Achtste Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.Achtste Hoofdstuk.Piets’ levensgeschiedenis neemt een geheimzinnige wending.Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid.Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd.Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust tot studeeren in hem ontwikkelde.Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder zich doctors en rechtsgeleerden bevonden.En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen.Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit te breiden.Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en weldra prijkten daarin boeken overStaathuishoudkunde, Electriciteit, Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie, Aardrijkskunde, etc. etc.—Romans van Henri Borel naast de Fransche Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles, maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was.Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de Arrondissements-rechtbank bij.Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren.En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden, dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen.Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen, zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken.En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel eens te pas kunnen komen.Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega’s van de andere stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden.Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen.Ze hadden het heel slim aangelegd.Gerrit Lijster—zoo heette de eerste—was met Barend de Kort op een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen binnengestapt.Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, sprakenzeer beschaafd en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden.Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen.„O, dat treft u slecht,” had de bediende gezegd, „want de patroon is heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen.”Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond.Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen—ook alweer zeer beleefd en beschaafd—of ze dan met den bediende over de aan te koopen kostbare geschenken konden spreken.„Met zeer veel genoegen,” was het antwoord.„Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan,” stelden Lijster en de Kort voor. „Want als toevallig een onzer vrienden passeerde, zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn.”„Natuurlijk, natuurlijk,” glimlachte de bediende, „gaat u binnen.”Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag.Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort hem een geladen revolver onder den neus hield.„Ziezoo,” sprak Lijster, „nu zullen we je op dezen stoel binden, want we kunnen de rest wel zonder je af.”Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen, gouden horloges, armbanden, kettingen en broches.Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter zich op slot gedraaid te hebben.Maar de arm van het gerecht reikt ver.Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden van politie en justitie.Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig duizend gulden.De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte, verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven … of tenminste zeiden, waar de buit was.Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben.Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers van de Morgenpost met angstige belangstellingverslonden werd. En Piet deed vreemd dien avond.Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel gezet.Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje onder den neus.„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?”Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan ’t eind weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet al te helder sporthemd deed hij een oud jasje.Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af.Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak.Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders winkel in.„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?” vroeg Pietje op ruwen toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke blikken aankeek.„Smiese? … Smiese? … Nooit van gehoord …. wacht eens … Vrouw, ken jij eene Smiese hier in de buurt?”Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper.„Smiese … nee … ken ik niet … Hier ben je bij Bell.”„Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever an de rechtbank?”Moeder verschoot van kleur … dáár had je ’t nou al!Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen.Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars in de krant te zetten?Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken!En daar had je nou al zoo’n exemplaar … dat achter de tralies thuishoorde … Maar ’t vernuft van een Moeder is héél groot.„Familie? … nee man … die woont hier niet …”„Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg ’m dan maar uit main naam, dat ik em in de gaten houw.”En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn.Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere.Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoettehij Eetje Pijpers, die een straatje omliep met Jeanne d’Arc, alias Jannetje de Boog, en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong.Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars.Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons.Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na.„Onbeschémd répélje …” schold Eetje, zijn hoed af stoffend … „minderwérdige slémpémpers!!”Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg.Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de „onderwereld” noemt.Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze ongewone kleedij hierheen dreef.Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen van zijn tocht.Hij slenterde—steeds in dezelfde, onverschillige houding—langs de zeemans-café’s en danshuizen.Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan.Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en ’t schetterend ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door, valsch begeleid door een harmonica-met-piano in ’t café daarnaast.Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend tegen een der pilaren.Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen, meestal typen van het minste allooi.Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligenavond aan wal zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten.In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met kaartspelen of op andere manieren afgenomen.Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak.„Dans jij niet, maat?”„Nee,” zei Piet, „nou niet.”„En waarom niet?”„Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam … zoek een karwei.”„Zoo … zoek jij een karwei? … Ben je ook van de beweging?”Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, datdiefstalmoest beteekenen.„Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles,” zei Piet voorzichtig.„Mijn kan je vertrouwen,” zei de man knipoogend. „Ze noeme me Rooie Tinus vanwege m’n pruik. ’k Ben jarenlang al in de negosie, versta je? En nooit geknipt!”„Wat zou je me aanraaie,” vroeg Piet, die zijn rol van „toffe jongen” prachtig volhield.„We kenne hier niet praten,” zei Rooie Tinus,„d’r loopen hier teveel „dof gajes”1rond. Maar als je nou om één uur vannacht in ’t Wapen van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk.”Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers.Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering, een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen zeop elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels, stoelen en vloermatten door de dansruimte.De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op in te slaan zonder aanzien des persoons.Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers op elkander aan.Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over.Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden heen, voetje voor voetje den uitgang naderend.Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen.Bewusteloos zakte hij ineen.Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem af en legde hem neer op den vloer van een kelder.Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te veranderen.Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de krottenbuurt.Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer … koperschetterend … oorverscheurend … de menigte danste weer …Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis …Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer laat naar huis keerde.Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen daarom gerust slapen.Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was, besloot Moeder, den jongen maar even te wekken.Ze opende de deur van zijn kamer en vond…alles in de volmaaktste orde … het bed onbeslapen … en geen spoor van kleeren!In één seconde had Moeder het begrepen.Piet was dien nacht niet thuisgeweest!Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar boven kwam.„Vader … onze jongen … is er niet!”„Wat? … is hij er niet?”Verstomd keken beiden een poos de kamer rond.Er was niets bijzonders te bemerken.Moeder opende de kastdeur.„En al zijn goed hangt hier!” riep ze opeens verbaasd uit. „Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.”„Drie hoeden heeft hij,” voegde Vader erbij, „en die zijn er ook.”Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.Opeens begon hij te lachen.„Wel,” zei hij, „dan moet hij op de badkamer zijn.”„Maar het bed is niet eens beslapen.”Op de badkamer was Piet al evenmin.Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen tik van de klok.Daar klonk de telefoonschel in den winkel.Vader snelde naar het toestel.„Hallo?”„Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op hetbureau komt?” klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur.„Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond … en … zijn moeder … en ik weten niet … waar hij is …” sprak Vader, met van angst trillende stem.„Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?”„Dat heeft hij niet gezegd.”„Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?”„Gisteravond om zes uur, aan het avondeten.”„Wel … dat is vreemd …”„Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?”„Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis stellen. Heeft u ook een portret van hem?”„Jawel, en een goed gelijkend ook.”„Kunt u mij dat laten bezorgen?”„Ik zal het direct zelf brengen.”„Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken van laten maken.”„Dank u … Ik kom dadelijk.”Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost.Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw van het dagblad.Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het geval en was vol belangstelling.De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet de minste inlichting.Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten.Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschienergens opgehouden was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op.Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het gebouw stil.Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig de trappen op.De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar stond … Pietje Bell … welvarend en blakend van gezondheid!Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond.Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond en zei:„Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben vannacht op een klein karweitje uitgeweest.”En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met diamanten en gouden voorwerpen.„Jongen!” riep Vader Bell verschrikt, „je hebt dat toch niet ge … ge … sto …”„Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maarik heb het gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij:„Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten & Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn, dat ik de kaas van hun brood gegeten heb.”„Prachtig!… prachtig!… kerel, wat een stuk voor de courant!!… Maar hoe heb je ’m dat nu geleverd?”„Dat zal ik u vertellen,” zei Piet.En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet, tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte.„In minder dan geen tijd,” vervolgde Piet, die weer als altijd een vloed van buitenmodel bijvoeglijkeen zelfstandige naamwoorden gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen.Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo’n vechtende kleipeer achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was, maar alleen overschoot.Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit.Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren, maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal compleet was en toen stak ik een lucifer aan.Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beternog, een vliering was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder.De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd, maar hadden wel een handbreed tusschenruimte.Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas.Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten.En toen hoorde ik voetstappen ….Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon.De een droeg een zware tasch—deze hier—en zei tegen z’n compagnon:„Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is.”„Veilig genoeg voor ’n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist dit krot er voor uit te pikken?”„Orders van Gerrit Lijster,” zei de eerste. „Overmorgen komt Fransche Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. ’t Huis was door Gerrit aangewezen … ’t is een leegstaand pakhuis, zooals je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor.”„Nou, u begrijpt,” zei Piet, „een verlaten pakhuis, dat knoopte ik goed in m’n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de zolder ervan schudde.„Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik het maar geriskeerd.„Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen.„Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de „aap” was, want ik durfde geen geraas te maken, daar ’t huis wel eens bewaakt kon zijn. Bovendien maakte elke plank van ’t rotte huis zoo’n kermend lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen.„Stil … daar kwamen weer voetstappen ’t straatje in … ik voelde m’n hart in m’n teenen kloppen … maar gelukkig kreeg ik geen tweede visite. D’r was een raam open en daar heb ik even door naar ’t straatje gekeken. Jawel hoor, … aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man … aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.„’t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen.„Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in mijn schik met het geval.... aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man ...„Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude vensters moest zijn.„Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den zolder naar beneden.„Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je naasten’s hersepan heel geschikt haché kon maken.„Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in ’t huis aan den overkant van het straatje.„De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik het portaal van het andere huis bereikt.„Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei, die van 2000 meter hoogte in zee viel.„Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door een der ramen van het pakhuis.„Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte.„Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en ’t pakhuis binnenrenden.„Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen, tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat.... aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.„Maar nauwelijks was m’n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht.„De rest is eenvoudig.„Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere automaat hierheen gekomen.„En hier is de „aap”.”„Wel Piet,” zei de directeur, „je verhaal is goud waard en je avontuur niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat jePieter Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je vanmiddag om twee uur bij mij.”Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur.„Maar moeder zit nog in doodsangst,” zei hij. „Laten we gauw een rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je in de tram te zitten.”„Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij, dat u naar de Morgenpost was.”Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen.Een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen.1Dof gajes …. Politie in burger, rechercheurs.↑

