Vierde Hoofdstuk.Vierde Hoofdstuk.De clubhond.Eduard Pijpers was ’n type.Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen.Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd „Eetje.”Die naam gaf zijn type prachtig weer.Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten.Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen, die rookte.Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht.Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogendunk van zichzelf en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje.Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen.„Hallo, Eetje,” verwelkomde Flip hem.„Goeien-évend,” was de wedergroet.„Zág Flip, hab je nog vèn die kleine Hévéné’s vén verleden week?”„O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien, twintig, honderd, ’n paar duizend?”„Merci, merci … geef me er veef.”Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog, met ’n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde.Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was.De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het kolossale dier.„’n Préchtbeest, meneer,” zei-die eindelijk.„Ja,” zei de eigenaar, een sigaar bij ’t gasvlammetje aanzuigend. „’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”„Efstènd?” informeerde Eetje. „Hoe dèt zoo?”„Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen.”„Wèt vrègt u voor ’m?” vroeg Eduard.„O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst dier en heel vertrouwd met kinderen.”Flip schoot in een lach.„Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u ’t mijvraagt, is ’t een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand willen lossturen.”„O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond, nietwaar, Nero?”„’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde:„Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op.”„Inderdéd … ’n éllerérdigst dier,” zei Eetje. „Geef me ’n poot, Nero?”Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend, waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien.„Oho … kélm … kélm … niet zoo boosérdig,” suste Eduard.„Weet u misschien een kooper voor den hond?” vroeg de eigenaar, die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te komen. „Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem niet.”„Ikzelf ben een hondenkenner,” zei Eduard. „Wat moet ik u voor den hond geven?”„Veertig gulden, omdat u het bent.”„Dèt ken ik niet betélen, wérde heer.”„Wat had u gedacht?”„Ik zél u ’n tientje geven.”Het jongmensch dacht even na en zei:„Tien gulden is een koopje voor zoo’n hond, maar als u me belooft, goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan.”„In orde,” zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over.Nero’s vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de heele stad.Flip sloeg zich op de knieën van pret.„Ha-ha-ha-ha …” schaterde hij. „Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga je met den leeuw uitvoeren?”Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond te verwerven.„Is ’t geen préchtdier?” zei hij. „Kom hier Nero, zoete hond, heur, zoete hond.”Flip had een idee.„Weet je wat,” zei-die, „morgen gaat de club een wandeltocht maken naar Delft. Ik inviteer jou en denhond op dat uitstapje, dan hebben we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug.”„Efgesproken,” zei Eduard, „ik neem de invitétsie gérne én.”Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen pijpje, zei: „adieu zág” tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en zeien: da’s een kwaaie, hoor.Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht.Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er zich te gelukkiger om.Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken had, sprak Eetje eindelijk aan.„Een mooi beest, meneer.”„Dat zou ik meenen,” was het antwoord.„Is het ùw hond?”„Zeker, nètuurlijk. Ik ben ’n kenner, heb verstand vén honden.”„Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de hond geen muilband aanheeft?”„Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht.”„Dat zeggen ze allemaal. Van wie?”„O, ik weet z’n ném niet.”„Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. ’t Spijt me wel. Als u Maandag direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens den muilband. Hoe is uw naam?”„Eduard Pijpers.”„Woonplaats?”„Goudsche Singel 457.”„Hoe oud?”„Zeventien.”„In orde, u zult er wel meer van hooren.”Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte hem nijdig op den hond.Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis.Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigenmakker aan den ketting en liet hem voorloopig aan zijn lot over.Zondagmorgen.Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden kwam.Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag en keek naar het hok.„Nero … Nero … pssst … pssst …”De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr …„Hij heeft honger,” dacht Eduard en hij vond het maar het beste, een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar, dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben.Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond.Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan ging het dier nog veel erger te keer.Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad, en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht, alsof hij zeggen wou:„Is dat alles?”„Goeie genade,” sprak Eduard in zichzelven, „zou hij nog niet genoeg hebben?”Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch verging.„Komaan,” dacht zijn jonge baas, „we zullen in vredesnaam nog maar zoo’n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te eten, dan is hij een dure kostganger.”Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde dat den hond op dezelfde manier.„Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer.”Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu wat langzamer.Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen.Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. „Merci, eet ’t zelf maar.”Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames.Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg.Het was heerlijk Zondagsweer—’n zonnetje en ’n blauwe lucht.De straten waren stil van rust en ’n enkele vroege wandelaar liep kalm van ’t zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort, snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes.Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten, behalve Alida Specht.Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens, dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden.„Daar komt hij zoowaar aan,” zei Jacob Mantel, en hij wees naar de Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen.„Hemelsche goedheid,” riep Marie van Zanten uit, „wat een beest … het lijkt wel een leeuw!”„Voorzichtig nou allemaal, luidjes,” maande Flip aan, want die wist ervan. „Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk.”„Goeie-mogge èllemél,” zei Eetje, toen hij de groep genaderd was.„Morgen, Ee, … krimmeneelen wat ’n stier heb jij daar bij je. Noem je dat een hond? ’t Lijkt wel een rhinoceros,” zei Pietje.„Wat een prachtige kop,” zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero.„Pas op, pas op,” zei Marie.Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou, dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan.„Zeg, waar blijft Spinnetje toch?” vroeg Flip,„zou ze niet meekomen?”„Ik mag ’t lijen,” zei Mien, „dat wurm heeft altijd wat op mij aan te merken.”„Tut-tut,” zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, „denk er om, de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller doel en streven …”„Nou,” beweerde Mien, „dat mag je dan haar wel eens vertellen, die Spin …”„Sssssst … daar komt ze.”„’k Ben laat, hè?” hijgde Alida, buiten adem. „Gunst, ik kan er niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa’s overhemd nog strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste haast hebt. Bonjour Ee, … gunst, is dat jouw hond?”