Zevende Hoofdstuk.

Zevende Hoofdstuk.Zevende Hoofdstuk.Het veelbewogen leven van een jong verslaggever.Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van overeind, dat Pietje „aan de krant” ging. Vooral Moeder was er van overstuur, omdat ze ’t toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen, die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren, om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant te kunnen zetten.Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo angstig als Moeder.„Doe nou goed je best, Piet,” zei Moeder, „wees beleefd en haal in vredesnaam geen onzin uit.”„Wees gerust, Moedertje,” antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in ’n zwart zeiltje pakkend, „u zult eens zien, hoe goed het gaat.”„O zoo,” bevestigde Vader glimlachend, „en dan zullen we dien drogen drogist van ’n Geelman eens latenzien, dat onze Piet het nog wel verder kan brengen dan zijn zoon Jozef.”—Piet vertrok.Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar nog vol genoeg om wat schaduw te geven.Kwart over acht wees de klok en ’t nam Piet maar tien minuten om de bureaux van de Morgenpost te bereiken.Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor was gegaan.Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, … en … en … al de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam … hij kon ze allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo … met ’r naam en d’r adres … en hij zou feuilletons schrijven en al de lui, die hier liepen, zouen ze lezen … en later zouen ze zeggen:Daar heb je ’m nou …Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en ambitie op de maat van zijn passen … tom-tiderom-ta-ta …„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.’t Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch.„Hallo kleintje,” zei Piet genadig.„Hallo Goliath,” pareerde Mien, „vanwaar die vreugd?”„Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk ambt … Raad eens …”„Loopjongen in een krentenpakhuis!”„Loop naar de pomp.”„Nou, dan geef ik het op.”„’k Heb den tijd … raad nog maar eens … en als je ’t niet raden kunt, moet je ’t maar te weten zien te komen.”„Zeg ’t nou, Piet.”„’t Is een geheim voor wie ’t niet weet,” plaagde Piet, die er plezier in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken.„Gut, ik wil het niet eens meer weten … wat ’n verbeelding … waarom draai je er zoo omheen?”„Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was.”„O wel, ’t is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen.”„Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?”„O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens …”„Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort.”„Waar is dat dan?”„In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, ’k ga hier linksaf. Saluut.”Opgewekt, ’t hoofd in den nek, stapte Pietje verder.Tom-tidera-tom-tom … journalist, wat?… tom-tom-tarara … zouen de menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij … och nee … natuurlijk niet, he … tom-tom-tidera … een leuke snuit, die Mien Kuijer … razend zouen ze zijn van nieuwsgierigheid … ha-ha … nou en daar had je ’t bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom.Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was.„Wèl?” vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag.„Zeer wel, dank u,” antwoordde Piet en wilde verder gaan.„Halt … waar gaat u heen?”„Naar boven, zooals je ziet.”„Maar er is hier geen vrije toegang.”„Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te gaan? Dat is wat nieuws.”„Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel.”„Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt, wel honderd en nog meer.”„Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken,” zei de portier verbaasd.„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.„Precies, juist, mooi, krek zoo,” lachte Piet. „Maar de directeur heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR … wat blief je?…”„Nou … je begint al jong … ik ben hier al twintig jaar portier … en elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn … maar jij slaat het record. Afijn, ’t zal mij ’n zorg zijn … waar moet u wezen?”„Bij den stadsredacteur.”„Dacht ik wel … schaar en lijmpot … kamer 15 … tweede trap op.”De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man, die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd verondersteld dat werk te kénnen.„Ziehier jonge vriend,” sprak hij, „er is hier werk van den vroegen morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?”„Zeker, meneer.”„Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie … om drie uur Kees voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar.”De orders waren duidelijk, kort en krachtig.„Begrepen, meneer,” zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn … wat doe ik in dat uur?„’k Zal een persdiploma voor je invullen,” sprak de heer van Dalen, „hoe was je naam ook weer?”„Pieter Bell … meestal genoemd Pietje Bell, meneer.”„Pietje Bell?… Pietje Bell?… drommels … waar heb ik dien naam meer gehoord … Komt me zoo bekend voor … net of ik jaren geleden … Wacht eens … ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell … een kwajongen, die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms?„Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?”„Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!”„Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten over mij?”„Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker jongmensch, genaamd Geelman.”„Jozef Geelman, de zoon van den Drogist … dus de wind waaide uit dien hoek! Dat heb ik nooit geweten …”„Maak nu tot nader order maar even kennis met je lessenaar.„Wel, we hebben al genoeg gepraat nu,” hernam de stadsredacteur, „en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot naderordermaar even kennis met je lessenaar.”Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien krijgen.Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn schrijftafel met de gewichtigheid van een President.Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt, en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de rechtszaal, maakte diepen indruk op hem.Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten.O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend met revolvers, gevechten met de politie … pistoolschoten in nachtdonker … vlucht over daken … en door donkere achtertuinen. Dan … dearrestatie … de rechtszaal … en hij … Pietje Bell … die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers … ahem!Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur.De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje.Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen.Pietje stond op en boog.„Jonge vriend,” sprak de directeur, „ik heb om te beginnen een mooi stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak.”„En de rechtszaal?” vroeg Pietje.„Gaathijnaar de rechtszaal?” vroeg de heer Peters.„Ik had hem daarvoor aangewezen,” sprak de stadsredacteur, „omdat Konijn vandaag ziek is.”„Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft hij al een perskaart?”„Ik heb er juist een voor hem ingevuld,” was het antwoord. „Als u even wilt teekenen?”Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren voor zijn eerste courantenbericht.Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier.„O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch fabrikaat, want meneer, ’n Hollandsch karretje, dat isjekarretje, dat is HET karretje …”Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart te voelen opengaan.Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook, omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau, teneinde zijn verslag op te maken.Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken.Maar omdat hij nog geen ervaring had in hetbeknoptweergeven van zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig.Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht.Enop een hutspotje.Piets eerste courantenbericht luidde aldus:Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk, als men rustig voortpeddelt door Holland’s schoone dreven.Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het frissche groen der groene buitenwegen.Helaas …. zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel, een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden … etcetera …. enz.Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman, kan men de schoonste panorama’s op het land genieten, zonder onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk gaande pedalen.De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in wit en goud geschilderd.Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht, voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke zomernatuurschoon.Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen verkrijgbaar zijn.Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een aangenamen, royalen indruk.En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen??Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag verkoopen,opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben, voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden van den dichter Poot:Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.P. BELL.Piet leverde zijn verslag bij den stadsredacteur in, die het vlug doorlas en herhaaldelijk lachte.„Sapperloot, Piet, da’s een heel stuk letterkunde …”„Niet goed, meneer?”„Niet goed? Kerel, ’t is prachtig!”En de heer van Dalen lachte nog harder.„Ha-ha-ha … hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?”„O wel … wat weet ik niet … dat is mij hetzelfde,” zei Piet, die nog maar niet begreep, dat hij voor ’t lapje gehouden werd.Hij verkeerde in de heilige overtuiging, dat zijn ingeleverd verslag correct was en het dien avond als een der voornaamste artikelen in de courant zou prijken. Maar hoe groot was zijn verbazing en niet minder zijn teleurstelling, toen hij dien namiddag bij het verschijnen van de courant zijn prachtig stuk in dezen vorm terugvond:NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend, dat eensieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn, is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor zij hem van harte succès gewenscht.Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm, kort en krachtig moesten worden opgesteld.Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen.Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele dagen al aardig bruikbaar geworden.O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen, maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een vergadering hield of een uitvoering gaf.Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering.Bijna iedere avond bracht wat anders.In het eerst—toen het nog een nieuwtje was—vond Piet dat bijwonen van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk, maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer over en werd het louter plicht.Maar—het moet gezegd—Piet deed die plichtsteeds met opgewektheid en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel, bezig met het opmaken zijner verslagen.O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw!Op één keer na!Hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?Die eene keer was op een Zaterdagavond.Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen.Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere jonge verslaggevers, op den schouder tikte.„Zeg Piet,” sprak Konijn, „heb jij vanavond wat?”„Neen,” was ’t antwoord, „ik ben vrij.”„Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is programma en kaart.”„All right … ’k zal ’t wel voor je opknappen, Knaagdier.”„Bell … je bent ’n swell,” riep Konijn dankbaar uit.Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet, benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z’n rug. Nou, Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je ’t vroeg, ’n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen maakte.Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was.Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen toestak en hartelijk uitriep:„Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!… Ben je het of ben je het niet?”„Ik ben het,” zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen te grijpen, „maarre … wie is u?…”„Wel Piet … ken je Frans Basters niet meer …. Weet jij niet meer, hoe jij vroeger circus-directeur speelde in ’t straatje en je mij clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij zoo’n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en moord en brand gilde.”„Ja … verdraaid!!… ik weet het!… Frans … Frans … beste kerel, we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!”En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoohartelijk en langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden en Frans riep:„Au-au … Piet … dank je … au!”„Wat ben jij ’n reus geworden,” vond Piet.„Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd,” zei Frans. „Wat doe jij voor den kost?”„Journalist,” zei Piet, „en wat maak jij voor rommel?”„Prentjes,” zei Frans. „Ze noemen mij een illustrator, geloof ik.”„Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?”„Nee, ’k studeer nog. M’n ouders zijn beiden gestorven.”„Maar …” begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs in het geval.De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest, wat Piet zeer goed wist.Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijkszeventien jaar, keurig gekleed en … had niet eens een betrekking.Frans keek Piet even aan.„O, zeg het maar,” zei hij lachend.„Je wou me vragen hoe het mogelijk is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie, maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was.„Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf dien tijd gingen ze achteruit.„De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader in huis opgenomen.„Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar de verandering, Piet.”„Je bent ’n geluksvogel,” vond Pietje.„Jij moet beslist met mij meekomen,” inviteerde Frans.„We hebben een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren.”„Wel,” zei Piet, „ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is.”„Aangenomen,” besloot Frans, „laten we hier de tram nemen.”De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den loop van Piets avontuur te maken.Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig gebruikt had.Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een zeker verslag wachtte.Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet invroolijke stemming de laatste tram huiswaarts nam.Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering.Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten hem kalm zijn gang gaan.Op zijn kamer stak Piet de lamp aan.Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma van de vereeniging „De Oranjevlag” eruit.Hij raapte het op … en schrikte!!Drommels … die jaarvergadering … glad vergeten … Ja, het was nu veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet.Sapperloot … dat was me nu ook een mooie geschiedenis …En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste!Hij had immers het programma van de vereeniging?Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was?Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag tefantaseeren! Komaan, hier was het.Maar dadelijk doen, dat was het beste.Nou … Feestelijke jaarvergadering van de Buurtvereeniging … enz … enz … Programma … Opening door den Voorzitter.. Jaarverslag … Vioolsolo … Voordracht … Tooneelstukje … enz …. enz … enz … Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee, Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames en heeren, die aan zoo’n programma meewerken, hadden in ’t geheel geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren.En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebberook al heel veel goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het belachelijke van dergelijke avonden.Om niet te zeggen ongenietbaar.Wel, zooals gezegd, ’t was een klein kunstje om aan de hand van dit programma een flink verslag te fantaseeren.Kort en goed … Piet schreef het verslag en ging met een in slaap gesust geweten onder zeil.DesMaandagavondslazen de lezers van de Morgenpost het volgende verslag onder Stadsnieuws:Buurtvereeniging: De Oranjevlag.Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter, de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische voordracht: De ontvluchte Zuigeling.Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden feestavond terugzien.„Ziezoo,” zei Piet lachend, toen hij des Maandagavondszijn verslag in de krant over las, „dat is alweer goed afgeloopen.”Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor geroepen.„Luister eens, vriend Bell,” sprak de heer Peters, en keek daarbij Pietje onderzoekend aan. „Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd heeft, voor hem naar de vereeniging „De Oranjevlag” te gaan?”„Jawel, mijnheer.”„Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?”—De heer Peters sprak steeds zijn ondergeschikten metuaan, nimmer het woordjijgebruikend.„Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond.”„Hm … bijgewoond, zegt u?”„Zeker …”„En was het een welgeslaagde feestavond?”„O jawel … natuurlijk …”„Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?”„Niet dat ik weet.”„Wel … het is een grappige geschiedenis.”„Wat bedoelt u?”„Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering in het geheel niet is doorgegaan.„Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging in te brengen?”Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland.Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen.Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat liet hij natuurlijk niet merken.„Jongmensch,” sprak hij, „een der eerste vereischten van een verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende.”Piet wist weinig te zeggen en boog.Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is.Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning gehad, dit was de eerste maal.Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn, dat hij zulk een domheid begaan had.

