V.Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine effenheid in mijn gemoed.Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippenen keel droog voelden... Ik naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat ik fluisterde:—Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik, een ezel gelijk:—Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op weg of weide zag...De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:—Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en voeten en toen...?Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven werden, mijn sterke armen sterkeezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van Clitifo’s tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de zilveren bloemen...Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maarmet een gevoel of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde huid en grijze reiskleed verwerd...Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.—Wat is er? vroeg ik allen.—Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele Nausistrata bijna verslonden heeft!—Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar—loog ik—het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...—De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen de mannen terug.Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:—De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezienen hij verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels!!—Die ezel wàs geen ezel! riep ik.—Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze geest!—O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur blijf ik langer hier!!Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend gedruisch.En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de vervloekingvan de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van aard en...Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de pracht van Dionyzos’ druiven, wier wingerden de festoenen slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de stad...Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor de wijnfeesten naar zijnlandgoed trok. Uit den wagen gesprongen zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren.En een zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:—Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, maar balkte verschrikkelijk:—Hi-ha...De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblikontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:—Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte gedrang...VI.Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg den poortwachters, die toe zagen:—Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?—Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.—Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok; hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet zoo op eenmaal verdwijnen!De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart... „Davus!” had ik willen roepen; „ik, deze ezel, ben je meester!” Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk gebalk:—Hi-ha!!—Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom.—Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk...—Zij was Charis, Menedemus’ dochter, zeiden de mannen; ja, zij is wel betooverend mooi!—Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen hoe onverantwoordelijk hij handelt!En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!!—Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten zeiden:—En niemand weet aan wie hij behoort!En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al gemoedsbewegingvoor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten:—Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij niet meê geloopen met uw stoet?Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias’ zoon, Charmides...Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde haar stem, zacht lachende:—Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?—Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt naar Charmides, Lyzias’ zoon...—Uit Epidaurus!!O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias’ zoon, zijn vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis’ naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis, eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis!Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den astertuin en terwijl de stoet van Menedemus denzijweg insloeg, die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en zag ik een grimlach.De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op den rug. En zij riep:—Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen!Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo’s zaligen tuin met zilverasters vernielen!Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier velden bleekte Clitifo’s blanke huis.Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend geklater vansistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel, eenzaam stondtusschen de zilveren bloemen, in het zilveren licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij tikten desistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.—De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.—Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten?Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wiersistra-klanken verklonken.....—Zie ze aan, zeide Clitifo.Ik zag ze schrijden langs mij heen.—Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende en verdwijnende...—Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.—Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg Clitifo.—Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...—Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.—Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.De heksen waren heen; desistrawaren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep.—Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgenzult ge den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.Ik liet mij leiden, een kind gelijk.Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de heugenis van naklank dersistra-tonen klonk het door mijn effene ziel:—Charis! Charis!...Ik naderde Hypata’s poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf hij een gil van geluk.—Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar zijt ge geweest??—Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken...Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo’s dienaar, die met de twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad door,—zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd.Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten met prachtige portieken en van vergulde Nikè’s pralende paleizen voerden naar hetforum.Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachendehetæreaan. Ik sprong uit den wagen...—Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:—Meroë! Meroë!Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij desnoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata’s straten een heks ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!Meroë’s oogen ontmoetten mijn oogen.—Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!Maar mijne oogen tartten Meroë’s oogen. Hare oogen waren als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.Ik werd niet verliefd....Ik veranderde niet in een ezel...—Kom! zeide ik tot Davus, instijgende—de stoet vloeide voorbij. Laat ons de herberg zoeken...VII.Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een aanzienlijkdiversorium1en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar àlle genot om te leven...!Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen,terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het „prinsesje” of het „vorstinnetje” werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat mij gebeurd was...Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg mij zocht.—Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel, nog in wijden badmantel omplooid.—Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?—Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen, zeide de dwerg.Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare patronesse, die zij aanbad.—Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij dan geraden?—Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie vrouwen, matronen,hetærenof maagden? Ben ik een kind geworden?—Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet.Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare voeten. Ook zonnebloemen, van juweel—chryzoliet met harten van anthraciet—schitterdenom hare slapen, op hare borsten; een juweelen zonnebloem straalde aan haarCirce-schepter. En om haar heen, tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren...—Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn van vleesch en bloed?—Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.—Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht Circe’s gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed, Helios’ kind...—En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend; zoo als aan Circe’s voet, in de tuinen van onzalig Aiaia...—Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr je kus en altijd je kus!Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde bezwijmeld; ik...Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op rijzen—Charis, zoo blank en lieflijk zuiver—en ik deinsde terug...Meroë richtte woedend zich op.—Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan wie ook op je weg?—Ja! riep ik.Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen schepter uit. Ik had haar liefde geweigerden veranderde niet in een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een vale nevel...De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond.—Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden gekweekt.En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.In hetdiversoriumvond ik Davus.—Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van een spook.—Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!—Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.—Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd werd voorbijgedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af!—Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar Farsalus...—Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder Thessalië in te gaan!—Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon...—Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren reeds gaan groeien!Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid.Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen?Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een ezel veranderd was... Dat wastoch gebeurd? Wàs het gebeurd? Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus’ zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er waren àndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in dauw overfloerstewater van het in de verte weg flauwende meer...Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een straal op, een atoom op van licht...Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haarheen. En in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:—Charis...Maar rauw riep ik slechts:—Ha...hi!... Hi...ha....Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen...1Hôtel.VIII.Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in sombere vertwijfeling...Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, vertwijfeld en somber, riep een der mannen:—Maar kijk, daar staat een ezel!—Een onbeheerde ezel! riep een andere.En de derde stemde in:—Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons werk te verlichten!Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En slingerden die met lissen uit....Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mijgevangen had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren enduldig leed ik den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver verlost te worden van het marteltuig.In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende maagden...?Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar,waar het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed, zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager, geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed uitbreidende hoeven—om het steeds moeten dalen, zwaar beladen—zag ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...Eenmaal—een huiveringwekkende stormnacht—waren de houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en woeste Lapithen in woedenden strijd doorelkaârte woelen...Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in denmorgen, uitgeput, was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de opziener zeide:—Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door ezels en misdadigers beiden...
V.Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine effenheid in mijn gemoed.Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippenen keel droog voelden... Ik naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat ik fluisterde:—Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik, een ezel gelijk:—Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op weg of weide zag...De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:—Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en voeten en toen...?Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven werden, mijn sterke armen sterkeezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van Clitifo’s tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de zilveren bloemen...Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maarmet een gevoel of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde huid en grijze reiskleed verwerd...Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.—Wat is er? vroeg ik allen.—Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele Nausistrata bijna verslonden heeft!—Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar—loog ik—het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...—De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen de mannen terug.Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:—De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezienen hij verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels!!—Die ezel wàs geen ezel! riep ik.—Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze geest!—O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur blijf ik langer hier!!Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend gedruisch.En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de vervloekingvan de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van aard en...Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de pracht van Dionyzos’ druiven, wier wingerden de festoenen slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de stad...Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor de wijnfeesten naar zijnlandgoed trok. Uit den wagen gesprongen zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren.En een zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:—Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, maar balkte verschrikkelijk:—Hi-ha...De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblikontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:—Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte gedrang...
Toen keerde ik op mijn passen terug... En er was als een zilverreine effenheid in mijn gemoed.
Plotseling schokte ik op uit die weldadige stemming. Voor de posthalte stond een groote vrouw: zij was in een rijk plooiende, donkergroene palla gehuld, die, over haar hoofd heen getrokken, haar den rug, dien zij mij toegekeerd hield, omgoot in een nauwte van gebeeldhouwde lijnen, weg golvend over haar eveneens rijk plooiende stola en een puntige, ronde reishoed van riet beschaduwde het reeds in palla-slip omlijste gelaat, drie-kwart gekeerd naar mij toe. Zij zag mij niet... Toen ik naderde, bespiedde ik, hoe hare zeer donkere lokken langs haar roomblank gelaat neêrvielen als met twee donkere druiventrossen. Met een grooten reiswaaier van palmblad beschutte zij, opgeheven de eene arm, uitkijkende, zich den blik... De ondergaande zon wierp een halo van wemelend stofgoud om haar heen, waar zij stond op den wit stoffigen weg. Mijn hart klopte naar mijn keel, ik had nooit nog zoo een heerlijk schoone vrouw gezien!! Haar boezem deinde lichtjes in den, met den anderen arm er overheen getrokken, mantel, die, groen, glanzende gouden vegen pakte... Wat waren er toch mooie vrouwen ter wereld!!! Wat was deze betooverend schoon...!
