Vijfde Hoofdstuk.

Vijfde Hoofdstuk.Vijfde Hoofdstuk.De nieuwe betrekking.Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost.JOURNALIST.Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel.Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij eigenlijk wenschte te worden.Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hijhad een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van de vergaderingen.Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven in praktijk brengen als journalist.„Vader, lees eens.”„Wat is het, jongen, een brand?”„Vader, lees eens.”„Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid … en dat ben ik.”„Ben jij dat? Wie zegt dat?”„Dat zeg ik.”Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg verbaasd:„En durf jij dat aan?”„Wel vader,” zei Piet, „ik ga er direct heen.”„Maar je moet per brief antwoorden, staat hier.”„Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens antwoord. Neen, ik weet beter.”Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur te spreken.De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: „Ik denk niet, dat het gaat.”Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te zien, hoe gemakkelijk het wél ging.„Kom maar mee,” sprak de man, „we zullen probeeren.”Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer.„Klop hier maar aan,” zei de man, „en zeg het aan den bediende hier.”Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het allerheiligste van den Directeur bewaakte.„Wat wenscht u?” was de vraag.Piet zette een gewichtig gezicht.„Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie, ik heb een zeer dringende zaak te bespreken.”Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even:„Kan ik de boodschap ook aannemen?”„Dat zal niet gaan,” beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon, „het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie.”„Een oogenblik dan.”Twee minuten later keerde de jongeman terug.„Het spijt me,” zei hij, „maar de Directeur heeft op het oogenblik geen tijd.”„Ik evenmin,” zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, „en als ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en dat zal de Directie later ten zeerste betreuren.”„Wacht u nog even,” zei de bediende, zich bedenkend, „ik zal nog eens zien.”Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug met de mededeeling:„Gaat u maar binnen.”Zoo deed Piet.Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was.„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”„Wel, jongmensch,” begon deze, „wat had u mij voor belangrijks mede te deelen?”„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”„Is ’t waar, wel, waar is hij dan?”„Ik ben het.”„Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?”„Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar, door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd brieven, die op de advertentiezullen komen en aan al het werk, dat die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief eruit pikken en het met mij probeeren.”„Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de positie te krijgen?”„Ik ben er zeker van,” zei Pietje, „want een verslaggever moet er als de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws gebeurt dan maak ik nieuws.”De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet over zijn bril heen aan en dacht na.Ik wil eens zien—dacht hij bij zichzelf—of het den jongen ernst is.Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan?De proef zou genomen worden.De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen.„Laat dit jongemensch uit.”Piet groette beleefd en verliet het vertrek.Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur en op welken tijd deze thuis was.Dit bleek des avonds na zes uur te zijn.Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de heer Peters—de directeur—nog niet eens zijn naam wist en dat gaf hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen.Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters verscheen.Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit:„Wel … de brutaliteit … Wat verlangt u nu weer?”„Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer.”En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het was de vereischte sollicitatie-brief,keurig geschreven en duidelijk gesteld.„Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken thuis.”„Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks,” zei Pietje met ontsteld gezicht.„Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?”„Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal ongeschikte sollicitanten hebben te lezen … iedere brief neemt minstens twee minuten … dat is twaalfhonderd minuten voor de zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren …”„Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen.”Piet groette alweer beleefd en verliet het huis.Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin.Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het jongemensch er weer was.„Wat?… alweer?… wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam.”„Jawel, meneer,” zei de meid, „maar het jongemensch zei, dat u niets gezegd had van de achterdeur.”„Hm … al goed … laat hem weer in de voorkamer.”Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af, wat hem nu weer te beurt zou vallen.Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. ’n Leuk typetje, lange bruine krullen met ’n breed rose lint, groote vraagoogen en kersemondje.Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen naar hem toe.„Ik ben Mies,” zei ze gewichtig.„Aangenaam kennis te maken,” zei Piet, „mijn naam is Pietje Bell.”„Niets geen mooie naam,” vond ze.„Verschil van smaak, ik vind ’m prachtig.”„Kan jij verhalen vertellen?” vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend.„Dat zal waar wezen,” zei Piet. „Der was eens …”„Nog niet beginne … broer moet het ook hooren …”En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met een driejarig broertje aan de hand.„Nou komme we op je knie zitten,” zei Miesje.„Welja, dat is goed … doe maar net of je thuis bent,” berustte Piet.Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij:„Nou dan … D’r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw, die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die moesten elken avond uitgekamd en gechampooi’d worden en z’n nagels moesten gemanicuurd en z’n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?”„Nee,” zei Mies.„Best, ik ook niet,” zei Piet. „Nu sliep de leeuw elken dag heel vast en kon des avonds bijna niet wakker worden.„Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken.„Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost …”„Van Pa,” zei Mies.„Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug.”„Wat kom jij hier doen?” vroeg de leeuw.„Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg,” piepte de mug, „ik kom op die advertentie.”Hij trok de peuters op zijn knie...De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen.„Ga maar gauw naar huis,” zei de leeuw, „we kunnen jou toch niet gebruiken.”„Dat zal je gewaar worden,” dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde, de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel bruldeen de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd.„Schuif een eindje om,” zei de mug, „daar kom ik.” De dieren begonnen allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen.„Wat een lawaai met al die beesten aan de deur,” zei de mug tegen de leeuwin. „Ik zal zijne Majesteit wel even wekken.”„O ja,” viel Mies in de rede, „ik weet het al … en toen prikte de mug den leeuw in zijn neus.”„Wie zegt dat?” vroeg Piet.„Dat zegt Juf.”„Juf weet ’r niks van … dat deden die ouderwetsche muggen … mijn mug beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar sprongen buiten zijn hol.„Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten verscheurd … brrrrr … En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè, en nou is ’t uit.”„Vertel nog eens wat,” inviteerde Mies.Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.„Wel, wel, kijk me dat daar eens,” zei mijnheer. „Zeg snuiters, iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met Juf mee.”Het afscheid viel de kleintjes zwaar.„Kom je morgenavond weer?” vroeg Mies.„Dat hangt er van af,” zei Piet, „het zou best kunnen, dat ik hier morgenavond weer ben.”De kinderen werden weggebracht.„Luister,jongeman,” sprak de heer Peters. „Je lijkt me aardig doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het eens met je probeeren.”De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs, dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur.De deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.„Dank u wel, mijnheer,” zei Piet, „ik zal er zijn en voor u werken, dat de vonken eraf vliegen.”„Wel?” vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den winkel zat.„Dierbare ouwetjes,” zei Pietje plechtig, „ik heb de eer u edele te berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij toekomende onderscheiding te behandelen.”

