XIII.—Vader, waarom huwen wij niet?Zoo klonk Charis’ stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare arm lag, blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de weide en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten veldbloemen trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen mij, dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes en vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden mijn ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, het eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen diep in mijn oogen....—Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet?Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde Menedemus tot de wondermeesters zeggen:—Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij ziet, dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en de Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr en de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral niet zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare neven waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe lang zoû het nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo innig, zoo teeder en zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, als ik nog nimmer geweest was.Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen onder een dicht rozen-begroeid traliewerk—de witte rozen hingen, de traliën langs, langs haar heen—zag ik haar, van uit de weide, met liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde omlaag. En toen dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die blonken en blikkerden goud en blauw, overbloeid met de ontlokene bloemen. Ennaderde het altaar van Venus-Afrodite tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees marmer en wonderschoon achter haar altaar in de purperen schaduw. Het boschje zoemde vol van verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, die er nestelden, klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende lucht. En ik boog de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad:—Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar draagstoel, op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help ons! Niet alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw roode rozen mij beter!En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af en legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van vereering zouden uit bloeien aan haar voet....En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag was met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de muziek....—Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis vragen.Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur open. Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, goed gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een ezel, die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit onvoegzaamgedroeg, die als een mensch zijn pavillioen bewoonde. Zij lieten mij doen als ik wilde....De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op mijn weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, mijn ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en trad uit het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den hemel. In der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... Zij ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken menschengezichten....Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde toe....Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de wolken nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... Waren als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een knellenden, vijandigen cirkel....Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En het was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker zouden de bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, ik wist reeds genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te weten, dat dit geen onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn schuilhoek. En plotseling verduidelijkten zich hel in felle sulfergloren, die als weêrlicht schenen, de tronies der aangezweefde, demonische schepselen, bleek, grijnzend, dreigend. En door het schuifelen en suizen en sissen heen, verstond ik dewoorden, die weêrklonken van uit de rollende wolk, die woelde boven de wereld....—Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw machtigen wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten van de lucht....—Wij geesten van het water...!—Wij, van het vuur...!—Wij, van de aarde...!—Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o machtige Chersonezus! Zeg ons uw wil!!En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het rollen der wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor van hun atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en dichter aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, weêrklonk....—Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar is!!....—Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als ware het niet meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort het dan neêr op de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met aardbeving en stormgeweld en met vlammen! En doet tusschen die verdelgingen Charis alleen behouden blijven, zoo dat zij tusschen de puinhoopen aan mij is en ik haar ontvoer door de luchten!Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over de weide sloop ik onder het razender en razender rumoer inde luchten, sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende halmen....—Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij scheen de storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te mengen als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, zwarten ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis’ eigene kamer.Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk geweld, rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij reeds, vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar voor het raam van Charis hield ik stand....—Hi-ha! balkte ik.Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond donderenden storm.—Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis’ aangebeden naam. Ha-hi!Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.—Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, balkte ik:—Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!!De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de schouders, verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke gewaad....—Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm barst los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder draaien en rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! Charmides, o bescherm mij! Iedereenslaapt in diepsten slaap! Mijn vader, mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! Charmides, het aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen al!?—Charis! balkte ik........En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek open naar Charis:—Be...stij...g... mijn... rr...ug!!Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp zich op mij....—Sla... om... mijn... nek... je armen!Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, een duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp...Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.—Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt ons allen!En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor ons op.... Maar ik had Charis gered!Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar omhelzen, haar drukken aan mijn hart.Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen bij haar zoeten naam....Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn ruigen ezelskreet....Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak....XIV.De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en zij riep, angstig:—Mijn lief, waar zijn wij?Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij:—Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?En zij sloeg de armen om mijn nek.—Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar depalm, maar ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar werk, terwijl ik de grashalmen graasde....—Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en samen, alleenmet mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand:—Zet je dan weêr op mijn rug...Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis den rotsberg om, langzaam....Honger had ik niet, daar ik grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr:—Charmides.... Ik heb honger!Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs Charis’ naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten, honderden, om ons heen....Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér gelegd in het vliegjes-doorzoemdelommer, waar ik, in het mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag, wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis’ slaap en ik waakte, wekte de wanhoop op nieuw zich in mij.Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus’ dochter, gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû, toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere hout—vermoedelijk om niet langs den heirwegte gaan—maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde:—Deze nacht dus?—Ja,beaâmdewie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus....—Het omsingelen...?—Ja en zijn dochter schaken....In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat Menedemus’ landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een hun gunstig noodlot Menedemus’ dochter op hun weg had gevoerd! Ik begreep, dat geen tijd te verliezen was....—Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de rivier terug.De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven weg draafde met eenblanke, blonde maagd over zijn rug, hare armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af gegleden was, op beurende, riep:—Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde!Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op mijn hoeven.—Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!—Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.De roovers wisten het niet.—In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten, mochten wij Menedemus’ dochter heden avond niet kunnen ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, maar luid snikkende:—Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!—Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo gauw niet worden!En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen...Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel.XV.Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:—Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt.Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,—het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op—dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd,geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerdenmeanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de Zuidzijde—een dier voelt dadelijk windstreek en richting—; door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den mantel, die haar geblinddoekt hield.—Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen.—Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie zijt gij?—Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata...—De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit.—De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.—Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers.—Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de anderen.—En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij is mijn verloofde....En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat zij zeide.—Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmidesen is de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont?De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit.—Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen?En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen zeide Dionyzius:—Haar geest doolt....—Zij is waanzinnig, zei Manes.—Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.—Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen boomgaard de appels?—Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?En zij begon hevig te snikken.Ik balkte zacht.—Cha-i....!—Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!De roovers raadpleegden elkaâr.—Charis, Menedemus’ dochter....?—Een aardbeving....?—Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!—Wij geen van allen....—Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt ge alleén blijven, Charis?—Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem hem mij niet af!!En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.—Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides.Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke richtingen wij namen, links en rechts enwederom rechts en links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:—Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben van uw vader....In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....—Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw gevachte leden.En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om in ezelstal te worden herschapen.Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal.Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.—En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer beschikking. Zij spreken niet en zij hoorenniet want zijn doofstom, maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen, borstelen en voeder brengen.De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden, verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:—Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er zeker in deze bergspelonken geen tuinenzouden zijn aangelegd. Maar de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden, die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden er hunne platte bladeren over heen....De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen mijn roerloos ezellijf.Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende, platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde, opende wijd debloem en straalde blank in het maanlicht en ik was bekoord door die schoonheid....Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste te gaan.Van de roovers zagen wij die nacht niets meer....XVI.Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.—Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen, een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht?Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch voorbij als de vorige. Tot tegen den avondDionyzius ons noodiging zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen, het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen, zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn, dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij, hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan schotels en kannen en bekers blauwe, gele engroene vonken ontlokten, die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook in mijn leven had mogen aanschouwen.Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis sponnen en weefden.Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden spiegelzaal—overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,—toen ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen:—Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:—Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en ons bezit!Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr.—Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.—Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen opmijn rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg.—Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius’ slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde roovers en ik holde weêr terug...Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol; een booze droom werd het vanonbestaanbaarheid. Ik holde om en om; ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het verschrikkelijk rumoer van den strijd....Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof, tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put, die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen met al mijn kracht op.—Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de mannen, die vechten!Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en daalde ik in den donker....Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile trap gehouwen!Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds krampachtig zich klemmende ommijn nek. Hoe lang die moeilijke stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg een poging en nog een poging!Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De nieuwe zon straalde uit.Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn.Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrembloeide om ons heen en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd.Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag brengen zoû.Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden betooverd waren.En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik sedert maanden gescheiden was.Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef duidelijk in de mulle aarde:—Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort van de stad en om wier liefde ik betooverd werd....
