Negende Hoofdstuk.

Negende Hoofdstuk.Negende Hoofdstuk.Zwarte oogen en de „Millions d’Arlequin.”Dien avond wijdde de Morgenpost een sensatie-wekkend artikel aan Piets avontuur, echter zonder zijn naam te noemen.Inplaats daarvan werd medegedeeld dat een zeker detective de geheele zaak geleid en tot een succesvol einde had gebracht.De juweliers-firma Voorschoten & Zonen werd weer in het bezit gesteld van haar eigendom en bood Piet een schitterende belooning aan.Piet echter bedankte de heeren en wilde geen geld ervoor aannemen.„Maar dat is dwaasheid,” sprak de heer Voorschoten.„Ge kunt het geld, dat wij u aanbieden, naar de bank brengen en later, als ge het voor de een of andere onderneming noodig mocht hebben, zal het u zeer te pas komen.”„Jawel,” zei Piet eenvoudig, „maar ik heb geen recht op zulk een groot bedrag en dan ook nog, ik heb geen geld noodig en geef er ook niets om.”„Maar de belooning is werkelijk zoo groot niet. Gijhebt ons bewaard voor een schade van honderd-veertig duizend gulden, en de vijfhonderd gulden belooning is daar maar een druppel van.”„Wel mijnheer,” zei Piet lachend, „als ik geld noodig heb, dan werk ik ervoor en behoef tegen niemand „dank je” te zeggen. Uw vriendschap en achting zijn me meer waard dan geld, maar mocht ik later uw hulp en medewerking noodig hebben, dan hoop ik niet tevergeefs bij u aan te kloppen.”„Jonge vriend,” sprak de heer Voorschoten ernstig, en hij drukte Piet de hand met warmte, „je bent een uitzondering op den regel en je zult het zéér ver brengen in de wereld. Gelukkig is de mensch, die niet steeds op geld loert, maar integendeel liefde heeft voor zijn werk. Wanneer we met plezier en toewijding onzen arbeid verrichten, vriend Bell, komt de rest vanzelf. En luister nu eens: kunt ge aanstaanden Zondag bij ons komen dineeren?”„Zeer gaarne, mijnheer. Op welken tijd zal ik komen?”„Wel, wij dineeren gewoonlijk om zes. Laten we dus afspreken vijf uur bij mij aan huis, Westersingel 895.”Piet drukte den heer Voorschoten nogmaals de hand en vertrok.Hij had een belooning van vijfhonderd gulden afgewezen, maar daar heeft hij nooit berouw van gehad.Twee dagen later werd er op Piets kamer door Moeder een kistje gebracht, dat zooeven bezorgd was door een knecht van de juweliers-firma.Moeder kon haar ongeduld nauwelijks bedwingen, maar Vader zeide haar, dat Piet geen klein kind meer was en niemand dan hijzelf recht had, het pak te openen. Piet opende het des avonds in tegenwoordigheid van zijn ouders.Keurig verpakt in vloeipapier en watten kwam ereen prachtvolle zilveren beker uit te voorschijn, waarin gegraveerd stond:UIT DANKBAARHEIDVOOR BEWEZEN DIENSTEN AANVoorschoten & Zonen.Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.„’t Is een prachtstuk,” zei Vader,„en we zullen het een eereplaats geven in de voorkamer,Piet,” en hier klopte hij zijn zoon op den schouder, „je bent ’n kráán. Ik zou misschien de vijfhonderd pop aangepakt hebben, maar ….”Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.„Daar zou het dan ook mee afgeloopen geweest zijn,” merkte Moeder op. „Voor Piet begint het pas … en ik zeg je … de jongen heeft wijs gedaan … en …”„Piet doet altijd wijs,” zei Vader, „dat heb ik altijd gezegd.”Den volgenden Zaterdagavond bracht Piet een bezoek aan den barbier.Waarom?Wel, om zich te laten scheren, natuurlijk.Want Piets bovenlip ging angstig-verdacht doen in den laatsten tijd en Piet meende, dat hij zich niet beter van dien hinderlijken haardos—het waren precies vijftien zwarte, onnoozele donsvezeltjes—kon ontdoen, dan er moedig het mes in te laten zetten.Al verscheidene malen had hij voor den spiegel getracht een puntje aan den dreigend-opkomenden knevel te draaien … ook dacht hij reeds aan een „knevelbinder”, maar deze pogingen waren tot nog toe vruchteloos geweest.Piet zette zich bij den barbier in den scheerstoel.„Haarknippen, meneer?”„Scheren,” commandeerde Piet.„Schee … ???”De barbier bekeek Piets aangezicht.„Wat is ’r?” vroeg Piet.„O … niets … absoluut niets … ’k zal u scheren, meneer.”„Mes goed meneer, of trek het ook?”„Merci, ’t is best.”„U zult een zwaren baard krijgen, meneer. Poeder en haar opmaken?”„Jawel, dat is goed.”De barbier spoot een geurig, fijn parfum over Piets haardos.„Dat ruikt lekker,” zei Piet.„Fransche haar-lotion, meneer. Flora-Mije van Pivèr, Parijs. Kost één gulden vijftig de flacon. Een meenemen, meneer?”„O nee … ik ben geen jongejuffrouw …”„Is zeer goed voor het haar, meneer. Aangenaam van geur … verkoop er zeer veel van aan de klanten.”„Jawel … jawel … ik houd niet van dien rommel.”De barbier zweeg beleedigd, nam Piets kwartje aan.„Precies gepast, meneer.”Opgewekt stapte Piet naar buiten … geschoren ….voor de eerste maal in zijn leven geschoren!En ’t geurtje van Parijs dwarrelde almaar om zijn hoofd … hij snoof ’t af en toe op … lekker hoor …. Komaan, nu een straatje om en bij Flip Buitenhuis wat cigaretten gekocht.O ja, sinds het avontuur in de achterbuurt was Piet aan de cigaret gaan doen. Matigjes … een paar per dag …’t Stònd … niewaar … de meeste lui van zijn leeftijd rookten al ’n licht sigaartje, maar hij vond de cigaret meer in stijl.Zwaaiend z’n rotting flaneerde hij lustig tusschen de Zaterdag-avond wandelaars door.’n Groepje bakvischjes met groote strikken in de haren keek hem lachend na. Piet keek even om, lachte ook en kleurde hevig.Maar daar had je den sigarenwinkel.Flip was druk bezig met het bedienen der talrijke klanten.„Hallo, Piet. Uit vanavond?”„’n Loopje maken. Geef me ’n doos Russen.”„Asjeblieft. Geen nieuws?”„Niet dat ik weet.”„’k Heb gelezen in de krant van dien detective, die de gestolen buit van Voorschoten teruggebracht heeft. Was ’t stuk van jou?”„Nee, van v. Dalen.”„Handige vent, die detective. Daar moet je je pet voor afnemen.”„Ga je gang,” zei Piet.„O, meen je soms van niet? Ik vind het een mooi vak. Je ziet nog eens wat van het leven en je maakt wat mee.”„Maar er is heel wat gevaar aan verbonden,” zei Piet, die zijn avontuur zooveel mogelijk geheim gehouden had.„Daar zou ik niet om geven,” beweerde Flip. „Ik zou best eens een tijd onder die lui willen leven, om zoodoende hun doen en laten eens te bekijken, weet je.”„Welke lui?”„Wel, die inbrekers en dieven en dat soort.”„’t Zou je tegenvallen, Flip. Geloof me, ik ken die heeren, want ik zie ze elke week voor ’t gerecht staan. Ze zijn niet voor de poes.”„Toch zou ik best willen.”„Ik wed met je om een gulden, dat je het niet aandurft, om als schooier verkleed met mij de achterbuurten in te gaan.”„Om een gulden? Dat doe ik met je!”„Maar reken er op, dat ik je in de verschrikkelijkste gangen en stegen breng, waar je wel eens een pak slaag kon oploopen, vooral wanneer ze zien, dat je niet van de hunnen bent.”„Best, ik doe het … Wanneer gaan we?”„Maandagavond dan.”„Afgesproken, na het sluiten van den winkel ben ik je man.”Pietje verliet den winkel en wandelde verder.Ha-ha, hij was toch benieuwd, hoe Flip zich houden zou.O ja, ze wilden graag allemaal zooiets meemaken, maar vóór het zoover kwam, trokken ze zich meestal terug, hadden een uitvlucht en waren van plan veranderd. Nou, hij zou Flip er eens van laten lusten!Flip was een beste vent, hoor, wât een fijne vrind en ’n leuk type ook, maar ’t was de vraag, of hij moed genoeg bezat voor wat Piet ’n liefhebberij noemde. Wel, Maandag zou Piet hem op de proef stellen, en niet zoo’n beetje ook.Hij wandelde de Diergaardelaan in, ontmoette onverwachts den heer Voorschoten, die een allerliefste jongedame aan den arm had, een ongeveer zestien-jarig meisje, met ravenzwarte haren en zwarte oogen, die schitterden als gitten.„Daar is zoowaar m’n vriend Bell,” sprak de heer Voorschoten op hartelijken toon. „Wel vriend, aan het wandelen? Dit is mijn dochter Bella. Heel aardige ontmoeting, moet ik zeggen.”Dat vond Piet ook en met ’n lichte buiging zei hij:„Aangenaam kennis te maken … Mijnheer, mag ik u zeer hartelijk bedanken voor den prachtigen beker … het is een groote verrassing … en ik … ik bedoel …”Bella glimlachte en keek hem aan.Piet begon te stotteren, niet omdat hij verlegen tegenover meisjes was, loop heen, vraag maar aan de Vroolijke Bende, maar … omdat die zwarte oogen van Bella iets meelijdend-spotachtigs hadden … iets … iets … waardoor je je nou net een klein kind voelde bij haar.„O, dat is maar een souveniertje,” sprak de heer Voorschoten, „en in verhouding met hetgeen u voor ons gedaan heeft maar een bagatel. Hebt ge de invitatie nog niet vergeten voor morgen?”„Zeker niet, meneer, ik zal er zijn.”„En dan vertelt u zeker Moeder en mij uwverschrikkelijkavontuur?” verzocht Bella.Het leek Piet, of ze het een beetje ironisch zei.„Och jawel … als u dat wenscht … danne … maarre … wil ik zeggen …”„Dus tot morgen dan,” besloot de heer Voorschoten. „We gaan nu op familie-bezoek en zijn wat gehaast.”Ook Bella stak Piet de hand toe.„Tot morgen,” zei ze vriendelijk.Piet nam z’n hoed onwillekeurig dieper af, dan hij doorgaans gewend was en vervolgde zijn wandeling.Hij stak een tweede cigaret op, blies volle rookwolken uit.Hee, wat was het toch mooi weer van avond en wat zagen de menschen er vroolijk uit!Aardige man, die meneer Voorschoten … en wat ’n zwarte oogen had die Bella … wel ’n leuke naam … Bel-la … net één letter meer dan zijn naam … Bell-a … klonk wel aardig … maar ’n mirâkel zwarte oogen … en wat ze je daarmee aankijken kon … schuw!Piet sloeg den terugweg naar huis in.Op zijn kamer stond de beker nog.Piet stak zijn lamp aan, deed de rood-zijden kap erover, zoodat het gezellige vertrek in een fantastisch-rossen schemer gehuld was.Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.Het was een veel bewogen week geweest, vooral met dat avontuur … maar zijn hart haakte naar meer, naar beter …Voor ’t oogenblik was het goed zoo … zijn leven van jongste verslaggever aan de Morgenpost … maar hij voelde … hij kon dat niet blijven doen … iederen dag maar weer op datzelfde bureau … schrijven voor altijd weer dezelfde lezers … altijd weer over dieven en politie en nachttafereelen … Als hij maar vrij was, geen baantje van alle dag weer denzelfden sleur te moeten volgen … dan zou hij de wereld ingaan en de menschen en de natuur leeren kennen, en dan zou-die over veel mooier dingen schrijven dan alleen maar rechtszaken …Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.Hij voelde, dat het zou komen … later … dat hijeerst nog moest studeeren … heel veel studeeren … en dan … het leven en de wereld in … het rijke, bruisende, groeiende bloeiende leven!In gedachten keek hij naar den zilveren beker.In den donkerrooden gloed scheen het spottend-lachende hoofd van Bella uit het ding omhoog te rijzen ….Piet zag duidelijk de gitzwarte lach-oogen … de roode lippen … de hagelwitte tanden … ze lachte … lachte om zijn gedachten.Piet wreef zich de oogen uit … maar het was weg.Nijdig smeet hij een boek op den grond.„Loop naar de maan!”Den volgenden Zondagmorgen góót het!De regen stroomde in dikke stralen neer op de straten, het water in de goten vormde snelstroomende rivieren.„Dat ziet er plezierig uit voor vandaag,” mompelde Piet, toen hij de gordijnen openschoof.Hijwaschteen kleedde zich vlug en begaf zich naar de huiskamer, waar knusse Zondagmorgen-gezelligheid heerschte.Zijn ouders wachtten hem aan de ontbijttafel.„Morgen ouwetjes,” wasPietshartelijke begroeting. „Lekker weertje, he? Daar zou een eend in verdrinken.”„Morgen jongen, goed geslapen?”„Als een ijsbeer, Moeder. Is dat mijn thee?”„Ja, ga je gang.”Moeder stapelde de versche krenten-boterhammen op, ging de eieren uit den ketel halen.„Heb je dat gehoord van den hond van hiernaast?” vroeg Vader, een kadetje met ham beleggend.„NeenVader, wat is daarmee gebeurd?”„Wel, buurman’s hond was gistermiddag weggeloopen en niemand had hem sinds dien tijd gezien. Nouwerd er vanmorgen om zeven gebeld en raad eens, wie daar was?”„De hond,” zei Piet.„Mis, de melkboer! Ha-ha-ha! daar loop je in, Piet, daar heb ik je! Ha-ha-ha!!” lachte Vader en hij verslikte zich in zijn thee.„Uche-uche … ha-ha … uche!!”„Kalm nou … kalm nou …” vermaande Moeder, die een aangeboren angst voor verslikken had, en haastig toe kwam loopen om vader op den rug te kloppen.Piet intusschen pelde een versch, warm eitje en zon op wraak.Hij vertelde van zijn ontmoeting met den heer Voorschoten en Bella en verzuimde niet te beschrijven, welk een verbazend zwarte oogen het meisje had.„Waar zoo’n jongen al niet naar kijkt,” zei Moeder lachend.„Zulke domme dingen heb ik nooit gedaan,” beweerde Vader, een kruimig, knappend waterbroodje smerend. „Geef me nog een kop thee, Moeder.”„Hoor me nou zoo’n man eens aan,” zei Moeder.„Heb jij nooit naar zwarte oogen gekeken, toen je zeventien …”„Al goed, al goed,” zei Vader en alle drie lachten hartelijk.„Wel,” zei Piet een oogenblik later. „Dat zal me ook een heele stoet wezen, als de Minister begraven wordt.”„Is de Minister dan dood?” vroeg Vader verbaasd.„Heelemaal niet,” zei Piet. „Ik zei:alsde Minister begraven wordt. Ha-ha!! daar heb ik je, vadertje … nou doe ik de ha-ha-ha!”Moeder gierde het uit en Vader lachte maar mee.Zoo zaten de drie opgeruimde menschen in rustige tevredenheid bijeen: de een gelukkig met den ander en allen gelukkig met elkaar.Meestal maakte Piet des Zondagsmorgens een wandeling, maar bij dit weer was er natuurlijk geen sprake van.In zoo’n geval bleef hij altijd op zijn kamer, waar ’t gezellig was.Dan las-ie een nieuwe roman of werkte aan een feuilleton voor de krant. Dat laatste deed-ie graag.’t Waren meestal eenvoudige schetsjes, vroolijke brokjes stadsleven, maar hij had een groote vaardigheid verkregen in het vertellen van humoristische straattooneeltjes.En als er dan des Zaterdagsavonds zoo’n onderhoudend stukje straatleven, onderteekend P. B. in de krant stond, glimlachten de lezers al bij voorbaat, gingen eens extra op hun gemak zitten en zeiden:„Ha, daar heb je ’r weer een.”Dien heelen morgen bleef Piet lezen en toen het tegen den middag droog werd en de hemel mooi opklaarde, maakte hij zich gereed om uit te gaan.De club speelde altijd Zondags op het terrein, maar Piet ging er niet heen.Hij nam de tram en reed tot buiten de stad naar een groote uitspanningsplaats, waar hij een boot huurde.Hij bleef een paar uren op het water en begaf zich tijdig naar huis, teneinde zich te kleeden voor het diner bij den heer Voorschoten.De woning van den juwelier Herman Voorschoten was een der rijkste aan den Westersingel. Piet schelde aan en een geluid als van een zwaren gong klonk door het huis.Een zwart-en-wit-geuniformde dienstbode opende de deur en toen Piet zijn kaartje overhandigde, werd hem medegedeeld, dat de familie hem verwachtte in den tuin.Hij hing zijn hoed op en volgde het meisje.De hall was ruim en hoog, een paar hertegeweien versierden de wanden, dikke tapijten bedekten den marmeren vloer en in den achtermuur was een groot kerkraam met geschilderd glas gebouwd, dat een vreemd getint licht naar binnen wierp.De tuin was zichtbaar door de openstaande deuren, een bosch van groen en een ongekende weelde van rozen … dat was alles, wat Piet zag … groen en rozen … rozen en groen.Een overweldigende rozengeur kwam hem in den tuin tegemoet.’t Dienstmeisje wees hem een pad aan, hetwelk hij volgde, maar hij zag niemand.... en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit ...„Wel, wat heb ik nou aan mijn pet hangen?” mompelde Piet. „De familie is in den tuin, zegt die zwart-jurk, maar ik ben een pepernoot als ik er wat van zie.”Hij sloeg een zijpaadje in.Aan het eind daarvan zag hij een dichtbegroeid prieel van klimrozen … en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit … witte kousen … witte schoentjes neteen wolk van witte tulle en satijn … maar met ravenzwarte haren en koolzwarte oogen.Ze scheen erg verdiept in ’n boek.Piet bleef staan.Dat was Bella … maar waar was de rest van de familie? Had ze hem niet hooren aankomen of deed ze maar alsóf? …„Ahem,” kuchte Piet.Nu keek ze op, sprong dadelijk overeind en kwam naar hem toe.„Oh … is u het? Hoe gaat het? Ik had wel voetstappen gehoord, maar ik dacht, dat Vader het was. Heeft u vader en moeder nog niet gezien?”„Neen, maar ’t is zóó ook goed,” zei Piet leuk. „Wat een heerlijke rozentuin heeft u hier, en wat een prachtig prieel. Mag ik daar ook eens inzitten?”„Wel waarom niet?” lachte Bella.De witgelakte tuinstoelen, opgevuld met kleurige kussens, noodden wel tot een zitje uit.„Een heerlijk hoekje hier,” vond Piet, en op ’t boek wijzend, vroeg hij: „Wat leest u daar?”„Sturmfels van Marie Boddaert. ’t Is een snoes van een boek. Houdt u van lezen?”„Schùw.”„Wat zegt u?”„Heel veel. Ik lees alles, komt zoo bij m’n vak te pas, weet u?”„Is ’t niet een vree-se-lijk interessant werk, dat van u?”„Wel, dat hangt er van af, zooals de man zei, die in een afgrond viel, en nog gauw een tak greep.”Bella schaterde.„Gunst, praat u altijd zoo grappig?”„Alleen, als m’n humeur op temperatuur is, Bel … juffrouw …”„U moogt wel Bella zeggen. Gisteren dacht ik, dat u verlegen was …”„Verlegen … ik? … waarom?”„Omdat u stotterde, toen ik u aankeek … Ha-ha … willen we jij en jou zeggen?”„In orde, overste … Zoo, stotterde ik? … dat kwam … door …”„Wel?”„Nee … dat zeg ik niet …”„He … hoe flauw.”„Nou dan … als je ’t weten wilt … Ik wil je heelemaal niet vleien of complimentjes maken … maar zulke zwarte oogen als jij hebt … die moesten ze verbieden … daar moest de politie naar kijken …”„Je vergeet, dat jezelf zwart bent … Kijk daar komen vader en moeder aan.”Arm in arm kwamen de heer en mevrouw Voorschoten aanwandelen.„Zoo Bella, heb je visite? Kijk, het is zoowaar onze gast,” sprak de heer Voorschoten op zeer hartelijken toon. „Welkom, jonge vriend! Dit is onze held, meneer Bell, Emma.”Mevrouw drukte Piet de hand.„Ik heb al zooveel goeds van u gehoord,” sprak ze, „dat het mij een groot genoegen is, kennis met u te maken.”„Piet heeft me beleedigd …” zei Bella op komisch-boozen toon.„Piet? … maar Bella … schaam je … hoe durf je? …”vroeg mevrouw verontwaardigd.„O … we jijen en jouen al …”„Dat is vlug,” lachte vader. „En waarin bestaat de beleediging?”„Wel, dit jongmensch heeft wat van m’n oogen te zeggen.”Om zes uur ging men aan tafel.Op verzoek van mevrouw Voorschoten deed Piet na afloop van het diner het verhaal van zijn avontuur.Ze zaten toen weer in den tuin, waar langzaam deavondschemer te dalen begon. Sterk geurden de rozen …„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?” vroeg haar vader.Bella verdween … en weldra kwam door het violet van den vallenden avond de rossige schijn van een piano-lamp.„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?”Het was stil in den tuin; ’t leek wel, of alles wachtte …Dan klonken … heel eenvoudig … maar met gevoel gespeeld, de charmeerende tonen van de „Millions d’Arlequin” naar buiten, deinend, walsend gedragen op de rozengeuren …En Piet zat stil en luisterde … ’t hoofd zachtjes meewiegend … tata-tatatata tatatata …Wat was de avond mooi en wat hoorde al dat moois hier toch bij elkaar … die tuin … die geuren … die muziek … en wat paste Bella daar in!Na de „Millions d’Arlequin” volgden nog een paar stukjes … Bella speelde werkelijk heel fijn … heel artistiek … en Mendelssohn’s „Frülingslied” deed ze feestelijk uitjubelen.„’t Is prachtig,” zei Piet. „Ik heb nooit geweten, dat piano-muziek zóó mooi kon zijn.”De heer Voorschoten bewees, een aangenaam prater te zijn en op zijn beurt deed Piet dan weer een of ander verhaal, waarmede hij de anderen gezellig onderhield. Intusschen draaiden de wijzers van de klok en Piet meende, dat tien uur een mooie tijd was om afscheid te nemen.Hij moest beloven, dat dit niet zijn laatste bezoek zou zijn en hij drukte allen hartelijk de hand met de belofte, spoedig weer te komen.Piet wandelde langzaam huiswaarts.Maar gedurende heel den terugweg rook hij rozen … zag hij ’n meisje in ’t wit bij den rossen schijn van een pianolamp … hoorde hij voortdurend die deinende walsende melodie … tata … tatatata … tatatata …

