IX.Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zoudeneten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, waarheen ik de zware zakken torsen moest.Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen van Menedemus, Charis’ vader, want dit was ik te weten gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troostwas te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal: de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den witbepoeierdengrond.Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat ik medelijden met hem gehad had....Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk was hij er in geslaagd, uit hetgevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde ovens lagen als lage, donkere dakenmassa’s tegen de manelucht. Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij verloren in het bergwoud...De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep:het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij:—Hekate! Hekate!!Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheengebroken. En de heksen, in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit elkander rukten:—Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij zijn geeselstriemen....!Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door schrillen.Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort....Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waaroverde mist nog verwijlde, weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de wijde lucht....Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door de luchten.Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven van vijvers en op de roziggrauwende plassen lagen altijd en altijd de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen....Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:—Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt!Kom! Kom!! Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom mijn ezelenek....X.En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken van die aanzienlijke mannen—Charis’ vader, hare broeders en neven—werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen:—Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!!En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutsteheeren nader en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.—Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom heeft gevonden.—Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de tweede geleerde in.—Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!En de neven om Menedemus klaagden tot Charis’ broeders:—Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus’ vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt!Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:—Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?De eerste zoon Aesculapius’ antwoordde:—Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....De tweede viel in:—En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....En de derde zeide:—Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren....Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in wanhoop, wrongen de hunne....—En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis mij—en gewillig volgde ik—naar het zuilenrijke buitenverblijf....Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:—Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is gekeerd....—Is gewond en ziek, edele Charis!—Uw edele Charmides, o Charis....!—Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!—In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat zij mijn naam wist.De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer.—Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom verplegen!—Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!—Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste zorgen zal ondervinden!—Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides’ wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weerkrachtig is, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.—Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!Maar zij verboden de slaven mij te slaan.—Wij moeten hem verplegen!—Ons leven staat op het spel....—Als wij Charis niet genezen...—Zal Menedemus ons doen vermoorden!—Als wij Charis genezen....!—Overstelpt hij ons met goud!—Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders laten dan in den waan...—En dàn haar onttooveren....—Langzamerhand... Langzamerhand....Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen.—Hij is jong! zeide de een.—Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.—Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven breed zijn.—Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk, de sporen van het lamoen....—En van den draaiboom....En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij aan hun zorgen en wetenschap over.—Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes.—Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden!Waarom verleent mijn vader hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??—Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij daarbij tegenwoordig zijt!Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden en pruilende moest zij wijken.—Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde „Charis!” roepen en riep:—Ha....hi!!De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.—Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot spoedige beterschap, o mijn Liefde!Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden.—Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachteweêrhield mij.... Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet om zilverasters!—Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!—Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.—Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.—Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de pastei! Drink den wijn!En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel Charmides!Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn en slurpte even....—Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters enhielden de buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen.Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei, knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker....—Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de wondermeesters en slaven.—Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.—Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.—.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....—.... In een ezel betooverd?—.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!Zij fluisterden samen, de drie.—Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was....—Een betooverde mensch....—Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....—Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...—En gevraagd om....Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.—Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr, schaterlachend.De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal.Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een molensteen rond gedraaid, was deze stal,na mijn menschemaal van pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, denkende meer dan balkend ditmaal:—Charis! O mijn Liefde, o Charis!!XI.Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij Charis’ kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen ezel. Nu zeidemen haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters.Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfsbehalve met haver en klaver gevoed wordt met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde mij wel een edele ezel.Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters mij op zochten en tot elkaâr zeiden:—Hij ziet er nu prachtig uit!—Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!—En als zij zoo zacht: voel toch eens!Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid en de slaven zeiden:—Wij hebben hem dan ook geborsteld!—En het heeft hem aan niets ontbroken....—Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester,—Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.—Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde wondermeester.En zij schaterden alle drie....Maar zeide toen de eerste:—Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....En de twee anderen vielen in:—Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!—En kiest zij een harer neven....—Izidorus....—Pamfilius....—Of Lyzippos misschien....Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus natuurlijk.... En ik dacht:—Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen zoû, uit bezorgdheid om Charis’ geest en gezondheid, uit ijverzucht op hare neven....Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd.—Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar langer nog te laten wachten....De twee jongere wondermeesters gingen.—Borstel hem nog eens, beval de oudste.En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de wilde haren weg....—Besla hem nu de hoeven en schilder ze....En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na poot behandelen.De wondermeester lachte luid....—De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester.—En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.—Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.—En doe hem zijn mantel om....De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.—Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de wondermeester knikte wel te vreden.Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving zijner dochter gevierd zoû worden,dien zelfden dag. En voerden mij de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap op mijn schoft....—Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.—Laten wij het eens probeeren....—Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden de anderen.—Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel, juist omdàt ik een ezel was.Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten,met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans van vuur....Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen.—O mijn Charmides! riep zij..... Hoe wist zij mijn naam toch....?—O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?!En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare armen en stond toen, zegevierend.Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ikmijn geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....—Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten wonderdokter.—Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem hebben verzorgd en geleerd!En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde de broeders en neven lachen: die menschelijkheidtrof hen zeker en zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar komiesch en vermakelijk.Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke oogen:—Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides zijn verloofd!In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen.En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon!XII.Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken, diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo mensch-beschaafd, dat—ik lette het zijlings wel op!—allen er schik in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt.Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open dewitte lotusbloemen, weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht uitgeveegde kruinemassa’s van heel verre boomen en over alles zwom de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met Charis’ armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen, de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van Charis, Chariszelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen, die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij dansten recht-op met Charis’ maagden en de wondermeesters hielden de buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en balkte niet en zat slechts verwonderd te staren....Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde tegen mij aan. En zij zeide:—Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet een! Niet een is er,die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief!Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep:—Ha.... hi!Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:—Charmides!En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om mij rond...Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als Charis geroepen had:—Charmides!Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:—Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert!Maar Demea, die zich herstelde, riep:—O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides!Zij riep het en allen stemden in:—Heil Charmides! Heil den bruidegom!Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij tijds. En balkte daarom slechts:—Hi—ha!En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen.Maar Charis riep:—Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten!En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen enwijnen werden voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf aan den einder. De massa’s van boomen, de looverkruinen vervloeiden te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette schemering.Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen om mijn hals:—Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn lief, zij gaan ons scheiden!Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd, verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis’ bruidegom. Zonder verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog, in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel wilde ik blijven!En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar eenstal, maar naar een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus’ gasten, gewoon waren te overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede gevoerd door vader en broeders, die troostten.De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de zomerlucht....Plots hoorde ik:—Charmides!Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:—Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken—sterk ben ik—en ik zal je rug beklimmen en wijzullen vluchten van hier en ik zal je onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn, ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?Maar ik schudde met mijn kop van neen....—Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom, die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik!Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.—Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!En met een hoongelach glipte zij weg....