„Komaan menschen,” zei Piet, „op die manier staan we hier morgenochtend nog.”De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandeldehet smalle pad af, dat langs de molens voert.De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort, genietend van den zomerschen Zondag.De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch.„Ik stel voor,” opperde Flip, „dat we Nero benoemen tot clubhond van de bende.”„Geen kwaad idee,” vond Jacob, „maar zijn baas is geen lid van de vereeniging.”„Heb je geen zin om lid te worden, Ee?”„Ik heb zoo weinig tijd.”„O … je behoeft niet mee te spelen,” zei Pietje, „als je maar contributie betaalt. ’n Kwartje per week en we maken je opzichter over den clubhond.”„Hee kinderen,” riep Harry de meisjes toe, „iemand er op tegen om Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?”De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord „kinderen.”„Zeg, ouwe Grootvader,” riep Mien terug, terwijl ze Harry een vernietigenden blik toewierp, „waag het niet, mij nog eens een kind te noemen … volgende week ben ik al zestien.”Piet viel flauw in het gras.„Help … politie … water … die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend, als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van hun jonge jaren en den heerlijken zomer.Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken wat verflauwden.„Zeg lui,” vertelde hij, „ik had vroeger een meester, die Ster heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles vroeg hij aan de klas: „Jongens, als ik een pond vleesch heb en ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?” Nou, Keessie was knap en zei: „Een zestiende.” Best … heel goed … zei meester. „Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?” Dat wistKeessieóók nog. „Een twee-en-dertigste.”—„En als ik dan wéér ieder stukje in tweeën snijd?”—Oogenblik stilte. „Jij Jan?”—„Gehakt Meester,” antwoordde Jan, de zoon van een slager.”„Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.’t Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield.„Je kunt het gelooven of niet,” zei Pietje met het ernstigste gezicht ter wereld, „het is zoo waar als ik hier zit, en een uur …”„Gunst kind, je zit niet, je loopt,” merkte Marie van Zanten op.„En een uur later,” vervolgde Pietje onverstoorbaar,„kwam het zoo te pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.—„Capucijners!”—„Wat?… Capucijners?”—„Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!”„Maak dat je grootmoeder wijs,” merkte Harry de Graaf op.Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen.Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z’n gemak in het gras liggen betoogen.Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald trotsch op hem ging worden.Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee graasde. Zoo rustig was alles … er waren weinig menschen op pad, want het was kerktijd … het riet aan den slootkant wuifde heel, heel langzaam … de molens in het polderland staken scherp tegen de blauwe lucht af en hielden ook Zondag …. Wat een rust … in de verte sloeg een torenklok …. ergens blafte een hond.Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden.Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken … het roofdier ontwaakte weer in hem … hij gromde dreigend …„Koessst, Nero,” zei Eduard.„Wel,” vroeg Pietje, „wat is er met onzen clubhond aan de hand?”„Ik denk,” zei Ee, „dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me … heur je me?…”De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan.„O,” sneed Eduard op, „jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m’n hénd te doen en hij geheurzémt.”Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde: Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien.Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen in het weiland en—alsof hij plotseling een besluit nam—gaf een onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield.„Hierrr … hierrrr …” schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets gebeuren ging.Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee.De bende gierde van het lachen.„Leg zout op zijn staart,” riep Flip.„Licht hem een beentje,” schreeuwde Pietje.De hond ging op hol.Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen.Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij.Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder.Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op.Het was een geluk, dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten.Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen.Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen in den steek en richtte zich op de knechts.„Hier Nero,” schreeuwde Eduard.„Hierrr hond,” riep de heele Bende.Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: „mooie aardbeien,” want de hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig.Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf en zoowaar op de vlucht sloeg.Maar nu begon de pret pas.De knechts kwamen naar ons gezelschap toe.„Zeg eres,” begon de grootste van het drietal,„van wie is die hond?”„Van mij,” zei Ee.„Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je zije dassie?”En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig door elkaar.„Dèt … dèt heb ik niet gedaan,” beefde Eduard verschrikt.Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich niet zou kunnen verdedigen.„Nou, jou aangekleede aap,” vervolgde de boer tot Ee, „ik ga jou met m’n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op te jagen.”Met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.De stok ging omhoog en …„Wacht even, vrind,” zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.„Au … au … verdikke … la-los,” schreeuwde hij.Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte.„’t Spijt me,” zei hij, „maar m’n vrind hier is pas ziek geweest en daarom zal ik de aframmeling voor hem inontvangst nemen, tenminste, als je daar kans toe ziet.”De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte, nog veel onbegrijpelijker werd.„Je kunt den stok wel weer opnemen,” zei Pietje, „want die neem ik je toch weer af.”„Dat zullen we zien,” riep de knecht, raapte den knuppel op en ging er Piet mee te lijf.Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was.„Ga je gang nou maar,” zei Piet, „en geef me een pak slaag.”De heele bende juichte.„Goed zoo, Piet. Mooi zoo … houd hem vast.”„Laat los … laat los …” schreeuwde de knecht.Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet aanviel, want dat liet hij aan den ander over.De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze niet opgewassen was en gaf het op.„Komaan,” zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend, „laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we ’t heelemaal niet zoo kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het eerst en we wisten niet, dat het zoo’n kwaaie was. We konden hem niet houden en hij rukte zich los. ’t Spijt ons erg, jullie zoo’n moeite veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap.”Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje.De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door de kwartjes gingen ze weer terug.„Die Piet, die Piet,” zeien de meisjes, „dat is me toch een vechtersbaas.”Maar Piet protesteerde.„Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang gaan … tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel, en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek van nijd en jaloerschheid krijgt.”Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer geworden was.„Weet je wat ik doe, lui?” zei die. „Ik ga weer terug met Nero, anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én ’t vechten moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég.”En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort, minus Eetje en den clubhond.