Zevende Hoofdstuk.Zevende Hoofdstuk.Het veelbewogen leven van een jong verslaggever.Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van overeind, dat Pietje „aan de krant” ging. Vooral Moeder was er van overstuur, omdat ze ’t toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen, die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren, om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant te kunnen zetten.Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo angstig als Moeder.„Doe nou goed je best, Piet,” zei Moeder, „wees beleefd en haal in vredesnaam geen onzin uit.”„Wees gerust, Moedertje,” antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in ’n zwart zeiltje pakkend, „u zult eens zien, hoe goed het gaat.”„O zoo,” bevestigde Vader glimlachend, „en dan zullen we dien drogen drogist van ’n Geelman eens latenzien, dat onze Piet het nog wel verder kan brengen dan zijn zoon Jozef.”—Piet vertrok.Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar nog vol genoeg om wat schaduw te geven.Kwart over acht wees de klok en ’t nam Piet maar tien minuten om de bureaux van de Morgenpost te bereiken.Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor was gegaan.Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, … en … en … al de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam … hij kon ze allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo … met ’r naam en d’r adres … en hij zou feuilletons schrijven en al de lui, die hier liepen, zouen ze lezen … en later zouen ze zeggen:Daar heb je ’m nou …Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en ambitie op de maat van zijn passen … tom-tiderom-ta-ta …„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.’t Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch.„Hallo kleintje,” zei Piet genadig.„Hallo Goliath,” pareerde Mien, „vanwaar die vreugd?”„Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk ambt … Raad eens …”„Loopjongen in een krentenpakhuis!”„Loop naar de pomp.”„Nou, dan geef ik het op.”„’k Heb den tijd … raad nog maar eens … en als je ’t niet raden kunt, moet je ’t maar te weten zien te komen.”„Zeg ’t nou, Piet.”„’t Is een geheim voor wie ’t niet weet,” plaagde Piet, die er plezier in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken.„Gut, ik wil het niet eens meer weten … wat ’n verbeelding … waarom draai je er zoo omheen?”„Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was.”„O wel, ’t is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen.”„Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?”„O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens …”„Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort.”„Waar is dat dan?”„In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, ’k ga hier linksaf. Saluut.”Opgewekt, ’t hoofd in den nek, stapte Pietje verder.Tom-tidera-tom-tom … journalist, wat?… tom-tom-tarara … zouen de menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij … och nee … natuurlijk niet, he … tom-tom-tidera … een leuke snuit, die Mien Kuijer … razend zouen ze zijn van nieuwsgierigheid … ha-ha … nou en daar had je ’t bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom.Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was.„Wèl?” vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag.„Zeer wel, dank u,” antwoordde Piet en wilde verder gaan.„Halt … waar gaat u heen?”„Naar boven, zooals je ziet.”„Maar er is hier geen vrije toegang.”„Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te gaan? Dat is wat nieuws.”„Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel.”„Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt, wel honderd en nog meer.”„Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken,” zei de portier verbaasd.„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.„Precies, juist, mooi, krek zoo,” lachte Piet. „Maar de directeur heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR … wat blief je?…”„Nou … je begint al jong … ik ben hier al twintig jaar portier … en elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn … maar jij slaat het record. Afijn, ’t zal mij ’n zorg zijn … waar moet u wezen?”„Bij den stadsredacteur.”„Dacht ik wel … schaar en lijmpot … kamer 15 … tweede trap op.”De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man, die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd verondersteld dat werk te kénnen.„Ziehier jonge vriend,” sprak hij, „er is hier werk van den vroegen morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?”„Zeker, meneer.”„Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie … om drie uur Kees voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar.”De orders waren duidelijk, kort en krachtig.„Begrepen, meneer,” zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn … wat doe ik in dat uur?„’k Zal een persdiploma voor je invullen,” sprak de heer van Dalen, „hoe was je naam ook weer?”„Pieter Bell … meestal genoemd Pietje Bell, meneer.”„Pietje Bell?… Pietje Bell?… drommels … waar heb ik dien naam meer gehoord … Komt me zoo bekend voor … net of ik jaren geleden … Wacht eens … ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell … een kwajongen, die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms?„Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?”„Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!”„Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten over mij?”„Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker jongmensch, genaamd Geelman.”„Jozef Geelman, de zoon van den Drogist … dus de wind waaide uit dien hoek! Dat heb ik nooit geweten …”„Maak nu tot nader order maar even kennis met je lessenaar.„Wel, we hebben al genoeg gepraat nu,” hernam de stadsredacteur, „en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot naderordermaar even kennis met je lessenaar.”Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien krijgen.Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn schrijftafel met de gewichtigheid van een President.Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt, en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de rechtszaal, maakte diepen indruk op hem.Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten.O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend met revolvers, gevechten met de politie … pistoolschoten in nachtdonker … vlucht over daken … en door donkere achtertuinen. Dan … dearrestatie … de rechtszaal … en hij … Pietje Bell … die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers … ahem!Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur.De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje.Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen.Pietje stond op en boog.„Jonge vriend,” sprak de directeur, „ik heb om te beginnen een mooi stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak.”„En de rechtszaal?” vroeg Pietje.„Gaathijnaar de rechtszaal?” vroeg de heer Peters.„Ik had hem daarvoor aangewezen,” sprak de stadsredacteur, „omdat Konijn vandaag ziek is.”„Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft hij al een perskaart?”„Ik heb er juist een voor hem ingevuld,” was het antwoord. „Als u even wilt teekenen?”Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren voor zijn eerste courantenbericht.Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier.„O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch fabrikaat, want meneer, ’n Hollandsch karretje, dat isjekarretje, dat is HET karretje …”Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart te voelen opengaan.Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook, omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau, teneinde zijn verslag op te maken.Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken.Maar omdat hij nog geen ervaring had in hetbeknoptweergeven van zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig.Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht.Enop een hutspotje.Piets eerste courantenbericht luidde aldus:Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk, als men rustig voortpeddelt door Holland’s schoone dreven.Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het frissche groen der groene buitenwegen.Helaas …. zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel, een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden … etcetera …. enz.Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman, kan men de schoonste panorama’s op het land genieten, zonder onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk gaande pedalen.De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in wit en goud geschilderd.Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht, voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke zomernatuurschoon.Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen verkrijgbaar zijn.Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een aangenamen, royalen indruk.En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen??Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag verkoopen,opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben, voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden van den dichter Poot:Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.P. BELL.Piet leverde zijn verslag bij den stadsredacteur in, die het vlug doorlas en herhaaldelijk lachte.„Sapperloot, Piet, da’s een heel stuk letterkunde …”„Niet goed, meneer?”„Niet goed? Kerel, ’t is prachtig!”En de heer van Dalen lachte nog harder.„Ha-ha-ha … hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?”„O wel … wat weet ik niet … dat is mij hetzelfde,” zei Piet, die nog maar niet begreep, dat hij voor ’t lapje gehouden werd.Hij verkeerde in de heilige overtuiging, dat zijn ingeleverd verslag correct was en het dien avond als een der voornaamste artikelen in de courant zou prijken. Maar hoe groot was zijn verbazing en niet minder zijn teleurstelling, toen hij dien namiddag bij het verschijnen van de courant zijn prachtig stuk in dezen vorm terugvond:NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend, dat eensieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn, is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor zij hem van harte succès gewenscht.Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm, kort en krachtig moesten worden opgesteld.Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen.Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele dagen al aardig bruikbaar geworden.O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen, maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een vergadering hield of een uitvoering gaf.Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering.Bijna iedere avond bracht wat anders.In het eerst—toen het nog een nieuwtje was—vond Piet dat bijwonen van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk, maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer over en werd het louter plicht.Maar—het moet gezegd—Piet deed die plichtsteeds met opgewektheid en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel, bezig met het opmaken zijner verslagen.O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw!Op één keer na!Hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?Die eene keer was op een Zaterdagavond.Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen.Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere jonge verslaggevers, op den schouder tikte.„Zeg Piet,” sprak Konijn, „heb jij vanavond wat?”„Neen,” was ’t antwoord, „ik ben vrij.”„Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is programma en kaart.”„All right … ’k zal ’t wel voor je opknappen, Knaagdier.”„Bell … je bent ’n swell,” riep Konijn dankbaar uit.Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet, benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z’n rug. Nou, Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je ’t vroeg, ’n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen maakte.Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was.Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen toestak en hartelijk uitriep:„Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!… Ben je het of ben je het niet?”„Ik ben het,” zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen te grijpen, „maarre … wie is u?…”„Wel Piet … ken je Frans Basters niet meer …. Weet jij niet meer, hoe jij vroeger circus-directeur speelde in ’t straatje en je mij clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij zoo’n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en moord en brand gilde.”„Ja … verdraaid!!… ik weet het!… Frans … Frans … beste kerel, we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!”En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoohartelijk en langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden en Frans riep:„Au-au … Piet … dank je … au!”„Wat ben jij ’n reus geworden,” vond Piet.„Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd,” zei Frans. „Wat doe jij voor den kost?”„Journalist,” zei Piet, „en wat maak jij voor rommel?”„Prentjes,” zei Frans. „Ze noemen mij een illustrator, geloof ik.”„Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?”„Nee, ’k studeer nog. M’n ouders zijn beiden gestorven.”„Maar …” begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs in het geval.De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest, wat Piet zeer goed wist.Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijkszeventien jaar, keurig gekleed en … had niet eens een betrekking.Frans keek Piet even aan.„O, zeg het maar,” zei hij lachend.„Je wou me vragen hoe het mogelijk is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie, maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was.„Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf dien tijd gingen ze achteruit.„De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader in huis opgenomen.„Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar de verandering, Piet.”„Je bent ’n geluksvogel,” vond Pietje.„Jij moet beslist met mij meekomen,” inviteerde Frans.„We hebben een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren.”„Wel,” zei Piet, „ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is.”„Aangenomen,” besloot Frans, „laten we hier de tram nemen.”De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den loop van Piets avontuur te maken.Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig gebruikt had.Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een zeker verslag wachtte.Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet invroolijke stemming de laatste tram huiswaarts nam.Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering.Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten hem kalm zijn gang gaan.Op zijn kamer stak Piet de lamp aan.Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma van de vereeniging „De Oranjevlag” eruit.Hij raapte het op … en schrikte!!Drommels … die jaarvergadering … glad vergeten … Ja, het was nu veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet.Sapperloot … dat was me nu ook een mooie geschiedenis …En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste!Hij had immers het programma van de vereeniging?Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was?Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag tefantaseeren! Komaan, hier was het.Maar dadelijk doen, dat was het beste.Nou … Feestelijke jaarvergadering van de Buurtvereeniging … enz … enz … Programma … Opening door den Voorzitter.. Jaarverslag … Vioolsolo … Voordracht … Tooneelstukje … enz …. enz … enz … Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee, Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames en heeren, die aan zoo’n programma meewerken, hadden in ’t geheel geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren.En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebberook al heel veel goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het belachelijke van dergelijke avonden.Om niet te zeggen ongenietbaar.Wel, zooals gezegd, ’t was een klein kunstje om aan de hand van dit programma een flink verslag te fantaseeren.Kort en goed … Piet schreef het verslag en ging met een in slaap gesust geweten onder zeil.DesMaandagavondslazen de lezers van de Morgenpost het volgende verslag onder Stadsnieuws:Buurtvereeniging: De Oranjevlag.Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter, de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische voordracht: De ontvluchte Zuigeling.Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden feestavond terugzien.„Ziezoo,” zei Piet lachend, toen hij des Maandagavondszijn verslag in de krant over las, „dat is alweer goed afgeloopen.”Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor geroepen.„Luister eens, vriend Bell,” sprak de heer Peters, en keek daarbij Pietje onderzoekend aan. „Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd heeft, voor hem naar de vereeniging „De Oranjevlag” te gaan?”„Jawel, mijnheer.”„Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?”—De heer Peters sprak steeds zijn ondergeschikten metuaan, nimmer het woordjijgebruikend.„Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond.”„Hm … bijgewoond, zegt u?”„Zeker …”„En was het een welgeslaagde feestavond?”„O jawel … natuurlijk …”„Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?”„Niet dat ik weet.”„Wel … het is een grappige geschiedenis.”„Wat bedoelt u?”„Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering in het geheel niet is doorgegaan.„Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging in te brengen?”Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland.Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen.Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat liet hij natuurlijk niet merken.„Jongmensch,” sprak hij, „een der eerste vereischten van een verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende.”Piet wist weinig te zeggen en boog.Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is.Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning gehad, dit was de eerste maal.Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn, dat hij zulk een domheid begaan had.

