ZESDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n onzichtbaar varken ziet.Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die telefoonpaal.”Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord, alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.M’nheer Bruggemans knikte.„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht geweest zijn.”„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.[90]„Dat wil ik graag gelooven.”„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”„Gaat u fietsen?”„Even ’n boodschap.”Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal. Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was, wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je opklaarlichtendag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld was.M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.[91]De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien ’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er uit hebben, want dat kon je zien.De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed. Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen, want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie deverdwijn-machinemee genomen had.Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.„Je vader heit ’m.”[92]„Ja,” zei Koen, „blij toe.”„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”„Stom van ’m.… maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die er niks van zeggen?”„Weet ik niet.”„Waar zou die ’m bewaren?”„Weet ik ook niet.”„Moeten we es afloere.”„Afloeren?”Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht, zal je zien.”„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”„Weet ik niet. Ik denk van niet.”Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis. Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder ’t gaan zei Piet:„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die pijp.”„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine gehad hebben.”Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze[93]dadelijk mee naar de roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan, brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke roggemikboterhammen al weer te wachten en[94]die smaakten Koen weer net zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk van de heele dag, de rogge thuis halen.Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden. Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg zwaaiden … M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen hun warme slaapplaats … Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar de paar korreltjes die zij noodig hadden.De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed ging nog even bij de[95]familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren van het achterhuis sekuur op slot.M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de dahlia’s.Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie nog ’n paar brieven te schrijven had.Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen, luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar linnen pantoffels met touw-zoolen aan.Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde daarbinnen.[96]M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor Wells terug.Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken lag.Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en bleef minstens ’n uur binnen.Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij[97]had het benauwd gehad. M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het taai volgehouden tot ie niet meer kon.Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar[98]bed gewild, maar ’t was net of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk ruiken en dan was ie toch verraden.„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep, begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch. Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig naar het varken.M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:„Je hebt je jas nog niet aan.”Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de tuin laten liggen.”[99]„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden ze het wel niet ruiken.Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen zou ’t wel weten.„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer zei dat ie ’n eindje ging[100]wandelen. Hij stapte het tuintje uit en slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil, ’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen te knorren.„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder gemaakt was.„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken keek.De boerin ging weer naar het achterhuis en[101]m’nheer Bruggemans wandelde de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de modder er af was, wat dan?[102]

[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n onzichtbaar varken ziet.Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die telefoonpaal.”Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord, alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.M’nheer Bruggemans knikte.„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht geweest zijn.”„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.[90]„Dat wil ik graag gelooven.”„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”„Gaat u fietsen?”„Even ’n boodschap.”Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal. Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was, wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je opklaarlichtendag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld was.M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.[91]De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien ’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er uit hebben, want dat kon je zien.De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed. Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen, want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie deverdwijn-machinemee genomen had.Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.„Je vader heit ’m.”[92]„Ja,” zei Koen, „blij toe.”„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”„Stom van ’m.… maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die er niks van zeggen?”„Weet ik niet.”„Waar zou die ’m bewaren?”„Weet ik ook niet.”„Moeten we es afloere.”„Afloeren?”Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht, zal je zien.”„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”„Weet ik niet. Ik denk van niet.”Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis. Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder ’t gaan zei Piet:„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die pijp.”„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine gehad hebben.”Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze[93]dadelijk mee naar de roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan, brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke roggemikboterhammen al weer te wachten en[94]die smaakten Koen weer net zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk van de heele dag, de rogge thuis halen.Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden. Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg zwaaiden … M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen hun warme slaapplaats … Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar de paar korreltjes die zij noodig hadden.De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed ging nog even bij de[95]familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren van het achterhuis sekuur op slot.M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de dahlia’s.Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie nog ’n paar brieven te schrijven had.Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen, luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar linnen pantoffels met touw-zoolen aan.Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde daarbinnen.[96]M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor Wells terug.Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken lag.Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en bleef minstens ’n uur binnen.Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij[97]had het benauwd gehad. M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het taai volgehouden tot ie niet meer kon.Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar[98]bed gewild, maar ’t was net of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk ruiken en dan was ie toch verraden.„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep, begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch. Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig naar het varken.M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:„Je hebt je jas nog niet aan.”Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de tuin laten liggen.”[99]„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden ze het wel niet ruiken.Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen zou ’t wel weten.„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer zei dat ie ’n eindje ging[100]wandelen. Hij stapte het tuintje uit en slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil, ’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen te knorren.„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder gemaakt was.„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken keek.De boerin ging weer naar het achterhuis en[101]m’nheer Bruggemans wandelde de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de modder er af was, wat dan?[102]

ZESDE HOOFDSTUK.Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n onzichtbaar varken ziet.

Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n onzichtbaar varken ziet.

Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n onzichtbaar varken ziet.

Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die telefoonpaal.”Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord, alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.M’nheer Bruggemans knikte.„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht geweest zijn.”„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.[90]„Dat wil ik graag gelooven.”„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”„Gaat u fietsen?”„Even ’n boodschap.”Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal. Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was, wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je opklaarlichtendag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld was.M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.[91]De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien ’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er uit hebben, want dat kon je zien.De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed. Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen, want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie deverdwijn-machinemee genomen had.Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.„Je vader heit ’m.”[92]„Ja,” zei Koen, „blij toe.”„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”„Stom van ’m.… maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die er niks van zeggen?”„Weet ik niet.”„Waar zou die ’m bewaren?”„Weet ik ook niet.”„Moeten we es afloere.”„Afloeren?”Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht, zal je zien.”„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”„Weet ik niet. Ik denk van niet.”Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis. Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder ’t gaan zei Piet:„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die pijp.”„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine gehad hebben.”Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze[93]dadelijk mee naar de roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan, brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke roggemikboterhammen al weer te wachten en[94]die smaakten Koen weer net zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk van de heele dag, de rogge thuis halen.Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden. Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg zwaaiden … M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen hun warme slaapplaats … Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar de paar korreltjes die zij noodig hadden.De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed ging nog even bij de[95]familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren van het achterhuis sekuur op slot.M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de dahlia’s.Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie nog ’n paar brieven te schrijven had.Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen, luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar linnen pantoffels met touw-zoolen aan.Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde daarbinnen.[96]M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor Wells terug.Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken lag.Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en bleef minstens ’n uur binnen.Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij[97]had het benauwd gehad. M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het taai volgehouden tot ie niet meer kon.Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar[98]bed gewild, maar ’t was net of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk ruiken en dan was ie toch verraden.„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep, begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch. Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig naar het varken.M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:„Je hebt je jas nog niet aan.”Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de tuin laten liggen.”[99]„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden ze het wel niet ruiken.Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen zou ’t wel weten.„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer zei dat ie ’n eindje ging[100]wandelen. Hij stapte het tuintje uit en slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil, ’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen te knorren.„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder gemaakt was.„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken keek.De boerin ging weer naar het achterhuis en[101]m’nheer Bruggemans wandelde de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de modder er af was, wat dan?[102]

Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.

„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.

„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die telefoonpaal.”

Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord, alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.

„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.

M’nheer Bruggemans knikte.

„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.

„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht geweest zijn.”

„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.[90]

„Dat wil ik graag gelooven.”

„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.

„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”

„Gaat u fietsen?”

„Even ’n boodschap.”

Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal. Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was, wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.

Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je opklaarlichtendag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.

En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld was.

M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.[91]

De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.

M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien ’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er uit hebben, want dat kon je zien.

De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed. Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen, want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie deverdwijn-machinemee genomen had.

Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.

„Je vader heit ’m.”[92]

„Ja,” zei Koen, „blij toe.”

„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”

„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”

„Stom van ’m.… maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die er niks van zeggen?”

„Weet ik niet.”

„Waar zou die ’m bewaren?”

„Weet ik ook niet.”

„Moeten we es afloere.”

„Afloeren?”

Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.

„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht, zal je zien.”

„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”

„Weet ik niet. Ik denk van niet.”

Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis. Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder ’t gaan zei Piet:

„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die pijp.”

„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine gehad hebben.”

Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze[93]dadelijk mee naar de roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan, brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke roggemikboterhammen al weer te wachten en[94]die smaakten Koen weer net zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.

Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk van de heele dag, de rogge thuis halen.

Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden. Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg zwaaiden … M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen hun warme slaapplaats … Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar de paar korreltjes die zij noodig hadden.

De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.

Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed ging nog even bij de[95]familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren van het achterhuis sekuur op slot.

M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de dahlia’s.

Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie nog ’n paar brieven te schrijven had.

Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.

Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen, luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar linnen pantoffels met touw-zoolen aan.

Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde daarbinnen.[96]

M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor Wells terug.

Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken lag.

Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.

’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en bleef minstens ’n uur binnen.

Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.

Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij[97]had het benauwd gehad. M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het taai volgehouden tot ie niet meer kon.

Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.

Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar[98]bed gewild, maar ’t was net of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk ruiken en dan was ie toch verraden.

„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”

Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.

De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep, begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.

M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch. Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig naar het varken.

M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:

„Je hebt je jas nog niet aan.”

Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de tuin laten liggen.”[99]

„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”

„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden ze het wel niet ruiken.

Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.

Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen zou ’t wel weten.

„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.

„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.

Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer zei dat ie ’n eindje ging[100]wandelen. Hij stapte het tuintje uit en slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.

„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil, ’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”

„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”

Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.

„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen te knorren.

„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder gemaakt was.

„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”

„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken keek.

De boerin ging weer naar het achterhuis en[101]m’nheer Bruggemans wandelde de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de modder er af was, wat dan?[102]


Back to IndexNext