En ik naderde haar... Mijn gemoed was zóo fel bewogen, dat mijn oogen knipten verblind, dat mijn lippenen keel droog voelden... Ik naderde haar... Schielijk zag ik even rond, of iemand mij gade sloeg... Er was niemand, noch op weg, noch voor herberg, dan zij en ik, dien zij niet zag... En de gedachte schoot snel door mij heen haar te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en ik heb u lief: wilt ge de mijne zijn...?
Ik naderde, ik was genaderd, haar geur bedwelmde mij heviger. En reeds wilde ik de lippen openen om te zeggen: Vrouwe, gij zijt schoon en... toen ik plotseling mij bewust werd door een vreemde kracht buiten mij? in mij? voor-over te worden geduwd, gedrongen, gedrukt, zoodat ik den rug moest buigen en met de handen viel over den grond voor over. En te gelijker tijd opende ik de lippen, fluisterend, maar in plaats dat ik fluisterde:
—Vrouwe, gij zijt schoon... kwam er een heesch, schor, vreemd, mijzelf onbekend en onaangenaam aandoend geluid uit mijn keel en balkte ik, een ezel gelijk:
—Hi-ha: rouwe, rij rijt roo...oon!
Met zulk een verschrikkelijk, toch fluisterend gekrijsch als alleen een verliefde ezel zoû kunnen slaken, die een ezelin voor zich op weg of weide zag...
De schoone vrouw verschrikte hevig, slaakte een doordringenden gil en vluchtte, omziende, de herberg in, roepende:
—Help mij! Help mij! Een verliefde ezel!
Ook ik schrikte hevig... En steeds stond ik, gebogen, op handen en voeten en toen...?
Toen voelde ik, als een niet zegbare na-pijn, dat mijn rug was uit gerekt, mijn hoofd tot een bek zich verlengd had, mijn handen hoeven werden, mijn sterke armen sterkeezelspooten, mijn beenen ook, dat mijn ooren groeiden en mijn tanden zich vierkantten tot mozaïeksteenen zoo groot, dat mijn ruggegraat zich strekte tot een staart, dat mijn geheele lichaam zich bedekte met een effen grauwe vacht, dat een lange tong mij de lippen lekte, terwijl geheel dit nieuwe wezen mij vreemd aan deed en onbehagelijk als niet het mijne, hoewel toch mijn ziel de mijne gebleven was...!
Ik was een ezel! Ik was in een ezel veranderd! Ik herinnerde mij, in een flits door mijn menschelijk brein in ezelekop, de vervloeking van de harpij, die ik niet meer geteld had dan ijdele woorden, ijdele bedreiging! Ja, ik was in een ezel veranderd! En van overal, achter om de herberg, uit de herberg, kwamen de knechten en slaven, kwam Davus ook, met knuppels gewapend om mij te ranselen: den wilden, vreemden, verliefden ezel, die Nausistrata, de vrouw van Demifo, had willen bijten, misschien... misschien wel op eten!!
Ik hief mijne ezelshoeven van den grond en zette het op een rennen. Ik rende den postweg af: ik voelde mij groot, sterk, vlug, maar... een ezel! Ik was een ezel! Maar een ezel met menschegedachte, want ik deed wat nooit een achtervolgde ezel zoû hebben gedaan: ik verborg mij, ter zij van den weg, in de hoog strengelende zilverasters van Clitifo’s tuin en hurkte neêr, onzichtbaar, grauw ik tusschen de zilveren bloemen...
Tuin van ontheksing, herinnerde ik mij des tuinmans woord. Tuin van ontheksing!! Zoû ik werkelijk... Zoû ik werkelijk door zilverasters kunnen worden onthekst? Was Aristomenes, die door Meroë van Hypata was behekst in een zwijn, niet onthekst door roode amaryllis??
Gulzig sloeg ik mijn ezelebek in de zilverasters, maarmet een gevoel of ik heiligschennis bedreef. En at ik de zilverasters, brak ik ze af met mijn ezeletanden, verslond ik de heilige bloemen... Het was allervreemdst maar, te gelijker tijd, dat op den weg, in een van laatste zonnegoud doorpoeierde stofwemel, de slaven en Davus met knuppels aan liepen, rukte een magische kracht mij omhoog op de achterhoeven, voelde ik mij krimpen, rilde een koorts mij over de leden, voelde ik mijn staart verkrinkelen, mijn ooren verkleinen en stond ik tusschen de asters, terwijl mijn harige vel weêr mijn gladde huid en grijze reiskleed verwerd...
Ik rees uit de bloemen op en Davus en de knechten zagen mij. Een inwendige stem ried mij te zwijgen over wat er mij was geschied.
—Wat is er? vroeg ik allen.
—Heer, zeide Davus; wij zoeken een wilden ezel, die de edele Nausistrata bijna verslonden heeft!
—Ik heb, zeide ik; juist een ezel over den weg zien rennen, maar—loog ik—het was geen gewone ezel. Het was een ezel met vlerken en hij vloog weg, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels, de lucht in...
—De lucht in, heer?? riepen ontsteld Davus en de knechten.
Ik verzekerde het en zwoer bij de goden, godlastering mijn woord tusschen de goddelijke bloemen, die mij hadden gered. En ging tusschen de mannen terug.
Voor de herberg lag de schoone Nausistrata, half bezwijmd nog, in een leunstoel en haar man, Demifo, en de postmeester en hare vele slavinnen beijverden zich om haar rond. En Davus riep reeds van verre:
—De ezel sloeg vlèrken uit: wij hebben het àllen gezienen hij verdween in de lucht, daar ginds tusschen de olijveboomen en de heuvels!!
—Die ezel wàs geen ezel! riep ik.
—Neen! riepen alle de knechten en slaven. Die ezel was een booze geest!
—O! riep Nausistrata en stond wankelend op. Ik wil weg van deze euvele plaats! Een ezel, die geen ezel was! Een gevleugelde ezel, die mij te lijf wilde, vermoedelijk mij wilde ontvoeren door de luchten! Er gebeuren toch verschrikkelijke dingen in Thessalië! Als te Lamia ons niet die erfenis wachtte... Demifo! Demifo! Geen uur blijf ik langer hier!!
Bevelen werden gegeven. Een uur later vertrokken in drie reiswagens Demifo en Nausistrata met groot gevolg. Hoewel de nacht viel... Maar Nausistrata had liever willen vertrekken in de nacht, dan blijven ter plaatse, waar een gevleugelde ezel misschien nog zweefde door de betooverde luchten! En hare slaven en slavinnen, die opgepakt in twee der reiswagens zaten, hadden schelle koperen bekkens en ratels en rammelaars in de hand en zij maakten er een ontzettend lawaai mede, een schel klinkend geklinkklank, een getingelingeling van klokjes en een geboeng-boeng-boeng van cymbalen, om verre de slechte geesten te houden. Zoo verdween de reisstoet de nacht in tusschen oorverdoovend gedruisch.
En viel de stilte van duisternis over de eenzame posthalte aan den verlatenen heirweg. Alleen, staande voor de deur, keek ik uit. Ginds blankte een zilveren vaagte, de astertuin... Mijn hart klopte van beduchtheid... Ik was onttooverd... maar... zoû ik werkelijk iederen keer, dat ik verliefd werd, in een ezel worden herschapen? Zoû de vervloekingvan de harpij haar invloed doen gelden, iederen keer, dat ik... Troosteloos verschiet! Ik was zoo jong, zoo verliefd van aard en...
Een groote somberheid overviel mij. Drie nachten sliep ik bijna niet, meende telkens, bij iedere vrouweschim, die rees in mijn droom of wakende herinnering, dat ik in een ezel veranderde... En voelde ik mijzelve angstig aan in mijn bed. Den vierden morgen vertrokken wij: zwijgend mende Davus. Wij gingen door Thrachis, vol heugenis aan den grooten Held, Herakles, die hier had vertoefd met Deianeira. De Mythe zweefde als een onsterfelijke godin in de luchten. Links rees de Oita omhoog, op welks top Herakles in den vuurgloed zijn ziel had geslaakt, die ten hemel gestegen was. De herfst purperde om mij heen met de pracht van Dionyzos’ druiven, wier wingerden de festoenen slingerden langs de bergflanken, terwijl het verschiet weg dreef in wazen van morgenmist, waarin de vochtige parelen hingen. Toch bleef ik vol argwaan en somber. Wij naderden Hypata... Ginds, in de Noordelijke verte, blankten reeds de tinnen van hare poorten. Onderweg, aan een posthalte, wisselden wij van buffels. Tegen den middag naderden wij de stad...
