Twaalfde Hoofdstuk.

Twaalfde Hoofdstuk.Twaalfde Hoofdstuk.De ijsclub en de Soirée van de Vroolijke Bende.De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer verwarring gaf.Het was zoo glad, dat Piet—die bovendien zich dien morgen nog verslapen had en zeer gehaast was—twee stappen achteruit gleed als hij er één voorwaarts deed.Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die manier de Morgenpost-bureaux.Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders, dat het zoo koud was, dat de ijskegelsaan zijn vulpenhouder hingen, als hij er mee schrijven wou.Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken verkocht werden.Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de Vroolijke Bende vinden.De jongelui van de club hadden „gezelligheid” tot een van hun grootste deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen Mien Kuijer opbelde.Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon van den haak.„Hallo … wie daar?”Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.„Hallo Mientje … Pietje Bell!”„O ben jij ’t, Piet? Wat scheelt er aan?”„’n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb je zin om mee te gaan?”„Nou, asjeblieft … Dolletjes … Wacht even, ’k zal Moes vragen.”Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.„Hallo Piet … ben je daar?”„Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?”„’t Is goed, Piet, kom je me halen?”„Met de stafmuziek. Kan je zwieren?”„Beter dan jij?”„Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!”„Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga ’k met Harry.”„Moest je ’t hart eens hebben … Dag wurm!”Precies twee uur was Piet present.Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder, ’n pet en ’n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte pofbroek en de sportkousen. Met z’n gezond, door de kou frisch-rood gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden Hollandschen jongen.Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje bruine lokken met ’n witten strik bijeengebonden, neerhingen.„Wel Piet,” zei Miens moeder, „dat is nu eens aardig van je, om Mientje te komen halen.”„Och,” zei Piet, „alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de Vroolijke Bende houden van gezelligheid.”„Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub,” giste Mien.„Daar heb je kans op. Ik hoop het.”„Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?” pruilde ze.„O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn.”„En ik met Harry,” plaagde Mien. „Die trekt je zoo heerlijk mee!”„Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken,” lachte Piet, „want we staan hier mooi onzen tijd te verpraten.”„Dag schàttemoes,” riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor goed op reis ging.„Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor zorgen, Piet?”„In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en stop ze in een brievenbus.”Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke ijsbanen.Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden rijders van het mooie ijs genoten.Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de schaatsen voor Mien aan.Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.„Au, niet zoo stijf, duvel!” riep ze.„Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast.”„Nou … wacht even … ja, zoo is ’t goed.”„Tot uw dienst, Hoogheid.”Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.„Bonjour luidjes,” riep Flip hen toe. „Harry en Spinnetje zijn ook aan ’t krabbelen. We zijn dus al met ons zessen.”„Is de baan goed?” informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.„Buitengewoon fijn … geen geultje en geen krasje.”„Kom mee, Mien,” inviteerde Piet. „Eerst maar een baantje om!”Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar met zich mee.„Gut, wat zwier jij,” riep Mien, „dat kan ik niet.”„Larie … kan iedereen … Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist zoo … zie je nou wel? Rustig aan nou … fijn.”Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.„We zullen een lollig stelletje beleven,” vertelde hijhun. „Eetje is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum, maar heeft nog nooit gereden.”„Wat … heeft hij nog nooit schaatsen gereden?” vroeg Mien verbaasd.„Neen … dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen en is daarom ook maar gekomen.”„Stil … daar komt hij.”Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé handschoenen, die te meer in ’t oog liepen, omdat hij voortdurend met de armen in het rond zwaaide.Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen, slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend …„Dég lui! Ook op de schétsen véndég?”„Nee, heelemaal niet, we loopen stelten,” zei Piet.„Je rijdt al aardig, Ee,” zei Mien.„O, ’k begin pés … Mér ’t gét best … ’t gét best … En tegelijk gleed Eetje onderuit en smakte met z’n zit-vlak een ster in ’t ijs.„Zeker,” zei Flip, „’t gaat best.”„Zal ik een baantje met je rijden?” vroeg Piet, daarbij de anderen een knipoogje gevend.„Heel grég, Piet, heel grég.”„Hou vast dan … nee niet zoo … bee jij betoeterd!! Armen gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk … mooi … nou je rechter … nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!”„Ho-ho! … ik vél ….” sidderde Eetje.„Nee, je valt niet, ik heb je vast … zet maar niet zoo’n benauwd gezicht … Komaan … een-twéé … een-twee …”Geholpen door Piet ging ’t nu vrij goed, maar toen ze bijna aan ’t eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje opeens los en gaf hemnog een flinken zet, waardoor de hulpelooze jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende armen op de massa toeschouwers afschoot.Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!” riep de dame, die door Eet je bijna gewurgd werd.„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!”Alle omstanders gierden het uit.„Ik … ik kan niet!” hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.„Laat los!” bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden, tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.Eetje gleed op één schaats voort, ’t andere been omhooghoudend en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster op het ijs maakte.Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd, dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en ging toen in een groepje huiswaarts.„Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?” vroeg Mien.„Over drie weken,” zei Harry, „ik heb vanmorgen den Schouwburg gehuurd.”„Dan mogen we wel voortmaken met ons programma.”„Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we de aparte nummers maar in te vullen.”Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje geschreven, een klucht in twee bedrijven.Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor ieder een geschikte rol geschreven.Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote, kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat, de rol van dienstmeisje was bestemd.„Vergeet niet de repetitie van morgenavond,” zei Piet.Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.„Wel bedankt Piet,” zei Mien. „Gaan we morgen weer?”„Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben … Millionair? ’k Moet werken hoor. Dag garnaal!”Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!Een brief uit Amerika!Haastig verbrak hij het couvert en las:New-York, 2 Januari 19 ….Riverside Drive 1490Beste, trouwe Vriend!Hier is dan m’n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, enje beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was dan ook meer dan erg.Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn middelen zeer beperkt waren.Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo’n groote kerel als ik, als een klein kind aan het huilen.—Wel Piet, en na die huilpartij voelde ik me opgelucht en m’n angst was verdwenen.—Wat drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met gereedschappen hebben moest. „Een dollar,” zegt hij—en ik betaalde hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna drie dollars per dag.Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.—Opeens zeg ik: Is u Hollander, meneer?—Nou, en toen had je hem moeten zien.—Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.—Hoe heet je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.—David Mantel, de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de kleinzoon van mijn besten vriend.En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf ik wel wat over New-York, enz.Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.Met beste groeten en ’n stevigen handdruk,Je vriend,Jacob Mantel.Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden zoen en zei:„Van Jacob.”Moeder lachte.„Wat bedoel je, den brief of den zoen?”„Beide, moedertje. Lees maar.”Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.„Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten, hoor.”„O neen, zoover zijn we nog niet. Later … misschien …”„Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten.”„Wat is dat? Piet ons verlaten?” klonk Vaders stem.Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.„Geen sprake nog van,” lachte Piet. „We hadden het over Jacob Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York”.„Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook gaan schoenpoetsen?”„Dat zal niet noodig zijn,” zei Piet.Moeder stonden de tranen in de oogen.„Wat nou, moeder?” vroeg vader, haar op den rug kloppend. „Wat ga je nou doen?”„Piet moet niet weggaan …” snikte ze.„Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt,” zei Piet. „Voorloopig heb ik het best naar mijn zin.”„Och,” beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, „ik weet nog niet, wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen.”„Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m’n beide ouders en stond ik vrijwel alleen.„Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een schoenmaker. Sinds heb ik al mijn levenschoenen gemaakt en heb er mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog eens mocht doen … wel … ik denk … dat ik de wereld eens ging bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht, de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen.”Alle rangen uitverkocht.Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen zou moeten afstaan … neen … daar moest ze niet aan denken.Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburggeopend voor de Soirée van de Vroolijke Bende.Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de Vroolijke Bende eens leeren kennen.Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje: UITVERKOCHT prijkte.Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het tooneel.Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als regisseur, had het druk.Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd tooneelmeester.„Is Boedels hier?” riep hij. „O ben je daar … is alles present? De schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?”„Piet,” riep een stem uit een der kleedkamers,„hier is de kapper.”„Kom direct.”Tooneelknechts plaatsten de coulissen.„De piano hier,” wees Piet aan. „Het tooneelstukje gaat pas voor de pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten.”„Piet, of je even in de zaal komt.”„Wat is er dan?”„D’r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht …”„Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien …. roep Harry maar … ik heb het te druk.”„Piet … de kapperrrrr!!!”„Jááá, ik kom … Hee, leg een paar kleine tapijtjeshier over dit kleed. D’r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi.”Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten uitpakte.„Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u geschikte pruiken kunnen vinden?”„Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?”„De piano hier,” wees Piet aan.„Ik eerst!” riep Mien Kuijer.Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op, zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper en wachtten hun beurt af.„Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!”Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe capes en zware bonten, verschenenin de corridor, gevolgd door een heer in smoking.Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.„Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken.”„Allright… een oogenblik.”Zoo was het Piet voor en Piet na!Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.De schouwburg was stampvol.Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor gezorgd.Na den welkomst-marsch rees het scherm.Het eerste nummer van het programma luidde:OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel en trad naar voren.Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan en gaven ’n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts … maar ’t geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan ’t woord of jullie?Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten had, voor te bereiden.„Zeer verdachte—ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen—het is een groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en het is dan ook met een kloppend oog en een traan in ’t hart, dat ik u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar… een hartelijk welkom, wil ik zeggen … toeroep.„Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin een wereldberoemde vaardigheid verkregen.„De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde en ontkroonde hoofden van Europa … den hertog van Luxemburg, Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier,het Roode Hert en de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt, heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen.”De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:„Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.„En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking, verklaar ik dezen feestavond geopend.”Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone woorden.Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die zijn boerderij voor dien avond verlatenhad om de Soirée van zijn dochter bij te wonen.De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens vader een stomp in de zij gaf.Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend „Ha-ha-ha” gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend, dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge, stijve redevoeringen.Men kwam hier voor zijn plezier en, wel … men hád het!Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren weer in werking.Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces, terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten, dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer hij weer verder kon gaan.Na het zakken van het scherm was er een aanhoudendgeroep om den schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:„Pietje Bell!! … Pietje Bell!!! …”En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren … lachend en buigend … en daverend weerklonk het applaus uit den stampvollen schouwburg.Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar, dat was hùn zoon, hùn Piet!

