Zesde Hoofdstuk.Zesde Hoofdstuk.Een uitstapje naar Scheveningen.Zoo had Piet dus nog een week den tijd.Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal verrassen met het feit, dat hij „redacteur” was, wat blieft u?Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als Pietje er was, wel dan was het altijd feest.Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers, die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de algemeene onkosten.Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere uitgaven te doen.Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen—het weer was, wat men maar wenschen kon—was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de Electrische present.Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal, waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen dag van gingen nemen.Pietje ging met Flip de kaartjes halen.„Negen retours Scheveningen—vier vooruit—en vijf achteruitrijden,” zei Piet.„Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?” vroeg de beambte geprikkeld, hem de kaartjes toeschuivend.„Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen,” zei Flip.Grinnekend schoof de troep langs de controle, waarde kaartjes geknipt werden, en dan de trappen op naar het perron.Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en taschjes in de netten werpend.Mien Kuijer hing uit het raam.„Gut,” riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken, „kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet hebben, hoor.”’t Heele gezelschap leunde nu naar buiten.„Is deze trein voor Scheveningen?” vroeg een dikke, puffende, róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes en zeven kinderen met zich voortzeulde.„Jawel,” antwoordde Flip, „maar dan moet u in den volgenden wagen gaan zitten.”„O juist, dank u wel,” was het antwoord en het regiment marcheerde naar den anderen wagen.Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen aan haar ochtendwerkzaamheden.Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe:„Dag juf … overwerk je niet …”„Moeder … je pap staat aan te branden … heusch waar … ik ruik het hier.”„Juf … juf … d’r staat een vent achter je met een geladen zakmes!”Er was een onophoudelijk gelach en gepraat.De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man, die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde te lezen.De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club schenen hem geweldig te hinderen.Piet vertelde weer een grap.„Kijk,” wees hij naar een der ramen, „daar staat zoowaar mijnheer Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet bepaald het buskruit uitgevonden had.„Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven, het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.—Jan komt bij meneer Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart en het riool van Liszt.”Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei:„Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van hetgeen men leest.”Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst.Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde:„Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen, kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen.”Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen oorlog.„Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was, ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo’n gekke snor had, net een kerstboom …”Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant neer en ging brommend naar buiten kijken.Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig!Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar een verstandig woord.Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een groot aantal reizigers stapte uit.Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte, om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel boterhammen uit te halen.„Ga jij nou al eten?” vroeg Alida Specht. „Heb je dan vanmorgen niet ontbeten?”„O, dat was niet veel,” zei Jacob. „Alleen maar vier boterhammen met kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee.”„Hoe laat was dat?” informeerde Flip.„Acht uur zoowat.”„Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben als een herkauwend dier!”„Ik val al weer om van den honger,” beweerde Jacob en beet gretig in een dik-gemeubileerde boterham.Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt.Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich op en top in ’t zand neervallen, plannen makend voor het programma van dien dag.Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over ’t strand uit te vloeien.Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend in den gouden zonnedag.„Wel, ceremonie-meester,” vroeg Pietje Bell aan Flip, „wat doen we vandaag?”„Ik had gedacht, we konden tot één uur aan ’t strand blijven, dan maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf, gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug naar ’t strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten en vanavond om acht uur naar de voorstelling in „Scala”.”„Prachtig, fijn, dat doen we,” riep Piet en allen waren het er mee eens, dat het een uitstekend programma was.Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren.Beneden aan ’t strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en vanwaar ze héél ’t gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen.Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken en tasschen.„Als zoo’n familie een dag uit is,” beweerde Harry,„werken ze nog harder, dan wanneer ze thuisblijven.”„En ze hebben ’t veel slechter dan thuis,” voegde Jacob erbij.„Kijk,” riep Eetje Pijpers opeens uit, „dér komt zoowér mijn Oom uit den Hég èn.”Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep.Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan de leden.„Oom Hérry Pijpers, lui,” zei-die.Allen stonden op, maar ’t korte, dikke Oompje zei puffend:„Blijf zitten … dames heewen … te wawm … te wawm … pfff … komt nog meew hitte … mowgen … ovewmowgen …”’t Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben.„Au … valsch dier …” riep Spinnetje … „stomp je grootmoeder.”„Foei … da’s niet aawdig …” zei oom Harry glimlachend. „En uw gwootmoedew zou ook bezwaaw maken.”Maar Oom’s opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was, vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn enhardoplachen.„Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat taawtjes?” was het vriendelijke aanbod.„Wel, Oom, niemand zél bezwér méken,” zei Eetje.„Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw … ik mag gwaag jongelui zien … en de lieve meisjes … zoo chawmant, nietwaaw … zoo lief enallewaawdigst. Kom eens hiew, jongen …” sprak hij tot een passeerenden visschersknaap, „haal jij eens in die gwoote tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes … vwaag om iets, om ’t in te dwagen, hè? Hiew is geld.”„Woont u in den Haag?” vroeg Piet, toen de jongen verdween.„Juist, juist, in ’t Haagje.”„Prettige stad wel,” vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil te houden.„O heel pwettig, heel pwettig!”Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek.„Wat scheelt jou?” vroeg Flip.„Ze heeft ineens zoo’n kiespijn …” hielp Marie, „soms krijgt ze van die steken, hè?”„Och, hoe jammew op zoo’n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten stwaks.”Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar.Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en taartjes … en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze NIET had … stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen.„O,”zei ze snel, „zoo erg is het niet … het zakt al weer.”„Dacht ik wel,” lachte Oom Harry. „Kijk, hiew komt de jongen aan.”’t Werd een genoeglijke smulpartij.Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de overblijfselen smakelijk verslonden.Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui „vewstowen” en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten.Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag, die zoo goed begon.Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las, en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z’n mond kreeg.Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij:„Is u heelemaal gek geworden?”„Stapelgek, waarde heer,” zei Piet, steeds op zijn handen loopend, „Ik bekijk de wereld van den onderkant … ook wel grappig, vind-u niet?”„U is het toppunt van idiotisme!” bitste de ander terug.„Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan,” juichte Piet en de heele club gierde.„U … u … heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik in mijn pink,” sputterde de kantoorbediende.„Is ’t waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijkepink wezen, die u hebt.”„Over pinken gesproken,” zei Flip, naar de zee wijzend, „heeft u al een zeetochtje gemaakt?”„Och, jullie bent een troep losgelaten gekken,” schold de kantoorman, die zijn kruit verschoten had.Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z’n van-ouds-beroemde welbespraaktheid:„Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen, want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor.”Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen.De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit.De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde hij weer in hetzand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette.„Hee, hee … dat ismijnkuil!” riep hij.„Wel,” zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, „U kunt een advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit, gaan wij hier zitten.”Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken.Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot voortzetting van den tocht.Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste limonadetentje werd al bestormd.Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden en kiezen uit kon krijgen.Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning „De Bataaf” bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen.Weldra verscheen de kellner.De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen en zei:„U kunt dat hier niet opeten!”„Hoeveel?” vroeg Piet.„Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten.”„Daar verwed ik wat onder,” zei Piet en maakte zijn pakje open.Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was:VERBODENConsumptie mede teBrengen.„Gut, mag je hier niet eenseten?” vroeg Mien Kuijer, „ik rammel.”„U kunt alles hier bestellen … biefstuk … gebakken aardappelen … broodjes met vleesch … kaas … ei … gehakt … wat u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier.”„Gut, mag je hier niet eens eten?” vroeg Mien Kuijer.„Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen,” zei Piet.Weldra bracht de kellner negen koppen koffie.Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met ’n knipoogje:„Vergeet nou voor ’n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?”„Ja meneer, ’t kan mij natuurlijk niet schelen … maar de patroon …”„Wel, de patroon éét toch ook.”„Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb.”„Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?”Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van ’t huis, de meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef—alleen de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het bovenste, vettige velletje:Als ik het had geweten,Had ik hier niet gegeten;Maar toen ’k vandaag hier kwam,Had ik mijn boterham,M’n vleeschje en m’n eitje,M’n heele eetgereitjeGewikkeld in een pak,Heel netjes in mijn zak.Ik heb toen met geweldWat koffie hier besteld,Daarop werd mij verteld,Ik stond er van versteld:Dat men hier niet mag etenWat hier niet is gekocht.’k Heb toen het bord gelezen,Herlezen zelfs.