Juist toen wij haar binnen trokken, kwam uit de stad een stoet ons te gemoet en er was verwarring. En om den stoet te doen trekken voorbij, dreef Davus ons vierspan ter zijde. Het waren Nubische voorloopers, met zweepen en keelgeluid klakkend; het waren gewapende wachten; het waren slaven te dravende voet; het waren aanzienlijke jongelieden te paard; het waren vier, vijf draagstoelen, getorst door stevige dragers... Het was, hoorde ik, een schatrijke landeigenaar, die voor de wijnfeesten naar zijnlandgoed trok. Uit den wagen gesprongen zàg ik hem: een voorname, prinselijke man: hij zat te paard en reed tusschen zijne bloedverwanten en het volk om mij, dat toe keek, noemde zijn naam: Menedemus... Ook Davus, op zijn bok gebleven, keek toe. Plotseling werd mijn oog echter getroffen door een rijken draagstoel, waarin, met twee dienaressen, een jonkvrouw, half liggende, gezeten was. Een schok doorvoer mijn ziel en lichaam; nimmer nog had ik zoo lieflijke schoonheid aanschouwd... De maagd, die daar voor mij henen gedragen werd, scheen mij Psyche zelve toe, de geliefde van der Liefde god!! Hoewel haar gelaat voor de reize was omspeld in dunne sluiers, waarboven een puntige hoed van zilverachtig rijs, zag ik er het fijne ovaal van haar allerlieflijkst gelaat door heen, zuiver getrokken in zoo ontroerend teedere lijn, dat ik voor haar had willen knielen. Enkele gouden lokjes kruifden den sluier uit. Hare oogen zagen mijn kant uit zonder mij te zien en die oogen waren groot en blauw en zoo lieflijk onschuldig en rein als blauwe lotus. Zij glimlachte juist en het was of haar glimlach een glans uit straalde en op straalde over haar geheele gelaat. De blauwe mantel liet de teedere lijn van hals en borst slechts raden, maar de hand, die uit de plooien te voorschijn bewoog en den rieten waaier hield, was een aandoenlijke belofte van alles wat verborgen bleef: zoo klein en edel, zoo fijn en rank met iets, dat aan een lelie denken liet. Aan lotus en lelie, aan zonnegoud en mereblauw deed dit lieflijke wezen mij denken, in dien flits, dat ik haar zag. Ik liep meê. Er was gedrang voor de poort, die de stoet uit trok... Ik liep meê, naast den draagstoel, bijna naàst haar: ik had haar aanbiddelijke hand kunnen beroeren.En een zalige warmte doorvloeide mijn hart, zoó, dat ik had kunnen stamelen:
—Toef even, o gij, die langs mij heen gaat als een hemelsch vizioen, opdat ik voor u kniele en u aanbidde...
Op het zelfde oogenblik, dat ik dit in de poort dacht, tusschen het dichte gedrang, voelde ik een geweldigen ruk, die mij voor-over drong, drukte, dwong en stond ik op handen en voeten. En ik stamelde niet, maar balkte verschrikkelijk:
—Hi-ha...
De maagd verschrikte, hield de hand aan het oor, lachte even zoó zacht en lieflijk, dat ik van zaligheid weg smolt... Maar ik was een ezel! Ik stond even buiten de poort op den heirweg als een ezel! Ik was in een ezel veranderd. Ik werd mij bewust van mijn kop, bek, staart, hoeven en grauwe vacht... En de stoet draafde en liep mij voorbij.
Mijne herschepping scheen in het gedrang van ruiters, karren, wagens, draagstoelen, voetgangers niet bespeurd te zijn. Wie, die het had kunnen bespeuren, zoû zijne oogen hebben willen gelooven! Wie kon bespeurd hebben in zulk gedrang, dat een mensen was verdwenen en een ezel verschenen in dat ondeelbare oogenblik van herschepping. Zij duwden mij, schopten mij, grepen mij zelfs, omdat ik, een onbeheerde ezel, zeker ontvlucht, daar balkte en liep over den heirweg...
Even uit den draagstoel keek de zoete maagd uit, keek zij naar mij. Zij glimlachte en hare lotus-oogen ontmoetten mijne ezelsoogen. En ik weet niet waarom, maar op dat zoo noodlottige oogenblik mijner wederom onverhinderbare metamorfoze, zegende ik het toeval, dat haar maagdeblikontmoette mijn ezeleblik en scheen het mij toe, dat hare gedachte één oogenblik van zaligheid-voor-mij tot mij toe ging, onverklaarbaar... Misschien, dat zij niets anders dacht dan:
—Arme ezel, die daar wordt geduwd en geschopt, in dat dichte gedrang...
VI.Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg den poortwachters, die toe zagen:—Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?—Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.—Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok; hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet zoo op eenmaal verdwijnen!De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart... „Davus!” had ik willen roepen; „ik, deze ezel, ben je meester!” Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk gebalk:—Hi-ha!!—Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom.—Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk...—Zij was Charis, Menedemus’ dochter, zeiden de mannen; ja, zij is wel betooverend mooi!—Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen hoe onverantwoordelijk hij handelt!En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!!—Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten zeiden:—En niemand weet aan wie hij behoort!En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al gemoedsbewegingvoor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten:—Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij niet meê geloopen met uw stoet?Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias’ zoon, Charmides...Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde haar stem, zacht lachende:—Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?—Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt naar Charmides, Lyzias’ zoon...—Uit Epidaurus!!O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias’ zoon, zijn vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis’ naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis, eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis!Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den astertuin en terwijl de stoet van Menedemus denzijweg insloeg, die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en zag ik een grimlach.De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op den rug. En zij riep:—Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen!Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo’s zaligen tuin met zilverasters vernielen!Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier velden bleekte Clitifo’s blanke huis.Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend geklater vansistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel, eenzaam stondtusschen de zilveren bloemen, in het zilveren licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij tikten desistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.—De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.—Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten?Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wiersistra-klanken verklonken.....—Zie ze aan, zeide Clitifo.Ik zag ze schrijden langs mij heen.—Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende en verdwijnende...—Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.—Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg Clitifo.—Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...—Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.—Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.De heksen waren heen; desistrawaren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep.—Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgenzult ge den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.Ik liet mij leiden, een kind gelijk.Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de heugenis van naklank dersistra-tonen klonk het door mijn effene ziel:—Charis! Charis!...Ik naderde Hypata’s poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf hij een gil van geluk.—Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar zijt ge geweest??—Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken...Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo’s dienaar, die met de twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad door,—zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd.Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten met prachtige portieken en van vergulde Nikè’s pralende paleizen voerden naar hetforum.Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachendehetæreaan. Ik sprong uit den wagen...—Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:—Meroë! Meroë!Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij desnoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata’s straten een heks ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!Meroë’s oogen ontmoetten mijn oogen.—Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!Maar mijne oogen tartten Meroë’s oogen. Hare oogen waren als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.Ik werd niet verliefd....Ik veranderde niet in een ezel...—Kom! zeide ik tot Davus, instijgende—de stoet vloeide voorbij. Laat ons de herberg zoeken...
Op dit oogenblik, dat ik gegrepen, geduwd, getrapt, geschopt werd te midden van het dichte gedrang, kwam Davus de poort om kijken en vroeg den poortwachters, die toe zagen:
—Hebben jullie mijn meester ook niet gezien?
—Welken meester? vroegen de poortwachters, en ik hoorde alles heel goed met mijn lange ezelsooren, die spitsten.
—Mijn heer, met wien ik reis! riep Davus, in verbijstering om zich heen ziende. Charmides, de zoon van Lyzias van Epidaurus! Hij is den wagen uit gesprongen, toen de stoet van Menedemus de poort uit trok; hij is, geloof ik, even meê geloopen en nu zie ik hem niet meer en weet niet wat er met hem gebeurd is!! Een mensch kan toch maar niet zoo op eenmaal verdwijnen!
De drukke menigte, nu de stoet zich op den heirweg verloor, vloeide geleidelijk de stad in en uit, maar éen van de poortwachters en een paar stedewachten hielden mij vast aan mijn opstaande manen, terwijl ik onwillig wilde ezelbewegingen maakte, mij schudde, ongeduldig, wanhopig zwiepte met mijn langen ezelstaart... „Davus!” had ik willen roepen; „ik, deze ezel, ben je meester!” Maar ik slaakte niet anders dan een afschuwelijk gebalk:
—Hi-ha!!
—Je heer is er heusch niet! zeiden de mannen rondom.
—Zeker is hij meê geloopen met den stoet! weeklaagde Davus. Als hij een schoone vrouw of jonkvrouw ziet, is hij buiten zichzelf en... die maagd in den draagstoel was wel bizonder lieflijk...
—Zij was Charis, Menedemus’ dochter, zeiden de mannen; ja, zij is wel betooverend mooi!
—Zeker is hij meê geloopen? weeklaagde wanhopiger Davus. Wachters, mag ik jullie onzen reiswagen toe vertrouwen, en vertrouwen jullie mij dien weg geloopen ezel toe? Dan bestijg ik zijn ongezadelden rug en ren naar den stoet, om mijn meester te zoeken en hem te zeggen hoe onverantwoordelijk hij handelt!
