HET ZUIVERINGSWERK.

L'EPURATIONHET ZUIVERINGSWERK.

L'EPURATION

HET ZUIVERINGSWERK.Des morgens vroeg, maar als de zon al boven den horizont staat; op hetzelfde oogenblik, dat de kokospalm zijn bladeren opent, openen zich ook van de veertig of vijftig Urubu's (kleine gier) die op zijn takken nachtrust hielden, de mooie robijnen oogen. Het dagwerk roept hen. In het loome Afrika wachten op hen een honderd negerdorpen; in het slaperig Zuid-Amerika, ten zuiden van Panama of Caracas moeten zij, rappe zuiveraars, de straten reinigen, schoonvegen, vóórdat de Spanjaard er zich vertoont; vóórdat de machtige zon de krengen en rotstoffentot ontbinding bracht. Zouden zij één dag missen, het land werd ontvolkt. Als het in Amerika avond wordt, en de Urubu na volbrachte dagtaak, weer op zijn kokos terug keert, dan blinken wit, in het vroeg ochtendlicht, de minarets van Azië en Egypte; en van de omgangen, stipt als hun Amerikaansche broeders, komen gieren, kraaien, ooievaars, ibissen zwermen en beginnen hun verschillende werkzaamheden; sommige nemen hun vlucht naar de velden om slangen en insekten te verdelgen; andere strijken neer in de straten van Alexandrië of Caïro en volbrengen haastig hun gemeente-reinigingswerk. Namen zij ook maar eene korte vacantie, onmiddellijk zou de pest in het land zijn, als éénig bewoner. Zoo geschiedt op beide halfronden het groote zuiveringswerk, met een wonderbare en plechtige regelmaat. Even stipt als de zon het leven vruchtbaarheid komt geven, even stipt zijn deze zuiveraars, die de natuur in haar dienst nam, om den stuitenden aanblik van den dood aan onze oogen te onttrekken.En zij schijnen het gewicht van hun optreden te gevoelen. Nader hen, zij vluchten niet. Wanneer hun confraters, de raven, die hen dikwijls vooraan gaan en hun een prooi aanwijzen, hen gewaarschuwd hebben, dan plotseling schiet de wolk van gieren neer. Van aard eenzelvig en gemeenschap-schuwend, gaan zij toch bij honderd gelijk aan den maaltijd, en zij laten zich door niets verstoren. Onderlinge strijd komt niet voor, en geen voorbijganger veroorzaakt onrust. Onverstoorbaar doen zij hun werk, met een plechtige gulzigheid, en zij doen het netjes en zindelijk; het kreng verdwijnt, de huid blijft liggen. In een oogenblik is een afschuwelijke rottende massa, voor den mensch niet te genaken, opgeruimd, en opgenomen in de eeuwig nieuwe en heilzame levensstrooming.Maar vreemd! hoe beter zij ons dienen, hoe meer wij hen schuwen! Wij willen in hen niet zien, wat zij zijn; hen niet kennen in hun ééne rol, die van weldoenden smeltkroes van de natuur; een smeltkroes van levend vuur, die alles opneemt, wat het hooger leven zou kunnen schaden. En daarvoor zijn zij verwonderlijk goed toegerust; zij nemen op, verteren, vervormen, zonder dat het hun verveelt, zonder oververzadigd te worden, ja zelfs zonder ooit voldaan te zijn. Zij zouden een nijlpaard verslinden, en hongerig blijven. Voor de meeuwen, die de gieren zijn van de zee, is een walvisch niet meer dan een fatsoenlijk brokje. Zij bewerken hem beter dan de knapste walvischvaarder, en in korten tijd is hij verdwenen. Zoolang er wat overblijft, blijven zij ook; probeer op hen te schieten, zij komen onvervaard terug, terwijl het geweer blijft dreigen. Eengier laat nooit zijn prooi los. Levaillant schoot er een, die op een nijlpaard aasde; doodelijk getroffen, scheurde hij er nog stukken af. Had hij gevast? In 't geheel niet: men vond in zijn maag zes pond van het vleesch.Het is een werktuigelijke gulzigheid, eerder dan roofzucht. Hun uiterlijk is triest en somber, maar de natuur sierde de meesten van hen met een teeder en vrouwelijk tooisel: het fijne witte dons om hun hals.Heerschers over den dood zijn zij, maar over den kalmen dood, den natuurlijken dood, niet den moord. Zij zijn als de elementen, ernstig, rustig, niet te beschuldigen; in den grond onschuldig, zelfs verdienstelijk. En met dat geweldig levenselement, dat alles opneemt en verwerkt, zijn zij toch, meer haast dan eenig ander wezen, onderworpen aan algemeene invloeden, beheerscht door atmosfeer en temperatuur. In 't bizonder zijn zij vochtmeters, levende weerglazen. Het vocht van den morgen verzwaart hun wichtige vleugels; dan kan de zwakste prooi ongehinderd hen voorbijgaan; en zóózeer zijn zij aan de dagelijksche verschijnselen in de natuur onderworpen, dat die van Amerika, zooals gezegd is, zittend in reeksen op de takken van den kokospalm, letterlijk het uur afwachten, waarop de bladeren zich sluiten, en lang vóór den nacht inslapen; en dan, éérst als de zon reeds hoog boven den horizont staat, openen zich gelijk met de bladeren van den boom hun witte zware oogleden.Deze voortreffelijke handlangers van de weldoende chemie, die het leven hier op aarde bewaart en in evenwicht houdt, werken voor ons op plaatsen waar wij nooit konden doordringen. Wel wordt men in de steden hun tegenwoordigheid gewaar en de diensten, die zij daar bewijzen; maar niemand kan hun weldadenweten in de woestenijen waarvan een pestbrengende wind zou uitgaan, waren zij er niet. In het ondoordringbaar woud, in de diepe moerassen onder de giftige schaduw van de wortelboomen, waar, heen en weer gegooid door de zee, de lijken liggen te rotten van twee werelden; daar deelt dat reusachtig zuiveringsleger den arbeid met watervloed en insekten. Verderf voor de wereld der menschen, indien dat geheimzinnige, ongeziene werk een oogenblik werd gestaakt!Amerika heeft wetten, welke die weldoeners van den mensch beschermen.Egypte doet nog meer voor hen: het vereert hen, en is hun welgezind. Al bestaat niet meer hun oude kultus van aanbidding, zij vinden er toch de vriendschappelijke gastvrijheid uit den tijd der Pharao's. Vraag aan den Egyptischen fellah, waarom hij hun aanvallen, hun oorverdoovende kreten verdraagt, waarom hij de onbeschaamde kraaien niet weert van de hoornen der buffels, van de bulten der dromedarissen of van de dadelpalmen, waarop zij bij scharen neerstrijken, dat de vruchten vallen. Hij zal niet antwoorden. De vogel mag daar alles. Ouder dan de pyramiden, is hij de oudste bewoner dezer landen. De mensch is er door hem. De mensch zou er niet kunnen bestaan, zonder het onafgebroken werken van ibis en ooievaar, kraai en gier. Vandaar een algemeene sympathie voor de dieren, een ingeboren teederheid voor al wat leeft, die de bekoring is, meer dan iets anders van het Oosten. Het Westen heeft andere aantrekkelijkheden: Amerika schittert met zijn zonlicht en de pracht van zijn klimaat; maar het Oosten heeft een geestelijke bekoring: de éénheid die men voelt in een wereld waar de mensch zich niet heeft afgescheiden van de natuur; waar deoude band nog hecht is, waar de dieren niet weten, waarom men den mensch vreezen moet. Men zal er om glimlachen misschien, maar het is een liefelijke gewaarwording dat vertrouwen op te merken; te zien hoe op een roep van den brahmaan de vogels in zwermen komen en eten uit zijn hand; te zien hoe op de daken der pagoden de apen hun familieleven leiden, spelen, jongen zoogen, veilig en gerust, zooals zij leven zouden in de diepste diepten der bosschen.„Te Caïro,” zegt een reiziger, „voelen de tortelduiven zich zoo wel onder de publieke bescherming, dat zij leven midden tusschen het gewoel. Den geheelen dag zag ik hen zitten koeren op de luikenvan mijn vensters, in een heel nauwe straat, bij den ingang van een rumoerige bazaar, en dat in den druksten tijd van het jaar, kort voor den Ramadan, als de huwelijksceremonieën dag en nacht de straten vullen met gedruisch en misbaar. De platte daken, hoewel de dagelijksche wandeling van de gevangenen van den harem en hare slaven, worden toch door vogels omzwermd. De arenden slapen in goed vertrouwen op de omgangen der minarets.”De overwinnaars hebben altijd die zachtheid, die teederheid voor de levende natuur belachelijk gemaakt. De Perzen en de Romeinen in Egypte, onze Europeanen in Indië, de Franschen in Algerië, hebben dikwijls die onschuldige broeders van den mensch, de voorwerpen van aloude vereering mishandeld en gedood! Een Cambyses doodde de heilige koe, een Romein de ibis of de kat, die zooveel ongedierte opruimen. En wat is deze koe? Het symbool der vruchtbaarheid van die streek! En de ibis? De gezondheid! Roei die dieren uit en het land wordt onbewoonbaar. Datgene, wat ondanks alle rampen Egypte en Hindostan in hunne vruchtbaarheid heeft behouden, is noch de Nijl, noch de Ganges; het is, dat de dieren er ontzien worden, het is de zachtmoedigheid van den mensch.Het woord, dat de priester van Saïs tot Herodotus sprak heeft een diepen zin: „Gij zult altijd kinderen blijven!”En dat zullen wij ook, wij Westerlingen, met ons kunstig en subtiel redeneeren; dat zullen wij, zoolang wij niet eenvoudiger, zuiverder en dieper gaan zien in het wezen der dingen. Een kind zijn, dat is het Leven zien bij gedeelten. Mensch zijn, het voelen als een harmonische eenheid. Het kind speelt, breekt en verwerpt; zijn pleizier is vernielen. Dat is ook dekinderlijke wetenschap; zij moet dooden om te kunnen leeren; het eenige gebruik, dat zij weet te maken van een levend wonder, is het eerst te ontleden.Geen van ons, wetenschapsmannen, is doordrongen van dien heiligen eerbied voor het Leven, die de natuur weet te beloonen door ons hare mysteriën te openbaren.Gaat in, in die katakomben, waar, zooals het klinkt in onze hoogmoedige taal, „de gedenkteekenen slapen van een tijd van barbaarsch bijgeloof.” Bezoek de Indische en Egyptische verzamelingen: bij iederen stap vindt ge de naïeve en toch diepe intuïtie van de mysteriën van Leven en Dood. Laat u niet misleiden door den vorm, beschouw die dingen niet als een gebouw, met kunst opgetrokken door de hand der priesters. Onder dat grillig complex, onder het drukkend heerschen van het priesterdom, zie ik in die dingen het werken van twee faktoren, die het alles doordringen met een roerende teederheid:Het pogen, de zielen der geliefden te redden van de schipbreuk des doods.Het innig samenleven van den mensch met de natuur.Het vrome voelen voor het sprakelooze dier, der goden dienaar, en de beschermer van het leven der menschen.Het intuïtief gevoelen der Ouden, zeide hun wat in onzen tijd de slotsom is van waarneming en wetenschap; dat de vogels de agenten zijn der eeuwige hernieuwing op aarde, die het proces der stofwisseling bespoedigen.Vooral in de zengende zônen, waar alle stilstand verderf zou brengen, is de vogel, zooals Egypte het noemt: het heilbrengende vaartuig dat de doode hulsels opneemt, en ze heenvoert, daar waar het Leven is, in de wereld der reine dingen.En de dankbare en vrome ziel der Egyptenaren heeft die weldaden gevoeld, en zij wenscht geen gelukssfeer, waar haar weldoeners zouden worden uitgesloten. Zij wil geen redding voor zich alléén. Zij verbindt de dieren aan haar eigen onsterfelijkheid. Zij wil, dat de heilige vogel haar vergezelt in het duistere rijk, als droeg hij haar op zijn wieken.