Twaalfde Hoofdstuk.Twaalfde Hoofdstuk.De ijsclub en de Soirée van de Vroolijke Bende.De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer verwarring gaf.Het was zoo glad, dat Piet—die bovendien zich dien morgen nog verslapen had en zeer gehaast was—twee stappen achteruit gleed als hij er één voorwaarts deed.Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die manier de Morgenpost-bureaux.Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders, dat het zoo koud was, dat de ijskegelsaan zijn vulpenhouder hingen, als hij er mee schrijven wou.Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken verkocht werden.Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de Vroolijke Bende vinden.De jongelui van de club hadden „gezelligheid” tot een van hun grootste deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen Mien Kuijer opbelde.Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon van den haak.„Hallo … wie daar?”Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.„Hallo Mientje … Pietje Bell!”„O ben jij ’t, Piet? Wat scheelt er aan?”„’n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb je zin om mee te gaan?”„Nou, asjeblieft … Dolletjes … Wacht even, ’k zal Moes vragen.”Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.„Hallo Piet … ben je daar?”„Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?”„’t Is goed, Piet, kom je me halen?”„Met de stafmuziek. Kan je zwieren?”„Beter dan jij?”„Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!”„Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga ’k met Harry.”„Moest je ’t hart eens hebben … Dag wurm!”Precies twee uur was Piet present.Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder, ’n pet en ’n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte pofbroek en de sportkousen. Met z’n gezond, door de kou frisch-rood gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden Hollandschen jongen.Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje bruine lokken met ’n witten strik bijeengebonden, neerhingen.„Wel Piet,” zei Miens moeder, „dat is nu eens aardig van je, om Mientje te komen halen.”„Och,” zei Piet, „alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de Vroolijke Bende houden van gezelligheid.”„Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub,” giste Mien.„Daar heb je kans op. Ik hoop het.”„Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?” pruilde ze.„O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn.”„En ik met Harry,” plaagde Mien. „Die trekt je zoo heerlijk mee!”„Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken,” lachte Piet, „want we staan hier mooi onzen tijd te verpraten.”„Dag schàttemoes,” riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor goed op reis ging.„Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor zorgen, Piet?”„In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en stop ze in een brievenbus.”Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke ijsbanen.Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden rijders van het mooie ijs genoten.Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de schaatsen voor Mien aan.Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.„Au, niet zoo stijf, duvel!” riep ze.„Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast.”„Nou … wacht even … ja, zoo is ’t goed.”„Tot uw dienst, Hoogheid.”Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.„Bonjour luidjes,” riep Flip hen toe. „Harry en Spinnetje zijn ook aan ’t krabbelen. We zijn dus al met ons zessen.”„Is de baan goed?” informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.„Buitengewoon fijn … geen geultje en geen krasje.”„Kom mee, Mien,” inviteerde Piet. „Eerst maar een baantje om!”Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar met zich mee.„Gut, wat zwier jij,” riep Mien, „dat kan ik niet.”„Larie … kan iedereen … Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist zoo … zie je nou wel? Rustig aan nou … fijn.”Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.„We zullen een lollig stelletje beleven,” vertelde hijhun. „Eetje is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum, maar heeft nog nooit gereden.”„Wat … heeft hij nog nooit schaatsen gereden?” vroeg Mien verbaasd.„Neen … dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen en is daarom ook maar gekomen.”„Stil … daar komt hij.”Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé handschoenen, die te meer in ’t oog liepen, omdat hij voortdurend met de armen in het rond zwaaide.Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen, slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend …„Dég lui! Ook op de schétsen véndég?”„Nee, heelemaal niet, we loopen stelten,” zei Piet.„Je rijdt al aardig, Ee,” zei Mien.„O, ’k begin pés … Mér ’t gét best … ’t gét best … En tegelijk gleed Eetje onderuit en smakte met z’n zit-vlak een ster in ’t ijs.„Zeker,” zei Flip, „’t gaat best.”„Zal ik een baantje met je rijden?” vroeg Piet, daarbij de anderen een knipoogje gevend.„Heel grég, Piet, heel grég.”„Hou vast dan … nee niet zoo … bee jij betoeterd!! Armen gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk … mooi … nou je rechter … nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!”„Ho-ho! … ik vél ….” sidderde Eetje.„Nee, je valt niet, ik heb je vast … zet maar niet zoo’n benauwd gezicht … Komaan … een-twéé … een-twee …”Geholpen door Piet ging ’t nu vrij goed, maar toen ze bijna aan ’t eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje opeens los en gaf hemnog een flinken zet, waardoor de hulpelooze jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende armen op de massa toeschouwers afschoot.Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!” riep de dame, die door Eet je bijna gewurgd werd.„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!”Alle omstanders gierden het uit.„Ik … ik kan niet!” hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.„Laat los!” bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden, tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.Eetje gleed op één schaats voort, ’t andere been omhooghoudend en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster op het ijs maakte.Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd, dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en ging toen in een groepje huiswaarts.„Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?” vroeg Mien.„Over drie weken,” zei Harry, „ik heb vanmorgen den Schouwburg gehuurd.”„Dan mogen we wel voortmaken met ons programma.”„Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we de aparte nummers maar in te vullen.”Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje geschreven, een klucht in twee bedrijven.Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor ieder een geschikte rol geschreven.Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote, kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat, de rol van dienstmeisje was bestemd.„Vergeet niet de repetitie van morgenavond,” zei Piet.Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.„Wel bedankt Piet,” zei Mien. „Gaan we morgen weer?”„Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben … Millionair? ’k Moet werken hoor. Dag garnaal!”Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!Een brief uit Amerika!Haastig verbrak hij het couvert en las:New-York, 2 Januari 19 ….Riverside Drive 1490Beste, trouwe Vriend!Hier is dan m’n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, enje beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was dan ook meer dan erg.Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn middelen zeer beperkt waren.Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo’n groote kerel als ik, als een klein kind aan het huilen.—Wel Piet, en na die huilpartij voelde ik me opgelucht en m’n angst was verdwenen.—Wat drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met gereedschappen hebben moest. „Een dollar,” zegt hij—en ik betaalde hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna drie dollars per dag.Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.—Opeens zeg ik: Is u Hollander, meneer?—Nou, en toen had je hem moeten zien.—Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.—Hoe heet je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.—David Mantel, de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de kleinzoon van mijn besten vriend.En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf ik wel wat over New-York, enz.Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.Met beste groeten en ’n stevigen handdruk,Je vriend,Jacob Mantel.Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden zoen en zei:„Van Jacob.”Moeder lachte.„Wat bedoel je, den brief of den zoen?”„Beide, moedertje. Lees maar.”Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.„Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten, hoor.”„O neen, zoover zijn we nog niet. Later … misschien …”„Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten.”„Wat is dat? Piet ons verlaten?” klonk Vaders stem.Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.„Geen sprake nog van,” lachte Piet. „We hadden het over Jacob Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York”.„Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook gaan schoenpoetsen?”„Dat zal niet noodig zijn,” zei Piet.Moeder stonden de tranen in de oogen.„Wat nou, moeder?” vroeg vader, haar op den rug kloppend. „Wat ga je nou doen?”„Piet moet niet weggaan …” snikte ze.„Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt,” zei Piet. „Voorloopig heb ik het best naar mijn zin.”„Och,” beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, „ik weet nog niet, wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen.”„Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m’n beide ouders en stond ik vrijwel alleen.„Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een schoenmaker. Sinds heb ik al mijn levenschoenen gemaakt en heb er mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog eens mocht doen … wel … ik denk … dat ik de wereld eens ging bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht, de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen.”Alle rangen uitverkocht.Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen zou moeten afstaan … neen … daar moest ze niet aan denken.Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburggeopend voor de Soirée van de Vroolijke Bende.Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de Vroolijke Bende eens leeren kennen.Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje: UITVERKOCHT prijkte.Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het tooneel.Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als regisseur, had het druk.Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd tooneelmeester.„Is Boedels hier?” riep hij. „O ben je daar … is alles present? De schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?”„Piet,” riep een stem uit een der kleedkamers,„hier is de kapper.”„Kom direct.”Tooneelknechts plaatsten de coulissen.„De piano hier,” wees Piet aan. „Het tooneelstukje gaat pas voor de pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten.”„Piet, of je even in de zaal komt.”„Wat is er dan?”„D’r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht …”„Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien …. roep Harry maar … ik heb het te druk.”„Piet … de kapperrrrr!!!”„Jááá, ik kom … Hee, leg een paar kleine tapijtjeshier over dit kleed. D’r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi.”Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten uitpakte.„Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u geschikte pruiken kunnen vinden?”„Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?”„De piano hier,” wees Piet aan.„Ik eerst!” riep Mien Kuijer.Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op, zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper en wachtten hun beurt af.„Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!”Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe capes en zware bonten, verschenenin de corridor, gevolgd door een heer in smoking.Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.„Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken.”„Allright… een oogenblik.”Zoo was het Piet voor en Piet na!Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.De schouwburg was stampvol.Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor gezorgd.Na den welkomst-marsch rees het scherm.Het eerste nummer van het programma luidde:OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel en trad naar voren.Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan en gaven ’n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts … maar ’t geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan ’t woord of jullie?Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten had, voor te bereiden.„Zeer verdachte—ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen—het is een groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en het is dan ook met een kloppend oog en een traan in ’t hart, dat ik u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar… een hartelijk welkom, wil ik zeggen … toeroep.„Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin een wereldberoemde vaardigheid verkregen.„De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde en ontkroonde hoofden van Europa … den hertog van Luxemburg, Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier,het Roode Hert en de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt, heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen.”De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:„Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.„En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking, verklaar ik dezen feestavond geopend.”Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone woorden.Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die zijn boerderij voor dien avond verlatenhad om de Soirée van zijn dochter bij te wonen.De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens vader een stomp in de zij gaf.Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend „Ha-ha-ha” gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend, dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge, stijve redevoeringen.Men kwam hier voor zijn plezier en, wel … men hád het!Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren weer in werking.Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces, terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten, dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer hij weer verder kon gaan.Na het zakken van het scherm was er een aanhoudendgeroep om den schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:„Pietje Bell!! … Pietje Bell!!! …”En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren … lachend en buigend … en daverend weerklonk het applaus uit den stampvollen schouwburg.Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar, dat was hùn zoon, hùn Piet!