Vierde Hoofdstuk.Vierde Hoofdstuk.De clubhond.Eduard Pijpers was ’n type.Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen.Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd „Eetje.”Die naam gaf zijn type prachtig weer.Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten.Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen, die rookte.Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht.Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogendunk van zichzelf en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje.Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen.„Hallo, Eetje,” verwelkomde Flip hem.„Goeien-évend,” was de wedergroet.„Zág Flip, hab je nog vèn die kleine Hévéné’s vén verleden week?”„O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien, twintig, honderd, ’n paar duizend?”„Merci, merci … geef me er veef.”Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog, met ’n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde.Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was.De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het kolossale dier.„’n Préchtbeest, meneer,” zei-die eindelijk.„Ja,” zei de eigenaar, een sigaar bij ’t gasvlammetje aanzuigend. „’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”„Efstènd?” informeerde Eetje. „Hoe dèt zoo?”„Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen.”„Wèt vrègt u voor ’m?” vroeg Eduard.„O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst dier en heel vertrouwd met kinderen.”Flip schoot in een lach.„Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u ’t mijvraagt, is ’t een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand willen lossturen.”„O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond, nietwaar, Nero?”„’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde:„Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op.”„Inderdéd … ’n éllerérdigst dier,” zei Eetje. „Geef me ’n poot, Nero?”Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend, waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien.„Oho … kélm … kélm … niet zoo boosérdig,” suste Eduard.„Weet u misschien een kooper voor den hond?” vroeg de eigenaar, die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te komen. „Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem niet.”„Ikzelf ben een hondenkenner,” zei Eduard. „Wat moet ik u voor den hond geven?”„Veertig gulden, omdat u het bent.”„Dèt ken ik niet betélen, wérde heer.”„Wat had u gedacht?”„Ik zél u ’n tientje geven.”Het jongmensch dacht even na en zei:„Tien gulden is een koopje voor zoo’n hond, maar als u me belooft, goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan.”„In orde,” zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over.Nero’s vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de heele stad.Flip sloeg zich op de knieën van pret.„Ha-ha-ha-ha …” schaterde hij. „Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga je met den leeuw uitvoeren?”Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond te verwerven.„Is ’t geen préchtdier?” zei hij. „Kom hier Nero, zoete hond, heur, zoete hond.”Flip had een idee.„Weet je wat,” zei-die, „morgen gaat de club een wandeltocht maken naar Delft. Ik inviteer jou en denhond op dat uitstapje, dan hebben we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug.”„Efgesproken,” zei Eduard, „ik neem de invitétsie gérne én.”Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen pijpje, zei: „adieu zág” tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en zeien: da’s een kwaaie, hoor.Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht.Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er zich te gelukkiger om.Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken had, sprak Eetje eindelijk aan.„Een mooi beest, meneer.”„Dat zou ik meenen,” was het antwoord.„Is het ùw hond?”„Zeker, nètuurlijk. Ik ben ’n kenner, heb verstand vén honden.”„Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de hond geen muilband aanheeft?”„Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht.”„Dat zeggen ze allemaal. Van wie?”„O, ik weet z’n ném niet.”„Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. ’t Spijt me wel. Als u Maandag direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens den muilband. Hoe is uw naam?”„Eduard Pijpers.”„Woonplaats?”„Goudsche Singel 457.”„Hoe oud?”„Zeventien.”„In orde, u zult er wel meer van hooren.”Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte hem nijdig op den hond.Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis.Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigenmakker aan den ketting en liet hem voorloopig aan zijn lot over.Zondagmorgen.Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden kwam.Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag en keek naar het hok.„Nero … Nero … pssst … pssst …”De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr …„Hij heeft honger,” dacht Eduard en hij vond het maar het beste, een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar, dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben.Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond.Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan ging het dier nog veel erger te keer.Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad, en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht, alsof hij zeggen wou:„Is dat alles?”„Goeie genade,” sprak Eduard in zichzelven, „zou hij nog niet genoeg hebben?”Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch verging.„Komaan,” dacht zijn jonge baas, „we zullen in vredesnaam nog maar zoo’n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te eten, dan is hij een dure kostganger.”Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde dat den hond op dezelfde manier.„Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer.”Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu wat langzamer.Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen.Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. „Merci, eet ’t zelf maar.”Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames.Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg.Het was heerlijk Zondagsweer—’n zonnetje en ’n blauwe lucht.De straten waren stil van rust en ’n enkele vroege wandelaar liep kalm van ’t zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort, snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes.Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten, behalve Alida Specht.Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens, dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden.„Daar komt hij zoowaar aan,” zei Jacob Mantel, en hij wees naar de Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen.„Hemelsche goedheid,” riep Marie van Zanten uit, „wat een beest … het lijkt wel een leeuw!”„Voorzichtig nou allemaal, luidjes,” maande Flip aan, want die wist ervan. „Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk.”„Goeie-mogge èllemél,” zei Eetje, toen hij de groep genaderd was.„Morgen, Ee, … krimmeneelen wat ’n stier heb jij daar bij je. Noem je dat een hond? ’t Lijkt wel een rhinoceros,” zei Pietje.„Wat een prachtige kop,” zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero.„Pas op, pas op,” zei Marie.Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou, dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan.„Zeg, waar blijft Spinnetje toch?” vroeg Flip,„zou ze niet meekomen?”„Ik mag ’t lijen,” zei Mien, „dat wurm heeft altijd wat op mij aan te merken.”„Tut-tut,” zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, „denk er om, de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller doel en streven …”„Nou,” beweerde Mien, „dat mag je dan haar wel eens vertellen, die Spin …”„Sssssst … daar komt ze.”„’k Ben laat, hè?” hijgde Alida, buiten adem. „Gunst, ik kan er niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa’s overhemd nog strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste haast hebt. Bonjour Ee, … gunst, is dat jouw hond?”