HET ZUIVERINGSWERK.

Des morgens vroeg, maar als de zon al boven den horizont staat; op hetzelfde oogenblik, dat de kokospalm zijn bladeren opent, openen zich ook van de veertig of vijftig Urubu's (kleine gier) die op zijn takken nachtrust hielden, de mooie robijnen oogen. Het dagwerk roept hen. In het loome Afrika wachten op hen een honderd negerdorpen; in het slaperig Zuid-Amerika, ten zuiden van Panama of Caracas moeten zij, rappe zuiveraars, de straten reinigen, schoonvegen, vóórdat de Spanjaard er zich vertoont; vóórdat de machtige zon de krengen en rotstoffentot ontbinding bracht. Zouden zij één dag missen, het land werd ontvolkt. Als het in Amerika avond wordt, en de Urubu na volbrachte dagtaak, weer op zijn kokos terug keert, dan blinken wit, in het vroeg ochtendlicht, de minarets van Azië en Egypte; en van de omgangen, stipt als hun Amerikaansche broeders, komen gieren, kraaien, ooievaars, ibissen zwermen en beginnen hun verschillende werkzaamheden; sommige nemen hun vlucht naar de velden om slangen en insekten te verdelgen; andere strijken neer in de straten van Alexandrië of Caïro en volbrengen haastig hun gemeente-reinigingswerk. Namen zij ook maar eene korte vacantie, onmiddellijk zou de pest in het land zijn, als éénig bewoner. Zoo geschiedt op beide halfronden het groote zuiveringswerk, met een wonderbare en plechtige regelmaat. Even stipt als de zon het leven vruchtbaarheid komt geven, even stipt zijn deze zuiveraars, die de natuur in haar dienst nam, om den stuitenden aanblik van den dood aan onze oogen te onttrekken.

En zij schijnen het gewicht van hun optreden te gevoelen. Nader hen, zij vluchten niet. Wanneer hun confraters, de raven, die hen dikwijls vooraan gaan en hun een prooi aanwijzen, hen gewaarschuwd hebben, dan plotseling schiet de wolk van gieren neer. Van aard eenzelvig en gemeenschap-schuwend, gaan zij toch bij honderd gelijk aan den maaltijd, en zij laten zich door niets verstoren. Onderlinge strijd komt niet voor, en geen voorbijganger veroorzaakt onrust. Onverstoorbaar doen zij hun werk, met een plechtige gulzigheid, en zij doen het netjes en zindelijk; het kreng verdwijnt, de huid blijft liggen. In een oogenblik is een afschuwelijke rottende massa, voor den mensch niet te genaken, opgeruimd, en opgenomen in de eeuwig nieuwe en heilzame levensstrooming.Maar vreemd! hoe beter zij ons dienen, hoe meer wij hen schuwen! Wij willen in hen niet zien, wat zij zijn; hen niet kennen in hun ééne rol, die van weldoenden smeltkroes van de natuur; een smeltkroes van levend vuur, die alles opneemt, wat het hooger leven zou kunnen schaden. En daarvoor zijn zij verwonderlijk goed toegerust; zij nemen op, verteren, vervormen, zonder dat het hun verveelt, zonder oververzadigd te worden, ja zelfs zonder ooit voldaan te zijn. Zij zouden een nijlpaard verslinden, en hongerig blijven. Voor de meeuwen, die de gieren zijn van de zee, is een walvisch niet meer dan een fatsoenlijk brokje. Zij bewerken hem beter dan de knapste walvischvaarder, en in korten tijd is hij verdwenen. Zoolang er wat overblijft, blijven zij ook; probeer op hen te schieten, zij komen onvervaard terug, terwijl het geweer blijft dreigen. Eengier laat nooit zijn prooi los. Levaillant schoot er een, die op een nijlpaard aasde; doodelijk getroffen, scheurde hij er nog stukken af. Had hij gevast? In 't geheel niet: men vond in zijn maag zes pond van het vleesch.

Het is een werktuigelijke gulzigheid, eerder dan roofzucht. Hun uiterlijk is triest en somber, maar de natuur sierde de meesten van hen met een teeder en vrouwelijk tooisel: het fijne witte dons om hun hals.

Heerschers over den dood zijn zij, maar over den kalmen dood, den natuurlijken dood, niet den moord. Zij zijn als de elementen, ernstig, rustig, niet te beschuldigen; in den grond onschuldig, zelfs verdienstelijk. En met dat geweldig levenselement, dat alles opneemt en verwerkt, zijn zij toch, meer haast dan eenig ander wezen, onderworpen aan algemeene invloeden, beheerscht door atmosfeer en temperatuur. In 't bizonder zijn zij vochtmeters, levende weerglazen. Het vocht van den morgen verzwaart hun wichtige vleugels; dan kan de zwakste prooi ongehinderd hen voorbijgaan; en zóózeer zijn zij aan de dagelijksche verschijnselen in de natuur onderworpen, dat die van Amerika, zooals gezegd is, zittend in reeksen op de takken van den kokospalm, letterlijk het uur afwachten, waarop de bladeren zich sluiten, en lang vóór den nacht inslapen; en dan, éérst als de zon reeds hoog boven den horizont staat, openen zich gelijk met de bladeren van den boom hun witte zware oogleden.