Zevende Hoofdstuk.Zevende Hoofdstuk.Het veelbewogen leven van een jong verslaggever.

Zevende Hoofdstuk.

Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van overeind, dat Pietje „aan de krant” ging. Vooral Moeder was er van overstuur, omdat ze ’t toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen, die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren, om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant te kunnen zetten.Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo angstig als Moeder.„Doe nou goed je best, Piet,” zei Moeder, „wees beleefd en haal in vredesnaam geen onzin uit.”„Wees gerust, Moedertje,” antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in ’n zwart zeiltje pakkend, „u zult eens zien, hoe goed het gaat.”„O zoo,” bevestigde Vader glimlachend, „en dan zullen we dien drogen drogist van ’n Geelman eens latenzien, dat onze Piet het nog wel verder kan brengen dan zijn zoon Jozef.”—Piet vertrok.Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar nog vol genoeg om wat schaduw te geven.Kwart over acht wees de klok en ’t nam Piet maar tien minuten om de bureaux van de Morgenpost te bereiken.Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor was gegaan.Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, … en … en … al de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam … hij kon ze allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo … met ’r naam en d’r adres … en hij zou feuilletons schrijven en al de lui, die hier liepen, zouen ze lezen … en later zouen ze zeggen:Daar heb je ’m nou …Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en ambitie op de maat van zijn passen … tom-tiderom-ta-ta …„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.’t Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch.„Hallo kleintje,” zei Piet genadig.„Hallo Goliath,” pareerde Mien, „vanwaar die vreugd?”„Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk ambt … Raad eens …”„Loopjongen in een krentenpakhuis!”„Loop naar de pomp.”„Nou, dan geef ik het op.”„’k Heb den tijd … raad nog maar eens … en als je ’t niet raden kunt, moet je ’t maar te weten zien te komen.”„Zeg ’t nou, Piet.”„’t Is een geheim voor wie ’t niet weet,” plaagde Piet, die er plezier in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken.„Gut, ik wil het niet eens meer weten … wat ’n verbeelding … waarom draai je er zoo omheen?”„Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was.”„O wel, ’t is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen.”„Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?”„O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens …”„Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort.”„Waar is dat dan?”„In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, ’k ga hier linksaf. Saluut.”Opgewekt, ’t hoofd in den nek, stapte Pietje verder.Tom-tidera-tom-tom … journalist, wat?… tom-tom-tarara … zouen de menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij … och nee … natuurlijk niet, he … tom-tom-tidera … een leuke snuit, die Mien Kuijer … razend zouen ze zijn van nieuwsgierigheid … ha-ha … nou en daar had je ’t bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom.Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was.„Wèl?” vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag.„Zeer wel, dank u,” antwoordde Piet en wilde verder gaan.„Halt … waar gaat u heen?”„Naar boven, zooals je ziet.”„Maar er is hier geen vrije toegang.”„Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te gaan? Dat is wat nieuws.”„Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel.”„Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt, wel honderd en nog meer.”„Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken,” zei de portier verbaasd.„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.„Precies, juist, mooi, krek zoo,” lachte Piet. „Maar de directeur heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR … wat blief je?…”„Nou … je begint al jong … ik ben hier al twintig jaar portier … en elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn … maar jij slaat het record. Afijn, ’t zal mij ’n zorg zijn … waar moet u wezen?”„Bij den stadsredacteur.”„Dacht ik wel … schaar en lijmpot … kamer 15 … tweede trap op.”De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man, die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd verondersteld dat werk te kénnen.„Ziehier jonge vriend,” sprak hij, „er is hier werk van den vroegen morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?”„Zeker, meneer.”„Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie … om drie uur Kees voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar.”De orders waren duidelijk, kort en krachtig.„Begrepen, meneer,” zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn … wat doe ik in dat uur?„’k Zal een persdiploma voor je invullen,” sprak de heer van Dalen, „hoe was je naam ook weer?”„Pieter Bell … meestal genoemd Pietje Bell, meneer.”„Pietje Bell?… Pietje Bell?… drommels … waar heb ik dien naam meer gehoord … Komt me zoo bekend voor … net of ik jaren geleden … Wacht eens … ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell … een kwajongen, die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms?„Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?”„Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!”„Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten over mij?”„Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker jongmensch, genaamd Geelman.”„Jozef Geelman, de zoon van den Drogist … dus de wind waaide uit dien hoek! Dat heb ik nooit geweten …”„Maak nu tot nader order maar even kennis met je lessenaar.„Wel, we hebben al genoeg gepraat nu,” hernam de stadsredacteur, „en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot naderordermaar even kennis met je lessenaar.”Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien krijgen.Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn schrijftafel met de gewichtigheid van een President.Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt, en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de rechtszaal, maakte diepen indruk op hem.Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten.O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend met revolvers, gevechten met de politie … pistoolschoten in nachtdonker … vlucht over daken … en door donkere achtertuinen. Dan … dearrestatie … de rechtszaal … en hij … Pietje Bell … die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers … ahem!Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur.De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje.Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen.Pietje stond op en boog.„Jonge vriend,” sprak de directeur, „ik heb om te beginnen een mooi stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak.”„En de rechtszaal?” vroeg Pietje.„Gaathijnaar de rechtszaal?” vroeg de heer Peters.„Ik had hem daarvoor aangewezen,” sprak de stadsredacteur, „omdat Konijn vandaag ziek is.”„Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft hij al een perskaart?”„Ik heb er juist een voor hem ingevuld,” was het antwoord. „Als u even wilt teekenen?”Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren voor zijn eerste courantenbericht.Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier.„O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch fabrikaat, want meneer, ’n Hollandsch karretje, dat isjekarretje, dat is HET karretje …”Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart te voelen opengaan.Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook, omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau, teneinde zijn verslag op te maken.Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken.Maar omdat hij nog geen ervaring had in hetbeknoptweergeven van zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig.Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht.Enop een hutspotje.Piets eerste courantenbericht luidde aldus:Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk, als men rustig voortpeddelt door Holland’s schoone dreven.Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het frissche groen der groene buitenwegen.Helaas …. zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel, een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden … etcetera …. enz.Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman, kan men de schoonste panorama’s op het land genieten, zonder onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk gaande pedalen.De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in wit en goud geschilderd.Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht, voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke zomernatuurschoon.Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen verkrijgbaar zijn.Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een aangenamen, royalen indruk.En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen??Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag verkoopen,opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben, voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden van den dichter Poot:Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.P. BELL.Piet leverde zijn verslag bij den stadsredacteur in, die het vlug doorlas en herhaaldelijk lachte.„Sapperloot, Piet, da’s een heel stuk letterkunde …”„Niet goed, meneer?”„Niet goed? Kerel, ’t is prachtig!”En de heer van Dalen lachte nog harder.„Ha-ha-ha … hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?”„O wel … wat weet ik niet … dat is mij hetzelfde,” zei Piet, die nog maar niet begreep, dat hij voor ’t lapje gehouden werd.Hij verkeerde in de heilige overtuiging, dat zijn ingeleverd verslag correct was en het dien avond als een der voornaamste artikelen in de courant zou prijken. Maar hoe groot was zijn verbazing en niet minder zijn teleurstelling, toen hij dien namiddag bij het verschijnen van de courant zijn prachtig stuk in dezen vorm terugvond:NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend, dat eensieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn, is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor zij hem van harte succès gewenscht.Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm, kort en krachtig moesten worden opgesteld.Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen.Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele dagen al aardig bruikbaar geworden.O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen, maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een vergadering hield of een uitvoering gaf.Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering.Bijna iedere avond bracht wat anders.In het eerst—toen het nog een nieuwtje was—vond Piet dat bijwonen van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk, maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer over en werd het louter plicht.Maar—het moet gezegd—Piet deed die plichtsteeds met opgewektheid en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel, bezig met het opmaken zijner verslagen.O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw!Op één keer na!Hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?Die eene keer was op een Zaterdagavond.Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen.Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere jonge verslaggevers, op den schouder tikte.„Zeg Piet,” sprak Konijn, „heb jij vanavond wat?”„Neen,” was ’t antwoord, „ik ben vrij.”„Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is programma en kaart.”„All right … ’k zal ’t wel voor je opknappen, Knaagdier.”„Bell … je bent ’n swell,” riep Konijn dankbaar uit.Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet, benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z’n rug. Nou, Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je ’t vroeg, ’n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen maakte.Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was.Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen toestak en hartelijk uitriep:„Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!… Ben je het of ben je het niet?”„Ik ben het,” zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen te grijpen, „maarre … wie is u?…”„Wel Piet … ken je Frans Basters niet meer …. Weet jij niet meer, hoe jij vroeger circus-directeur speelde in ’t straatje en je mij clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij zoo’n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en moord en brand gilde.”„Ja … verdraaid!!… ik weet het!… Frans … Frans … beste kerel, we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!”En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoohartelijk en langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden en Frans riep:„Au-au … Piet … dank je … au!”„Wat ben jij ’n reus geworden,” vond Piet.„Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd,” zei Frans. „Wat doe jij voor den kost?”„Journalist,” zei Piet, „en wat maak jij voor rommel?”„Prentjes,” zei Frans. „Ze noemen mij een illustrator, geloof ik.”„Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?”„Nee, ’k studeer nog. M’n ouders zijn beiden gestorven.”„Maar …” begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs in het geval.De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest, wat Piet zeer goed wist.Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijkszeventien jaar, keurig gekleed en … had niet eens een betrekking.Frans keek Piet even aan.„O, zeg het maar,” zei hij lachend.„Je wou me vragen hoe het mogelijk is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie, maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was.„Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf dien tijd gingen ze achteruit.„De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader in huis opgenomen.„Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar de verandering, Piet.”„Je bent ’n geluksvogel,” vond Pietje.„Jij moet beslist met mij meekomen,” inviteerde Frans.„We hebben een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren.”„Wel,” zei Piet, „ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is.”„Aangenomen,” besloot Frans, „laten we hier de tram nemen.”De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den loop van Piets avontuur te maken.Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig gebruikt had.Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een zeker verslag wachtte.Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet invroolijke stemming de laatste tram huiswaarts nam.Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering.Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten hem kalm zijn gang gaan.Op zijn kamer stak Piet de lamp aan.Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma van de vereeniging „De Oranjevlag” eruit.Hij raapte het op … en schrikte!!Drommels … die jaarvergadering … glad vergeten … Ja, het was nu veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet.Sapperloot … dat was me nu ook een mooie geschiedenis …En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste!Hij had immers het programma van de vereeniging?Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was?Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag tefantaseeren! Komaan, hier was het.Maar dadelijk doen, dat was het beste.Nou … Feestelijke jaarvergadering van de Buurtvereeniging … enz … enz … Programma … Opening door den Voorzitter.. Jaarverslag … Vioolsolo … Voordracht … Tooneelstukje … enz …. enz … enz … Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee, Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames en heeren, die aan zoo’n programma meewerken, hadden in ’t geheel geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren.En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebberook al heel veel goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het belachelijke van dergelijke avonden.Om niet te zeggen ongenietbaar.Wel, zooals gezegd, ’t was een klein kunstje om aan de hand van dit programma een flink verslag te fantaseeren.Kort en goed … Piet schreef het verslag en ging met een in slaap gesust geweten onder zeil.DesMaandagavondslazen de lezers van de Morgenpost het volgende verslag onder Stadsnieuws:Buurtvereeniging: De Oranjevlag.Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter, de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische voordracht: De ontvluchte Zuigeling.Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden feestavond terugzien.„Ziezoo,” zei Piet lachend, toen hij des Maandagavondszijn verslag in de krant over las, „dat is alweer goed afgeloopen.”Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor geroepen.„Luister eens, vriend Bell,” sprak de heer Peters, en keek daarbij Pietje onderzoekend aan. „Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd heeft, voor hem naar de vereeniging „De Oranjevlag” te gaan?”„Jawel, mijnheer.”„Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?”—De heer Peters sprak steeds zijn ondergeschikten metuaan, nimmer het woordjijgebruikend.„Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond.”„Hm … bijgewoond, zegt u?”„Zeker …”„En was het een welgeslaagde feestavond?”„O jawel … natuurlijk …”„Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?”„Niet dat ik weet.”„Wel … het is een grappige geschiedenis.”„Wat bedoelt u?”„Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering in het geheel niet is doorgegaan.„Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging in te brengen?”Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland.Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen.Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat liet hij natuurlijk niet merken.„Jongmensch,” sprak hij, „een der eerste vereischten van een verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende.”Piet wist weinig te zeggen en boog.Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is.Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning gehad, dit was de eerste maal.Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn, dat hij zulk een domheid begaan had.

Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van overeind, dat Pietje „aan de krant” ging. Vooral Moeder was er van overstuur, omdat ze ’t toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen, die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren, om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant te kunnen zetten.

Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo angstig als Moeder.

„Doe nou goed je best, Piet,” zei Moeder, „wees beleefd en haal in vredesnaam geen onzin uit.”

„Wees gerust, Moedertje,” antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in ’n zwart zeiltje pakkend, „u zult eens zien, hoe goed het gaat.”

„O zoo,” bevestigde Vader glimlachend, „en dan zullen we dien drogen drogist van ’n Geelman eens latenzien, dat onze Piet het nog wel verder kan brengen dan zijn zoon Jozef.”—Piet vertrok.

Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar nog vol genoeg om wat schaduw te geven.

Kwart over acht wees de klok en ’t nam Piet maar tien minuten om de bureaux van de Morgenpost te bereiken.

Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor was gegaan.

Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, … en … en … al de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam … hij kon ze allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo … met ’r naam en d’r adres … en hij zou feuilletons schrijven en al de lui, die hier liepen, zouen ze lezen … en later zouen ze zeggen:

Daar heb je ’m nou …

Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en ambitie op de maat van zijn passen … tom-tiderom-ta-ta …

„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.

’t Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch.

„Hallo kleintje,” zei Piet genadig.

„Hallo Goliath,” pareerde Mien, „vanwaar die vreugd?”

„Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk ambt … Raad eens …”

„Loopjongen in een krentenpakhuis!”

„Loop naar de pomp.”

„Nou, dan geef ik het op.”

„’k Heb den tijd … raad nog maar eens … en als je ’t niet raden kunt, moet je ’t maar te weten zien te komen.”

„Zeg ’t nou, Piet.”

„’t Is een geheim voor wie ’t niet weet,” plaagde Piet, die er plezier in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken.

„Gut, ik wil het niet eens meer weten … wat ’n verbeelding … waarom draai je er zoo omheen?”

„Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was.”

„O wel, ’t is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen.”

„Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?”

„O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens …”

„Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort.”

„Waar is dat dan?”

„In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, ’k ga hier linksaf. Saluut.”

Opgewekt, ’t hoofd in den nek, stapte Pietje verder.

Tom-tidera-tom-tom … journalist, wat?… tom-tom-tarara … zouen de menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij … och nee … natuurlijk niet, he … tom-tom-tidera … een leuke snuit, die Mien Kuijer … razend zouen ze zijn van nieuwsgierigheid … ha-ha … nou en daar had je ’t bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom.

Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was.

„Wèl?” vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag.

„Zeer wel, dank u,” antwoordde Piet en wilde verder gaan.

„Halt … waar gaat u heen?”

„Naar boven, zooals je ziet.”

„Maar er is hier geen vrije toegang.”

„Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te gaan? Dat is wat nieuws.”

„Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel.”

„Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt, wel honderd en nog meer.”

„Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken,” zei de portier verbaasd.

„Gut, wat heb jij ’n schik!” klonk een bekende meisjesstem achter hem.

„Precies, juist, mooi, krek zoo,” lachte Piet. „Maar de directeur heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR … wat blief je?…”

„Nou … je begint al jong … ik ben hier al twintig jaar portier … en elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn … maar jij slaat het record. Afijn, ’t zal mij ’n zorg zijn … waar moet u wezen?”

„Bij den stadsredacteur.”

„Dacht ik wel … schaar en lijmpot … kamer 15 … tweede trap op.”

De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man, die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd verondersteld dat werk te kénnen.

„Ziehier jonge vriend,” sprak hij, „er is hier werk van den vroegen morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?”

„Zeker, meneer.”

„Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie … om drie uur Kees voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar.”

De orders waren duidelijk, kort en krachtig.

„Begrepen, meneer,” zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn … wat doe ik in dat uur?

„’k Zal een persdiploma voor je invullen,” sprak de heer van Dalen, „hoe was je naam ook weer?”

„Pieter Bell … meestal genoemd Pietje Bell, meneer.”

„Pietje Bell?… Pietje Bell?… drommels … waar heb ik dien naam meer gehoord … Komt me zoo bekend voor … net of ik jaren geleden … Wacht eens … ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell … een kwajongen, die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms?

„Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?”

„Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!”

„Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten over mij?”

„Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker jongmensch, genaamd Geelman.”

„Jozef Geelman, de zoon van den Drogist … dus de wind waaide uit dien hoek! Dat heb ik nooit geweten …”

„Maak nu tot nader order maar even kennis met je lessenaar.

„Wel, we hebben al genoeg gepraat nu,” hernam de stadsredacteur, „en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot naderordermaar even kennis met je lessenaar.”

Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien krijgen.

Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn schrijftafel met de gewichtigheid van een President.

Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt, en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de rechtszaal, maakte diepen indruk op hem.

Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten.

O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend met revolvers, gevechten met de politie … pistoolschoten in nachtdonker … vlucht over daken … en door donkere achtertuinen. Dan … dearrestatie … de rechtszaal … en hij … Pietje Bell … die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers … ahem!

Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur.

De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje.

Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen.

Pietje stond op en boog.

„Jonge vriend,” sprak de directeur, „ik heb om te beginnen een mooi stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak.”

„En de rechtszaal?” vroeg Pietje.

„Gaathijnaar de rechtszaal?” vroeg de heer Peters.

„Ik had hem daarvoor aangewezen,” sprak de stadsredacteur, „omdat Konijn vandaag ziek is.”

„Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft hij al een perskaart?”

„Ik heb er juist een voor hem ingevuld,” was het antwoord. „Als u even wilt teekenen?”

Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren voor zijn eerste courantenbericht.

Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier.

„O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch fabrikaat, want meneer, ’n Hollandsch karretje, dat isjekarretje, dat is HET karretje …”

Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart te voelen opengaan.

Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook, omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau, teneinde zijn verslag op te maken.

Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken.

Maar omdat hij nog geen ervaring had in hetbeknoptweergeven van zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig.

Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht.

Enop een hutspotje.

Piets eerste courantenbericht luidde aldus:

Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk, als men rustig voortpeddelt door Holland’s schoone dreven.Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het frissche groen der groene buitenwegen.Helaas …. zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel, een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden … etcetera …. enz.Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman, kan men de schoonste panorama’s op het land genieten, zonder onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk gaande pedalen.De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in wit en goud geschilderd.Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht, voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke zomernatuurschoon.Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen verkrijgbaar zijn.Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een aangenamen, royalen indruk.En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen??Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag verkoopen,opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben, voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden van den dichter Poot:Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.P. BELL.

Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.

O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk, als men rustig voortpeddelt door Holland’s schoone dreven.

Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het frissche groen der groene buitenwegen.

Helaas …. zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel, een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden … etcetera …. enz.

Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman, kan men de schoonste panorama’s op het land genieten, zonder onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk gaande pedalen.

De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in wit en goud geschilderd.

Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.

Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht, voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.

Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke zomernatuurschoon.

Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen verkrijgbaar zijn.

Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een aangenamen, royalen indruk.

En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen??

Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag verkoopen,opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben, voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden van den dichter Poot:

Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.

Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.

Hoe genoeglijk rolt het levenDes gerusten landmans heen,Die zijn zalig lot—hoe kleen—Voor geen koningskroon zou geven.

Hoe genoeglijk rolt het leven

Des gerusten landmans heen,

Die zijn zalig lot—hoe kleen—

Voor geen koningskroon zou geven.

P. BELL.

Piet leverde zijn verslag bij den stadsredacteur in, die het vlug doorlas en herhaaldelijk lachte.

„Sapperloot, Piet, da’s een heel stuk letterkunde …”

„Niet goed, meneer?”

„Niet goed? Kerel, ’t is prachtig!”

En de heer van Dalen lachte nog harder.

