekeren en onbewusten gids, dat Gilbert Burbank en Mars zich moesten toevertrouwen. Toen zij de eerste inkeping binnengevaren waren, stevenden zij door kanalen, welker waterinhoud met den stijgenden vloed zelfs in de kleinsten vermeerderde, zoodat de toegang voor hunne sloep mogelijk scheen. Zij bewogen zich vooruit, als door een geheim voorgevoel voortgedrongen,zonder zich rekenschap te geven hoe zij den terugtocht later zouden kunnen aanvaarden. Daar het geheele graafschap door hen doorzocht zoude worden, was het natuurlijk dat geen enkel gedeelte van deze lagune aan hunne nasporingen ontsnapte.

Na ruim een half uur geroeid, geboomd en gezwoegd te hebben, had de sloep, volgens de gissing van Gilbert Burbank, eene gestrekte mijl binnen de kreek afgelegd.

Meer dan eens was het vaartuig op eene onoverkomelijke ondiepte vastgeraakt en had men moeten terugkeeren, om langs een ander kanaal eene doorvaart te vinden. Geen twijfel evenwel bestond er omtrent de hoofdrichting van de lagune. Die moest westwaarts voeren.

Noch de jeugdige officier, noch Mars hadden tot op dit oogenblik gepoogd voet aan wal te zetten,—hetgeen zij trouwens niet dan met zeer groote moeite zouden hebben kunnen doen, daar de bodem der eilandjes slechts zeer weinig boven den gemiddelden waterstand van den stroom gelegen was. Het was dus beter het lichte vaartuig niet te verlaten, zoolang gebrek aan diepte den voortgang niet zou beletten.

Het was evenwel niet zonder groote inspanning, dat Gilbert Burbank en Mars er in geslaagd waren die gestrekte mijl af te leggen. Hoe krachtig van gestel de mesties ook was, zoo kwam er een oogenblik dat hij genoodzaakt werd wat uit te rusten. Hij wilde dat evenwel niet doen alvorens een eilandje bereikt te hebben, dat hij ontwaarde en dat hooger van terrein en van grooter uitgebreidheid scheen bij de weinige lichtstralen, die door meer ijle boomkruinen schitterden, dan al de anderen, die men reeds voorbijgestevend was.

»Kijk, daar...” zei hij.

»Wat is er?” vroeg Gilbert Burbank.

»Dat is zonderling!” ging Mars voort.

»Maar wat?”

»Er zijn sporen van landbouw op dat eilandje!” antwoordde de mesties met de hand wijzende.

»Ja, waarlijk!”

Beiden ontscheepten en zetten voet aan wal op een oever, die minder moerassig dan de overigen was.

Mars had zich niet vergist. De sporen van landbouw waren duidelijk zichtbaar. Eenige knolplanten werden hier en daar ontwaard. In den bodem werden voren bespeurd, die met menschenhanden gespit waren. Een schop, die achtergelaten was, stak nog in den grond.

»De kreek is dus bewoond?...” vroeg Gilbert Burbank.

»Dat schijnt wel,” antwoordde Mars.

»Dat had ik niet gedacht.”

»Misschien is zij slechts bekend aan eenige woudbewoners, misschien aan zwerf-Indianen die er eenige groenten teelen. Dunkt u niet, master Gilbert?”

»Ja, Mars, en het zou niet onmogelijk zijn, dat zij er woningen gebouwd hebben, al waren het maar hutten...”

»Inderdaad, master Gilbert, en als er een aanwezig is, dan...”

»Wat, dan?”

»Dan zullen wij haar wel weten te vinden, niet waar?”

Zij hadden er groot belang bij om te weten te komen, welke soort lieden die Zwarte Kreek bewoonden of bezochten. Of het jagers der beneden-streken waren, die er zich heimelijk heen begaven? Of het Seminool-Indianen waren, die beneden nog te midden der moerassen van den Staat Florida rondzwierven.

Dus Gilbert Burbank en Mars, zonder aan den terugtocht te denken, namen weer plaats in hun vaartuig en stevenden verder en dieper langs de kronkelingen der kreek.

Het scheen dat een soort van voorgevoel hen naar hare somberste schuilhoeken voortstuwde. Hunne blikken, gewoon aan de betrekkelijke duisternis, welke door de dichte loofkruinen boven de oppervlakte der eilandjes veroorzaakt werd, peilden het woud in alle richtingen.

Nu eens meenden zij een woonhuis te ontwaren, terwijl het slechts een muur van groen was, die zich als eene gordijn van den eenen boomstam naar den anderen uitstrekte.

Dan eens verbeeldden zij zich een man te zien, die hen onbewegelijk stond aan te kijken, en bij nader onderzoek was het slechts een oude stronk, die zonderling gegroeid was en wel eenige overeenkomst met een menschengestalte vertoonde.

Zij spitsten scherp hun gehoor.

»Want”, sprak de een, »waar het oog faalt, kan het oor soms goede diensten bewijzen.”

Dat was waar; want in die stilte der wouden is het minste gerucht voldoende om de tegenwoordigheid van een levend wezen te verraden.

Beiden waren een half uur later bij het Centraal-eilandje aangekomen.

Het bouwvallige blokhuis was zoo volkomen tusschen het struikgewas en door de slingerplanten verborgen, dat er hoegenaamd niets van te bespeuren was.

Het kwam hen zelfs voor, dat de kreek daar ten einde liep, dat de met takken en grasgewassen versperde kanalen niet meer bevaarbaar waren. Daar verrees ook eene dichte afsluiting van zwaar struikgewas tusschen de laatste kronkelingen van de vaarwaters en het moerassige woud, hetwelk zich over het geheele graafschap Duval op den linkeroever der Sint John uitstrekte.

»Het komt mij onmogelijk voor, verder te kunnen doordringen,” merkte de mesties op.

»Mij ook, Mars.”

»Het water ontbreekt daarenboven, master Gilbert...”

»En toch, wij hebben ons straks niet vergist...”

»Neen, dat hebben wij niet.”

»Wij hebben wel degelijk sporen van landbouw waargenomen.”

»Ongetwijfeld.”

»Menschelijke wezens bezoeken deze kreek. Misschien waren zij er kort geleden.”

»Ja, dat kan.”

»Misschien zijn zij er nog.”

»Ja, dat is ook mogelijk,” hernam Mars, »maar het wordt zaak om, van hetgeen nog van den dag overblijft, gebruik te maken, om naar de Sint John terug te keeren. Dunkt u dat ook niet, master Gilbert?”

Deze antwoordde niet en scheen in gedachten verzonken.

»De nacht begint reeds in te vallen,” ging de mesties voort, »en de duisternis zal weldra zwart zijn. Hoe zullen wij onzen weg in dit bochtige vaarwater weer vinden? Ik geloof, master Gilbert, dat het voorzichtig is terug te keeren. Wij kunnen dan onze nasporingen morgen ochtend bij het krieken van den dag hervatten. Laten wij, zooals wij gewoon zijn te doen, naar Castle-House wederkeeren. Wij zullen daar vertellen, wat wij gezien hebben. Wij zullen dan eene meer volledige verkenning organiseeren van de Zwarte Kreek, en wij zullen dat dan onder veel betere omstandigheden kunnen ondernemen.”

»Ja, dat moet,” antwoordde de jeugdige zeeofficier.

»Juist, master Gilbert.”

»Maar toch wenschte ik, alvorens heen te gaan...”

Hij was blijven stilstaan en wierp nog een uitvorschenden blik onder het hooge geboomte. Hij steeg toen in de sloep en was op het punt om het bevel te geven om van den wal te steken, toen hem plotseling Mars met een gebaar weerhield.

De mesties bleef roerloos staan, spitste de ooren en luisterde.

Een kreet of beter uitgedrukt een soort van voortdurend gekerm, dat niet te verwarren was met de gewone bosch-geluiden, werd vernomen. Het was als een wanhoopsgil, als de klacht van een menschelijk wezen, die door hevig lijden ontwrongen werd. Men zou gezegd hebben, dat het ’t laatste geroep was van eene stem, die op het punt was weg te sterven.

»Een mensch is daar!...” riep Gilbert Burbank uit.

Mars knikte bevestigend.

»Hij smeekt om hulp,” vervolgde de jeugdige officier. »Hij is misschien stervende!”

»Ja,” antwoordde Mars. »Wij moeten naar hem toe!... Wij moeten weten wie hij is!... Kom dadelijk de schuit uit!...”

Dat was terstond geschied.

Het vaartuig werd stevig vastgebonden. Gilbert Burbank en Mars sprongen op den oever en stoven onder het geboomte voort.

Daar troffen zij alras eenige sporen van een voetpad aan, dat tusschen de struiken door slingerde. Hier en daar kon men zelfs den afdruk van een menschenvoet waarnemen. Dat daar menschen geloopen hadden, was thans boven allen twijfel verheven.

Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. Zij luisterden. De klagende geluiden lieten zich nog steeds vernemen. Op dezen, op dezen slechts konden zij richting nemen.

Beiden hoorden ze andermaal en thans zeer dicht bij. In weerwil van de duisternis, die al meer en meer inviel, zou het niet onmogelijk zijn de plek te bereiken, waar dat gekerm geslaakt werd.

Plotseling weerklonk een nog pijnlijker kreet. Men kon zich omtrent de richting, die gevolgd moest worden, niet vergissen.

Gilbert Burbank en Mars drongen door een boschje van dicht struikgewas en bevonden zich toen in tegenwoordigheid van een man, die bij eene palissadeering uitgestrekt lag en het sterven nabij was.

Hij had een dolksteek in de volle borst ontvangen en een stroom bloed overdekte den ongelukkige. Met moeite bracht hij nog eenige zuchten uit. Blijkbaar had hij nog slechts weinige oogenblikken te leven.

Gilbert Burbank en Mars bukten zich over dien man. Deze opende de oogen, maar poogde tevergeefs op hunne vragen te antwoorden.

»Wij moeten dien man zien!” riep Gilbert uit. »Wij moeten zijn gelaat kunnen zien! Spoedig, eene flambouw... een vlammend stuk hout!...”

Mars had reeds een tak afgerukt van een der harshoudende boomen, die in grooten getale op het eilandje groeiden. Hij stak dien met een lucifer aan, en een rookachtige vlam verspreidde eenig licht in het donker.

Gilbert Burbank knielde naast den stervende neder.

Het was een neger, een slaaf, die nog zeer jong scheen. Zijn hemd was geopend en liet ter hoogte van de borst eene diep doordringende wond ontwaren, waaruit het bloed vloeide. Die wond moest doodelijk geacht worden, daar het lemmet van den dolk de long doorstoken had.

»Wie zijt gij?...” vroeg Gilbert.

Geen antwoord.

»Wie zijt gij?...” herhaalde Mars luider.

De lijder bewoog zich niet.

»Wie heeft u getroffen?”

De arme slaaf kon geen enkel woord meer uitbrengen, welke moeite hij daartoe ook aanwendde.