IX.Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zoudeneten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, waarheen ik de zware zakken torsen moest.Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen van Menedemus, Charis’ vader, want dit was ik te weten gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troostwas te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal: de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den witbepoeierdengrond.Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat ik medelijden met hem gehad had....Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk was hij er in geslaagd, uit hetgevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde ovens lagen als lage, donkere dakenmassa’s tegen de manelucht. Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij verloren in het bergwoud...De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep:het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij:—Hekate! Hekate!!Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheengebroken. En de heksen, in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit elkander rukten:—Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij zijn geeselstriemen....!Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door schrillen.Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort....Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waaroverde mist nog verwijlde, weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de wijde lucht....Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door de luchten.Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven van vijvers en op de roziggrauwende plassen lagen altijd en altijd de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen....Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:—Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt!Kom! Kom!! Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom mijn ezelenek....
Sedert draaide ik den molensteen.... In het lamoen gespannen, draaide ik, geblinddoekt, aan een houten boom den zwaren molensteen steeds rond en rond, onder de zweepstriemen en knuppelslagen van de erbarminglooze opzichters. Eindeloos, eindeloos trok ik en liep ik in de cirkelvormige gleuf om en om, altijd in het rond, trekkende het centenaarzware gewicht, waaronder het graan knarste boven den ondersten steen. Mijlen, mijlen liep ik af in het nauwe rond, trots blinddoek versuft en duizelig in mijne hersenen, die meer en meer die van een ezel werden en alle besef van menschelijkheid schenen te verliezen... Liep ik en liep ik, steeds den zelfden engen cirkelgang, terwijl de bovenste steen meê met mij draaide, knarsende, boven den onbewegelijken ondersten, over het gepletterde graan. Soms mocht ik stand houden, werd mij de blinddoek afgerukt, als de opzichter moê was geworden. En zag ik, in die korte pooze van rust om mij rond, kauwende een schrale handvol hooi... En zag ik de andere molensteenen, onder de rieten afdaken, regelmatig draaien in het rond, getrokken door andere, als ik, afgebeulde lastdieren, ezels en muilen of ook sjouwerig voort geduwd door misdadigers en gestrafte slaven. Zij waren meestal half geschoren het hoofdhaar, om hen herkenbaar te houden zoo zij poogden te vluchten, gemuilband opdat zij geen meel of graan zoudeneten, gebrandmerkt bovendien op het voorhoofd met getallen en letters: de sporen van herhaalde geeseling waren rauw en violet zichtbaar over hunne ruggen onder de lompen, die bedekten nauwlijks hunne ellendige naaktheden; zware ijzeren ringen bezwaarden hen om beide enkels en geheel grauw-wit waren zij bestoven met meel, als waren zij mizerabele, afgeleefde worstelaars, die zich met zand zouden hebben ingewreven om hun laatsten strijd uit te strijden. Nauwlijks konden zij zien: de laaiende vuren der ovens hadden hun de knippende oogleden geschroeid en de wimpers verbrand, gebogen waren hunne schouders, misvormd hunne armen en handen en voeten en het zware werk scheen hen als langzaam op te vreten, als om hen langer te doen lijden in het leven, dat geen dadelijke, weldadige dood deed eindigen. En ik was, als mijn menschelijke en ook dierlijke lotgenooten, afgebeuld, nauwlijks, des morgens reeds, in staat den duldloozen arbeid te beginnen, die eerst eindigde als de zwarte vleêrmuizen tegen oranje zonsondergang begonnen rond te flapperen; schoon niet geschoren, groeide nauwlijks haar meer op mijn schurftige huid; diepe wonden bloedigden en etterden overal over mijn lijf en mijn reeds zieke oog traande steeds van het meelgestuif en van den gloed der groote ovens, waarheen ik de zware zakken torsen moest.
Hoe lang deze marteling mij duurde, weet ik niet. De eene winterdag was aan de andere gelijk, met altijd den zelfden wind en regen, met sneeuwvlokken soms, met altijd den zelfden arbeid. En de eenige troost, die ik mij denken kon, was, dat ik mij dood zwoegde op de bezittingen van Menedemus, Charis’ vader, want dit was ik te weten gekomen uit enkele woorden der opzieners. Mijn eenige troostwas te weten, dat ik den molensteen rond draaide, éen der molensteenen, waaronder, misschien, het graan tot meel werd, dat dienen zoû om het witte brood te bakken, dat Charis nuttigen zoû. Zoo schrale troost was mijn eenige. En de zon rees op en daalde neêr en altijd was het het zelfde. En de regen stroomde en stroomde niet meer en altijd was het het zelfde. En de dagen volgden elkander op en altijd waren zij de zelfde. En de nachten waren de zelfde, dat ik, te moê om te slapen, stond en bleef staan in den stal naast de andere uitgeputte dieren, ezels en muilen...