En werkelijk, de poortwachters en stedewachten stemden toe! Zij zouden den reiswagen achter de stadspoort ter zijde geleiden uit de drukte van het verkeer en zij stonden toe, dat Davus mijn rug besteeg!!
—Het is toch maar een vreemde ezel! zeiden de wachters en de wachten zeiden:
—En niemand weet aan wie hij behoort!
En Davus slingerde zich op mijn rug. Daar zat hij, mijn knecht op zijns meesters rug en ik voelde in mijn grauwe flank zijn hiel! De vreemdste gewaarwordingen bedrongen mijn menscheziel in mijn ezelelijf. Als mensch-in-ezel was ik zeer verontwaardigd, dat mijn knecht Davus mij bestegen had, mij spoorde met zijne hielen en met mij den stoffigen heirweg afstormde. Ik draafde hevig, met de hoeven tegen mijn onderlijf. Maar trots die verontwaardiging, was ik zalig blij den stoet na te rennen en kans te hebben, al ware het met ezelsoogen, de lieflijke Charis weêr te zien. Tevens smachtte ik met hevig verlangen terug naar den tuin der zilveren asters... Wat al gemoedsbewegingvoor dubbel betooverd mensch in grauw fluweelige ezelepens! Wij draafden, wij draafden, wij naderden... Davus riep naar de achterhoede van den stoet: daar waren slaven en wachten:
—Is onder u ook mijn meester: Charmides, de zoon van Lyzias? Is hij niet meê geloopen met uw stoet?
Maar de slaven en wachten riepen, dat zij niet wisten van Lyzias’ zoon, Charmides...
Plotseling keek de lieflijke Charis achter om, achter uit... Maar helaas, mij zag zij niet aan; zij zag nu slechts Davus en ik hoorde haar stem, zacht lachende:
—Wat wenscht die ruiter op zijn ezel?
—Edele jonkvrouw, o Charis! riepen de wachten en slaven; hij vraagt naar Charmides, Lyzias’ zoon...
—Uit Epidaurus!!
O, vreemde zaligheid, die mij door voer, terwijl Davus, op hun aller betuigingen van onwetendheid met Charmides, Lyzias’ zoon, zijn vaart op mijn rug bedwong! Vreemde zaligheid, dat Charis hoorde van Charmides, zoo als Charmides van Charis hoorde! Zaligheid, ons beider namen hadden samen geklonken in die zelfde ure, als in een zelfde harmonie van bekoring! Nooit zoû ik, ezel of man, vergeten lieflijke Charis’ naam en misschien, dat Charis niet vergeten zoû, hoe buiten de poort van Hypata tot haar oor was door gedrongen de naam van Charmides, Charmides, die haar aanbad! O, zoo de goden, de zalige, van Eleuzis, eens weêr samen zouden doen klinken, in eene zelfde ure, die beide namen van Charis en van Charmides, van Charmides en van Charis!
Intusschen wenschte ik niet terug naar de stad! Ik wilde naar den astertuin en terwijl de stoet van Menedemus denzijweg insloeg, die zeker naar zijne landgoederen geleidde, stond ik schrap op de hoeven, koppig mijn ooren spits, mijn staart ingetrokken tusschen de achterpooten, terwijl Davus alle moeite deed om mij op mijne passen te doen keeren. Ik sloeg met de achterpooten uit, als een echte ezel en Davus tuimelde mij over den kop! O, hoe ik wenschte hem te doen begrijpen. Maar ik kon niet spreken. Ik poogde met mijn rechter-voorhoef op het stof van den weg te schrijven: ik ben Charmides, maar Davus begreep niet mijn vreemde arabesken en het stof was zoo wit en mul! En toen Davus, vloekende opgestoven, mij weêr wilde bestijgen, steigerde ik, wierp hem weder af en zette het op een loopen. Als of ik een ezel-op-hol was!
Naar de zilverasters! Naar de zilverasters! suisde het in mijn arme ezelehoofd. Naar de zilverasters terug! Den geheelen langen weg terug! Meer dan dertig mijlen terug! Ik rende, ik holde. In den avond, die viel, holde ik terug. De weg was eenzaam en een violette damp hulde de weiden en velden ter zijde in eene somberheid, waarin vale wezens schenen te waren. Een onwezenlijke wind, die, ik wist niet uit welken windstreek woei, hulde om mij. Het was of een vlerk mij sloeg. En plotseling, waar de weg helde naar een ravijn, dat ik af holde, was ik weêr omdrongen door de gedrochten. En hoorde ik een grijnslach en zag ik een grimlach.
De harpij! De harpij!! Zij vlerkte om mij rond en vloog mij toen op den rug. En zij riep:
—Mijn vlerk, mijn vlerk is al weêr genezen! En mijn poot, en mijn poot is weêr heelemaal heel! Hu! Hu! Naar den astertuin! Naar den astertuin! Dat wij hem vernielen! Dat wij hem vernielen!
Langs den weg terug, holde ik, de harpij, van wie ik mij niet bevrijden kon, schrijlings op mij gezeten, met hare mij schurende vogelpooten, hare pooteklauwen mij verscheurende aan mijn buik, hare magere armen om mijn hals en hare hande-klauwen aan mijn keel. Boven ons, als een stormwind, drong de woeste horde meê. O, ik geloofde aan heksen! Al die gedrochten waren heksen en zij wilden Clitifo’s zaligen tuin met zilverasters vernielen!
Hoe vele uren duurde de onheilige rit? Ik weet het niet, ik holde, ik holde maar voort. Dat wat anders geschiedt alleen in den droom, geschiedde mij door den heksendrang en ik holde, ik holde maar voort. Het was pikzwarte nacht. Soms scheen het mij toe, dat ik zweefde boven den grond, als of de harpij hare wijde vlerken hield uitgespreid, en ik niet meer met eigen hoeven tikte tegen den weg, maar voort werd bewogen zonder eigenen wil. Een troost was, dat zij niet anders wilde, dan ik gewild had: naar den astertuin, naar den astertuin, al ware het dan ook om met hare horde dien te vernielen. Eensklaps klaarde in de verte een zachte schijn. Het waren in de heksennacht de velden der zilver-asters en aan het einde dier velden bleekte Clitifo’s blanke huis.
Met stormgeweld, gekrijsch en kreten wilde de horde, wilde ook de harpij met mij zich neêr storten op de gaarde, en over den grond, toen, o, wonder, uit een groote lamp, een gondel gelijk, die stralend boven het huis verzichtbaarde, als een zee van zilveren schijn verklaarde door de onheilsnacht en ik staarde verblind in een vloed van blanken glans, die uit vlood. En te gelijker tijd weêrklonk een welluidend geklater vansistrum-snaren, aangetikt door zilveren staven, zoo heilig, zoo rein de muziek, dat razende de heksen opstormden en ik, een ezel, eenzaam stondtusschen de zilveren bloemen, in het zilveren licht, om mij de zilveren melodie. En het was zoo zalig, dat ik de bloemen met mijn dierebek niet dorst benaderen.
Maar mij naderde een witte man tusschen tal van witte maagden en zij tikten desistrum-snaren. En de man, die Clitifo was, bood mij de zilveren asters.
Ik boog mij, ik at. Ik was mijzelve, mensch vóor Clitifo.
—De weg terug, zeide hij, of hij alles wist; is de weg, die nutteloos schijnt, maar nuttig der boete is.
—Heer, zeide ik; wat is mijn zonde, waarvoor ik moet boeten?
Hij antwoordde niet, maar langs mij schreden de maagden, wiersistra-klanken verklonken.....
—Zie ze aan, zeide Clitifo.
Ik zag ze schrijden langs mij heen.
—Vindt gij ze schoon? vroeg Clitifo.
Het waren schoone maagden, maar zij schenen mij schimmen, verschijnende en verdwijnende...
—Zij zijn schoon, heer, zeide ik, onverschillig.
—Gevoelt ge liefde voor éene harer, om haar de uwe te noemen? vroeg Clitifo.
—Neen, heer, zeide ik; want ik zag Charis...
—Zoo blijf trouw, zeide Clitifo.
—Trouw is niet mijn wezen, weerde ik af; zoo ik schoonere vrouw zag dan Charis, zou ik niet trouw zijn, heer.
De heksen waren heen; desistrawaren verklonken; de heilige schijn taande en alleen de zilverasters schemerden. Clitifo glimlachte mij toe, met een meêlijden, dat ik niet begreep.
—Laat mij u geleiden naar huis, en rust uit, en morgenzult ge den weg terug gaan der boete, toe naar verdere beproeving.