Mars zwaaide evenwel den brandenden tak, om licht te verspreiden, ten einde de plaats te verkennen, waar die gruwelijke moord bedreven was.

Hij ontwaarde toen de palissadeering, en door de potern, die openstond, de onduidelijke omtrekken van het blokhuis.

»Het fortje!” riep Mars uit.

Het was inderdaad de versterking van de Zwarte Kreek, waarvan het bestaan in dit gedeelte van het graafschap Duval zelfs niet meer vermoed werd.

En zijn meester bij den armen slaaf latende, die den doodsstrijd begonnen was, spoedde hij zich voort door de potern van het fortje.

Mars had niet veel tijd noodig om het innerlijke van het blokhuis te doorloopen. In een schier ondeelbaar oogenblik had hij alle vertrekken doorzocht, die allerwege op het centraal-reduit uitzicht verleenden. In een van die kamers vond hij de overblijfselen van een vuur, die nog rookten. Het fortje was dus kort geleden nog bewoond geweest. Maar door welk soort van lieden? Waren dat Floridianen of Seminolen, blanken of Indianen? Aan wie hunner strekte die versterking tot schuilplaats? Dat moest men, het koste wat het wilde, vernemen. Maar zou die gewonde, die stervende, dat kunnen mededeelen? Men moest weten, wie zijne moordenaars waren, die eerst ettelijke uren geleden de vlucht genomen hadden.

Mars kwam eindelijk weer buiten het blokhuis. Hij stapte langs de palissadeering rondom de afgesloten binnenruimte. Hij zwaaide zijn toorts onder iedere boomgroep, maar... hij ontwaarde niemand. Wanneer Gilbert Burbank en hij in den ochtend aangekomen waren, dan voorzeker zouden zij de bewoners van het fortje aangetroffen hebben. Thans was het te laat.

De mesties keerde naar zijn meester terug en deelde hem mede, dat zij zich thans bij het blokhuis van de Zwarte Kreek bevonden.

»Heeft die man u kunnen inlichten?” vroeg hij vervolgens.

»Neen...” antwoordde Gilbert Burbank.

»Waarom niet?”

»Hij is buiten kennis en ik twijfel er aan of hij zijn bewustzijn weer zal krijgen.”

»Wij moeten toch alles beproeven, master Gilbert.”

»Dat erken ik.”

»Want het geldt hier een geheim, bij welks ontsluiering wij het grootste belang hebben.”

»Inderdaad.”

»En dat niemand zal kunnen openbaren, wanneer deze ongelukkige overleden zal zijn.”

»Voorzeker, Mars. Maar laten wij hem in het fortje dragen. Dan zal hij wellicht tot bewustzijn komen... Wij kunnen hem toch niet hier op den oever den laatsten adem laten uitblazen.”

»Neemt gij de flambouw, master Gilbert,” antwoordde Mars. »Ik zal wel kracht genoeg bezitten om hem te dragen.”

Gilbert Burbank greep den brandenden harsachtigen tak. De mesties tilde toen dat lichaam op, hetwelk niet veel meer was dan een beweginglooze klomp; klom de treden van de trap op, die naar de poterne voerde, schreed door de opening, die toegang tot de binnenruimte van de versterking verleende, en legde zijn last in een der vertrekken van het blokhuis neer.

Het hart van den ongelukkige klopte nog, hoewel zeer flauw en slechts met lange tusschenpoozen. De levensvonk ging ontbreken... Zou het geheim hem niet te ontlokken zijn vóórdat hij den laatsten zucht zoude geslaakt hebben?

De stervende was op eene laag gras neergelegd. Mars greep zijne veldflesch en bracht haren hals tusschen de lippen van den gewonde.

Die weinige droppels brandewijn schenen hem een weinig te verlevendigen. Hij opende de oogen en vestigde ze op Mars en op Gilbert Burbank, die ijverig in de weer waren om zijn leven aan den dood te betwisten.

Hij wilde spreken... Eenige onverstaanbare klanken ontsnapten aan zijne lippen... Een naam wellicht.

»Spreek!... Spreek!...” riep Mars.

De opgewondenheid, die den mesties beheerschte, was inderdaad onverklaarbaar. Het was of de uitslag van de taak, waaraan hij zijn leven gewijd had, geheel afhankelijk was van de laatste woorden van dezen stervende.

De jeugdige slaaf poogde herhaaldelijk maar steeds tevergeefs eenige woorden uit te brengen... De krachten daartoe schoten te kort...

In dit oogenblik voelde Mars, dat een stuk papier in den zak van den verwonde opgeborgen was.

Dit papier te grijpen, het bij het licht van den brandenden hars tak te lezen, in weerwil dat het met bloed gedrenkt was, dat alles was slechts het werk van een oogenblik.

Ettelijke woorden slechts waren er met houtskool opgekrabbeld. Het waren de navolgende:

»Door Texar bij de Marino-Kreek ontvoerd... Naar de Everglades overgebracht... en gevangen gehouden op het eiland Garneral... Dit briefje bestemd voor master James Burbank... toevertrouwd aan dezen jeugdigen slaaf.”

Mars herkende dit schrift dadelijk.

Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz. 126).Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz.126).

Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz.126).

»Van Zermah!...” zei hij.

Bij het hooren van dien naam opende de stervende de oogen en bewoog het hoofd, alsof hij dat gezegde wilde bevestigen.

Gilbert Burbank tilde hem een weinig op en ondervroeg hem:

»Van Zermah?”

»Ja!”

»En van Dy?”

»Ja!”

»Wie heeft u verwond?”

»Texar.”

Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. Hij stiet een kreet uit, daarna nog een zucht, rekte zich uit en viel dood op zijn grasleger neder.