—Mij dochtGij zegt wel: ’t Is verbodenConsumptiemee te brengen,Maar niet hetop te eten,Dus waarde Batavier,Ik zeg het eerlijk hier:Gij maakte wel deez’ wetMaar ’t is precies een netJe vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.ROTTERDAMSCHE KORFBALCLUB: DE VROOLIJKE BENDE.Na de clandestiene koffiemaaltijd in „de Bataaf” begaf de club zich weer op pad. Ze doorwandelden de heerlijke boschjes, stoeiden tusschen de boomen en struiken als kleine kinderen en kwamen, moe en wel, op den Ouden Scheveningschen weg, vanwaar ze door de Keizerstraat terugliepen naar het strand.Ze hadden alweer dorst, waarop Pietje voorstelde, den melksalon „De Sierkan” binnen te gaan.Toen ze daar goed en wel gezeten waren, kwam Flip tot de ontdekking, dat ze met hun achten waren en „Eetje” ontbrak.Maar die kwam al gauw opdagen.Hij was een winkeltje binnengeloopen en had er een grooten zak vol serpentines, confetti en „rotjes” gekocht.„Om d’r een beetje feestelijk kérékter én te geven,” zei hij.De serpentines en confetti werden uitgedeeld en weldra nam het feest een aanvang.Een blonde juffrouw in ’t Scheveningsch costuum bracht de glazen melk en Flip bestrooide haar met een handvol confetti, wat ze lachend aanvaardde. Daarop slingerde Pietje een serpentine door den melksalon wat dadelijk door de overige leden gevolgd werd en weldra hingen over de gaskronen, koperen melkkannen, stoelen en tafeltjes de veelkleurige linten, waardoor de melksalon er uit zag als een bruiloftszaal.Over het algemeen nammenhet nogal van den vroolijken kant op, zelfs de kellnerinnen, die waarschijnlijk den boel weer moesten opruimen, hadden schik in onze Vroolijke Bende.Het was nog eens een veranderingetje in het meestal eentonige melkgedoe en de vroolijke grappen van Piet en de anderen gingen er in als koek.Maar natuurlijk zou het wel een wonder geweest zijn, als er niet iemand wat van te zeggen had.Een zwaarlijvige, purperkleurige, blazende heer, die zijn jas over de leuning van zijn stoel gehangen had en er nogal onsmakelijk uitzag, kreeg bij toeval een serpentine over zich heen, en dat bleek genoeg te zijn, om z’n woede op te wekken.„Verfluchte dinger …” raasde hij. „Kann man nicht sein glaasjen mielk trinken hier?”„Kom meneer,” zei een andere bezoeker, „lach maar mee, lach maar mee!”Maar de man, die zijn best deed, zich in ’t Hollandsch uit te drukken, had geen lachlust meer … had dien al sinds lang verloren.„Soll man lachen bij solchen onsinn? Onsinn … komm iek hier mein glaasjen mielk zu trinken … will ruhig sitzen … verwünschtes kabaal und diese verfluchte dinger …”Ich bin Graf von Weinberg.Piet had de lont van een rotje aangestoken en toen het ding begon te sputteren, wierp hij het ongezien onder de tafel van den mopperaar.„Pánggg!!!„Hei! Potzhimmel-donner-schweinerkraut!!!!”Het heele gezelschap gierde.„Zegt u dat nog eens,” verzocht Pietje beleefd …. „ik verzamel graag buitenlandsche postzegels.”Pang!!!Een tweede rotje ging af.Rrrrrt … vlogen de serpentines door den melksalon.„Sollk iek mein laten handeln wie ein straatjongen … iek bin ein Edelman … iek bin Graf von Weinberg …”„Daar ziet u anders heelemaal niet naar uit,” schoot Spinnetje opeens af.„Zoo te zitten bij dames staat lang niet adellijk,” vond Jacob.„Iest mein saak … iest ganz und gar mein saak … komm iek hier mein glaasjen mielk trinken … williekruhig sitzen … in mein oberhemd … macht nichts … in mein hemd … iest mein saak …”„Ho-ho, da’s niet adellijk, da’s niet fijn!”„Das soll mein ’nen Sorg sein!”„Foei, wat is u onverschillig,” zei Piet. „Maar we doen geen mensch kwaad, nietwaar lui? Allemaal een serpentine klaar? Aáááánnn … Vùùrrrr!!!”Rrrrrt … daar suisden negen serpentines door de hal, die nu een waar lintenpakhuis leek.En stroomen confetti dwarrelden over de hoofden der bezoekers, die meest allen voor ’n dag uit waren en grooten schik hadden in de gebeurtenis. Flip betaalde de vertering en arm in arm ging de Bende weer verderop.Op den hoek van een zijstraat zag Piet ’n ledige kist staan, die daar waarschijnlijk door den kruidenier was neergezet.Met één sprong stond hij er bovenop.„Wat krijgen we nou?” informeerde Jacob.„Ga je straatredenaar spelen?” vroeg Harry.„’k Wed met je om een plak chocola, dat je ’t niet durft,” daagde Mien uit.„Top! Weddenschap aangenomen!” riep Pietje. „Waarover moet ik spreken?”„Over sigaretten,” suggereerde Flip.„Best!”De club schaarde zich om het spreekgestoelte heen en terwijl langzamerhand zich meer omstanders bij de jongelui voegden, schudde Pietje den volgenden onzin uit den mouw:„Dames en kinderen, mannen en heeren, me-, juf-, en jonkvrouwen van scheel Heveningen! Boeren, burgers, buiten- en binnenlui, ik heb de eer u mezelven voor te stellen als Professor Nicotinus van het gedemobiliseerde Laboratorium in de Amsterdamsche Cigaretten-fabriek „De Hoestbui”. En bij mijn laatste scheikundige, trans-atlantische, laboratorische nicotine-proefnemingen heb ik een belangrijke ontdekking gedaan, een ontdekking, mijne heeren, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen, wat zeg ik, een revolutie, meneer,een revolutie onder de cigarettenrookers van de heele wereld.„Je hebt allen wel eens gehoord van Karel de Kale?„Welnu, Karel de Kale was een kleinzoon van Napoleon, je weet wel, die Willem de Zwijger geholpen heeft in den veldslag tegen de Filistijnen onder de brandend heete zonnestralen van Nova-Zembla.„Karel de Kale was zóó kaal, dat een biljartbal bij hem vergeleken nog dik-behaard was.Met één sprong stond hij er bovenop.„En waarom was hij zoo kaal?„Wel, doodeenvoudig omdat hij al zijn haren verrookt had!„Verrookt, meneer!„Bij bosjes had-ie ze uitgerukt en er cigaretten van gerold met schuurpapier. Na drie maanden was hij zoo kaal als de scheurkalender op 31 December!”Hier keek Pietje even om zich heen en zag tot zijn genoegen, dat de menigte steeds toenam.De Vroolijke Bende proestte het af en toe uit en de omstanders niet minder.„En toen Karel de Kale geen haar meer had en niet regeeren kon, omdat hij niets te rooken had, stuurde hij een draadloos telegram naar mij, Professor Nicotinus van de Amsterdamsche cigaretten-fabriek „De Hoestbui”.„En omdat ik nog een afstommeling ben van Karel de Kale, aangetrouwd in de familie—zijn moeder en mijn moeder waren moeders—heb ik hem het recept gegeven van mijn nieuw-ontdekte cigaret, waaraan ik den naam gegeven heb: Grafwaarts.„Hier zijn ze—en Piet nam een handvol cigaretten van Eetje aan—de beroemde Manilla Asthma Stinka Gloria … Ik heb er tweeduizend van verkocht aan een jongeman in Groningen, en waar denk je, dat hij nu is?”„Op het kerkhof!” riep een slagersjongen.„Mis … nou is hij hoofdvertegenwoordiger voor deze beroemde cigaret in de Sahara. En ze kosten geen gulden … geen negentig … geen tachtig … zeventig, zestig cent … maar òp is òp en wèg is wèg … wie ze pakt, die heeft ze voor 5 dubbeltjes … 50 cent … een halven gulden …”„Pas op, daar komt een agent,” waarschuwde Harry.Piet sprong snel van de kist en verdween tusschen de omstanders.Mien was haar plak chocola kwijt en Pietje nam het aan, om het dadelijk daarop de meisjes weer aan te bieden.„Wat doen we nou?” vroeg Jacob.„Laten we ansichten naar huis sturen,” stelde Marie voor.„Ja, hier is een boekwinkel, kom mee.”Er was een lange, smalle schrijftafel aan het einde van den boekwinkel, bestemd voor het verzenden van prent-briefkaarten.De Bende marcheerde naar binnen en zette zich met veel drukte aan de tafel,vechtend om de pennen.Ieder kocht vijf kaarten en onder het schrijven legde Piet stilletjes een rotje onder de tafel. Na een oogenblik ging het af:Pánng!!!De boekhandelaar dronk juist een glaasje water, maar liet het van schrik uit de handen vallen.Kletterend sloeg het op den vloer in stukken.„Alle duivels!” riep hij. „Wa’s dat?”Maar Piet schreef rustig voort, niet luisterend naar de algemeene uitroepen van schrik en ontsteltenis.„Hè gut, kijk nou hier,” riep Mien, „een groote vlek!”Pietje vroeg den boekhandelaar, of deze ook briefkaarten verkocht met de fotoaan den anderen kant, maar de man antwoordde, dat hij alleen maar kaarten had met de fotografie aandeze zijde.Het schrijven der kaarten nam zoowat tien minuten en allen waren ermee gereed, behalve Jacob, die elke briefkaart van boven tot onder vulde met een kriebelig klein schrift.„Zeg, wat maak jij ze allemaal voor leugens wijs?”„De menschen, die jouw kaarten krijgen, mogen wel ermee naar het microscopisch laboratorium gaan, Jacob.”Maar al hun spotten en plagen hielp niets en daarom gingen ze maar wat in den winkel rondkijken.Ze hielden allemaal van boeken en platen.Marie bladerde in een stapel muziek.„Weet je, wát een mooi piano-stuk is,” zei Pietje, „De Max Havelaar van Multatuli.”„Ga weg, idioot, dat is een boek.”„Mijn nicht kan prachtig piano spelen,” vertelde Flip. „Eerst speelt ze een stuk heelemaal door en dan keert ze haar muziekboek onderst-boven en man! dan hoor je weer ’n heel ander stuk. Ze speelt zóó mooi, dat ze al vijfmaal in één jaar hebben moeten verhuizen vanwege de buren.”„Klaar!” riep Jacob en gaarde zijn briefkaarten bijeen.Daarop bedankte de Vroolijke Bende den boekhandelaar voor de verleende gastvrijheid, en duwde elkaar onder veel lawaai naar buiten.Na een kwartiertje waren ze weer op het strand en liepen tot voorbij de Naald, waaraan, zooals Piet opmerkte, het oog vergeten was.Daar genoten ze nog ruim een uur, starend naar de wijde, wijde zee, met hier en daar héél ver een schip.Maar de tijd vervloog en ze gingen per tram naar den Haag, waar ze zouden dineeren. Ze verlangden echter allemaal naar de voorstelling in „Scala”, en Flip deelde tot aller genoegen mede, dat de kas van de club toeliet, om voor dien avond een heele loge in het theater te nemen.Flip en Harry gingen om zeven uur naar het gebouw en waren zoo gelukkig, de eerste loge bij het tooneel te krijgen en precies acht uur nam de Vroolijke Bende zijn stelling voor dien avond in.De zaal was stampvol en weldra weerklonken de lustige tonen van den Welkomstmarsch.Daarop rees het scherm en traden de Gezusters Wight op, twee Engelsche danseresjes, die tevens lustige liedekens zongen.Toen trad op Professor Magnolia … Imitateur en Illusionist.De Professor kon allerlei dierengeluiden nabootsen, heel mooi, maar dat kon Flip ook heel meesterlijk.En toen de Professor het woedend, grommend geblaf van een grooten bloedhond nabootste, klonk daar opeens tusschen door het schril, nijdig gekef van een juffershondje, en de zaal barstte uit in een daverend gelach.Flip had nog meer succès dan de Professor, die vreesde, dat de jongeman misschien een nòg handiger imitateur was dan hij en daarom tot zijn goocheltoeren overging.Daarna verscheen een zangeres, die zich met behulp van schmink en poeder een jeugdig voorkomen geschilderd had, maar die in werkelijkheid wel vier kruisjes achter den rug moest hebben. Ze zong een aandoenlijk lied: Keer weer, mijn kind! En toen ze aan den regel kwam:Mijn zoon, kom aan mijn hart!moest de heele Bende Pietje tegenhouden, want die had zijn been al over de balustrade om die moederlijke aanbeveling op te volgen.... want die had zijn been al over de balustrade.Het eene nummer volgde het andere en het slot was als gewoonlijk een Bioscoopvertooning. Moe, maar hoogst tevreden over den heerlijken, ongegeneerd-fijnen dag keerde de club huiswaarts en nog lang daarna was dit uitstapje het onderwerp hunner gesprekken.