Achtste Hoofdstuk.Achtste Hoofdstuk.Piets’ levensgeschiedenis neemt een geheimzinnige wending.Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid.Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd.Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust tot studeeren in hem ontwikkelde.Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder zich doctors en rechtsgeleerden bevonden.En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen.Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit te breiden.Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en weldra prijkten daarin boeken overStaathuishoudkunde, Electriciteit, Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie, Aardrijkskunde, etc. etc.—Romans van Henri Borel naast de Fransche Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles, maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was.Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de Arrondissements-rechtbank bij.Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren.En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden, dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen.Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen, zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken.En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel eens te pas kunnen komen.Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega’s van de andere stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden.Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen.Ze hadden het heel slim aangelegd.Gerrit Lijster—zoo heette de eerste—was met Barend de Kort op een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen binnengestapt.Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, sprakenzeer beschaafd en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden.Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen.„O, dat treft u slecht,” had de bediende gezegd, „want de patroon is heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen.”Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond.Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen—ook alweer zeer beleefd en beschaafd—of ze dan met den bediende over de aan te koopen kostbare geschenken konden spreken.„Met zeer veel genoegen,” was het antwoord.„Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan,” stelden Lijster en de Kort voor. „Want als toevallig een onzer vrienden passeerde, zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn.”„Natuurlijk, natuurlijk,” glimlachte de bediende, „gaat u binnen.”Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag.Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort hem een geladen revolver onder den neus hield.„Ziezoo,” sprak Lijster, „nu zullen we je op dezen stoel binden, want we kunnen de rest wel zonder je af.”Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen, gouden horloges, armbanden, kettingen en broches.Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter zich op slot gedraaid te hebben.Maar de arm van het gerecht reikt ver.Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden van politie en justitie.Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig duizend gulden.De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte, verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven … of tenminste zeiden, waar de buit was.Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben.Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers van de Morgenpost met angstige belangstellingverslonden werd. En Piet deed vreemd dien avond.Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel gezet.Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje onder den neus.„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?”Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan ’t eind weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet al te helder sporthemd deed hij een oud jasje.Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af.Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak.Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders winkel in.„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?” vroeg Pietje op ruwen toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke blikken aankeek.„Smiese? … Smiese? … Nooit van gehoord …. wacht eens … Vrouw, ken jij eene Smiese hier in de buurt?”Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper.„Smiese … nee … ken ik niet … Hier ben je bij Bell.”„Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever an de rechtbank?”Moeder verschoot van kleur … dáár had je ’t nou al!Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen.Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars in de krant te zetten?Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken!En daar had je nou al zoo’n exemplaar … dat achter de tralies thuishoorde … Maar ’t vernuft van een Moeder is héél groot.„Familie? … nee man … die woont hier niet …”„Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg ’m dan maar uit main naam, dat ik em in de gaten houw.”En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn.Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere.Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoettehij Eetje Pijpers, die een straatje omliep met Jeanne d’Arc, alias Jannetje de Boog, en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong.Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars.Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons.Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na.„Onbeschémd répélje …” schold Eetje, zijn hoed af stoffend … „minderwérdige slémpémpers!!”Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg.Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de „onderwereld” noemt.Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze ongewone kleedij hierheen dreef.Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen van zijn tocht.Hij slenterde—steeds in dezelfde, onverschillige houding—langs de zeemans-café’s en danshuizen.Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan.Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en ’t schetterend ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door, valsch begeleid door een harmonica-met-piano in ’t café daarnaast.Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend tegen een der pilaren.Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen, meestal typen van het minste allooi.Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligenavond aan wal zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten.In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met kaartspelen of op andere manieren afgenomen.Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak.„Dans jij niet, maat?”„Nee,” zei Piet, „nou niet.”„En waarom niet?”„Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam … zoek een karwei.”„Zoo … zoek jij een karwei? … Ben je ook van de beweging?”Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, datdiefstalmoest beteekenen.„Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles,” zei Piet voorzichtig.„Mijn kan je vertrouwen,” zei de man knipoogend. „Ze noeme me Rooie Tinus vanwege m’n pruik. ’k Ben jarenlang al in de negosie, versta je? En nooit geknipt!”„Wat zou je me aanraaie,” vroeg Piet, die zijn rol van „toffe jongen” prachtig volhield.„We kenne hier niet praten,” zei Rooie Tinus,„d’r loopen hier teveel „dof gajes”1rond. Maar als je nou om één uur vannacht in ’t Wapen van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk.”Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers.Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering, een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen zeop elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels, stoelen en vloermatten door de dansruimte.De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op in te slaan zonder aanzien des persoons.Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers op elkander aan.Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over.Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden heen, voetje voor voetje den uitgang naderend.Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen.Bewusteloos zakte hij ineen.Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem af en legde hem neer op den vloer van een kelder.Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te veranderen.Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de krottenbuurt.Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer … koperschetterend … oorverscheurend … de menigte danste weer …Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis …Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer laat naar huis keerde.Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen daarom gerust slapen.Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was, besloot Moeder, den jongen maar even te wekken.Ze opende de deur van zijn kamer en vond…alles in de volmaaktste orde … het bed onbeslapen … en geen spoor van kleeren!In één seconde had Moeder het begrepen.Piet was dien nacht niet thuisgeweest!Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar boven kwam.„Vader … onze jongen … is er niet!”„Wat? … is hij er niet?”Verstomd keken beiden een poos de kamer rond.Er was niets bijzonders te bemerken.Moeder opende de kastdeur.„En al zijn goed hangt hier!” riep ze opeens verbaasd uit. „Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.”„Drie hoeden heeft hij,” voegde Vader erbij, „en die zijn er ook.”Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.Opeens begon hij te lachen.„Wel,” zei hij, „dan moet hij op de badkamer zijn.”„Maar het bed is niet eens beslapen.”Op de badkamer was Piet al evenmin.Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen tik van de klok.Daar klonk de telefoonschel in den winkel.Vader snelde naar het toestel.„Hallo?”„Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op hetbureau komt?” klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur.„Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond … en … zijn moeder … en ik weten niet … waar hij is …” sprak Vader, met van angst trillende stem.„Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?”„Dat heeft hij niet gezegd.”„Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?”„Gisteravond om zes uur, aan het avondeten.”„Wel … dat is vreemd …”„Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?”„Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis stellen. Heeft u ook een portret van hem?”„Jawel, en een goed gelijkend ook.”„Kunt u mij dat laten bezorgen?”„Ik zal het direct zelf brengen.”„Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken van laten maken.”„Dank u … Ik kom dadelijk.”Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost.Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw van het dagblad.Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het geval en was vol belangstelling.De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet de minste inlichting.Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten.Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschienergens opgehouden was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op.Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het gebouw stil.Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig de trappen op.De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar stond … Pietje Bell … welvarend en blakend van gezondheid!Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond.Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond en zei:„Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben vannacht op een klein karweitje uitgeweest.”En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met diamanten en gouden voorwerpen.„Jongen!” riep Vader Bell verschrikt, „je hebt dat toch niet ge … ge … sto …”„Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maarik heb het gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij:„Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten & Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn, dat ik de kaas van hun brood gegeten heb.”„Prachtig!… prachtig!… kerel, wat een stuk voor de courant!!… Maar hoe heb je ’m dat nu geleverd?”„Dat zal ik u vertellen,” zei Piet.En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet, tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte.„In minder dan geen tijd,” vervolgde Piet, die weer als altijd een vloed van buitenmodel bijvoeglijkeen zelfstandige naamwoorden gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen.Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo’n vechtende kleipeer achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was, maar alleen overschoot.Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit.Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren, maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal compleet was en toen stak ik een lucifer aan.Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beternog, een vliering was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder.De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd, maar hadden wel een handbreed tusschenruimte.Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas.Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten.En toen hoorde ik voetstappen ….Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon.De een droeg een zware tasch—deze hier—en zei tegen z’n compagnon:„Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is.”„Veilig genoeg voor ’n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist dit krot er voor uit te pikken?”„Orders van Gerrit Lijster,” zei de eerste. „Overmorgen komt Fransche Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. ’t Huis was door Gerrit aangewezen … ’t is een leegstaand pakhuis, zooals je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor.”„Nou, u begrijpt,” zei Piet, „een verlaten pakhuis, dat knoopte ik goed in m’n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de zolder ervan schudde.„Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik het maar geriskeerd.„Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen.„Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de „aap” was, want ik durfde geen geraas te maken, daar ’t huis wel eens bewaakt kon zijn. Bovendien maakte elke plank van ’t rotte huis zoo’n kermend lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen.„Stil … daar kwamen weer voetstappen ’t straatje in … ik voelde m’n hart in m’n teenen kloppen … maar gelukkig kreeg ik geen tweede visite. D’r was een raam open en daar heb ik even door naar ’t straatje gekeken. Jawel hoor, … aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man … aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.„’t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen.„Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in mijn schik met het geval.... aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man ...„Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude vensters moest zijn.„Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den zolder naar beneden.„Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je naasten’s hersepan heel geschikt haché kon maken.„Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in ’t huis aan den overkant van het straatje.„De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik het portaal van het andere huis bereikt.„Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei, die van 2000 meter hoogte in zee viel.„Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door een der ramen van het pakhuis.„Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte.„Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en ’t pakhuis binnenrenden.„Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen, tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat.... aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.„Maar nauwelijks was m’n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht.„De rest is eenvoudig.„Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere automaat hierheen gekomen.„En hier is de „aap”.”„Wel Piet,” zei de directeur, „je verhaal is goud waard en je avontuur niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat jePieter Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je vanmiddag om twee uur bij mij.”Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur.„Maar moeder zit nog in doodsangst,” zei hij. „Laten we gauw een rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je in de tram te zitten.”„Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij, dat u naar de Morgenpost was.”Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen.Een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen.1Dof gajes …. Politie in burger, rechercheurs.↑