XIII.—Vader, waarom huwen wij niet?Zoo klonk Charis’ stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare arm lag, blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de weide en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten veldbloemen trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen mij, dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes en vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden mijn ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, het eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen diep in mijn oogen....—Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet?Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde Menedemus tot de wondermeesters zeggen:—Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij ziet, dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en de Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr en de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral niet zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare neven waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe lang zoû het nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo innig, zoo teeder en zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, als ik nog nimmer geweest was.Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen onder een dicht rozen-begroeid traliewerk—de witte rozen hingen, de traliën langs, langs haar heen—zag ik haar, van uit de weide, met liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde omlaag. En toen dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die blonken en blikkerden goud en blauw, overbloeid met de ontlokene bloemen. Ennaderde het altaar van Venus-Afrodite tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees marmer en wonderschoon achter haar altaar in de purperen schaduw. Het boschje zoemde vol van verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, die er nestelden, klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende lucht. En ik boog de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad:—Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar draagstoel, op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help ons! Niet alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw roode rozen mij beter!En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af en legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van vereering zouden uit bloeien aan haar voet....En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag was met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de muziek....—Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis vragen.Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur open. Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, goed gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een ezel, die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit onvoegzaamgedroeg, die als een mensch zijn pavillioen bewoonde. Zij lieten mij doen als ik wilde....De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op mijn weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, mijn ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en trad uit het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den hemel. In der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... Zij ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken menschengezichten....Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde toe....Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de wolken nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... Waren als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een knellenden, vijandigen cirkel....Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En het was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker zouden de bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, ik wist reeds genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te weten, dat dit geen onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn schuilhoek. En plotseling verduidelijkten zich hel in felle sulfergloren, die als weêrlicht schenen, de tronies der aangezweefde, demonische schepselen, bleek, grijnzend, dreigend. En door het schuifelen en suizen en sissen heen, verstond ik dewoorden, die weêrklonken van uit de rollende wolk, die woelde boven de wereld....—Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw machtigen wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten van de lucht....—Wij geesten van het water...!—Wij, van het vuur...!—Wij, van de aarde...!—Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o machtige Chersonezus! Zeg ons uw wil!!En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het rollen der wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor van hun atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en dichter aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, weêrklonk....—Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar is!!....—Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als ware het niet meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort het dan neêr op de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met aardbeving en stormgeweld en met vlammen! En doet tusschen die verdelgingen Charis alleen behouden blijven, zoo dat zij tusschen de puinhoopen aan mij is en ik haar ontvoer door de luchten!Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over de weide sloop ik onder het razender en razender rumoer inde luchten, sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende halmen....—Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij scheen de storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te mengen als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, zwarten ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis’ eigene kamer.Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk geweld, rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij reeds, vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar voor het raam van Charis hield ik stand....—Hi-ha! balkte ik.Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond donderenden storm.—Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis’ aangebeden naam. Ha-hi!Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.—Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, balkte ik:—Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!!De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de schouders, verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke gewaad....—Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm barst los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder draaien en rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! Charmides, o bescherm mij! Iedereenslaapt in diepsten slaap! Mijn vader, mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! Charmides, het aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen al!?—Charis! balkte ik........En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek open naar Charis:—Be...stij...g... mijn... rr...ug!!Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp zich op mij....—Sla... om... mijn... nek... je armen!Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, een duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp...Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.—Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt ons allen!En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor ons op.... Maar ik had Charis gered!Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar omhelzen, haar drukken aan mijn hart.Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen bij haar zoeten naam....Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn ruigen ezelskreet....Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak....
—Vader, waarom huwen wij niet?
Zoo klonk Charis’ stem, een avond vol van zomerweemoed. Hare arm lag, blank, rond en meisjesjong over mijn nek, waar ik stond in de weide en speelsch met mijn bek de halmen en lang opgeschoten veldbloemen trok. Charis speelde vaak met mij en hare verwanten prezen mij, dat ik een zeer tamme ezel was. Want dikwijls liep Charis voor mij weg en moest ik haar achtervolgen en zij lachte als een kind en ik achtervolgde haar dan, hield mijn draf in, om haar langer van het spel te doen genieten en dan, eindelijk, haalde ik haar in en greep zacht tusschen mijn tanden den slip van haar sluier. En zij gaf zich dan gewonnen en leunde, lachende, tegen mij aan en kuste en bekranste mij, omwond mij met bloemen. Hare maagden dansten om ons rond en wel eens zette zij zich op mijn rug en ik liep in een cirkel over de weide, terwijl Charis jubelde van pleizier. Of ik lag in het lange gras, sierlijk en voegzaam en zij zette zich naast mij, zei lieve woordjes en vertelde mij fabels. En hare handjes streelden mijn kop, gleden mijn ooren langs, die zij wenschte heen en weêr te zien bewegen, het eene hoog-op, het andere hangende en dan weêr beurtelings het eene hangende, hoog-op het andere en zij lachte, hare lieve oogen diep in mijn oogen....
—Zeg dan, vader, herhaalde Charis; waarom huwen wij niet?
Om Menedemus stonden de wondermeesters, de broeders, de neven. En zij fluisterden meêwaardig onder elkaâr en ik hoorde Menedemus tot de wondermeesters zeggen:
—Wanneer onttoovert ge mijn dochter dan eindelijk, dat zij ziet, dat zij verliefde op een ezel, verloofd is met een ezel?
En de wondermeesters schudden bedenkelijk met de hoofden en de Frygische mutsen. Maar Charis weende en op een teeken van de wondermeesters, die meenden, dat zij het mij hadden geleerd, liep ik, dansende, in het rond, sierlijk met goud-beslagen, rood geschilderde hoeven, zettende den een voor den ander. Toen lachte Charis weêr en de maagden dansten om mij en zij zelve danste mede.
En zij vonden mij allen een bewonderenswaardige, goed gedresseerde prachtezel, zoo tam en die geen vlieg kwaad zoû doen en vooral niet zijn lieve bruid Charis, maar aan huwelijk was niet te denken! En daarom was ik zelve ook vaak wanhopig, wanneer ik dacht aan mijn betoovering, aan mijn herschepping en tevens overpeinsde, dat, zoodra ik herschapen in een man en onttooverd zoû zijn, ik niet meer dan een handelsreiziger zijn zoû, Charis niet evenboortig, als hare neven waren, zoo dat mijn zalig geluk gedaan zoû zijn! O, hoe lang zoû het nog duren! Nog nooit had ik zoo lief gehad, zoo innig, zoo teeder en zoo geduldig. Ezel, voelde ik mij bijna gelukkig, als ik nog nimmer geweest was.
Dien middag, dat Charis sliep, door de maagden in slaap gezongen onder een dicht rozen-begroeid traliewerk—de witte rozen hingen, de traliën langs, langs haar heen—zag ik haar, van uit de weide, met liefde, geluk en weemoed aan. Zomerzonneschijn golfde omlaag. En toen dwaalde ik verder tusschen de vijverplassen, die blonken en blikkerden goud en blauw, overbloeid met de ontlokene bloemen. Ennaderde het altaar van Venus-Afrodite tusschen het roode-rozenbosch. De godin rees marmer en wonderschoon achter haar altaar in de purperen schaduw. Het boschje zoemde vol van verliefde vliegjes, die dansten. De duiven, die er nestelden, klapwiekten er uit op en zilverden over de stralende lucht. En ik boog de voorpooten; ik knielde neêr. En ik bad:
—Heilige godin, bad ik. Wees mijn toeverlaat, wees onze toeverlaat! Help ons! Charis, betooverd, heeft in mijn ezelvorm lief Charmides, dien zij zàg, een, twee seconden naast haar draagstoel, op den heirweg, bij de poort van Hypata. Groote godin, help ons! Niet alleen zilverasters kunnen mij helpen! Misschien helpen uw roode rozen mij beter!
En, ezel, lag ik geknield voor de godin. En wat ik Charis nooit had durven doen, deed ik de godin: ik kuste met mijn ezelsnoet haar den marmeren voet. Ik brak teeder met mijn tanden enkele harer rozen af en legde de bloemen op haar altaar, opdat zij in meerderen geur van vereering zouden uit bloeien aan haar voet....
En ik dwaalde terug. Er was het blijde feest, als er iederen middag was met mijn bruid; er was het uitgezochte maal en de dans en de muziek....
—Vader, waarom huwen wij niet...? hoorde ik wederom Charis vragen.
Maar mijne dienslaven geleidden mij terug tot het pavillioen. Uit vertrouwen en zorgeloosheid lieten zij den laatsten tijd de deur open. Zij waren zoo gewend in mij te zien een wonderlijk tammen, goed gedresseerden ezel, een ezel, die menschelijk at en aan lag, een ezel, die speelde met hunne jonge meesteres, een ezel, die zich nooit onvoegzaamgedroeg, die als een mensch zijn pavillioen bewoonde. Zij lieten mij doen als ik wilde....
De nacht was zwoel, of onweêr dreigde. Ik kon niet slapen, op mijn weelderige kussens. Ik legde mij op het koele vloermozaïek, mijn ezelebruin vol mensche- en mannegedacht. Ik stond weêr op en trad uit het pavillioen. Ik dwaalde over de weide. Ik zag naar den hemel. In der daad, zware wolken dreven aan uit het Noord-Westen.... Zij ontrolden, naderende, als een dikke rook.... Zij bedekten geheel den hemel.... Plotseling...! Plotseling zag ik in de rollende wolken menschengezichten....
Heksen? Gedrochten? Helsche wezens? Ik verborg mij in het dichtste struikgewas onder zwarte steeneikenbladeren. Ik zag toe, ik luisterde toe....
Drukkend, maar anders dan van naderend onweêr, rolden de wolken nader.... Overdekten nu geheel de lucht boven het landhuis.... Waren als éen wolkende nacht over de weiden.... Van nachtkim tot nachtkim.... En omsloten met de bergen weiden en woning als in een knellenden, vijandigen cirkel....
Ik hoorde stemmen.... De stemmen, zij sisten en suizelden als met slangegeschuifel, daar boven, in de dichter broeiende wolken.... En het was als een onweêr, hoewel het geen onweêr was. Zeker zouden de bewoners van het landhuis denken aan onweêr. Maar ik, ik wist reeds genoeg van de onheilige dingen van Thessalië om te weten, dat dit geen onweêr was.... Ik spiedde uit, uit mijn schuilhoek. En plotseling verduidelijkten zich hel in felle sulfergloren, die als weêrlicht schenen, de tronies der aangezweefde, demonische schepselen, bleek, grijnzend, dreigend. En door het schuifelen en suizen en sissen heen, verstond ik dewoorden, die weêrklonken van uit de rollende wolk, die woelde boven de wereld....