Ik liet mij leiden, een kind gelijk.
Dien volgenden morgen vroeg reisde ik, te paard, met een dienaar van Clitifo, ook te paard achter mij, naar Hypata. Het was een stralende herfstmorgen, met een zon van zaligen goudschijn, die verspreidde zich over de zacht azuren flanken der bergen, waar de morgenschaduwen, de eene na de andere, ontwaakten en weg schemerden in het alomme licht. Wat was het wijd en hoe welig wingerden de wingerds en slingerden in festoenen van olm naar eik! Een droom, een nachtmerrie geleek mij de vorige nacht, een niet te gelooven begoocheling... Zoû ik werkelijk hier, langs dezen zelfden weg, gehold zijn, met een harpij voorover geheld op mijn rug? Ik geloofde mijn eigen herinnering niet... Het voelde zoo rustig en goed aan in mijn gemoed en tusschen de heugenis van naklank dersistra-tonen klonk het door mijn effene ziel:
—Charis! Charis!...
Ik naderde Hypata’s poort en dadelijk zag ik Davus. Hij zat, uitgeput, bij de poortwachters op hun steenen bank en toen hij mij zag, gaf hij een gil van geluk.
—Heer Charmides! riep mijn arme Davus. Zijt ge dan daar! Ik heb u gisteren den geheelen dag gezocht, op den heirweg en in de stad! Waar zijt ge geweest??
—Ben ik je rekenschap schuldig? zeide ik koel en hard. Ik ontmoette in het gedrang Clitifo, den Isispriester, ik vergezelde hem. Thans ben ik hier weêr terug en zullen wij een herberg zoeken...
Mijn stem had onzeker geklonken en ik voelde, dat Davus, de poortwachters, de wachten mij vreemd, ongeloovig, bijna angstig aanzagen. Ik steeg af, beloonde Clitifo’s dienaar, die met de twee paarden vertrok. Davus, uit de schuur bij de stadspoort, voerde de postbuffels en spande ze voor den wagen. Wij reden de stad door,—zoekende naar de herberg, die de poortwachters hadden genoemd.
Een bont krioelende menigte vulde de groote stad, wier breede straten met prachtige portieken en van vergulde Nikè’s pralende paleizen voerden naar hetforum.Plotseling uit een dier paleizen, de treden der trappen af, ontrolde zich een stoet en het volk drong samen om te zien. Op een draagbedde droegen zwarte slaven een glimlachendehetæreaan. Ik sprong uit den wagen...
—Heer! riep Davus. In aller goden heiligen naam! Verdwijn weêr niet voor mijn oogen, omdat ge een schoone vrouw ziet!
Ik zag toe.... Om mij hoorde ik fluisteren:
—Meroë! Meroë!
Ik herinnerde mij! Dat was Meroë, die Aristomenes, den armen dichter-toerist, in een zwijn had behekst, tot hij de roode amaryllis gevonden had! En werkelijk, Meroë, die daar in praal werd aangedragen, op een bedde van Babyloniesch tapijtwerk, onder vijf schermwaaiers van pauwgeveêrte, tusschen een stoet van wirrelende danseressen, dansende fluitspelers, hield, met een hand, glimlachende, aan vergulde kettingen twee zwijnen vast, die, zacht grommende, links en rechts van haar draagbedde, krulgestaart, mede waggelden... Onderwijl speelde hare andere hand, juweel-overflonkerd, met roode amaryllissen op lange stelen en tartende hield zij de bloemen dicht bij desnoeten der zwijnen! En al dat volk, o goden, al dat volk wist niet of geloofde niet, dat daar in stralenden zonschijn door Hypata’s straten een heks ging, die twee in zwijnen betooverde minnaars mede voerde in haar stoet! Goden van Eleuzis, waar was ik verdwaald! In welke onzaligheid!
Meroë’s oogen ontmoetten mijn oogen.
—Heer! riep Davus, als of hij geraden had. Pas op!!
Maar mijne oogen tartten Meroë’s oogen. Hare oogen waren als stralende, zwarte karbonkelen, die zochten te betooveren met beloften van wellusten, der menschheid onbekend... Maar ik, ik voelde nog de bekoring van lotosblauwe maagde-oogen.
Ik werd niet verliefd....
Ik veranderde niet in een ezel...
—Kom! zeide ik tot Davus, instijgende—de stoet vloeide voorbij. Laat ons de herberg zoeken...
VII.Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een aanzienlijkdiversorium1en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar àlle genot om te leven...!Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen,terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het „prinsesje” of het „vorstinnetje” werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat mij gebeurd was...Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg mij zocht.—Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel, nog in wijden badmantel omplooid.—Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?—Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen, zeide de dwerg.Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare patronesse, die zij aanbad.—Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij dan geraden?—Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie vrouwen, matronen,hetærenof maagden? Ben ik een kind geworden?—Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet.Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare voeten. Ook zonnebloemen, van juweel—chryzoliet met harten van anthraciet—schitterdenom hare slapen, op hare borsten; een juweelen zonnebloem straalde aan haarCirce-schepter. En om haar heen, tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren...—Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn van vleesch en bloed?—Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.—Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht Circe’s gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed, Helios’ kind...—En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend; zoo als aan Circe’s voet, in de tuinen van onzalig Aiaia...—Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr je kus en altijd je kus!Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde bezwijmeld; ik...Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op rijzen—Charis, zoo blank en lieflijk zuiver—en ik deinsde terug...Meroë richtte woedend zich op.—Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan wie ook op je weg?—Ja! riep ik.Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen schepter uit. Ik had haar liefde geweigerden veranderde niet in een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een vale nevel...De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond.—Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden gekweekt.En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.In hetdiversoriumvond ik Davus.—Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van een spook.—Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!—Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.—Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd werd voorbijgedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af!—Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar Farsalus...—Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder Thessalië in te gaan!—Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon...—Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren reeds gaan groeien!Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid.Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen?Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een ezel veranderd was... Dat wastoch gebeurd? Wàs het gebeurd? Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus’ zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er waren àndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in dauw overfloerstewater van het in de verte weg flauwende meer...Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een straal op, een atoom op van licht...Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haarheen. En in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:—Charis...Maar rauw riep ik slechts:—Ha...hi!... Hi...ha....Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen...1Hôtel.
Welnu, ik was in Hypata. De herberg was er groot, meer een aanzienlijkdiversorium1en ik stelde er mij, gedachtig, dat ik een handelsreiziger was, in betrekking met verschillende handelaren: zij kwamen bij mij om te zien mijne stalen van purper, mijne monsters van parelen, het grein van mijn wierook en geurwerk. Ik deed werkelijk geen slechte zaken. Verder leefde ik er als een vermogend jongmensch, die twee, drie eerste dagen, bezocht de Thermen des middags en de portieken des avonds en was er dadelijk, door mijne betrekkingen, omringd door een kring van vrienden en kennissen. En de stad scheen mij zelfs levenslustiger en schooner toe dan Corinthe, dat toch eigenlijk reeds verviel en insliep... Wat dreef er toch voor opwekkends in de lucht van Hypata?? Als een geheime dronkenschap, die deed grijpen naar bekers, naar àlle genot om te leven...!
Het was vreemd, maar in die levenslustige stemming... werd ik niet verliefd. Des avonds, die eerste drie dagen, lag ik met de nieuwe vrienden aan feestgelagen en mooie vrouwen waren om ons heen, zongen, fluitspeelden, dansten... Ik glimlachte haar onverschillig toe. Een soort van ongekende kuischheid verfrischte mijn ziel en gaf rust aan geheel mijn wezen en zelfs zoo mij omhelsden die verleideressen,terwijl een rozenkrans mij den kruin omgaf en de schaal overvloot tusschen mijn vingers, gevoelde ik niet anders dan eene gelatene onbewogenheid te midden harer liefdekunstige verleidingen... Tevens, telkens, die navrees of ik werkelijk, weêr, zoó ik verliefd weêr werd...? Aan Charis dacht ik vaak, maar meer als aan een onbereikbaar, verzweefd vizioen: ik hoorde nu, dat Menedemus de rijkste landeigenaar was van Thessalië, waar hij her en der uitgestrekte goederen bezat en dat zijne vrouw, gestorven, van vorstelijke afkomst geweest was en zich gesteld had onder de nakomelingen van den grooten Alexander van Macedonië, zoodat de lieflijke Charis ook vaak het „prinsesje” of het „vorstinnetje” werd bijgenaamd. Ik hoorde ook, dat haar vader reeds verschillende aanzienlijke dingers naar hare hand had afgewezen en dat hij eigenlijk een Aziatischen koningszoon wenschte voor zijne dochter. Ook hoorde ik, dat wie het meeste kans nog zoû hebben zoo rijke, schoone en bijna vorstelijke bruid te huwen, Chersonezus zoû zijn, eveneens een schatrijk landeigenaar van prinselijken bloede. Maar van wien men fluisterde, dat hij van euvele dingen wist en omgang had met Hekate en hare heksen... Dat gerucht was echter slechts als een murmeling door de feestvreugde, want eigenlijk werd van heksen en betoovering niet gesproken en ik ook, uit schaamte en kieschheid, sprak niet over wat mij gebeurd was...