„Komaan menschen,” zei Piet, „op die manier staan we hier morgenochtend nog.”De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandeldehet smalle pad af, dat langs de molens voert.De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort, genietend van den zomerschen Zondag.De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch.„Ik stel voor,” opperde Flip, „dat we Nero benoemen tot clubhond van de bende.”„Geen kwaad idee,” vond Jacob, „maar zijn baas is geen lid van de vereeniging.”„Heb je geen zin om lid te worden, Ee?”„Ik heb zoo weinig tijd.”„O … je behoeft niet mee te spelen,” zei Pietje, „als je maar contributie betaalt. ’n Kwartje per week en we maken je opzichter over den clubhond.”„Hee kinderen,” riep Harry de meisjes toe, „iemand er op tegen om Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?”De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord „kinderen.”„Zeg, ouwe Grootvader,” riep Mien terug, terwijl ze Harry een vernietigenden blik toewierp, „waag het niet, mij nog eens een kind te noemen … volgende week ben ik al zestien.”Piet viel flauw in het gras.„Help … politie … water … die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend, als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van hun jonge jaren en den heerlijken zomer.Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken wat verflauwden.„Zeg lui,” vertelde hij, „ik had vroeger een meester, die Ster heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles vroeg hij aan de klas: „Jongens, als ik een pond vleesch heb en ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?” Nou, Keessie was knap en zei: „Een zestiende.” Best … heel goed … zei meester. „Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?” Dat wistKeessieóók nog. „Een twee-en-dertigste.”—„En als ik dan wéér ieder stukje in tweeën snijd?”—Oogenblik stilte. „Jij Jan?”—„Gehakt Meester,” antwoordde Jan, de zoon van een slager.”„Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.’t Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield.„Je kunt het gelooven of niet,” zei Pietje met het ernstigste gezicht ter wereld, „het is zoo waar als ik hier zit, en een uur …”„Gunst kind, je zit niet, je loopt,” merkte Marie van Zanten op.„En een uur later,” vervolgde Pietje onverstoorbaar,„kwam het zoo te pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.—„Capucijners!”—„Wat?… Capucijners?”—„Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!”„Maak dat je grootmoeder wijs,” merkte Harry de Graaf op.Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen.Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z’n gemak in het gras liggen betoogen.Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald trotsch op hem ging worden.Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee graasde. Zoo rustig was alles … er waren weinig menschen op pad, want het was kerktijd … het riet aan den slootkant wuifde heel, heel langzaam … de molens in het polderland staken scherp tegen de blauwe lucht af en hielden ook Zondag …. Wat een rust … in de verte sloeg een torenklok …. ergens blafte een hond.Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden.Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken … het roofdier ontwaakte weer in hem … hij gromde dreigend …„Koessst, Nero,” zei Eduard.„Wel,” vroeg Pietje, „wat is er met onzen clubhond aan de hand?”„Ik denk,” zei Ee, „dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me … heur je me?…”De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan.„O,” sneed Eduard op, „jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m’n hénd te doen en hij geheurzémt.”Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde: Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien.Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen in het weiland en—alsof hij plotseling een besluit nam—gaf een onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield.„Hierrr … hierrrr …” schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets gebeuren ging.Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee.De bende gierde van het lachen.„Leg zout op zijn staart,” riep Flip.„Licht hem een beentje,” schreeuwde Pietje.De hond ging op hol.Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen.Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij.Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder.Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op.Het was een geluk, dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten.Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen.Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen in den steek en richtte zich op de knechts.„Hier Nero,” schreeuwde Eduard.„Hierrr hond,” riep de heele Bende.Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: „mooie aardbeien,” want de hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig.Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf en zoowaar op de vlucht sloeg.Maar nu begon de pret pas.De knechts kwamen naar ons gezelschap toe.„Zeg eres,” begon de grootste van het drietal,„van wie is die hond?”„Van mij,” zei Ee.„Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je zije dassie?”En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig door elkaar.„Dèt … dèt heb ik niet gedaan,” beefde Eduard verschrikt.Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich niet zou kunnen verdedigen.„Nou, jou aangekleede aap,” vervolgde de boer tot Ee, „ik ga jou met m’n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op te jagen.”Met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.De stok ging omhoog en …„Wacht even, vrind,” zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.„Au … au … verdikke … la-los,” schreeuwde hij.Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte.„’t Spijt me,” zei hij, „maar m’n vrind hier is pas ziek geweest en daarom zal ik de aframmeling voor hem inontvangst nemen, tenminste, als je daar kans toe ziet.”De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte, nog veel onbegrijpelijker werd.„Je kunt den stok wel weer opnemen,” zei Pietje, „want die neem ik je toch weer af.”„Dat zullen we zien,” riep de knecht, raapte den knuppel op en ging er Piet mee te lijf.Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was.„Ga je gang nou maar,” zei Piet, „en geef me een pak slaag.”De heele bende juichte.„Goed zoo, Piet. Mooi zoo … houd hem vast.”„Laat los … laat los …” schreeuwde de knecht.Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet aanviel, want dat liet hij aan den ander over.De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze niet opgewassen was en gaf het op.„Komaan,” zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend, „laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we ’t heelemaal niet zoo kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het eerst en we wisten niet, dat het zoo’n kwaaie was. We konden hem niet houden en hij rukte zich los. ’t Spijt ons erg, jullie zoo’n moeite veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap.”Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje.De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door de kwartjes gingen ze weer terug.„Die Piet, die Piet,” zeien de meisjes, „dat is me toch een vechtersbaas.”Maar Piet protesteerde.„Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang gaan … tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel, en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek van nijd en jaloerschheid krijgt.”Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer geworden was.„Weet je wat ik doe, lui?” zei die. „Ik ga weer terug met Nero, anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én ’t vechten moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég.”En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort, minus Eetje en den clubhond.
Vierde Hoofdstuk.Vierde Hoofdstuk.De clubhond.
Vierde Hoofdstuk.