Twaalfde Hoofdstuk.Twaalfde Hoofdstuk.De ijsclub en de Soirée van de Vroolijke Bende.

Twaalfde Hoofdstuk.

De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer verwarring gaf.Het was zoo glad, dat Piet—die bovendien zich dien morgen nog verslapen had en zeer gehaast was—twee stappen achteruit gleed als hij er één voorwaarts deed.Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die manier de Morgenpost-bureaux.Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders, dat het zoo koud was, dat de ijskegelsaan zijn vulpenhouder hingen, als hij er mee schrijven wou.Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken verkocht werden.Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de Vroolijke Bende vinden.De jongelui van de club hadden „gezelligheid” tot een van hun grootste deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen Mien Kuijer opbelde.Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon van den haak.„Hallo … wie daar?”Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.„Hallo Mientje … Pietje Bell!”„O ben jij ’t, Piet? Wat scheelt er aan?”„’n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb je zin om mee te gaan?”„Nou, asjeblieft … Dolletjes … Wacht even, ’k zal Moes vragen.”Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.„Hallo Piet … ben je daar?”„Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?”„’t Is goed, Piet, kom je me halen?”„Met de stafmuziek. Kan je zwieren?”„Beter dan jij?”„Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!”„Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga ’k met Harry.”„Moest je ’t hart eens hebben … Dag wurm!”Precies twee uur was Piet present.Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder, ’n pet en ’n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte pofbroek en de sportkousen. Met z’n gezond, door de kou frisch-rood gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden Hollandschen jongen.Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje bruine lokken met ’n witten strik bijeengebonden, neerhingen.„Wel Piet,” zei Miens moeder, „dat is nu eens aardig van je, om Mientje te komen halen.”„Och,” zei Piet, „alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de Vroolijke Bende houden van gezelligheid.”„Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub,” giste Mien.„Daar heb je kans op. Ik hoop het.”„Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?” pruilde ze.„O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn.”„En ik met Harry,” plaagde Mien. „Die trekt je zoo heerlijk mee!”„Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken,” lachte Piet, „want we staan hier mooi onzen tijd te verpraten.”„Dag schàttemoes,” riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor goed op reis ging.„Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor zorgen, Piet?”„In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en stop ze in een brievenbus.”Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke ijsbanen.Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden rijders van het mooie ijs genoten.Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de schaatsen voor Mien aan.Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.„Au, niet zoo stijf, duvel!” riep ze.„Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast.”„Nou … wacht even … ja, zoo is ’t goed.”„Tot uw dienst, Hoogheid.”Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.„Bonjour luidjes,” riep Flip hen toe. „Harry en Spinnetje zijn ook aan ’t krabbelen. We zijn dus al met ons zessen.”„Is de baan goed?” informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.„Buitengewoon fijn … geen geultje en geen krasje.”„Kom mee, Mien,” inviteerde Piet. „Eerst maar een baantje om!”Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar met zich mee.„Gut, wat zwier jij,” riep Mien, „dat kan ik niet.”„Larie … kan iedereen … Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist zoo … zie je nou wel? Rustig aan nou … fijn.”Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.„We zullen een lollig stelletje beleven,” vertelde hijhun. „Eetje is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum, maar heeft nog nooit gereden.”„Wat … heeft hij nog nooit schaatsen gereden?” vroeg Mien verbaasd.„Neen … dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen en is daarom ook maar gekomen.”„Stil … daar komt hij.”Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé handschoenen, die te meer in ’t oog liepen, omdat hij voortdurend met de armen in het rond zwaaide.Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen, slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend …„Dég lui! Ook op de schétsen véndég?”„Nee, heelemaal niet, we loopen stelten,” zei Piet.„Je rijdt al aardig, Ee,” zei Mien.„O, ’k begin pés … Mér ’t gét best … ’t gét best … En tegelijk gleed Eetje onderuit en smakte met z’n zit-vlak een ster in ’t ijs.„Zeker,” zei Flip, „’t gaat best.”„Zal ik een baantje met je rijden?” vroeg Piet, daarbij de anderen een knipoogje gevend.„Heel grég, Piet, heel grég.”„Hou vast dan … nee niet zoo … bee jij betoeterd!! Armen gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk … mooi … nou je rechter … nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!”„Ho-ho! … ik vél ….” sidderde Eetje.„Nee, je valt niet, ik heb je vast … zet maar niet zoo’n benauwd gezicht … Komaan … een-twéé … een-twee …”Geholpen door Piet ging ’t nu vrij goed, maar toen ze bijna aan ’t eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje opeens los en gaf hemnog een flinken zet, waardoor de hulpelooze jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende armen op de massa toeschouwers afschoot.Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!” riep de dame, die door Eet je bijna gewurgd werd.„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!”Alle omstanders gierden het uit.„Ik … ik kan niet!” hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.„Laat los!” bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden, tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.Eetje gleed op één schaats voort, ’t andere been omhooghoudend en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster op het ijs maakte.Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd, dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en ging toen in een groepje huiswaarts.„Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?” vroeg Mien.„Over drie weken,” zei Harry, „ik heb vanmorgen den Schouwburg gehuurd.”„Dan mogen we wel voortmaken met ons programma.”„Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we de aparte nummers maar in te vullen.”Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje geschreven, een klucht in twee bedrijven.Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor ieder een geschikte rol geschreven.Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote, kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat, de rol van dienstmeisje was bestemd.„Vergeet niet de repetitie van morgenavond,” zei Piet.Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.„Wel bedankt Piet,” zei Mien. „Gaan we morgen weer?”„Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben … Millionair? ’k Moet werken hoor. Dag garnaal!”Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!Een brief uit Amerika!Haastig verbrak hij het couvert en las:New-York, 2 Januari 19 ….Riverside Drive 1490Beste, trouwe Vriend!Hier is dan m’n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, enje beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was dan ook meer dan erg.Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn middelen zeer beperkt waren.Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo’n groote kerel als ik, als een klein kind aan het huilen.—Wel Piet, en na die huilpartij voelde ik me opgelucht en m’n angst was verdwenen.—Wat drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met gereedschappen hebben moest. „Een dollar,” zegt hij—en ik betaalde hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna drie dollars per dag.Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.—Opeens zeg ik: Is u Hollander, meneer?—Nou, en toen had je hem moeten zien.—Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.—Hoe heet je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.—David Mantel, de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de kleinzoon van mijn besten vriend.En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf ik wel wat over New-York, enz.Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.Met beste groeten en ’n stevigen handdruk,Je vriend,Jacob Mantel.Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden zoen en zei:„Van Jacob.”Moeder lachte.„Wat bedoel je, den brief of den zoen?”„Beide, moedertje. Lees maar.”Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.„Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten, hoor.”„O neen, zoover zijn we nog niet. Later … misschien …”„Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten.”„Wat is dat? Piet ons verlaten?” klonk Vaders stem.Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.„Geen sprake nog van,” lachte Piet. „We hadden het over Jacob Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York”.„Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook gaan schoenpoetsen?”„Dat zal niet noodig zijn,” zei Piet.Moeder stonden de tranen in de oogen.„Wat nou, moeder?” vroeg vader, haar op den rug kloppend. „Wat ga je nou doen?”„Piet moet niet weggaan …” snikte ze.„Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt,” zei Piet. „Voorloopig heb ik het best naar mijn zin.”„Och,” beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, „ik weet nog niet, wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen.”„Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m’n beide ouders en stond ik vrijwel alleen.„Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een schoenmaker. Sinds heb ik al mijn levenschoenen gemaakt en heb er mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog eens mocht doen … wel … ik denk … dat ik de wereld eens ging bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht, de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen.”Alle rangen uitverkocht.Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen zou moeten afstaan … neen … daar moest ze niet aan denken.Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburggeopend voor de Soirée van de Vroolijke Bende.Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de Vroolijke Bende eens leeren kennen.Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje: UITVERKOCHT prijkte.Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het tooneel.Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als regisseur, had het druk.Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd tooneelmeester.„Is Boedels hier?” riep hij. „O ben je daar … is alles present? De schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?”„Piet,” riep een stem uit een der kleedkamers,„hier is de kapper.”„Kom direct.”Tooneelknechts plaatsten de coulissen.„De piano hier,” wees Piet aan. „Het tooneelstukje gaat pas voor de pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten.”„Piet, of je even in de zaal komt.”„Wat is er dan?”„D’r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht …”„Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien …. roep Harry maar … ik heb het te druk.”„Piet … de kapperrrrr!!!”„Jááá, ik kom … Hee, leg een paar kleine tapijtjeshier over dit kleed. D’r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi.”Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten uitpakte.„Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u geschikte pruiken kunnen vinden?”„Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?”„De piano hier,” wees Piet aan.„Ik eerst!” riep Mien Kuijer.Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op, zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper en wachtten hun beurt af.„Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!”Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe capes en zware bonten, verschenenin de corridor, gevolgd door een heer in smoking.Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.„Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken.”„Allright… een oogenblik.”Zoo was het Piet voor en Piet na!Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.De schouwburg was stampvol.Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor gezorgd.Na den welkomst-marsch rees het scherm.Het eerste nummer van het programma luidde:OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel en trad naar voren.Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan en gaven ’n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts … maar ’t geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan ’t woord of jullie?Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten had, voor te bereiden.„Zeer verdachte—ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen—het is een groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en het is dan ook met een kloppend oog en een traan in ’t hart, dat ik u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar… een hartelijk welkom, wil ik zeggen … toeroep.„Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin een wereldberoemde vaardigheid verkregen.„De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde en ontkroonde hoofden van Europa … den hertog van Luxemburg, Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier,het Roode Hert en de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt, heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen.”De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:„Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.„En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking, verklaar ik dezen feestavond geopend.”Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone woorden.Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die zijn boerderij voor dien avond verlatenhad om de Soirée van zijn dochter bij te wonen.De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens vader een stomp in de zij gaf.Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend „Ha-ha-ha” gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend, dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge, stijve redevoeringen.Men kwam hier voor zijn plezier en, wel … men hád het!Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren weer in werking.Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces, terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten, dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer hij weer verder kon gaan.Na het zakken van het scherm was er een aanhoudendgeroep om den schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:„Pietje Bell!! … Pietje Bell!!! …”En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren … lachend en buigend … en daverend weerklonk het applaus uit den stampvollen schouwburg.Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar, dat was hùn zoon, hùn Piet!