Nu was het de vierde dag, toen in de Thermen des namiddags een dwerg mij zocht.
—Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus? vroeg de dwerg, bont gedost, terwijl ik, tusschen mijne vrienden, neêr zat onder het rozenpriëel, nog in wijden badmantel omplooid.
—Die ben ik, zeide ik. Wat wil je, dwerg?
—Uitnoodiging over brengen, van mijne meesteres, Meroë, voor dezen avond, en tevens aan allen, die gij in uw gevolg wilt mede nemen, zeide de dwerg.
Ik nam aan en zond Davus met een geschenk naar Meroë: een gouden schaaltje vol kostbare nardusballetjes uit Taprobane; twee druiventrossen van amethyst: iedere druif besloot enkele droppelen geur en een zwijntje, uit chalcedoon gesneden. Het was sierlijk geschenk en toen ik, met mijne vrienden, dien avond bij Meroë kwam, was zij wel tevreden en ontving ons, stralende schoon als Circe, hare patronesse, die zij aanbad.
—Pas op, heer! fluisterde Davus mij toe, steeds in angst; had hij dan geraden?
—Davus! vroeg ik hem, terwijl der dubbelfluiten muziek om ons heen klonk. Waarom waarschuw je mij toch zoo vaak? Zag ik niet meér mooie vrouwen, matronen,hetærenof maagden? Ben ik een kind geworden?
—Neen, heer, zeide Davus; een kind zijt ge niet geworden en wat ge geworden zijt, toen ge op eenmaal bij de stadspoort verdweent en den volgenden dag weêr verscheent als of niets vreemds u geschied was, durf ik niet zeggen, hoewel de vreemdste veronderstellingen mijn arm hoofd soms bedringen; zoo ik u waarschuw, is dat alleen om u, zoo mogelijk, te bewaren voor mijne oogen te verdwijnen, als ge een mooie vrouw ziet.
Ik lachte en het feest was om ons. Meroë lokte en lonkte mij toe; zij lag, in het gewaad van Circe, op een bed van zonnebloemen, terwijl de twee zwijnen, in walgelijke aanbidding, gromden aan hare voeten. Ook zonnebloemen, van juweel—chryzoliet met harten van anthraciet—schitterdenom hare slapen, op hare borsten; een juweelen zonnebloem straalde aan haarCirce-schepter. En om haar heen, tusschen de zuilen en de gordijnen en verder in een onwezenlijk tooverlandschap, waarover een zongroote maan rees, straalden de zonnebloemen, weken zij terug in stralenden bloei naar een horizon, waar zij vergloeiden... En ik vroeg mij al of zij heilige of onheilige bloemen waren...
—Charmides! lonkte mij Meroë nader; zondt je mij een zwijn van chalcedoon omdat je bevreesd waart hier te veranderen in een zwijn van vleesch en bloed?
—Ik ben niet bevreesd en was het nooit! antwoordde ik.
—Ik bèn geen toovenares! lachte Meroë; al leende ik van nacht Circe’s gewaad en al bemin ik de zonnebloemen, zoo als Circe deed, Helios’ kind...
—En al grommen er twee zwijnen aan je voet, lachte ik spottend; zoo als aan Circe’s voet, in de tuinen van onzalig Aiaia...
—Charmides! lokte Meroë weêr; wat ik wensch is enkel je kus, en weêr je kus en altijd je kus!
Zij strekte de armen uit. Zij gloeide van liefde en alle de zonnebloemen gloeiden, als een vuur van duizenden vlammen. Ik naderde bezwijmeld; ik...
Maar plotseling zag ik tusschen Meroë en mij als een vizioen op rijzen—Charis, zoo blank en lieflijk zuiver—en ik deinsde terug...
Meroë richtte woedend zich op.
—Weiger je, riep zij; mij te geven wat ik wensch en wat je gunt aan wie ook op je weg?
—Ja! riep ik.
Zij richtte zich met een schreeuw omhoog en strekte haar onmachtigen schepter uit. Ik had haar liefde geweigerden veranderde niet in een zwijn. Maar terwijl zij verdween in een glans van gouden sulfer, zag ik alle de zonnebloemen verlept. En woei over het tooverlandschap als een vale nevel...
De twee zwijnen knorden wanhopig en wentelden in een cirkel rond.
—Zoek de roode amaryllis-tuinen! riep ik hen toe in een ingeving, dat die bloemen zouden worden gekweekt zoo als de zilverasters werden gekweekt.
En ik vluchtte weg, door het feest, dat zoo vreemd scheen geworden, zoo vaal van tint, alles spokebleek in onwezenlijkheid.
In hetdiversoriumvond ik Davus.
—Waarom ben je hier? vroeg ik en mijn stem klonk bleek ook als van een spook.
—Ach heer, ach heer! weeklaagde Davus en juichte tegelijker tijd. Zie ik u weêr! Zie ik u weêr! Ge waart op het feest plotseling zoo ver en ik zag u toch tusschen allerlei zonnebloemen, die op bloeiden en toen ben ik gevlucht, heer, hoewel de andere feestgenooten en hun slaven mij verzekerden, dat gij nièt ver waart en dat deze zonnebloemen er altijd waren geweest! Maar zij waren dronken, heer, en ik niet en ik kon u niet zien in een zwijn veranderen, zoo als ik u reeds in een ezel veranderd wist!
—Hoe weet je!? riep ik uit en greep hem wild om den pols.
—Ach heer! Ach, heer! riep Davus. Ben ik dan zoo een stommeling? Hoorden wij dan niet reeds van Delfi af wat er gebeurt in Thessalië? Heb ik dan geen hersens om na te denken hoe het zijn kon, dat gij buiten de poort van Hypata verdweent, toen er een mooie maagd werd voorbijgedragen en hoe een ezel verscheen precies als er een ezel verscheen en weêr verdween, toen Nausistrata zoo verschrikte op den heirweg...? En heer, ach heer, zoo een ezel heb ik bereden en heb ik misschien wel geslagen en met den hiel gespoord; ik, heer, ik, Davus, uw trouwe slaaf, die u diende van klein jongsken af!
—Het is niets, Davus, fluisterde ik hem in. Het is niets! Zwijg alleen, zeg nooit iemand iets. Je ziet, ik ben noch ezel, noch zwijn en ik heb goede zaken gedaan in Hypata. Morgen reizen wij af naar Farsalus...
—Verder Thessalië in!? klaagde Davus. Ach heer, ik word liever zelf maar dadelijk een ezel, of een zwijn als het moet, dan verder Thessalië in te gaan!
—Davus! fluisterde ik verder. De toover is nu verbroken! Wat gebeurde, is gebeurd en zal niet meer gebeuren. Want ik kan mij niet begrijpen, dat ik niet even verliefd, ja verliefd op Meroë ben geworden... Zij was zoo heerlijk schoon, zoo verleidelijk schoon, zoo beloftevol schoon...
—Heer! Heer! Pas op!! riep Davus. Het schijnt mij toe, dat uw ooren reeds gaan groeien!
Ik schrikte, voelde aan mijn ooren, duwde hem ongeduldig van mij, zonk op mijn bed en sliep, verpletterd van ontroering en moêheid.
Zeker, dien volgenden dag verliet ik Hypata. Zoû ik niet verder Thessalië in reizen? En dan... waren er heksen? Bestonden er heksen?
Ik moest mij, in mijne nog moede hersenen, herinneren, dat de harpij op den driesprong mij had betooverd, dat ik twee malen reeds in een ezel veranderd was... Dat wastoch gebeurd? Wàs het gebeurd? Het geleek mij zoo onwaarschijnlijk, dat ik er nauwlijks aan gelooven kon. Want het was een kristalklare herfstmorgen en om mij heen dreef een gelijkmatig gouden schijn van zon over het wijde landschap. De reiswagen wiegelde voort, getrokken door de geduldige buffels. Davus’ zweep klakte zacht rhythmiesch door de lucht en wij vervolgden onze reis als of er niets gebeurd was. Ik sluimerde half en onderwijl dacht ik aan allerlei mooie, lieve dingen... Aan Eleuzis, aan de heilige Mysteriën, waar in ik mij zoû laten wijden, zoo ik terug kwam; aan Charis... Ik dacht aan haar met een teederen weemoed, omdat ik haar vermoedelijk nooit weêr zoû zien en een wee van spijt werd ik mij in mijn ziel bewust. Die nacht sliepen wij in een dorp. De volgende nacht in een posthalte... O, de lange, eentonige reis! Wat gaf het mij purper te verkoopen en parels... Er waren àndere dingen, al waren er dan misschien ook heksen...