Zesde Hoofdstuk.Zesde Hoofdstuk.Een uitstapje naar Scheveningen.Zoo had Piet dus nog een week den tijd.Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal verrassen met het feit, dat hij „redacteur” was, wat blieft u?Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als Pietje er was, wel dan was het altijd feest.Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers, die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de algemeene onkosten.Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere uitgaven te doen.Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen—het weer was, wat men maar wenschen kon—was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de Electrische present.Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal, waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen dag van gingen nemen.Pietje ging met Flip de kaartjes halen.„Negen retours Scheveningen—vier vooruit—en vijf achteruitrijden,” zei Piet.„Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?” vroeg de beambte geprikkeld, hem de kaartjes toeschuivend.„Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen,” zei Flip.Grinnekend schoof de troep langs de controle, waarde kaartjes geknipt werden, en dan de trappen op naar het perron.Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en taschjes in de netten werpend.Mien Kuijer hing uit het raam.„Gut,” riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken, „kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet hebben, hoor.”’t Heele gezelschap leunde nu naar buiten.„Is deze trein voor Scheveningen?” vroeg een dikke, puffende, róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes en zeven kinderen met zich voortzeulde.„Jawel,” antwoordde Flip, „maar dan moet u in den volgenden wagen gaan zitten.”„O juist, dank u wel,” was het antwoord en het regiment marcheerde naar den anderen wagen.Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen aan haar ochtendwerkzaamheden.Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe:„Dag juf … overwerk je niet …”„Moeder … je pap staat aan te branden … heusch waar … ik ruik het hier.”„Juf … juf … d’r staat een vent achter je met een geladen zakmes!”Er was een onophoudelijk gelach en gepraat.De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man, die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde te lezen.De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club schenen hem geweldig te hinderen.Piet vertelde weer een grap.„Kijk,” wees hij naar een der ramen, „daar staat zoowaar mijnheer Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet bepaald het buskruit uitgevonden had.„Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven, het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.—Jan komt bij meneer Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart en het riool van Liszt.”Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei:„Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van hetgeen men leest.”Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst.Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde:„Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen, kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen.”Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen oorlog.„Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was, ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo’n gekke snor had, net een kerstboom …”Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant neer en ging brommend naar buiten kijken.Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig!Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar een verstandig woord.Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een groot aantal reizigers stapte uit.Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte, om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel boterhammen uit te halen.„Ga jij nou al eten?” vroeg Alida Specht. „Heb je dan vanmorgen niet ontbeten?”„O, dat was niet veel,” zei Jacob. „Alleen maar vier boterhammen met kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee.”„Hoe laat was dat?” informeerde Flip.„Acht uur zoowat.”„Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben als een herkauwend dier!”„Ik val al weer om van den honger,” beweerde Jacob en beet gretig in een dik-gemeubileerde boterham.Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt.Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich op en top in ’t zand neervallen, plannen makend voor het programma van dien dag.Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over ’t strand uit te vloeien.Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend in den gouden zonnedag.„Wel, ceremonie-meester,” vroeg Pietje Bell aan Flip, „wat doen we vandaag?”„Ik had gedacht, we konden tot één uur aan ’t strand blijven, dan maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf, gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug naar ’t strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten en vanavond om acht uur naar de voorstelling in „Scala”.”„Prachtig, fijn, dat doen we,” riep Piet en allen waren het er mee eens, dat het een uitstekend programma was.Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren.Beneden aan ’t strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en vanwaar ze héél ’t gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen.Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken en tasschen.„Als zoo’n familie een dag uit is,” beweerde Harry,„werken ze nog harder, dan wanneer ze thuisblijven.”„En ze hebben ’t veel slechter dan thuis,” voegde Jacob erbij.„Kijk,” riep Eetje Pijpers opeens uit, „dér komt zoowér mijn Oom uit den Hég èn.”Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep.Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan de leden.„Oom Hérry Pijpers, lui,” zei-die.Allen stonden op, maar ’t korte, dikke Oompje zei puffend:„Blijf zitten … dames heewen … te wawm … te wawm … pfff … komt nog meew hitte … mowgen … ovewmowgen …”’t Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben.„Au … valsch dier …” riep Spinnetje … „stomp je grootmoeder.”„Foei … da’s niet aawdig …” zei oom Harry glimlachend. „En uw gwootmoedew zou ook bezwaaw maken.”Maar Oom’s opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was, vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn enhardoplachen.„Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat taawtjes?” was het vriendelijke aanbod.„Wel, Oom, niemand zél bezwér méken,” zei Eetje.„Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw … ik mag gwaag jongelui zien … en de lieve meisjes … zoo chawmant, nietwaaw … zoo lief enallewaawdigst. Kom eens hiew, jongen …” sprak hij tot een passeerenden visschersknaap, „haal jij eens in die gwoote tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes … vwaag om iets, om ’t in te dwagen, hè? Hiew is geld.”„Woont u in den Haag?” vroeg Piet, toen de jongen verdween.„Juist, juist, in ’t Haagje.”„Prettige stad wel,” vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil te houden.„O heel pwettig, heel pwettig!”Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek.„Wat scheelt jou?” vroeg Flip.„Ze heeft ineens zoo’n kiespijn …” hielp Marie, „soms krijgt ze van die steken, hè?”„Och, hoe jammew op zoo’n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten stwaks.”Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar.Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en taartjes … en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze NIET had … stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen.„O,”zei ze snel, „zoo erg is het niet … het zakt al weer.”„Dacht ik wel,” lachte Oom Harry. „Kijk, hiew komt de jongen aan.”’t Werd een genoeglijke smulpartij.Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de overblijfselen smakelijk verslonden.Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui „vewstowen” en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten.Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag, die zoo goed begon.Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las, en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z’n mond kreeg.Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij:„Is u heelemaal gek geworden?”„Stapelgek, waarde heer,” zei Piet, steeds op zijn handen loopend, „Ik bekijk de wereld van den onderkant … ook wel grappig, vind-u niet?”„U is het toppunt van idiotisme!” bitste de ander terug.„Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan,” juichte Piet en de heele club gierde.„U … u … heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik in mijn pink,” sputterde de kantoorbediende.„Is ’t waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijkepink wezen, die u hebt.”„Over pinken gesproken,” zei Flip, naar de zee wijzend, „heeft u al een zeetochtje gemaakt?”„Och, jullie bent een troep losgelaten gekken,” schold de kantoorman, die zijn kruit verschoten had.Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z’n van-ouds-beroemde welbespraaktheid:„Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen, want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor.”Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen.De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit.De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde hij weer in hetzand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette.„Hee, hee … dat ismijnkuil!” riep hij.„Wel,” zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, „U kunt een advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit, gaan wij hier zitten.”Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken.Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot voortzetting van den tocht.Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste limonadetentje werd al bestormd.Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden en kiezen uit kon krijgen.Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning „De Bataaf” bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen.Weldra verscheen de kellner.De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen en zei:„U kunt dat hier niet opeten!”„Hoeveel?” vroeg Piet.„Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten.”„Daar verwed ik wat onder,” zei Piet en maakte zijn pakje open.Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was:VERBODENConsumptie mede teBrengen.„Gut, mag je hier niet eenseten?” vroeg Mien Kuijer, „ik rammel.”„U kunt alles hier bestellen … biefstuk … gebakken aardappelen … broodjes met vleesch … kaas … ei … gehakt … wat u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier.”„Gut, mag je hier niet eens eten?” vroeg Mien Kuijer.„Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen,” zei Piet.Weldra bracht de kellner negen koppen koffie.Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met ’n knipoogje:„Vergeet nou voor ’n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?”„Ja meneer, ’t kan mij natuurlijk niet schelen … maar de patroon …”„Wel, de patroon éét toch ook.”„Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb.”„Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?”Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van ’t huis, de meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef—alleen de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het bovenste, vettige velletje:Als ik het had geweten,Had ik hier niet gegeten;Maar toen ’k vandaag hier kwam,Had ik mijn boterham,M’n vleeschje en m’n eitje,M’n heele eetgereitjeGewikkeld in een pak,Heel netjes in mijn zak.Ik heb toen met geweldWat koffie hier besteld,Daarop werd mij verteld,Ik stond er van versteld:Dat men hier niet mag etenWat hier niet is gekocht.’k Heb toen het bord gelezen,Herlezen zelfs.