—Zeg ons, heer, uw wil! Zeg ons, machtige Chersonezus, uw machtigen wil...! Gehoorzaam zullen wij uw wil volvoeren, wij geesten van de lucht....
—Wij geesten van het water...!
—Wij, van het vuur...!
—Wij, van de aarde...!
—Wij, àllen, elementen, waar over gij heerscht, o machtige Chersonezus! Zeg ons uw wil!!
En het donderde en het weêrlichtte, of was het enkel het rollen der wolken en dringen der dreigende geesten en de sulfergloor van hun atmosfeer, die telkens hel op vlamde tusschen de dichter en dichter aankrullende dampen? Maar een vreeslijke stem, machtig, weêrklonk....
—Heilige goden van Eleuzis! bad ik. Bewaar wie mij dierbaar is!!
....—Heft gehéel dat verdoemde huis in de lucht, als ware het niet meer dan een pluim, die op waait in den wind. En stort het dan neêr op de aarde! Vernietigt het, verdelgt het met aardbeving en stormgeweld en met vlammen! En doet tusschen die verdelgingen Charis alleen behouden blijven, zoo dat zij tusschen de puinhoopen aan mij is en ik haar ontvoer door de luchten!
Een vreeslijk warrelen en woelen begon. Bijna had ik luide gebalkt van ontzetting. Ik balkte echter niet en onder de zwarte schaduwen en tusschen struikgewas en struweel, sloop ik terug. Ik glipte over de padden, die angstiglijk brulden. Ik struikelde over de slangen. Ik wist niet of zij dieren waren, gunstig aan Chersonesus of ongunstig. Over de weide sloop ik onder het razender en razender rumoer inde luchten, sloop ik, staart tusschen de pooten, glipte ik tusschen de waaiende halmen....
—Goden van Eleuzis! Doet mij onzichtbaar zijn!
.... Sloop ik terug en bereikte het landhuis.... Boven mij scheen de storm al zijn geweld in éen woesten draaikolk samen te mengen als een heks haar brouwsel hadde gemengd in een immensen, zwarten ketel. Lichtende vlerken waren niet meer dan schichtende bliksemflitsen.... Ik naderde de zuilenrijke portieken, die angstig opblankten, telkens, dat de bleeke gloren op gloeiden.... Ik rende nu de portieken door, ik rende tot voor het raam van Charis’ eigene kamer.
Niemand bewoog in huis? Sliepen zij allen, trots het vreeslijk geweld, rond kolkende om in de nacht boven het huis, of waren zij reeds, vóor hunne verdelging, betooverd? Niemand bewoog. Maar voor het raam van Charis hield ik stand....
—Hi-ha! balkte ik.
Niemand antwoordde en mijn gebalk verloor zich in den rond donderenden storm.
—Ha-hi! balkte ik, als ik het kon, Charis’ aangebeden naam. Ha-hi!
Ik stiet met mijn snoet tegen de luiken.
—Ha-hi!! balkte ik steeds en van overspanning, eindelijk, balkte ik:
—Cha-i! Cha-is! Chà-ris!!!
De luiken werden ge-opend. Charis, het blonde haar los om de schouders, verscheen, zóo blond, zoo blank in haar blanke gewaad....
—Charmides! kreet zij. Mijn lieveling! Wat is er!? De storm barst los! En ik ben bang, ik ben bàng! Hoor dien ronden donder draaien en rommelen blijven boven het huis! Zie de felle lichten! Charmides, o bescherm mij! Iedereenslaapt in diepsten slaap! Mijn vader, mijn broeders, mijn neven, de maagden, de slaven! Charmides, het aardbeeft! Vader! Broeders! Neven! Is dood dan iedereen al!?
—Charis! balkte ik....
....En in mijn overspanning spràk ik en riep, wijd mijn bek open naar Charis:
—Be...stij...g... mijn... rr...ug!!
Charis begreep; zij slaakte een gil, bijna van vreugde: zij klom op de raampost; vlàk tegen den muur hield ik mij gedrukt; zij wierp zich op mij....
—Sla... om... mijn... nek... je armen!
Zij sloeg hare armen om mijn nek. En ik holde voort, de portieken door.... Het aardbeefde, het aardbeefde vreeslijk.... En ik holde voort ter zij van het huis, maar het scheen te trillen, en te bewegen.... Ik holde voort, op het gevoel af, want het was inkt-donker om ons, een duisternis, die alleen de sulfergloren bleek op lichtten, telkens.
Dan vergewiste ik mij, dat ik goed draafde, over de weilanden, tusschen de vijvers, naar de heiningen. Mijn draf scheen niet te worden bespeurd, door de helsche geesten, die al hunne machten samen stuwden boven het huis. Eens dat hunne bliksems flitsten, zag ik om.... En ik zag, o verschrikking, het geheele huis met zijne portieken, die wankelden, in de lucht zich verheffen, als in een vreemd vizioen, maar dat waarheid was: ik zag het prachtige landhuis sidderen op zijne grondvesten tusschen de wolken, waarin het gelicht werd en die het als een zwart stormende zee omdrongen; ik zag het toen storten in éen, met brokkelende zuilen, die even nog op glansden in de gloren der helsche flitsen, ik zag het toen vernietigd, een wrak gelijk, uit-een drijven op den steeds kronkelenden damp...
Bij het einde der weilanden, op de zelfde plek, waar Charis mij had binnen geleid, sprong ik over de heining, draafde ik langs de rivier, even slechts te raden met huiverig bleeken afglans, draafde ik, draafde ik voort, Charis steeds liggende over mijn rug, hare armen vast om mijn nek. Hoe lang ik draafde? Ik weet het niet! Waarheen ik draafde? Ik wist het niet. Ik draafde slechts, draafde slechts: ik draafde denkelijk de geheele nacht. Somber bleef de nacht maar de storm, de duivelsche storm, had alleen zijn kring getrokken rondom het domein van Menedemus, en wij waren dien tooverban uit.
—Goden van Eleuzis! bad ik telkens. Goden van Eleuzis! Behoedt ons allen!
En in de donkere nacht draafde een onzichtbaar grauwe ezel met de witte vlak van een blonde maagd op zijn rug voort, langs de bleeke rivier, onder de wind-doorzwiepte boomen. Tot ik, uitgeput, omzag, stil hield.... Achter ons verdiepte de nacht, voor ons schemerde door de vale sluiers het allereerste dagebegin. Een wand van rotsen piekte voor ons op.... Maar ik had Charis gered!
Zij gleed van mijn rug op het mos, half bezwijmd.... Zij strekte de armen nog naar mij uit.... Ik viel voor haar neêr, ik wilde haar omhelzen, haar drukken aan mijn hart.
Maar ik herinnerde mij dadelijk na, dat ik een ezel was... En ik bleef op mijn voorpooten geknield, aanbad mijn geliefde en wilde haar roepen bij haar zoeten naam....
Maar verloren had ik mijn menschestem, die mij uit wanhoop éen oogenblik scheen terug geschonken en ik balkte slechts rauw mijn ruigen ezelskreet....
Die tegen de rotsen, weêrechoënd, brak....
XIV.De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en zij riep, angstig:—Mijn lief, waar zijn wij?Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij:—Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?En zij sloeg de armen om mijn nek.—Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar depalm, maar ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar werk, terwijl ik de grashalmen graasde....—Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en samen, alleenmet mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand:—Zet je dan weêr op mijn rug...Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis den rotsberg om, langzaam....Honger had ik niet, daar ik grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr:—Charmides.... Ik heb honger!Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs Charis’ naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten, honderden, om ons heen....Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér gelegd in het vliegjes-doorzoemdelommer, waar ik, in het mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag, wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis’ slaap en ik waakte, wekte de wanhoop op nieuw zich in mij.Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus’ dochter, gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû, toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere hout—vermoedelijk om niet langs den heirwegte gaan—maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde:—Deze nacht dus?—Ja,beaâmdewie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus....—Het omsingelen...?—Ja en zijn dochter schaken....In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat Menedemus’ landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een hun gunstig noodlot Menedemus’ dochter op hun weg had gevoerd! Ik begreep, dat geen tijd te verliezen was....—Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de rivier terug.De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven weg draafde met eenblanke, blonde maagd over zijn rug, hare armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af gegleden was, op beurende, riep:—Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde!Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op mijn hoeven.—Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!—Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.De roovers wisten het niet.—In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten, mochten wij Menedemus’ dochter heden avond niet kunnen ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, maar luid snikkende:—Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!—Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo gauw niet worden!En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen...Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel.