VIII.Van Camdless-Bay naar het Meer Washington.Dienzelfden avond waren Gilbert Burbank en Mars nog vóór het middernachtelijk uur op Castle House teruggekeerd.Maar welke moeielijkheden zij te overwinnen hadden gehad, om buiten de Zwarte Kreek te geraken, is eenvoudig onmogelijk om mede te deelen.Toen zij het blokhuis verlieten, was de nacht reeds over het dal der Sint John gedaald. De duisternis was dan ook volkomen onder de dichte loofkruinen van die zoo begroeide lagune. Zonder een soort van instinct, dat Mars geleidde door de vaarwaters tusschen die eilandjes, welke in den zwarten nacht niet te onderscheiden waren, zouden geen van beiden de hoofdrivier teruggevonden hebben. Twintig malen raakte hun vaartuig op eene ondiepte vast, die onoverkomelijk was, en moest men terugkeeren, om een meer bevaarbaar kanaal op te zoeken en door te stevenen.Men moest takken van harshoudend hout ontsteken en die op de voorplecht van het schuitje vastmaken, om zoodoende de vaart zoo goed mogelijk te verlichten. Maar de moeielijkheden werden buitengewoon groot, toen Mars op het punt meende aangekomen te zijn, waar de wateren van de Zwarte Kreek zich in de Sint John uitstortten. De mesties vond de plek niet meer terug waar de boeg van de sloep zich een weg door de rietstengels eenige uren vroeger gebaand had. Gelukkig was de eb ingetreden, zoodat het voldoende was het vaartuig aan den invloed van den stroomdraad over te laten, die het in zijn natuurlijk vergaarbekken zoude voeren.Mars en Gilbert Burbank ontscheepten, na de twintig mijlen, die de Zwarte Kreek van de plantage scheidden, zoo spoedig mogelijk afgelegd te hebben, eindelijk op de pier van Camdless-Bay.Men wachtte hen natuurlijk vol ongerustheid op Castle-House.Noch James Burbank, noch een zijner huisgenooten waren naar hunne slaapvertrekken gegaan. Zij bespraken natuurlijk dat ongewoonlange uitblijven. Gilbert en Mars waren toch in den regel iederen dag bij het vallen van den avond te huis.Waarom waren zij thans niet teruggekeerd?Moest of mocht men daaruit opmaken, dat zij een nieuw spoor gevonden hadden? Zouden hunne pogingen eindelijk slagen?O, wat was dat wachten pijnlijk en wreed!Eindelijk kwamen zij aan, en toen zij de hall binnentraden, vloog het geheele huisgezin hen tegemoet.»Welnu.... Gilbert....” riep master James Burbank hartstochtelijk uit.»Vader,” antwoordde de jeugdige officier. »Alice heeft zich niet vergist!... Het is wel degelijk Texar, die mijn zusje en Zermah ontvoerd heeft.”»Hebt gij er het bewijs van?”»Ja!”»Waar is het?”»Lees!”En Gilbert Burbank bood zijnen vader het verkreukt en bloederig papier aan, waarop de woorden, door de mestische vrouw gekrabbeld, te lezen stonden.»Ja,” zei hij, »thans is geen twijfel meer geoorloofd. Het is de Spanjaard! En hij heeft zijne beide slachtoffers naar het fortje vervoerd of doen vervoeren. Daar woonde hij, hetgeen niemand wist. Een arme slaaf, aan wien Zermah dat papier had toevertrouwd, om het naar Castle House over te brengen en van wien zij waarschijnlijk vernomen had, dat Texar naar het eiland Garneral zou vertrekken, heeft zijn voornemen om zich voor haar nuttig te maken met zijn leven geboet. Wij hebben hem stervende gevonden. Hij werd door de hand van Texar getroffen en thans is hij dood. Maar al zijn de kleine Dy en Zermah niet meer in de Zwarte Kreek, wij weten ten minste thans naar welk gedeelte van Florida men ze vervoerd heeft. Dat is naar de Everglades, en daar moeten wij heen om haar te verlossen. Morgen reeds, vader, morgen reeds moeten wij derwaarts vertrekken!...”»Wij zijn gereed, Gilbert.”»Dus morgen!”»Ja, morgen!”De hoop was op Castle House weergekeerd. Men zou zich thans niet meer vergissen. Men zou thans niet meer op een dwaalspoor geraken. Men zou thans geene vruchtelooze pogingen meer ondernemen. Mevrouw Burbank werd geheel en al op de hoogte gebracht, en deze waardige moeder gevoelde zich bij die tijdingen als het ware herleven. Zij had de kracht om op te staan, om te knielen en een dankgebed tot God te richten.Dus volgens de bekentenis van Zermah, was het Texar in persoon geweest, die de ontvoering van de kleine Dy in de Marino Kreek had gepleegd. Hij was het dus, dien miss Alice Stannard voor op de plecht van het vaartuig gezien had, toen dat naar het midden der rivier stevende.En toch.... hoe was dat alles overeen te brengen, met het alibi, waarop de Spanjaard zich beroepen en wat hij bewezen had? Hoe kon hij op hetzelfde oogenblik, dat hij die misdaad bedreef, krijgsgevangene der Federalisten aan boord van een der kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont zijn?Dat alibi moest ongetwijfeld valsch zijn, valsch evenals al de anderen waren.Maar waarin bestond die valschheid? Hoe haar te bewijzen?Zou men ooit het geheim vernemen van die alomtegenwoordigheid, waarvan Texar zoo behendig bewijzen scheen te kunnen afleggen?Maar wat kon dat, alles wel beschouwd, schelen? Wat thans als bewezen kon aangenomen worden, was dat de mestische vrouw en het kleine meisje eerst naar het blokhuis van de Zwarte Kreek overgevoerd waren geworden en daarna naar het eiland Garneral.Daar moest men haar zoeken. Daar moest men Texar overvallen. Ditmaal zou niets hem aan de straf kunnen onttrekken, welke zijne misdadige kuiperijen zoo dubbel en dwars verdiend hadden.Er was bovendien geen tijd te verliezen.De afstand van Camdless-Bay tot de Everglades is vrij aanzienlijk. Men zou verscheidene dagen noodig hebben, om hem af te leggen. Gelukkig dat, zooals meester James Burbank verzekerd had, de expeditie, die door hem uitgerust was, op en top gereed was om Castle House te kunnen verlaten.Wat het eiland Garneral betrof, de kaarten van het Floridasche schiereiland gaven aan, dat het gelegen was in het meer Okee-cho-bee.En wat de Everglades aangaat, aldus wordt eene moerassige landstreek genoemd, die aan het meer Okee-cho-bee grenst en een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad in het zuidelijkste gedeelte van den Staat Florida gelegen is.De afstand tusschen Jacksonville en dat meer werd op vierhonderd mijlen of op honderdtachtig uren gaans gerekend. Verderop was de streek zeer weinig bezocht en op dat tijdstip bijna geheel onbekend.Indien de Sint John tot aan haren oorsprong bevaarbaar ware geweest, dan zou die afstand in korten tijd en zonder groote moeielijkheden kunnen worden afgelegd. Maar zeer waarschijnlijk zou men den stroom slechts over een betrekkelijk klein gedeeltevan zijne uitgestrektheid kunnen benutten, dat wil zeggen tot aan het George-meer of over een afstand van honderd-zeven mijlen ongeveer.Verderop zouden op haren verhinderden loop kleine eilanden verschijnen, ondiepten, waartusschen geen vaarwater voldoende aangegeven was, armen en spruiten, soms drooggeloopen in den ebtijd. Waarlijk, een eenigszins diepgeladen vaartuig zoude daar ernstige hinderpalen of voor het minst aanmerkelijke vertragingen hebben ondervonden. Wanneer het intusschen mogelijk bleek, den stroom tot bij het meer Washington op te stevenen, dat wil zeggen ter hoogte van den acht-en-twintigsten breedtegraad, dwars van kaap Malabar, dan zou men reeds veel gewonnen hebben; want dan zou men het einddoel meer nabij gekomen zijn.Intusschen mocht daarop niet te veel vertrouwd worden. Het beste was, om zich gereed te houden tot het afleggen van een afstand van tweehonderd-en-vijftig mijlen te midden van eene bijna eenzame landstreek, waar het kompas en alle andere hulpmiddelen, zoo onontbeerlijk voor eene expeditie, die met snelheid gevoerd moest worden, niet zouden mogen ontbreken.Het was dan ook met het oog op dergelijke gebeurlijkheden, dat master James Burbank zijne voorbereidende maatregelen getroffen had.Den volgenden ochtend, zijnde den 20stenMaart, stond het personeel der expeditie op de pier van Camdless Bay vereenigd, gereed om te vertrekken.Master James Burbank en zijn zoon Gilbert hadden mevrouw Burbank, die hare kamer nog niet verlaten kon, vaarwel gezegd en omhelsd, evenwel niet zonder daarbij eene angstige gewaarwording te ondervinden. Miss Alice, haar vader master Walter Stannard en de onder-administrateurs van de plantage vergezelden hen. Zelfs Pyg was master Perry, voor wien hij thans eene zekere toegenegenheid koesterde, komen vaarwel zeggen. Hij herinnerde zich de lessen en de raadgevingen van den waardigen administrateur, ter zake van de bezwaren eener vrijheid, waarvoor hij zich nog niet rijp of geschikt gevoelde.De expeditie was volgenderwijze samengesteld:Master James Burbank, zijn zwager master Edward Carrol, die van zijn verwonding genezen was, zijn zoon Gilbert Burbank, de hoofdadministrateur Perry, Mars en een dozijn negers, uitgekozen onder de dappersten en onder de meest toewijdingsvollen van de geheele plantage—in het geheel zeventien personen.Mars kende genoegzaam den loop der Sint John, om als loods dienst te doen, zoolang deze bevaarbaar bleef. Dat wil zeggen tot voorbij het George-meer. Wat de negers betreft, die waren gewoonmet de roeiriemen om te gaan. Zij zouden zich met hunne krachtige armen van hunne taak behoorlijk weten te kwijten, wanneer de wind of de stroom hen in den steek zou laten.Het vaartuig, dat onder de grootsten van Camdless-Bay uitgekozen was, kon een zeil voeren, dat, doelmatig getuigd, veroorloofde als het noodig was scherp bij den wind te loopen. Dat kon van onschatbare waarde gerekend worden, om het soms sterk kronkelende vaarwater te kunnen volgen. Het vaartuig was bewapend en had genoeg oorlogsmunitiën aan boord, om master James Burbank en zijne metgezellen volkomen gerust te stellen ten opzichte van de benden Seminool-Indianen, die nog in beneden Florida aangetroffen worden, en ten opzichte van de makkers van Texar, wanneer de Spanjaard namelijk eenigen hunner rondom zich verzameld mocht hebben.Met eene dergelijke gebeurlijkheid moest inderdaad rekening gehouden worden, wilde men den goeden uitslag der expeditie niet in groot gevaar brengen.Eindelijk was het oogenblik van scheiden daar; Gilbert omhelsde miss Alice, master James Burbank sloot haar ook in zijne armen, inderdaad alsof zij reeds zijne eigene dochter ware.»Vader!...” kreet zij snikkende. »Gilbert!... breng onze kleine Dy terug!... Breng mij mijne zuster terug!”»Ja, lieve Alice,” antwoordde de jeugdige officier. »Ja, met Gods hulp en bescherming zullen wij haar terugbrengen! Reken daar op!”Master Walter Stannard, miss Alice, de opzichters der plantage, alsook Pyg waren op de pier van Camdless-Bay verbleven, terwijl het vaartuig afstak.Allen wenkten en wuifden ten afscheid tot het oogenblik, dat de noordwestenwind het zeil van het vaartuig vulde en dit laatste, door den opkomenden vloed voortgestuwd, achter de landspits verdween, die zich aan den eenen kantderMarino-Kreek vormde.Het was toen ongeveer zes uren in den ochtend. Het vaartuig stevende een uur later het gehucht Mandarijn voorbij en bevond zich, zonder dat men van de roeiriemen had behoeven gebruik te maken, zoo omstreeks tien uren ter hoogte van de Zwarte-Kreek.Het hart klopte allen in de borstkas, toen zij langs dien linkeroever der Sint John stevenden, waarover het hooggaande water van den vloed heen stroomde. Daar achter die rietstengels, die biezen, die dichte strooken van rhisophoren, met hunne lucht- en steltwortels, waren de kleine Dy en Zermah aanvankelijk gevangen gehouden geworden. Daar was het, dat Texar en zijne medeplichtigen haar gedurende meer dan veertien dagen zoo geheimzinnig verborgen hadden gehouden, dat geen spoor van hunne misdadige ontvoeringachtergebleven was. Tien malen, ja meer waren master James Burbank, master Walter Stannard en later Gilbert Burbank en Mars den stroom op- en neerwaarts gestevend en hadden die plek daar bij de lagune voorbijgevaren, zonder te kunnen gissen, dat het oude blokhuis de ontvoerde geliefden tot verblijfplaats strekte.Ditmaal was het niet noodig daar stil te houden. Men moest de nasporingen eenige honderden mijlen meer zuidwaarts uitstrekken. De wind blies wakker in het zeil en het vaartuig stevende de Zwarte-Kreek voorbij, zonder haar aan te doen.De eerste maaltijd werd gemeenschappelijk genoten. De kisten, die men medegenomen had, bevatten voldoenden voorraad van verduurzaamde levensmiddelen, voor een twintigtal dagen. Een gedeelte daarvan was in eenmansvrachten afgedeeld, om vervoerd te kunnen worden, wanneer de tocht over land voortgezet moest worden. Eenige kampements benoodigdheden zouden veroorloven om halt te houden, hetzij bij nacht, hetzij bij dag, hetzij te midden der maagdelijke wouden, hetzij te midden der uitgestrekte moerassen, waarmede de oeverstreken der Sint John overdekt zijn.Toen de vloed tegen elf uur ongeveer kenterde en de eb intrad, bleef de wind toch gunstig. Toch moest men de roeiriemen te water brengen, om dezelfde snelheid te bewaren. De negers aanvaardden hunne taak, en weldra schoot de boot, onder den aandrang van vijf paren krachtige armen, met spoed vooruit en stevende onverdroten den stroom op.Mars stond stilzwijgend op de achterplecht en hield met onwrikbare hand het roer, terwijl hij het vaartuig tusschen de eilanden en eilandjes door stuurde, die te midden van de Sint John aangetroffen werden. Hij zocht de vaarwaters uit, waarin de stroom met het minste geweld doorstond. Hij stevende er zonder eenige aarzeling in. Nooit begaf hij zich bij vergissing in eene onbruikbare doorvaart, nooit liep hij gevaar op eenige ondiepte, die bij eb droog zou loopen, vast te raken. Hij kende de bedding der rivier tot het George-meer even goed als hij haar kende benedenstrooms van Jacksonville, en hij stuurde het vaartuig met even vaste hand en met evenveel zekerheid, alsof het een der kanonneerbooten was van den commandant Stevens, die hij langs de kronkelende geul over de zandbanken in de monding van de Sint John geloodsd had.De Sint John was op dit gedeelte van haren loop geheel verlaten. De scheepvaartbeweging, die er gewoonlijk ten dienste der naburige plantages waargenomen werd, was sedert de inname van Jacksonville geheel vernietigd. Wanneer eenig vaartuig den stroom nog opstevende of afzakte, dan geschiedde dat uitsluitend ten dienste der federalistische troepen, of om de gemeenschap te onderhouden met de kanonneerbooten van het eskader der Noordelijken.Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz. 130).Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz.130).En het was meer dan waarschijnlijk, dat wanneer men Piccolata voorbijgestevend zoude zijn, ook die scheepvaart-beweging zoude ophouden.De expeditie van master James Burbank kwam tegen zes uur in den avond bij dit plaatsje aan. De pier van de aanlegplaats was door een detachement der Noordelijke troepen bezet. De sloep werd gepraaid en moest bij de kade aanleggen.Daar maakte Gilbert Burbank zich bekend aan den officier die te Piccolata bevel voerde.Op vertoon van den geleidebrief, die hem door den commandant Stevens overhandigd was, werd hem alras vergunning verleend zijne reis te vervolgen.Dat oponthoud had slechts weinige oogenblikken geduurd.Daar de vloed weer begon door te staan, kon men de roeiriemen met rust laten en schoot het vaartuig met snelheid tusschen de uitgestrekte bosschen door, die zich op beide oevers der rivier verheffen. Op den linkeroever evenwel zoude het woud eenige mijlen boven Piccolata, door moerassen vervangen worden.Wat de bosschen op den rechteroever betreft, die vertoonen zich dichter en dieper, en schijnen onmetelijk uitgestrekt, ja zonder einde te zijn. Men zou inderdaad het George-meer bereiken, zonder het einde er van te zien. Daar verwijderen zij zich eenigermate van den rivieroever en laten een breede strook vrij, die door den landbouw in beslag genomen is. Daar ziet men uitgestrekte rijstvelden, suikerrietvelden, indigovelden, katoenaanplantingen, die allen eene schitterende getuigenis afleggen ten gunste van de vruchtbaarheid van het Floridasche schiereiland.Een poos na zes uur hadden master James Burbank en zijne makkers den roodachtigen toren, die het oude Spaansche fort kroonde, achter een uitspringenden hoek van den stroom uit het oog verloren. Dit fort was sedert meer dan eene eeuw verlaten en ontmanteld, maar in weerwil daarvan stak die toren nog altijd boven de hooge kruinen der palmboomen van den oever uit.»Mars,” vroeg toen master James Burbank, »vreest gij niet om bij nacht de Sint John verder op te varen?”»Neen, master James,” antwoordde de mesties.»Kent gij het vaarwater volkomen?”»Ja, tot bij het George-meer.”»En verder op?”»Dan zullen wij zien. Wij hebben daarenboven geen oogenblik te verliezen. De tijd is kostbaar. En daar de vloed ons begunstigt, moeten wij er van profiteeren.”»Maar zal die vloed lang doorstaan?”»Hoe verder wij komen, master James, hoe minder hij zijn invloeddoet gevoelen. Daarom juist moeten wij de reis nacht en dag voortzetten.”Dat voorstel van Mars werd door de omstandigheden geboden. Daar hij voor de vaart instond, moest men zich aan zijne behendigheid toevertrouwen. Men zou trouwens geen reden hebben daarover berouw te gevoelen.Het vaartuig stevende gemakkelijk den geheelen nacht de Sint John op. De vloed hielp nog gedurende een paar uren, daarna moesten de negers elkander op de roeiriemen aflossen, en zoo won men nog een goede vijftien mijlen in zuidelijke richting.Men hield halt noch dien nacht, noch den daaropvolgenden dag van den 22sten, die daarenboven door geen enkel voorval gekenmerkt werd. Men stevende ook nog gedurende de volgende twaalf uren verder. De bovenloop van den stroom scheen geheel verlaten. Men stevende als het ware te midden van een onmetelijk woud van oude ceders, wier bladermassa’s elkander nu en dan over de Sint John heen ontmoetten en zoo een dicht gewelf van groen vormden. Geen enkel dorp werd ontwaard. Ook geen bouwland noch eenzaam staande woning. De oeverstreken leenden zich tot geen enkele soort van bebouwing. Het kon geen enkelen kolonist in het hoofd komen, daar eene landbouwonderneming aan te leggen.Op den 23sten, bij het aanbreken van den dag, verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk, welks oevers eindelijk van het onafzienbare woud bevrijd werden. De landstreek was zeer vlak en liet een gezichteinder ontwaren, die zich over eene oppervlakte van vele mijlen uitstrekte.Dat was een meer—het George-meer, dat door de Sint John, die er van het zuiden naar het noorden doorheen stroomt, gevormd wordt en waarin de stroom het grootste gedeelte zijner wateren uitstort.»Is dat het George-meer, Mars?” vroeg master James Burbank aan den mesties.»Inderdaad,” antwoordde deze. »Ik kan mij niet vergissen. Ik maakte toch deel uit van de expeditie, die tot taak had, het bovengedeelte van den stroom op te nemen en in kaart te brengen.”»En op welken afstand bevinden wij ons thans van Camdless-Bay?”»Op een afstand van honderd mijlen ongeveer.”»Dat is nog niet eens het derde gedeelte van den afstand, dien wij af te leggen hebben, om de Everglades te bereiken,” merkte Edward Carrol op.»Neen, dat is het nog niet,” antwoordde master James Burbank met een zucht.»Mars,” vroeg Gilbert, »hoe zullen wij nu verder te werk gaan?”»Hoe bedoelt gij?”»Zullen wij het vaartuig hier verlaten, om langs een der beide oevers van de Sint John voort te marcheeren? Dat zal niet zonder veel moeite en zonder veel oponthoud kunnen geschieden.”»Dat is waar, master Gilbert.”»Zou het niet mogelijk zijn om, wanneer wij het George-meer in zijne geheele lengte zullen overgevaren zijn, den waterweg te blijven houden, zoolang hij bevaarbaar zal blijken te zijn?”»Ja, wat zal ik daarop antwoorden?”»Zouden wij het niet kunnen beproeven?”»Ja, dat kunnen wij altijd.”»Wij kunnen niet erger ondervinden, dan dat wij op eene ondiepte vastraken.”»Dat is zoo.”»Welnu, als wij het vaartuig niet meer vlot kunnen krijgen, dan zullen wij ontschepen, om den tocht verder voort te zetten. Mij dunkt, dat het wel waard is om geprobeerd te worden. Zeg, wat denkt gij er van?”»Ik deel uwe meening volkomen, master Gilbert,” antwoordde Mars. »Wij zullen het beproeven.”En inderdaad, in de omstandigheden waarin men zich bevond, kon niet beter besloten worden.Men kon altijd aan wal gaan, om den tocht te voet voort te zetten. En zoolang men den waterweg kon benuttigen, zoude men veel vermoeienissen uitsparen en ook veel vertraging voorkomen.Het vaartuig stevende dus het George-meer op en stuurde daarbij langs en nagenoeg evenwijdig aan den oostelijken oever van dat zoetwaterbekken.De plantengroei was op het terrein, dat rondom het meer slechts eene geringe verhevenheid aanbood, niet zoo ontwikkeld als op de beide oevers van de Sint John. Onafzienbare moerasgronden strekten zich allerwege uit. Eenige gedeelten van den bodem, die minder aan den invloed van de overstroomingen blootgesteld waren, waren overdekt als het ware met een tapijt van zwartachtige mossoorten, waartusschen de violetachtige tinten van kleine paddestoelen, die daar bij millioenen en millioenen groeiden en tierden, scherp afstaken.Het zou uiterst onvoorzichtig zijn, zich op dien bewegelijken bodem, die slechts uit zacht slijk bestond en onvermogend was om den voetganger een vast steunpunt aan te bieden, te wagen.Wanneer master James Burbank en zijne tochtgenooten genoodzaakt waren geweest over dit gedeelte van het Floridasche grondgebied te marcheeren, dan zouden zij dat niet hebben kunnen doen dan ten koste van de grootste inspanningen, van de zwaarste vermoeienissen en ten koste van onberekenbare vertragingen, inde vooronderstelling namelijk, dat de marsch mogelijk zoude bevonden worden en dat men niet genoodzaakt zoude worden om terug te keeren.Slechts watervogels, namelijk die, wier pooten van zwemvliezen voorzien zijn, kunnen zich op zulke moerassige terreinen wagen. Die werden dan ook in overgroot getal aangetroffen. Daaronder had men talingen, eenden en watersnippen, in hare veelvuldige soorten vertegenwoordigd. Er was daar wild in overvloed, genoeg om den voorraad levensmiddelen aan te vullen, wanneer die in het vaartuig uitgeput mocht raken.Maar dat was het geval nog in lang niet, en had men dus niet noodig tot eene in ieder geval tijdroovende jacht over te gaan. Wat die mannen daar ook van weerhield, was dat men wist dat het in die moerasgronden van gevaarlijke slangen als het ware krioelde. Men hoorde hun scherp gesis onder het groene tapijt van waterplanten, die den bodem bedekten. Die reptiliën vinden, wel is waar, onverzoenlijke vijanden in de schare witte pelicanen, die voor dezen oorlog uitmuntend bewapend zijn, en daar te huis behooren; maar zij hebben zulke onbereikbare schuilhoeken in het diepe meer, en zijn met zulke vruchtbaarheid van voortplanting begaafd, dat zij gerust onuitroeibaar genoemd kunnen worden.Intusschen gleed het vaartuig met snelheid over de oppervlakte van het waterbekken.Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde en de sloep in de goede richting voortstuwde. Dank zij dier wakkere bries, konden de roeiers dien geheelen dag rusten, zonder dat daardoor eenige vertraging ontstond. Toen de avond viel, waren dan ook de dertig mijlen uitgestrektheid, die het meer van het noorden naar het zuiden meet, zonder bezwaar en zonder vermoeienis afgelegd.Toen het ongeveer zes uren was, was master James Burbank met zijne tochtgenooten aangekomen bij de zuidelijkste kaap, waarlangs de Sint-John zich in het George-meer stort.Men hield daar voor een oogenblik halt. Niet om uit te rusten; dat was niet noodig; want niemand was vermoeid. Maar men bemerkte daar een dorpje, uit een viertal woningen bestaande, en men wenschte, als het kon, berichten in te winnen.Die huizen waren door eenigen dier Floridasche zwervelingen betrokken, die zich hoofdzakelijk gedurende het gunstige seizoen met de jacht en de visscherij bezighielden.Het was van Edward Carrol, dat het voorstel uitging om te trachten inlichtingen in te winnen omtrent den voorbijtocht van Texar, en men had gelijk dat voorstel op te volgen.Een der inwoners van dat kleine gehucht werd ondervraagd ofhij of iemand anders een vaartuig gezien had, dat het George-meer opstevende en zich naar het Washington-meer begaf en waarin zeven of acht personen gezeten waren en eene mestische vrouw en een kind, een meisje van blanken oorsprong?»Inderdaad,” antwoordde de man.»Wanneer?”»Het is nu tweemaal vier-en-twintig uren geleden, dat ik een vaartuig heb zien voorbijstevenen, dat met uwe aanduidingen vrij wel overeenkomt.”»En heeft dat vaartuig bij uw dorp aangelegd?” vroeg Gilbert Burbank.»Neen.”»Niet?”»Het heeft zich integendeel zeer gehaast om den bovenloop van den stroom te bereiken.”»Maar hebt gij niets opgemerkt?”»Ik heb aan boord duidelijk eene vrouw gezien, die een klein meisje in hare armen gestrengeld hield.”»Is dat waar?”»Inderdaad.”»Vrienden!” riep Gilbert Burbank uit. »Laten wij goeden moed houden!”»Dat zullen wij!” betuigden allen.»Wij zijn dien Texar op het spoor,” vervolgde de jeugdige zeeofficier met vuur.»Ja,” antwoordde master James Burbank, »en hij heeft op ons slechts een voorsprong van tweemaal vier-en-twintig uren. Dat is niet veel.”»Niet veel?” meende Edward Carrol. »Mij dunkt, in tweemaal vier-en-twintig uren is nog al eenige afstand af te leggen.”»En wanneer ons vaartuig,” vervolgde master James Burbank, »ons nog eenige dagen zal kunnen voeren, dan zullen wij wel op hem winnen.”»Kent gij den loop der Sint-John boven het George-meer,” vroeg de jeugdige zee-officier aan den dorpsbewoner.»Ja, heer, en ik heb dien stroom meer dan honderd mijlen ver opgestevend.”»Zoo, dat treffen wij gelukkig,” merkte Edward Carrol op.»Denkt gij dat hij bevaarbaar is voor een vaartuig als het onze?” ging Gilbert Burbank zijne ondervragingen voort.»Hoe diep gaat het?”»Ongeveer drie voet,” antwoordde Mars.»Drie voet?” vroeg de Floridiaan. »Drommels, dat zal er op sommige plekken knapjes om houden.”»Denkt gij?”»Maar als gij ijverig het lood uitwerpen zult om het vaarwater niet te ontloopen, dan zult gij het Washington-meer wel bereiken.”»Maar daar aangekomen,” vroeg Edward Carrol, »op welken afstand zijn wij dan nog van hetmeer Okee-cho-bee?”»Op ongeveer honderdvijftig mijlen.”»Nog zoo ver!”»Ja zeker.”»Dank je, vriend.”»Kom aan boord!” riep Gilbert Burbank.»Ja, aan boord!” herhaalden allen.»En vooruit met de schuit, totdat de waterdiepte ons begeeft!”Ieder hernam zijne plaats in het vaartuig. Daar de wind bij het vallen van den avond veel geluwd was, werden de roeiriemen uitgelegd en krachtig gehanteerd. De oevers der rivier vlogen voorbij.Vóórdat de nacht geheel gevallen was, had men eenige mijlen in zuidwaartsche richting afgelegd.Er was geen quaestie van om op te houden of ten anker te gaan, daar men aan boord slapen kon.Het was daarenboven volle maan, zoodat de nacht helder genoeg was om het vaartuig veilig te kunnen sturen. Gilbert Burbank had den helmstok van het roer ter hand genomen. Mars stond op de voorplecht gewapend met een langen bootshaak, waarmede hij voortdurend de diepte van het vaarwater peilde. Wanneer hij daarmede den bodem der rivier aanraakte, dan gaf hij een teeken om het vaartuig stuurboord of bakboord te doen uitwijken. Zoo vooruitstevenende, was men gelukkig genoeg dat de kiel gedurende dien nachtelijken tocht slechts vijf- of zesmalen den bodem aanraakte, waarbij men telkenmale zonder groote inspanning weer vlot raakte.Toen de zon tegen vier uren in den ochtend aan de kim verscheen, giste Gilbert Burbank dat men niet minder dan vijftien mijlen in den verloopen nacht had afgelegd.Wat zouden de kansen zich gunstig voor master James Burbank en zijne tochtgenooten leenen, wanneer de Sint-John nog gedurende eenige dagen bevaarbaar bleef en hun zoo tot nabij hun doel zou voeren.Intusschen deden zich gedurende dien dag eenige materiëele hinderpalen voor. Ten gevolge van de kronkelingen der rivier vormde zij bij de scherpe hoeken vooruitspringende ondiepten, die door hare veelvuldigheid moeielijk te vermijden waren. Bij die hoeken of kapen versnelde de stroom zeer en voerde kleine kiezelsteenen en zand in aanmerkelijke hoeveelheid mede. Maar even voorbij den hoek, in stille waters aangekomen, bezonken die weder en verlengden zoo de ondiepte tot in het oneindige.Al die kronkelingen, al die zandbanken, die omgevaren moesten worden, verlengden den af te leggen afstand zeer, en daaruit ontstond voorzeker vertraging. Men kon ook niet altijd den wind benutten, die, wat de algemeene richting betreft, gunstig bleef. Het vaarwater kronkelde toch dermate, dat het soms was alsof de rivier van noord naar zuid stroomde, en dus op haren weg scheen terug te keeren. Maar de negers hanteerden ijverig de roeiriemen en ontwikkelden daarbij zulk een kracht, dat zij er in slaagden het tijdverlies tot een minimum terug te brengen.Men ontmoette ook hinderpalen, die aan de Sint John in het bijzonder eigen waren. Dat waren drijvende eilanden, die door eene overgroote opeenhooping gevormd werden van eene weelderig groeiende plant, de »pistia” genoemd, welke door sommige natuuronderzoekers, die den Floridaschen stroom bezochten, vergeleken werd met eene reusachtige latuw of saladekrop, die zich op de wateroppervlakte uitspreidde. Dat groene tapijt bezat genoeg stevigheid, om otters en reigers te veroorloven daarop te dartelen. Voor den mensch was het evenwel niet geraden zich te midden van die plantaardige massa te begeven, want hij zou er zich niet dan met veel moeite uit kunnen redden.Wanneer hunne nadering aangekondigd werd, dan nam Mars alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om ze te vermijden.De beide oevers van den stroom waren thans met dichte bosschen overdekt, die de wateroppervlakte als het ware tusschen twee groene muren insloten. Men ontwaarde er wel is waar de ceders niet, die meer benedenstrooms hunne wortels in de Sint John baadden; maar hier trof men eene groote hoeveelheid pijnboomen aan, die eene hoogte van honderdvijftig voet bereikten en tot de Australische pijnboomsoorten behoorden. Deze vonden eene gunstige gelegenheid voor hunnen groei te midden van die terreinen met moerassigen ondergrond, die door de Amerikanen »barrens” genoemd worden.De teelaarde van dien bodem is buitengewoon veerkrachtig en soms zoo sterk, dat een voetganger op sommige punten het evenwicht zou verliezen, wanneer hij zich op die bedriegelijke oppervlakte zou willen wagen. Gelukkig behoefde de kleine troep van master James Burbank dat niet te doen, want het vaartuig kon nog steeds de Sint John opstevenen en bijgevolg de expeditie dwars door de streken van beneden-Florida voeren.De dag ging zonder eenig voorval voorbij. Zoo ook de nacht.De rivier was en bleef eenzaam en verlaten. Geen enkel vaartuig werd op hare oppervlakte, geen enkele hut op hare oevers bespeurd. Maar over die omstandigheid had men geen reden om zich te beklagen. Het was oneindig beter niemand in verafgelegenstreken te ontmoeten, alwaar zooveel slecht volk rondzwierf. Want het kon niet ontkend worden, dat de woudloopers, de beroepsjagers en de avonturiers van allerhande slag en oorsprong, die daar aangetroffen werden, lieden waren van het meest verdachte allooi.Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz. 134).Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz.134).Men had ook alle reden om de ontmoeting te duchten der militie-troepen van Jacksonville, van Fernandina en van Sint Augustijn, die door de vlootvoogden Dupont en Stevens genoodzaakt waren geworden in zuidwaartsche richting af te trekken.Die gebeurlijkheid zou wel de ergste van allen zijn. In die detachementen schuilden voorzeker partijgangers van Texar, en die zouden zich ongetwijfeld op master James Burbank en zijn zoon Gilbert willen wreken.Nu is het duidelijk, dat het kleine troepje ieder gevecht moest ontwijken, tenzij men den Spanjaard ontmoette, in welk geval men pogen moest, hem de gevangen vrouwen met geweld te ontrukken.Gelukkig waren de omstandigheden van master James Burbank en zijne tochtgenooten zoo gunstig, dat de afstand tusschen het George-meer en het Washington-meer reeds in den avond van den 25stenafgelegd was. Toen men de grens van die stilstaande wateren bereikt had, was een verder voortdringen met het vaartuig onmogelijk. De rivier was zoo smal geworden, hare bedding was zoo ondiep, dat eene verdere vaart in zuidelijke richting niet meer uitvoerbaar was.Bij het berekenen der afstanden, kwamen master James Burbank en zijne reismakkers tot de slotsom, dat twee derden van de reis afgelegd waren.En inderdaad bevonden zij zich nog slechts op een afstand van honderd-veertig mijlen van de Everglades, de landstreek, die bereikt moest worden.