Achtste Hoofdstuk.Achtste Hoofdstuk.Piets’ levensgeschiedenis neemt een geheimzinnige wending.

Achtste Hoofdstuk.

Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid.Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd.Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust tot studeeren in hem ontwikkelde.Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder zich doctors en rechtsgeleerden bevonden.En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen.Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit te breiden.Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en weldra prijkten daarin boeken overStaathuishoudkunde, Electriciteit, Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie, Aardrijkskunde, etc. etc.—Romans van Henri Borel naast de Fransche Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles, maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was.Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de Arrondissements-rechtbank bij.Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren.En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden, dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen.Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen, zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken.En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel eens te pas kunnen komen.Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega’s van de andere stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden.Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen.Ze hadden het heel slim aangelegd.Gerrit Lijster—zoo heette de eerste—was met Barend de Kort op een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen binnengestapt.Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, sprakenzeer beschaafd en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden.Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen.„O, dat treft u slecht,” had de bediende gezegd, „want de patroon is heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen.”Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond.Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen—ook alweer zeer beleefd en beschaafd—of ze dan met den bediende over de aan te koopen kostbare geschenken konden spreken.„Met zeer veel genoegen,” was het antwoord.„Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan,” stelden Lijster en de Kort voor. „Want als toevallig een onzer vrienden passeerde, zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn.”„Natuurlijk, natuurlijk,” glimlachte de bediende, „gaat u binnen.”Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag.Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort hem een geladen revolver onder den neus hield.„Ziezoo,” sprak Lijster, „nu zullen we je op dezen stoel binden, want we kunnen de rest wel zonder je af.”Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen, gouden horloges, armbanden, kettingen en broches.Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter zich op slot gedraaid te hebben.Maar de arm van het gerecht reikt ver.Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden van politie en justitie.Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig duizend gulden.De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte, verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven … of tenminste zeiden, waar de buit was.Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben.Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers van de Morgenpost met angstige belangstellingverslonden werd. En Piet deed vreemd dien avond.Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel gezet.Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje onder den neus.„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?”Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan ’t eind weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet al te helder sporthemd deed hij een oud jasje.Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af.Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak.Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders winkel in.„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?” vroeg Pietje op ruwen toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke blikken aankeek.„Smiese? … Smiese? … Nooit van gehoord …. wacht eens … Vrouw, ken jij eene Smiese hier in de buurt?”Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper.„Smiese … nee … ken ik niet … Hier ben je bij Bell.”„Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever an de rechtbank?”Moeder verschoot van kleur … dáár had je ’t nou al!Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen.Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars in de krant te zetten?Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken!En daar had je nou al zoo’n exemplaar … dat achter de tralies thuishoorde … Maar ’t vernuft van een Moeder is héél groot.„Familie? … nee man … die woont hier niet …”„Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg ’m dan maar uit main naam, dat ik em in de gaten houw.”En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn.Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere.Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoettehij Eetje Pijpers, die een straatje omliep met Jeanne d’Arc, alias Jannetje de Boog, en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong.Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars.Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons.Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na.„Onbeschémd répélje …” schold Eetje, zijn hoed af stoffend … „minderwérdige slémpémpers!!”Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg.Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de „onderwereld” noemt.Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze ongewone kleedij hierheen dreef.Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen van zijn tocht.Hij slenterde—steeds in dezelfde, onverschillige houding—langs de zeemans-café’s en danshuizen.Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan.Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en ’t schetterend ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door, valsch begeleid door een harmonica-met-piano in ’t café daarnaast.Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend tegen een der pilaren.Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen, meestal typen van het minste allooi.Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligenavond aan wal zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten.In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met kaartspelen of op andere manieren afgenomen.Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak.„Dans jij niet, maat?”„Nee,” zei Piet, „nou niet.”„En waarom niet?”„Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam … zoek een karwei.”„Zoo … zoek jij een karwei? … Ben je ook van de beweging?”Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, datdiefstalmoest beteekenen.„Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles,” zei Piet voorzichtig.„Mijn kan je vertrouwen,” zei de man knipoogend. „Ze noeme me Rooie Tinus vanwege m’n pruik. ’k Ben jarenlang al in de negosie, versta je? En nooit geknipt!”„Wat zou je me aanraaie,” vroeg Piet, die zijn rol van „toffe jongen” prachtig volhield.„We kenne hier niet praten,” zei Rooie Tinus,„d’r loopen hier teveel „dof gajes”1rond. Maar als je nou om één uur vannacht in ’t Wapen van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk.”Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers.Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering, een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen zeop elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels, stoelen en vloermatten door de dansruimte.De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op in te slaan zonder aanzien des persoons.Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers op elkander aan.Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over.Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden heen, voetje voor voetje den uitgang naderend.Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen.Bewusteloos zakte hij ineen.Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem af en legde hem neer op den vloer van een kelder.Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te veranderen.Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de krottenbuurt.Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer … koperschetterend … oorverscheurend … de menigte danste weer …Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis …Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer laat naar huis keerde.Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen daarom gerust slapen.Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was, besloot Moeder, den jongen maar even te wekken.Ze opende de deur van zijn kamer en vond…alles in de volmaaktste orde … het bed onbeslapen … en geen spoor van kleeren!In één seconde had Moeder het begrepen.Piet was dien nacht niet thuisgeweest!Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar boven kwam.„Vader … onze jongen … is er niet!”„Wat? … is hij er niet?”Verstomd keken beiden een poos de kamer rond.Er was niets bijzonders te bemerken.Moeder opende de kastdeur.„En al zijn goed hangt hier!” riep ze opeens verbaasd uit. „Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.”„Drie hoeden heeft hij,” voegde Vader erbij, „en die zijn er ook.”Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.Opeens begon hij te lachen.„Wel,” zei hij, „dan moet hij op de badkamer zijn.”„Maar het bed is niet eens beslapen.”Op de badkamer was Piet al evenmin.Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen tik van de klok.Daar klonk de telefoonschel in den winkel.Vader snelde naar het toestel.„Hallo?”„Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op hetbureau komt?” klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur.„Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond … en … zijn moeder … en ik weten niet … waar hij is …” sprak Vader, met van angst trillende stem.„Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?”„Dat heeft hij niet gezegd.”„Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?”„Gisteravond om zes uur, aan het avondeten.”„Wel … dat is vreemd …”„Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?”„Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis stellen. Heeft u ook een portret van hem?”„Jawel, en een goed gelijkend ook.”„Kunt u mij dat laten bezorgen?”„Ik zal het direct zelf brengen.”„Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken van laten maken.”„Dank u … Ik kom dadelijk.”Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost.Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw van het dagblad.Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het geval en was vol belangstelling.De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet de minste inlichting.Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten.Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschienergens opgehouden was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op.Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het gebouw stil.Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig de trappen op.De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar stond … Pietje Bell … welvarend en blakend van gezondheid!Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond.Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond en zei:„Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben vannacht op een klein karweitje uitgeweest.”En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met diamanten en gouden voorwerpen.„Jongen!” riep Vader Bell verschrikt, „je hebt dat toch niet ge … ge … sto …”„Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maarik heb het gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij:„Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten & Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn, dat ik de kaas van hun brood gegeten heb.”„Prachtig!… prachtig!… kerel, wat een stuk voor de courant!!… Maar hoe heb je ’m dat nu geleverd?”„Dat zal ik u vertellen,” zei Piet.En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet, tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte.„In minder dan geen tijd,” vervolgde Piet, die weer als altijd een vloed van buitenmodel bijvoeglijkeen zelfstandige naamwoorden gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen.Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo’n vechtende kleipeer achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was, maar alleen overschoot.Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit.Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren, maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal compleet was en toen stak ik een lucifer aan.Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beternog, een vliering was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder.De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd, maar hadden wel een handbreed tusschenruimte.Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas.Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten.En toen hoorde ik voetstappen ….Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon.De een droeg een zware tasch—deze hier—en zei tegen z’n compagnon:„Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is.”„Veilig genoeg voor ’n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist dit krot er voor uit te pikken?”„Orders van Gerrit Lijster,” zei de eerste. „Overmorgen komt Fransche Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. ’t Huis was door Gerrit aangewezen … ’t is een leegstaand pakhuis, zooals je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor.”„Nou, u begrijpt,” zei Piet, „een verlaten pakhuis, dat knoopte ik goed in m’n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de zolder ervan schudde.„Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik het maar geriskeerd.„Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen.„Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de „aap” was, want ik durfde geen geraas te maken, daar ’t huis wel eens bewaakt kon zijn. Bovendien maakte elke plank van ’t rotte huis zoo’n kermend lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen.„Stil … daar kwamen weer voetstappen ’t straatje in … ik voelde m’n hart in m’n teenen kloppen … maar gelukkig kreeg ik geen tweede visite. D’r was een raam open en daar heb ik even door naar ’t straatje gekeken. Jawel hoor, … aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man … aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.„’t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen.„Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in mijn schik met het geval.... aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man ...„Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude vensters moest zijn.„Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den zolder naar beneden.„Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je naasten’s hersepan heel geschikt haché kon maken.„Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in ’t huis aan den overkant van het straatje.„De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik het portaal van het andere huis bereikt.„Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei, die van 2000 meter hoogte in zee viel.„Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door een der ramen van het pakhuis.„Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte.„Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en ’t pakhuis binnenrenden.„Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen, tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat.... aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.„Maar nauwelijks was m’n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht.„De rest is eenvoudig.„Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere automaat hierheen gekomen.„En hier is de „aap”.”„Wel Piet,” zei de directeur, „je verhaal is goud waard en je avontuur niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat jePieter Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je vanmiddag om twee uur bij mij.”Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur.„Maar moeder zit nog in doodsangst,” zei hij. „Laten we gauw een rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je in de tram te zitten.”„Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij, dat u naar de Morgenpost was.”Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen.Een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen.

Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid.

Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd.

Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust tot studeeren in hem ontwikkelde.

Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder zich doctors en rechtsgeleerden bevonden.

En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen.

Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit te breiden.

Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en weldra prijkten daarin boeken overStaathuishoudkunde, Electriciteit, Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie, Aardrijkskunde, etc. etc.—Romans van Henri Borel naast de Fransche Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles, maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was.

Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de Arrondissements-rechtbank bij.

Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren.

En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden, dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen.

Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen, zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken.

En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel eens te pas kunnen komen.

Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega’s van de andere stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden.

Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen.

Ze hadden het heel slim aangelegd.

Gerrit Lijster—zoo heette de eerste—was met Barend de Kort op een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen binnengestapt.

Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, sprakenzeer beschaafd en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden.

Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen.

„O, dat treft u slecht,” had de bediende gezegd, „want de patroon is heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen.”

Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond.

Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen—ook alweer zeer beleefd en beschaafd—of ze dan met den bediende over de aan te koopen kostbare geschenken konden spreken.

„Met zeer veel genoegen,” was het antwoord.

„Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan,” stelden Lijster en de Kort voor. „Want als toevallig een onzer vrienden passeerde, zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn.”

„Natuurlijk, natuurlijk,” glimlachte de bediende, „gaat u binnen.”

Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag.

Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort hem een geladen revolver onder den neus hield.

„Ziezoo,” sprak Lijster, „nu zullen we je op dezen stoel binden, want we kunnen de rest wel zonder je af.”

Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen, gouden horloges, armbanden, kettingen en broches.

Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter zich op slot gedraaid te hebben.

Maar de arm van het gerecht reikt ver.

Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden van politie en justitie.

Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig duizend gulden.

De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte, verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven … of tenminste zeiden, waar de buit was.

Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben.

Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers van de Morgenpost met angstige belangstellingverslonden werd. En Piet deed vreemd dien avond.

Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel gezet.

Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje onder den neus.

„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?”

Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan ’t eind weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet al te helder sporthemd deed hij een oud jasje.

Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af.

Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak.

Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders winkel in.

„Kan je main niet segge, waar Smiese woont?” vroeg Pietje op ruwen toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke blikken aankeek.

„Smiese? … Smiese? … Nooit van gehoord …. wacht eens … Vrouw, ken jij eene Smiese hier in de buurt?”

Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper.

„Smiese … nee … ken ik niet … Hier ben je bij Bell.”

„Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever an de rechtbank?”

Moeder verschoot van kleur … dáár had je ’t nou al!

Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen.

Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars in de krant te zetten?

Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken!

En daar had je nou al zoo’n exemplaar … dat achter de tralies thuishoorde … Maar ’t vernuft van een Moeder is héél groot.

„Familie? … nee man … die woont hier niet …”

„Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg ’m dan maar uit main naam, dat ik em in de gaten houw.”

En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn.

Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere.

Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoettehij Eetje Pijpers, die een straatje omliep met Jeanne d’Arc, alias Jannetje de Boog, en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong.

Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars.

Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons.

Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na.

„Onbeschémd répélje …” schold Eetje, zijn hoed af stoffend … „minderwérdige slémpémpers!!”

Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg.

Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de „onderwereld” noemt.

Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze ongewone kleedij hierheen dreef.

Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen van zijn tocht.

Hij slenterde—steeds in dezelfde, onverschillige houding—langs de zeemans-café’s en danshuizen.

Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan.

Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en ’t schetterend ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door, valsch begeleid door een harmonica-met-piano in ’t café daarnaast.

Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend tegen een der pilaren.

Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen, meestal typen van het minste allooi.

Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligenavond aan wal zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten.

In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met kaartspelen of op andere manieren afgenomen.

Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak.

„Dans jij niet, maat?”

„Nee,” zei Piet, „nou niet.”

„En waarom niet?”

„Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam … zoek een karwei.”

„Zoo … zoek jij een karwei? … Ben je ook van de beweging?”

Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, datdiefstalmoest beteekenen.

„Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles,” zei Piet voorzichtig.

„Mijn kan je vertrouwen,” zei de man knipoogend. „Ze noeme me Rooie Tinus vanwege m’n pruik. ’k Ben jarenlang al in de negosie, versta je? En nooit geknipt!”

„Wat zou je me aanraaie,” vroeg Piet, die zijn rol van „toffe jongen” prachtig volhield.

„We kenne hier niet praten,” zei Rooie Tinus,„d’r loopen hier teveel „dof gajes”1rond. Maar als je nou om één uur vannacht in ’t Wapen van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk.”

Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers.

Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering, een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen zeop elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels, stoelen en vloermatten door de dansruimte.

De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op in te slaan zonder aanzien des persoons.

Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers op elkander aan.

Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over.

Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden heen, voetje voor voetje den uitgang naderend.

Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen.

Bewusteloos zakte hij ineen.

Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem af en legde hem neer op den vloer van een kelder.

Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te veranderen.

Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de krottenbuurt.

Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer … koperschetterend … oorverscheurend … de menigte danste weer …

Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis …

Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer laat naar huis keerde.

Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen daarom gerust slapen.

Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was, besloot Moeder, den jongen maar even te wekken.

Ze opende de deur van zijn kamer en vond…alles in de volmaaktste orde … het bed onbeslapen … en geen spoor van kleeren!

In één seconde had Moeder het begrepen.

Piet was dien nacht niet thuisgeweest!

Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar boven kwam.

„Vader … onze jongen … is er niet!”

„Wat? … is hij er niet?”

Verstomd keken beiden een poos de kamer rond.

Er was niets bijzonders te bemerken.

Moeder opende de kastdeur.