Eduard Pijpers was ’n type.Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen.Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd „Eetje.”Die naam gaf zijn type prachtig weer.Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten.Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen, die rookte.Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht.Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogendunk van zichzelf en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje.Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen.„Hallo, Eetje,” verwelkomde Flip hem.„Goeien-évend,” was de wedergroet.„Zág Flip, hab je nog vèn die kleine Hévéné’s vén verleden week?”„O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien, twintig, honderd, ’n paar duizend?”„Merci, merci … geef me er veef.”Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog, met ’n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde.Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was.De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het kolossale dier.„’n Préchtbeest, meneer,” zei-die eindelijk.„Ja,” zei de eigenaar, een sigaar bij ’t gasvlammetje aanzuigend. „’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”„Efstènd?” informeerde Eetje. „Hoe dèt zoo?”„Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen.”„Wèt vrègt u voor ’m?” vroeg Eduard.„O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst dier en heel vertrouwd met kinderen.”Flip schoot in een lach.„Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u ’t mijvraagt, is ’t een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand willen lossturen.”„O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond, nietwaar, Nero?”„’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde:„Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op.”„Inderdéd … ’n éllerérdigst dier,” zei Eetje. „Geef me ’n poot, Nero?”Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend, waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien.„Oho … kélm … kélm … niet zoo boosérdig,” suste Eduard.„Weet u misschien een kooper voor den hond?” vroeg de eigenaar, die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te komen. „Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem niet.”„Ikzelf ben een hondenkenner,” zei Eduard. „Wat moet ik u voor den hond geven?”„Veertig gulden, omdat u het bent.”„Dèt ken ik niet betélen, wérde heer.”„Wat had u gedacht?”„Ik zél u ’n tientje geven.”Het jongmensch dacht even na en zei:„Tien gulden is een koopje voor zoo’n hond, maar als u me belooft, goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan.”„In orde,” zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over.Nero’s vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de heele stad.Flip sloeg zich op de knieën van pret.„Ha-ha-ha-ha …” schaterde hij. „Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga je met den leeuw uitvoeren?”Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond te verwerven.„Is ’t geen préchtdier?” zei hij. „Kom hier Nero, zoete hond, heur, zoete hond.”Flip had een idee.„Weet je wat,” zei-die, „morgen gaat de club een wandeltocht maken naar Delft. Ik inviteer jou en denhond op dat uitstapje, dan hebben we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug.”„Efgesproken,” zei Eduard, „ik neem de invitétsie gérne én.”Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen pijpje, zei: „adieu zág” tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en zeien: da’s een kwaaie, hoor.Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht.Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er zich te gelukkiger om.Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken had, sprak Eetje eindelijk aan.„Een mooi beest, meneer.”„Dat zou ik meenen,” was het antwoord.„Is het ùw hond?”„Zeker, nètuurlijk. Ik ben ’n kenner, heb verstand vén honden.”„Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de hond geen muilband aanheeft?”„Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht.”„Dat zeggen ze allemaal. Van wie?”„O, ik weet z’n ném niet.”„Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. ’t Spijt me wel. Als u Maandag direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens den muilband. Hoe is uw naam?”„Eduard Pijpers.”„Woonplaats?”„Goudsche Singel 457.”„Hoe oud?”„Zeventien.”„In orde, u zult er wel meer van hooren.”Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte hem nijdig op den hond.Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis.Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigenmakker aan den ketting en liet hem voorloopig aan zijn lot over.Zondagmorgen.Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden kwam.Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag en keek naar het hok.„Nero … Nero … pssst … pssst …”De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr …„Hij heeft honger,” dacht Eduard en hij vond het maar het beste, een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar, dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben.Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond.Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan ging het dier nog veel erger te keer.Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad, en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht, alsof hij zeggen wou:„Is dat alles?”„Goeie genade,” sprak Eduard in zichzelven, „zou hij nog niet genoeg hebben?”Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch verging.„Komaan,” dacht zijn jonge baas, „we zullen in vredesnaam nog maar zoo’n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te eten, dan is hij een dure kostganger.”Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde dat den hond op dezelfde manier.„Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer.”Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu wat langzamer.Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen.Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. „Merci, eet ’t zelf maar.”Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames.Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg.Het was heerlijk Zondagsweer—’n zonnetje en ’n blauwe lucht.De straten waren stil van rust en ’n enkele vroege wandelaar liep kalm van ’t zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort, snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes.Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten, behalve Alida Specht.Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens, dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden.„Daar komt hij zoowaar aan,” zei Jacob Mantel, en hij wees naar de Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen.„Hemelsche goedheid,” riep Marie van Zanten uit, „wat een beest … het lijkt wel een leeuw!”„Voorzichtig nou allemaal, luidjes,” maande Flip aan, want die wist ervan. „Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk.”„Goeie-mogge èllemél,” zei Eetje, toen hij de groep genaderd was.„Morgen, Ee, … krimmeneelen wat ’n stier heb jij daar bij je. Noem je dat een hond? ’t Lijkt wel een rhinoceros,” zei Pietje.„Wat een prachtige kop,” zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero.„Pas op, pas op,” zei Marie.Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou, dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan.„Zeg, waar blijft Spinnetje toch?” vroeg Flip,„zou ze niet meekomen?”„Ik mag ’t lijen,” zei Mien, „dat wurm heeft altijd wat op mij aan te merken.”„Tut-tut,” zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, „denk er om, de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller doel en streven …”„Nou,” beweerde Mien, „dat mag je dan haar wel eens vertellen, die Spin …”„Sssssst … daar komt ze.”„’k Ben laat, hè?” hijgde Alida, buiten adem. „Gunst, ik kan er niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa’s overhemd nog strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste haast hebt. Bonjour Ee, … gunst, is dat jouw hond?”„Komaan menschen,” zei Piet, „op die manier staan we hier morgenochtend nog.”De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandeldehet smalle pad af, dat langs de molens voert.De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort, genietend van den zomerschen Zondag.De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch.„Ik stel voor,” opperde Flip, „dat we Nero benoemen tot clubhond van de bende.”„Geen kwaad idee,” vond Jacob, „maar zijn baas is geen lid van de vereeniging.”„Heb je geen zin om lid te worden, Ee?”„Ik heb zoo weinig tijd.”„O … je behoeft niet mee te spelen,” zei Pietje, „als je maar contributie betaalt. ’n Kwartje per week en we maken je opzichter over den clubhond.”„Hee kinderen,” riep Harry de meisjes toe, „iemand er op tegen om Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?”De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord „kinderen.”„Zeg, ouwe Grootvader,” riep Mien terug, terwijl ze Harry een vernietigenden blik toewierp, „waag het niet, mij nog eens een kind te noemen … volgende week ben ik al zestien.”Piet viel flauw in het gras.„Help … politie … water … die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend, als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van hun jonge jaren en den heerlijken zomer.Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken wat verflauwden.„Zeg lui,” vertelde hij, „ik had vroeger een meester, die Ster heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles vroeg hij aan de klas: „Jongens, als ik een pond vleesch heb en ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?” Nou, Keessie was knap en zei: „Een zestiende.” Best … heel goed … zei meester. „Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?” Dat wistKeessieóók nog. „Een twee-en-dertigste.”—„En als ik dan wéér ieder stukje in tweeën snijd?”—Oogenblik stilte. „Jij Jan?”—„Gehakt Meester,” antwoordde Jan, de zoon van een slager.”„Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.’t Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield.„Je kunt het gelooven of niet,” zei Pietje met het ernstigste gezicht ter wereld, „het is zoo waar als ik hier zit, en een uur …”„Gunst kind, je zit niet, je loopt,” merkte Marie van Zanten op.„En een uur later,” vervolgde Pietje onverstoorbaar,„kwam het zoo te pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.—„Capucijners!”—„Wat?… Capucijners?”—„Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!”„Maak dat je grootmoeder wijs,” merkte Harry de Graaf op.Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen.Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z’n gemak in het gras liggen betoogen.Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald trotsch op hem ging worden.Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee graasde. Zoo rustig was alles … er waren weinig menschen op pad, want het was kerktijd … het riet aan den slootkant wuifde heel, heel langzaam … de molens in het polderland staken scherp tegen de blauwe lucht af en hielden ook Zondag …. Wat een rust … in de verte sloeg een torenklok …. ergens blafte een hond.Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden.Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken … het roofdier ontwaakte weer in hem … hij gromde dreigend …„Koessst, Nero,” zei Eduard.„Wel,” vroeg Pietje, „wat is er met onzen clubhond aan de hand?”„Ik denk,” zei Ee, „dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me … heur je me?…”De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan.„O,” sneed Eduard op, „jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m’n hénd te doen en hij geheurzémt.”Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde: Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien.Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen in het weiland en—alsof hij plotseling een besluit nam—gaf een onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield.„Hierrr … hierrrr …” schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets gebeuren ging.Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee.De bende gierde van het lachen.„Leg zout op zijn staart,” riep Flip.„Licht hem een beentje,” schreeuwde Pietje.De hond ging op hol.Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen.Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij.Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder.Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op.Het was een geluk, dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten.Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen.Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen in den steek en richtte zich op de knechts.„Hier Nero,” schreeuwde Eduard.„Hierrr hond,” riep de heele Bende.Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: „mooie aardbeien,” want de hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig.Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf en zoowaar op de vlucht sloeg.Maar nu begon de pret pas.De knechts kwamen naar ons gezelschap toe.„Zeg eres,” begon de grootste van het drietal,„van wie is die hond?”„Van mij,” zei Ee.„Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je zije dassie?”En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig door elkaar.„Dèt … dèt heb ik niet gedaan,” beefde Eduard verschrikt.Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich niet zou kunnen verdedigen.„Nou, jou aangekleede aap,” vervolgde de boer tot Ee, „ik ga jou met m’n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op te jagen.”Met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.De stok ging omhoog en …„Wacht even, vrind,” zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.„Au … au … verdikke … la-los,” schreeuwde hij.Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte.„’t Spijt me,” zei hij, „maar m’n vrind hier is pas ziek geweest en daarom zal ik de aframmeling voor hem inontvangst nemen, tenminste, als je daar kans toe ziet.”De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte, nog veel onbegrijpelijker werd.„Je kunt den stok wel weer opnemen,” zei Pietje, „want die neem ik je toch weer af.”„Dat zullen we zien,” riep de knecht, raapte den knuppel op en ging er Piet mee te lijf.Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was.„Ga je gang nou maar,” zei Piet, „en geef me een pak slaag.”De heele bende juichte.„Goed zoo, Piet. Mooi zoo … houd hem vast.”„Laat los … laat los …” schreeuwde de knecht.Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet aanviel, want dat liet hij aan den ander over.De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze niet opgewassen was en gaf het op.„Komaan,” zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend, „laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we ’t heelemaal niet zoo kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het eerst en we wisten niet, dat het zoo’n kwaaie was. We konden hem niet houden en hij rukte zich los. ’t Spijt ons erg, jullie zoo’n moeite veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap.”Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje.De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door de kwartjes gingen ze weer terug.„Die Piet, die Piet,” zeien de meisjes, „dat is me toch een vechtersbaas.”Maar Piet protesteerde.„Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang gaan … tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel, en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek van nijd en jaloerschheid krijgt.”Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer geworden was.„Weet je wat ik doe, lui?” zei die. „Ik ga weer terug met Nero, anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én ’t vechten moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég.”En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort, minus Eetje en den clubhond.
Eduard Pijpers was ’n type.
Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen.
Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd „Eetje.”
Die naam gaf zijn type prachtig weer.
Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten.
Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen, die rookte.
Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht.
Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogendunk van zichzelf en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje.
Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen.
„Hallo, Eetje,” verwelkomde Flip hem.
„Goeien-évend,” was de wedergroet.„Zág Flip, hab je nog vèn die kleine Hévéné’s vén verleden week?”