Dienzelfden avond waren Gilbert Burbank en Mars nog vóór het middernachtelijk uur op Castle House teruggekeerd.

Maar welke moeielijkheden zij te overwinnen hadden gehad, om buiten de Zwarte Kreek te geraken, is eenvoudig onmogelijk om mede te deelen.

Toen zij het blokhuis verlieten, was de nacht reeds over het dal der Sint John gedaald. De duisternis was dan ook volkomen onder de dichte loofkruinen van die zoo begroeide lagune. Zonder een soort van instinct, dat Mars geleidde door de vaarwaters tusschen die eilandjes, welke in den zwarten nacht niet te onderscheiden waren, zouden geen van beiden de hoofdrivier teruggevonden hebben. Twintig malen raakte hun vaartuig op eene ondiepte vast, die onoverkomelijk was, en moest men terugkeeren, om een meer bevaarbaar kanaal op te zoeken en door te stevenen.

Men moest takken van harshoudend hout ontsteken en die op de voorplecht van het schuitje vastmaken, om zoodoende de vaart zoo goed mogelijk te verlichten. Maar de moeielijkheden werden buitengewoon groot, toen Mars op het punt meende aangekomen te zijn, waar de wateren van de Zwarte Kreek zich in de Sint John uitstortten. De mesties vond de plek niet meer terug waar de boeg van de sloep zich een weg door de rietstengels eenige uren vroeger gebaand had. Gelukkig was de eb ingetreden, zoodat het voldoende was het vaartuig aan den invloed van den stroomdraad over te laten, die het in zijn natuurlijk vergaarbekken zoude voeren.

Mars en Gilbert Burbank ontscheepten, na de twintig mijlen, die de Zwarte Kreek van de plantage scheidden, zoo spoedig mogelijk afgelegd te hebben, eindelijk op de pier van Camdless-Bay.

Men wachtte hen natuurlijk vol ongerustheid op Castle-House.

Noch James Burbank, noch een zijner huisgenooten waren naar hunne slaapvertrekken gegaan. Zij bespraken natuurlijk dat ongewoonlange uitblijven. Gilbert en Mars waren toch in den regel iederen dag bij het vallen van den avond te huis.

Waarom waren zij thans niet teruggekeerd?

Moest of mocht men daaruit opmaken, dat zij een nieuw spoor gevonden hadden? Zouden hunne pogingen eindelijk slagen?

O, wat was dat wachten pijnlijk en wreed!

Eindelijk kwamen zij aan, en toen zij de hall binnentraden, vloog het geheele huisgezin hen tegemoet.

»Welnu.... Gilbert....” riep master James Burbank hartstochtelijk uit.

»Vader,” antwoordde de jeugdige officier. »Alice heeft zich niet vergist!... Het is wel degelijk Texar, die mijn zusje en Zermah ontvoerd heeft.”

»Hebt gij er het bewijs van?”

»Ja!”

»Waar is het?”

»Lees!”