Het is vreemd hoe soms de allerongelukkigsten in deze wereld elkander helpen, zonder het te willen misschien, zonder misschien het te weten. Een der misdadigers was onder een hevigen knuppelslag van een der opzieners neêr gezonken in het meelwitte stof van den weg en kon, om zijn zware, ijzeren boeien om de enkels, niet dadelijk op staan. Hij lag en kreunde... Juist ging ik voorbij, terug geleid naar mijn stal: de zon zonk rood en de vleêrmuizen flapperden in kringen tegen den bloedschijn... En bloed ook scheen mij toe te tappelen van den rug van den half bezwijmden slaaf: het ron rood over den witbepoeierdengrond.
Toen, als met een menschelijke ingeving van erbarming, likte ik met mijn moede tong de wonde van den slaaf. Als verwonderd zag hij op, dat een ezel, in het voorbij gaan, hem likte en misschien begreep hij, dat ik medelijden met hem gehad had....
Die nacht, terwijl alles in rust lag en allen sliepen, werd mijn stal voorzichtig geopend. Maneschijn vloot witblauw binnen door zwarte schaduw en ik herkende den slaaf, dien ik gelikt had. Klaarblijkelijk was hij er in geslaagd, uit hetgevang te ontsnappen. Hij zocht mij, hij koos mij uit onder de lastdieren, die daar stonden, duttende in al het zwart van de schaduw, die nauwlijks de rijzende maan door vloeide met haar blauwe wit. Hij bond mij los en leidde mij uit den stal. Hij geleidde mij uit het molengedoe naar den rand van het woud; daar besteeg hij mij... Hij keek om en ik keek om... De schuren en gedoofde ovens lagen als lage, donkere dakenmassa’s tegen de manelucht. Over den bepoeierden grond schitterde de maneschijn. Niemand bewoog, niemand zag ons, in de schaduwen, in het licht. Ook het bosch was schaduw en licht, maar schaduw bovenal. Ik steeg den weg op, dien de boeven in der tijd met mij neêr waren gedaald. En weldra waren wij verloren in het bergwoud...
De ontvluchte slaaf bereed mij, maar hij lag uitgeput en bijna krachteloos over mij heen, zijne armen rondom mijn nek. Hij dreef mij, hij wist zelve niet waarheen, links, rechts.... Doel scheen hij niet te hebben, niet te weten, mijn nieuwe meester. Stap voor stap klom ik en daalde ik. Plotseling, door de luchten, klonken mij toe bekende kreten, bekend gekreun. Waar had ik reeds gehoord dat gekreun, en die kreten?? En als met een flits wist ik in eens: de kreten, zij waren van heksen; het gekreun.... o het gekreun had ik gehoord die nacht te Delfi, in de bladeren der windbewogen platanen op het herbergplein, en het had mij toegeschenen het gekreun van dwalende zieltjes, van klagende, vermoorde kindertjes! Een vlakte lag eensklaps voor ons. Een wijde hoogvlakte, wit van maanlicht in de wijde nacht. En een rij van heksen danste krijschend rondom. En boven haar, in de lucht, zwierde een tweede rij in het rond. Een derde rij zweefde daarboven. Ik begreep:het waren heksenbezweringen, om de maan uit haar loopbaan te rukken, uit haar zilveren kring van noodwendigheid en het gelukte der heksen somtijds en zoo het haar gelukte, hadden zij die maand macht over de elementen, die dan gunstig waren aan haar verderfelijke werken. En o afschuw, toen zij dansten rondom, hand aan hand, zag ik, dat zij dansten rondom drie tot aan het hoofd begraven kindertjes, die kreten en die sterven zouden die nacht.... Midden in de vlakte stond de immense koperen ketel op een smeulend vuur van takken en de dansende heksen wierpen er, in het rondomme zwieren, allerlei in: ik herkende een slang, een pad, een bebloeden sluier, stukken wrakhout van een verongelukt schip, het koord van een gehangene en bezworene ledematen, ik weet niet welke.... En intusschen schenen zij als de maan naar beneden te trekken, tusschen de wilde wolken uit, waarin allerlei wezens schenen te schuilen en te verzichtbaren en riepen zij:
—Hekate! Hekate!!
Op mijn rug had mijn berijder zich opgericht, zeker om beter te kijken. Maar zoodra hij de verschrikking gezien had, slaakte hij een verschrikkelijken kreet van afschuw, wierp zich achterover en stortte over den grond in het struikgewas. Ik balkte, boog mij naar hem toe en bespeurde, dat hij bezwijmd lag, zoo hij niet gestorven ware, in dat zelfde oogenblik, van ontzetting. Maar zijn kreet en mijn balk waren voldoende geweest om de heksen, gestoord in hare bezweringen, van woede te doen razen met wilde kreten en zich allen, als éene horde, te doen storten in onze richting. De damp van den ketel woei naar den grond; de drie kinderkopjes zag ik, begraven tot de halsjes, bezwijmen.... De maan scheen te rijzen. De betoovering scheengebroken. En de heksen, in helsche woede, stortten op ons toe. Ik vluchtte, maar zij vielen in wellust neêr op den slaaf en ik hoorde hare kreten, terwijl zij zijn lijf uit elkander rukten:
—Aan mij zijn nog lillende wonde! Aan mij zijn brandmerk! Aan mij zijn geeselstriemen....!
Ik, ik vluchtte. Door het heksenwoud vluchtte ik. De maan, boven, scheen mèt mij te vluchten. De heksen achtervolgden mij niet; om kijkende zag ik de Thessalische duivelinnen wederom zwieren boven haar tooverketel en wierpen zij er de ledematen in van den slaaf, en hervatten zij hare bezweringen met woestere kreten, terwijl ik het geschreeuw der gemartelde kindertjes weêr de nacht hoorde door schrillen.