De morgen straalde. Ik zag om mij rond. De rivier aan den rand van het woud en den weg, overschaduwd door takken en blâren.... Maar dan, ter zijde, het rotsgebergte. Het was piek bij piek, die uit stak; hoogere en lagere rotsen stonden verwonderlijk recht de lucht in, als met een leger van bijna regelmatige pieken; zij schenen als menschelijke monumenten te rijzen, als een stad van steen, als een massa van vreemde torens, maar zij waren enkel het werk der natuur; zij staken hunne hemelhooge monoliethen, hun steile, gladde gevaarten met ontzaglijke kegels op in de blauwste lucht; sommigen schenen wel naalden zoo scherp in de verte en verschemerden in het rozige lichtwaas. Twee arenden vlogen er over heen....
Toen boog ik mijn kop naar Charis. Zij sloeg juist de oogen op en zij riep, angstig:
—Mijn lief, waar zijn wij?
Ik wist niet hoe haar te antwoorden, bang haar met mijn rauw gebalk te verschrikken. Maar zich richtende op de knieën, herhaalde zij:
—Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?
En zij sloeg de armen om mijn nek.
—Zoo lang heb je gedraafd, zoo ver heb je mij gevoerd, weg van mijn vader en van mijn verwanten en mijn maagden zijn niet om mij heen! Mijn lief, mijn lief, waar zijn wij?
Ik kuste haar met mijn snoet de hand, ik likte haar depalm, maar ik wist niet haar te antwoorden. En zij rees plotseling op. Zij zag zich in haar witte kleed, met hare lange, blonde haren los, zonder mantel of gordel of sluier en zij begon luide te schreien en riep, dat zij wilde naar huis. Bedenkende hoe ik haar troosten kon, plukte ik gele en blanke veldbloemen met mijn tanden af en wierp ze op om haar heen. Zij lachte als een kind, zette zich neuriënde en begon de bloemen te vlechten en ons met de bladeren te versieren. Ik draafde om en om, om haar te vermaken en den krans, dien zij gevlochten had, zette zij mij om de lange ooren heen, die zij zoo gaarne heen en weêr zag bewegen. Dan scheurde de krans en viel af en zij hervatte haar werk, terwijl ik de grashalmen graasde....
—Ik heb honger! riep zij op eens, als een kind.
Wanhopig zag ik rond. Waar heen zoû ik Charis voeren? Dit eenzame woud, dat wij waren uitgedwaald in de nacht; deze stroom, dien ik niet wist of hij de Sperchius was en waar langs ik niet wist wàar te geraken en dan die vreemde rotsenmassa, die zonderlinge natuurspeling van dat oppiekende, -piekende rotsgebergte, dat, nu klaarder het licht werd, scheen te rijzen, eindeloos te rijzen, dat scheen te pieken, op te pieken tot den verren horizon toe.... En zoo ik ook iets nog geweten hadde van woud en stroom en rots, wat zou ik ook hebben kunnen aanvangen met een teêre, onnoozele en betooverde jonkvrouw, gewoon aan de liefdevolste en te gelijker tijd weelderigste zorgen, gewoon aan rijke kleederen, aan kostbaar huisraad, aan uitgezocht voedsel en steeds omringd door een schaar dienaressen, die haar omzongen, omdansten, elk van haar wedijverend met Charis in schoonheid? Hier ving ik den nieuwen dag en het nieuwe leven aan, bemind en minnende en samen, alleenmet mijn bruid, zonder iets voor haar te kunnen doen, dan haar te dragen op mijn rug! O, hoe wanhopig zwol op eenmaal in mij het late berouw, dat ik, onbezonnen, omdat ik beminde, mij niet als eveneens betooverd had bekend willen maken, door met mijn poot een paar letters in het zand te schrijven, zoo dat de wondermeesters mij zilverasters hadden kunnen zoeken en ik op nieuw weêr mensch en man ware geworden. Dàn ware ik weg gejaagd, ik koopmanszoon, wien Menedemus nooit zijn dochter van vorstelijke geboorte als vrouw zoû willen afstaan, maar dan hadde ik beschikking gehad over onmisbare, menschelijke hoedanigheden; dan hadde ik misschien, wie weet, zoo niet op mijn rug, Charis geschaakt in mijn armen, dan ware ik met haar gevlucht en hadden wij ons geluk ergens in stille zaligheid kunnen verbergen, terwijl nu...! Wat ving ik met mijn geliefde aan!? Zij was wederom in schreien en snikken uitgebarsten; zij liep handen wringende om; zij wilde niet meer met de bloemen spelen.... Ik deed haar de vlinders op letten, die fladderden om ons rond, maar zij lette de vlinders niet op, de goudvisschen, die snel schoten den stroom af als zonneflikkeringen, maar zij lette de visschen niet op en zij klaagde, de armen om mijn hals en smeekte mij haar terug te voeren naar huis. Zoo dat ik, met mijn goud-beslagen hoef schreef in het zand:
—Zet je dan weêr op mijn rug...
Zij lachte door hare tranen en klapte in de handen, om dadelijk meêwarig te klagen, dat ik mijn stem in den oorlog verloren had! Maar zij juichte, dat ik nu schreef en zij wierp zich op mijn rug en zat tevreden, half liggende, hare armen om mijn nek. Bekranst en versierd wij beiden met bloemen en blârenfestoen, liep ik met Charis den rotsberg om, langzaam....Honger had ik niet, daar ik grazen kon en geen wijn en pastei behoefde, maar Charis klaagde op eens weêr:
—Charmides.... Ik heb honger!
Ik wist wel, zij léed nog geen honger, maar toch zwol de wanhoop weêr in mij op.... Waar vond ik voedsel voor mijn bruid...? Tot ik plotseling, opener het woud en de zon gestegen, een vruchten dragenden appeleboomgaard bespeurde en ik blijde het zette op een draf. Charis, van pleizier, juichte op en in den stralenden zomermorgen liep daar een ezel, met een schoone maagd op zijn rug, beiden vertuit met bloemen en blâren als voor een herdersfeest, den rood doorappelden bongerd te moet.... En tusschen de boomen doolde ik met Charis langzaam voort en zij plukte de appelen, die laag hingen en ik at de appelen, die, overrijp, waren gevallen over den grond in gras en madelieven en mos. En een oogenblik gevoelde ik, dat wij beiden zalig gelukkig waren. De morgen, de zon, het gras, de appelen, onze kransen, wij beiden te zamen alleen, terwijl alleen de vogelen om ons twetterden, de vlinders in liefde fladderden, de mugjes als genstertjes schitterden: meér was er niet, maar dit oogenblik was dat alles genoeg van geluk voor de beide betooverden, voor Charis, die verliefd op haar ezel was, voor Charmides, den verliefden ezel, op wien Charis verliefd was geworden. En ik dwaalde met Charis den bongerd door, ik steigerde speelsch of sloeg met de achterpooten uit, ik balkte zelfs Charis’ naam, zoo als ik het kon en de roode appelen lokten, honderden, om ons heen....
Zoo gingen de uren voorbij en vergaten wij beiden, dat wij geen toekomst voor ons zagen, en had Charis haar honger gestild, en haar dorst gelescht aan een beek en toen, van ons spel moede, zich neér gelegd in het vliegjes-doorzoemdelommer, waar ik, in het mos gelegerd, had gewaakt over haar sluimering. Maar nu, in de middagstilte, begon de zorg, op nieuw in mij gewekt, om te zien naar een uitkomst. Ik spiedde uit links en rechts en speurde geen menschelijk wezen. Als een witte oven gloeide het piekende rotsgebergte door de appelboomen heen en vertrilde tegen de stralende zomerlucht... Wat zoû die verdere dag, wat zoû die nacht ons brengen? Hoe geheimvol onbekend was ons de naaste seconde! Hoe zoû ik verder Charis kunnen behoeden, ik, een ezel op mijn gouden hoefijzers, voor wilde beesten en saters, voor heksen, voor alles wat de geheimnisvolle nacht met zich meê voert en hoè voor honger, ellende, armoede! Alleen met mijn bruid in het woud, had ik éen oogenblik kunnen vergeten, tusschen bloem en spel en ooft, dat wij beiden betooverd waren en aan zware levensbeproeving bloot gegeven, nu de middagstilte suisde om Charis’ slaap en ik waakte, wekte de wanhoop op nieuw zich in mij.
Tot ik meende tusschen de bladeren geritsel te hooren. Ik spiedde uit en werkelijk zag ik mannen sluipen.... Zoû ik balken, zoû ik mij bekend maken als Charmides, de betooverde zoon van Lyzias van Epidaurus, die met Charis, Menedemus’ dochter, gevlucht was, van het instortende landhuis weg? Bijna meende ik, dat dit het verstandigst zijn zoû, toen ik begreep aan der mannen uitzicht, dat zij roovers waren! Ja, zij waren roovers; geen armoedige, barre, weêrzin en afgrijzen wekkende wilde-mannen des wouds, als mij hadden gestolen uit de houthakkershut, maar wel twintig, dertig groote, sterke, gewapende roovers in korte mantels gehuld en met groote hoeden op.... Zij slopen wel tusschen het lagere hout—vermoedelijk om niet langs den heirwegte gaan—maar zij praatten toch en lachten zelfs onder elkaâr, als of zij hier thuis en bekend waren. Zekerlijk was deze afgelegen, prachtig gekweekte appelebongerd, die wij geplunderd hadden, hun eigendom! Toch, roovers, zoo ik bekend mij maakte, zouden misschien mij zilverasters kunnen zoeken en ik zoû voor losprijs mijzelven weêr worden.... Roovers zouden voor losprijs Charis vrij zeker laten.... Bliksemsnel bedacht ik dit alles, tevens beducht of zij ruw geweld mijn aangebeden bruid zouden kunnen doen.... Tot ik hunne woorden hoorde:
—Deze nacht dus?