—Mij dochtGij zegt wel: ’t Is verbodenConsumptiemee te brengen,Maar niet hetop te eten,Dus waarde Batavier,Ik zeg het eerlijk hier:Gij maakte wel deez’ wetMaar ’t is precies een netJe vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.ROTTERDAMSCHE KORFBALCLUB: DE VROOLIJKE BENDE.Na de clandestiene koffiemaaltijd in „de Bataaf” begaf de club zich weer op pad. Ze doorwandelden de heerlijke boschjes, stoeiden tusschen de boomen en struiken als kleine kinderen en kwamen, moe en wel, op den Ouden Scheveningschen weg, vanwaar ze door de Keizerstraat terugliepen naar het strand.Ze hadden alweer dorst, waarop Pietje voorstelde, den melksalon „De Sierkan” binnen te gaan.Toen ze daar goed en wel gezeten waren, kwam Flip tot de ontdekking, dat ze met hun achten waren en „Eetje” ontbrak.Maar die kwam al gauw opdagen.Hij was een winkeltje binnengeloopen en had er een grooten zak vol serpentines, confetti en „rotjes” gekocht.„Om d’r een beetje feestelijk kérékter én te geven,” zei hij.De serpentines en confetti werden uitgedeeld en weldra nam het feest een aanvang.Een blonde juffrouw in ’t Scheveningsch costuum bracht de glazen melk en Flip bestrooide haar met een handvol confetti, wat ze lachend aanvaardde. Daarop slingerde Pietje een serpentine door den melksalon wat dadelijk door de overige leden gevolgd werd en weldra hingen over de gaskronen, koperen melkkannen, stoelen en tafeltjes de veelkleurige linten, waardoor de melksalon er uit zag als een bruiloftszaal.Over het algemeen nammenhet nogal van den vroolijken kant op, zelfs de kellnerinnen, die waarschijnlijk den boel weer moesten opruimen, hadden schik in onze Vroolijke Bende.Het was nog eens een veranderingetje in het meestal eentonige melkgedoe en de vroolijke grappen van Piet en de anderen gingen er in als koek.Maar natuurlijk zou het wel een wonder geweest zijn, als er niet iemand wat van te zeggen had.Een zwaarlijvige, purperkleurige, blazende heer, die zijn jas over de leuning van zijn stoel gehangen had en er nogal onsmakelijk uitzag, kreeg bij toeval een serpentine over zich heen, en dat bleek genoeg te zijn, om z’n woede op te wekken.„Verfluchte dinger …” raasde hij. „Kann man nicht sein glaasjen mielk trinken hier?”„Kom meneer,” zei een andere bezoeker, „lach maar mee, lach maar mee!”Maar de man, die zijn best deed, zich in ’t Hollandsch uit te drukken, had geen lachlust meer … had dien al sinds lang verloren.„Soll man lachen bij solchen onsinn? Onsinn … komm iek hier mein glaasjen mielk zu trinken … will ruhig sitzen … verwünschtes kabaal und diese verfluchte dinger …”Ich bin Graf von Weinberg.Piet had de lont van een rotje aangestoken en toen het ding begon te sputteren, wierp hij het ongezien onder de tafel van den mopperaar.„Pánggg!!!„Hei! Potzhimmel-donner-schweinerkraut!!!!”Het heele gezelschap gierde.„Zegt u dat nog eens,” verzocht Pietje beleefd …. „ik verzamel graag buitenlandsche postzegels.”Pang!!!Een tweede rotje ging af.Rrrrrt … vlogen de serpentines door den melksalon.„Sollk iek mein laten handeln wie ein straatjongen … iek bin ein Edelman … iek bin Graf von Weinberg …”„Daar ziet u anders heelemaal niet naar uit,” schoot Spinnetje opeens af.„Zoo te zitten bij dames staat lang niet adellijk,” vond Jacob.„Iest mein saak … iest ganz und gar mein saak … komm iek hier mein glaasjen mielk trinken … williekruhig sitzen … in mein oberhemd … macht nichts … in mein hemd … iest mein saak …”„Ho-ho, da’s niet adellijk, da’s niet fijn!”„Das soll mein ’nen Sorg sein!”„Foei, wat is u onverschillig,” zei Piet. „Maar we doen geen mensch kwaad, nietwaar lui? Allemaal een serpentine klaar? Aáááánnn … Vùùrrrr!!!”Rrrrrt … daar suisden negen serpentines door de hal, die nu een waar lintenpakhuis leek.En stroomen confetti dwarrelden over de hoofden der bezoekers, die meest allen voor ’n dag uit waren en grooten schik hadden in de gebeurtenis. Flip betaalde de vertering en arm in arm ging de Bende weer verderop.Op den hoek van een zijstraat zag Piet ’n ledige kist staan, die daar waarschijnlijk door den kruidenier was neergezet.Met één sprong stond hij er bovenop.„Wat krijgen we nou?” informeerde Jacob.„Ga je straatredenaar spelen?” vroeg Harry.„’k Wed met je om een plak chocola, dat je ’t niet durft,” daagde Mien uit.„Top! Weddenschap aangenomen!” riep Pietje. „Waarover moet ik spreken?”„Over sigaretten,” suggereerde Flip.„Best!”De club schaarde zich om het spreekgestoelte heen en terwijl langzamerhand zich meer omstanders bij de jongelui voegden, schudde Pietje den volgenden onzin uit den mouw:„Dames en kinderen, mannen en heeren, me-, juf-, en jonkvrouwen van scheel Heveningen! Boeren, burgers, buiten- en binnenlui, ik heb de eer u mezelven voor te stellen als Professor Nicotinus van het gedemobiliseerde Laboratorium in de Amsterdamsche Cigaretten-fabriek „De Hoestbui”. En bij mijn laatste scheikundige, trans-atlantische, laboratorische nicotine-proefnemingen heb ik een belangrijke ontdekking gedaan, een ontdekking, mijne heeren, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen, wat zeg ik, een revolutie, meneer,een revolutie onder de cigarettenrookers van de heele wereld.„Je hebt allen wel eens gehoord van Karel de Kale?„Welnu, Karel de Kale was een kleinzoon van Napoleon, je weet wel, die Willem de Zwijger geholpen heeft in den veldslag tegen de Filistijnen onder de brandend heete zonnestralen van Nova-Zembla.„Karel de Kale was zóó kaal, dat een biljartbal bij hem vergeleken nog dik-behaard was.Met één sprong stond hij er bovenop.„En waarom was hij zoo kaal?„Wel, doodeenvoudig omdat hij al zijn haren verrookt had!„Verrookt, meneer!„Bij bosjes had-ie ze uitgerukt en er cigaretten van gerold met schuurpapier. Na drie maanden was hij zoo kaal als de scheurkalender op 31 December!”Hier keek Pietje even om zich heen en zag tot zijn genoegen, dat de menigte steeds toenam.De Vroolijke Bende proestte het af en toe uit en de omstanders niet minder.„En toen Karel de Kale geen haar meer had en niet regeeren kon, omdat hij niets te rooken had, stuurde hij een draadloos telegram naar mij, Professor Nicotinus van de Amsterdamsche cigaretten-fabriek „De Hoestbui”.„En omdat ik nog een afstommeling ben van Karel de Kale, aangetrouwd in de familie—zijn moeder en mijn moeder waren moeders—heb ik hem het recept gegeven van mijn nieuw-ontdekte cigaret, waaraan ik den naam gegeven heb: Grafwaarts.„Hier zijn ze—en Piet nam een handvol cigaretten van Eetje aan—de beroemde Manilla Asthma Stinka Gloria … Ik heb er tweeduizend van verkocht aan een jongeman in Groningen, en waar denk je, dat hij nu is?”„Op het kerkhof!” riep een slagersjongen.„Mis … nou is hij hoofdvertegenwoordiger voor deze beroemde cigaret in de Sahara. En ze kosten geen gulden … geen negentig … geen tachtig … zeventig, zestig cent … maar òp is òp en wèg is wèg … wie ze pakt, die heeft ze voor 5 dubbeltjes … 50 cent … een halven gulden …”„Pas op, daar komt een agent,” waarschuwde Harry.Piet sprong snel van de kist en verdween tusschen de omstanders.Mien was haar plak chocola kwijt en Pietje nam het aan, om het dadelijk daarop de meisjes weer aan te bieden.„Wat doen we nou?” vroeg Jacob.„Laten we ansichten naar huis sturen,” stelde Marie voor.„Ja, hier is een boekwinkel, kom mee.”Er was een lange, smalle schrijftafel aan het einde van den boekwinkel, bestemd voor het verzenden van prent-briefkaarten.De Bende marcheerde naar binnen en zette zich met veel drukte aan de tafel,vechtend om de pennen.Ieder kocht vijf kaarten en onder het schrijven legde Piet stilletjes een rotje onder de tafel. Na een oogenblik ging het af:Pánng!!!De boekhandelaar dronk juist een glaasje water, maar liet het van schrik uit de handen vallen.Kletterend sloeg het op den vloer in stukken.„Alle duivels!” riep hij. „Wa’s dat?”Maar Piet schreef rustig voort, niet luisterend naar de algemeene uitroepen van schrik en ontsteltenis.„Hè gut, kijk nou hier,” riep Mien, „een groote vlek!”Pietje vroeg den boekhandelaar, of deze ook briefkaarten verkocht met de fotoaan den anderen kant, maar de man antwoordde, dat hij alleen maar kaarten had met de fotografie aandeze zijde.Het schrijven der kaarten nam zoowat tien minuten en allen waren ermee gereed, behalve Jacob, die elke briefkaart van boven tot onder vulde met een kriebelig klein schrift.„Zeg, wat maak jij ze allemaal voor leugens wijs?”„De menschen, die jouw kaarten krijgen, mogen wel ermee naar het microscopisch laboratorium gaan, Jacob.”Maar al hun spotten en plagen hielp niets en daarom gingen ze maar wat in den winkel rondkijken.Ze hielden allemaal van boeken en platen.Marie bladerde in een stapel muziek.„Weet je, wát een mooi piano-stuk is,” zei Pietje, „De Max Havelaar van Multatuli.”„Ga weg, idioot, dat is een boek.”„Mijn nicht kan prachtig piano spelen,” vertelde Flip. „Eerst speelt ze een stuk heelemaal door en dan keert ze haar muziekboek onderst-boven en man! dan hoor je weer ’n heel ander stuk. Ze speelt zóó mooi, dat ze al vijfmaal in één jaar hebben moeten verhuizen vanwege de buren.”„Klaar!” riep Jacob en gaarde zijn briefkaarten bijeen.Daarop bedankte de Vroolijke Bende den boekhandelaar voor de verleende gastvrijheid, en duwde elkaar onder veel lawaai naar buiten.Na een kwartiertje waren ze weer op het strand en liepen tot voorbij de Naald, waaraan, zooals Piet opmerkte, het oog vergeten was.Daar genoten ze nog ruim een uur, starend naar de wijde, wijde zee, met hier en daar héél ver een schip.Maar de tijd vervloog en ze gingen per tram naar den Haag, waar ze zouden dineeren. Ze verlangden echter allemaal naar de voorstelling in „Scala”, en Flip deelde tot aller genoegen mede, dat de kas van de club toeliet, om voor dien avond een heele loge in het theater te nemen.Flip en Harry gingen om zeven uur naar het gebouw en waren zoo gelukkig, de eerste loge bij het tooneel te krijgen en precies acht uur nam de Vroolijke Bende zijn stelling voor dien avond in.De zaal was stampvol en weldra weerklonken de lustige tonen van den Welkomstmarsch.Daarop rees het scherm en traden de Gezusters Wight op, twee Engelsche danseresjes, die tevens lustige liedekens zongen.Toen trad op Professor Magnolia … Imitateur en Illusionist.De Professor kon allerlei dierengeluiden nabootsen, heel mooi, maar dat kon Flip ook heel meesterlijk.En toen de Professor het woedend, grommend geblaf van een grooten bloedhond nabootste, klonk daar opeens tusschen door het schril, nijdig gekef van een juffershondje, en de zaal barstte uit in een daverend gelach.Flip had nog meer succès dan de Professor, die vreesde, dat de jongeman misschien een nòg handiger imitateur was dan hij en daarom tot zijn goocheltoeren overging.Daarna verscheen een zangeres, die zich met behulp van schmink en poeder een jeugdig voorkomen geschilderd had, maar die in werkelijkheid wel vier kruisjes achter den rug moest hebben. Ze zong een aandoenlijk lied: Keer weer, mijn kind! En toen ze aan den regel kwam:Mijn zoon, kom aan mijn hart!moest de heele Bende Pietje tegenhouden, want die had zijn been al over de balustrade om die moederlijke aanbeveling op te volgen.... want die had zijn been al over de balustrade.Het eene nummer volgde het andere en het slot was als gewoonlijk een Bioscoopvertooning. Moe, maar hoogst tevreden over den heerlijken, ongegeneerd-fijnen dag keerde de club huiswaarts en nog lang daarna was dit uitstapje het onderwerp hunner gesprekken.
Zesde Hoofdstuk.Zesde Hoofdstuk.Een uitstapje naar Scheveningen.
Zesde Hoofdstuk.