Ik vluchtte. Langs zwarte boomstammen, over slangachtige boomwortels, vluchtte ik strompelend, struikelend: ik tuimelde op wrakke pooten het rotsgesteent af. De sinistere wind woei boven mij; het geheele woud scheen te leven van reusachtige houthakkers en takkebossen, van reusachtige molensteenen, die duizelingwekkend snel draaiden, van uilen en vampyrs, en zoowel takken, zwiepende, als wolken, zwierende, schenen vol krijtende kinderkopjes. En ik vluchtte, ik vluchtte voort....
Ik vluchtte, verwilderd, die geheele nacht. De morgen klaarde met bleeken schijn, schijn zoo bleek en lijkachtig als slechts in Thessalië morgenschemert na heksennacht. Schijn, schimmebleek, of de dag huiverde te ontwaken en of Eos, de rozige, verbleekt was, door wat zij ried en aarzelde aan te zien.... Ik was het bergwoud afgedaald. Plotseling zag ik een wijde vlakte. Een streep van zonnegoud liep dwars door de grauwe morgenlucht. Weilanden, waaroverde mist nog verwijlde, weken hun verren einder uit. Een zoele belofte van lente wemelde in de wijde lucht....
Een verwondering woog op mijn brein. Waar was ik? Wie was ik? Wat had ik door gemaakt? Was die winter voorbij? Ja, ik voelde mij tot bezwijkens moê, uitgeput... Ja, ik was afgebeuld geworden.... Stekels hadden mijn wonden verder open gereten.... Het bloed leekte langs mijn pooten en passen.... Maar vogels zongen in de twijgen, waaraan de bladknoppen zwollen, bleek goud. Een geur van kruid steeg op. Iets vreemd lieflijks trilde zoo teeder als een Aeoliesch geluid door de luchten.
Ik liep door, moê, ziek, met een hinkenden poot, mager en bebloed..... Een zijstroom van den Sperchius stroomde dwars door de vlakte; de irissen schoten er uit op; de eerste irisbloemen ontloken, wit en zacht geel. Toen was het een meer en het lag overladen met lotus en het herinnerde mij aan dat andere meer, aan die kreek, waar ik ter overzijde Charis gezien had, maanden, ja maanden geleden... Door het hooge riet en de lotusbloemen stak ik het lage water over. Ik weet niet waarom ik zoo ging, doelloos, maar er was iets, dat mij lokte....
Ik stapte uit het water, druipende, en er waren weêr de weilanden en zij waren bespikkeld met madelieven. Werkelijk, dit was de lente, de vroege lente... Er ruischte als een etherische lenteharp door de lucht. Ik voelde nauwlijks mijne moêheid en afbeuling van lastdier. En, met een verrassing, tusschen het verschiet der uitbladerende olmen en abeelen zag ik, in de verte, als een vorstelijk landhuis schemeren in den verwijderden morgenmist, die daar optrok in de jonge zon. Het huis maakte een witten halfcirkel van zuilen en het lag geheel omgeven van vijvers en op de roziggrauwende plassen lagen altijd en altijd de lotussen en ik zàg ze openen, een voor een. En uit het landhuis, over het wijde grasveld traden tal van maagden en mannen....
Ik was blijven staan bij een heining, die afsloot het domein; de witte windekelken wonden zich door de kruislingsche houten stijlen. Ik zag toe, bekoord door een nieuwsgierigheid, die ik nauwlijks begreep. Maar eensklaps herkende ik de maagd tusschen de maagden, die om haar heen, de witte bloemenkransen beurende, dansten.
Zij was Charis! Ik zag haar heel duidelijk, maar zij scheen moê en mat van verdriet en zij verweerde zich niet anders dan zij zich verweerd had toen ik haar gezien had, maanden geleden, van den heirweg af, waar ik tusschen het riet herschapen was in een ezel. Ademloos, vreemd gelukkig bleef ik steeds staren....
Plotseling schenen de aanzienlijke mannen, die achter de maagden kwamen, mij te zien. En ik zag hen zeer schrikken en bevelen geven. En slaven liepen in mijn richting toe met knuppels en reeds van verre trachtten hunne kreten mij te verschrikken en weg te jagen... Ik bewoog echter niet; ik staarde. Om het geweld der slaven zagen de maagden om Charis om, zagen zij mij allen.... zag mij ook Charis....
Zij slaakte een juichenden kreet, klaar als een gouden galm van geluk, die zich verloor in de lichte lucht. En toen ijlde zij, licht als een nymf, vooruit, ijlde zij, ijlde vooruit, weêrhield de slaven met haar bevelend gebaar en riep, terwijl zij de armen hoog wierp en hare sluiers wemelden om haar rond:
—Eindelijk! Eindelijk! Mijn bruidegom! Mijn lang verwachte bruidegom, die terug uit den strijd tot mij komt!Kom! Kom!! Slaven, opent de hekken! Speelgenooten, danst nu in reien! Hij is gekomen! Mijn Charmides is gekomen!!
En terwijl ik wel de hevige ontsteltenis zag der mannen en der maagden om dien walging en weêrzin wekkenden, afgebeulden, wonde-bloedenden ezel, die daar bij de heining tusschen de windekelken te staren stond, naderde Charis mij en voelde ik, bezwijmelende van geluk en verrassing, de heining tusschen ons, hare armen en sluiers in een omhelzing rondom mijn ezelenek....