En Gilbert Burbank bood zijnen vader het verkreukt en bloederig papier aan, waarop de woorden, door de mestische vrouw gekrabbeld, te lezen stonden.

»Ja,” zei hij, »thans is geen twijfel meer geoorloofd. Het is de Spanjaard! En hij heeft zijne beide slachtoffers naar het fortje vervoerd of doen vervoeren. Daar woonde hij, hetgeen niemand wist. Een arme slaaf, aan wien Zermah dat papier had toevertrouwd, om het naar Castle House over te brengen en van wien zij waarschijnlijk vernomen had, dat Texar naar het eiland Garneral zou vertrekken, heeft zijn voornemen om zich voor haar nuttig te maken met zijn leven geboet. Wij hebben hem stervende gevonden. Hij werd door de hand van Texar getroffen en thans is hij dood. Maar al zijn de kleine Dy en Zermah niet meer in de Zwarte Kreek, wij weten ten minste thans naar welk gedeelte van Florida men ze vervoerd heeft. Dat is naar de Everglades, en daar moeten wij heen om haar te verlossen. Morgen reeds, vader, morgen reeds moeten wij derwaarts vertrekken!...”

»Wij zijn gereed, Gilbert.”

»Dus morgen!”

»Ja, morgen!”

De hoop was op Castle House weergekeerd. Men zou zich thans niet meer vergissen. Men zou thans niet meer op een dwaalspoor geraken. Men zou thans geene vruchtelooze pogingen meer ondernemen. Mevrouw Burbank werd geheel en al op de hoogte gebracht, en deze waardige moeder gevoelde zich bij die tijdingen als het ware herleven. Zij had de kracht om op te staan, om te knielen en een dankgebed tot God te richten.

Dus volgens de bekentenis van Zermah, was het Texar in persoon geweest, die de ontvoering van de kleine Dy in de Marino Kreek had gepleegd. Hij was het dus, dien miss Alice Stannard voor op de plecht van het vaartuig gezien had, toen dat naar het midden der rivier stevende.

En toch.... hoe was dat alles overeen te brengen, met het alibi, waarop de Spanjaard zich beroepen en wat hij bewezen had? Hoe kon hij op hetzelfde oogenblik, dat hij die misdaad bedreef, krijgsgevangene der Federalisten aan boord van een der kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont zijn?

Dat alibi moest ongetwijfeld valsch zijn, valsch evenals al de anderen waren.

Maar waarin bestond die valschheid? Hoe haar te bewijzen?

Zou men ooit het geheim vernemen van die alomtegenwoordigheid, waarvan Texar zoo behendig bewijzen scheen te kunnen afleggen?

Maar wat kon dat, alles wel beschouwd, schelen? Wat thans als bewezen kon aangenomen worden, was dat de mestische vrouw en het kleine meisje eerst naar het blokhuis van de Zwarte Kreek overgevoerd waren geworden en daarna naar het eiland Garneral.

Daar moest men haar zoeken. Daar moest men Texar overvallen. Ditmaal zou niets hem aan de straf kunnen onttrekken, welke zijne misdadige kuiperijen zoo dubbel en dwars verdiend hadden.

Er was bovendien geen tijd te verliezen.

De afstand van Camdless-Bay tot de Everglades is vrij aanzienlijk. Men zou verscheidene dagen noodig hebben, om hem af te leggen. Gelukkig dat, zooals meester James Burbank verzekerd had, de expeditie, die door hem uitgerust was, op en top gereed was om Castle House te kunnen verlaten.

Wat het eiland Garneral betrof, de kaarten van het Floridasche schiereiland gaven aan, dat het gelegen was in het meer Okee-cho-bee.

En wat de Everglades aangaat, aldus wordt eene moerassige landstreek genoemd, die aan het meer Okee-cho-bee grenst en een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad in het zuidelijkste gedeelte van den Staat Florida gelegen is.

De afstand tusschen Jacksonville en dat meer werd op vierhonderd mijlen of op honderdtachtig uren gaans gerekend. Verderop was de streek zeer weinig bezocht en op dat tijdstip bijna geheel onbekend.

Indien de Sint John tot aan haren oorsprong bevaarbaar ware geweest, dan zou die afstand in korten tijd en zonder groote moeielijkheden kunnen worden afgelegd. Maar zeer waarschijnlijk zou men den stroom slechts over een betrekkelijk klein gedeeltevan zijne uitgestrektheid kunnen benutten, dat wil zeggen tot aan het George-meer of over een afstand van honderd-zeven mijlen ongeveer.

Verderop zouden op haren verhinderden loop kleine eilanden verschijnen, ondiepten, waartusschen geen vaarwater voldoende aangegeven was, armen en spruiten, soms drooggeloopen in den ebtijd. Waarlijk, een eenigszins diepgeladen vaartuig zoude daar ernstige hinderpalen of voor het minst aanmerkelijke vertragingen hebben ondervonden. Wanneer het intusschen mogelijk bleek, den stroom tot bij het meer Washington op te stevenen, dat wil zeggen ter hoogte van den acht-en-twintigsten breedtegraad, dwars van kaap Malabar, dan zou men reeds veel gewonnen hebben; want dan zou men het einddoel meer nabij gekomen zijn.

Intusschen mocht daarop niet te veel vertrouwd worden. Het beste was, om zich gereed te houden tot het afleggen van een afstand van tweehonderd-en-vijftig mijlen te midden van eene bijna eenzame landstreek, waar het kompas en alle andere hulpmiddelen, zoo onontbeerlijk voor eene expeditie, die met snelheid gevoerd moest worden, niet zouden mogen ontbreken.

Het was dan ook met het oog op dergelijke gebeurlijkheden, dat master James Burbank zijne voorbereidende maatregelen getroffen had.

Den volgenden ochtend, zijnde den 20stenMaart, stond het personeel der expeditie op de pier van Camdless Bay vereenigd, gereed om te vertrekken.

Master James Burbank en zijn zoon Gilbert hadden mevrouw Burbank, die hare kamer nog niet verlaten kon, vaarwel gezegd en omhelsd, evenwel niet zonder daarbij eene angstige gewaarwording te ondervinden. Miss Alice, haar vader master Walter Stannard en de onder-administrateurs van de plantage vergezelden hen. Zelfs Pyg was master Perry, voor wien hij thans eene zekere toegenegenheid koesterde, komen vaarwel zeggen. Hij herinnerde zich de lessen en de raadgevingen van den waardigen administrateur, ter zake van de bezwaren eener vrijheid, waarvoor hij zich nog niet rijp of geschikt gevoelde.

De expeditie was volgenderwijze samengesteld:

Master James Burbank, zijn zwager master Edward Carrol, die van zijn verwonding genezen was, zijn zoon Gilbert Burbank, de hoofdadministrateur Perry, Mars en een dozijn negers, uitgekozen onder de dappersten en onder de meest toewijdingsvollen van de geheele plantage—in het geheel zeventien personen.

Mars kende genoegzaam den loop der Sint John, om als loods dienst te doen, zoolang deze bevaarbaar bleef. Dat wil zeggen tot voorbij het George-meer. Wat de negers betreft, die waren gewoonmet de roeiriemen om te gaan. Zij zouden zich met hunne krachtige armen van hunne taak behoorlijk weten te kwijten, wanneer de wind of de stroom hen in den steek zou laten.

Het vaartuig, dat onder de grootsten van Camdless-Bay uitgekozen was, kon een zeil voeren, dat, doelmatig getuigd, veroorloofde als het noodig was scherp bij den wind te loopen. Dat kon van onschatbare waarde gerekend worden, om het soms sterk kronkelende vaarwater te kunnen volgen. Het vaartuig was bewapend en had genoeg oorlogsmunitiën aan boord, om master James Burbank en zijne metgezellen volkomen gerust te stellen ten opzichte van de benden Seminool-Indianen, die nog in beneden Florida aangetroffen worden, en ten opzichte van de makkers van Texar, wanneer de Spanjaard namelijk eenigen hunner rondom zich verzameld mocht hebben.

Met eene dergelijke gebeurlijkheid moest inderdaad rekening gehouden worden, wilde men den goeden uitslag der expeditie niet in groot gevaar brengen.

Eindelijk was het oogenblik van scheiden daar; Gilbert omhelsde miss Alice, master James Burbank sloot haar ook in zijne armen, inderdaad alsof zij reeds zijne eigene dochter ware.

»Vader!...” kreet zij snikkende. »Gilbert!... breng onze kleine Dy terug!... Breng mij mijne zuster terug!”

»Ja, lieve Alice,” antwoordde de jeugdige officier. »Ja, met Gods hulp en bescherming zullen wij haar terugbrengen! Reken daar op!”

Master Walter Stannard, miss Alice, de opzichters der plantage, alsook Pyg waren op de pier van Camdless-Bay verbleven, terwijl het vaartuig afstak.

Allen wenkten en wuifden ten afscheid tot het oogenblik, dat de noordwestenwind het zeil van het vaartuig vulde en dit laatste, door den opkomenden vloed voortgestuwd, achter de landspits verdween, die zich aan den eenen kantderMarino-Kreek vormde.

Het was toen ongeveer zes uren in den ochtend. Het vaartuig stevende een uur later het gehucht Mandarijn voorbij en bevond zich, zonder dat men van de roeiriemen had behoeven gebruik te maken, zoo omstreeks tien uren ter hoogte van de Zwarte-Kreek.

Het hart klopte allen in de borstkas, toen zij langs dien linkeroever der Sint John stevenden, waarover het hooggaande water van den vloed heen stroomde. Daar achter die rietstengels, die biezen, die dichte strooken van rhisophoren, met hunne lucht- en steltwortels, waren de kleine Dy en Zermah aanvankelijk gevangen gehouden geworden. Daar was het, dat Texar en zijne medeplichtigen haar gedurende meer dan veertien dagen zoo geheimzinnig verborgen hadden gehouden, dat geen spoor van hunne misdadige ontvoeringachtergebleven was. Tien malen, ja meer waren master James Burbank, master Walter Stannard en later Gilbert Burbank en Mars den stroom op- en neerwaarts gestevend en hadden die plek daar bij de lagune voorbijgevaren, zonder te kunnen gissen, dat het oude blokhuis de ontvoerde geliefden tot verblijfplaats strekte.

Ditmaal was het niet noodig daar stil te houden. Men moest de nasporingen eenige honderden mijlen meer zuidwaarts uitstrekken. De wind blies wakker in het zeil en het vaartuig stevende de Zwarte-Kreek voorbij, zonder haar aan te doen.

De eerste maaltijd werd gemeenschappelijk genoten. De kisten, die men medegenomen had, bevatten voldoenden voorraad van verduurzaamde levensmiddelen, voor een twintigtal dagen. Een gedeelte daarvan was in eenmansvrachten afgedeeld, om vervoerd te kunnen worden, wanneer de tocht over land voortgezet moest worden. Eenige kampements benoodigdheden zouden veroorloven om halt te houden, hetzij bij nacht, hetzij bij dag, hetzij te midden der maagdelijke wouden, hetzij te midden der uitgestrekte moerassen, waarmede de oeverstreken der Sint John overdekt zijn.