Zoo had Piet dus nog een week den tijd.Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal verrassen met het feit, dat hij „redacteur” was, wat blieft u?Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als Pietje er was, wel dan was het altijd feest.Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers, die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de algemeene onkosten.Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere uitgaven te doen.Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen—het weer was, wat men maar wenschen kon—was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de Electrische present.Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal, waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen dag van gingen nemen.Pietje ging met Flip de kaartjes halen.„Negen retours Scheveningen—vier vooruit—en vijf achteruitrijden,” zei Piet.„Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?” vroeg de beambte geprikkeld, hem de kaartjes toeschuivend.„Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen,” zei Flip.Grinnekend schoof de troep langs de controle, waarde kaartjes geknipt werden, en dan de trappen op naar het perron.Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en taschjes in de netten werpend.Mien Kuijer hing uit het raam.„Gut,” riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken, „kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet hebben, hoor.”’t Heele gezelschap leunde nu naar buiten.„Is deze trein voor Scheveningen?” vroeg een dikke, puffende, róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes en zeven kinderen met zich voortzeulde.„Jawel,” antwoordde Flip, „maar dan moet u in den volgenden wagen gaan zitten.”„O juist, dank u wel,” was het antwoord en het regiment marcheerde naar den anderen wagen.Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen aan haar ochtendwerkzaamheden.Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe:„Dag juf … overwerk je niet …”„Moeder … je pap staat aan te branden … heusch waar … ik ruik het hier.”„Juf … juf … d’r staat een vent achter je met een geladen zakmes!”Er was een onophoudelijk gelach en gepraat.De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man, die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde te lezen.De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club schenen hem geweldig te hinderen.Piet vertelde weer een grap.„Kijk,” wees hij naar een der ramen, „daar staat zoowaar mijnheer Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet bepaald het buskruit uitgevonden had.„Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven, het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.—Jan komt bij meneer Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart en het riool van Liszt.”Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei:„Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van hetgeen men leest.”Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst.Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde:„Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen, kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen.”Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen oorlog.„Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was, ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo’n gekke snor had, net een kerstboom …”Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant neer en ging brommend naar buiten kijken.Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig!Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar een verstandig woord.Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een groot aantal reizigers stapte uit.Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte, om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel boterhammen uit te halen.„Ga jij nou al eten?” vroeg Alida Specht. „Heb je dan vanmorgen niet ontbeten?”„O, dat was niet veel,” zei Jacob. „Alleen maar vier boterhammen met kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee.”„Hoe laat was dat?” informeerde Flip.„Acht uur zoowat.”„Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben als een herkauwend dier!”„Ik val al weer om van den honger,” beweerde Jacob en beet gretig in een dik-gemeubileerde boterham.Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt.Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich op en top in ’t zand neervallen, plannen makend voor het programma van dien dag.Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over ’t strand uit te vloeien.Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend in den gouden zonnedag.„Wel, ceremonie-meester,” vroeg Pietje Bell aan Flip, „wat doen we vandaag?”„Ik had gedacht, we konden tot één uur aan ’t strand blijven, dan maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf, gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug naar ’t strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten en vanavond om acht uur naar de voorstelling in „Scala”.”„Prachtig, fijn, dat doen we,” riep Piet en allen waren het er mee eens, dat het een uitstekend programma was.Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren.Beneden aan ’t strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en vanwaar ze héél ’t gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen.Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken en tasschen.„Als zoo’n familie een dag uit is,” beweerde Harry,„werken ze nog harder, dan wanneer ze thuisblijven.”„En ze hebben ’t veel slechter dan thuis,” voegde Jacob erbij.„Kijk,” riep Eetje Pijpers opeens uit, „dér komt zoowér mijn Oom uit den Hég èn.”Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep.Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan de leden.„Oom Hérry Pijpers, lui,” zei-die.Allen stonden op, maar ’t korte, dikke Oompje zei puffend:„Blijf zitten … dames heewen … te wawm … te wawm … pfff … komt nog meew hitte … mowgen … ovewmowgen …”’t Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben.„Au … valsch dier …” riep Spinnetje … „stomp je grootmoeder.”„Foei … da’s niet aawdig …” zei oom Harry glimlachend. „En uw gwootmoedew zou ook bezwaaw maken.”Maar Oom’s opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was, vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn enhardoplachen.„Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat taawtjes?” was het vriendelijke aanbod.„Wel, Oom, niemand zél bezwér méken,” zei Eetje.„Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw … ik mag gwaag jongelui zien … en de lieve meisjes … zoo chawmant, nietwaaw … zoo lief enallewaawdigst. Kom eens hiew, jongen …” sprak hij tot een passeerenden visschersknaap, „haal jij eens in die gwoote tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes … vwaag om iets, om ’t in te dwagen, hè? Hiew is geld.”„Woont u in den Haag?” vroeg Piet, toen de jongen verdween.„Juist, juist, in ’t Haagje.”„Prettige stad wel,” vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil te houden.„O heel pwettig, heel pwettig!”Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek.„Wat scheelt jou?” vroeg Flip.„Ze heeft ineens zoo’n kiespijn …” hielp Marie, „soms krijgt ze van die steken, hè?”„Och, hoe jammew op zoo’n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten stwaks.”Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar.Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en taartjes … en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze NIET had … stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen.„O,”zei ze snel, „zoo erg is het niet … het zakt al weer.”„Dacht ik wel,” lachte Oom Harry. „Kijk, hiew komt de jongen aan.”’t Werd een genoeglijke smulpartij.Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de overblijfselen smakelijk verslonden.Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui „vewstowen” en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten.Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag, die zoo goed begon.Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las, en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z’n mond kreeg.Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij:„Is u heelemaal gek geworden?”„Stapelgek, waarde heer,” zei Piet, steeds op zijn handen loopend, „Ik bekijk de wereld van den onderkant … ook wel grappig, vind-u niet?”„U is het toppunt van idiotisme!” bitste de ander terug.„Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan,” juichte Piet en de heele club gierde.„U … u … heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik in mijn pink,” sputterde de kantoorbediende.„Is ’t waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijkepink wezen, die u hebt.”„Over pinken gesproken,” zei Flip, naar de zee wijzend, „heeft u al een zeetochtje gemaakt?”„Och, jullie bent een troep losgelaten gekken,” schold de kantoorman, die zijn kruit verschoten had.Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z’n van-ouds-beroemde welbespraaktheid:„Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen, want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor.”Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen.De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit.De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde hij weer in hetzand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette.„Hee, hee … dat ismijnkuil!” riep hij.„Wel,” zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, „U kunt een advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit, gaan wij hier zitten.”Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken.Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot voortzetting van den tocht.Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste limonadetentje werd al bestormd.Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden en kiezen uit kon krijgen.Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning „De Bataaf” bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen.Weldra verscheen de kellner.De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen en zei:„U kunt dat hier niet opeten!”„Hoeveel?” vroeg Piet.„Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten.”„Daar verwed ik wat onder,” zei Piet en maakte zijn pakje open.Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was:VERBODENConsumptie mede teBrengen.„Gut, mag je hier niet eenseten?” vroeg Mien Kuijer, „ik rammel.”„U kunt alles hier bestellen … biefstuk … gebakken aardappelen … broodjes met vleesch … kaas … ei … gehakt … wat u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier.”„Gut, mag je hier niet eens eten?” vroeg Mien Kuijer.„Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen,” zei Piet.Weldra bracht de kellner negen koppen koffie.Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met ’n knipoogje:„Vergeet nou voor ’n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?”„Ja meneer, ’t kan mij natuurlijk niet schelen … maar de patroon …”„Wel, de patroon éét toch ook.”„Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb.”„Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?”Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van ’t huis, de meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef—alleen de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het bovenste, vettige velletje:Als ik het had geweten,Had ik hier niet gegeten;Maar toen ’k vandaag hier kwam,Had ik mijn boterham,M’n vleeschje en m’n eitje,M’n heele eetgereitjeGewikkeld in een pak,Heel netjes in mijn zak.Ik heb toen met geweldWat koffie hier besteld,Daarop werd mij verteld,Ik stond er van versteld:Dat men hier niet mag etenWat hier niet is gekocht.’k Heb toen het bord gelezen,Herlezen zelfs.—Mij dochtGij zegt wel: ’t Is verbodenConsumptiemee te brengen,Maar niet hetop te eten,Dus waarde Batavier,Ik zeg het eerlijk hier:Gij maakte wel deez’ wetMaar ’t is precies een netJe vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.ROTTERDAMSCHE KORFBALCLUB: DE VROOLIJKE BENDE.Na de clandestiene koffiemaaltijd in „de Bataaf” begaf de club zich weer op pad. Ze doorwandelden de heerlijke boschjes, stoeiden tusschen de boomen en struiken als kleine kinderen en kwamen, moe en wel, op den Ouden Scheveningschen weg, vanwaar ze door de Keizerstraat terugliepen naar het strand.Ze hadden alweer dorst, waarop Pietje voorstelde, den melksalon „De Sierkan” binnen te gaan.Toen ze daar goed en wel gezeten waren, kwam Flip tot de ontdekking, dat ze met hun achten waren en „Eetje” ontbrak.Maar die kwam al gauw opdagen.Hij was een winkeltje binnengeloopen en had er een grooten zak vol serpentines, confetti en „rotjes” gekocht.