De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.

Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.

Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer verwarring gaf.

Het was zoo glad, dat Piet—die bovendien zich dien morgen nog verslapen had en zeer gehaast was—twee stappen achteruit gleed als hij er één voorwaarts deed.

Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die manier de Morgenpost-bureaux.

Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders, dat het zoo koud was, dat de ijskegelsaan zijn vulpenhouder hingen, als hij er mee schrijven wou.

Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken verkocht werden.

Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de Vroolijke Bende vinden.

De jongelui van de club hadden „gezelligheid” tot een van hun grootste deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.

Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen Mien Kuijer opbelde.

Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon van den haak.

„Hallo … wie daar?”

Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.

„Hallo Mientje … Pietje Bell!”

„O ben jij ’t, Piet? Wat scheelt er aan?”

„’n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb je zin om mee te gaan?”

„Nou, asjeblieft … Dolletjes … Wacht even, ’k zal Moes vragen.”

Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.

„Hallo Piet … ben je daar?”

„Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?”

„’t Is goed, Piet, kom je me halen?”

„Met de stafmuziek. Kan je zwieren?”

„Beter dan jij?”

„Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!”

„Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga ’k met Harry.”

„Moest je ’t hart eens hebben … Dag wurm!”

Precies twee uur was Piet present.

Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder, ’n pet en ’n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte pofbroek en de sportkousen. Met z’n gezond, door de kou frisch-rood gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden Hollandschen jongen.

Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje bruine lokken met ’n witten strik bijeengebonden, neerhingen.

„Wel Piet,” zei Miens moeder, „dat is nu eens aardig van je, om Mientje te komen halen.”

„Och,” zei Piet, „alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de Vroolijke Bende houden van gezelligheid.”

„Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub,” giste Mien.

„Daar heb je kans op. Ik hoop het.”

„Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?” pruilde ze.

„O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn.”

„En ik met Harry,” plaagde Mien. „Die trekt je zoo heerlijk mee!”

„Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken,” lachte Piet, „want we staan hier mooi onzen tijd te verpraten.”

„Dag schàttemoes,” riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor goed op reis ging.

„Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor zorgen, Piet?”

„In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en stop ze in een brievenbus.”

Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke ijsbanen.

Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.

De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden rijders van het mooie ijs genoten.

Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de schaatsen voor Mien aan.

Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.

„Au, niet zoo stijf, duvel!” riep ze.

„Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast.”

„Nou … wacht even … ja, zoo is ’t goed.”

„Tot uw dienst, Hoogheid.”

Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.

„Bonjour luidjes,” riep Flip hen toe. „Harry en Spinnetje zijn ook aan ’t krabbelen. We zijn dus al met ons zessen.”

„Is de baan goed?” informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.

„Buitengewoon fijn … geen geultje en geen krasje.”

„Kom mee, Mien,” inviteerde Piet. „Eerst maar een baantje om!”

Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar met zich mee.

„Gut, wat zwier jij,” riep Mien, „dat kan ik niet.”

„Larie … kan iedereen … Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist zoo … zie je nou wel? Rustig aan nou … fijn.”

Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.

Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.

„We zullen een lollig stelletje beleven,” vertelde hijhun. „Eetje is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum, maar heeft nog nooit gereden.”

„Wat … heeft hij nog nooit schaatsen gereden?” vroeg Mien verbaasd.

„Neen … dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen en is daarom ook maar gekomen.”

„Stil … daar komt hij.”

Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.

Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé handschoenen, die te meer in ’t oog liepen, omdat hij voortdurend met de armen in het rond zwaaide.

Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen, slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend …

„Dég lui! Ook op de schétsen véndég?”

„Nee, heelemaal niet, we loopen stelten,” zei Piet.

„Je rijdt al aardig, Ee,” zei Mien.

„O, ’k begin pés … Mér ’t gét best … ’t gét best … En tegelijk gleed Eetje onderuit en smakte met z’n zit-vlak een ster in ’t ijs.

„Zeker,” zei Flip, „’t gaat best.”

„Zal ik een baantje met je rijden?” vroeg Piet, daarbij de anderen een knipoogje gevend.

„Heel grég, Piet, heel grég.”

„Hou vast dan … nee niet zoo … bee jij betoeterd!! Armen gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk … mooi … nou je rechter … nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!”

„Ho-ho! … ik vél ….” sidderde Eetje.

„Nee, je valt niet, ik heb je vast … zet maar niet zoo’n benauwd gezicht … Komaan … een-twéé … een-twee …”

Geholpen door Piet ging ’t nu vrij goed, maar toen ze bijna aan ’t eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje opeens los en gaf hemnog een flinken zet, waardoor de hulpelooze jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende armen op de massa toeschouwers afschoot.

Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.

„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!” riep de dame, die door Eet je bijna gewurgd werd.

„Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!”

Alle omstanders gierden het uit.

„Ik … ik kan niet!” hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.

Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.

„Laat los!” bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden, tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.

Eetje gleed op één schaats voort, ’t andere been omhooghoudend en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster op het ijs maakte.

Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd, dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.

De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en ging toen in een groepje huiswaarts.

„Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?” vroeg Mien.

„Over drie weken,” zei Harry, „ik heb vanmorgen den Schouwburg gehuurd.”

„Dan mogen we wel voortmaken met ons programma.”

„Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we de aparte nummers maar in te vullen.”

Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje geschreven, een klucht in twee bedrijven.

Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.

Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor ieder een geschikte rol geschreven.

Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote, kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat, de rol van dienstmeisje was bestemd.

„Vergeet niet de repetitie van morgenavond,” zei Piet.

Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.

Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.

„Wel bedankt Piet,” zei Mien. „Gaan we morgen weer?”

„Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben … Millionair? ’k Moet werken hoor. Dag garnaal!”

Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.

Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!

Een brief uit Amerika!

Haastig verbrak hij het couvert en las:

New-York, 2 Januari 19 ….Riverside Drive 1490Beste, trouwe Vriend!Hier is dan m’n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, enje beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was dan ook meer dan erg.Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn middelen zeer beperkt waren.Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo’n groote kerel als ik, als een klein kind aan het huilen.—Wel Piet, en na die huilpartij voelde ik me opgelucht en m’n angst was verdwenen.—Wat drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met gereedschappen hebben moest. „Een dollar,” zegt hij—en ik betaalde hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna drie dollars per dag.Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.—Opeens zeg ik: Is u Hollander, meneer?—Nou, en toen had je hem moeten zien.—Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.—Hoe heet je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.—David Mantel, de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de kleinzoon van mijn besten vriend.En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf ik wel wat over New-York, enz.Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.Met beste groeten en ’n stevigen handdruk,Je vriend,Jacob Mantel.