„Ha-ha-ha … hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?”

„O wel … wat weet ik niet … dat is mij hetzelfde,” zei Piet, die nog maar niet begreep, dat hij voor ’t lapje gehouden werd.

Hij verkeerde in de heilige overtuiging, dat zijn ingeleverd verslag correct was en het dien avond als een der voornaamste artikelen in de courant zou prijken. Maar hoe groot was zijn verbazing en niet minder zijn teleurstelling, toen hij dien namiddag bij het verschijnen van de courant zijn prachtig stuk in dezen vorm terugvond:

NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend, dat eensieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn, is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor zij hem van harte succès gewenscht.

NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.

Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend, dat eensieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn, is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor zij hem van harte succès gewenscht.

Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm, kort en krachtig moesten worden opgesteld.

Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen.

Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele dagen al aardig bruikbaar geworden.

O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen, maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een vergadering hield of een uitvoering gaf.

Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering.

Bijna iedere avond bracht wat anders.

In het eerst—toen het nog een nieuwtje was—vond Piet dat bijwonen van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk, maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer over en werd het louter plicht.

Maar—het moet gezegd—Piet deed die plichtsteeds met opgewektheid en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel, bezig met het opmaken zijner verslagen.

O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw!

Op één keer na!

Hoe wil je ’t hebben Piet, als hoofdartikel of als feuilleton?

Die eene keer was op een Zaterdagavond.

Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen.

Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere jonge verslaggevers, op den schouder tikte.

„Zeg Piet,” sprak Konijn, „heb jij vanavond wat?”

„Neen,” was ’t antwoord, „ik ben vrij.”

„Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is programma en kaart.”

„All right … ’k zal ’t wel voor je opknappen, Knaagdier.”

„Bell … je bent ’n swell,” riep Konijn dankbaar uit.

Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet, benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z’n rug. Nou, Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je ’t vroeg, ’n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen maakte.

Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was.

Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen toestak en hartelijk uitriep:

„Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!… Ben je het of ben je het niet?”

„Ik ben het,” zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen te grijpen, „maarre … wie is u?…”

„Wel Piet … ken je Frans Basters niet meer …. Weet jij niet meer, hoe jij vroeger circus-directeur speelde in ’t straatje en je mij clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij zoo’n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en moord en brand gilde.”

„Ja … verdraaid!!… ik weet het!… Frans … Frans … beste kerel, we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!”

En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoohartelijk en langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden en Frans riep:

„Au-au … Piet … dank je … au!”

„Wat ben jij ’n reus geworden,” vond Piet.

„Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd,” zei Frans. „Wat doe jij voor den kost?”

„Journalist,” zei Piet, „en wat maak jij voor rommel?”

„Prentjes,” zei Frans. „Ze noemen mij een illustrator, geloof ik.”

„Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?”

„Nee, ’k studeer nog. M’n ouders zijn beiden gestorven.”

„Maar …” begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs in het geval.

De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest, wat Piet zeer goed wist.

Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijkszeventien jaar, keurig gekleed en … had niet eens een betrekking.

Frans keek Piet even aan.

„O, zeg het maar,” zei hij lachend.„Je wou me vragen hoe het mogelijk is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie, maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was.

„Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf dien tijd gingen ze achteruit.

„De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader in huis opgenomen.

„Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar de verandering, Piet.”

„Je bent ’n geluksvogel,” vond Pietje.

„Jij moet beslist met mij meekomen,” inviteerde Frans.„We hebben een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren.”

„Wel,” zei Piet, „ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is.”

„Aangenomen,” besloot Frans, „laten we hier de tram nemen.”

De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den loop van Piets avontuur te maken.

Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig gebruikt had.

Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een zeker verslag wachtte.

Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet invroolijke stemming de laatste tram huiswaarts nam.

Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering.

Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten hem kalm zijn gang gaan.

Op zijn kamer stak Piet de lamp aan.

Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma van de vereeniging „De Oranjevlag” eruit.

Hij raapte het op … en schrikte!!

Drommels … die jaarvergadering … glad vergeten … Ja, het was nu veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet.

Sapperloot … dat was me nu ook een mooie geschiedenis …

En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste!

Hij had immers het programma van de vereeniging?

Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was?

Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag tefantaseeren! Komaan, hier was het.

Maar dadelijk doen, dat was het beste.

Nou … Feestelijke jaarvergadering van de Buurtvereeniging … enz … enz … Programma … Opening door den Voorzitter.. Jaarverslag … Vioolsolo … Voordracht … Tooneelstukje … enz …. enz … enz … Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee, Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames en heeren, die aan zoo’n programma meewerken, hadden in ’t geheel geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren.

En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebberook al heel veel goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het belachelijke van dergelijke avonden.

Om niet te zeggen ongenietbaar.

Wel, zooals gezegd, ’t was een klein kunstje om aan de hand van dit programma een flink verslag te fantaseeren.

Kort en goed … Piet schreef het verslag en ging met een in slaap gesust geweten onder zeil.

DesMaandagavondslazen de lezers van de Morgenpost het volgende verslag onder Stadsnieuws:

Buurtvereeniging: De Oranjevlag.Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter, de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische voordracht: De ontvluchte Zuigeling.Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden feestavond terugzien.

Buurtvereeniging: De Oranjevlag.

Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter, de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.

Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische voordracht: De ontvluchte Zuigeling.

Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.

Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden feestavond terugzien.

„Ziezoo,” zei Piet lachend, toen hij des Maandagavondszijn verslag in de krant over las, „dat is alweer goed afgeloopen.”

Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor geroepen.

„Luister eens, vriend Bell,” sprak de heer Peters, en keek daarbij Pietje onderzoekend aan. „Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd heeft, voor hem naar de vereeniging „De Oranjevlag” te gaan?”

„Jawel, mijnheer.”

„Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?”—De heer Peters sprak steeds zijn ondergeschikten metuaan, nimmer het woordjijgebruikend.

„Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond.”

„Hm … bijgewoond, zegt u?”

„Zeker …”

„En was het een welgeslaagde feestavond?”

„O jawel … natuurlijk …”

„Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?”

„Niet dat ik weet.”

„Wel … het is een grappige geschiedenis.”

„Wat bedoelt u?”

„Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering in het geheel niet is doorgegaan.

„Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging in te brengen?”

Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland.

Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen.

Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat liet hij natuurlijk niet merken.

„Jongmensch,” sprak hij, „een der eerste vereischten van een verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende.”

Piet wist weinig te zeggen en boog.

Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is.

Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning gehad, dit was de eerste maal.

Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn, dat hij zulk een domheid begaan had.


Back to IndexNext