„Om d’r een beetje feestelijk kérékter én te geven,” zei hij.De serpentines en confetti werden uitgedeeld en weldra nam het feest een aanvang.Een blonde juffrouw in ’t Scheveningsch costuum bracht de glazen melk en Flip bestrooide haar met een handvol confetti, wat ze lachend aanvaardde. Daarop slingerde Pietje een serpentine door den melksalon wat dadelijk door de overige leden gevolgd werd en weldra hingen over de gaskronen, koperen melkkannen, stoelen en tafeltjes de veelkleurige linten, waardoor de melksalon er uit zag als een bruiloftszaal.Over het algemeen nammenhet nogal van den vroolijken kant op, zelfs de kellnerinnen, die waarschijnlijk den boel weer moesten opruimen, hadden schik in onze Vroolijke Bende.Het was nog eens een veranderingetje in het meestal eentonige melkgedoe en de vroolijke grappen van Piet en de anderen gingen er in als koek.Maar natuurlijk zou het wel een wonder geweest zijn, als er niet iemand wat van te zeggen had.Een zwaarlijvige, purperkleurige, blazende heer, die zijn jas over de leuning van zijn stoel gehangen had en er nogal onsmakelijk uitzag, kreeg bij toeval een serpentine over zich heen, en dat bleek genoeg te zijn, om z’n woede op te wekken.„Verfluchte dinger …” raasde hij. „Kann man nicht sein glaasjen mielk trinken hier?”„Kom meneer,” zei een andere bezoeker, „lach maar mee, lach maar mee!”Maar de man, die zijn best deed, zich in ’t Hollandsch uit te drukken, had geen lachlust meer … had dien al sinds lang verloren.„Soll man lachen bij solchen onsinn? Onsinn … komm iek hier mein glaasjen mielk zu trinken … will ruhig sitzen … verwünschtes kabaal und diese verfluchte dinger …”Ich bin Graf von Weinberg.Piet had de lont van een rotje aangestoken en toen het ding begon te sputteren, wierp hij het ongezien onder de tafel van den mopperaar.„Pánggg!!!„Hei! Potzhimmel-donner-schweinerkraut!!!!”Het heele gezelschap gierde.„Zegt u dat nog eens,” verzocht Pietje beleefd …. „ik verzamel graag buitenlandsche postzegels.”Pang!!!Een tweede rotje ging af.Rrrrrt … vlogen de serpentines door den melksalon.„Sollk iek mein laten handeln wie ein straatjongen … iek bin ein Edelman … iek bin Graf von Weinberg …”„Daar ziet u anders heelemaal niet naar uit,” schoot Spinnetje opeens af.„Zoo te zitten bij dames staat lang niet adellijk,” vond Jacob.„Iest mein saak … iest ganz und gar mein saak … komm iek hier mein glaasjen mielk trinken … williekruhig sitzen … in mein oberhemd … macht nichts … in mein hemd … iest mein saak …”„Ho-ho, da’s niet adellijk, da’s niet fijn!”„Das soll mein ’nen Sorg sein!”„Foei, wat is u onverschillig,” zei Piet. „Maar we doen geen mensch kwaad, nietwaar lui? Allemaal een serpentine klaar? Aáááánnn … Vùùrrrr!!!”Rrrrrt … daar suisden negen serpentines door de hal, die nu een waar lintenpakhuis leek.En stroomen confetti dwarrelden over de hoofden der bezoekers, die meest allen voor ’n dag uit waren en grooten schik hadden in de gebeurtenis. Flip betaalde de vertering en arm in arm ging de Bende weer verderop.Op den hoek van een zijstraat zag Piet ’n ledige kist staan, die daar waarschijnlijk door den kruidenier was neergezet.Met één sprong stond hij er bovenop.„Wat krijgen we nou?” informeerde Jacob.„Ga je straatredenaar spelen?” vroeg Harry.„’k Wed met je om een plak chocola, dat je ’t niet durft,” daagde Mien uit.„Top! Weddenschap aangenomen!” riep Pietje. „Waarover moet ik spreken?”„Over sigaretten,” suggereerde Flip.„Best!”De club schaarde zich om het spreekgestoelte heen en terwijl langzamerhand zich meer omstanders bij de jongelui voegden, schudde Pietje den volgenden onzin uit den mouw:„Dames en kinderen, mannen en heeren, me-, juf-, en jonkvrouwen van scheel Heveningen! Boeren, burgers, buiten- en binnenlui, ik heb de eer u mezelven voor te stellen als Professor Nicotinus van het gedemobiliseerde Laboratorium in de Amsterdamsche Cigaretten-fabriek „De Hoestbui”. En bij mijn laatste scheikundige, trans-atlantische, laboratorische nicotine-proefnemingen heb ik een belangrijke ontdekking gedaan, een ontdekking, mijne heeren, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen, wat zeg ik, een revolutie, meneer,een revolutie onder de cigarettenrookers van de heele wereld.„Je hebt allen wel eens gehoord van Karel de Kale?„Welnu, Karel de Kale was een kleinzoon van Napoleon, je weet wel, die Willem de Zwijger geholpen heeft in den veldslag tegen de Filistijnen onder de brandend heete zonnestralen van Nova-Zembla.„Karel de Kale was zóó kaal, dat een biljartbal bij hem vergeleken nog dik-behaard was.Met één sprong stond hij er bovenop.„En waarom was hij zoo kaal?„Wel, doodeenvoudig omdat hij al zijn haren verrookt had!„Verrookt, meneer!„Bij bosjes had-ie ze uitgerukt en er cigaretten van gerold met schuurpapier. Na drie maanden was hij zoo kaal als de scheurkalender op 31 December!”Hier keek Pietje even om zich heen en zag tot zijn genoegen, dat de menigte steeds toenam.De Vroolijke Bende proestte het af en toe uit en de omstanders niet minder.„En toen Karel de Kale geen haar meer had en niet regeeren kon, omdat hij niets te rooken had, stuurde hij een draadloos telegram naar mij, Professor Nicotinus van de Amsterdamsche cigaretten-fabriek „De Hoestbui”.„En omdat ik nog een afstommeling ben van Karel de Kale, aangetrouwd in de familie—zijn moeder en mijn moeder waren moeders—heb ik hem het recept gegeven van mijn nieuw-ontdekte cigaret, waaraan ik den naam gegeven heb: Grafwaarts.„Hier zijn ze—en Piet nam een handvol cigaretten van Eetje aan—de beroemde Manilla Asthma Stinka Gloria … Ik heb er tweeduizend van verkocht aan een jongeman in Groningen, en waar denk je, dat hij nu is?”„Op het kerkhof!” riep een slagersjongen.„Mis … nou is hij hoofdvertegenwoordiger voor deze beroemde cigaret in de Sahara. En ze kosten geen gulden … geen negentig … geen tachtig … zeventig, zestig cent … maar òp is òp en wèg is wèg … wie ze pakt, die heeft ze voor 5 dubbeltjes … 50 cent … een halven gulden …”„Pas op, daar komt een agent,” waarschuwde Harry.Piet sprong snel van de kist en verdween tusschen de omstanders.Mien was haar plak chocola kwijt en Pietje nam het aan, om het dadelijk daarop de meisjes weer aan te bieden.„Wat doen we nou?” vroeg Jacob.„Laten we ansichten naar huis sturen,” stelde Marie voor.„Ja, hier is een boekwinkel, kom mee.”Er was een lange, smalle schrijftafel aan het einde van den boekwinkel, bestemd voor het verzenden van prent-briefkaarten.De Bende marcheerde naar binnen en zette zich met veel drukte aan de tafel,vechtend om de pennen.Ieder kocht vijf kaarten en onder het schrijven legde Piet stilletjes een rotje onder de tafel. Na een oogenblik ging het af:Pánng!!!De boekhandelaar dronk juist een glaasje water, maar liet het van schrik uit de handen vallen.Kletterend sloeg het op den vloer in stukken.„Alle duivels!” riep hij. „Wa’s dat?”Maar Piet schreef rustig voort, niet luisterend naar de algemeene uitroepen van schrik en ontsteltenis.„Hè gut, kijk nou hier,” riep Mien, „een groote vlek!”Pietje vroeg den boekhandelaar, of deze ook briefkaarten verkocht met de fotoaan den anderen kant, maar de man antwoordde, dat hij alleen maar kaarten had met de fotografie aandeze zijde.Het schrijven der kaarten nam zoowat tien minuten en allen waren ermee gereed, behalve Jacob, die elke briefkaart van boven tot onder vulde met een kriebelig klein schrift.„Zeg, wat maak jij ze allemaal voor leugens wijs?”„De menschen, die jouw kaarten krijgen, mogen wel ermee naar het microscopisch laboratorium gaan, Jacob.”Maar al hun spotten en plagen hielp niets en daarom gingen ze maar wat in den winkel rondkijken.Ze hielden allemaal van boeken en platen.Marie bladerde in een stapel muziek.„Weet je, wát een mooi piano-stuk is,” zei Pietje, „De Max Havelaar van Multatuli.”„Ga weg, idioot, dat is een boek.”„Mijn nicht kan prachtig piano spelen,” vertelde Flip. „Eerst speelt ze een stuk heelemaal door en dan keert ze haar muziekboek onderst-boven en man! dan hoor je weer ’n heel ander stuk. Ze speelt zóó mooi, dat ze al vijfmaal in één jaar hebben moeten verhuizen vanwege de buren.”„Klaar!” riep Jacob en gaarde zijn briefkaarten bijeen.Daarop bedankte de Vroolijke Bende den boekhandelaar voor de verleende gastvrijheid, en duwde elkaar onder veel lawaai naar buiten.Na een kwartiertje waren ze weer op het strand en liepen tot voorbij de Naald, waaraan, zooals Piet opmerkte, het oog vergeten was.Daar genoten ze nog ruim een uur, starend naar de wijde, wijde zee, met hier en daar héél ver een schip.Maar de tijd vervloog en ze gingen per tram naar den Haag, waar ze zouden dineeren. Ze verlangden echter allemaal naar de voorstelling in „Scala”, en Flip deelde tot aller genoegen mede, dat de kas van de club toeliet, om voor dien avond een heele loge in het theater te nemen.Flip en Harry gingen om zeven uur naar het gebouw en waren zoo gelukkig, de eerste loge bij het tooneel te krijgen en precies acht uur nam de Vroolijke Bende zijn stelling voor dien avond in.De zaal was stampvol en weldra weerklonken de lustige tonen van den Welkomstmarsch.Daarop rees het scherm en traden de Gezusters Wight op, twee Engelsche danseresjes, die tevens lustige liedekens zongen.Toen trad op Professor Magnolia … Imitateur en Illusionist.De Professor kon allerlei dierengeluiden nabootsen, heel mooi, maar dat kon Flip ook heel meesterlijk.En toen de Professor het woedend, grommend geblaf van een grooten bloedhond nabootste, klonk daar opeens tusschen door het schril, nijdig gekef van een juffershondje, en de zaal barstte uit in een daverend gelach.Flip had nog meer succès dan de Professor, die vreesde, dat de jongeman misschien een nòg handiger imitateur was dan hij en daarom tot zijn goocheltoeren overging.Daarna verscheen een zangeres, die zich met behulp van schmink en poeder een jeugdig voorkomen geschilderd had, maar die in werkelijkheid wel vier kruisjes achter den rug moest hebben. Ze zong een aandoenlijk lied: Keer weer, mijn kind! En toen ze aan den regel kwam:Mijn zoon, kom aan mijn hart!moest de heele Bende Pietje tegenhouden, want die had zijn been al over de balustrade om die moederlijke aanbeveling op te volgen.... want die had zijn been al over de balustrade.Het eene nummer volgde het andere en het slot was als gewoonlijk een Bioscoopvertooning. Moe, maar hoogst tevreden over den heerlijken, ongegeneerd-fijnen dag keerde de club huiswaarts en nog lang daarna was dit uitstapje het onderwerp hunner gesprekken.
Zoo had Piet dus nog een week den tijd.
Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal verrassen met het feit, dat hij „redacteur” was, wat blieft u?
Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als Pietje er was, wel dan was het altijd feest.
Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.
Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers, die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.
Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de algemeene onkosten.
Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere uitgaven te doen.
Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen—het weer was, wat men maar wenschen kon—was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de Electrische present.
Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal, waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen dag van gingen nemen.
Pietje ging met Flip de kaartjes halen.
„Negen retours Scheveningen—vier vooruit—en vijf achteruitrijden,” zei Piet.
„Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?” vroeg de beambte geprikkeld, hem de kaartjes toeschuivend.
„Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen,” zei Flip.
Grinnekend schoof de troep langs de controle, waarde kaartjes geknipt werden, en dan de trappen op naar het perron.
Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en taschjes in de netten werpend.
Mien Kuijer hing uit het raam.
„Gut,” riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken, „kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet hebben, hoor.”
’t Heele gezelschap leunde nu naar buiten.