Vijfde Hoofdstuk.Vijfde Hoofdstuk.De nieuwe betrekking.Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost.JOURNALIST.Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel.Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij eigenlijk wenschte te worden.Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hijhad een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van de vergaderingen.Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven in praktijk brengen als journalist.„Vader, lees eens.”„Wat is het, jongen, een brand?”„Vader, lees eens.”„Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid … en dat ben ik.”„Ben jij dat? Wie zegt dat?”„Dat zeg ik.”Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg verbaasd:„En durf jij dat aan?”„Wel vader,” zei Piet, „ik ga er direct heen.”„Maar je moet per brief antwoorden, staat hier.”„Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens antwoord. Neen, ik weet beter.”Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur te spreken.De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: „Ik denk niet, dat het gaat.”Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te zien, hoe gemakkelijk het wél ging.„Kom maar mee,” sprak de man, „we zullen probeeren.”Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer.„Klop hier maar aan,” zei de man, „en zeg het aan den bediende hier.”Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het allerheiligste van den Directeur bewaakte.„Wat wenscht u?” was de vraag.Piet zette een gewichtig gezicht.„Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie, ik heb een zeer dringende zaak te bespreken.”Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even:„Kan ik de boodschap ook aannemen?”„Dat zal niet gaan,” beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon, „het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie.”„Een oogenblik dan.”Twee minuten later keerde de jongeman terug.„Het spijt me,” zei hij, „maar de Directeur heeft op het oogenblik geen tijd.”„Ik evenmin,” zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, „en als ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en dat zal de Directie later ten zeerste betreuren.”„Wacht u nog even,” zei de bediende, zich bedenkend, „ik zal nog eens zien.”Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug met de mededeeling:„Gaat u maar binnen.”Zoo deed Piet.Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was.„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”„Wel, jongmensch,” begon deze, „wat had u mij voor belangrijks mede te deelen?”„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”„Is ’t waar, wel, waar is hij dan?”„Ik ben het.”„Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?”„Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar, door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd brieven, die op de advertentiezullen komen en aan al het werk, dat die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief eruit pikken en het met mij probeeren.”„Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de positie te krijgen?”„Ik ben er zeker van,” zei Pietje, „want een verslaggever moet er als de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws gebeurt dan maak ik nieuws.”De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet over zijn bril heen aan en dacht na.Ik wil eens zien—dacht hij bij zichzelf—of het den jongen ernst is.Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan?De proef zou genomen worden.De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen.„Laat dit jongemensch uit.”Piet groette beleefd en verliet het vertrek.Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur en op welken tijd deze thuis was.Dit bleek des avonds na zes uur te zijn.Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de heer Peters—de directeur—nog niet eens zijn naam wist en dat gaf hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen.Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters verscheen.Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit:„Wel … de brutaliteit … Wat verlangt u nu weer?”„Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer.”En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het was de vereischte sollicitatie-brief,keurig geschreven en duidelijk gesteld.„Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken thuis.”„Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks,” zei Pietje met ontsteld gezicht.„Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?”„Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal ongeschikte sollicitanten hebben te lezen … iedere brief neemt minstens twee minuten … dat is twaalfhonderd minuten voor de zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren …”„Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen.”Piet groette alweer beleefd en verliet het huis.Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin.Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het jongemensch er weer was.„Wat?… alweer?… wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam.”„Jawel, meneer,” zei de meid, „maar het jongemensch zei, dat u niets gezegd had van de achterdeur.”„Hm … al goed … laat hem weer in de voorkamer.”Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af, wat hem nu weer te beurt zou vallen.Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. ’n Leuk typetje, lange bruine krullen met ’n breed rose lint, groote vraagoogen en kersemondje.Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen naar hem toe.„Ik ben Mies,” zei ze gewichtig.„Aangenaam kennis te maken,” zei Piet, „mijn naam is Pietje Bell.”„Niets geen mooie naam,” vond ze.„Verschil van smaak, ik vind ’m prachtig.”„Kan jij verhalen vertellen?” vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend.„Dat zal waar wezen,” zei Piet. „Der was eens …”„Nog niet beginne … broer moet het ook hooren …”En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met een driejarig broertje aan de hand.„Nou komme we op je knie zitten,” zei Miesje.„Welja, dat is goed … doe maar net of je thuis bent,” berustte Piet.Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij:„Nou dan … D’r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw, die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die moesten elken avond uitgekamd en gechampooi’d worden en z’n nagels moesten gemanicuurd en z’n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?”„Nee,” zei Mies.„Best, ik ook niet,” zei Piet. „Nu sliep de leeuw elken dag heel vast en kon des avonds bijna niet wakker worden.„Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken.„Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost …”„Van Pa,” zei Mies.„Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug.”„Wat kom jij hier doen?” vroeg de leeuw.„Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg,” piepte de mug, „ik kom op die advertentie.”Hij trok de peuters op zijn knie...De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen.„Ga maar gauw naar huis,” zei de leeuw, „we kunnen jou toch niet gebruiken.”„Dat zal je gewaar worden,” dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde, de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel bruldeen de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd.„Schuif een eindje om,” zei de mug, „daar kom ik.” De dieren begonnen allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen.„Wat een lawaai met al die beesten aan de deur,” zei de mug tegen de leeuwin. „Ik zal zijne Majesteit wel even wekken.”„O ja,” viel Mies in de rede, „ik weet het al … en toen prikte de mug den leeuw in zijn neus.”„Wie zegt dat?” vroeg Piet.„Dat zegt Juf.”„Juf weet ’r niks van … dat deden die ouderwetsche muggen … mijn mug beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar sprongen buiten zijn hol.„Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten verscheurd … brrrrr … En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè, en nou is ’t uit.”„Vertel nog eens wat,” inviteerde Mies.Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.„Wel, wel, kijk me dat daar eens,” zei mijnheer. „Zeg snuiters, iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met Juf mee.”Het afscheid viel de kleintjes zwaar.„Kom je morgenavond weer?” vroeg Mies.„Dat hangt er van af,” zei Piet, „het zou best kunnen, dat ik hier morgenavond weer ben.”De kinderen werden weggebracht.„Luister,jongeman,” sprak de heer Peters. „Je lijkt me aardig doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het eens met je probeeren.”De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs, dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur.De deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.„Dank u wel, mijnheer,” zei Piet, „ik zal er zijn en voor u werken, dat de vonken eraf vliegen.”„Wel?” vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den winkel zat.„Dierbare ouwetjes,” zei Pietje plechtig, „ik heb de eer u edele te berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij toekomende onderscheiding te behandelen.”