X.En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken van die aanzienlijke mannen—Charis’ vader, hare broeders en neven—werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen:—Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!!En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutsteheeren nader en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.—Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom heeft gevonden.—Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de tweede geleerde in.—Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!En de neven om Menedemus klaagden tot Charis’ broeders:—Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus’ vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt!Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:—Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?De eerste zoon Aesculapius’ antwoordde:—Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....De tweede viel in:—En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....En de derde zeide:—Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren....Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in wanhoop, wrongen de hunne....—En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis mij—en gewillig volgde ik—naar het zuilenrijke buitenverblijf....Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:—Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is gekeerd....—Is gewond en ziek, edele Charis!—Uw edele Charmides, o Charis....!—Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!—In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat zij mijn naam wist.De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer.—Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom verplegen!—Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!—Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste zorgen zal ondervinden!—Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides’ wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weerkrachtig is, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.—Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!Maar zij verboden de slaven mij te slaan.—Wij moeten hem verplegen!—Ons leven staat op het spel....—Als wij Charis niet genezen...—Zal Menedemus ons doen vermoorden!—Als wij Charis genezen....!—Overstelpt hij ons met goud!—Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders laten dan in den waan...—En dàn haar onttooveren....—Langzamerhand... Langzamerhand....Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen.—Hij is jong! zeide de een.—Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.—Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven breed zijn.—Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk, de sporen van het lamoen....—En van den draaiboom....En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij aan hun zorgen en wetenschap over.—Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes.—Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden!Waarom verleent mijn vader hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??—Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij daarbij tegenwoordig zijt!Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden en pruilende moest zij wijken.—Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde „Charis!” roepen en riep:—Ha....hi!!De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.—Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot spoedige beterschap, o mijn Liefde!Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden.—Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachteweêrhield mij.... Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet om zilverasters!—Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!—Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.—Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.—Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de pastei! Drink den wijn!En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel Charmides!Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn en slurpte even....—Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters enhielden de buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen.Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei, knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker....—Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de wondermeesters en slaven.—Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.—Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.—.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....—.... In een ezel betooverd?—.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!Zij fluisterden samen, de drie.—Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was....—Een betooverde mensch....—Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....—Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...—En gevraagd om....Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.—Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr, schaterlachend.De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal.Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een molensteen rond gedraaid, was deze stal,na mijn menschemaal van pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, denkende meer dan balkend ditmaal:—Charis! O mijn Liefde, o Charis!!
En werkelijk, trots de ontsteltenis, die ik zag op de gelaatstrekken van die aanzienlijke mannen—Charis’ vader, hare broeders en neven—werden bevelen gegeven de hekken te openen en leidde Charis, die haar sluier om mijn zieke oog had gewikkeld en tusschen mijn ooren door, mij de bloembespikkelde weide binnen! Mijn geluk was even groot als mijn verwondering en ik liet met mij doen als Charis wenschte en bevolen had; het was of een sprookje zich om mij weefde, of ik dubbel betooverd was, of ik droomde; ik kon niet gelooven aan wat mij geschiedde. Maar toen Charis, juichend, terwijl hare maagden rondom ons dansten, voorbij haar vader, broeders en neven trad, die, steeds in ontsteld gefluister, elkander raadpleegden, hoorde ik Menedemus roepen:
—Bij alle barmhartige goden!! Wat moèten wij nu met dien schurftigen ezel! Terwijl wij bevolen hadden, dat geen drie mijlen in den omtrek van dit lustverblijf een ezel mocht worden gehouden, zendt ons Toeval of Noodlot een schurftigen ezel toe, juist op het oogenblik, dat wij Charis op hare morgenwandeling begeleiden en verlieft mijn dochter op dien schurftigen ezel!! Ondoorgrondelijk zijn der goden raadsbesluiten! Zegt mij, gij zonen van Hermes en Aesculapius, wondermeesters, geneesheeren, zegt mij, wat nu te doen!!
En in wanhoop wenkte Menedemus drie Frygiesch gemutsteheeren nader en stond, in radeloosheid voor hen, de armen wijd.
—Heer, zeide een van hen, een grijze, waardige in langen tabbaard. Wij kunnen niet anders dan Charis laten in den waan, dat zij haar bruidegom heeft gevonden.
—Zoo wij haar overreden wilden, zoû zij ons nooit gelooven! viel de tweede geleerde in.
—Zij is betooverd door Chersonezus! riep de derde. Pas op, o Menedemus, dat gij uw dochter niet doodt, door haar te willen overreden, dat deze ezel haar bruidegom niet is!
En de neven om Menedemus klaagden tot Charis’ broeders:
—Ach, onze Charis! Ach, onze liève Charis! Had zij slechts een onzer gekozen, in plaats van na Chersonezus’ vervloeking, op een schurftigen ezel te verlieven, dien zij dadelijk Charmides noemt!
Ik hoorde dit alles, terwijl mij Charis langs de mannen geleidde. En ik hoorde ook Menedemus, die verder vroeg aan de geleerden:
—Dus, wondermeesters, wat raadt ge mij?
De eerste zoon Aesculapius’ antwoordde:
—Het beste lijkt mij dien ezel te verzorgen....
De tweede viel in:
—En Charis te zeggen, dat haar bruidegom, die verwond uit den strijd is gekomen, met toewijding door ons verpleegd zal worden....
En de derde zeide:
—Om, als hij genezen is, de plechtige verloving te vieren....
Menedemus sloeg de handen in wanhoop op en de broeders en neven, in wanhoop, wrongen de hunne....
—En al dit ongeluk, riep Menedemus; omdat Chersonezus, wien ik mijn eenige dochter had toegedacht, een slechte man is, een vervloekte toovenaar, die Charis betooverde, toen ik eindelijk de waarheid omtrent hem wist en weigerde mijn kind op te offeren!
Meer hoorde ik niet; tusschen reidans en bloemenkrans geleidde Charis mij—en gewillig volgde ik—naar het zuilenrijke buitenverblijf....
Maar de geneesheeren kwamen ons achterop en zij zeiden:
—Edele Charis, uw bruidegom, die zoo juist uit den strijd is gekeerd....
—Is gewond en ziek, edele Charis!
—Uw edele Charmides, o Charis....!
—Is ziek en gewond en verpleegd moet hij worden...!
—In der daad! zeide Charis, de betooverde maagd, en hare stem klonk als de klank van een Lydische fluit, als Ionische melodie. Hij is gewond, mijn Charmides, na den vijand verslagen te hebben, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!