Deze voortreffelijke handlangers van de weldoende chemie, die het leven hier op aarde bewaart en in evenwicht houdt, werken voor ons op plaatsen waar wij nooit konden doordringen. Wel wordt men in de steden hun tegenwoordigheid gewaar en de diensten, die zij daar bewijzen; maar niemand kan hun weldadenweten in de woestenijen waarvan een pestbrengende wind zou uitgaan, waren zij er niet. In het ondoordringbaar woud, in de diepe moerassen onder de giftige schaduw van de wortelboomen, waar, heen en weer gegooid door de zee, de lijken liggen te rotten van twee werelden; daar deelt dat reusachtig zuiveringsleger den arbeid met watervloed en insekten. Verderf voor de wereld der menschen, indien dat geheimzinnige, ongeziene werk een oogenblik werd gestaakt!

Amerika heeft wetten, welke die weldoeners van den mensch beschermen.

Egypte doet nog meer voor hen: het vereert hen, en is hun welgezind. Al bestaat niet meer hun oude kultus van aanbidding, zij vinden er toch de vriendschappelijke gastvrijheid uit den tijd der Pharao's. Vraag aan den Egyptischen fellah, waarom hij hun aanvallen, hun oorverdoovende kreten verdraagt, waarom hij de onbeschaamde kraaien niet weert van de hoornen der buffels, van de bulten der dromedarissen of van de dadelpalmen, waarop zij bij scharen neerstrijken, dat de vruchten vallen. Hij zal niet antwoorden. De vogel mag daar alles. Ouder dan de pyramiden, is hij de oudste bewoner dezer landen. De mensch is er door hem. De mensch zou er niet kunnen bestaan, zonder het onafgebroken werken van ibis en ooievaar, kraai en gier. Vandaar een algemeene sympathie voor de dieren, een ingeboren teederheid voor al wat leeft, die de bekoring is, meer dan iets anders van het Oosten. Het Westen heeft andere aantrekkelijkheden: Amerika schittert met zijn zonlicht en de pracht van zijn klimaat; maar het Oosten heeft een geestelijke bekoring: de éénheid die men voelt in een wereld waar de mensch zich niet heeft afgescheiden van de natuur; waar deoude band nog hecht is, waar de dieren niet weten, waarom men den mensch vreezen moet. Men zal er om glimlachen misschien, maar het is een liefelijke gewaarwording dat vertrouwen op te merken; te zien hoe op een roep van den brahmaan de vogels in zwermen komen en eten uit zijn hand; te zien hoe op de daken der pagoden de apen hun familieleven leiden, spelen, jongen zoogen, veilig en gerust, zooals zij leven zouden in de diepste diepten der bosschen.

„Te Caïro,” zegt een reiziger, „voelen de tortelduiven zich zoo wel onder de publieke bescherming, dat zij leven midden tusschen het gewoel. Den geheelen dag zag ik hen zitten koeren op de luikenvan mijn vensters, in een heel nauwe straat, bij den ingang van een rumoerige bazaar, en dat in den druksten tijd van het jaar, kort voor den Ramadan, als de huwelijksceremonieën dag en nacht de straten vullen met gedruisch en misbaar. De platte daken, hoewel de dagelijksche wandeling van de gevangenen van den harem en hare slaven, worden toch door vogels omzwermd. De arenden slapen in goed vertrouwen op de omgangen der minarets.”

De overwinnaars hebben altijd die zachtheid, die teederheid voor de levende natuur belachelijk gemaakt. De Perzen en de Romeinen in Egypte, onze Europeanen in Indië, de Franschen in Algerië, hebben dikwijls die onschuldige broeders van den mensch, de voorwerpen van aloude vereering mishandeld en gedood! Een Cambyses doodde de heilige koe, een Romein de ibis of de kat, die zooveel ongedierte opruimen. En wat is deze koe? Het symbool der vruchtbaarheid van die streek! En de ibis? De gezondheid! Roei die dieren uit en het land wordt onbewoonbaar. Datgene, wat ondanks alle rampen Egypte en Hindostan in hunne vruchtbaarheid heeft behouden, is noch de Nijl, noch de Ganges; het is, dat de dieren er ontzien worden, het is de zachtmoedigheid van den mensch.

Het woord, dat de priester van Saïs tot Herodotus sprak heeft een diepen zin: „Gij zult altijd kinderen blijven!”

En dat zullen wij ook, wij Westerlingen, met ons kunstig en subtiel redeneeren; dat zullen wij, zoolang wij niet eenvoudiger, zuiverder en dieper gaan zien in het wezen der dingen. Een kind zijn, dat is het Leven zien bij gedeelten. Mensch zijn, het voelen als een harmonische eenheid. Het kind speelt, breekt en verwerpt; zijn pleizier is vernielen. Dat is ook dekinderlijke wetenschap; zij moet dooden om te kunnen leeren; het eenige gebruik, dat zij weet te maken van een levend wonder, is het eerst te ontleden.

Geen van ons, wetenschapsmannen, is doordrongen van dien heiligen eerbied voor het Leven, die de natuur weet te beloonen door ons hare mysteriën te openbaren.

Gaat in, in die katakomben, waar, zooals het klinkt in onze hoogmoedige taal, „de gedenkteekenen slapen van een tijd van barbaarsch bijgeloof.” Bezoek de Indische en Egyptische verzamelingen: bij iederen stap vindt ge de naïeve en toch diepe intuïtie van de mysteriën van Leven en Dood. Laat u niet misleiden door den vorm, beschouw die dingen niet als een gebouw, met kunst opgetrokken door de hand der priesters. Onder dat grillig complex, onder het drukkend heerschen van het priesterdom, zie ik in die dingen het werken van twee faktoren, die het alles doordringen met een roerende teederheid:

Het pogen, de zielen der geliefden te redden van de schipbreuk des doods.

Het innig samenleven van den mensch met de natuur.Het vrome voelen voor het sprakelooze dier, der goden dienaar, en de beschermer van het leven der menschen.

Het intuïtief gevoelen der Ouden, zeide hun wat in onzen tijd de slotsom is van waarneming en wetenschap; dat de vogels de agenten zijn der eeuwige hernieuwing op aarde, die het proces der stofwisseling bespoedigen.

Vooral in de zengende zônen, waar alle stilstand verderf zou brengen, is de vogel, zooals Egypte het noemt: het heilbrengende vaartuig dat de doode hulsels opneemt, en ze heenvoert, daar waar het Leven is, in de wereld der reine dingen.

En de dankbare en vrome ziel der Egyptenaren heeft die weldaden gevoeld, en zij wenscht geen gelukssfeer, waar haar weldoeners zouden worden uitgesloten. Zij wil geen redding voor zich alléén. Zij verbindt de dieren aan haar eigen onsterfelijkheid. Zij wil, dat de heilige vogel haar vergezelt in het duistere rijk, als droeg hij haar op zijn wieken.

LA MORT - LES RAPACESDE DOOD.De Roofvogels.