Vijfde Hoofdstuk.Vijfde Hoofdstuk.De nieuwe betrekking.

Vijfde Hoofdstuk.

Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost.JOURNALIST.Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel.Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij eigenlijk wenschte te worden.Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hijhad een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van de vergaderingen.Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven in praktijk brengen als journalist.„Vader, lees eens.”„Wat is het, jongen, een brand?”„Vader, lees eens.”„Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid … en dat ben ik.”„Ben jij dat? Wie zegt dat?”„Dat zeg ik.”Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg verbaasd:„En durf jij dat aan?”„Wel vader,” zei Piet, „ik ga er direct heen.”„Maar je moet per brief antwoorden, staat hier.”„Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens antwoord. Neen, ik weet beter.”Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur te spreken.De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: „Ik denk niet, dat het gaat.”Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te zien, hoe gemakkelijk het wél ging.„Kom maar mee,” sprak de man, „we zullen probeeren.”Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer.„Klop hier maar aan,” zei de man, „en zeg het aan den bediende hier.”Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het allerheiligste van den Directeur bewaakte.„Wat wenscht u?” was de vraag.Piet zette een gewichtig gezicht.„Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie, ik heb een zeer dringende zaak te bespreken.”Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even:„Kan ik de boodschap ook aannemen?”„Dat zal niet gaan,” beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon, „het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie.”„Een oogenblik dan.”Twee minuten later keerde de jongeman terug.„Het spijt me,” zei hij, „maar de Directeur heeft op het oogenblik geen tijd.”„Ik evenmin,” zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, „en als ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en dat zal de Directie later ten zeerste betreuren.”„Wacht u nog even,” zei de bediende, zich bedenkend, „ik zal nog eens zien.”Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug met de mededeeling:„Gaat u maar binnen.”Zoo deed Piet.Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was.„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”„Wel, jongmensch,” begon deze, „wat had u mij voor belangrijks mede te deelen?”„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”„Is ’t waar, wel, waar is hij dan?”„Ik ben het.”„Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?”„Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar, door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd brieven, die op de advertentiezullen komen en aan al het werk, dat die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief eruit pikken en het met mij probeeren.”„Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de positie te krijgen?”„Ik ben er zeker van,” zei Pietje, „want een verslaggever moet er als de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws gebeurt dan maak ik nieuws.”De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet over zijn bril heen aan en dacht na.Ik wil eens zien—dacht hij bij zichzelf—of het den jongen ernst is.Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan?De proef zou genomen worden.De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen.„Laat dit jongemensch uit.”Piet groette beleefd en verliet het vertrek.Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur en op welken tijd deze thuis was.Dit bleek des avonds na zes uur te zijn.Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de heer Peters—de directeur—nog niet eens zijn naam wist en dat gaf hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen.Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters verscheen.Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit:„Wel … de brutaliteit … Wat verlangt u nu weer?”„Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer.”En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het was de vereischte sollicitatie-brief,keurig geschreven en duidelijk gesteld.„Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken thuis.”„Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks,” zei Pietje met ontsteld gezicht.„Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?”„Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal ongeschikte sollicitanten hebben te lezen … iedere brief neemt minstens twee minuten … dat is twaalfhonderd minuten voor de zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren …”„Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen.”Piet groette alweer beleefd en verliet het huis.Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin.Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het jongemensch er weer was.„Wat?… alweer?… wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam.”„Jawel, meneer,” zei de meid, „maar het jongemensch zei, dat u niets gezegd had van de achterdeur.”„Hm … al goed … laat hem weer in de voorkamer.”Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af, wat hem nu weer te beurt zou vallen.Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. ’n Leuk typetje, lange bruine krullen met ’n breed rose lint, groote vraagoogen en kersemondje.Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen naar hem toe.„Ik ben Mies,” zei ze gewichtig.„Aangenaam kennis te maken,” zei Piet, „mijn naam is Pietje Bell.”„Niets geen mooie naam,” vond ze.„Verschil van smaak, ik vind ’m prachtig.”„Kan jij verhalen vertellen?” vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend.„Dat zal waar wezen,” zei Piet. „Der was eens …”„Nog niet beginne … broer moet het ook hooren …”En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met een driejarig broertje aan de hand.„Nou komme we op je knie zitten,” zei Miesje.„Welja, dat is goed … doe maar net of je thuis bent,” berustte Piet.Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij:„Nou dan … D’r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw, die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die moesten elken avond uitgekamd en gechampooi’d worden en z’n nagels moesten gemanicuurd en z’n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?”„Nee,” zei Mies.„Best, ik ook niet,” zei Piet. „Nu sliep de leeuw elken dag heel vast en kon des avonds bijna niet wakker worden.„Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken.„Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost …”„Van Pa,” zei Mies.„Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug.”„Wat kom jij hier doen?” vroeg de leeuw.„Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg,” piepte de mug, „ik kom op die advertentie.”Hij trok de peuters op zijn knie...De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen.„Ga maar gauw naar huis,” zei de leeuw, „we kunnen jou toch niet gebruiken.”„Dat zal je gewaar worden,” dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde, de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel bruldeen de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd.„Schuif een eindje om,” zei de mug, „daar kom ik.” De dieren begonnen allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen.„Wat een lawaai met al die beesten aan de deur,” zei de mug tegen de leeuwin. „Ik zal zijne Majesteit wel even wekken.”„O ja,” viel Mies in de rede, „ik weet het al … en toen prikte de mug den leeuw in zijn neus.”„Wie zegt dat?” vroeg Piet.„Dat zegt Juf.”„Juf weet ’r niks van … dat deden die ouderwetsche muggen … mijn mug beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar sprongen buiten zijn hol.„Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten verscheurd … brrrrr … En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè, en nou is ’t uit.”„Vertel nog eens wat,” inviteerde Mies.Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.„Wel, wel, kijk me dat daar eens,” zei mijnheer. „Zeg snuiters, iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met Juf mee.”Het afscheid viel de kleintjes zwaar.„Kom je morgenavond weer?” vroeg Mies.„Dat hangt er van af,” zei Piet, „het zou best kunnen, dat ik hier morgenavond weer ben.”De kinderen werden weggebracht.„Luister,jongeman,” sprak de heer Peters. „Je lijkt me aardig doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het eens met je probeeren.”De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs, dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur.De deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.„Dank u wel, mijnheer,” zei Piet, „ik zal er zijn en voor u werken, dat de vonken eraf vliegen.”„Wel?” vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den winkel zat.„Dierbare ouwetjes,” zei Pietje plechtig, „ik heb de eer u edele te berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij toekomende onderscheiding te behandelen.”

Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost.

JOURNALIST.Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.

JOURNALIST.

Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.

Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel.

Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij eigenlijk wenschte te worden.

Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hijhad een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van de vergaderingen.

Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven in praktijk brengen als journalist.

„Vader, lees eens.”

„Wat is het, jongen, een brand?”

„Vader, lees eens.”

„Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid … en dat ben ik.”

„Ben jij dat? Wie zegt dat?”

„Dat zeg ik.”

Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg verbaasd:

„En durf jij dat aan?”

„Wel vader,” zei Piet, „ik ga er direct heen.”

„Maar je moet per brief antwoorden, staat hier.”

„Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens antwoord. Neen, ik weet beter.”

Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur te spreken.

De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: „Ik denk niet, dat het gaat.”

Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te zien, hoe gemakkelijk het wél ging.

„Kom maar mee,” sprak de man, „we zullen probeeren.”

Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer.

„Klop hier maar aan,” zei de man, „en zeg het aan den bediende hier.”

Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het allerheiligste van den Directeur bewaakte.

„Wat wenscht u?” was de vraag.

Piet zette een gewichtig gezicht.

„Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie, ik heb een zeer dringende zaak te bespreken.”

Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even:

„Kan ik de boodschap ook aannemen?”

„Dat zal niet gaan,” beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon, „het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie.”

„Een oogenblik dan.”

Twee minuten later keerde de jongeman terug.

„Het spijt me,” zei hij, „maar de Directeur heeft op het oogenblik geen tijd.”

„Ik evenmin,” zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, „en als ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en dat zal de Directie later ten zeerste betreuren.”

„Wacht u nog even,” zei de bediende, zich bedenkend, „ik zal nog eens zien.”

Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug met de mededeeling:

„Gaat u maar binnen.”

Zoo deed Piet.

Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was.

„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”

„Wel, jongmensch,” begon deze, „wat had u mij voor belangrijks mede te deelen?”

„U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,” zei Piet, „en u heeft hem al gevonden ook.”

„Is ’t waar, wel, waar is hij dan?”

„Ik ben het.”

„Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?”

„Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar, door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd brieven, die op de advertentiezullen komen en aan al het werk, dat die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief eruit pikken en het met mij probeeren.”

„Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de positie te krijgen?”

„Ik ben er zeker van,” zei Pietje, „want een verslaggever moet er als de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws gebeurt dan maak ik nieuws.”

De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet over zijn bril heen aan en dacht na.