—Ja,beaâmdewie hun hoofdman scheen. Het landhuis van Menedemus....
—Het omsingelen...?
—Ja en zijn dochter schaken....
In ontzetting was ik opgerezen. Ik begreep, dat zij niet wisten, dat Menedemus’ landhuis was behekst geworden, in de lucht geheven, vernietigd! Ik begreep, dat zoo zij het op Charis voorzien hadden, een hun gunstig noodlot Menedemus’ dochter op hun weg had gevoerd! Ik begreep, dat geen tijd te verliezen was....
—Cha-i! stiet ik mijn bruid aan met mijn trillenden snoet.
Zij ontwaakte, wilde mij omhelzen, maar dadelijk beduidde ik haar, door te knielen, dat zij op zoû stijgen. En zij steeg op. En juist toen de roovers in den bongerd verschenen, draafde ik weg, naar de rivier terug.
De mannen bleven bevangen staan. Het moest ook dien ruwe klanten als een tooverbeeld, niet eigen der werkelijkheid, gelijken, hoe daar een prachtige, zilver gevachte ezel, op glinsterend beslagen, roode hoeven weg draafde met eenblanke, blonde maagd over zijn rug, hare armen om zijn nek en beiden versierd met bloemen en bladerfestoenen, die nu af van hen vielen. Zij moesten wel denken aan een nymf uit het woud, aan een goddelijk wezen, een onwaarschijnlijken ezel berijdend, in het stralendste zonnelicht, tusschen de gelooverde en be-appelde schaduwvallen, dravende naar de rivier, waar zij zeker in een mist aan hun oog zouden worden onttrokken! En ik draafde door.... Maar de mannen, wat ook hunne verbijstering hun had voor gegoocheld, waren ons reeds met wijde passen achtervolgd.... Ons inhalen zouden zij zeker niet, was ik mij overtuigd, terwijl ik hupte over steenen en boomtakken en Charis juichte om den rit, niet wetende welk gevaar dreigde. Tot plotseling, tusschen de rivier en ons, andere mannen op doken, komende van den tegenovergestelden kant. Zij riepen elkander toe: de eersten riepen den anderen toe, dat zij zich zouden verspreiden en ons tegen houden. En in der daad, zij verspreidden zich in een wijden cirkel, te zamen zeker een veertigtal roovers. Te vergeefs trachtte ik hier tusschen hen weg te komen, trachtte ik daàr tusschen hen te ontvluchten: zij sloten dichter hun cirkel en ik zag geen uitgang meer en zij grepen mij aan snoet, aan staart, aan manen. Ik steigerde, ik sloeg met de achterpooten uit, ik poogde hen, woedend, te bijten: wat kan éen ezel tegen veertig Thessalische roovers! Luide hoorde ik Charis van ontzetting jammeren, maar er was niets aan te doen: de mannen omringden ons en de hoofdman Charis, die van mijn rug af gegleden was, op beurende, riep:
—Schoone jonkvrouw, die op uw ezel vluchtte, gij zijt aan ons en de kostbaarste buit, dien Hermes-Mercurius, onze god, ons ooit gunde!
Ik had geen tijd mij te verbazen, dat roovers den zelfden god vereeren als eerlijke kooplieden in parels en purper: trillende stond ik op mijn hoeven.
—Een sterke, mooie ezel! prezen de roovers, mij slaande vol hartelijkheid op de schoft. Een dappere ezel! Een flinke ezel! En een edele, wonderschoone maagd, die hem berijdt!
—Wie zoû zij zijn? vroeg de hoofdman.
De roovers wisten het niet.
—In alle gevallen een aanzienlijke maagd, die ons zal troosten, mochten wij Menedemus’ dochter heden avond niet kunnen ontvoeren, zei de hoofdman. Jonkvrouw, berijd weêr uw ezel. Schrei niet en jammer niet meer: wij wenschen geen kwaad u te doen.
En hij dwong Charis mijn rug wederom te bestijgen en zij zette zich, maar luid snikkende:
—Mijn bruidegom! Mijn Charmides, red mij!!
—Ver is uw bruidegom, meende de hoofdman; en zijn vrouw zult ge zoo gauw niet worden!
En zij voerden ons terug, door den appelebongerd: er was niets te doen dan voort, met mijn bedroefden last, tusschen hen mede te stappen...
Toen, omdat ik Charis noch redden, noch zelfs te troosten wist, balkte ik wanhopiglijk luid uit naar den stralenden zomerhemel.
XV.Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:—Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt.Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,—het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op—dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd,geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerdenmeanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de Zuidzijde—een dier voelt dadelijk windstreek en richting—; door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den mantel, die haar geblinddoekt hield.—Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen.—Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie zijt gij?—Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata...—De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit.—De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.—Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers.—Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de anderen.—En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij is mijn verloofde....En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat zij zeide.—Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmidesen is de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont?De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit.—Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen?En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen zeide Dionyzius:—Haar geest doolt....—Zij is waanzinnig, zei Manes.—Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.—Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen boomgaard de appels?—Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?En zij begon hevig te snikken.Ik balkte zacht.—Cha-i....!—Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!De roovers raadpleegden elkaâr.—Charis, Menedemus’ dochter....?—Een aardbeving....?—Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!—Wij geen van allen....—Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt ge alleén blijven, Charis?—Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem hem mij niet af!!En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.—Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides.Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke richtingen wij namen, links en rechts enwederom rechts en links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:—Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben van uw vader....In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....—Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw gevachte leden.En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om in ezelstal te worden herschapen.Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal.Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.—En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer beschikking. Zij spreken niet en zij hoorenniet want zijn doofstom, maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen, borstelen en voeder brengen.De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden, verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:—Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er zeker in deze bergspelonken geen tuinenzouden zijn aangelegd. Maar de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden, die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden er hunne platte bladeren over heen....De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen mijn roerloos ezellijf.Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende, platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde, opende wijd debloem en straalde blank in het maanlicht en ik was bekoord door die schoonheid....Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste te gaan.Van de roovers zagen wij die nacht niets meer....
Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:
—Jonkvrouw, schrei nu niet langer. En duld, dat ik mijn mantel u over het gezicht sla, want ge moogt niet zien, waar wij u brengen. Vrees echter niets, geen kwaad zal u geschieden en ik wensch alleen losgeld van uw ouders of verwanten te ontvangen; zoo dra ge ons de noodige inlichtingen hebt gegeven, zullen wij ons in verbinding met hen stellen en wil ik hopen, dat ge spoedig, met uw ezel, weêr vrij zijt.
Zijn toon was zoo hoffelijk, dat werkelijk Charis haar jammeren staakte en duldde, dat hij zijn mantel haar over het gezicht wierp. Onderwijl lette ik alles goed op en had ik ook eén oogenblik gedacht mij aan de roovers bekend te maken, ik zoû nu wel oppassen dat te doen; een ezel blinddoekten zij niet, als zij een man hadden gedaan, een ezel lieten zij vrij rond blikken en op letten.... En ik lette op, terwijl wij langs den heeten wand van het gebergte trokken,—het stond soms als met kalkwitte, brokkelige tafelen op—dat deze roovers, die ons hadden overmeesterd,geen ruwe wilde-mannen waren, maar sommigen eer mannen van zeker aanzien: er schenen meesters en dienaren onder te zijn; de hoofdman zelve, dien zijne makkers Dionyzius noemden, was een kloek gebouwde, jonge man, trotsch en gebiedend, maar beleefd tegen over zijne gevangene en geen onvertogen woord voegde eén van hen Charis tegen; reeds gelatener lachte zij in de mantelplooien, die Dionyzius, bijna schertsende, om haar heen trok. Maar ik lette op, ik lette op... Ik bespeurde, dat zij ons plotseling leidden binnen zoo nauwe spleet van het gebergte, dat ik nauwlijks mijn goed doorvoede flanken er tusschen door kon wringen, terwijl zij Charis verzochten hare voetjes te zetten op mijn nek. Eén van hen geleidde mij aan de vlok tusschen mijn ooren den nauwen bergspleet in; Dionyzius volgde, al de andere mannen volgden een voor een. Als ik poogde om te gluren, zag ik, in het schemerlicht, dat viel van den dag, boven, tusschen de hooge muren, die zij wel tevreden waren en schertsten met elkaâr, zag ik hunne knappe avonturiersgezichten beter onder de randen der zorgeloos achter op gezette hoeden, zag ik hunne kostbare wapenen flikkeren tusschen hunne losser omgehangene mantels: hunne zwaarden en dolken waren bezet met gesteente... Eén achter hen trof mij door zijn donker, somber uiterlijk; hij was zoo groot als Dionyzius, zware brauwen overschaduwden zijn geknepen, koolzwarte oogen; zijne makkers noemden hem Manes. Hoe lang wij de kronkelende gang van den spleet volgden, kon ik echter niet beseffen, toen ik mij plots bewust werd, liever raadde door iets van mijn diere-instinct, dat zich naast mijn menscheverstand had ontwikkeld, hoe de roovers telkens op hunne passen terug kwamen langs dien linte-achtig door eén geslingerdenmeanderweg en misschien de ingang van den bergflank wel vlak bij de zaal moest zijn, die zij ons binnen voerden.. Die zaal ontving door lange, smalle, onregelmatige spleten bundels van zonnestralen aan de Zuidzijde—een dier voelt dadelijk windstreek en richting—; door andere van die spleten blauwde de zomerlucht en het licht poeierde zoo helder binnen, dat ik dadelijk alles onderscheidde, terwijl klaarblijkelijk van buiten die ramen zich zouden verliezen met de tallooze groeven van het gebergte en tevens onbereikbaar zouden zijn voor den stoutmoedigsten beklimmer. En Dionyzius ontdeed Charis van den mantel, die haar geblinddoekt hield.