LA MORT - LES RAPACES

DE DOOD.DE ROOFVOGELS.Mijn somberste oogenblik, in de tijden, toen ik voor mijne gedachten het alibi van de Natuur zocht, was, toen ik voor het eerst den kop van den adder ontmoette. Het gebeurde in een zeer belangrijk Museum van anatomische nabootsingen. Deze kop, verwonderlijk juist gereproduceerd en zéér vergroot, zoodat hij aan den kop van eentijger of jaguar herinnerde, deed in zijn afschuwelijk voorkomen aan iets nog afschuwelijkers denken; want nu zag men in afgrijselijke naaktheid, met hoe oneindig veel voorzorgen, met welk een wreed doorzicht, deze geweldige moordmachine gewapend werd. Niet alléén, dat de tanden, groot in aantal, en vlijmend gescherpt zijn; dat zij in hun werk worden bijgestaan door een vernuftige reserve van vergif, dat op de plaats doodt; maar bovendien hebben zij voor hunne bijzondere fijnheid, waardoor zij zeer licht breken, eene vergoeding, die misschien geen ander dier heeft; die vergoeding is een magazijn van wisseltanden, wanneer er één met het bijten mocht afbreken. O, wat een zorgen om te dooden! Wat een maatregelen, dat het slachtoffer niet zal ontsnappen. Welk een liefde voor dit afgrijselijk schepsel!... Het ergerde mij en ik leed. Mijne eeuwige Moeder, de Natuur, bij wie ik troost kwam zoeken, had mij afgeschrikt met de wreede onpartijdigheid van haar Moederschap.Ik ging somber heen, en de nevelen om mijn ziel waren dichter, dan die van dien duisterste der winterdagen. Ik was gekomen als zoon, ik ging heen als wees, en mijn vertrouwen in een Voorzienigheid voelde ik wegzinken.Niet minder pijnlijk zijn onze gewaarwordingen, wanneer wij in de dierentuinen, die oneindige reeksen van roofvogels zien, roovers bij dag en bij nacht; vogels, maar gruwelijk van voorkomen; spookachtige verschijningen, eene verschrikking voor den dag zelf. Smartelijk treft ons de aanblik van hun wreede wapenen; nog niet eens die geweldige snavel, want die kan den dood geven met één enkelen slag; maar die pooten, die scherpe klauwen, die martelwerktuigen, die de sidderende prooi vastklemmen, en het lijden van den vreeselijken doodsstrijd rekken.O, onze aardbol is nog een barbaarsche wereld; jong nog, en in een toestand van ontwerp en proefneming; nog onderworpen aan een wreede slavernij: duisternis, honger, dood, angst. Den dood zou men kunnen aannemen als een doortocht, eene inleiding, een toegang tot betere werelden. Maar het lijden! helaas! was het dan nuttig voor ons, dat dàt ons werd bestemd? Ik voel het lijden, ik zie het, ik hoor het, in alles en óveral. Om het niet te hooren, dat de draad van mijne gedachten niet breken zou, moet ik mijne ooren dicht houden, want het zou mijne energie dooden, mijn zenuwleven ondermijnen; inspanning zou mij onmogelijk worden, ik zou niet meer voort kunnen, en mijn leven en arbeid zouden onvruchtbaar blijven onder den druk van het medelijden.En toch—is niet het lijden een waarschuwing, een prikkel om zich gereed te houden en te voorzien, om met alle middelen den ondergang te voorkomen? In de school van het lijden worden wij wakker geschud; het is de opwekking tot voorzichtigheid voor al wat leeft, tot een machtig zich verzamelen en beheerschen van de ziel, dat zij zich gespannen houdt; want zij zou zich laten gaan op hare natuur, zich laten verweekelijken door geluk en de zachte aandoeningen, die verzwakken.„Zou men niet kunnen zeggen, dat het geluk een centrifugale werking heeft, een aantrekking die ons zieleleven los maakt en doet uitvloeien naar buiten; het verstrooit en ontbindt, en ons eindelijk, lieten wij er ons op gaan, tot de elementen zou doen wederkeeren. Maar het lijden trekt ons samen, scherpt onze aandacht op één punt, concentreert alle aandoeningen, onderhoudt het wezen, sterkt en verzekert het.„Het lijden is als de aartskunstenaar, die ons maakt, ons vormt en ons uitbeeldt zonder mededoogen, met de fijne punt van zijn scherpen beitel, die het te wild uitgroeiende leven afsnijdt. En wat overblijft, fijner en tóch sterker, wint door het verlies zelf de gave van een rijker leven.”Deze berustende gedachten werden mij bijgebracht door eene schrandere vrouw, eene die ook het lijden kende, en die—vóór ik zelf het deed—mijne verwarring en twijfel voelde. „Zoo de mensch, zoo de wereld,” zeide zij nog.De aarde zelf werd door lijden volmaakt. De natuur heeft haar bewerkt door de geweldige daden van hare dienaren des doods. Hunne verdwenen en uitstervende soorten, zijn de herinneringen en de getuigen van den vorigen toestand van den aardbol, toen het lagere leven krioelde, en de Natuurmoestingrijpen om die overstelpende vruchtbaarheid te besnoeien. Wij zien in gedachten de reeks van de opeenvolgende noodzakelijke vernietigingen, die de aarde toen had te ondergaan.De dampkring, voor de ademhaling onbruikbaar, moest gezuiverd worden door de plantenwereld. Maar die planten groeiden aan in verstikkende dichtheid, zij dekten de aarde als met een vacht; toen kwamen de wegvretende insekten als redders, later weer tot een plaag geworden. Van die insekten en kruipendedieren zuiverde haar het giftig reptiel; en eindelijk toen het hoogere leven, het gevleugelde leven zijn vlucht nam, werd het in den overdadigen groei van zijn jonge vruchtbaarheid een schot gezet door de vernietigende legioenen van de machtige roovers, arend, valk of gier.Maar deze nuttige vernielers verminderen gaandeweg, nu zij niet meer zoo noodig zijn. De groote massa van kleine kruipende dieren, in hoofdzaak de slachtoffers van de tanden der adders, heeft al veel van zijn dichtheid verloren, en ook de adder wordt zeldzaam. En daar ook de wereld van gevleugeld wild sterk gedund is, òf door den vernielenden mensch, òf door het verdwijnen van sommige insekten, waarvan de kleine vogels leefden, verminderen weêr de vreeselijke lucht-tyrannen. De arend wordt zeldzaam, zelfs in de Alpen, en de onzinnig hooge prijzen, waarmee tegenwoordig de valk betaald wordt, schijnen er op te wijzen, dat die eerste, edelste van de roofvogels bijna is uitgestorven.Zoo neigt dus de Natuur naar minder geweld. Zegt men daarmede dat de dood ooit verminderen kan? Niet de dood, maar het lijden.En de wereld komt langzamerhand onder de éénigeMacht, die de noodwendige verhouding weet van Leven en Dood; die den dood kon regelen zóó, dat het evenwicht tusschen de levende soorten behouden wordt; ze begunstigen kan al naar hun nut of onschadelijkheid, en die den dood kon vereenvoudigen, verzachten, en—het woord zij mij toegestaan—kan moraliseeren, door haar snel en pijnloos te maken. Ook verzetten wij ons niet in ernst tegen den dood. Hij is toch maar het masker van de groote levenstransformaties. Maar ernstig verwerpen wij de gruwelijke wreedheid van het lijden; en dit nu zal in den loop der tijden van de aarde verdwijnen. De handlangers van het lijden, de gruwelijke beulen van het Leven, die het onder martelingen vernielen, worden al zeldzamer hier op aarde. In waarheid, als ik in het Museum die naargeestige verzameling van nacht- en dag-roofvogels zie, dan betreur ik niet sterk den ondergang van díe soorten. Want, al geeft het beschouwen van al die gevleugelde roovers een zekere voldoening aan den geweldenaar in ons, om onze bewondering voor kracht, tòch spreekt duidelijk uit dat somber masker hun lage aard. Geweldig bevoorrecht in hun vleugels, en den krachtigen gekromden snavel, levert hun jammerlijk gedrukten schedel het bewijs, dat er voor hen niet de minste noodzaak is, eenig intellekt te gebruiken. Hun samenstel, dat hen de vlugsten van de vluggen maakt, de sterksten der sterken, heeft hen ontheven van veel behendigheid, list en taktiek. Men is geneigd hun moed toe te kennen; maar wáár hebben ze gelegenheid dien te toonen, tegenover altijd mindere vijanden. Vijanden? Neen, slachtoffers. Als het ruwe jaargetijde, de honger, de kleine vogels tot trekken noopt, dan vliegen zij in massa dien dommen tyrannen in den bek, die onnoozelen; toch verre de meerderen, invele opzichten, van hun moordenaars. Die kunstenaars onder de vogels, de zangers, de behendige nestbouwers, door kou en honger worden zij overgeleverd aan de gemeene roovers; aan den arend, aan den buizerd, wordt een maaltijd voorgezet van nachtegalen.De afplatting van den schedel is het minderwaardigheidsteeken van die moordenaars. Ik vind het in de hoogst geroemden, de meest bewonderden, zelfs in den edelen valk. Edel! zijn adel betwist ik hem te minder, omdat hij in onderscheiding van den arend en de andere beulen, den dood weet te geven metéén slag, afkeerig zijn prooi te martelen. Deze vraten, met hun gering hersenvolume, vormen een sterk contrast met zooveel aardige in 't oog vallende, pittige vogels onder de mindere soorten. De kop van de eersten is enkel snavel, maar de anderen hebben een gezicht. Welk een vergelijking is er te maken tusschen deze grove reuzen en het menschelijk intelligente vogeltje, het roodborstje, dat op dit oogenblik om mij heen fladdert; dan op mijn schouder zit, dan op het papier kijkt naar wat ik schrijf, zich warmt bij het vuur en nieuwsgierig uit het venster ziet of de lente nog niet haast komt.Moest ik kiezen uit de roofvogels, dan koos ik nog minstens even graag den gier als den arend. Onder de vogels heb ik nog niets zoo grootsch, zoo imposant en indrukwekkend gezien, als onze vijf Algerijnsche gieren (in denJardin des plantes), naast elkaar gezeten als Turksche pacha's, in hun sierlijken halskraag van het teerste witte dons, en met den nobelen grijzen mantel. Een divan met ernstige ballingen, die schijnen te peinzen over 's levens wisselingen, en over de politieke feiten, die hen uit hun land hebben verjaagd.Wat is het wezenlijk verschil tusschen den arend en den gier? De arend is tuk op bloed en levend vleesch, maar eet ook wat dood is. De gier doodt zelden, en dient het leven; want hij hergeeft het, en brengt in den grooten kringloop terug, wat in ontbinding is, en zijn bederf op andere stoffen zou overbrengen. De arend leeft bijna uitsluitend vanmoord, en men kon hem den handlanger van den Dood noemen; de Gier echter is de dienaar van het Leven.De arend werd om zijn kracht en schoonheid een symbool voor