En eerst zoet meewarig, juichte haar stem op en hare armen omhelsden mij en zij kuste mij op mijn ezeleneus, terwijl ik mij verwonderde, dat zij mijn naam wist.
De drie geneesheeren maakten gebaren van weêrzin en afkeer.
—Charis! riepen zij alle drie. Staat ons toe, dat wij uw bruidegom verplegen!
—Is hij genezen, zoo wordt uwe verloving gevierd!
—Duld, o Charis, dat wij Charmides voeren waar hij de liefdevolste zorgen zal ondervinden!
—Ja, riep Charis. Ja, wondermeesters! Geneest mij Charmides’ wonden! Huwen zal ik hem, zoodra hij weerkrachtig is, o mijn liefde, o mijn held, o mijn heerlijkheid!!
En wederom wilde zij mij omhelzen, maar de wondermeesters hadden zich reeds meester van mij gemaakt en Charis, juichende van geluk, al scheidde zij van mij, dànste te midden van hare maagden.
De drie mannen geleidden mij verder. Hunne slaven liepen toe.
—Vuile ezel!! scholden mij de wijze mannen nu. Moeten wij onze kunst nu werkelijk verspillen aan een dergelijken vuilen ezel!
Maar zij verboden de slaven mij te slaan.
—Wij moeten hem verplegen!
—Ons leven staat op het spel....
—Als wij Charis niet genezen...
—Zal Menedemus ons doen vermoorden!
—Als wij Charis genezen....!
—Overstelpt hij ons met goud!
—Zij is betooverd: wij kunnen voor het oogenblik haar niet anders laten dan in den waan...
—En dàn haar onttooveren....
—Langzamerhand... Langzamerhand....
Zij waren het met elkander eens. Zij zouden mij verplegen, niet uit liefde voor mij, schurftigen ezel, maar uit hoop rijk beloond te worden, eenmaal, als zij Charis onttooverd hadden....!
En zij voerden mij naar een ruimen stal. Ik was daar zonder andere beesten. De slaven brachten versch stroo, dat zij spreidden tot legerstede; zij vulden de ruif vol hooi, vol haver en doorgeurden mijn maal met de eerste klaverblaadjes. Ik at en de geneesheeren onderzochten mijn wonden en zagen mijn tanden malen.
—Hij is jong! zeide de een.
—Maar hij is afgebeuld, zeide de ander.
—Hij heeft hout getorst, zei de derde en wees. Kijk, zijn hoeven breed zijn.
—Hij heeft een molensteen rond gedraaid, zei de eerste weêr. Kijk, de sporen van het lamoen....
—En van den draaiboom....
En zij onderzochten mij met aandacht. Ik vond hen drie knappe wondermeesters, die dadelijk veel hadden geraden, al rieden zij niet, dat ik een mensch was, betooverd door een harpij. Gewillig gaf ik mij aan hun zorgen en wetenschap over.
—Het is wel een gewillige ezel, dien onze jonkvrouw heeft uitverkoren! moesten zij alle drie erkennen.
En, met behulp van hunne slaven wieschen zij mij en verbonden zij mij mijne wonden, na die gebalsemd te hebben. Ik stribbelde geen oogenblik tegen en zij lachten er om, de drie wijze mannen, omdat ik zoo geduldig mij behandelen liet. Zwijgend en deftig zat ik nu, genietende van mijn nieuw welbehagen, op mijn achterdeel in het stroo, gesteund op de twee voorpooten en omwikkeld oog en pooten en rug in windsels, terwijl de oudste wondermeester bezig was mijn voorpoot, waarop ik hinkte, bij de knie te masseeren met zorgzaam drukkende en strijkende vingers. En met scharen knipten zij mij de vieze klitten en vlokken weg aan mijn pooten en aan mijn staart.
Juist op dit oogenblik kwam Charis voorbij tusschen hare meisjes.
—Ik zocht mijn bruidegom! riep zij. Ik zocht Charmides! O, daar zie ik mijn held! Wat!! Meesters, wordt mijn edele geliefde in een stal gehuisvest? Wat moet dit beduiden!Waarom verleent mijn vader hem geen gastvrijheid in het vreemdelingenpavillioen??
—Charis, o Charis! riepen de wondermeesters. Trek u terug met uw maagden! Wij verplegen uw bruidegom en het is niet voegzaam, dat gij daarbij tegenwoordig zijt!
Zij waren opgestaan en weêrhielden mijn liefde binnen te te treden en pruilende moest zij wijken.
—Tot spoedig dan, Charmides, mijn held, mijn prins!
Ik werd hevig ontroerd in mijn hart. Iets sterkers dan mijn verstand dwong mij mijn ezelebek te openen; ik wilde „Charis!” roepen en riep:
—Ha....hi!!
De drie wondermeesters barstten uit in onbedaarlijk gelach.
—Hij roept mij! Hij roept mij! riep Charis opgetogen. O, wreede wondermeesters, die mij verhinderen mijn held en bruidegom te omhelzen! O wreede scheiding! Tot ziens, tot spoedigen ziens, tot spoedige beterschap, o mijn Liefde!
Zoo riep Charis en de maagden voerden haar weg en de wondermeesters schudden steeds van het lachen terwijl hunne ronde mutsen als schelpen en hoornen tegen elkander bonsden en bogen. En ik, die mij belachelijk wist in hun oogen, ook al had Charis mijn gebalk aan gehoord voor haar naam, beloofde mijzelven nooit meer te balken.
Deftig en stil, verbonden met tal van banden, zat ik in het stroo en de nog lachende drie hadden pleizier in hun ezel, dien zij verpleegden.
—Hij zit er net als een mensch! zei de oudste.