—Waar ben ik? vroeg zij angstig, terwijl hij haar hielp af stijgen.
—Bij mij, glimlachte Dionyzius. En zeg mij nu, jonkvrouw, wie zijt gij?
—Ik ben, zeide argeloos Charis; Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata...
—De dochter van Menedemus!! riep hoogst verwonderd Dionyzius uit.
—De dochter van Menedemus! riepen de andere roovers.
—Die ik schaken wilde! fluisterde Dionyzius tot zijn makkers.
—Die wij schaken wilden, om hooge losprijs te winnen! riepen de anderen.
—En, wees Charis, naast mij staande en met haar arm leunende over mijn nek: dit is Charmides, de zoon van Lyzias, uit Epidaurus en hij is mijn verloofde....
En glimlachende wees zij naar mij en de roovers ontzetten van wat zij zeide.
—Die ezel? vroeg Dionyzius. Die ezel heet Charmidesen is de zoon van een anderen ezel, die Lyzias heet en in Epidaurus woont?
De roovers, door hunne verbazing, barstten in bulderenden lach uit.
—Charmides, o edele heeren, zei Charis argeloos en tevens zoo als spreekt een maagd van aanzien; is geen ezel. Hij is een held, die uit den oorlog terug kwam, gewond en die zijn spraak bijna geheel verloor, hoewel hij mijn naam uitspreekt zoo teeder als zelfs mijn vader het niet vermag! Hij is mijn verloofde, wij vierden onze verloving met blijde pracht en prachtig is hij ook zelve nu hij genezen is en alleen nog niet geheel en al zijn spraak terug won; hij is prachtig in zijn nieuwe gedaante, die gij ten onrechte aan zaagt voor die van een ezel; waar zaagt ge ooit, o heeren, wie ook met zulk een glanzende, zilverachtige vacht, met zulke fijne, sterke beenen, met zoo een aanbiddelijken, lieven, vochten snoet, met zulke mij dierbare, beweeglijke ooren en met zulke blauwe oogen, met zulke blauwe oogen?
En zij wees mij steeds en de roovers rondom stonden ontzet. Toen zeide Dionyzius:
—Haar geest doolt....
—Zij is waanzinnig, zei Manes.
—Zij is waanzinnig, herhaalden alle de anderen.
—Zeg mij, o Charis, vroeg Dionyzius; waarom dwaaldet ge ver van uw vaders huis door deze streken, die iedereen vreest en at ge in onzen boomgaard de appels?
—Het huis van mijn vader stortte in, er was hevige aardbeving en Charmides redde mij. O, mijn vader, o mijn broeders en neven, waar zijt gij, waar zijt gij? Dood of gered!?
En zij begon hevig te snikken.
Ik balkte zacht.
—Cha-i....!
—Ja, Charmides! riep Charis, hartstochtelijk hare armen slaande om mijn nek. Alleen jij, mijn bruidegom, bleef mij over!
De roovers raadpleegden elkaâr.
—Charis, Menedemus’ dochter....?
—Een aardbeving....?
—Ik heb er niets van gemerkt in deze streken!
—Wij geen van allen....
—Charis, zeide Dionyzius met zekeren eerbied. Vergeef ons, dat wij uw bruidegom aanzagen voor een ezel. Ik zie, dat ik mij nu vergis. Uw bruidegom is een held, al is zijn vorm ook niet gewoon menschelijk. Wilt ge, dat wij hem bij u laten en hij uw gevangenschap deelt of wilt ge alleén blijven, Charis?
—Neen, neen, neen! riep Charis angstig. Neem hem mij niet af! Neem hem mij niet af!!
En zij klampte zich angstig om mijn ezelnek.
—Wij zullen u uw bruidegom laten, verzekerde Dionyzius. Tot wij van Menedemus losgeld hebben ontvangen. In afwachting daarvan zal het u aan niets ontbreken. Kom meê, kom meê, met Charmides.
Ik liet het mij geen tweemaal zeggen. Ik vergezelde dadelijk mijn bruid en ik verwonderde mij al gaande over dit wonderlijke rooversverblijf. De zaal uit, een lange, vreemd kronkelende gang door, doolhof, gelijk aan het Labyrinth, waar Thezeus door Ariadne geleid werd om den Minotaurus te verslaan, gingen wij links, rechts, Charis wederom geblinddoekt en ik verloren in te-vergeefsche bespieding welke richtingen wij namen, links en rechts enwederom rechts en links.... Tot ik niet meer wist en mijn ezelkop mismoedig schudde.
Eindelijk voerden de roovers ons een ronde zaal binnen, die, even als de vorige, in den berg gehouwen scheen, gewelfd, met de lange raamspleten in de hoogte onbereikbaar en ondoordringbaar, zoo wel van binnen als van buiten en Dionyzius zeide, Charis onthullend:
—Zie, Charis, dit is het verblijf voor hooge, gevangen gasten en hier zult ge met Charmides blijven tot wij gunstig bericht hebben van uw vader....
In het midden der zaal was een breede rustbank van beren- en lynxevellen: er waren tafels en schabellen; in een kast stond tafelgerei, nuttig en sierlijk; in staande bronzen lampen zouden des avonds pitten kunnen worden ontstoken; er hingen muziekinstrumenten aan den blanken rotswand, er stonden boekrollen in bronzen kokers; rijke stoffen plooiden met een weelderigheid van kleur hier en daar....
—Hier, ging onze gastheer voort en wees door een open deurboog van rotssteen; kan uw edele bruidegom huisvesten. Wij zullen een stroobed bereiden, hem wellicht welgevallig aan zijne zilvergrauw gevachte leden.
En hij wees een soort van bergruimte, werkelijk allergeschiktst om in ezelstal te worden herschapen.
Charis zag wederom glimlachend in het rond. Maar de beminnelijke rooverhoofdman klopte met een bronzen klopper op een bronzen schaal.
Uit een andere boogdeur, van achter de kleurrijke stoffen, kwamen drie oude, zwarte vrouwen te voorschijn.
—En hier, Charis, ging Dionyzius voort; zijn drie dienaressen te uwer beschikking. Zij spreken niet en zij hoorenniet want zijn doofstom, maar zij zullen u kleederen brengen en voedsel en twee doofstomme eunuchen zullen de dienaars zijn van uw bruidegom en hem verzorgen, borstelen en voeder brengen.
De twee eunuchen verschenen en kregen dadelijk bevel mijn stal in orde te brengen en de oude vrouwen brachten op haars meesters aanwijzing Charis in een aangrenzend badvertrek. En terwijl zij haar baadden, verzorgden de eunuchen mij in mijn stal. Ik had echter geen honger en toen zij mij verlaten hadden, keek ik verwonderd in het rond, alles oplettende in het vreemdste rooververblijf, dat een fantazie-rijke dichter maar zich zoû kunnen droomen. En Charis, met de drie oude vrouwen kwam te voorschijn: zij was gedost in zacht gele zijden peplos; hare blonde haren waren gevlochten en opgestoken. Zij liep op mij toe en omhelsde mij en zij deed mij zitten op de rustbank van beestevellen. De vrouwen boden haar een lier en zij speelde en neuriede met hare kinderstem, te vreden en klaarblijkelijk wederom alles vergeten van de heksennacht, die ons had doen vluchten, van den vermoedelijken ondergang haars vaders en hare verwanten. De eunuchen en vrouwen dienden spijs en drank op en Charis deed mij mede eten. Noch de vrouwen noch de eunuchen verwonderden zich over iets, vermoedelijk gewend aan vorige vreemde dingen in dit vreemde rooververblijf, in deze zaal der aanzienlijke gevangen gasten. Toen stond Charis op en zij zag naar boven, naar de hooge raamspleten, waardoor poeierden goud enkele zonnestralen en pruilende riep zij:
—Ik wil naar buiten! Ik wil naar de tuinen!