meer dan één krijgshaftig volk, dat als hij, leefde van doodslag. De Perzen, de Romeinen namen dat symbool aan, en de grootsche gedachtenbeelden door de macht en grootheid van die rijken opgewekt, vereenzelvigde men met den arend. Ernstige mannen, een Aristoteles, namen het dwaze sprookje over, dat hij in de zon zou kunnen zien, en dat hij om zijn jongen op de proef te stellen hen in het zonlicht liet kijken. Eens op dien weg der verdichting, was er geen houden meer aan bij de geleerden. Buffon ging het verste: hij prijst den arend om zijn matigheid. Hij verslindt niet iets geheel. Wat daar van waar is, is dit, dat wanneer de prooi wat groot is, hij zich op de plaats verzadigt en niet veel meê thuis brengt. Ook zegt hij, dat dezevorst van het luchtruimkleine dieren versmaadt. Maar waarneming bewees juist het tegendeel. De gewone arend valt gaarne het vreesachtigste van alle wezens aan, de haas; de steenarend maakt het liefst jacht op eenden. De kleine arend verkiest veldmuizen, en met zulk een graagte, dat hij ze ineens opslokt zonder één snavelstoot. De witstaart-arend schijnt zelfs zijn eigen jongen te dooden, en dikwijls verdrijft hij ze, vóórdat zij zichzelf kunnen voeden. In de buurt van Hâvre was ik eens in de gelegenheid achter de waarheid te komen omtrent de nobele eigenschappen van den arend, en wat er is van zijn matigheid. Een arend, die op zee was gevangen, maar in al te goede handen was gekomen, nl. ten huize van een slager, had zich zoo gemakkelijk geschikt in het geval dat het vleesch hem gewerd zonder strijd, dat hij niets schijnt te betreuren. Arend-Falstaff, doet hij zich te goed, en denkt niet meer aan vechten en jagen, en aan het oneindig luchtruim. Ziet hij niet meer in de zon, hij ziet des te meer naar de keuken, en voor een lekker hapje laat hij zich door de kinderen aan zijn staart trekken.Gaat rang naar kracht, dan is niet de arend de eerste, maar de vogel „Rock” uit de Duizend en Eén Nacht: de Condor, de reus van de bergreuzen, van de Cordilleras. Hij is de grootste gier, de zeldzaamste, de schadelijkste, die bijna niets anders eet dan levende prooi. Treft hij een groot dier, dan stopt hij zich zoo vol, dat hij zich niet meer bewegen kan; men doodt hem dan met stokslagen.Om juist over die soorten te kunnen oordeelen, moet men het nest van den arend gezien hebben; een soort slordige, slecht geconstrueerde vloer; vergelijk dat grof, onhandig werk, ik zeg nog niet eens, metdat sierlijk kunststukje, het nest van de vink, maar met wat de insekten doen, met de ondergrondsche gangen van de mier b.v., waarin dit nijver insekt met een verwonderlijk inzicht een oneindige verscheidenheid weet te brengen.De traditioneele achting voor den moed der groote roofvogels, krijgt ook een flinken stoot als men bij Wilson ziet, hoe een klein vogeltje den grooten zwarten arend vervolgt en plaagt, en hem niet met rust laat, tot hij uit zijn gebied is verjaagd. Een zeldzaam tafreel—die kleine held, die om meer indruk te maken, zijn gewicht bij zijn kracht voegt, hooger en hooger stijgt en zich uit de wolken laat vallen op den rug van den grooten roover; daar zit hij te paard en laat niet los, en gebruikt zijn snaveltje als sporen. En zonder nog naar Amerika te gaan kunt ge al in den „Jardin des plantes” de overmacht waarnemen, van het kleine op het groote, van den geest op de stof, in het eigenaardig samenleven van den raaf met den lammergier. De slimme raaf, de verstandigste van alle roovers, een schoolmeester gelijk in zijn zwart pakje, werkt aan de beschaving van den ruwen gast, zijn medegevangene, den lammergier.Het is vermakelijk te zien, hoe hij hem leert spelen; hoe hij hem, om zoo te zeggen, menschelijk wil maken, en op honderderlei manieren met allerlei spelletjes zijn ruwe natuur probeert te ontbolsteren. Vooral wordt dit schouwspel vertoond, als de raaf een groot aantal toeschouwers heeft. Ik heb meenen op te merken, dat hij er voor bedankt met zijn wijsheid te pronken voor één enkel getuige. Hij houdt rekening met zijn publiek, en zoo noodig weet hij zich er door te doen respecteeren. Ik heb hem met zijn bek steentjes zien teruggooien naar een kind, dat er mee naar hem gegooid had. Het merkwaardigste spel, dat hij zijn grootenvriend opdringt, is, dat hij hem een stok laat vasthouden, waaraan hij zelf trekt aan den anderen kant. Deze schijnvertooning van een worsteling tusschen kracht en zwakheid, deze gefingeerde gelijkheid, is heel geschikt om den barbaar tot zachtheid te stemmen; hij blijft onverschillig, maar geeft aan het aandringen toe, en schikt zich met een soort van half getemde goedmoedigheid.De raaf is niet in het minst bevreesd voor dit groote dier, met zijn onverwinbare klauwen en haaksnavel, hard als ijzer, die met één slag zou dooden. Met de zekerheid van een hoogstaanden geest, tegenover deze logge massa, beweegt hij zich om hem heen, neemt hem zijn prooi uit den bek. De ander bromt, maar te laat. Zijn goeverneur, veel vlugger van beweging, heeftmet zijn schitterend zwart, staalglanzend oog, de beweging al gemerkt; hij springt op zij, desnoods één of twee takken hooger, en hij bromt ook, een vermaning schijnt het.Dit lustig personage heeft bij zijn fratsen een bijzonder voorrecht: het kontrast van zijn ernstig rouwkleed. Ik placht er dagelijks een te zien in de straten van Nantes, op het poortje van een gangetje; in halve gevangenschap troostte hij zich in zijn gekortwiekten toestand door een loopje te nemen met honden. De straathonden liet hij gaan. Maar als zijn ondeugende blik viel op een eleganten rashond, die zijn moedwil waardig was, dan sprong hij hem handig van achteren op zijn rug en gaf hem twee korte pikken met zijn zwarten snavel; jankend vluchtte dan de hond weg, en rustig, gewichtig en voldaan, betrok de raaf weer zijn post. Nooit zou men gedacht hebben, dat zoo'n biddersfiguur op die manier zijn tijd kortte.Men zegt, dat in de vrijheid, sterk door hun gemeenschapsgevoel en hun groot aantal, zij in hun stoute stukken zoo ver gaan, dat zij, als de arend afwezig is, de vermetelheid hebben zijn eieren te rooven uit het nest. En wat moeielijker te gelooven valt, men beweert, zwermen raven gezien te hebben, die terwijl de arend tegenwoordig was en zijn gezin verdedigde, hem met hun gekrijsch verdoofden, hem aanvielen, er uit trokken en een jong meenamen!Zooveel moeite en gevaar voor zulk een povere buit! Indien het waar was, zou men moeten veronderstellen, dat de wijze en voorzichtige republiek te dikwijls geplaagd en vervolgd door den tyran van de streek, de uitroeiing van zijn stam had besloten, en meende met een alles trotseerende toewijding het besluit te moeten uitvoeren.Hun wijsheid blijkt uit tallooze voorbeelden, vooraluit de weloverlegde keus van een verblijf. De raven, die ik heb waargenomen te Nantes van een van de heuvels van de Erdre, trokken 's morgens over mijn hoofd weg, en kwamen 's avonds terug. Zij hadden blijkbaar een huis in de stad en een huis buiten. Overdag betrokken zij observatieposten op den toren van de kathedraal, speurende naar de smakelijke beten, die de stad hun had aan te bieden. Verzadigd, trokken zij dan naar de bosschen terug, of naar de goed beveiligde rotsen, waar zij graag den nacht doorbrengen. Het zijn gezeten burgers, geen zwervers. Zeer gehecht aan hun gezin, vóóral aan hun gade, waarvan zij de zeer getrouwe echtgenoot zijn, moest hun eenige verblijfplaats hun nest wezen. Maar de vrees voor de groote nachtvogels, noopt hun, twintig of dertig te gelijk zich 's nachts bij elkaar te houden, een aantal voldoende voor een gevecht, als dit noodig mocht blijken. Hun haat en afschuw is de uil; als zij dien overdag vinden, nemen zij wraak voor zijn nachtelijke misdrijven: zij jouwen hem uit en zitten hem na, tot zij hem, gebruik makende van de verwarring, waarin zijn benarden toestand hem brengt, gemakkelijk kunnen dooden.Uit iederen vorm van associatie weten zij voordeel te trekken. De zoetste gemeenschap, het gezin, doet hen toch nooit het verbond van verdediging vergeten, noch dat van aanval. Zij gaan nog verder, zij vereenigen zich zelfs met hun meerderen, de gieren; zij roepen ze, gaan ze voor, of volgen hen, om op hunne kosten te leven. En wat het allersterkste is: zij houden zich zelfs aan hun vijand den arend, blijven in zijn omgeving, om van zijn gevechten te profiteeren, en van zijne overwinningen op eenig groot dier. Deze slimme speculanten, wachten op een afstand, tot de arend tot zich heeft genomen, wat hij nemen kon, heeft gezwolgen in bloed; dan vliegt hij weg en het overschot is voor de raven.Hun duidelijke meerderheid boven zeer veel vogels, moet het gevolg zijn van den hoogen leeftijd, dien zij bereiken, en van hun ondervinding, in verband met hun uitstekend geheugen. In tegenstelling met de meeste dieren, bij welke de levensduur evenredig is aan den duur van hun jeugd, zijn zij na een jaar volwassen, en leven, zegt men, een eeuw.De groote verscheidenheid van voedsel, alles nl. wat eetbaar is in het planten- en dierenrijk, alle prooi dood of levend, geeft hun een groote kennis van dingen en tijden, van oogst en jacht. Zij stellen in alles belang en merken alles op. De ouden, die veel meer dan wij het doen, met de Natuur leefden, hebben veel voordeel er van gehad, dat zij de aanwijzingen van zulk een wijzen en voorzichtigen vogel gevolgd hebben, in velerlei duistere gevallen, waar de menschelijke ondervinding nog geen licht zag.Ten spijt van de aristocraten onder de roofvogels, is de raaf menigmaal hun gids, ondanks zijn biddersrok en zijn mal gezicht; en ondanks zijn gebrek aan kieschkeurigheid wat zijn voeding betreft, is hij tòch demeerdere in geest van de groote soorten, waarvan hij in volume ook al weer de mindere is. Maar de raaf is toch nog alléén maar, de voorzichtige om het voordeel, de wijze uit eigenbelang. Om bij de hooger staanden te komen, de helden van het gevleugelde ras, die aartskunstenaars met hun warm hart; daarvoor moeten wij geringer volume zoeken; de stof verminderen, om den geest te verheffen en de zedelijke ontwikkeling te verkrijgen. De Natuur, als veel moeders, heeft een zwak voor de kleintjes.