Negende Hoofdstuk.Negende Hoofdstuk.Zwarte oogen en de „Millions d’Arlequin.”Dien avond wijdde de Morgenpost een sensatie-wekkend artikel aan Piets avontuur, echter zonder zijn naam te noemen.Inplaats daarvan werd medegedeeld dat een zeker detective de geheele zaak geleid en tot een succesvol einde had gebracht.De juweliers-firma Voorschoten & Zonen werd weer in het bezit gesteld van haar eigendom en bood Piet een schitterende belooning aan.Piet echter bedankte de heeren en wilde geen geld ervoor aannemen.„Maar dat is dwaasheid,” sprak de heer Voorschoten.„Ge kunt het geld, dat wij u aanbieden, naar de bank brengen en later, als ge het voor de een of andere onderneming noodig mocht hebben, zal het u zeer te pas komen.”„Jawel,” zei Piet eenvoudig, „maar ik heb geen recht op zulk een groot bedrag en dan ook nog, ik heb geen geld noodig en geef er ook niets om.”„Maar de belooning is werkelijk zoo groot niet. Gijhebt ons bewaard voor een schade van honderd-veertig duizend gulden, en de vijfhonderd gulden belooning is daar maar een druppel van.”„Wel mijnheer,” zei Piet lachend, „als ik geld noodig heb, dan werk ik ervoor en behoef tegen niemand „dank je” te zeggen. Uw vriendschap en achting zijn me meer waard dan geld, maar mocht ik later uw hulp en medewerking noodig hebben, dan hoop ik niet tevergeefs bij u aan te kloppen.”„Jonge vriend,” sprak de heer Voorschoten ernstig, en hij drukte Piet de hand met warmte, „je bent een uitzondering op den regel en je zult het zéér ver brengen in de wereld. Gelukkig is de mensch, die niet steeds op geld loert, maar integendeel liefde heeft voor zijn werk. Wanneer we met plezier en toewijding onzen arbeid verrichten, vriend Bell, komt de rest vanzelf. En luister nu eens: kunt ge aanstaanden Zondag bij ons komen dineeren?”„Zeer gaarne, mijnheer. Op welken tijd zal ik komen?”„Wel, wij dineeren gewoonlijk om zes. Laten we dus afspreken vijf uur bij mij aan huis, Westersingel 895.”Piet drukte den heer Voorschoten nogmaals de hand en vertrok.Hij had een belooning van vijfhonderd gulden afgewezen, maar daar heeft hij nooit berouw van gehad.Twee dagen later werd er op Piets kamer door Moeder een kistje gebracht, dat zooeven bezorgd was door een knecht van de juweliers-firma.Moeder kon haar ongeduld nauwelijks bedwingen, maar Vader zeide haar, dat Piet geen klein kind meer was en niemand dan hijzelf recht had, het pak te openen. Piet opende het des avonds in tegenwoordigheid van zijn ouders.Keurig verpakt in vloeipapier en watten kwam ereen prachtvolle zilveren beker uit te voorschijn, waarin gegraveerd stond:UIT DANKBAARHEIDVOOR BEWEZEN DIENSTEN AANVoorschoten & Zonen.Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.„’t Is een prachtstuk,” zei Vader,„en we zullen het een eereplaats geven in de voorkamer,Piet,” en hier klopte hij zijn zoon op den schouder, „je bent ’n kráán. Ik zou misschien de vijfhonderd pop aangepakt hebben, maar ….”Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.„Daar zou het dan ook mee afgeloopen geweest zijn,” merkte Moeder op. „Voor Piet begint het pas … en ik zeg je … de jongen heeft wijs gedaan … en …”„Piet doet altijd wijs,” zei Vader, „dat heb ik altijd gezegd.”Den volgenden Zaterdagavond bracht Piet een bezoek aan den barbier.Waarom?Wel, om zich te laten scheren, natuurlijk.Want Piets bovenlip ging angstig-verdacht doen in den laatsten tijd en Piet meende, dat hij zich niet beter van dien hinderlijken haardos—het waren precies vijftien zwarte, onnoozele donsvezeltjes—kon ontdoen, dan er moedig het mes in te laten zetten.Al verscheidene malen had hij voor den spiegel getracht een puntje aan den dreigend-opkomenden knevel te draaien … ook dacht hij reeds aan een „knevelbinder”, maar deze pogingen waren tot nog toe vruchteloos geweest.Piet zette zich bij den barbier in den scheerstoel.„Haarknippen, meneer?”„Scheren,” commandeerde Piet.„Schee … ???”De barbier bekeek Piets aangezicht.„Wat is ’r?” vroeg Piet.„O … niets … absoluut niets … ’k zal u scheren, meneer.”„Mes goed meneer, of trek het ook?”„Merci, ’t is best.”„U zult een zwaren baard krijgen, meneer. Poeder en haar opmaken?”„Jawel, dat is goed.”De barbier spoot een geurig, fijn parfum over Piets haardos.„Dat ruikt lekker,” zei Piet.„Fransche haar-lotion, meneer. Flora-Mije van Pivèr, Parijs. Kost één gulden vijftig de flacon. Een meenemen, meneer?”„O nee … ik ben geen jongejuffrouw …”„Is zeer goed voor het haar, meneer. Aangenaam van geur … verkoop er zeer veel van aan de klanten.”„Jawel … jawel … ik houd niet van dien rommel.”De barbier zweeg beleedigd, nam Piets kwartje aan.„Precies gepast, meneer.”Opgewekt stapte Piet naar buiten … geschoren ….voor de eerste maal in zijn leven geschoren!En ’t geurtje van Parijs dwarrelde almaar om zijn hoofd … hij snoof ’t af en toe op … lekker hoor …. Komaan, nu een straatje om en bij Flip Buitenhuis wat cigaretten gekocht.O ja, sinds het avontuur in de achterbuurt was Piet aan de cigaret gaan doen. Matigjes … een paar per dag …’t Stònd … niewaar … de meeste lui van zijn leeftijd rookten al ’n licht sigaartje, maar hij vond de cigaret meer in stijl.Zwaaiend z’n rotting flaneerde hij lustig tusschen de Zaterdag-avond wandelaars door.’n Groepje bakvischjes met groote strikken in de haren keek hem lachend na. Piet keek even om, lachte ook en kleurde hevig.Maar daar had je den sigarenwinkel.Flip was druk bezig met het bedienen der talrijke klanten.„Hallo, Piet. Uit vanavond?”„’n Loopje maken. Geef me ’n doos Russen.”„Asjeblieft. Geen nieuws?”„Niet dat ik weet.”„’k Heb gelezen in de krant van dien detective, die de gestolen buit van Voorschoten teruggebracht heeft. Was ’t stuk van jou?”„Nee, van v. Dalen.”„Handige vent, die detective. Daar moet je je pet voor afnemen.”„Ga je gang,” zei Piet.„O, meen je soms van niet? Ik vind het een mooi vak. Je ziet nog eens wat van het leven en je maakt wat mee.”„Maar er is heel wat gevaar aan verbonden,” zei Piet, die zijn avontuur zooveel mogelijk geheim gehouden had.„Daar zou ik niet om geven,” beweerde Flip. „Ik zou best eens een tijd onder die lui willen leven, om zoodoende hun doen en laten eens te bekijken, weet je.”„Welke lui?”„Wel, die inbrekers en dieven en dat soort.”„’t Zou je tegenvallen, Flip. Geloof me, ik ken die heeren, want ik zie ze elke week voor ’t gerecht staan. Ze zijn niet voor de poes.”„Toch zou ik best willen.”„Ik wed met je om een gulden, dat je het niet aandurft, om als schooier verkleed met mij de achterbuurten in te gaan.”„Om een gulden? Dat doe ik met je!”„Maar reken er op, dat ik je in de verschrikkelijkste gangen en stegen breng, waar je wel eens een pak slaag kon oploopen, vooral wanneer ze zien, dat je niet van de hunnen bent.”„Best, ik doe het … Wanneer gaan we?”„Maandagavond dan.”„Afgesproken, na het sluiten van den winkel ben ik je man.”Pietje verliet den winkel en wandelde verder.Ha-ha, hij was toch benieuwd, hoe Flip zich houden zou.O ja, ze wilden graag allemaal zooiets meemaken, maar vóór het zoover kwam, trokken ze zich meestal terug, hadden een uitvlucht en waren van plan veranderd. Nou, hij zou Flip er eens van laten lusten!Flip was een beste vent, hoor, wât een fijne vrind en ’n leuk type ook, maar ’t was de vraag, of hij moed genoeg bezat voor wat Piet ’n liefhebberij noemde. Wel, Maandag zou Piet hem op de proef stellen, en niet zoo’n beetje ook.Hij wandelde de Diergaardelaan in, ontmoette onverwachts den heer Voorschoten, die een allerliefste jongedame aan den arm had, een ongeveer zestien-jarig meisje, met ravenzwarte haren en zwarte oogen, die schitterden als gitten.„Daar is zoowaar m’n vriend Bell,” sprak de heer Voorschoten op hartelijken toon. „Wel vriend, aan het wandelen? Dit is mijn dochter Bella. Heel aardige ontmoeting, moet ik zeggen.”Dat vond Piet ook en met ’n lichte buiging zei hij:„Aangenaam kennis te maken … Mijnheer, mag ik u zeer hartelijk bedanken voor den prachtigen beker … het is een groote verrassing … en ik … ik bedoel …”Bella glimlachte en keek hem aan.Piet begon te stotteren, niet omdat hij verlegen tegenover meisjes was, loop heen, vraag maar aan de Vroolijke Bende, maar … omdat die zwarte oogen van Bella iets meelijdend-spotachtigs hadden … iets … iets … waardoor je je nou net een klein kind voelde bij haar.„O, dat is maar een souveniertje,” sprak de heer Voorschoten, „en in verhouding met hetgeen u voor ons gedaan heeft maar een bagatel. Hebt ge de invitatie nog niet vergeten voor morgen?”„Zeker niet, meneer, ik zal er zijn.”„En dan vertelt u zeker Moeder en mij uwverschrikkelijkavontuur?” verzocht Bella.Het leek Piet, of ze het een beetje ironisch zei.„Och jawel … als u dat wenscht … danne … maarre … wil ik zeggen …”„Dus tot morgen dan,” besloot de heer Voorschoten. „We gaan nu op familie-bezoek en zijn wat gehaast.”Ook Bella stak Piet de hand toe.„Tot morgen,” zei ze vriendelijk.Piet nam z’n hoed onwillekeurig dieper af, dan hij doorgaans gewend was en vervolgde zijn wandeling.Hij stak een tweede cigaret op, blies volle rookwolken uit.Hee, wat was het toch mooi weer van avond en wat zagen de menschen er vroolijk uit!Aardige man, die meneer Voorschoten … en wat ’n zwarte oogen had die Bella … wel ’n leuke naam … Bel-la … net één letter meer dan zijn naam … Bell-a … klonk wel aardig … maar ’n mirâkel zwarte oogen … en wat ze je daarmee aankijken kon … schuw!Piet sloeg den terugweg naar huis in.Op zijn kamer stond de beker nog.Piet stak zijn lamp aan, deed de rood-zijden kap erover, zoodat het gezellige vertrek in een fantastisch-rossen schemer gehuld was.Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.Het was een veel bewogen week geweest, vooral met dat avontuur … maar zijn hart haakte naar meer, naar beter …Voor ’t oogenblik was het goed zoo … zijn leven van jongste verslaggever aan de Morgenpost … maar hij voelde … hij kon dat niet blijven doen … iederen dag maar weer op datzelfde bureau … schrijven voor altijd weer dezelfde lezers … altijd weer over dieven en politie en nachttafereelen … Als hij maar vrij was, geen baantje van alle dag weer denzelfden sleur te moeten volgen … dan zou hij de wereld ingaan en de menschen en de natuur leeren kennen, en dan zou-die over veel mooier dingen schrijven dan alleen maar rechtszaken …Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.Hij voelde, dat het zou komen … later … dat hijeerst nog moest studeeren … heel veel studeeren … en dan … het leven en de wereld in … het rijke, bruisende, groeiende bloeiende leven!In gedachten keek hij naar den zilveren beker.In den donkerrooden gloed scheen het spottend-lachende hoofd van Bella uit het ding omhoog te rijzen ….Piet zag duidelijk de gitzwarte lach-oogen … de roode lippen … de hagelwitte tanden … ze lachte … lachte om zijn gedachten.Piet wreef zich de oogen uit … maar het was weg.Nijdig smeet hij een boek op den grond.„Loop naar de maan!”Den volgenden Zondagmorgen góót het!De regen stroomde in dikke stralen neer op de straten, het water in de goten vormde snelstroomende rivieren.„Dat ziet er plezierig uit voor vandaag,” mompelde Piet, toen hij de gordijnen openschoof.Hijwaschteen kleedde zich vlug en begaf zich naar de huiskamer, waar knusse Zondagmorgen-gezelligheid heerschte.Zijn ouders wachtten hem aan de ontbijttafel.„Morgen ouwetjes,” wasPietshartelijke begroeting. „Lekker weertje, he? Daar zou een eend in verdrinken.”„Morgen jongen, goed geslapen?”„Als een ijsbeer, Moeder. Is dat mijn thee?”„Ja, ga je gang.”Moeder stapelde de versche krenten-boterhammen op, ging de eieren uit den ketel halen.„Heb je dat gehoord van den hond van hiernaast?” vroeg Vader, een kadetje met ham beleggend.„NeenVader, wat is daarmee gebeurd?”„Wel, buurman’s hond was gistermiddag weggeloopen en niemand had hem sinds dien tijd gezien. Nouwerd er vanmorgen om zeven gebeld en raad eens, wie daar was?”„De hond,” zei Piet.„Mis, de melkboer! Ha-ha-ha! daar loop je in, Piet, daar heb ik je! Ha-ha-ha!!” lachte Vader en hij verslikte zich in zijn thee.„Uche-uche … ha-ha … uche!!”„Kalm nou … kalm nou …” vermaande Moeder, die een aangeboren angst voor verslikken had, en haastig toe kwam loopen om vader op den rug te kloppen.Piet intusschen pelde een versch, warm eitje en zon op wraak.Hij vertelde van zijn ontmoeting met den heer Voorschoten en Bella en verzuimde niet te beschrijven, welk een verbazend zwarte oogen het meisje had.„Waar zoo’n jongen al niet naar kijkt,” zei Moeder lachend.„Zulke domme dingen heb ik nooit gedaan,” beweerde Vader, een kruimig, knappend waterbroodje smerend. „Geef me nog een kop thee, Moeder.”„Hoor me nou zoo’n man eens aan,” zei Moeder.„Heb jij nooit naar zwarte oogen gekeken, toen je zeventien …”„Al goed, al goed,” zei Vader en alle drie lachten hartelijk.„Wel,” zei Piet een oogenblik later. „Dat zal me ook een heele stoet wezen, als de Minister begraven wordt.”„Is de Minister dan dood?” vroeg Vader verbaasd.„Heelemaal niet,” zei Piet. „Ik zei:alsde Minister begraven wordt. Ha-ha!! daar heb ik je, vadertje … nou doe ik de ha-ha-ha!”Moeder gierde het uit en Vader lachte maar mee.Zoo zaten de drie opgeruimde menschen in rustige tevredenheid bijeen: de een gelukkig met den ander en allen gelukkig met elkaar.Meestal maakte Piet des Zondagsmorgens een wandeling, maar bij dit weer was er natuurlijk geen sprake van.In zoo’n geval bleef hij altijd op zijn kamer, waar ’t gezellig was.Dan las-ie een nieuwe roman of werkte aan een feuilleton voor de krant. Dat laatste deed-ie graag.’t Waren meestal eenvoudige schetsjes, vroolijke brokjes stadsleven, maar hij had een groote vaardigheid verkregen in het vertellen van humoristische straattooneeltjes.En als er dan des Zaterdagsavonds zoo’n onderhoudend stukje straatleven, onderteekend P. B. in de krant stond, glimlachten de lezers al bij voorbaat, gingen eens extra op hun gemak zitten en zeiden:„Ha, daar heb je ’r weer een.”Dien heelen morgen bleef Piet lezen en toen het tegen den middag droog werd en de hemel mooi opklaarde, maakte hij zich gereed om uit te gaan.De club speelde altijd Zondags op het terrein, maar Piet ging er niet heen.Hij nam de tram en reed tot buiten de stad naar een groote uitspanningsplaats, waar hij een boot huurde.Hij bleef een paar uren op het water en begaf zich tijdig naar huis, teneinde zich te kleeden voor het diner bij den heer Voorschoten.De woning van den juwelier Herman Voorschoten was een der rijkste aan den Westersingel. Piet schelde aan en een geluid als van een zwaren gong klonk door het huis.Een zwart-en-wit-geuniformde dienstbode opende de deur en toen Piet zijn kaartje overhandigde, werd hem medegedeeld, dat de familie hem verwachtte in den tuin.Hij hing zijn hoed op en volgde het meisje.De hall was ruim en hoog, een paar hertegeweien versierden de wanden, dikke tapijten bedekten den marmeren vloer en in den achtermuur was een groot kerkraam met geschilderd glas gebouwd, dat een vreemd getint licht naar binnen wierp.De tuin was zichtbaar door de openstaande deuren, een bosch van groen en een ongekende weelde van rozen … dat was alles, wat Piet zag … groen en rozen … rozen en groen.Een overweldigende rozengeur kwam hem in den tuin tegemoet.’t Dienstmeisje wees hem een pad aan, hetwelk hij volgde, maar hij zag niemand.... en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit ...„Wel, wat heb ik nou aan mijn pet hangen?” mompelde Piet. „De familie is in den tuin, zegt die zwart-jurk, maar ik ben een pepernoot als ik er wat van zie.”Hij sloeg een zijpaadje in.Aan het eind daarvan zag hij een dichtbegroeid prieel van klimrozen … en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit … witte kousen … witte schoentjes neteen wolk van witte tulle en satijn … maar met ravenzwarte haren en koolzwarte oogen.Ze scheen erg verdiept in ’n boek.Piet bleef staan.Dat was Bella … maar waar was de rest van de familie? Had ze hem niet hooren aankomen of deed ze maar alsóf? …„Ahem,” kuchte Piet.Nu keek ze op, sprong dadelijk overeind en kwam naar hem toe.„Oh … is u het? Hoe gaat het? Ik had wel voetstappen gehoord, maar ik dacht, dat Vader het was. Heeft u vader en moeder nog niet gezien?”„Neen, maar ’t is zóó ook goed,” zei Piet leuk. „Wat een heerlijke rozentuin heeft u hier, en wat een prachtig prieel. Mag ik daar ook eens inzitten?”„Wel waarom niet?” lachte Bella.De witgelakte tuinstoelen, opgevuld met kleurige kussens, noodden wel tot een zitje uit.„Een heerlijk hoekje hier,” vond Piet, en op ’t boek wijzend, vroeg hij: „Wat leest u daar?”„Sturmfels van Marie Boddaert. ’t Is een snoes van een boek. Houdt u van lezen?”„Schùw.”„Wat zegt u?”„Heel veel. Ik lees alles, komt zoo bij m’n vak te pas, weet u?”„Is ’t niet een vree-se-lijk interessant werk, dat van u?”„Wel, dat hangt er van af, zooals de man zei, die in een afgrond viel, en nog gauw een tak greep.”Bella schaterde.„Gunst, praat u altijd zoo grappig?”„Alleen, als m’n humeur op temperatuur is, Bel … juffrouw …”„U moogt wel Bella zeggen. Gisteren dacht ik, dat u verlegen was …”„Verlegen … ik? … waarom?”„Omdat u stotterde, toen ik u aankeek … Ha-ha … willen we jij en jou zeggen?”„In orde, overste … Zoo, stotterde ik? … dat kwam … door …”„Wel?”„Nee … dat zeg ik niet …”„He … hoe flauw.”„Nou dan … als je ’t weten wilt … Ik wil je heelemaal niet vleien of complimentjes maken … maar zulke zwarte oogen als jij hebt … die moesten ze verbieden … daar moest de politie naar kijken …”„Je vergeet, dat jezelf zwart bent … Kijk daar komen vader en moeder aan.”Arm in arm kwamen de heer en mevrouw Voorschoten aanwandelen.„Zoo Bella, heb je visite? Kijk, het is zoowaar onze gast,” sprak de heer Voorschoten op zeer hartelijken toon. „Welkom, jonge vriend! Dit is onze held, meneer Bell, Emma.”Mevrouw drukte Piet de hand.„Ik heb al zooveel goeds van u gehoord,” sprak ze, „dat het mij een groot genoegen is, kennis met u te maken.”„Piet heeft me beleedigd …” zei Bella op komisch-boozen toon.„Piet? … maar Bella … schaam je … hoe durf je? …”vroeg mevrouw verontwaardigd.„O … we jijen en jouen al …”„Dat is vlug,” lachte vader. „En waarin bestaat de beleediging?”„Wel, dit jongmensch heeft wat van m’n oogen te zeggen.”Om zes uur ging men aan tafel.Op verzoek van mevrouw Voorschoten deed Piet na afloop van het diner het verhaal van zijn avontuur.Ze zaten toen weer in den tuin, waar langzaam deavondschemer te dalen begon. Sterk geurden de rozen …„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?” vroeg haar vader.Bella verdween … en weldra kwam door het violet van den vallenden avond de rossige schijn van een piano-lamp.„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?”Het was stil in den tuin; ’t leek wel, of alles wachtte …Dan klonken … heel eenvoudig … maar met gevoel gespeeld, de charmeerende tonen van de „Millions d’Arlequin” naar buiten, deinend, walsend gedragen op de rozengeuren …En Piet zat stil en luisterde … ’t hoofd zachtjes meewiegend … tata-tatatata tatatata …Wat was de avond mooi en wat hoorde al dat moois hier toch bij elkaar … die tuin … die geuren … die muziek … en wat paste Bella daar in!Na de „Millions d’Arlequin” volgden nog een paar stukjes … Bella speelde werkelijk heel fijn … heel artistiek … en Mendelssohn’s „Frülingslied” deed ze feestelijk uitjubelen.„’t Is prachtig,” zei Piet. „Ik heb nooit geweten, dat piano-muziek zóó mooi kon zijn.”De heer Voorschoten bewees, een aangenaam prater te zijn en op zijn beurt deed Piet dan weer een of ander verhaal, waarmede hij de anderen gezellig onderhield. Intusschen draaiden de wijzers van de klok en Piet meende, dat tien uur een mooie tijd was om afscheid te nemen.Hij moest beloven, dat dit niet zijn laatste bezoek zou zijn en hij drukte allen hartelijk de hand met de belofte, spoedig weer te komen.Piet wandelde langzaam huiswaarts.Maar gedurende heel den terugweg rook hij rozen … zag hij ’n meisje in ’t wit bij den rossen schijn van een pianolamp … hoorde hij voortdurend die deinende walsende melodie … tata … tatatata … tatatata …