„O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien, twintig, honderd, ’n paar duizend?”
„Merci, merci … geef me er veef.”
Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog, met ’n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde.
Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was.
De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het kolossale dier.
„’n Préchtbeest, meneer,” zei-die eindelijk.
„Ja,” zei de eigenaar, een sigaar bij ’t gasvlammetje aanzuigend. „’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”
„Efstènd?” informeerde Eetje. „Hoe dèt zoo?”
„Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen.”
„Wèt vrègt u voor ’m?” vroeg Eduard.
„O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst dier en heel vertrouwd met kinderen.”
Flip schoot in een lach.
„Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u ’t mijvraagt, is ’t een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand willen lossturen.”
„O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond, nietwaar, Nero?”
„’t Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen.”
Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde:
„Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op.”
„Inderdéd … ’n éllerérdigst dier,” zei Eetje. „Geef me ’n poot, Nero?”
Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend, waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien.
„Oho … kélm … kélm … niet zoo boosérdig,” suste Eduard.
„Weet u misschien een kooper voor den hond?” vroeg de eigenaar, die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te komen. „Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem niet.”
„Ikzelf ben een hondenkenner,” zei Eduard. „Wat moet ik u voor den hond geven?”
„Veertig gulden, omdat u het bent.”
„Dèt ken ik niet betélen, wérde heer.”
„Wat had u gedacht?”
„Ik zél u ’n tientje geven.”
Het jongmensch dacht even na en zei:
„Tien gulden is een koopje voor zoo’n hond, maar als u me belooft, goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan.”
„In orde,” zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over.
Nero’s vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de heele stad.
Flip sloeg zich op de knieën van pret.
„Ha-ha-ha-ha …” schaterde hij. „Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga je met den leeuw uitvoeren?”
Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond te verwerven.
„Is ’t geen préchtdier?” zei hij. „Kom hier Nero, zoete hond, heur, zoete hond.”
Flip had een idee.
„Weet je wat,” zei-die, „morgen gaat de club een wandeltocht maken naar Delft. Ik inviteer jou en denhond op dat uitstapje, dan hebben we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug.”
„Efgesproken,” zei Eduard, „ik neem de invitétsie gérne én.”
Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen pijpje, zei: „adieu zág” tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en zeien: da’s een kwaaie, hoor.
Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, trok hij met zijn hond aller aandacht.
Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er zich te gelukkiger om.
Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken had, sprak Eetje eindelijk aan.
„Een mooi beest, meneer.”
„Dat zou ik meenen,” was het antwoord.
„Is het ùw hond?”
„Zeker, nètuurlijk. Ik ben ’n kenner, heb verstand vén honden.”
„Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de hond geen muilband aanheeft?”
„Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht.”
„Dat zeggen ze allemaal. Van wie?”
„O, ik weet z’n ném niet.”
„Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. ’t Spijt me wel. Als u Maandag direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens den muilband. Hoe is uw naam?”
„Eduard Pijpers.”
„Woonplaats?”
„Goudsche Singel 457.”
„Hoe oud?”
„Zeventien.”
„In orde, u zult er wel meer van hooren.”
Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte hem nijdig op den hond.
Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis.
Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigenmakker aan den ketting en liet hem voorloopig aan zijn lot over.
Zondagmorgen.
Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden kwam.
Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag en keek naar het hok.
„Nero … Nero … pssst … pssst …”
De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr …
„Hij heeft honger,” dacht Eduard en hij vond het maar het beste, een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar, dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben.
Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond.
Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan ging het dier nog veel erger te keer.
Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad, en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht, alsof hij zeggen wou:
„Is dat alles?”
„Goeie genade,” sprak Eduard in zichzelven, „zou hij nog niet genoeg hebben?”
Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch verging.
„Komaan,” dacht zijn jonge baas, „we zullen in vredesnaam nog maar zoo’n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te eten, dan is hij een dure kostganger.”
Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde dat den hond op dezelfde manier.
„Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer.”
Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu wat langzamer.
Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen.
Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. „Merci, eet ’t zelf maar.”
Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames.
Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg.
Het was heerlijk Zondagsweer—’n zonnetje en ’n blauwe lucht.
De straten waren stil van rust en ’n enkele vroege wandelaar liep kalm van ’t zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort, snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes.
Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten, behalve Alida Specht.
Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens, dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden.
„Daar komt hij zoowaar aan,” zei Jacob Mantel, en hij wees naar de Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen.
„Hemelsche goedheid,” riep Marie van Zanten uit, „wat een beest … het lijkt wel een leeuw!”
„Voorzichtig nou allemaal, luidjes,” maande Flip aan, want die wist ervan. „Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk.”
„Goeie-mogge èllemél,” zei Eetje, toen hij de groep genaderd was.
„Morgen, Ee, … krimmeneelen wat ’n stier heb jij daar bij je. Noem je dat een hond? ’t Lijkt wel een rhinoceros,” zei Pietje.
„Wat een prachtige kop,” zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero.
„Pas op, pas op,” zei Marie.
Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou, dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan.
„Zeg, waar blijft Spinnetje toch?” vroeg Flip,„zou ze niet meekomen?”
„Ik mag ’t lijen,” zei Mien, „dat wurm heeft altijd wat op mij aan te merken.”
„Tut-tut,” zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, „denk er om, de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller doel en streven …”
„Nou,” beweerde Mien, „dat mag je dan haar wel eens vertellen, die Spin …”
„Sssssst … daar komt ze.”
„’k Ben laat, hè?” hijgde Alida, buiten adem. „Gunst, ik kan er niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa’s overhemd nog strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste haast hebt. Bonjour Ee, … gunst, is dat jouw hond?”
„Komaan menschen,” zei Piet, „op die manier staan we hier morgenochtend nog.”
De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandeldehet smalle pad af, dat langs de molens voert.
De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort, genietend van den zomerschen Zondag.
De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch.