New-York, 2 Januari 19 ….

Riverside Drive 1490

Beste, trouwe Vriend!

Hier is dan m’n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, enje beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was dan ook meer dan erg.

Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn middelen zeer beperkt waren.

Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo’n groote kerel als ik, als een klein kind aan het huilen.—Wel Piet, en na die huilpartij voelde ik me opgelucht en m’n angst was verdwenen.—Wat drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met gereedschappen hebben moest. „Een dollar,” zegt hij—en ik betaalde hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.

Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna drie dollars per dag.

Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.—Opeens zeg ik: Is u Hollander, meneer?—Nou, en toen had je hem moeten zien.—Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.—Hoe heet je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.—David Mantel, de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de kleinzoon van mijn besten vriend.

En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf ik wel wat over New-York, enz.

Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.

Met beste groeten en ’n stevigen handdruk,

Je vriend,Jacob Mantel.

Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden zoen en zei:

„Van Jacob.”

Moeder lachte.

„Wat bedoel je, den brief of den zoen?”

„Beide, moedertje. Lees maar.”

Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.

„Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten, hoor.”

„O neen, zoover zijn we nog niet. Later … misschien …”

„Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten.”

„Wat is dat? Piet ons verlaten?” klonk Vaders stem.

Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.

„Geen sprake nog van,” lachte Piet. „We hadden het over Jacob Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York”.

„Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook gaan schoenpoetsen?”

„Dat zal niet noodig zijn,” zei Piet.

Moeder stonden de tranen in de oogen.

„Wat nou, moeder?” vroeg vader, haar op den rug kloppend. „Wat ga je nou doen?”

„Piet moet niet weggaan …” snikte ze.

„Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt,” zei Piet. „Voorloopig heb ik het best naar mijn zin.”

„Och,” beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, „ik weet nog niet, wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen.”

„Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m’n beide ouders en stond ik vrijwel alleen.

„Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een schoenmaker. Sinds heb ik al mijn levenschoenen gemaakt en heb er mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog eens mocht doen … wel … ik denk … dat ik de wereld eens ging bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht, de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen.”

Alle rangen uitverkocht.

Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen zou moeten afstaan … neen … daar moest ze niet aan denken.

Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburggeopend voor de Soirée van de Vroolijke Bende.

Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de Vroolijke Bende eens leeren kennen.

Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje: UITVERKOCHT prijkte.

Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het tooneel.

Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als regisseur, had het druk.

Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd tooneelmeester.

„Is Boedels hier?” riep hij. „O ben je daar … is alles present? De schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?”

„Piet,” riep een stem uit een der kleedkamers,„hier is de kapper.”

„Kom direct.”

Tooneelknechts plaatsten de coulissen.

„De piano hier,” wees Piet aan. „Het tooneelstukje gaat pas voor de pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten.”

„Piet, of je even in de zaal komt.”

„Wat is er dan?”

„D’r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht …”

„Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien …. roep Harry maar … ik heb het te druk.”

„Piet … de kapperrrrr!!!”

„Jááá, ik kom … Hee, leg een paar kleine tapijtjeshier over dit kleed. D’r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi.”

Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten uitpakte.

„Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u geschikte pruiken kunnen vinden?”

„Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?”

„De piano hier,” wees Piet aan.

„Ik eerst!” riep Mien Kuijer.

Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op, zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.

De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper en wachtten hun beurt af.

„Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!”

Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe capes en zware bonten, verschenenin de corridor, gevolgd door een heer in smoking.

Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.

„Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken.”

„Allright… een oogenblik.”

Zoo was het Piet voor en Piet na!

Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.

De schouwburg was stampvol.

Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor gezorgd.

Na den welkomst-marsch rees het scherm.

Het eerste nummer van het programma luidde:

OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.

Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel en trad naar voren.

Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan en gaven ’n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!

Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts … maar ’t geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan ’t woord of jullie?

Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten had, voor te bereiden.

„Zeer verdachte—ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen—het is een groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en het is dan ook met een kloppend oog en een traan in ’t hart, dat ik u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar… een hartelijk welkom, wil ik zeggen … toeroep.

„Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin een wereldberoemde vaardigheid verkregen.

„De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde en ontkroonde hoofden van Europa … den hertog van Luxemburg, Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier,het Roode Hert en de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt, heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen.”

De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:

„Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.

„En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking, verklaar ik dezen feestavond geopend.”

Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone woorden.

Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die zijn boerderij voor dien avond verlatenhad om de Soirée van zijn dochter bij te wonen.

De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens vader een stomp in de zij gaf.

Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend „Ha-ha-ha” gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.

De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend, dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.

Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge, stijve redevoeringen.

Men kwam hier voor zijn plezier en, wel … men hád het!

Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.

Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren weer in werking.

Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.

Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces, terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.

En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten, dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer hij weer verder kon gaan.

Na het zakken van het scherm was er een aanhoudendgeroep om den schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:

„Pietje Bell!! … Pietje Bell!!! …”

En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren … lachend en buigend … en daverend weerklonk het applaus uit den stampvollen schouwburg.

Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar, dat was hùn zoon, hùn Piet!


Back to IndexNext