DE DOOD.

DE ROOFVOGELS.

Mijn somberste oogenblik, in de tijden, toen ik voor mijne gedachten het alibi van de Natuur zocht, was, toen ik voor het eerst den kop van den adder ontmoette. Het gebeurde in een zeer belangrijk Museum van anatomische nabootsingen. Deze kop, verwonderlijk juist gereproduceerd en zéér vergroot, zoodat hij aan den kop van eentijger of jaguar herinnerde, deed in zijn afschuwelijk voorkomen aan iets nog afschuwelijkers denken; want nu zag men in afgrijselijke naaktheid, met hoe oneindig veel voorzorgen, met welk een wreed doorzicht, deze geweldige moordmachine gewapend werd. Niet alléén, dat de tanden, groot in aantal, en vlijmend gescherpt zijn; dat zij in hun werk worden bijgestaan door een vernuftige reserve van vergif, dat op de plaats doodt; maar bovendien hebben zij voor hunne bijzondere fijnheid, waardoor zij zeer licht breken, eene vergoeding, die misschien geen ander dier heeft; die vergoeding is een magazijn van wisseltanden, wanneer er één met het bijten mocht afbreken. O, wat een zorgen om te dooden! Wat een maatregelen, dat het slachtoffer niet zal ontsnappen. Welk een liefde voor dit afgrijselijk schepsel!... Het ergerde mij en ik leed. Mijne eeuwige Moeder, de Natuur, bij wie ik troost kwam zoeken, had mij afgeschrikt met de wreede onpartijdigheid van haar Moederschap.

Ik ging somber heen, en de nevelen om mijn ziel waren dichter, dan die van dien duisterste der winterdagen. Ik was gekomen als zoon, ik ging heen als wees, en mijn vertrouwen in een Voorzienigheid voelde ik wegzinken.

Niet minder pijnlijk zijn onze gewaarwordingen, wanneer wij in de dierentuinen, die oneindige reeksen van roofvogels zien, roovers bij dag en bij nacht; vogels, maar gruwelijk van voorkomen; spookachtige verschijningen, eene verschrikking voor den dag zelf. Smartelijk treft ons de aanblik van hun wreede wapenen; nog niet eens die geweldige snavel, want die kan den dood geven met één enkelen slag; maar die pooten, die scherpe klauwen, die martelwerktuigen, die de sidderende prooi vastklemmen, en het lijden van den vreeselijken doodsstrijd rekken.

O, onze aardbol is nog een barbaarsche wereld; jong nog, en in een toestand van ontwerp en proefneming; nog onderworpen aan een wreede slavernij: duisternis, honger, dood, angst. Den dood zou men kunnen aannemen als een doortocht, eene inleiding, een toegang tot betere werelden. Maar het lijden! helaas! was het dan nuttig voor ons, dat dàt ons werd bestemd? Ik voel het lijden, ik zie het, ik hoor het, in alles en óveral. Om het niet te hooren, dat de draad van mijne gedachten niet breken zou, moet ik mijne ooren dicht houden, want het zou mijne energie dooden, mijn zenuwleven ondermijnen; inspanning zou mij onmogelijk worden, ik zou niet meer voort kunnen, en mijn leven en arbeid zouden onvruchtbaar blijven onder den druk van het medelijden.

En toch—is niet het lijden een waarschuwing, een prikkel om zich gereed te houden en te voorzien, om met alle middelen den ondergang te voorkomen? In de school van het lijden worden wij wakker geschud; het is de opwekking tot voorzichtigheid voor al wat leeft, tot een machtig zich verzamelen en beheerschen van de ziel, dat zij zich gespannen houdt; want zij zou zich laten gaan op hare natuur, zich laten verweekelijken door geluk en de zachte aandoeningen, die verzwakken.