Negende Hoofdstuk.Negende Hoofdstuk.Zwarte oogen en de „Millions d’Arlequin.”

Negende Hoofdstuk.

Dien avond wijdde de Morgenpost een sensatie-wekkend artikel aan Piets avontuur, echter zonder zijn naam te noemen.Inplaats daarvan werd medegedeeld dat een zeker detective de geheele zaak geleid en tot een succesvol einde had gebracht.De juweliers-firma Voorschoten & Zonen werd weer in het bezit gesteld van haar eigendom en bood Piet een schitterende belooning aan.Piet echter bedankte de heeren en wilde geen geld ervoor aannemen.„Maar dat is dwaasheid,” sprak de heer Voorschoten.„Ge kunt het geld, dat wij u aanbieden, naar de bank brengen en later, als ge het voor de een of andere onderneming noodig mocht hebben, zal het u zeer te pas komen.”„Jawel,” zei Piet eenvoudig, „maar ik heb geen recht op zulk een groot bedrag en dan ook nog, ik heb geen geld noodig en geef er ook niets om.”„Maar de belooning is werkelijk zoo groot niet. Gijhebt ons bewaard voor een schade van honderd-veertig duizend gulden, en de vijfhonderd gulden belooning is daar maar een druppel van.”„Wel mijnheer,” zei Piet lachend, „als ik geld noodig heb, dan werk ik ervoor en behoef tegen niemand „dank je” te zeggen. Uw vriendschap en achting zijn me meer waard dan geld, maar mocht ik later uw hulp en medewerking noodig hebben, dan hoop ik niet tevergeefs bij u aan te kloppen.”„Jonge vriend,” sprak de heer Voorschoten ernstig, en hij drukte Piet de hand met warmte, „je bent een uitzondering op den regel en je zult het zéér ver brengen in de wereld. Gelukkig is de mensch, die niet steeds op geld loert, maar integendeel liefde heeft voor zijn werk. Wanneer we met plezier en toewijding onzen arbeid verrichten, vriend Bell, komt de rest vanzelf. En luister nu eens: kunt ge aanstaanden Zondag bij ons komen dineeren?”„Zeer gaarne, mijnheer. Op welken tijd zal ik komen?”„Wel, wij dineeren gewoonlijk om zes. Laten we dus afspreken vijf uur bij mij aan huis, Westersingel 895.”Piet drukte den heer Voorschoten nogmaals de hand en vertrok.Hij had een belooning van vijfhonderd gulden afgewezen, maar daar heeft hij nooit berouw van gehad.Twee dagen later werd er op Piets kamer door Moeder een kistje gebracht, dat zooeven bezorgd was door een knecht van de juweliers-firma.Moeder kon haar ongeduld nauwelijks bedwingen, maar Vader zeide haar, dat Piet geen klein kind meer was en niemand dan hijzelf recht had, het pak te openen. Piet opende het des avonds in tegenwoordigheid van zijn ouders.Keurig verpakt in vloeipapier en watten kwam ereen prachtvolle zilveren beker uit te voorschijn, waarin gegraveerd stond:UIT DANKBAARHEIDVOOR BEWEZEN DIENSTEN AANVoorschoten & Zonen.Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.„’t Is een prachtstuk,” zei Vader,„en we zullen het een eereplaats geven in de voorkamer,Piet,” en hier klopte hij zijn zoon op den schouder, „je bent ’n kráán. Ik zou misschien de vijfhonderd pop aangepakt hebben, maar ….”Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.„Daar zou het dan ook mee afgeloopen geweest zijn,” merkte Moeder op. „Voor Piet begint het pas … en ik zeg je … de jongen heeft wijs gedaan … en …”„Piet doet altijd wijs,” zei Vader, „dat heb ik altijd gezegd.”Den volgenden Zaterdagavond bracht Piet een bezoek aan den barbier.Waarom?Wel, om zich te laten scheren, natuurlijk.Want Piets bovenlip ging angstig-verdacht doen in den laatsten tijd en Piet meende, dat hij zich niet beter van dien hinderlijken haardos—het waren precies vijftien zwarte, onnoozele donsvezeltjes—kon ontdoen, dan er moedig het mes in te laten zetten.Al verscheidene malen had hij voor den spiegel getracht een puntje aan den dreigend-opkomenden knevel te draaien … ook dacht hij reeds aan een „knevelbinder”, maar deze pogingen waren tot nog toe vruchteloos geweest.Piet zette zich bij den barbier in den scheerstoel.„Haarknippen, meneer?”„Scheren,” commandeerde Piet.„Schee … ???”De barbier bekeek Piets aangezicht.„Wat is ’r?” vroeg Piet.„O … niets … absoluut niets … ’k zal u scheren, meneer.”„Mes goed meneer, of trek het ook?”„Merci, ’t is best.”„U zult een zwaren baard krijgen, meneer. Poeder en haar opmaken?”„Jawel, dat is goed.”De barbier spoot een geurig, fijn parfum over Piets haardos.„Dat ruikt lekker,” zei Piet.„Fransche haar-lotion, meneer. Flora-Mije van Pivèr, Parijs. Kost één gulden vijftig de flacon. Een meenemen, meneer?”„O nee … ik ben geen jongejuffrouw …”„Is zeer goed voor het haar, meneer. Aangenaam van geur … verkoop er zeer veel van aan de klanten.”„Jawel … jawel … ik houd niet van dien rommel.”De barbier zweeg beleedigd, nam Piets kwartje aan.„Precies gepast, meneer.”Opgewekt stapte Piet naar buiten … geschoren ….voor de eerste maal in zijn leven geschoren!En ’t geurtje van Parijs dwarrelde almaar om zijn hoofd … hij snoof ’t af en toe op … lekker hoor …. Komaan, nu een straatje om en bij Flip Buitenhuis wat cigaretten gekocht.O ja, sinds het avontuur in de achterbuurt was Piet aan de cigaret gaan doen. Matigjes … een paar per dag …’t Stònd … niewaar … de meeste lui van zijn leeftijd rookten al ’n licht sigaartje, maar hij vond de cigaret meer in stijl.Zwaaiend z’n rotting flaneerde hij lustig tusschen de Zaterdag-avond wandelaars door.’n Groepje bakvischjes met groote strikken in de haren keek hem lachend na. Piet keek even om, lachte ook en kleurde hevig.Maar daar had je den sigarenwinkel.Flip was druk bezig met het bedienen der talrijke klanten.„Hallo, Piet. Uit vanavond?”„’n Loopje maken. Geef me ’n doos Russen.”„Asjeblieft. Geen nieuws?”„Niet dat ik weet.”„’k Heb gelezen in de krant van dien detective, die de gestolen buit van Voorschoten teruggebracht heeft. Was ’t stuk van jou?”„Nee, van v. Dalen.”„Handige vent, die detective. Daar moet je je pet voor afnemen.”„Ga je gang,” zei Piet.„O, meen je soms van niet? Ik vind het een mooi vak. Je ziet nog eens wat van het leven en je maakt wat mee.”„Maar er is heel wat gevaar aan verbonden,” zei Piet, die zijn avontuur zooveel mogelijk geheim gehouden had.„Daar zou ik niet om geven,” beweerde Flip. „Ik zou best eens een tijd onder die lui willen leven, om zoodoende hun doen en laten eens te bekijken, weet je.”„Welke lui?”„Wel, die inbrekers en dieven en dat soort.”„’t Zou je tegenvallen, Flip. Geloof me, ik ken die heeren, want ik zie ze elke week voor ’t gerecht staan. Ze zijn niet voor de poes.”„Toch zou ik best willen.”„Ik wed met je om een gulden, dat je het niet aandurft, om als schooier verkleed met mij de achterbuurten in te gaan.”„Om een gulden? Dat doe ik met je!”„Maar reken er op, dat ik je in de verschrikkelijkste gangen en stegen breng, waar je wel eens een pak slaag kon oploopen, vooral wanneer ze zien, dat je niet van de hunnen bent.”„Best, ik doe het … Wanneer gaan we?”„Maandagavond dan.”„Afgesproken, na het sluiten van den winkel ben ik je man.”Pietje verliet den winkel en wandelde verder.Ha-ha, hij was toch benieuwd, hoe Flip zich houden zou.O ja, ze wilden graag allemaal zooiets meemaken, maar vóór het zoover kwam, trokken ze zich meestal terug, hadden een uitvlucht en waren van plan veranderd. Nou, hij zou Flip er eens van laten lusten!Flip was een beste vent, hoor, wât een fijne vrind en ’n leuk type ook, maar ’t was de vraag, of hij moed genoeg bezat voor wat Piet ’n liefhebberij noemde. Wel, Maandag zou Piet hem op de proef stellen, en niet zoo’n beetje ook.Hij wandelde de Diergaardelaan in, ontmoette onverwachts den heer Voorschoten, die een allerliefste jongedame aan den arm had, een ongeveer zestien-jarig meisje, met ravenzwarte haren en zwarte oogen, die schitterden als gitten.„Daar is zoowaar m’n vriend Bell,” sprak de heer Voorschoten op hartelijken toon. „Wel vriend, aan het wandelen? Dit is mijn dochter Bella. Heel aardige ontmoeting, moet ik zeggen.”Dat vond Piet ook en met ’n lichte buiging zei hij:„Aangenaam kennis te maken … Mijnheer, mag ik u zeer hartelijk bedanken voor den prachtigen beker … het is een groote verrassing … en ik … ik bedoel …”Bella glimlachte en keek hem aan.Piet begon te stotteren, niet omdat hij verlegen tegenover meisjes was, loop heen, vraag maar aan de Vroolijke Bende, maar … omdat die zwarte oogen van Bella iets meelijdend-spotachtigs hadden … iets … iets … waardoor je je nou net een klein kind voelde bij haar.„O, dat is maar een souveniertje,” sprak de heer Voorschoten, „en in verhouding met hetgeen u voor ons gedaan heeft maar een bagatel. Hebt ge de invitatie nog niet vergeten voor morgen?”„Zeker niet, meneer, ik zal er zijn.”„En dan vertelt u zeker Moeder en mij uwverschrikkelijkavontuur?” verzocht Bella.Het leek Piet, of ze het een beetje ironisch zei.„Och jawel … als u dat wenscht … danne … maarre … wil ik zeggen …”„Dus tot morgen dan,” besloot de heer Voorschoten. „We gaan nu op familie-bezoek en zijn wat gehaast.”Ook Bella stak Piet de hand toe.„Tot morgen,” zei ze vriendelijk.Piet nam z’n hoed onwillekeurig dieper af, dan hij doorgaans gewend was en vervolgde zijn wandeling.Hij stak een tweede cigaret op, blies volle rookwolken uit.Hee, wat was het toch mooi weer van avond en wat zagen de menschen er vroolijk uit!Aardige man, die meneer Voorschoten … en wat ’n zwarte oogen had die Bella … wel ’n leuke naam … Bel-la … net één letter meer dan zijn naam … Bell-a … klonk wel aardig … maar ’n mirâkel zwarte oogen … en wat ze je daarmee aankijken kon … schuw!Piet sloeg den terugweg naar huis in.Op zijn kamer stond de beker nog.Piet stak zijn lamp aan, deed de rood-zijden kap erover, zoodat het gezellige vertrek in een fantastisch-rossen schemer gehuld was.Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.Het was een veel bewogen week geweest, vooral met dat avontuur … maar zijn hart haakte naar meer, naar beter …Voor ’t oogenblik was het goed zoo … zijn leven van jongste verslaggever aan de Morgenpost … maar hij voelde … hij kon dat niet blijven doen … iederen dag maar weer op datzelfde bureau … schrijven voor altijd weer dezelfde lezers … altijd weer over dieven en politie en nachttafereelen … Als hij maar vrij was, geen baantje van alle dag weer denzelfden sleur te moeten volgen … dan zou hij de wereld ingaan en de menschen en de natuur leeren kennen, en dan zou-die over veel mooier dingen schrijven dan alleen maar rechtszaken …Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.Hij voelde, dat het zou komen … later … dat hijeerst nog moest studeeren … heel veel studeeren … en dan … het leven en de wereld in … het rijke, bruisende, groeiende bloeiende leven!In gedachten keek hij naar den zilveren beker.In den donkerrooden gloed scheen het spottend-lachende hoofd van Bella uit het ding omhoog te rijzen ….Piet zag duidelijk de gitzwarte lach-oogen … de roode lippen … de hagelwitte tanden … ze lachte … lachte om zijn gedachten.Piet wreef zich de oogen uit … maar het was weg.Nijdig smeet hij een boek op den grond.„Loop naar de maan!”Den volgenden Zondagmorgen góót het!De regen stroomde in dikke stralen neer op de straten, het water in de goten vormde snelstroomende rivieren.„Dat ziet er plezierig uit voor vandaag,” mompelde Piet, toen hij de gordijnen openschoof.Hijwaschteen kleedde zich vlug en begaf zich naar de huiskamer, waar knusse Zondagmorgen-gezelligheid heerschte.Zijn ouders wachtten hem aan de ontbijttafel.„Morgen ouwetjes,” wasPietshartelijke begroeting. „Lekker weertje, he? Daar zou een eend in verdrinken.”„Morgen jongen, goed geslapen?”„Als een ijsbeer, Moeder. Is dat mijn thee?”„Ja, ga je gang.”Moeder stapelde de versche krenten-boterhammen op, ging de eieren uit den ketel halen.„Heb je dat gehoord van den hond van hiernaast?” vroeg Vader, een kadetje met ham beleggend.„NeenVader, wat is daarmee gebeurd?”„Wel, buurman’s hond was gistermiddag weggeloopen en niemand had hem sinds dien tijd gezien. Nouwerd er vanmorgen om zeven gebeld en raad eens, wie daar was?”„De hond,” zei Piet.„Mis, de melkboer! Ha-ha-ha! daar loop je in, Piet, daar heb ik je! Ha-ha-ha!!” lachte Vader en hij verslikte zich in zijn thee.„Uche-uche … ha-ha … uche!!”„Kalm nou … kalm nou …” vermaande Moeder, die een aangeboren angst voor verslikken had, en haastig toe kwam loopen om vader op den rug te kloppen.Piet intusschen pelde een versch, warm eitje en zon op wraak.Hij vertelde van zijn ontmoeting met den heer Voorschoten en Bella en verzuimde niet te beschrijven, welk een verbazend zwarte oogen het meisje had.„Waar zoo’n jongen al niet naar kijkt,” zei Moeder lachend.„Zulke domme dingen heb ik nooit gedaan,” beweerde Vader, een kruimig, knappend waterbroodje smerend. „Geef me nog een kop thee, Moeder.”„Hoor me nou zoo’n man eens aan,” zei Moeder.„Heb jij nooit naar zwarte oogen gekeken, toen je zeventien …”„Al goed, al goed,” zei Vader en alle drie lachten hartelijk.„Wel,” zei Piet een oogenblik later. „Dat zal me ook een heele stoet wezen, als de Minister begraven wordt.”„Is de Minister dan dood?” vroeg Vader verbaasd.„Heelemaal niet,” zei Piet. „Ik zei:alsde Minister begraven wordt. Ha-ha!! daar heb ik je, vadertje … nou doe ik de ha-ha-ha!”Moeder gierde het uit en Vader lachte maar mee.Zoo zaten de drie opgeruimde menschen in rustige tevredenheid bijeen: de een gelukkig met den ander en allen gelukkig met elkaar.Meestal maakte Piet des Zondagsmorgens een wandeling, maar bij dit weer was er natuurlijk geen sprake van.In zoo’n geval bleef hij altijd op zijn kamer, waar ’t gezellig was.Dan las-ie een nieuwe roman of werkte aan een feuilleton voor de krant. Dat laatste deed-ie graag.’t Waren meestal eenvoudige schetsjes, vroolijke brokjes stadsleven, maar hij had een groote vaardigheid verkregen in het vertellen van humoristische straattooneeltjes.En als er dan des Zaterdagsavonds zoo’n onderhoudend stukje straatleven, onderteekend P. B. in de krant stond, glimlachten de lezers al bij voorbaat, gingen eens extra op hun gemak zitten en zeiden:„Ha, daar heb je ’r weer een.”Dien heelen morgen bleef Piet lezen en toen het tegen den middag droog werd en de hemel mooi opklaarde, maakte hij zich gereed om uit te gaan.De club speelde altijd Zondags op het terrein, maar Piet ging er niet heen.Hij nam de tram en reed tot buiten de stad naar een groote uitspanningsplaats, waar hij een boot huurde.Hij bleef een paar uren op het water en begaf zich tijdig naar huis, teneinde zich te kleeden voor het diner bij den heer Voorschoten.De woning van den juwelier Herman Voorschoten was een der rijkste aan den Westersingel. Piet schelde aan en een geluid als van een zwaren gong klonk door het huis.Een zwart-en-wit-geuniformde dienstbode opende de deur en toen Piet zijn kaartje overhandigde, werd hem medegedeeld, dat de familie hem verwachtte in den tuin.Hij hing zijn hoed op en volgde het meisje.De hall was ruim en hoog, een paar hertegeweien versierden de wanden, dikke tapijten bedekten den marmeren vloer en in den achtermuur was een groot kerkraam met geschilderd glas gebouwd, dat een vreemd getint licht naar binnen wierp.De tuin was zichtbaar door de openstaande deuren, een bosch van groen en een ongekende weelde van rozen … dat was alles, wat Piet zag … groen en rozen … rozen en groen.Een overweldigende rozengeur kwam hem in den tuin tegemoet.’t Dienstmeisje wees hem een pad aan, hetwelk hij volgde, maar hij zag niemand.... en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit ...„Wel, wat heb ik nou aan mijn pet hangen?” mompelde Piet. „De familie is in den tuin, zegt die zwart-jurk, maar ik ben een pepernoot als ik er wat van zie.”Hij sloeg een zijpaadje in.Aan het eind daarvan zag hij een dichtbegroeid prieel van klimrozen … en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit … witte kousen … witte schoentjes neteen wolk van witte tulle en satijn … maar met ravenzwarte haren en koolzwarte oogen.Ze scheen erg verdiept in ’n boek.Piet bleef staan.Dat was Bella … maar waar was de rest van de familie? Had ze hem niet hooren aankomen of deed ze maar alsóf? …„Ahem,” kuchte Piet.Nu keek ze op, sprong dadelijk overeind en kwam naar hem toe.„Oh … is u het? Hoe gaat het? Ik had wel voetstappen gehoord, maar ik dacht, dat Vader het was. Heeft u vader en moeder nog niet gezien?”„Neen, maar ’t is zóó ook goed,” zei Piet leuk. „Wat een heerlijke rozentuin heeft u hier, en wat een prachtig prieel. Mag ik daar ook eens inzitten?”„Wel waarom niet?” lachte Bella.De witgelakte tuinstoelen, opgevuld met kleurige kussens, noodden wel tot een zitje uit.„Een heerlijk hoekje hier,” vond Piet, en op ’t boek wijzend, vroeg hij: „Wat leest u daar?”„Sturmfels van Marie Boddaert. ’t Is een snoes van een boek. Houdt u van lezen?”„Schùw.”„Wat zegt u?”„Heel veel. Ik lees alles, komt zoo bij m’n vak te pas, weet u?”„Is ’t niet een vree-se-lijk interessant werk, dat van u?”„Wel, dat hangt er van af, zooals de man zei, die in een afgrond viel, en nog gauw een tak greep.”Bella schaterde.„Gunst, praat u altijd zoo grappig?”„Alleen, als m’n humeur op temperatuur is, Bel … juffrouw …”„U moogt wel Bella zeggen. Gisteren dacht ik, dat u verlegen was …”„Verlegen … ik? … waarom?”„Omdat u stotterde, toen ik u aankeek … Ha-ha … willen we jij en jou zeggen?”„In orde, overste … Zoo, stotterde ik? … dat kwam … door …”„Wel?”„Nee … dat zeg ik niet …”„He … hoe flauw.”„Nou dan … als je ’t weten wilt … Ik wil je heelemaal niet vleien of complimentjes maken … maar zulke zwarte oogen als jij hebt … die moesten ze verbieden … daar moest de politie naar kijken …”„Je vergeet, dat jezelf zwart bent … Kijk daar komen vader en moeder aan.”Arm in arm kwamen de heer en mevrouw Voorschoten aanwandelen.„Zoo Bella, heb je visite? Kijk, het is zoowaar onze gast,” sprak de heer Voorschoten op zeer hartelijken toon. „Welkom, jonge vriend! Dit is onze held, meneer Bell, Emma.”Mevrouw drukte Piet de hand.„Ik heb al zooveel goeds van u gehoord,” sprak ze, „dat het mij een groot genoegen is, kennis met u te maken.”„Piet heeft me beleedigd …” zei Bella op komisch-boozen toon.„Piet? … maar Bella … schaam je … hoe durf je? …”vroeg mevrouw verontwaardigd.„O … we jijen en jouen al …”„Dat is vlug,” lachte vader. „En waarin bestaat de beleediging?”„Wel, dit jongmensch heeft wat van m’n oogen te zeggen.”Om zes uur ging men aan tafel.Op verzoek van mevrouw Voorschoten deed Piet na afloop van het diner het verhaal van zijn avontuur.Ze zaten toen weer in den tuin, waar langzaam deavondschemer te dalen begon. Sterk geurden de rozen …„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?” vroeg haar vader.Bella verdween … en weldra kwam door het violet van den vallenden avond de rossige schijn van een piano-lamp.„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?”Het was stil in den tuin; ’t leek wel, of alles wachtte …Dan klonken … heel eenvoudig … maar met gevoel gespeeld, de charmeerende tonen van de „Millions d’Arlequin” naar buiten, deinend, walsend gedragen op de rozengeuren …En Piet zat stil en luisterde … ’t hoofd zachtjes meewiegend … tata-tatatata tatatata …Wat was de avond mooi en wat hoorde al dat moois hier toch bij elkaar … die tuin … die geuren … die muziek … en wat paste Bella daar in!Na de „Millions d’Arlequin” volgden nog een paar stukjes … Bella speelde werkelijk heel fijn … heel artistiek … en Mendelssohn’s „Frülingslied” deed ze feestelijk uitjubelen.„’t Is prachtig,” zei Piet. „Ik heb nooit geweten, dat piano-muziek zóó mooi kon zijn.”De heer Voorschoten bewees, een aangenaam prater te zijn en op zijn beurt deed Piet dan weer een of ander verhaal, waarmede hij de anderen gezellig onderhield. Intusschen draaiden de wijzers van de klok en Piet meende, dat tien uur een mooie tijd was om afscheid te nemen.Hij moest beloven, dat dit niet zijn laatste bezoek zou zijn en hij drukte allen hartelijk de hand met de belofte, spoedig weer te komen.Piet wandelde langzaam huiswaarts.Maar gedurende heel den terugweg rook hij rozen … zag hij ’n meisje in ’t wit bij den rossen schijn van een pianolamp … hoorde hij voortdurend die deinende walsende melodie … tata … tatatata … tatatata …