De derde dag, sedert wij Hypata hadden verlaten, was eveneens in rustige reize verstreken. Wij hadden de halte voor die nacht bereikt. Het was te Xyniæ, aan het meer van dien naam...
Ik weet niet waarom, maar ik kon die nacht niet slapen. En ik stond op en verliet de herberg nog voor de dageraad rozigde... Een vreemd, zacht verlangen omving mij, waarnaar, had ik niet kunnen zeggen. En ik liep den weg op, den eenzamen, nog nachtbleeken heirweg... Straks zoû ik keeren op mijn passen, als Davus zoû voorspannen de buffels... Ik liep voort. De zon rees uitstralende achter de rozigende golving der bergen omhoog. Een honigkleurige schijn overstroomde den hemel. Ter andere zij van den weg week in den windloozen dageraad het nog in dauw overfloerstewater van het in de verte weg flauwende meer...
Het meer, langs den weg, vervloeide met een lange kreek, waaruit aan den oever rees het gekrookte riet. Peinzende bleef ik staan, en mijne mijmering ging als meê met de tintwisselingen over het water, dat wijder en blauwer werd, naar mate de zon rees en de misten verijlden... En ik zag, dat de kreek daar vol blanke lotus gebloeid was... Als blanke bekers, die het morgenlicht opvingen in hare juist ontslotene, smettelooze ontlokenheden, lagen de bloemeschalen op het water, dat zacht opgloeide en verspiegelde... Wind stak omhoog en bewoog in het riet, dat ritselde. Een vlucht reigers steeg er uit op en schaduwde even, teêr grijs van vlucht in de honigblonde lucht. Het meer, verder-op, verzichtbaarde duidelijker en ik zag, dat het, tot den horizon, vol gebloeid was met blanke lotus en iedere bloem ving een straal op, een atoom op van licht...
Toen, eensklaps, werd mijn blik getroffen door een witte wemeling op de landouw, die aan den overkant van die riet-omkreukelde kreek zich verloor in een zacht gedoezel van rozig-grauw sycomoren-geloover. Het waren maagden, die dansten, rondom een maagd. Zij hielden witte bloemekransen in de handen en zij zongen zacht, als wilden zij de maagd in haar midden verstrooien... Ik zag ademloos uit en herkende... Charis! Charis!! Daar was zij, aan den overkant van het lotus-overladen water en ik zag, door het riet heen, haar bewegen, als met een moeden weemoed, toch even glimlachende tegen hare genooten. Zij danste niet, maar scheen de maagden te willen weêrhouden te dansen. Haar gebaar was een teedere muziek van lijn, hare ijle gestalte zwéefde in het morgenlicht en hare handen bewogen als smeekend de maagden niet meer zich te reien rondom haarheen. En in weemoed zagen hare blauwe oogen op, twee lotussen blauw hare oogen boven de duizenden blanke lotussen, die op het water lagen.
En ik, ik staarde haar toe. Zij zag mij niet, half verborgen als ik mij hield in het riet. Mijn hart klopte op naar mijn keel, ik bedwong met de handen het razende kloppen, ik voelde mij duizelig van geluk en bezwijmden van zaligheid en ik opende mijne lippen en wilde roepen:
—Charis...
Maar rauw riep ik slechts:
—Ha...hi!... Hi...ha....
Mijn roep verloor zich over het water, in lucht en licht. Daar ginds dansten de maagden voort rondom de zacht zich verwerende Charis en zij bespeurde niet, hoe, aan den overkant, door het riet heen, een ezel te gluren stond met verlangende oogen, door de krokende halmen...
1Hôtel.
1Hôtel.
VIII.Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in sombere vertwijfeling...Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, vertwijfeld en somber, riep een der mannen:—Maar kijk, daar staat een ezel!—Een onbeheerde ezel! riep een andere.En de derde stemde in:—Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons werk te verlichten!Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En slingerden die met lissen uit....Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mijgevangen had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren enduldig leed ik den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver verlost te worden van het marteltuig.In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende maagden...?Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar,waar het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed, zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager, geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed uitbreidende hoeven—om het steeds moeten dalen, zwaar beladen—zag ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...Eenmaal—een huiveringwekkende stormnacht—waren de houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en woeste Lapithen in woedenden strijd doorelkaârte woelen...Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in denmorgen, uitgeput, was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de opziener zeide:—Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door ezels en misdadigers beiden...
Toen ik mij geheel bewust mijn herschepping werd, waren met Charis de dansende maagden in de rozige schaduwen verdwenen... En trad ik, als ezel, uit het riet weêr op den weg... En dacht ik aan den verren astertuin, honderden mijlen nu van mij verwijderd... En stond ik, in sombere vertwijfeling...
Op dit oogenblik klonken grove stemmen en zag ik drie mannen aankomen, vergezeld van twee jongens. Het waren houthakkers, zij hadden bijlen in de hand en koorden om de middels gesnoerd. En zij praatten luid en ontevreden, terwijl zij naar hun werk gingen: ik begreep dadelijk, dat zij slaven van Menedemus waren en dat zij vloekten tegen hunne opzichters, om den zoo zwaren arbeid. En terwijl ik nog stond, vertwijfeld en somber, riep een der mannen:
—Maar kijk, daar staat een ezel!
—Een onbeheerde ezel! riep een andere.
En de derde stemde in:
—Dien de erbarmende goden zeker stelden op onzen weg, om ons ons werk te verlichten!
Ik begreep, dat gevaar mij dreigde... Ik poogde te vluchten op ezeledraf, maar het is vreemd, een dier, dat niet wild is, vermag niet veel tegen vijf menschen. Op den weg verspreidden zich snel de drie mannen en de twee knapen en zij ontsnoerden zich van hun koorden... En slingerden die met lissen uit....
Een der lissen viel over mijn kop. De man, die mijgevangen had, trok mij naar zich toe. Ik zette mij schrap op de achterhoeven, koppig weêrstreefde ik.... maar plotseling voelde ik een hevigen knuppelslag over mijn ruggegraat. Zoodat ik, ingetrokken mijn achterdeel van pijn, verontwaardigd voorwaarts stoof....
Twee, drie, vier andere knuppelslagen regenden over mijn rug en er was niet meer aan zilverasters te denken. Ik was niet meer Charmides, Lyzias’ zoon, uit Epidaurus: ik was een ezel, onbeheerd en door lage slaven, ontevreden houthakkers, gevangen genomen!
O, de gruwelijkheid van dien winter! Strenge winter was het, die heerschte over de boschbedekte bergflanken van Thessalië, over de met sneeuw overdekte hellingen van de Othrysketen, waar in mythologische eeuwen de Lapithen en de Centauren met elkander de epische strijden hadden gestreden. Als met dier vreeslijke fabelwezens eigene kreten en somber gehuil, voeren de koude waaiingen van Boreas door de kale, gestriemde takken, langs de zwiepend geschudde stammen en des stormenden nachts scheen het, of dichte horden van helsche wezens, demonen en heksen, onder de lage wolken voort joegen over bosschen en bergen, zich plots verspreidend in alle richtingen, als of uit euvele starren onheil voerende stralen schoten. En bitter zware nood was het niet alleen voor de houthakkers in hun armoedige hut, boven op den bergflank, maar ook voor hun ezel, in zijn bouwvalligen stal. Des nachts stond ik slapeloos en de sneeuwvlokken joegen binnen de reten en vielen als ijskoud vuur over de wonden van mijn ontvelden rug, dien de houthakkers met hunne slagen mij vilden iederen dag. De vreeslijke winden loeiden tochtende om mijne ooren enduldig leed ik den durenden straf. Des morgens trokken de mannen mij uit den stal en als zij het hout hadden gehakt, belaadden zij er mij mijn rug meê. Zoo zwaar was de vracht van tronken en takken, die zij mij torsen deden, dat eerder een olifant dan een ezel geschikt kon worden geacht om zoo bovenmatig gewicht te dragen. En zij dwongen mij dan te dalen, en als ik struikelde langs de wortelen der boomen of over het scherpe rotsgesteent en neêrstortte op mijn ontvleesde knieën, staken zij mij met puntige stokken in de bloederige wond, altijd de zelfde, van mijn linkerflank. Moesten wij, lager, een zijtak van den Sperchius oversteken, dan zetten dikwijls de beide knapen, die mij brachten naar stad of dorp, zich nog voor en achter den stapel hout en als op den heirweg ik niet snel genoeg draafde met mijn onduldbaren last, bonden zij brandnetel en doorngewas mij tusschen de achterpooten, zoodat ik gemarteld maar draafde, draafde, in de hoop om mijn ijver verlost te worden van het marteltuig.