Ik vreesde, dat zij hare gevangenschap zoû gaan begrijpen en dat er zeker in deze bergspelonken geen tuinenzouden zijn aangelegd. Maar de twee eunuchen wezen juist op dit oogenblik hen te volgen. En zij geleidden de jonkvrouw en haar ezel een derde boogdeur door, een witte rotsgang door en onverwachts traden wij in een opene ruimte en Charis gaf een juichkreet en ik keek verwonderd om. Het was werkelijk een groote tuin, tusschen de pieken en naalden van het gebergte, die stonden schitterende wit in de diep blauwe lucht van den nanoen als de torens van een immens, krijtblank tooverkasteel. De hooge rotswanden, die den tuin omgaven, dropen ter Noordzijde van neêr druppelende watervalletjes, sijpelend tusschen de groeven over groene en gele mossen, dicht overwoekerend het gesteent. Er bloeide een schat van bloemen overal op aan de dichte heesters, waar de roode en witte rozen gloeiden en geurden over geheel de Zuidzijde van den ingeslotenen wondertuin. En een klein meertje, een vijver, die weêrspiegelde de diep blauwe lucht, lag in het midden; enkele waterplanten spreidden er hunne platte bladeren over heen....
De avond viel: in het Westen gloeide de lucht van oranje, na het zinken der zon achter den rotswand. Een honigblonde teederheid weifelde aldaar over de lucht, terwijl de lila nacht hare ijle sluiers reeds spreidde. Toen rees de maan, terwijl wij lagen aan den rand van het meertje; Charis, geleund tegen mij aan, sluimerde, haar hoofd tegen mijn roerloos ezellijf.
Heel hel rees de maan en zij liet haar zilveren, ronde schijf neêr zinken in het rimpelloos water. En ik zag, dat tusschen de glimmende, platte bladeren der waterplanten een stengel zich als beurde en een knop ontlook. Het was een enkele lotusknop en terwijl ik staarde, opende wijd debloem en straalde blank in het maanlicht en ik was bekoord door die schoonheid....
Maar de drie doofstomme, zwarte vrouwen en de drie eunuchen verschenen aan de deur en het scheen ons toe, dat zij ons noodden ter ruste te gaan.
Van de roovers zagen wij die nacht niets meer....
XVI.Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.—Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen, een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht?Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch voorbij als de vorige. Tot tegen den avondDionyzius ons noodiging zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen, het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen, zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn, dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij, hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan schotels en kannen en bekers blauwe, gele engroene vonken ontlokten, die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook in mijn leven had mogen aanschouwen.Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis sponnen en weefden.Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden spiegelzaal—overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,—toen ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen:—Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:—Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en ons bezit!Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr.—Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.—Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen opmijn rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg.—Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius’ slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde roovers en ik holde weêr terug...Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol; een booze droom werd het vanonbestaanbaarheid. Ik holde om en om; ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het verschrikkelijk rumoer van den strijd....Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof, tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put, die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen met al mijn kracht op.—Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de mannen, die vechten!Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en daalde ik in den donker....Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile trap gehouwen!Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds krampachtig zich klemmende ommijn nek. Hoe lang die moeilijke stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg een poging en nog een poging!Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De nieuwe zon straalde uit.Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn.Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrembloeide om ons heen en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd.Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag brengen zoû.Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden betooverd waren.En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik sedert maanden gescheiden was.Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef duidelijk in de mulle aarde:—Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort van de stad en om wier liefde ik betooverd werd....
Ook den volgenden dag niet. Wij doorleefden hem samen in sprookjes-achtige rust van de dageraad tot de nacht, in de zaal en in den tuin, terwijl de eunuchen en de zwarte vrouwen het ons aan niets lieten ontbreken. De morgen daarop verscheen Dionyzius.
—Charis, zeide hij. Wij zonden boodschappers naar het buitenverblijf van uw vader. Ingestort is het niet, zoo als zij met eigen oogen zagen, een aardbeving is er in het Zuiden van Thessalië sedert jaren niet voor gekomen, maar het huis was gesloten en onbewoond en de omwonende boeren verzekerden, dat Menedemus en alle de zijnen vertrokken waren, met misbaar en wanhoop, omdat zijn dochter verdwenen was en dat zij niet wisten waar heen. Edele jonkvrouw, waar vinden wij thans Menedemus? In welke van zijn tallooze buitenverblijven? In Hypata wellicht?
Maar Charis wist niets te antwoorden en ik evenmin. Dionyzius zeide toen, dat hij geheel Thessalië zoû laten doorzoeken, tot hij Menedemus gevonden had. Intusschen begreep ik niet, dat wat ik gezien had met eigen oogen, wat ik ontvlucht was met eigen dravende beenen een begoocheling zoû geweest zijn, dat het landhuis tusschen de lotusvijvers nog altijd bestond en slechts onbewoond en gesloten zoû zijn! Maar hoewel ik steeds dacht aan het raadsel, ging de dag toch voorbij als de vorige. Tot tegen den avondDionyzius ons noodiging zond het feest bij te wonen, waartoe hij en zijne makkers hadden besloten. De doofstomme, zwarte vrouwen dosten Charis in rijkeren dos en de eunuchen geleidden ons samen door vele kronkelgangen, het inwendige van den berg door, tot wij in een zaal kwamen, zoo schitterend, dat ik verblindde. Werkelijk, ik had veel reeds in mijn jonge leven aanschouwd: het tooververblijf van Meroë, het landhuis van Menedemus, maar wat ik nu zag, was zoo fabelachtig, dat ik verblind om mij heen zag. In het rotssteen, dat als gebeeldhouwd was met Corinthische pilasters en architraven, waren groote vakken van glanzend goud als reusachtige spiegels in gevat en overal stonden tegen dien wand gouden lampen, zich vertakkende en vertwijgende en iedere twijg beurende een brandende pit, zoo dat het van vlammen wemelde en alle die vlammen weêrspiegelden zich duizenden malen in de glanzende, gouden spiegelwanden. Toen wij binnen kwamen, weêrklonk muziek van fluiten en kleine harpen en in het midden der zaal dansten Georgische danseressen.... De danseressen en de muzikanten waren allen slavinnen en slaven der roovers, begreep ik later en ik verwonderde mij wel zeer over die vreemde roovers, die in het binnenste van een wonderlijk piekgebergte leefden als prinsen, tusschen groote schatten en vorstelijke weelde en geen oogenblik schenen bevreesd te zijn, dat hun wonderkasteel ontdekt zoû worden. Zij lagen, in rijke kleedij, hunne gesteente-schitterende dolken in hun breede, zijden gordels, op bedden van tapijtwerk en aten en dronken uit het kostbaarste vaatwerk, dat ik ooit had gezien, terwijl de flakkerende vlammen der honderden lampepitten overal aan hunne juweelen op tulband en aan wapenen, aan schotels en kannen en bekers blauwe, gele engroene vonken ontlokten, die zich weder terug kaatsten in de glanzende spiegels, zoodat het tooverachtige schouwspel mij onvergelijkelijk scheen met wàt ik ook in mijn leven had mogen aanschouwen.
Zoodra wij binnen kwamen, rezen Dionyzius en de sombere Manes op; zij traden Charis te gemoet, die met mij, haar arm om mijn nek, nader trad en ook verrast en bekoord om zich heen blikte, aan hoeveel de dochter van den schatrijken Menedemus ook gewoon was. En de beide rooverhoofdmannen noodigden hoffelijk Charis uit tusschen hen beiden aan te zitten op een verhevenheid en duldden, dat ik mij vlijde aan hare voetjes. Mijn lieve bruid bevroedde niet in welk vreemd gezelschap zij zich bevond; angst koesterde zij niet, nu zij zoo hoffelijk reeds twee dagen lang bejegend werd door hare gastheeren; nadenken vermocht niet haar betooverde geest en het scheen wel of die betoovering eene bescherming om haar heen spon, die zij zich ook niet bewust werd; gevlucht in een heksennacht uit haars vaders betooverd huis op den rug van een ezel, was haar geen haar gekrenkt, was zij gevoed, gekleed, was er een feest om haar heen en ik verwonderde mij over den geleidelijken loop van dingen, die toch niet gewoon schenen en bedacht of het de goden van Eleuzis waren, die dergelijke harmonische onwaarschijnlijkheden om de lieflijke onschuld van Charis sponnen en weefden.
Intusschen zweefde de dans der Georgische vrouwen door de gouden spiegelzaal—overal verdubbelde zich hare bevallige beeltenissen, over en weêr, en telkens werden de diepe drinkschalen ingeschonken,—toen ik, plotseling, verrast, den kop richtte. Want Dionyzius was dichter bij Charis geschoven en ik hoorde hem, verhit door den wijn zeggen:
—Charis, ik heb je lief! Ik heb je willen schaken om losprijs van je vader te krijgen, maar nu een gunstig noodlot je gevoerd heeft tot bijna in mijn armen, wil ik je omhelzen en zal je de mijne zijn en zullen alle deze schatten je toe behooren, o schoone maagd!