„Is deze trein voor Scheveningen?” vroeg een dikke, puffende, róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes en zeven kinderen met zich voortzeulde.
„Jawel,” antwoordde Flip, „maar dan moet u in den volgenden wagen gaan zitten.”
„O juist, dank u wel,” was het antwoord en het regiment marcheerde naar den anderen wagen.
Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.
Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen aan haar ochtendwerkzaamheden.
Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe:
„Dag juf … overwerk je niet …”
„Moeder … je pap staat aan te branden … heusch waar … ik ruik het hier.”
„Juf … juf … d’r staat een vent achter je met een geladen zakmes!”
Er was een onophoudelijk gelach en gepraat.
De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man, die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde te lezen.
De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club schenen hem geweldig te hinderen.
Piet vertelde weer een grap.
„Kijk,” wees hij naar een der ramen, „daar staat zoowaar mijnheer Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet bepaald het buskruit uitgevonden had.
„Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven, het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.—Jan komt bij meneer Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart en het riool van Liszt.”
Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei:
„Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van hetgeen men leest.”
Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst.
Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde:
„Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen, kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen.”
Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen oorlog.
„Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was, ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo’n gekke snor had, net een kerstboom …”
Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant neer en ging brommend naar buiten kijken.
Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig!
Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar een verstandig woord.
Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een groot aantal reizigers stapte uit.
Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte, om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel boterhammen uit te halen.
„Ga jij nou al eten?” vroeg Alida Specht. „Heb je dan vanmorgen niet ontbeten?”
„O, dat was niet veel,” zei Jacob. „Alleen maar vier boterhammen met kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee.”
„Hoe laat was dat?” informeerde Flip.
„Acht uur zoowat.”
„Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben als een herkauwend dier!”
„Ik val al weer om van den honger,” beweerde Jacob en beet gretig in een dik-gemeubileerde boterham.
Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt.
Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich op en top in ’t zand neervallen, plannen makend voor het programma van dien dag.
Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over ’t strand uit te vloeien.
Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend in den gouden zonnedag.
„Wel, ceremonie-meester,” vroeg Pietje Bell aan Flip, „wat doen we vandaag?”
„Ik had gedacht, we konden tot één uur aan ’t strand blijven, dan maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf, gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug naar ’t strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten en vanavond om acht uur naar de voorstelling in „Scala”.”
„Prachtig, fijn, dat doen we,” riep Piet en allen waren het er mee eens, dat het een uitstekend programma was.
Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren.
Beneden aan ’t strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en vanwaar ze héél ’t gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen.
Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken en tasschen.
„Als zoo’n familie een dag uit is,” beweerde Harry,„werken ze nog harder, dan wanneer ze thuisblijven.”
„En ze hebben ’t veel slechter dan thuis,” voegde Jacob erbij.
„Kijk,” riep Eetje Pijpers opeens uit, „dér komt zoowér mijn Oom uit den Hég èn.”
Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep.
Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan de leden.
„Oom Hérry Pijpers, lui,” zei-die.
Allen stonden op, maar ’t korte, dikke Oompje zei puffend:
„Blijf zitten … dames heewen … te wawm … te wawm … pfff … komt nog meew hitte … mowgen … ovewmowgen …”
’t Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben.
„Au … valsch dier …” riep Spinnetje … „stomp je grootmoeder.”
„Foei … da’s niet aawdig …” zei oom Harry glimlachend. „En uw gwootmoedew zou ook bezwaaw maken.”
Maar Oom’s opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was, vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn enhardoplachen.
„Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat taawtjes?” was het vriendelijke aanbod.
„Wel, Oom, niemand zél bezwér méken,” zei Eetje.
„Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw … ik mag gwaag jongelui zien … en de lieve meisjes … zoo chawmant, nietwaaw … zoo lief enallewaawdigst. Kom eens hiew, jongen …” sprak hij tot een passeerenden visschersknaap, „haal jij eens in die gwoote tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes … vwaag om iets, om ’t in te dwagen, hè? Hiew is geld.”
„Woont u in den Haag?” vroeg Piet, toen de jongen verdween.
„Juist, juist, in ’t Haagje.”
„Prettige stad wel,” vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil te houden.
„O heel pwettig, heel pwettig!”
Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek.
„Wat scheelt jou?” vroeg Flip.
„Ze heeft ineens zoo’n kiespijn …” hielp Marie, „soms krijgt ze van die steken, hè?”
„Och, hoe jammew op zoo’n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten stwaks.”
Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar.
Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en taartjes … en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze NIET had … stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen.
„O,”zei ze snel, „zoo erg is het niet … het zakt al weer.”
„Dacht ik wel,” lachte Oom Harry. „Kijk, hiew komt de jongen aan.”
’t Werd een genoeglijke smulpartij.
Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de overblijfselen smakelijk verslonden.
Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui „vewstowen” en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten.
Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag, die zoo goed begon.
Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las, en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z’n mond kreeg.
Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij:
„Is u heelemaal gek geworden?”
„Stapelgek, waarde heer,” zei Piet, steeds op zijn handen loopend, „Ik bekijk de wereld van den onderkant … ook wel grappig, vind-u niet?”
„U is het toppunt van idiotisme!” bitste de ander terug.
„Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan,” juichte Piet en de heele club gierde.
„U … u … heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik in mijn pink,” sputterde de kantoorbediende.
„Is ’t waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijkepink wezen, die u hebt.”
„Over pinken gesproken,” zei Flip, naar de zee wijzend, „heeft u al een zeetochtje gemaakt?”
„Och, jullie bent een troep losgelaten gekken,” schold de kantoorman, die zijn kruit verschoten had.
Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z’n van-ouds-beroemde welbespraaktheid:
„Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen, want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor.”
Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen.
De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit.
De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde hij weer in hetzand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette.
„Hee, hee … dat ismijnkuil!” riep hij.
„Wel,” zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, „U kunt een advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit, gaan wij hier zitten.”
Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken.
Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot voortzetting van den tocht.
Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste limonadetentje werd al bestormd.
Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden en kiezen uit kon krijgen.
Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning „De Bataaf” bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen.
Weldra verscheen de kellner.
De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen en zei:
„U kunt dat hier niet opeten!”
„Hoeveel?” vroeg Piet.
„Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten.”
„Daar verwed ik wat onder,” zei Piet en maakte zijn pakje open.
Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was:
VERBODENConsumptie mede teBrengen.
„Gut, mag je hier niet eenseten?” vroeg Mien Kuijer, „ik rammel.”
„U kunt alles hier bestellen … biefstuk … gebakken aardappelen … broodjes met vleesch … kaas … ei … gehakt … wat u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier.”
„Gut, mag je hier niet eens eten?” vroeg Mien Kuijer.
„Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen,” zei Piet.
Weldra bracht de kellner negen koppen koffie.
Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met ’n knipoogje:
„Vergeet nou voor ’n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?”
„Ja meneer, ’t kan mij natuurlijk niet schelen … maar de patroon …”
„Wel, de patroon éét toch ook.”
„Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb.”
„Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?”
Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van ’t huis, de meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef—alleen de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het bovenste, vettige velletje:
Als ik het had geweten,Had ik hier niet gegeten;Maar toen ’k vandaag hier kwam,Had ik mijn boterham,M’n vleeschje en m’n eitje,M’n heele eetgereitjeGewikkeld in een pak,Heel netjes in mijn zak.Ik heb toen met geweldWat koffie hier besteld,Daarop werd mij verteld,Ik stond er van versteld:Dat men hier niet mag etenWat hier niet is gekocht.’k Heb toen het bord gelezen,Herlezen zelfs.—Mij dochtGij zegt wel: ’t Is verbodenConsumptiemee te brengen,Maar niet hetop te eten,Dus waarde Batavier,Ik zeg het eerlijk hier:Gij maakte wel deez’ wetMaar ’t is precies een netJe vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.
Als ik het had geweten,
Had ik hier niet gegeten;
Maar toen ’k vandaag hier kwam,
Had ik mijn boterham,
M’n vleeschje en m’n eitje,
M’n heele eetgereitje
Gewikkeld in een pak,
Heel netjes in mijn zak.
Ik heb toen met geweld
Wat koffie hier besteld,
Daarop werd mij verteld,
Ik stond er van versteld:
Dat men hier niet mag eten
Wat hier niet is gekocht.
’k Heb toen het bord gelezen,
Herlezen zelfs.—Mij docht
Gij zegt wel: ’t Is verboden
Consumptiemee te brengen,
Maar niet hetop te eten,
Dus waarde Batavier,
Ik zeg het eerlijk hier:
Gij maakte wel deez’ wet
Maar ’t is precies een net
Je vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,
Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.
ROTTERDAMSCHE KORFBALCLUB: DE VROOLIJKE BENDE.
Na de clandestiene koffiemaaltijd in „de Bataaf” begaf de club zich weer op pad. Ze doorwandelden de heerlijke boschjes, stoeiden tusschen de boomen en struiken als kleine kinderen en kwamen, moe en wel, op den Ouden Scheveningschen weg, vanwaar ze door de Keizerstraat terugliepen naar het strand.
Ze hadden alweer dorst, waarop Pietje voorstelde, den melksalon „De Sierkan” binnen te gaan.
Toen ze daar goed en wel gezeten waren, kwam Flip tot de ontdekking, dat ze met hun achten waren en „Eetje” ontbrak.
Maar die kwam al gauw opdagen.
Hij was een winkeltje binnengeloopen en had er een grooten zak vol serpentines, confetti en „rotjes” gekocht.
„Om d’r een beetje feestelijk kérékter én te geven,” zei hij.
De serpentines en confetti werden uitgedeeld en weldra nam het feest een aanvang.
Een blonde juffrouw in ’t Scheveningsch costuum bracht de glazen melk en Flip bestrooide haar met een handvol confetti, wat ze lachend aanvaardde. Daarop slingerde Pietje een serpentine door den melksalon wat dadelijk door de overige leden gevolgd werd en weldra hingen over de gaskronen, koperen melkkannen, stoelen en tafeltjes de veelkleurige linten, waardoor de melksalon er uit zag als een bruiloftszaal.
Over het algemeen nammenhet nogal van den vroolijken kant op, zelfs de kellnerinnen, die waarschijnlijk den boel weer moesten opruimen, hadden schik in onze Vroolijke Bende.
Het was nog eens een veranderingetje in het meestal eentonige melkgedoe en de vroolijke grappen van Piet en de anderen gingen er in als koek.
Maar natuurlijk zou het wel een wonder geweest zijn, als er niet iemand wat van te zeggen had.
Een zwaarlijvige, purperkleurige, blazende heer, die zijn jas over de leuning van zijn stoel gehangen had en er nogal onsmakelijk uitzag, kreeg bij toeval een serpentine over zich heen, en dat bleek genoeg te zijn, om z’n woede op te wekken.
„Verfluchte dinger …” raasde hij. „Kann man nicht sein glaasjen mielk trinken hier?”