In mijn smartelijk leven dacht ik dikwijls aan Davus. Wat was er van hem geworden en zocht hij mij en had hij naar mijn ouders boodschap gezonden, dat ik verdwenen was en wellicht betooverd?? Ook dacht ik dikwijls aan Charis... Ik vergat haar nooit... In de vreeslijke nachten, in mijn doorsneeuwden stal, verrees dikwijls haar lieflijk beeld mij voor den geest: zoo als ik haar had gezien de laatste maal aan de andere zij van de kreek, waar de lotussen bloeiden... En vroeg ik mij, met menschegedachte in ezelekop, af waarom zoo grooten weemoed toch over hare schoonheid als een sluier geweest was, toen ik haar gezien had, zich tegen blijdschap verwerende tusschen de dansende maagden...?
Van de hoogte, waar de houthakkers woonden en ik mijn stal had, kon ik bij heldere dagen in het rond zien over de lager liggende valleien; zij golfden weg, doorsneden van vele zijstroomen van den Sperchius; zij zouden zeker na den winter weelderig weiland en bouwland zijn; zij behoorden alle Menedemus toe en zijne hoeven lagen er in verspreid tusschen de nu ontbladerde wingerds. Wijd spreidde het landschap zich dan rondom en de zon, tusschen de wolken, wierp groote plakkaten van licht en wisselende schaduw over de wijd uitgestrekte domeinen. Maar meestal loeide de wind en woei-aan de regen of warrelden de grauw-witte vlekken sneeuw... Hadden de hakkers hun hout gehakt langs de flanken van het gebergte, dan zaten zij neêr en aten hun schamel maal en kreeg ik mijn handvol schaars toegemeten rantsoen van hooi. Honger leed ik en armoê, de stille ellende van een afgebeuld beest, dat nooit met een andere klacht dan met belachelijk gebalk zijn smart kan uiten en daarbij gevoelde ik in mijn menschehersenen dien vreemden angst eenmaal héelemaal ezel te worden en alles te verliezen wat in mij nog school van mijn menscheziel; want meer en meer voelde ik mij ezel worden: ik had de koppighedan van den ezel, zelfs al regende het stokslagen over mijn rug; ik had het geduld ook soms van den ezel, zijne filozofische gelatenheid als ik mij schikte en maar, hout-beladen, voorzichtig afdaalde tusschen rotsblok en boomwortel om, beneden ontladen, weêr op te stijgen, een oogenblik herademend, naar nieuwen last, die mij wachtte. Als ik mij, gebukt mijn kop, zag weêrspiegeld in de rivier tusschen de weg spelende verspiegelingen van de witte wolken in blauwe lucht, zag ik mij niet anders dan een koppig-geduldigen ezel, grof met grauw, ruig haar,waar het nog groeide over mijn geranselde, ontvelde en ontvleesde lijf: zag ik mijn treurigen kop van werkezel, met van ziekte tranende oog vol weemoed, zag ik mijn van moêheid kwijlenden bek... Zag ik geheel mijn mager, geslonken dierelijf, op de moê knakkende pooten, op de reeds breed uitbreidende hoeven—om het steeds moeten dalen, zwaar beladen—zag ik mijn onthaarden staart naargeestig ingetrokken tusschen mijn met doorn en stekel steeds gemartelde achterpooten. En vergat ik soms wie ik geweest was en werd het mij dof en stomp in mijne verstomming of langzaam in mij verstierf mijn menscheziel in mijn vorm van dier...
Eenmaal—een huiveringwekkende stormnacht—waren de houthakkers beneden in de hoeve gebleven, van waar het gehakte hout verder vervoerd werd, en was ik alleen gelaten boven in mijn stal op den bergtop. De wind en de regen raasden rondom de rotte planken, die mij ter nauwer nood beschutten... Nauwlijks dacht ik aan vlucht, al had ik wellicht ook met trap op trap de gebarsten deur van mijn stal kunnen doen wijken. Rillende stond ik, den staart tusschen de pooten, in mijn bezoedelde stroo en voor mijn leêge krib. Menschegeestkracht scheen niet meer in mij, zoo misschien nog wel logiesch denken. Want wel dacht ik: waar moet ik heen, zelfs zoo ik vermag te vluchten. Waar moest een afgebeulde ezel heen, zelfs al wist hij zich te bevrijden uit de slavernij van hartelooze houthakkers. En steeds stond ik, de binnen gierende wind tusschen mijn pooten waaiende en spelende met de vuile vlokken van mijn staart. Buiten schenen de schimmen der Centauren en woeste Lapithen in woedenden strijd doorelkaârte woelen...
Plotseling hoorde ik stemmen. Stemmen van menschen, grovere stemmen nog dan die van de houthakkers. Ik begreep, dat het roovers waren. Ellendige roovers, wezens, die bewonen de bergspelonken, nauwlijks menschen meer, maar verbeestelijkt van ellende en die in de nachten van stormgeweld naar buiten sluipen en in hoeven en hutten langs de bergflanken trachten te stelen wat vergeten gereedschap, een paar hoenderen, een stuk vee... Ik hoorde hen reeds de hut open breken maar zij braakten verwenschingen uit, want zij vonden niet anders dan een kapotte kruik en een gebroken schotel, een gescheurden mantel en een versleten mat... En toen beukten zij op mijn staldeur. In een oogwenk bezweken de planken en maakten zij juichende zich van mij meester. Veel waarde had ik niet, maar ik was toch een ezel en meer waard dan een versleten mat, gescheurden mantel, gebroken schotel of kapotte kruik. In die onheilsnacht, waarin zeker Hekate tusschen al hare heksen zege vierde over de rampzalige wereld, sleurden mij de drie boeven mijn stal uit en slingerden zich alle drie op mijn rug. Meer dan ik hen zag in stormgeweld en regengestriem, voelde ik hen, de havelooze schavuiten en schurken, zoo als er zich naamloos en wetloos verbergen in het gebergte, de haren en baarden en nagels nimmer geknipt, nauwlijks bedekt met lompen en schurftige schapenhuid, wilde-mannen meer dan menschelijke wezens, voor wie zelfs de saters der wouden vreezen en de verdwaalde nymfen zich verschuilen in de spleten der doorbliksemde boomstammen. En op mijn rug joegen zij mij voort in het stormgeweld, berg-af, berg-af... Ik strompelde, ik struikelde over de rotsblokken en boomewortelen, een zware tak viel juist over mijn kop en verblindde mij... Eindelijk in denmorgen, uitgeput, was ik met mijn drietal berijders den berg af- en omgedaald. De wind raasde niet meer zoo hevig; de rivier schuimde, hoog gezwollen, over de rotsen; ik stak haar over, getrapt in mijn flanken door drie paar boevehielen... Maar nu dorsten zij niet verder... Ginds was een uitgebreid molenbedrijf: de gebouwen er van teekenden zich af tegen de grauwe morgenlucht: de verwinterde velden lagen er verlaten, verwilderd rondom. Molenslaven waren reeds bezig voor een schuur, zakken met meel te laden op een wagen, toen zij de drie boeven zagen, die, op mijn rug, stil hielden op eenigen afstand.
En de opzichter van de slaven riep de boeven toe, dat zij heen zouden gaan en dat er niets te schooieren viel en dat zij geen meel zouden krijgen. Maar de vreeslijke boeven riepen, dat zij hun ezel geven wilden voor meel, want dat zij honger leden, dat zij voor een kleinen zak meel hun ezel geven wilden... De opzichter naderde met zijn slaven en klaarblijkelijk gevoelde dat molenaarsvolk walging van de drie mizerabele verworpelingen zoo als zij, de wilde-mannen, bijna schuw waren dichter te naderen waar werkelijke menschwezens woonden. Maar toen scheen de opziener zijn afkeer wel te bedwingen, naderde hij; de wilde-mannen stegen af, de slaven wierpen hun een zak meel toe en maakten zich van mij meester. De wilde-mannen verdwenen dadelijk en de opziener zeide:
—Het is een afgebeulde ezel, maar altijd nog goed genoeg om een molensteen te draaien: hij kan dan draaien tot hij er bij neêr valt.
En met een schop in mijn achterdeel joegen zij mij voorwaarts, naar de molensteenen, die ginds onder afdakken werden rond gedraaid door ezels en misdadigers beiden...