Ik verschrikte hevig, toen ik plotseling Manes ter andere zijde, somber de brauwen fronsende, hoorde zeggen:
—Dionyzius, neem je in acht! Aan mij zal het zijn, dat Charis toe zal behooren, zoo als ook deze schatten aan mij toebehooren en niet aan jou, en niet aan jou, die met een vervloekten glimlach meent alles te winnen, schatten en vrouwen en heerschappij over onze mannen en ons bezit!
Woedend rezen plots de twee dronken rooverhoofdmannen op. En ik begreep, dat een lang gekoesterde ijverzucht plots tusschen hen los barstte. Ook ik was opgerezen en Charis wierp zich met een kreet om mijn nek. Wat! Beschermden de Eleuzische godheden ons dan niet meer?! De beide roovers hadden elkaâr naar de keel gegrepen, terwijl gillende de danseressen en muzikanten vluchtten tusschen de wanorde der omver gestootene tafels. En tusschen al de andere roovers weêrklonk boos, ruw geroep en zij stonden plots in twee kampen tegen over elkaâr.
—Charis behoort aan Manes! riepen de eenen.
—Aan Dionyzius! schreeuwden de anderen.
Plotseling, in de van lichten flakkerende en spiegelende feestzaal, barstte los een verwoede strijd. Een twintigtal mannen stortte zich op een twintigtal mannen en er vloeide bloed en een verschrikkelijk schouwspel van helsche woede spiegelde zich daar over en weêr tusschen de van bloed druipende, stralende wanden. Intusschen had ik in een plotse ingeving Charis met een gebaar bewogen te springen opmijn rug en baande ik mij een weg, stootende met mijn kop, trappende met mijn hoeven. Plots voelde ik een hevige pijn en een dolkstoot in mijn flank. Mijn bloed vloeide maar diep was de wonde niet en, een verwoede ezel ik, tusschen die verwoede roovers, ging ik voort mij een weg te banen. Zij waren plots zoo op elkander verbitterd, dat zij eigenlijk niet op mij letten. Charis, op mijn rug, sloeg de armen op en jammerde van verschrikking. En de verwarring woelde door een. Maar ik wist te bereiken den uitgang. De roovers hielden mij niet tegen, vermoedelijk zeker, dat ik toch geen uitweg zou vinden. Door een labyrinth van nauwe gangen zocht ik mijn weg.
—Cha-i! Cha-i! balkte ik, om mijn bruid gerust te stellen.
Zij omhelsde mij vast en lag trillende over mij heen. Ik voelde haar zachte maagdelijf in hare goud-doorweven sluiers kloppen tegen mijn ezelelijf. Een zaal stond open: het was vermoedelijk Dionyzius’ slaapverblijf, vol weelde: uit een kist van ivoor hingen parelsnoeren, maar ik holde voort. Waar zoû ik een uitgang vinden? Nergens vermoedelijk. Aan den wand hingen purperen mantels, krokosgele mantels, mantels van vossebont. Ik holde voort... De open gelaten wijnkelders holde ik door: de amforen stonden er, puntig en dubbel geöord; de dikbuikige vaten stonden er: het rook er naar een roode bezwijmeling. Ik holde voort! Waar was ik? Ik werd mij bewust in het rond te draven. Daar was onze tuin, daar was ons eigen verblijf. Maar daar hoorde ik plots ook weêr het gewoel van den strijd der verbitterde roovers en ik holde weêr terug...
Een nachtmerrie werd die inwendige berg, het verwonderlijke rooverhol; een booze droom werd het vanonbestaanbaarheid. Ik holde om en om; ik scheen mij door een nauwe cirkelgang te wringen en wanhoopte ooit te kunnen ontkomen. Gesloten zouden vermoedelijk alle uitgangen zijn. De roovers achtervolgden ons niet, zeker vreesloos, dat ik zoû kunnen vluchten. Daar was weêr onze tuin, daar klonk weêr het verschrikkelijk rumoer van den strijd....
Te gelijker tijd struikelde ik. Het was midden op een ronden binnenhof, tusschen de hooge, witte wanden van de op stekende pieken, als een put, die scheen geboord in het gebergte. En ik zag, dat ik gestruikeld was over een even op stekenden, vierkanten steen, waaraan een ijzeren ring. Ik weet niet welke ingeving mij bezielde, maar ik greep den ring met mijn sterke ezeltanden. Ik lichtte aan den ring den steen met al mijn kracht op.
—Charmides! riep Charis. Vlucht! Ik ben bang, ik ben bang voor de mannen, die vechten!
Ik bukte mijn kop. Ik zag een opening, wijd en een trap, die daalde steil naar beneden. Ik weet niet waarom, maar ik daalde de trap af, alleen vreezende, dat Charis zich het hoofd stooten zoû. Maar de trap was wijd in het rotssteen uit gehouwen en ik daalde voorzichtig maar gemakkelijk haar af. Mijn ezelhoeven tastten uit. Ik daalde lager en lager. Vage lichtschijn viel nog van boven. Nu en dan tastte en daalde ik in den donker....
Plotseling werd het lichter voor mijn blik. Ik zag op. Ik zag de lucht. Die was hoog, hoog, een blauwe, verre hoogte boven den zwarten trechter, waarin ik mij bevond. Maar in dien trechter was een steile trap gehouwen!
Ik aarzelde niet en ik steeg de steile trap op. Bijna recht-op steeg ik, hoef voor hoef zettende op de smalle treden en Charis steeds krampachtig zich klemmende ommijn nek. Hoe lang die moeilijke stijging duurde! Het was of ik uit het diepste der aarde op steeg naar het hoogste van den hemel. Maar ik steeg en ik steeg... Charis zeide geen woord en alleen mijn gehijg doorkreunde de nauwte van de steile trechtertrap. Eindelijk, eindelijk bereikte ik den rand. Nóg een poging en nog een poging!
Daar ademde mijn hijgende snoet aan de trechteropening de wijdere lucht. Daar heesch ik mij als aan mijn hoeven op en stond op den trechterrand. O zalige vreugde! Om mij piekte het wondere gebergte met zijn witte torens in rozigen dageraad. De arenden vlogen in wijde kringen rond. De lucht was als een oceaan van parelvochten ether. De landouwen lagen in de diepte uitgesmolten in licht groene wazigheid met de donkere plekken der bosschen tot aan verijlende horizonnen. De nieuwe zon straalde uit.
Ik zag rond, of de roovers ons misschien langs een anderen weg...? Ik zag niets. De wereld was immens wijd, verlaten en goddelijk schoon. En een ezel ik, met een jonkvrouw op mijn rug, stond daar hoog, op het witte gekartel van een hoogen bergkam.... Waarheen? Het was alles onbekend. De naaste minuut zoû de onbedenkbare verrassing zijn.
Waar de bergkam daalde, zette ik mijn hoef. En daalde met den bergkam mede. Hoe voorzichtig daalt toch een ezel langs de steilste bergflanken omlaag! Weg was er niet: ik koos slechts de geschiktste plekken om mijn hoeven te zetten. In den rozigen morgen, nog wazig blauw van dauw, daalde daar een ezel het krijtwitte gebergte af, op zijn rug een betooverde maagd in zacht gazen feestgewaad van kostbare sluiers gehuld en de witte pieken rezen op en de zwarte arenden cirkelden rond. En het was alles zoo gewoon en zoo gelukkig, dat ik mijn wonde niet achtte. De zilverbrembloeide om ons heen en hier en daar ruischelde het schuimende water de blanke groeven omlaag. En ik daalde, ik daalde altijd.
Ik daalde af, werd ik mij bewust, aan den anderen kant van het gebergte. Maar de appelebongerds omringden geheel den berg en toen ik was afgedaald, dwaalden wij verder de bongerds door en aten de appels en dronken samen aan de beek. En rustten uit in de doorappelde schaduwen. En gingen weêr verder. En niemand kwamen wij tegen. Het was de noen en nauwlijks dacht ik aan wat het einde van dezen dag brengen zoû.
Den warmen middag liep ik een schaduwrijk bosch door van dicht bladerige kastanjes. Er volgden weilanden, bouwlanden; er graasde het vee, er golfde het graan, er doken de boerenhoeven op tusschen de olmeboomen. Landbouwers zag ik met hunne knechten bezig: zij sloegen de blinkende sikkels de neêr zijgende aren door en zongen hun juichend oogstlied. Maar ik vreesde hen te naderen, omdat wij beiden betooverd waren.
En toch naderde ik. De mannen keken verwonderd op naar den ezel, die daar naderde op roode hoeven, goudbeslagen en een in feestgewaad gehulde, blonde jonkvrouw op zijn rug. En een der mannen naderde op zijn beurt. En toen ik hem aanzag, herkende ik Davus, van wien ik sedert maanden gescheiden was.
Toen balkte ik van verbazing, heel luid en schreef met mijn hoef duidelijk in de mulle aarde:
—Ik ben Charmides, Davus, je meester, en deze jonkvrouw is Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata, die wij ontmoetten bij de poort van de stad en om wier liefde ik betooverd werd....