Dien avond wijdde de Morgenpost een sensatie-wekkend artikel aan Piets avontuur, echter zonder zijn naam te noemen.

Inplaats daarvan werd medegedeeld dat een zeker detective de geheele zaak geleid en tot een succesvol einde had gebracht.

De juweliers-firma Voorschoten & Zonen werd weer in het bezit gesteld van haar eigendom en bood Piet een schitterende belooning aan.

Piet echter bedankte de heeren en wilde geen geld ervoor aannemen.

„Maar dat is dwaasheid,” sprak de heer Voorschoten.„Ge kunt het geld, dat wij u aanbieden, naar de bank brengen en later, als ge het voor de een of andere onderneming noodig mocht hebben, zal het u zeer te pas komen.”

„Jawel,” zei Piet eenvoudig, „maar ik heb geen recht op zulk een groot bedrag en dan ook nog, ik heb geen geld noodig en geef er ook niets om.”

„Maar de belooning is werkelijk zoo groot niet. Gijhebt ons bewaard voor een schade van honderd-veertig duizend gulden, en de vijfhonderd gulden belooning is daar maar een druppel van.”

„Wel mijnheer,” zei Piet lachend, „als ik geld noodig heb, dan werk ik ervoor en behoef tegen niemand „dank je” te zeggen. Uw vriendschap en achting zijn me meer waard dan geld, maar mocht ik later uw hulp en medewerking noodig hebben, dan hoop ik niet tevergeefs bij u aan te kloppen.”

„Jonge vriend,” sprak de heer Voorschoten ernstig, en hij drukte Piet de hand met warmte, „je bent een uitzondering op den regel en je zult het zéér ver brengen in de wereld. Gelukkig is de mensch, die niet steeds op geld loert, maar integendeel liefde heeft voor zijn werk. Wanneer we met plezier en toewijding onzen arbeid verrichten, vriend Bell, komt de rest vanzelf. En luister nu eens: kunt ge aanstaanden Zondag bij ons komen dineeren?”

„Zeer gaarne, mijnheer. Op welken tijd zal ik komen?”

„Wel, wij dineeren gewoonlijk om zes. Laten we dus afspreken vijf uur bij mij aan huis, Westersingel 895.”

Piet drukte den heer Voorschoten nogmaals de hand en vertrok.

Hij had een belooning van vijfhonderd gulden afgewezen, maar daar heeft hij nooit berouw van gehad.

Twee dagen later werd er op Piets kamer door Moeder een kistje gebracht, dat zooeven bezorgd was door een knecht van de juweliers-firma.

Moeder kon haar ongeduld nauwelijks bedwingen, maar Vader zeide haar, dat Piet geen klein kind meer was en niemand dan hijzelf recht had, het pak te openen. Piet opende het des avonds in tegenwoordigheid van zijn ouders.

Keurig verpakt in vloeipapier en watten kwam ereen prachtvolle zilveren beker uit te voorschijn, waarin gegraveerd stond:

UIT DANKBAARHEIDVOOR BEWEZEN DIENSTEN AANVoorschoten & Zonen.

Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.

„’t Is een prachtstuk,” zei Vader,„en we zullen het een eereplaats geven in de voorkamer,Piet,” en hier klopte hij zijn zoon op den schouder, „je bent ’n kráán. Ik zou misschien de vijfhonderd pop aangepakt hebben, maar ….”

Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.

„Daar zou het dan ook mee afgeloopen geweest zijn,” merkte Moeder op. „Voor Piet begint het pas … en ik zeg je … de jongen heeft wijs gedaan … en …”

„Piet doet altijd wijs,” zei Vader, „dat heb ik altijd gezegd.”

Den volgenden Zaterdagavond bracht Piet een bezoek aan den barbier.

Waarom?

Wel, om zich te laten scheren, natuurlijk.

Want Piets bovenlip ging angstig-verdacht doen in den laatsten tijd en Piet meende, dat hij zich niet beter van dien hinderlijken haardos—het waren precies vijftien zwarte, onnoozele donsvezeltjes—kon ontdoen, dan er moedig het mes in te laten zetten.

Al verscheidene malen had hij voor den spiegel getracht een puntje aan den dreigend-opkomenden knevel te draaien … ook dacht hij reeds aan een „knevelbinder”, maar deze pogingen waren tot nog toe vruchteloos geweest.

Piet zette zich bij den barbier in den scheerstoel.

„Haarknippen, meneer?”

„Scheren,” commandeerde Piet.

„Schee … ???”

De barbier bekeek Piets aangezicht.

„Wat is ’r?” vroeg Piet.

„O … niets … absoluut niets … ’k zal u scheren, meneer.”

„Mes goed meneer, of trek het ook?”

„Merci, ’t is best.”

„U zult een zwaren baard krijgen, meneer. Poeder en haar opmaken?”

„Jawel, dat is goed.”

De barbier spoot een geurig, fijn parfum over Piets haardos.

„Dat ruikt lekker,” zei Piet.

„Fransche haar-lotion, meneer. Flora-Mije van Pivèr, Parijs. Kost één gulden vijftig de flacon. Een meenemen, meneer?”

„O nee … ik ben geen jongejuffrouw …”

„Is zeer goed voor het haar, meneer. Aangenaam van geur … verkoop er zeer veel van aan de klanten.”

„Jawel … jawel … ik houd niet van dien rommel.”

De barbier zweeg beleedigd, nam Piets kwartje aan.

„Precies gepast, meneer.”

Opgewekt stapte Piet naar buiten … geschoren ….voor de eerste maal in zijn leven geschoren!

En ’t geurtje van Parijs dwarrelde almaar om zijn hoofd … hij snoof ’t af en toe op … lekker hoor …. Komaan, nu een straatje om en bij Flip Buitenhuis wat cigaretten gekocht.

O ja, sinds het avontuur in de achterbuurt was Piet aan de cigaret gaan doen. Matigjes … een paar per dag …

’t Stònd … niewaar … de meeste lui van zijn leeftijd rookten al ’n licht sigaartje, maar hij vond de cigaret meer in stijl.

Zwaaiend z’n rotting flaneerde hij lustig tusschen de Zaterdag-avond wandelaars door.

’n Groepje bakvischjes met groote strikken in de haren keek hem lachend na. Piet keek even om, lachte ook en kleurde hevig.

Maar daar had je den sigarenwinkel.

Flip was druk bezig met het bedienen der talrijke klanten.

„Hallo, Piet. Uit vanavond?”

„’n Loopje maken. Geef me ’n doos Russen.”

„Asjeblieft. Geen nieuws?”

„Niet dat ik weet.”

„’k Heb gelezen in de krant van dien detective, die de gestolen buit van Voorschoten teruggebracht heeft. Was ’t stuk van jou?”

„Nee, van v. Dalen.”

„Handige vent, die detective. Daar moet je je pet voor afnemen.”

„Ga je gang,” zei Piet.

„O, meen je soms van niet? Ik vind het een mooi vak. Je ziet nog eens wat van het leven en je maakt wat mee.”

„Maar er is heel wat gevaar aan verbonden,” zei Piet, die zijn avontuur zooveel mogelijk geheim gehouden had.

„Daar zou ik niet om geven,” beweerde Flip. „Ik zou best eens een tijd onder die lui willen leven, om zoodoende hun doen en laten eens te bekijken, weet je.”

„Welke lui?”

„Wel, die inbrekers en dieven en dat soort.”

„’t Zou je tegenvallen, Flip. Geloof me, ik ken die heeren, want ik zie ze elke week voor ’t gerecht staan. Ze zijn niet voor de poes.”

„Toch zou ik best willen.”

„Ik wed met je om een gulden, dat je het niet aandurft, om als schooier verkleed met mij de achterbuurten in te gaan.”

„Om een gulden? Dat doe ik met je!”

„Maar reken er op, dat ik je in de verschrikkelijkste gangen en stegen breng, waar je wel eens een pak slaag kon oploopen, vooral wanneer ze zien, dat je niet van de hunnen bent.”

„Best, ik doe het … Wanneer gaan we?”

„Maandagavond dan.”

„Afgesproken, na het sluiten van den winkel ben ik je man.”

Pietje verliet den winkel en wandelde verder.

Ha-ha, hij was toch benieuwd, hoe Flip zich houden zou.

O ja, ze wilden graag allemaal zooiets meemaken, maar vóór het zoover kwam, trokken ze zich meestal terug, hadden een uitvlucht en waren van plan veranderd. Nou, hij zou Flip er eens van laten lusten!

Flip was een beste vent, hoor, wât een fijne vrind en ’n leuk type ook, maar ’t was de vraag, of hij moed genoeg bezat voor wat Piet ’n liefhebberij noemde. Wel, Maandag zou Piet hem op de proef stellen, en niet zoo’n beetje ook.

Hij wandelde de Diergaardelaan in, ontmoette onverwachts den heer Voorschoten, die een allerliefste jongedame aan den arm had, een ongeveer zestien-jarig meisje, met ravenzwarte haren en zwarte oogen, die schitterden als gitten.

„Daar is zoowaar m’n vriend Bell,” sprak de heer Voorschoten op hartelijken toon. „Wel vriend, aan het wandelen? Dit is mijn dochter Bella. Heel aardige ontmoeting, moet ik zeggen.”

Dat vond Piet ook en met ’n lichte buiging zei hij:

„Aangenaam kennis te maken … Mijnheer, mag ik u zeer hartelijk bedanken voor den prachtigen beker … het is een groote verrassing … en ik … ik bedoel …”

Bella glimlachte en keek hem aan.

Piet begon te stotteren, niet omdat hij verlegen tegenover meisjes was, loop heen, vraag maar aan de Vroolijke Bende, maar … omdat die zwarte oogen van Bella iets meelijdend-spotachtigs hadden … iets … iets … waardoor je je nou net een klein kind voelde bij haar.

„O, dat is maar een souveniertje,” sprak de heer Voorschoten, „en in verhouding met hetgeen u voor ons gedaan heeft maar een bagatel. Hebt ge de invitatie nog niet vergeten voor morgen?”

„Zeker niet, meneer, ik zal er zijn.”

„En dan vertelt u zeker Moeder en mij uwverschrikkelijkavontuur?” verzocht Bella.

Het leek Piet, of ze het een beetje ironisch zei.

„Och jawel … als u dat wenscht … danne … maarre … wil ik zeggen …”

„Dus tot morgen dan,” besloot de heer Voorschoten. „We gaan nu op familie-bezoek en zijn wat gehaast.”

Ook Bella stak Piet de hand toe.

„Tot morgen,” zei ze vriendelijk.

Piet nam z’n hoed onwillekeurig dieper af, dan hij doorgaans gewend was en vervolgde zijn wandeling.

Hij stak een tweede cigaret op, blies volle rookwolken uit.

Hee, wat was het toch mooi weer van avond en wat zagen de menschen er vroolijk uit!

Aardige man, die meneer Voorschoten … en wat ’n zwarte oogen had die Bella … wel ’n leuke naam … Bel-la … net één letter meer dan zijn naam … Bell-a … klonk wel aardig … maar ’n mirâkel zwarte oogen … en wat ze je daarmee aankijken kon … schuw!

Piet sloeg den terugweg naar huis in.

Op zijn kamer stond de beker nog.

Piet stak zijn lamp aan, deed de rood-zijden kap erover, zoodat het gezellige vertrek in een fantastisch-rossen schemer gehuld was.

Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.

Het was een veel bewogen week geweest, vooral met dat avontuur … maar zijn hart haakte naar meer, naar beter …

Voor ’t oogenblik was het goed zoo … zijn leven van jongste verslaggever aan de Morgenpost … maar hij voelde … hij kon dat niet blijven doen … iederen dag maar weer op datzelfde bureau … schrijven voor altijd weer dezelfde lezers … altijd weer over dieven en politie en nachttafereelen … Als hij maar vrij was, geen baantje van alle dag weer denzelfden sleur te moeten volgen … dan zou hij de wereld ingaan en de menschen en de natuur leeren kennen, en dan zou-die over veel mooier dingen schrijven dan alleen maar rechtszaken …

Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen en liet zijn gedachten maar gaan.