Toen de vloed tegen elf uur ongeveer kenterde en de eb intrad, bleef de wind toch gunstig. Toch moest men de roeiriemen te water brengen, om dezelfde snelheid te bewaren. De negers aanvaardden hunne taak, en weldra schoot de boot, onder den aandrang van vijf paren krachtige armen, met spoed vooruit en stevende onverdroten den stroom op.

Mars stond stilzwijgend op de achterplecht en hield met onwrikbare hand het roer, terwijl hij het vaartuig tusschen de eilanden en eilandjes door stuurde, die te midden van de Sint John aangetroffen werden. Hij zocht de vaarwaters uit, waarin de stroom met het minste geweld doorstond. Hij stevende er zonder eenige aarzeling in. Nooit begaf hij zich bij vergissing in eene onbruikbare doorvaart, nooit liep hij gevaar op eenige ondiepte, die bij eb droog zou loopen, vast te raken. Hij kende de bedding der rivier tot het George-meer even goed als hij haar kende benedenstrooms van Jacksonville, en hij stuurde het vaartuig met even vaste hand en met evenveel zekerheid, alsof het een der kanonneerbooten was van den commandant Stevens, die hij langs de kronkelende geul over de zandbanken in de monding van de Sint John geloodsd had.

De Sint John was op dit gedeelte van haren loop geheel verlaten. De scheepvaartbeweging, die er gewoonlijk ten dienste der naburige plantages waargenomen werd, was sedert de inname van Jacksonville geheel vernietigd. Wanneer eenig vaartuig den stroom nog opstevende of afzakte, dan geschiedde dat uitsluitend ten dienste der federalistische troepen, of om de gemeenschap te onderhouden met de kanonneerbooten van het eskader der Noordelijken.

Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz. 130).Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz.130).

Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz.130).

En het was meer dan waarschijnlijk, dat wanneer men Piccolata voorbijgestevend zoude zijn, ook die scheepvaart-beweging zoude ophouden.

De expeditie van master James Burbank kwam tegen zes uur in den avond bij dit plaatsje aan. De pier van de aanlegplaats was door een detachement der Noordelijke troepen bezet. De sloep werd gepraaid en moest bij de kade aanleggen.

Daar maakte Gilbert Burbank zich bekend aan den officier die te Piccolata bevel voerde.

Op vertoon van den geleidebrief, die hem door den commandant Stevens overhandigd was, werd hem alras vergunning verleend zijne reis te vervolgen.

Dat oponthoud had slechts weinige oogenblikken geduurd.

Daar de vloed weer begon door te staan, kon men de roeiriemen met rust laten en schoot het vaartuig met snelheid tusschen de uitgestrekte bosschen door, die zich op beide oevers der rivier verheffen. Op den linkeroever evenwel zoude het woud eenige mijlen boven Piccolata, door moerassen vervangen worden.

Wat de bosschen op den rechteroever betreft, die vertoonen zich dichter en dieper, en schijnen onmetelijk uitgestrekt, ja zonder einde te zijn. Men zou inderdaad het George-meer bereiken, zonder het einde er van te zien. Daar verwijderen zij zich eenigermate van den rivieroever en laten een breede strook vrij, die door den landbouw in beslag genomen is. Daar ziet men uitgestrekte rijstvelden, suikerrietvelden, indigovelden, katoenaanplantingen, die allen eene schitterende getuigenis afleggen ten gunste van de vruchtbaarheid van het Floridasche schiereiland.

Een poos na zes uur hadden master James Burbank en zijne makkers den roodachtigen toren, die het oude Spaansche fort kroonde, achter een uitspringenden hoek van den stroom uit het oog verloren. Dit fort was sedert meer dan eene eeuw verlaten en ontmanteld, maar in weerwil daarvan stak die toren nog altijd boven de hooge kruinen der palmboomen van den oever uit.

»Mars,” vroeg toen master James Burbank, »vreest gij niet om bij nacht de Sint John verder op te varen?”

»Neen, master James,” antwoordde de mesties.

»Kent gij het vaarwater volkomen?”

»Ja, tot bij het George-meer.”

»En verder op?”

»Dan zullen wij zien. Wij hebben daarenboven geen oogenblik te verliezen. De tijd is kostbaar. En daar de vloed ons begunstigt, moeten wij er van profiteeren.”

»Maar zal die vloed lang doorstaan?”

»Hoe verder wij komen, master James, hoe minder hij zijn invloeddoet gevoelen. Daarom juist moeten wij de reis nacht en dag voortzetten.”

Dat voorstel van Mars werd door de omstandigheden geboden. Daar hij voor de vaart instond, moest men zich aan zijne behendigheid toevertrouwen. Men zou trouwens geen reden hebben daarover berouw te gevoelen.

Het vaartuig stevende gemakkelijk den geheelen nacht de Sint John op. De vloed hielp nog gedurende een paar uren, daarna moesten de negers elkander op de roeiriemen aflossen, en zoo won men nog een goede vijftien mijlen in zuidelijke richting.

Men hield halt noch dien nacht, noch den daaropvolgenden dag van den 22sten, die daarenboven door geen enkel voorval gekenmerkt werd. Men stevende ook nog gedurende de volgende twaalf uren verder. De bovenloop van den stroom scheen geheel verlaten. Men stevende als het ware te midden van een onmetelijk woud van oude ceders, wier bladermassa’s elkander nu en dan over de Sint John heen ontmoetten en zoo een dicht gewelf van groen vormden. Geen enkel dorp werd ontwaard. Ook geen bouwland noch eenzaam staande woning. De oeverstreken leenden zich tot geen enkele soort van bebouwing. Het kon geen enkelen kolonist in het hoofd komen, daar eene landbouwonderneming aan te leggen.

Op den 23sten, bij het aanbreken van den dag, verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk, welks oevers eindelijk van het onafzienbare woud bevrijd werden. De landstreek was zeer vlak en liet een gezichteinder ontwaren, die zich over eene oppervlakte van vele mijlen uitstrekte.

Dat was een meer—het George-meer, dat door de Sint John, die er van het zuiden naar het noorden doorheen stroomt, gevormd wordt en waarin de stroom het grootste gedeelte zijner wateren uitstort.

»Is dat het George-meer, Mars?” vroeg master James Burbank aan den mesties.

»Inderdaad,” antwoordde deze. »Ik kan mij niet vergissen. Ik maakte toch deel uit van de expeditie, die tot taak had, het bovengedeelte van den stroom op te nemen en in kaart te brengen.”

»En op welken afstand bevinden wij ons thans van Camdless-Bay?”

»Op een afstand van honderd mijlen ongeveer.”

»Dat is nog niet eens het derde gedeelte van den afstand, dien wij af te leggen hebben, om de Everglades te bereiken,” merkte Edward Carrol op.

»Neen, dat is het nog niet,” antwoordde master James Burbank met een zucht.

»Mars,” vroeg Gilbert, »hoe zullen wij nu verder te werk gaan?”

»Hoe bedoelt gij?”

»Zullen wij het vaartuig hier verlaten, om langs een der beide oevers van de Sint John voort te marcheeren? Dat zal niet zonder veel moeite en zonder veel oponthoud kunnen geschieden.”

»Dat is waar, master Gilbert.”

»Zou het niet mogelijk zijn om, wanneer wij het George-meer in zijne geheele lengte zullen overgevaren zijn, den waterweg te blijven houden, zoolang hij bevaarbaar zal blijken te zijn?”

»Ja, wat zal ik daarop antwoorden?”

»Zouden wij het niet kunnen beproeven?”

»Ja, dat kunnen wij altijd.”

»Wij kunnen niet erger ondervinden, dan dat wij op eene ondiepte vastraken.”

»Dat is zoo.”

»Welnu, als wij het vaartuig niet meer vlot kunnen krijgen, dan zullen wij ontschepen, om den tocht verder voort te zetten. Mij dunkt, dat het wel waard is om geprobeerd te worden. Zeg, wat denkt gij er van?”

»Ik deel uwe meening volkomen, master Gilbert,” antwoordde Mars. »Wij zullen het beproeven.”

En inderdaad, in de omstandigheden waarin men zich bevond, kon niet beter besloten worden.

Men kon altijd aan wal gaan, om den tocht te voet voort te zetten. En zoolang men den waterweg kon benuttigen, zoude men veel vermoeienissen uitsparen en ook veel vertraging voorkomen.

Het vaartuig stevende dus het George-meer op en stuurde daarbij langs en nagenoeg evenwijdig aan den oostelijken oever van dat zoetwaterbekken.

De plantengroei was op het terrein, dat rondom het meer slechts eene geringe verhevenheid aanbood, niet zoo ontwikkeld als op de beide oevers van de Sint John. Onafzienbare moerasgronden strekten zich allerwege uit. Eenige gedeelten van den bodem, die minder aan den invloed van de overstroomingen blootgesteld waren, waren overdekt als het ware met een tapijt van zwartachtige mossoorten, waartusschen de violetachtige tinten van kleine paddestoelen, die daar bij millioenen en millioenen groeiden en tierden, scherp afstaken.

Het zou uiterst onvoorzichtig zijn, zich op dien bewegelijken bodem, die slechts uit zacht slijk bestond en onvermogend was om den voetganger een vast steunpunt aan te bieden, te wagen.

Wanneer master James Burbank en zijne tochtgenooten genoodzaakt waren geweest over dit gedeelte van het Floridasche grondgebied te marcheeren, dan zouden zij dat niet hebben kunnen doen dan ten koste van de grootste inspanningen, van de zwaarste vermoeienissen en ten koste van onberekenbare vertragingen, inde vooronderstelling namelijk, dat de marsch mogelijk zoude bevonden worden en dat men niet genoodzaakt zoude worden om terug te keeren.

Slechts watervogels, namelijk die, wier pooten van zwemvliezen voorzien zijn, kunnen zich op zulke moerassige terreinen wagen. Die werden dan ook in overgroot getal aangetroffen. Daaronder had men talingen, eenden en watersnippen, in hare veelvuldige soorten vertegenwoordigd. Er was daar wild in overvloed, genoeg om den voorraad levensmiddelen aan te vullen, wanneer die in het vaartuig uitgeput mocht raken.

Maar dat was het geval nog in lang niet, en had men dus niet noodig tot eene in ieder geval tijdroovende jacht over te gaan. Wat die mannen daar ook van weerhield, was dat men wist dat het in die moerasgronden van gevaarlijke slangen als het ware krioelde. Men hoorde hun scherp gesis onder het groene tapijt van waterplanten, die den bodem bedekten. Die reptiliën vinden, wel is waar, onverzoenlijke vijanden in de schare witte pelicanen, die voor dezen oorlog uitmuntend bewapend zijn, en daar te huis behooren; maar zij hebben zulke onbereikbare schuilhoeken in het diepe meer, en zijn met zulke vruchtbaarheid van voortplanting begaafd, dat zij gerust onuitroeibaar genoemd kunnen worden.