„En al zijn goed hangt hier!” riep ze opeens verbaasd uit. „Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.”

„Drie hoeden heeft hij,” voegde Vader erbij, „en die zijn er ook.”

Zie, Vader, hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche.

Opeens begon hij te lachen.

„Wel,” zei hij, „dan moet hij op de badkamer zijn.”

„Maar het bed is niet eens beslapen.”

Op de badkamer was Piet al evenmin.

Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen tik van de klok.

Daar klonk de telefoonschel in den winkel.

Vader snelde naar het toestel.

„Hallo?”

„Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op hetbureau komt?” klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur.

„Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond … en … zijn moeder … en ik weten niet … waar hij is …” sprak Vader, met van angst trillende stem.

„Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?”

„Dat heeft hij niet gezegd.”

„Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?”

„Gisteravond om zes uur, aan het avondeten.”

„Wel … dat is vreemd …”

„Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?”

„Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis stellen. Heeft u ook een portret van hem?”

„Jawel, en een goed gelijkend ook.”

„Kunt u mij dat laten bezorgen?”

„Ik zal het direct zelf brengen.”

„Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken van laten maken.”

„Dank u … Ik kom dadelijk.”

Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost.

Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw van het dagblad.

Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het geval en was vol belangstelling.

De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet de minste inlichting.

Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten.

Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschienergens opgehouden was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op.

Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het gebouw stil.

Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig de trappen op.

De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar stond … Pietje Bell … welvarend en blakend van gezondheid!

Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond.

Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond en zei:

„Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben vannacht op een klein karweitje uitgeweest.”

En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met diamanten en gouden voorwerpen.

„Jongen!” riep Vader Bell verschrikt, „je hebt dat toch niet ge … ge … sto …”

„Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maarik heb het gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”

En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij:

„Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten & Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn, dat ik de kaas van hun brood gegeten heb.”

„Prachtig!… prachtig!… kerel, wat een stuk voor de courant!!… Maar hoe heb je ’m dat nu geleverd?”

„Dat zal ik u vertellen,” zei Piet.

En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet, tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte.

„In minder dan geen tijd,” vervolgde Piet, die weer als altijd een vloed van buitenmodel bijvoeglijkeen zelfstandige naamwoorden gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen.

Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo’n vechtende kleipeer achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was, maar alleen overschoot.

Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit.

Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren, maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal compleet was en toen stak ik een lucifer aan.

Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beternog, een vliering was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder.

De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd, maar hadden wel een handbreed tusschenruimte.

Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas.

Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten.

En toen hoorde ik voetstappen ….

Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon.

De een droeg een zware tasch—deze hier—en zei tegen z’n compagnon:

„Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is.”

„Veilig genoeg voor ’n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist dit krot er voor uit te pikken?”

„Orders van Gerrit Lijster,” zei de eerste. „Overmorgen komt Fransche Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. ’t Huis was door Gerrit aangewezen … ’t is een leegstaand pakhuis, zooals je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor.”

„Nou, u begrijpt,” zei Piet, „een verlaten pakhuis, dat knoopte ik goed in m’n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de zolder ervan schudde.

„Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik het maar geriskeerd.

„Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen.

„Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de „aap” was, want ik durfde geen geraas te maken, daar ’t huis wel eens bewaakt kon zijn. Bovendien maakte elke plank van ’t rotte huis zoo’n kermend lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen.

„Stil … daar kwamen weer voetstappen ’t straatje in … ik voelde m’n hart in m’n teenen kloppen … maar gelukkig kreeg ik geen tweede visite. D’r was een raam open en daar heb ik even door naar ’t straatje gekeken. Jawel hoor, … aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man … aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.

„’t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen.

„Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in mijn schik met het geval.

... aan den eenen hoek van ’t steegje stond een man ...

„Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude vensters moest zijn.

„Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den zolder naar beneden.

„Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je naasten’s hersepan heel geschikt haché kon maken.

„Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in ’t huis aan den overkant van het straatje.

„De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik het portaal van het andere huis bereikt.

„Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei, die van 2000 meter hoogte in zee viel.

„Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door een der ramen van het pakhuis.

„Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte.

„Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en ’t pakhuis binnenrenden.

„Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen, tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat.

... aan den anderen kant ook zoo’n exemplaar, die een pijp rookte.

„Maar nauwelijks was m’n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht.

„De rest is eenvoudig.

„Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere automaat hierheen gekomen.

„En hier is de „aap”.”

„Wel Piet,” zei de directeur, „je verhaal is goud waard en je avontuur niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat jePieter Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je vanmiddag om twee uur bij mij.”

Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur.

„Maar moeder zit nog in doodsangst,” zei hij. „Laten we gauw een rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je in de tram te zitten.”

„Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij, dat u naar de Morgenpost was.”

Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen.

Een kwartier later had Moeder haar jongen weer in de armen.

1Dof gajes …. Politie in burger, rechercheurs.↑

1Dof gajes …. Politie in burger, rechercheurs.↑

1Dof gajes …. Politie in burger, rechercheurs.↑


Back to IndexNext