Hij voelde, dat het zou komen … later … dat hijeerst nog moest studeeren … heel veel studeeren … en dan … het leven en de wereld in … het rijke, bruisende, groeiende bloeiende leven!

In gedachten keek hij naar den zilveren beker.

In den donkerrooden gloed scheen het spottend-lachende hoofd van Bella uit het ding omhoog te rijzen ….

Piet zag duidelijk de gitzwarte lach-oogen … de roode lippen … de hagelwitte tanden … ze lachte … lachte om zijn gedachten.

Piet wreef zich de oogen uit … maar het was weg.

Nijdig smeet hij een boek op den grond.

„Loop naar de maan!”

Den volgenden Zondagmorgen góót het!

De regen stroomde in dikke stralen neer op de straten, het water in de goten vormde snelstroomende rivieren.

„Dat ziet er plezierig uit voor vandaag,” mompelde Piet, toen hij de gordijnen openschoof.

Hijwaschteen kleedde zich vlug en begaf zich naar de huiskamer, waar knusse Zondagmorgen-gezelligheid heerschte.

Zijn ouders wachtten hem aan de ontbijttafel.

„Morgen ouwetjes,” wasPietshartelijke begroeting. „Lekker weertje, he? Daar zou een eend in verdrinken.”

„Morgen jongen, goed geslapen?”

„Als een ijsbeer, Moeder. Is dat mijn thee?”

„Ja, ga je gang.”

Moeder stapelde de versche krenten-boterhammen op, ging de eieren uit den ketel halen.

„Heb je dat gehoord van den hond van hiernaast?” vroeg Vader, een kadetje met ham beleggend.

„NeenVader, wat is daarmee gebeurd?”

„Wel, buurman’s hond was gistermiddag weggeloopen en niemand had hem sinds dien tijd gezien. Nouwerd er vanmorgen om zeven gebeld en raad eens, wie daar was?”

„De hond,” zei Piet.

„Mis, de melkboer! Ha-ha-ha! daar loop je in, Piet, daar heb ik je! Ha-ha-ha!!” lachte Vader en hij verslikte zich in zijn thee.„Uche-uche … ha-ha … uche!!”

„Kalm nou … kalm nou …” vermaande Moeder, die een aangeboren angst voor verslikken had, en haastig toe kwam loopen om vader op den rug te kloppen.

Piet intusschen pelde een versch, warm eitje en zon op wraak.

Hij vertelde van zijn ontmoeting met den heer Voorschoten en Bella en verzuimde niet te beschrijven, welk een verbazend zwarte oogen het meisje had.

„Waar zoo’n jongen al niet naar kijkt,” zei Moeder lachend.

„Zulke domme dingen heb ik nooit gedaan,” beweerde Vader, een kruimig, knappend waterbroodje smerend. „Geef me nog een kop thee, Moeder.”

„Hoor me nou zoo’n man eens aan,” zei Moeder.„Heb jij nooit naar zwarte oogen gekeken, toen je zeventien …”

„Al goed, al goed,” zei Vader en alle drie lachten hartelijk.

„Wel,” zei Piet een oogenblik later. „Dat zal me ook een heele stoet wezen, als de Minister begraven wordt.”

„Is de Minister dan dood?” vroeg Vader verbaasd.

„Heelemaal niet,” zei Piet. „Ik zei:alsde Minister begraven wordt. Ha-ha!! daar heb ik je, vadertje … nou doe ik de ha-ha-ha!”

Moeder gierde het uit en Vader lachte maar mee.

Zoo zaten de drie opgeruimde menschen in rustige tevredenheid bijeen: de een gelukkig met den ander en allen gelukkig met elkaar.

Meestal maakte Piet des Zondagsmorgens een wandeling, maar bij dit weer was er natuurlijk geen sprake van.

In zoo’n geval bleef hij altijd op zijn kamer, waar ’t gezellig was.

Dan las-ie een nieuwe roman of werkte aan een feuilleton voor de krant. Dat laatste deed-ie graag.

’t Waren meestal eenvoudige schetsjes, vroolijke brokjes stadsleven, maar hij had een groote vaardigheid verkregen in het vertellen van humoristische straattooneeltjes.

En als er dan des Zaterdagsavonds zoo’n onderhoudend stukje straatleven, onderteekend P. B. in de krant stond, glimlachten de lezers al bij voorbaat, gingen eens extra op hun gemak zitten en zeiden:

„Ha, daar heb je ’r weer een.”

Dien heelen morgen bleef Piet lezen en toen het tegen den middag droog werd en de hemel mooi opklaarde, maakte hij zich gereed om uit te gaan.

De club speelde altijd Zondags op het terrein, maar Piet ging er niet heen.

Hij nam de tram en reed tot buiten de stad naar een groote uitspanningsplaats, waar hij een boot huurde.

Hij bleef een paar uren op het water en begaf zich tijdig naar huis, teneinde zich te kleeden voor het diner bij den heer Voorschoten.

De woning van den juwelier Herman Voorschoten was een der rijkste aan den Westersingel. Piet schelde aan en een geluid als van een zwaren gong klonk door het huis.

Een zwart-en-wit-geuniformde dienstbode opende de deur en toen Piet zijn kaartje overhandigde, werd hem medegedeeld, dat de familie hem verwachtte in den tuin.

Hij hing zijn hoed op en volgde het meisje.

De hall was ruim en hoog, een paar hertegeweien versierden de wanden, dikke tapijten bedekten den marmeren vloer en in den achtermuur was een groot kerkraam met geschilderd glas gebouwd, dat een vreemd getint licht naar binnen wierp.

De tuin was zichtbaar door de openstaande deuren, een bosch van groen en een ongekende weelde van rozen … dat was alles, wat Piet zag … groen en rozen … rozen en groen.

Een overweldigende rozengeur kwam hem in den tuin tegemoet.

’t Dienstmeisje wees hem een pad aan, hetwelk hij volgde, maar hij zag niemand.

... en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit ...

„Wel, wat heb ik nou aan mijn pet hangen?” mompelde Piet. „De familie is in den tuin, zegt die zwart-jurk, maar ik ben een pepernoot als ik er wat van zie.”

Hij sloeg een zijpaadje in.

Aan het eind daarvan zag hij een dichtbegroeid prieel van klimrozen … en midden in die rozen zat een meisje in ’t wit … witte kousen … witte schoentjes neteen wolk van witte tulle en satijn … maar met ravenzwarte haren en koolzwarte oogen.

Ze scheen erg verdiept in ’n boek.

Piet bleef staan.

Dat was Bella … maar waar was de rest van de familie? Had ze hem niet hooren aankomen of deed ze maar alsóf? …

„Ahem,” kuchte Piet.

Nu keek ze op, sprong dadelijk overeind en kwam naar hem toe.

„Oh … is u het? Hoe gaat het? Ik had wel voetstappen gehoord, maar ik dacht, dat Vader het was. Heeft u vader en moeder nog niet gezien?”

„Neen, maar ’t is zóó ook goed,” zei Piet leuk. „Wat een heerlijke rozentuin heeft u hier, en wat een prachtig prieel. Mag ik daar ook eens inzitten?”

„Wel waarom niet?” lachte Bella.

De witgelakte tuinstoelen, opgevuld met kleurige kussens, noodden wel tot een zitje uit.

„Een heerlijk hoekje hier,” vond Piet, en op ’t boek wijzend, vroeg hij: „Wat leest u daar?”

„Sturmfels van Marie Boddaert. ’t Is een snoes van een boek. Houdt u van lezen?”

„Schùw.”

„Wat zegt u?”

„Heel veel. Ik lees alles, komt zoo bij m’n vak te pas, weet u?”

„Is ’t niet een vree-se-lijk interessant werk, dat van u?”

„Wel, dat hangt er van af, zooals de man zei, die in een afgrond viel, en nog gauw een tak greep.”

Bella schaterde.

„Gunst, praat u altijd zoo grappig?”

„Alleen, als m’n humeur op temperatuur is, Bel … juffrouw …”

„U moogt wel Bella zeggen. Gisteren dacht ik, dat u verlegen was …”

„Verlegen … ik? … waarom?”

„Omdat u stotterde, toen ik u aankeek … Ha-ha … willen we jij en jou zeggen?”

„In orde, overste … Zoo, stotterde ik? … dat kwam … door …”

„Wel?”

„Nee … dat zeg ik niet …”

„He … hoe flauw.”

„Nou dan … als je ’t weten wilt … Ik wil je heelemaal niet vleien of complimentjes maken … maar zulke zwarte oogen als jij hebt … die moesten ze verbieden … daar moest de politie naar kijken …”

„Je vergeet, dat jezelf zwart bent … Kijk daar komen vader en moeder aan.”

Arm in arm kwamen de heer en mevrouw Voorschoten aanwandelen.

„Zoo Bella, heb je visite? Kijk, het is zoowaar onze gast,” sprak de heer Voorschoten op zeer hartelijken toon. „Welkom, jonge vriend! Dit is onze held, meneer Bell, Emma.”

Mevrouw drukte Piet de hand.

„Ik heb al zooveel goeds van u gehoord,” sprak ze, „dat het mij een groot genoegen is, kennis met u te maken.”

„Piet heeft me beleedigd …” zei Bella op komisch-boozen toon.

„Piet? … maar Bella … schaam je … hoe durf je? …”vroeg mevrouw verontwaardigd.

„O … we jijen en jouen al …”

„Dat is vlug,” lachte vader. „En waarin bestaat de beleediging?”

„Wel, dit jongmensch heeft wat van m’n oogen te zeggen.”

Om zes uur ging men aan tafel.

Op verzoek van mevrouw Voorschoten deed Piet na afloop van het diner het verhaal van zijn avontuur.

Ze zaten toen weer in den tuin, waar langzaam deavondschemer te dalen begon. Sterk geurden de rozen …

„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?” vroeg haar vader.

Bella verdween … en weldra kwam door het violet van den vallenden avond de rossige schijn van een piano-lamp.

„Wil jij wat voor ons spelen, Bella?”

Het was stil in den tuin; ’t leek wel, of alles wachtte …

Dan klonken … heel eenvoudig … maar met gevoel gespeeld, de charmeerende tonen van de „Millions d’Arlequin” naar buiten, deinend, walsend gedragen op de rozengeuren …

En Piet zat stil en luisterde … ’t hoofd zachtjes meewiegend … tata-tatatata tatatata …

Wat was de avond mooi en wat hoorde al dat moois hier toch bij elkaar … die tuin … die geuren … die muziek … en wat paste Bella daar in!

Na de „Millions d’Arlequin” volgden nog een paar stukjes … Bella speelde werkelijk heel fijn … heel artistiek … en Mendelssohn’s „Frülingslied” deed ze feestelijk uitjubelen.

„’t Is prachtig,” zei Piet. „Ik heb nooit geweten, dat piano-muziek zóó mooi kon zijn.”

De heer Voorschoten bewees, een aangenaam prater te zijn en op zijn beurt deed Piet dan weer een of ander verhaal, waarmede hij de anderen gezellig onderhield. Intusschen draaiden de wijzers van de klok en Piet meende, dat tien uur een mooie tijd was om afscheid te nemen.

Hij moest beloven, dat dit niet zijn laatste bezoek zou zijn en hij drukte allen hartelijk de hand met de belofte, spoedig weer te komen.

Piet wandelde langzaam huiswaarts.

Maar gedurende heel den terugweg rook hij rozen … zag hij ’n meisje in ’t wit bij den rossen schijn van een pianolamp … hoorde hij voortdurend die deinende walsende melodie … tata … tatatata … tatatata …


Back to IndexNext