Intusschen gleed het vaartuig met snelheid over de oppervlakte van het waterbekken.

Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde en de sloep in de goede richting voortstuwde. Dank zij dier wakkere bries, konden de roeiers dien geheelen dag rusten, zonder dat daardoor eenige vertraging ontstond. Toen de avond viel, waren dan ook de dertig mijlen uitgestrektheid, die het meer van het noorden naar het zuiden meet, zonder bezwaar en zonder vermoeienis afgelegd.

Toen het ongeveer zes uren was, was master James Burbank met zijne tochtgenooten aangekomen bij de zuidelijkste kaap, waarlangs de Sint-John zich in het George-meer stort.

Men hield daar voor een oogenblik halt. Niet om uit te rusten; dat was niet noodig; want niemand was vermoeid. Maar men bemerkte daar een dorpje, uit een viertal woningen bestaande, en men wenschte, als het kon, berichten in te winnen.

Die huizen waren door eenigen dier Floridasche zwervelingen betrokken, die zich hoofdzakelijk gedurende het gunstige seizoen met de jacht en de visscherij bezighielden.

Het was van Edward Carrol, dat het voorstel uitging om te trachten inlichtingen in te winnen omtrent den voorbijtocht van Texar, en men had gelijk dat voorstel op te volgen.

Een der inwoners van dat kleine gehucht werd ondervraagd ofhij of iemand anders een vaartuig gezien had, dat het George-meer opstevende en zich naar het Washington-meer begaf en waarin zeven of acht personen gezeten waren en eene mestische vrouw en een kind, een meisje van blanken oorsprong?

»Inderdaad,” antwoordde de man.

»Wanneer?”

»Het is nu tweemaal vier-en-twintig uren geleden, dat ik een vaartuig heb zien voorbijstevenen, dat met uwe aanduidingen vrij wel overeenkomt.”

»En heeft dat vaartuig bij uw dorp aangelegd?” vroeg Gilbert Burbank.

»Neen.”

»Niet?”

»Het heeft zich integendeel zeer gehaast om den bovenloop van den stroom te bereiken.”

»Maar hebt gij niets opgemerkt?”

»Ik heb aan boord duidelijk eene vrouw gezien, die een klein meisje in hare armen gestrengeld hield.”

»Is dat waar?”

»Inderdaad.”

»Vrienden!” riep Gilbert Burbank uit. »Laten wij goeden moed houden!”

»Dat zullen wij!” betuigden allen.

»Wij zijn dien Texar op het spoor,” vervolgde de jeugdige zeeofficier met vuur.

»Ja,” antwoordde master James Burbank, »en hij heeft op ons slechts een voorsprong van tweemaal vier-en-twintig uren. Dat is niet veel.”

»Niet veel?” meende Edward Carrol. »Mij dunkt, in tweemaal vier-en-twintig uren is nog al eenige afstand af te leggen.”

»En wanneer ons vaartuig,” vervolgde master James Burbank, »ons nog eenige dagen zal kunnen voeren, dan zullen wij wel op hem winnen.”

»Kent gij den loop der Sint-John boven het George-meer,” vroeg de jeugdige zee-officier aan den dorpsbewoner.

»Ja, heer, en ik heb dien stroom meer dan honderd mijlen ver opgestevend.”

»Zoo, dat treffen wij gelukkig,” merkte Edward Carrol op.

»Denkt gij dat hij bevaarbaar is voor een vaartuig als het onze?” ging Gilbert Burbank zijne ondervragingen voort.

»Hoe diep gaat het?”

»Ongeveer drie voet,” antwoordde Mars.

»Drie voet?” vroeg de Floridiaan. »Drommels, dat zal er op sommige plekken knapjes om houden.”

»Denkt gij?”

»Maar als gij ijverig het lood uitwerpen zult om het vaarwater niet te ontloopen, dan zult gij het Washington-meer wel bereiken.”

»Maar daar aangekomen,” vroeg Edward Carrol, »op welken afstand zijn wij dan nog van hetmeer Okee-cho-bee?”

»Op ongeveer honderdvijftig mijlen.”

»Nog zoo ver!”

»Ja zeker.”

»Dank je, vriend.”

»Kom aan boord!” riep Gilbert Burbank.

»Ja, aan boord!” herhaalden allen.

»En vooruit met de schuit, totdat de waterdiepte ons begeeft!”

Ieder hernam zijne plaats in het vaartuig. Daar de wind bij het vallen van den avond veel geluwd was, werden de roeiriemen uitgelegd en krachtig gehanteerd. De oevers der rivier vlogen voorbij.

Vóórdat de nacht geheel gevallen was, had men eenige mijlen in zuidwaartsche richting afgelegd.

Er was geen quaestie van om op te houden of ten anker te gaan, daar men aan boord slapen kon.

Het was daarenboven volle maan, zoodat de nacht helder genoeg was om het vaartuig veilig te kunnen sturen. Gilbert Burbank had den helmstok van het roer ter hand genomen. Mars stond op de voorplecht gewapend met een langen bootshaak, waarmede hij voortdurend de diepte van het vaarwater peilde. Wanneer hij daarmede den bodem der rivier aanraakte, dan gaf hij een teeken om het vaartuig stuurboord of bakboord te doen uitwijken. Zoo vooruitstevenende, was men gelukkig genoeg dat de kiel gedurende dien nachtelijken tocht slechts vijf- of zesmalen den bodem aanraakte, waarbij men telkenmale zonder groote inspanning weer vlot raakte.

Toen de zon tegen vier uren in den ochtend aan de kim verscheen, giste Gilbert Burbank dat men niet minder dan vijftien mijlen in den verloopen nacht had afgelegd.

Wat zouden de kansen zich gunstig voor master James Burbank en zijne tochtgenooten leenen, wanneer de Sint-John nog gedurende eenige dagen bevaarbaar bleef en hun zoo tot nabij hun doel zou voeren.

Intusschen deden zich gedurende dien dag eenige materiëele hinderpalen voor. Ten gevolge van de kronkelingen der rivier vormde zij bij de scherpe hoeken vooruitspringende ondiepten, die door hare veelvuldigheid moeielijk te vermijden waren. Bij die hoeken of kapen versnelde de stroom zeer en voerde kleine kiezelsteenen en zand in aanmerkelijke hoeveelheid mede. Maar even voorbij den hoek, in stille waters aangekomen, bezonken die weder en verlengden zoo de ondiepte tot in het oneindige.

Al die kronkelingen, al die zandbanken, die omgevaren moesten worden, verlengden den af te leggen afstand zeer, en daaruit ontstond voorzeker vertraging. Men kon ook niet altijd den wind benutten, die, wat de algemeene richting betreft, gunstig bleef. Het vaarwater kronkelde toch dermate, dat het soms was alsof de rivier van noord naar zuid stroomde, en dus op haren weg scheen terug te keeren. Maar de negers hanteerden ijverig de roeiriemen en ontwikkelden daarbij zulk een kracht, dat zij er in slaagden het tijdverlies tot een minimum terug te brengen.

Men ontmoette ook hinderpalen, die aan de Sint John in het bijzonder eigen waren. Dat waren drijvende eilanden, die door eene overgroote opeenhooping gevormd werden van eene weelderig groeiende plant, de »pistia” genoemd, welke door sommige natuuronderzoekers, die den Floridaschen stroom bezochten, vergeleken werd met eene reusachtige latuw of saladekrop, die zich op de wateroppervlakte uitspreidde. Dat groene tapijt bezat genoeg stevigheid, om otters en reigers te veroorloven daarop te dartelen. Voor den mensch was het evenwel niet geraden zich te midden van die plantaardige massa te begeven, want hij zou er zich niet dan met veel moeite uit kunnen redden.

Wanneer hunne nadering aangekondigd werd, dan nam Mars alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om ze te vermijden.

De beide oevers van den stroom waren thans met dichte bosschen overdekt, die de wateroppervlakte als het ware tusschen twee groene muren insloten. Men ontwaarde er wel is waar de ceders niet, die meer benedenstrooms hunne wortels in de Sint John baadden; maar hier trof men eene groote hoeveelheid pijnboomen aan, die eene hoogte van honderdvijftig voet bereikten en tot de Australische pijnboomsoorten behoorden. Deze vonden eene gunstige gelegenheid voor hunnen groei te midden van die terreinen met moerassigen ondergrond, die door de Amerikanen »barrens” genoemd worden.

De teelaarde van dien bodem is buitengewoon veerkrachtig en soms zoo sterk, dat een voetganger op sommige punten het evenwicht zou verliezen, wanneer hij zich op die bedriegelijke oppervlakte zou willen wagen. Gelukkig behoefde de kleine troep van master James Burbank dat niet te doen, want het vaartuig kon nog steeds de Sint John opstevenen en bijgevolg de expeditie dwars door de streken van beneden-Florida voeren.

De dag ging zonder eenig voorval voorbij. Zoo ook de nacht.

De rivier was en bleef eenzaam en verlaten. Geen enkel vaartuig werd op hare oppervlakte, geen enkele hut op hare oevers bespeurd. Maar over die omstandigheid had men geen reden om zich te beklagen. Het was oneindig beter niemand in verafgelegenstreken te ontmoeten, alwaar zooveel slecht volk rondzwierf. Want het kon niet ontkend worden, dat de woudloopers, de beroepsjagers en de avonturiers van allerhande slag en oorsprong, die daar aangetroffen werden, lieden waren van het meest verdachte allooi.

Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz. 134).Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz.134).

Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz.134).

Men had ook alle reden om de ontmoeting te duchten der militie-troepen van Jacksonville, van Fernandina en van Sint Augustijn, die door de vlootvoogden Dupont en Stevens genoodzaakt waren geworden in zuidwaartsche richting af te trekken.

Die gebeurlijkheid zou wel de ergste van allen zijn. In die detachementen schuilden voorzeker partijgangers van Texar, en die zouden zich ongetwijfeld op master James Burbank en zijn zoon Gilbert willen wreken.

Nu is het duidelijk, dat het kleine troepje ieder gevecht moest ontwijken, tenzij men den Spanjaard ontmoette, in welk geval men pogen moest, hem de gevangen vrouwen met geweld te ontrukken.

Gelukkig waren de omstandigheden van master James Burbank en zijne tochtgenooten zoo gunstig, dat de afstand tusschen het George-meer en het Washington-meer reeds in den avond van den 25stenafgelegd was. Toen men de grens van die stilstaande wateren bereikt had, was een verder voortdringen met het vaartuig onmogelijk. De rivier was zoo smal geworden, hare bedding was zoo ondiep, dat eene verdere vaart in zuidelijke richting niet meer uitvoerbaar was.

Bij het berekenen der afstanden, kwamen master James Burbank en zijne reismakkers tot de slotsom, dat twee derden van de reis afgelegd waren.

En inderdaad bevonden zij zich nog slechts op een afstand van honderd-veertig mijlen van de Everglades, de landstreek, die bereikt moest worden.


Back to IndexNext