Ik wil eens zien—dacht hij bij zichzelf—of het den jongen ernst is.

Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan?

De proef zou genomen worden.

De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen.

„Laat dit jongemensch uit.”

Piet groette beleefd en verliet het vertrek.

Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur en op welken tijd deze thuis was.

Dit bleek des avonds na zes uur te zijn.

Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de heer Peters—de directeur—nog niet eens zijn naam wist en dat gaf hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen.

Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters verscheen.

Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit:

„Wel … de brutaliteit … Wat verlangt u nu weer?”

„Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer.”

En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het was de vereischte sollicitatie-brief,keurig geschreven en duidelijk gesteld.

„Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken thuis.”

„Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks,” zei Pietje met ontsteld gezicht.

„Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?”

„Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal ongeschikte sollicitanten hebben te lezen … iedere brief neemt minstens twee minuten … dat is twaalfhonderd minuten voor de zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren …”

„Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen.”

Piet groette alweer beleefd en verliet het huis.

Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin.

Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het jongemensch er weer was.

„Wat?… alweer?… wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam.”

„Jawel, meneer,” zei de meid, „maar het jongemensch zei, dat u niets gezegd had van de achterdeur.”

„Hm … al goed … laat hem weer in de voorkamer.”

Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af, wat hem nu weer te beurt zou vallen.

Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. ’n Leuk typetje, lange bruine krullen met ’n breed rose lint, groote vraagoogen en kersemondje.

Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen naar hem toe.

„Ik ben Mies,” zei ze gewichtig.

„Aangenaam kennis te maken,” zei Piet, „mijn naam is Pietje Bell.”

„Niets geen mooie naam,” vond ze.

„Verschil van smaak, ik vind ’m prachtig.”

„Kan jij verhalen vertellen?” vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend.

„Dat zal waar wezen,” zei Piet. „Der was eens …”

„Nog niet beginne … broer moet het ook hooren …”

En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met een driejarig broertje aan de hand.

„Nou komme we op je knie zitten,” zei Miesje.

„Welja, dat is goed … doe maar net of je thuis bent,” berustte Piet.

Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij:

„Nou dan … D’r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw, die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die moesten elken avond uitgekamd en gechampooi’d worden en z’n nagels moesten gemanicuurd en z’n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?”

„Nee,” zei Mies.

„Best, ik ook niet,” zei Piet. „Nu sliep de leeuw elken dag heel vast en kon des avonds bijna niet wakker worden.

„Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken.

„Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost …”

„Van Pa,” zei Mies.

„Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug.”

„Wat kom jij hier doen?” vroeg de leeuw.

„Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg,” piepte de mug, „ik kom op die advertentie.”

Hij trok de peuters op zijn knie...

De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen.

„Ga maar gauw naar huis,” zei de leeuw, „we kunnen jou toch niet gebruiken.”

„Dat zal je gewaar worden,” dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde, de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel bruldeen de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd.

„Schuif een eindje om,” zei de mug, „daar kom ik.” De dieren begonnen allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen.

„Wat een lawaai met al die beesten aan de deur,” zei de mug tegen de leeuwin. „Ik zal zijne Majesteit wel even wekken.”

„O ja,” viel Mies in de rede, „ik weet het al … en toen prikte de mug den leeuw in zijn neus.”

„Wie zegt dat?” vroeg Piet.

„Dat zegt Juf.”

„Juf weet ’r niks van … dat deden die ouderwetsche muggen … mijn mug beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar sprongen buiten zijn hol.

„Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten verscheurd … brrrrr … En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè, en nou is ’t uit.”

„Vertel nog eens wat,” inviteerde Mies.

Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.

„Wel, wel, kijk me dat daar eens,” zei mijnheer. „Zeg snuiters, iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met Juf mee.”

Het afscheid viel de kleintjes zwaar.

„Kom je morgenavond weer?” vroeg Mies.

„Dat hangt er van af,” zei Piet, „het zou best kunnen, dat ik hier morgenavond weer ben.”

De kinderen werden weggebracht.

„Luister,jongeman,” sprak de heer Peters. „Je lijkt me aardig doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het eens met je probeeren.”

De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs, dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur.

De deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door de juf.

„Dank u wel, mijnheer,” zei Piet, „ik zal er zijn en voor u werken, dat de vonken eraf vliegen.”

„Wel?” vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den winkel zat.

„Dierbare ouwetjes,” zei Pietje plechtig, „ik heb de eer u edele te berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij toekomende onderscheiding te behandelen.”


Back to IndexNext