„Kom meneer,” zei een andere bezoeker, „lach maar mee, lach maar mee!”
Maar de man, die zijn best deed, zich in ’t Hollandsch uit te drukken, had geen lachlust meer … had dien al sinds lang verloren.
„Soll man lachen bij solchen onsinn? Onsinn … komm iek hier mein glaasjen mielk zu trinken … will ruhig sitzen … verwünschtes kabaal und diese verfluchte dinger …”
Ich bin Graf von Weinberg.
Piet had de lont van een rotje aangestoken en toen het ding begon te sputteren, wierp hij het ongezien onder de tafel van den mopperaar.
„Pánggg!!!
„Hei! Potzhimmel-donner-schweinerkraut!!!!”
Het heele gezelschap gierde.
„Zegt u dat nog eens,” verzocht Pietje beleefd …. „ik verzamel graag buitenlandsche postzegels.”
Pang!!!
Een tweede rotje ging af.
Rrrrrt … vlogen de serpentines door den melksalon.
„Sollk iek mein laten handeln wie ein straatjongen … iek bin ein Edelman … iek bin Graf von Weinberg …”
„Daar ziet u anders heelemaal niet naar uit,” schoot Spinnetje opeens af.
„Zoo te zitten bij dames staat lang niet adellijk,” vond Jacob.
„Iest mein saak … iest ganz und gar mein saak … komm iek hier mein glaasjen mielk trinken … williekruhig sitzen … in mein oberhemd … macht nichts … in mein hemd … iest mein saak …”
„Ho-ho, da’s niet adellijk, da’s niet fijn!”
„Das soll mein ’nen Sorg sein!”
„Foei, wat is u onverschillig,” zei Piet. „Maar we doen geen mensch kwaad, nietwaar lui? Allemaal een serpentine klaar? Aáááánnn … Vùùrrrr!!!”
Rrrrrt … daar suisden negen serpentines door de hal, die nu een waar lintenpakhuis leek.
En stroomen confetti dwarrelden over de hoofden der bezoekers, die meest allen voor ’n dag uit waren en grooten schik hadden in de gebeurtenis. Flip betaalde de vertering en arm in arm ging de Bende weer verderop.
Op den hoek van een zijstraat zag Piet ’n ledige kist staan, die daar waarschijnlijk door den kruidenier was neergezet.
Met één sprong stond hij er bovenop.
„Wat krijgen we nou?” informeerde Jacob.
„Ga je straatredenaar spelen?” vroeg Harry.
„’k Wed met je om een plak chocola, dat je ’t niet durft,” daagde Mien uit.
„Top! Weddenschap aangenomen!” riep Pietje. „Waarover moet ik spreken?”
„Over sigaretten,” suggereerde Flip.
„Best!”
De club schaarde zich om het spreekgestoelte heen en terwijl langzamerhand zich meer omstanders bij de jongelui voegden, schudde Pietje den volgenden onzin uit den mouw:
„Dames en kinderen, mannen en heeren, me-, juf-, en jonkvrouwen van scheel Heveningen! Boeren, burgers, buiten- en binnenlui, ik heb de eer u mezelven voor te stellen als Professor Nicotinus van het gedemobiliseerde Laboratorium in de Amsterdamsche Cigaretten-fabriek „De Hoestbui”. En bij mijn laatste scheikundige, trans-atlantische, laboratorische nicotine-proefnemingen heb ik een belangrijke ontdekking gedaan, een ontdekking, mijne heeren, die een geheele omwenteling teweeg zal brengen, wat zeg ik, een revolutie, meneer,een revolutie onder de cigarettenrookers van de heele wereld.
„Je hebt allen wel eens gehoord van Karel de Kale?
„Welnu, Karel de Kale was een kleinzoon van Napoleon, je weet wel, die Willem de Zwijger geholpen heeft in den veldslag tegen de Filistijnen onder de brandend heete zonnestralen van Nova-Zembla.
„Karel de Kale was zóó kaal, dat een biljartbal bij hem vergeleken nog dik-behaard was.
Met één sprong stond hij er bovenop.
„En waarom was hij zoo kaal?
„Wel, doodeenvoudig omdat hij al zijn haren verrookt had!
„Verrookt, meneer!
„Bij bosjes had-ie ze uitgerukt en er cigaretten van gerold met schuurpapier. Na drie maanden was hij zoo kaal als de scheurkalender op 31 December!”
Hier keek Pietje even om zich heen en zag tot zijn genoegen, dat de menigte steeds toenam.
De Vroolijke Bende proestte het af en toe uit en de omstanders niet minder.
„En toen Karel de Kale geen haar meer had en niet regeeren kon, omdat hij niets te rooken had, stuurde hij een draadloos telegram naar mij, Professor Nicotinus van de Amsterdamsche cigaretten-fabriek „De Hoestbui”.
„En omdat ik nog een afstommeling ben van Karel de Kale, aangetrouwd in de familie—zijn moeder en mijn moeder waren moeders—heb ik hem het recept gegeven van mijn nieuw-ontdekte cigaret, waaraan ik den naam gegeven heb: Grafwaarts.
„Hier zijn ze—en Piet nam een handvol cigaretten van Eetje aan—de beroemde Manilla Asthma Stinka Gloria … Ik heb er tweeduizend van verkocht aan een jongeman in Groningen, en waar denk je, dat hij nu is?”
„Op het kerkhof!” riep een slagersjongen.
„Mis … nou is hij hoofdvertegenwoordiger voor deze beroemde cigaret in de Sahara. En ze kosten geen gulden … geen negentig … geen tachtig … zeventig, zestig cent … maar òp is òp en wèg is wèg … wie ze pakt, die heeft ze voor 5 dubbeltjes … 50 cent … een halven gulden …”
„Pas op, daar komt een agent,” waarschuwde Harry.
Piet sprong snel van de kist en verdween tusschen de omstanders.
Mien was haar plak chocola kwijt en Pietje nam het aan, om het dadelijk daarop de meisjes weer aan te bieden.
„Wat doen we nou?” vroeg Jacob.
„Laten we ansichten naar huis sturen,” stelde Marie voor.
„Ja, hier is een boekwinkel, kom mee.”
Er was een lange, smalle schrijftafel aan het einde van den boekwinkel, bestemd voor het verzenden van prent-briefkaarten.
De Bende marcheerde naar binnen en zette zich met veel drukte aan de tafel,vechtend om de pennen.
Ieder kocht vijf kaarten en onder het schrijven legde Piet stilletjes een rotje onder de tafel. Na een oogenblik ging het af:
Pánng!!!
De boekhandelaar dronk juist een glaasje water, maar liet het van schrik uit de handen vallen.
Kletterend sloeg het op den vloer in stukken.
„Alle duivels!” riep hij. „Wa’s dat?”
Maar Piet schreef rustig voort, niet luisterend naar de algemeene uitroepen van schrik en ontsteltenis.
„Hè gut, kijk nou hier,” riep Mien, „een groote vlek!”
Pietje vroeg den boekhandelaar, of deze ook briefkaarten verkocht met de fotoaan den anderen kant, maar de man antwoordde, dat hij alleen maar kaarten had met de fotografie aandeze zijde.
Het schrijven der kaarten nam zoowat tien minuten en allen waren ermee gereed, behalve Jacob, die elke briefkaart van boven tot onder vulde met een kriebelig klein schrift.
„Zeg, wat maak jij ze allemaal voor leugens wijs?”
„De menschen, die jouw kaarten krijgen, mogen wel ermee naar het microscopisch laboratorium gaan, Jacob.”
Maar al hun spotten en plagen hielp niets en daarom gingen ze maar wat in den winkel rondkijken.
Ze hielden allemaal van boeken en platen.
Marie bladerde in een stapel muziek.
„Weet je, wát een mooi piano-stuk is,” zei Pietje, „De Max Havelaar van Multatuli.”
„Ga weg, idioot, dat is een boek.”
„Mijn nicht kan prachtig piano spelen,” vertelde Flip. „Eerst speelt ze een stuk heelemaal door en dan keert ze haar muziekboek onderst-boven en man! dan hoor je weer ’n heel ander stuk. Ze speelt zóó mooi, dat ze al vijfmaal in één jaar hebben moeten verhuizen vanwege de buren.”
„Klaar!” riep Jacob en gaarde zijn briefkaarten bijeen.
Daarop bedankte de Vroolijke Bende den boekhandelaar voor de verleende gastvrijheid, en duwde elkaar onder veel lawaai naar buiten.
Na een kwartiertje waren ze weer op het strand en liepen tot voorbij de Naald, waaraan, zooals Piet opmerkte, het oog vergeten was.
Daar genoten ze nog ruim een uur, starend naar de wijde, wijde zee, met hier en daar héél ver een schip.
Maar de tijd vervloog en ze gingen per tram naar den Haag, waar ze zouden dineeren. Ze verlangden echter allemaal naar de voorstelling in „Scala”, en Flip deelde tot aller genoegen mede, dat de kas van de club toeliet, om voor dien avond een heele loge in het theater te nemen.
Flip en Harry gingen om zeven uur naar het gebouw en waren zoo gelukkig, de eerste loge bij het tooneel te krijgen en precies acht uur nam de Vroolijke Bende zijn stelling voor dien avond in.
De zaal was stampvol en weldra weerklonken de lustige tonen van den Welkomstmarsch.
Daarop rees het scherm en traden de Gezusters Wight op, twee Engelsche danseresjes, die tevens lustige liedekens zongen.
Toen trad op Professor Magnolia … Imitateur en Illusionist.
De Professor kon allerlei dierengeluiden nabootsen, heel mooi, maar dat kon Flip ook heel meesterlijk.
En toen de Professor het woedend, grommend geblaf van een grooten bloedhond nabootste, klonk daar opeens tusschen door het schril, nijdig gekef van een juffershondje, en de zaal barstte uit in een daverend gelach.
Flip had nog meer succès dan de Professor, die vreesde, dat de jongeman misschien een nòg handiger imitateur was dan hij en daarom tot zijn goocheltoeren overging.
Daarna verscheen een zangeres, die zich met behulp van schmink en poeder een jeugdig voorkomen geschilderd had, maar die in werkelijkheid wel vier kruisjes achter den rug moest hebben. Ze zong een aandoenlijk lied: Keer weer, mijn kind! En toen ze aan den regel kwam:Mijn zoon, kom aan mijn hart!moest de heele Bende Pietje tegenhouden, want die had zijn been al over de balustrade om die moederlijke aanbeveling op te volgen.
... want die had zijn been al over de balustrade.
Het eene nummer volgde het andere en het slot was als gewoonlijk een Bioscoopvertooning. Moe, maar hoogst tevreden over den heerlijken, ongegeneerd-fijnen dag keerde de club huiswaarts en nog lang daarna was dit uitstapje het onderwerp hunner gesprekken.