Een gedachte flitste in mij op.... Zoo ik nu knikte met mijn kop....! Zoo ik nu schreef met mijn poot in het zand....! En om zilverasters vroeg....!! Maar een na-gedachteweêrhield mij.... Wat zoo zij mij vroegen wie ik was en ik verried, dat ik een koopmanszoon was? Onttooverd zoû mij Menedemus misschien purper en parels koopen maar mij dan weg zenden, verder Thessalië in! Ik knikte niet met mijn kop! Ik schreef nièt met mijn poot in het zand! Ik vroeg niet om zilverasters!
—Ja, hij zit er net als een mensch! beaâmden de twee andere wondermeesters. Wat zoo wij poogden....!
—Ik dacht dat juist ook! ried de tweede.
—Dat is een uitnemend denkbeeld! riep de derde.
Wat hadden zij met mij voor? Maar spoedig begreep ik. Zij zonden hun slaven naar de keukens om een schaal pastei en een wijden beker vol Chios-wijn en zij zetten mij beiden voor. En zij wilden mij leeren, zij wilden mij een geleerden ezel maken, een ezel met goede manieren, een ezel, die pastei at uit een schotel en Chios-wijn dronk uit een drinkschaal! Ik had nu evenveel schik in hen als zij hadden in mij en opzettelijk deed ik eerst of ik niet hun noodiging begreep.
—Kom Charmides, schertsten de drie wondermeesters. Eet de pastei! Drink den wijn!
En, met hun slaven, schudden zij steeds van het lachen, om mij, ezel Charmides!
Ik speelde mijn rol van ezel, die geleerd, die gedresseerd werd. Ik rook eerst, bescheidenlijk onderzoekende, aan de pastei, toen aan den wijn. Beide geurden naar lang niet gekend geneucht; ik moest in mij houden om beiden niet gulzig naar binnen te slokken. Maar ik hield mij in, speelde mijn rol. Eindelijk tastte ik met mijn tong naar den wijn en slurpte even....
—Hij drinkt! Hij drinkt! riepen de wondermeesters enhielden de buiken zich vast en de slaven krompen van het schaterlachen.
Toen tastte ik met mijn groote ezeltanden voorzichtig naar de pastei, knabbelde er een stukje van, kwam weêr terug naar mijn beker....
—Hij eet! Hij drinkt! Hij eet en drinkt als een mensch! riepen de wondermeesters en slaven.
—Als hij maar niet.... fluisterde plotseling de oudste.
—Wàt?? vroegen geheimzinnig de twee anderen.
—.... Een betooverde ezel is.... Een mensch....
—.... In een ezel betooverd?
—.... Het zoû kunnen.... hier in Thessalië!
Zij fluisterden samen, de drie.
—Neen, besloten zij alle drie. Als hij een betooverde ezel was....
—Een betooverde mensch....
—Dan zoû hij zich ànders gedragen hebben....
—Bij voorbeeld, met zijn poot in het zand geschreven...
—En gevraagd om....
Ik hoorde niet meer wat zij fluisterden.... Om zilverasters, fluisterden denkelijk de drie. Deftig, verbonden, zittende, twee voorpooten gestrekt, at ik de pastei en dronk den wijn.
—Dàt hebben wij hem al heel vlug geleerd! riepen zij door elkaâr, schaterlachend.
De nacht was gevallen. Lachende lieten zij mij en sloten den stal.
Ik zag om mij rond. Het was een ruime stal en breed was mij het versche stroo gespreid. Voor een ezel, die hout had getorst en een molensteen rond gedraaid, was deze stal,na mijn menschemaal van pastei en wijn, vorstelijke weelde. De balsem werkte weldadig op mijn wonden. Ik strekte mij uit als een mensch had gedaan op zijn bed. En doodmoede maar zalig sliep ik in mijn verbindselen en windselen in, denkende meer dan balkend ditmaal:
—Charis! O mijn Liefde, o Charis!!
XI.Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij Charis’ kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen ezel. Nu zeidemen haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters.Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfsbehalve met haver en klaver gevoed wordt met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde mij wel een edele ezel.Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters mij op zochten en tot elkaâr zeiden:—Hij ziet er nu prachtig uit!—Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!—En als zij zoo zacht: voel toch eens!Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid en de slaven zeiden:—Wij hebben hem dan ook geborsteld!—En het heeft hem aan niets ontbroken....—Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester,—Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.—Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde wondermeester.En zij schaterden alle drie....Maar zeide toen de eerste:—Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....En de twee anderen vielen in:—Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!—En kiest zij een harer neven....—Izidorus....—Pamfilius....—Of Lyzippos misschien....Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus natuurlijk.... En ik dacht:—Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen zoû, uit bezorgdheid om Charis’ geest en gezondheid, uit ijverzucht op hare neven....Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd.—Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar langer nog te laten wachten....De twee jongere wondermeesters gingen.—Borstel hem nog eens, beval de oudste.En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de wilde haren weg....—Besla hem nu de hoeven en schilder ze....En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na poot behandelen.De wondermeester lachte luid....—De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester.—En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.—Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.—En doe hem zijn mantel om....De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.—Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de wondermeester knikte wel te vreden.Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving zijner dochter gevierd zoû worden,dien zelfden dag. En voerden mij de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap op mijn schoft....—Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.—Laten wij het eens probeeren....—Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden de anderen.—Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel, juist omdàt ik een ezel was.Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten,met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans van vuur....Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen.—O mijn Charmides! riep zij..... Hoe wist zij mijn naam toch....?—O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?!En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare armen en stond toen, zegevierend.Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ikmijn geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....—Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten wonderdokter.—Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem hebben verzorgd en geleerd!En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde de broeders en neven lachen: die menschelijkheidtrof hen zeker en zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar komiesch en vermakelijk.Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke oogen:—Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides zijn verloofd!In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen.En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon!
Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd, gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij Charis’ kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre, tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die, terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen, zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel, dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden, dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom, die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen ezel. Nu zeidemen haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters.
Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet, mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel, die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en boterbloemen en die zelfsbehalve met haver en klaver gevoed wordt met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk, nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen, vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden en ik voelde mij wel een edele ezel.
Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters mij op zochten en tot elkaâr zeiden:
—Hij ziet er nu prachtig uit!
—Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!
—En als zij zoo zacht: voel toch eens!
Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid en de slaven zeiden:
—Wij hebben hem dan ook geborsteld!
—En het heeft hem aan niets ontbroken....
—Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester,
—Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.
—Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde wondermeester.
En zij schaterden alle drie....
Maar zeide toen de eerste:
—Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....
En de twee anderen vielen in:
—Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!
—En kiest zij een harer neven....
—Izidorus....
—Pamfilius....
—Of Lyzippos misschien....
Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog, die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus natuurlijk.... En ik dacht:
—Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....
En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen zoû, uit bezorgdheid om Charis’ geest en gezondheid, uit ijverzucht op hare neven....
Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd.
—Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar langer nog te laten wachten....
De twee jongere wondermeesters gingen.
—Borstel hem nog eens, beval de oudste.
En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier en daar de wilde haren weg....
—Besla hem nu de hoeven en schilder ze....
En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na poot behandelen.
De wondermeester lachte luid....
—De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester.
—En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.
—Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.
De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.
—En doe hem zijn mantel om....
De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes, en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.
—Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de wondermeester knikte wel te vreden.
Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang, Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving zijner dochter gevierd zoû worden,dien zelfden dag. En voerden mij de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een handklap op mijn schoft....
—Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.
—Laten wij het eens probeeren....
—Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden de anderen.
—Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....
En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen, die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel, wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel, juist omdàt ik een ezel was.
Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers, het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke, half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten,met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water, over het warme marmer gloeide die glans van vuur....
Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen.
—O mijn Charmides! riep zij.
.... Hoe wist zij mijn naam toch....?
—O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?!
En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare armen en stond toen, zegevierend.
Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde, wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ikmijn geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.
Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid; er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters, deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En Charis vlijde zich aan mijn zij....
—Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten wonderdokter.
—Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem hebben verzorgd en geleerd!
En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde de broeders en neven lachen: die menschelijkheidtrof hen zeker en zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar komiesch en vermakelijk.
Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke oogen:
—Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad, op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik, je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was, Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik, Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides zijn verloofd!
In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen.
En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon!
XII.Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken, diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo mensch-beschaafd, dat—ik lette het zijlings wel op!—allen er schik in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt.Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open dewitte lotusbloemen, weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht uitgeveegde kruinemassa’s van heel verre boomen en over alles zwom de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met Charis’ armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen, de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van Charis, Chariszelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen, die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij dansten recht-op met Charis’ maagden en de wondermeesters hielden de buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en balkte niet en zat slechts verwonderd te staren....Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde tegen mij aan. En zij zeide:—Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet een! Niet een is er,die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief!Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep:—Ha.... hi!Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:—Charmides!En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om mij rond...Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als Charis geroepen had:—Charmides!Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:—Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert!Maar Demea, die zich herstelde, riep:—O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides!Zij riep het en allen stemden in:—Heil Charmides! Heil den bruidegom!Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij tijds. En balkte daarom slechts:—Hi—ha!En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen.Maar Charis riep:—Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten!En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen enwijnen werden voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf aan den einder. De massa’s van boomen, de looverkruinen vervloeiden te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette schemering.Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen om mijn hals:—Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn lief, zij gaan ons scheiden!Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd, verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis’ bruidegom. Zonder verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog, in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel wilde ik blijven!En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar eenstal, maar naar een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus’ gasten, gewoon waren te overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede gevoerd door vader en broeders, die troostten.De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de zomerlucht....Plots hoorde ik:—Charmides!Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:—Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken—sterk ben ik—en ik zal je rug beklimmen en wijzullen vluchten van hier en ik zal je onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn, ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?Maar ik schudde met mijn kop van neen....—Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom, die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik!Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.—Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!En met een hoongelach glipte zij weg....
Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken, diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo mensch-beschaafd, dat—ik lette het zijlings wel op!—allen er schik in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt.
Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open dewitte lotusbloemen, weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht uitgeveegde kruinemassa’s van heel verre boomen en over alles zwom de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen, zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met Charis’ armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel, vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan, naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen, de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren, toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van Charis, Chariszelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen, die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken, maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij dansten recht-op met Charis’ maagden en de wondermeesters hielden de buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en balkte niet en zat slechts verwonderd te staren....
Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde tegen mij aan. En zij zeide:
—Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet een! Niet een is er,die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd, goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve, lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne, sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken, mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je, mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven, open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam, zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief!
Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep:
—Ha.... hi!
Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:
—Charmides!
En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om mij rond...
Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.
En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe, bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als Charis geroepen had:
—Charmides!
Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:
—Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert!
Maar Demea, die zich herstelde, riep:
—O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides!
Zij riep het en allen stemden in:
—Heil Charmides! Heil den bruidegom!
Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij tijds. En balkte daarom slechts:
—Hi—ha!
En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen.
Maar Charis riep:
—Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten!
En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen enwijnen werden voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....
Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf aan den einder. De massa’s van boomen, de looverkruinen vervloeiden te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette schemering.
Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen om mijn hals:
—Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn lief, zij gaan ons scheiden!
Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd, verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis’ bruidegom. Zonder verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog, in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel wilde ik blijven!
En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar eenstal, maar naar een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus’ gasten, gewoon waren te overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede gevoerd door vader en broeders, die troostten.
De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....
De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de zomerlucht....
Plots hoorde ik:
—Charmides!
Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:
—Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je, Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde, onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides, Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken—sterk ben ik—en ik zal je rug beklimmen en wijzullen vluchten van hier en ik zal je onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn, ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?
Maar ik schudde met mijn kop van neen....
—Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom, die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik!
Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.
—Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel, jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!
En met een hoongelach glipte zij weg....