„Zou men niet kunnen zeggen, dat het geluk een centrifugale werking heeft, een aantrekking die ons zieleleven los maakt en doet uitvloeien naar buiten; het verstrooit en ontbindt, en ons eindelijk, lieten wij er ons op gaan, tot de elementen zou doen wederkeeren. Maar het lijden trekt ons samen, scherpt onze aandacht op één punt, concentreert alle aandoeningen, onderhoudt het wezen, sterkt en verzekert het.

„Het lijden is als de aartskunstenaar, die ons maakt, ons vormt en ons uitbeeldt zonder mededoogen, met de fijne punt van zijn scherpen beitel, die het te wild uitgroeiende leven afsnijdt. En wat overblijft, fijner en tóch sterker, wint door het verlies zelf de gave van een rijker leven.”

Deze berustende gedachten werden mij bijgebracht door eene schrandere vrouw, eene die ook het lijden kende, en die—vóór ik zelf het deed—mijne verwarring en twijfel voelde. „Zoo de mensch, zoo de wereld,” zeide zij nog.De aarde zelf werd door lijden volmaakt. De natuur heeft haar bewerkt door de geweldige daden van hare dienaren des doods. Hunne verdwenen en uitstervende soorten, zijn de herinneringen en de getuigen van den vorigen toestand van den aardbol, toen het lagere leven krioelde, en de Natuurmoestingrijpen om die overstelpende vruchtbaarheid te besnoeien. Wij zien in gedachten de reeks van de opeenvolgende noodzakelijke vernietigingen, die de aarde toen had te ondergaan.

De dampkring, voor de ademhaling onbruikbaar, moest gezuiverd worden door de plantenwereld. Maar die planten groeiden aan in verstikkende dichtheid, zij dekten de aarde als met een vacht; toen kwamen de wegvretende insekten als redders, later weer tot een plaag geworden. Van die insekten en kruipendedieren zuiverde haar het giftig reptiel; en eindelijk toen het hoogere leven, het gevleugelde leven zijn vlucht nam, werd het in den overdadigen groei van zijn jonge vruchtbaarheid een schot gezet door de vernietigende legioenen van de machtige roovers, arend, valk of gier.

Maar deze nuttige vernielers verminderen gaandeweg, nu zij niet meer zoo noodig zijn. De groote massa van kleine kruipende dieren, in hoofdzaak de slachtoffers van de tanden der adders, heeft al veel van zijn dichtheid verloren, en ook de adder wordt zeldzaam. En daar ook de wereld van gevleugeld wild sterk gedund is, òf door den vernielenden mensch, òf door het verdwijnen van sommige insekten, waarvan de kleine vogels leefden, verminderen weêr de vreeselijke lucht-tyrannen. De arend wordt zeldzaam, zelfs in de Alpen, en de onzinnig hooge prijzen, waarmee tegenwoordig de valk betaald wordt, schijnen er op te wijzen, dat die eerste, edelste van de roofvogels bijna is uitgestorven.

Zoo neigt dus de Natuur naar minder geweld. Zegt men daarmede dat de dood ooit verminderen kan? Niet de dood, maar het lijden.

En de wereld komt langzamerhand onder de éénigeMacht, die de noodwendige verhouding weet van Leven en Dood; die den dood kon regelen zóó, dat het evenwicht tusschen de levende soorten behouden wordt; ze begunstigen kan al naar hun nut of onschadelijkheid, en die den dood kon vereenvoudigen, verzachten, en—het woord zij mij toegestaan—kan moraliseeren, door haar snel en pijnloos te maken. Ook verzetten wij ons niet in ernst tegen den dood. Hij is toch maar het masker van de groote levenstransformaties. Maar ernstig verwerpen wij de gruwelijke wreedheid van het lijden; en dit nu zal in den loop der tijden van de aarde verdwijnen. De handlangers van het lijden, de gruwelijke beulen van het Leven, die het onder martelingen vernielen, worden al zeldzamer hier op aarde. In waarheid, als ik in het Museum die naargeestige verzameling van nacht- en dag-roofvogels zie, dan betreur ik niet sterk den ondergang van díe soorten. Want, al geeft het beschouwen van al die gevleugelde roovers een zekere voldoening aan den geweldenaar in ons, om onze bewondering voor kracht, tòch spreekt duidelijk uit dat somber masker hun lage aard. Geweldig bevoorrecht in hun vleugels, en den krachtigen gekromden snavel, levert hun jammerlijk gedrukten schedel het bewijs, dat er voor hen niet de minste noodzaak is, eenig intellekt te gebruiken. Hun samenstel, dat hen de vlugsten van de vluggen maakt, de sterksten der sterken, heeft hen ontheven van veel behendigheid, list en taktiek. Men is geneigd hun moed toe te kennen; maar wáár hebben ze gelegenheid dien te toonen, tegenover altijd mindere vijanden. Vijanden? Neen, slachtoffers. Als het ruwe jaargetijde, de honger, de kleine vogels tot trekken noopt, dan vliegen zij in massa dien dommen tyrannen in den bek, die onnoozelen; toch verre de meerderen, invele opzichten, van hun moordenaars. Die kunstenaars onder de vogels, de zangers, de behendige nestbouwers, door kou en honger worden zij overgeleverd aan de gemeene roovers; aan den arend, aan den buizerd, wordt een maaltijd voorgezet van nachtegalen.

De afplatting van den schedel is het minderwaardigheidsteeken van die moordenaars. Ik vind het in de hoogst geroemden, de meest bewonderden, zelfs in den edelen valk. Edel! zijn adel betwist ik hem te minder, omdat hij in onderscheiding van den arend en de andere beulen, den dood weet te geven metéén slag, afkeerig zijn prooi te martelen. Deze vraten, met hun gering hersenvolume, vormen een sterk contrast met zooveel aardige in 't oog vallende, pittige vogels onder de mindere soorten. De kop van de eersten is enkel snavel, maar de anderen hebben een gezicht. Welk een vergelijking is er te maken tusschen deze grove reuzen en het menschelijk intelligente vogeltje, het roodborstje, dat op dit oogenblik om mij heen fladdert; dan op mijn schouder zit, dan op het papier kijkt naar wat ik schrijf, zich warmt bij het vuur en nieuwsgierig uit het venster ziet of de lente nog niet haast komt.

Moest ik kiezen uit de roofvogels, dan koos ik nog minstens even graag den gier als den arend. Onder de vogels heb ik nog niets zoo grootsch, zoo imposant en indrukwekkend gezien, als onze vijf Algerijnsche gieren (in denJardin des plantes), naast elkaar gezeten als Turksche pacha's, in hun sierlijken halskraag van het teerste witte dons, en met den nobelen grijzen mantel. Een divan met ernstige ballingen, die schijnen te peinzen over 's levens wisselingen, en over de politieke feiten, die hen uit hun land hebben verjaagd.

Wat is het wezenlijk verschil tusschen den arend en den gier? De arend is tuk op bloed en levend vleesch, maar eet ook wat dood is. De gier doodt zelden, en dient het leven; want hij hergeeft het, en brengt in den grooten kringloop terug, wat in ontbinding is, en zijn bederf op andere stoffen zou overbrengen. De arend leeft bijna uitsluitend vanmoord, en men kon hem den handlanger van den Dood noemen; de Gier echter is de dienaar van het Leven.

De arend werd om zijn kracht en schoonheid een symbool voor meer dan één krijgshaftig volk, dat als hij, leefde van doodslag. De Perzen, de Romeinen namen dat symbool aan, en de grootsche gedachtenbeelden door de macht en grootheid van die rijken opgewekt, vereenzelvigde men met den arend. Ernstige mannen, een Aristoteles, namen het dwaze sprookje over, dat hij in de zon zou kunnen zien, en dat hij om zijn jongen op de proef te stellen hen in het zonlicht liet kijken. Eens op dien weg der verdichting, was er geen houden meer aan bij de geleerden. Buffon ging het verste: hij prijst den arend om zijn matigheid. Hij verslindt niet iets geheel. Wat daar van waar is, is dit, dat wanneer de prooi wat groot is, hij zich op de plaats verzadigt en niet veel meê thuis brengt. Ook zegt hij, dat dezevorst van het luchtruimkleine dieren versmaadt. Maar waarneming bewees juist het tegendeel. De gewone arend valt gaarne het vreesachtigste van alle wezens aan, de haas; de steenarend maakt het liefst jacht op eenden. De kleine arend verkiest veldmuizen, en met zulk een graagte, dat hij ze ineens opslokt zonder één snavelstoot. De witstaart-arend schijnt zelfs zijn eigen jongen te dooden, en dikwijls verdrijft hij ze, vóórdat zij zichzelf kunnen voeden. In de buurt van Hâvre was ik eens in de gelegenheid achter de waarheid te komen omtrent de nobele eigenschappen van den arend, en wat er is van zijn matigheid. Een arend, die op zee was gevangen, maar in al te goede handen was gekomen, nl. ten huize van een slager, had zich zoo gemakkelijk geschikt in het geval dat het vleesch hem gewerd zonder strijd, dat hij niets schijnt te betreuren. Arend-Falstaff, doet hij zich te goed, en denkt niet meer aan vechten en jagen, en aan het oneindig luchtruim. Ziet hij niet meer in de zon, hij ziet des te meer naar de keuken, en voor een lekker hapje laat hij zich door de kinderen aan zijn staart trekken.