„Ik stel voor,” opperde Flip, „dat we Nero benoemen tot clubhond van de bende.”
„Geen kwaad idee,” vond Jacob, „maar zijn baas is geen lid van de vereeniging.”
„Heb je geen zin om lid te worden, Ee?”
„Ik heb zoo weinig tijd.”
„O … je behoeft niet mee te spelen,” zei Pietje, „als je maar contributie betaalt. ’n Kwartje per week en we maken je opzichter over den clubhond.”
„Hee kinderen,” riep Harry de meisjes toe, „iemand er op tegen om Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?”
De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord „kinderen.”
„Zeg, ouwe Grootvader,” riep Mien terug, terwijl ze Harry een vernietigenden blik toewierp, „waag het niet, mij nog eens een kind te noemen … volgende week ben ik al zestien.”
Piet viel flauw in het gras.
„Help … politie … water … die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.
De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend, als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van hun jonge jaren en den heerlijken zomer.
Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken wat verflauwden.
„Zeg lui,” vertelde hij, „ik had vroeger een meester, die Ster heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles vroeg hij aan de klas: „Jongens, als ik een pond vleesch heb en ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?” Nou, Keessie was knap en zei: „Een zestiende.” Best … heel goed … zei meester. „Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?” Dat wistKeessieóók nog. „Een twee-en-dertigste.”—„En als ik dan wéér ieder stukje in tweeën snijd?”—Oogenblik stilte. „Jij Jan?”—„Gehakt Meester,” antwoordde Jan, de zoon van een slager.”
„Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d’r leeftijd!” schreeuwde hij.
’t Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield.
„Je kunt het gelooven of niet,” zei Pietje met het ernstigste gezicht ter wereld, „het is zoo waar als ik hier zit, en een uur …”
„Gunst kind, je zit niet, je loopt,” merkte Marie van Zanten op.
„En een uur later,” vervolgde Pietje onverstoorbaar,„kwam het zoo te pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.—„Capucijners!”—
„Wat?… Capucijners?”—
„Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!”
„Maak dat je grootmoeder wijs,” merkte Harry de Graaf op.
Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen.
Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z’n gemak in het gras liggen betoogen.
Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald trotsch op hem ging worden.
Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee graasde. Zoo rustig was alles … er waren weinig menschen op pad, want het was kerktijd … het riet aan den slootkant wuifde heel, heel langzaam … de molens in het polderland staken scherp tegen de blauwe lucht af en hielden ook Zondag …. Wat een rust … in de verte sloeg een torenklok …. ergens blafte een hond.
Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden.
Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken … het roofdier ontwaakte weer in hem … hij gromde dreigend …
„Koessst, Nero,” zei Eduard.
„Wel,” vroeg Pietje, „wat is er met onzen clubhond aan de hand?”
„Ik denk,” zei Ee, „dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me … heur je me?…”
De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan.
„O,” sneed Eduard op, „jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m’n hénd te doen en hij geheurzémt.”
Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde: Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien.
Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.
De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen in het weiland en—alsof hij plotseling een besluit nam—gaf een onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield.
„Hierrr … hierrrr …” schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets gebeuren ging.
Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.
Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee.
De bende gierde van het lachen.
„Leg zout op zijn staart,” riep Flip.
„Licht hem een beentje,” schreeuwde Pietje.
De hond ging op hol.
Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen.
Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij.
Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder.
Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op.Het was een geluk, dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten.
Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen.
Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen in den steek en richtte zich op de knechts.
„Hier Nero,” schreeuwde Eduard.
„Hierrr hond,” riep de heele Bende.
Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: „mooie aardbeien,” want de hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig.
Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf en zoowaar op de vlucht sloeg.
Maar nu begon de pret pas.
De knechts kwamen naar ons gezelschap toe.
„Zeg eres,” begon de grootste van het drietal,„van wie is die hond?”
„Van mij,” zei Ee.
„Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je zije dassie?”
En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig door elkaar.
„Dèt … dèt heb ik niet gedaan,” beefde Eduard verschrikt.
Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich niet zou kunnen verdedigen.
„Nou, jou aangekleede aap,” vervolgde de boer tot Ee, „ik ga jou met m’n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op te jagen.”
Met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.
De stok ging omhoog en …
„Wacht even, vrind,” zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm van den knecht in een kronkel.
„Au … au … verdikke … la-los,” schreeuwde hij.
Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte.
„’t Spijt me,” zei hij, „maar m’n vrind hier is pas ziek geweest en daarom zal ik de aframmeling voor hem inontvangst nemen, tenminste, als je daar kans toe ziet.”
De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte, nog veel onbegrijpelijker werd.
„Je kunt den stok wel weer opnemen,” zei Pietje, „want die neem ik je toch weer af.”
„Dat zullen we zien,” riep de knecht, raapte den knuppel op en ging er Piet mee te lijf.
Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was.
„Ga je gang nou maar,” zei Piet, „en geef me een pak slaag.”
De heele bende juichte.
„Goed zoo, Piet. Mooi zoo … houd hem vast.”
„Laat los … laat los …” schreeuwde de knecht.
Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet aanviel, want dat liet hij aan den ander over.
De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze niet opgewassen was en gaf het op.
„Komaan,” zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend, „laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we ’t heelemaal niet zoo kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het eerst en we wisten niet, dat het zoo’n kwaaie was. We konden hem niet houden en hij rukte zich los. ’t Spijt ons erg, jullie zoo’n moeite veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap.”
Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje.
De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door de kwartjes gingen ze weer terug.
„Die Piet, die Piet,” zeien de meisjes, „dat is me toch een vechtersbaas.”
Maar Piet protesteerde.
„Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang gaan … tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel, en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek van nijd en jaloerschheid krijgt.”
Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer geworden was.
„Weet je wat ik doe, lui?” zei die. „Ik ga weer terug met Nero, anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én ’t vechten moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég.”
En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort, minus Eetje en den clubhond.