Gaat rang naar kracht, dan is niet de arend de eerste, maar de vogel „Rock” uit de Duizend en Eén Nacht: de Condor, de reus van de bergreuzen, van de Cordilleras. Hij is de grootste gier, de zeldzaamste, de schadelijkste, die bijna niets anders eet dan levende prooi. Treft hij een groot dier, dan stopt hij zich zoo vol, dat hij zich niet meer bewegen kan; men doodt hem dan met stokslagen.

Om juist over die soorten te kunnen oordeelen, moet men het nest van den arend gezien hebben; een soort slordige, slecht geconstrueerde vloer; vergelijk dat grof, onhandig werk, ik zeg nog niet eens, metdat sierlijk kunststukje, het nest van de vink, maar met wat de insekten doen, met de ondergrondsche gangen van de mier b.v., waarin dit nijver insekt met een verwonderlijk inzicht een oneindige verscheidenheid weet te brengen.

De traditioneele achting voor den moed der groote roofvogels, krijgt ook een flinken stoot als men bij Wilson ziet, hoe een klein vogeltje den grooten zwarten arend vervolgt en plaagt, en hem niet met rust laat, tot hij uit zijn gebied is verjaagd. Een zeldzaam tafreel—die kleine held, die om meer indruk te maken, zijn gewicht bij zijn kracht voegt, hooger en hooger stijgt en zich uit de wolken laat vallen op den rug van den grooten roover; daar zit hij te paard en laat niet los, en gebruikt zijn snaveltje als sporen. En zonder nog naar Amerika te gaan kunt ge al in den „Jardin des plantes” de overmacht waarnemen, van het kleine op het groote, van den geest op de stof, in het eigenaardig samenleven van den raaf met den lammergier. De slimme raaf, de verstandigste van alle roovers, een schoolmeester gelijk in zijn zwart pakje, werkt aan de beschaving van den ruwen gast, zijn medegevangene, den lammergier.

Het is vermakelijk te zien, hoe hij hem leert spelen; hoe hij hem, om zoo te zeggen, menschelijk wil maken, en op honderderlei manieren met allerlei spelletjes zijn ruwe natuur probeert te ontbolsteren. Vooral wordt dit schouwspel vertoond, als de raaf een groot aantal toeschouwers heeft. Ik heb meenen op te merken, dat hij er voor bedankt met zijn wijsheid te pronken voor één enkel getuige. Hij houdt rekening met zijn publiek, en zoo noodig weet hij zich er door te doen respecteeren. Ik heb hem met zijn bek steentjes zien teruggooien naar een kind, dat er mee naar hem gegooid had. Het merkwaardigste spel, dat hij zijn grootenvriend opdringt, is, dat hij hem een stok laat vasthouden, waaraan hij zelf trekt aan den anderen kant. Deze schijnvertooning van een worsteling tusschen kracht en zwakheid, deze gefingeerde gelijkheid, is heel geschikt om den barbaar tot zachtheid te stemmen; hij blijft onverschillig, maar geeft aan het aandringen toe, en schikt zich met een soort van half getemde goedmoedigheid.

De raaf is niet in het minst bevreesd voor dit groote dier, met zijn onverwinbare klauwen en haaksnavel, hard als ijzer, die met één slag zou dooden. Met de zekerheid van een hoogstaanden geest, tegenover deze logge massa, beweegt hij zich om hem heen, neemt hem zijn prooi uit den bek. De ander bromt, maar te laat. Zijn goeverneur, veel vlugger van beweging, heeftmet zijn schitterend zwart, staalglanzend oog, de beweging al gemerkt; hij springt op zij, desnoods één of twee takken hooger, en hij bromt ook, een vermaning schijnt het.

Dit lustig personage heeft bij zijn fratsen een bijzonder voorrecht: het kontrast van zijn ernstig rouwkleed. Ik placht er dagelijks een te zien in de straten van Nantes, op het poortje van een gangetje; in halve gevangenschap troostte hij zich in zijn gekortwiekten toestand door een loopje te nemen met honden. De straathonden liet hij gaan. Maar als zijn ondeugende blik viel op een eleganten rashond, die zijn moedwil waardig was, dan sprong hij hem handig van achteren op zijn rug en gaf hem twee korte pikken met zijn zwarten snavel; jankend vluchtte dan de hond weg, en rustig, gewichtig en voldaan, betrok de raaf weer zijn post. Nooit zou men gedacht hebben, dat zoo'n biddersfiguur op die manier zijn tijd kortte.

Men zegt, dat in de vrijheid, sterk door hun gemeenschapsgevoel en hun groot aantal, zij in hun stoute stukken zoo ver gaan, dat zij, als de arend afwezig is, de vermetelheid hebben zijn eieren te rooven uit het nest. En wat moeielijker te gelooven valt, men beweert, zwermen raven gezien te hebben, die terwijl de arend tegenwoordig was en zijn gezin verdedigde, hem met hun gekrijsch verdoofden, hem aanvielen, er uit trokken en een jong meenamen!

Zooveel moeite en gevaar voor zulk een povere buit! Indien het waar was, zou men moeten veronderstellen, dat de wijze en voorzichtige republiek te dikwijls geplaagd en vervolgd door den tyran van de streek, de uitroeiing van zijn stam had besloten, en meende met een alles trotseerende toewijding het besluit te moeten uitvoeren.

Hun wijsheid blijkt uit tallooze voorbeelden, vooraluit de weloverlegde keus van een verblijf. De raven, die ik heb waargenomen te Nantes van een van de heuvels van de Erdre, trokken 's morgens over mijn hoofd weg, en kwamen 's avonds terug. Zij hadden blijkbaar een huis in de stad en een huis buiten. Overdag betrokken zij observatieposten op den toren van de kathedraal, speurende naar de smakelijke beten, die de stad hun had aan te bieden. Verzadigd, trokken zij dan naar de bosschen terug, of naar de goed beveiligde rotsen, waar zij graag den nacht doorbrengen. Het zijn gezeten burgers, geen zwervers. Zeer gehecht aan hun gezin, vóóral aan hun gade, waarvan zij de zeer getrouwe echtgenoot zijn, moest hun eenige verblijfplaats hun nest wezen. Maar de vrees voor de groote nachtvogels, noopt hun, twintig of dertig te gelijk zich 's nachts bij elkaar te houden, een aantal voldoende voor een gevecht, als dit noodig mocht blijken. Hun haat en afschuw is de uil; als zij dien overdag vinden, nemen zij wraak voor zijn nachtelijke misdrijven: zij jouwen hem uit en zitten hem na, tot zij hem, gebruik makende van de verwarring, waarin zijn benarden toestand hem brengt, gemakkelijk kunnen dooden.

Uit iederen vorm van associatie weten zij voordeel te trekken. De zoetste gemeenschap, het gezin, doet hen toch nooit het verbond van verdediging vergeten, noch dat van aanval. Zij gaan nog verder, zij vereenigen zich zelfs met hun meerderen, de gieren; zij roepen ze, gaan ze voor, of volgen hen, om op hunne kosten te leven. En wat het allersterkste is: zij houden zich zelfs aan hun vijand den arend, blijven in zijn omgeving, om van zijn gevechten te profiteeren, en van zijne overwinningen op eenig groot dier. Deze slimme speculanten, wachten op een afstand, tot de arend tot zich heeft genomen, wat hij nemen kon, heeft gezwolgen in bloed; dan vliegt hij weg en het overschot is voor de raven.

Hun duidelijke meerderheid boven zeer veel vogels, moet het gevolg zijn van den hoogen leeftijd, dien zij bereiken, en van hun ondervinding, in verband met hun uitstekend geheugen. In tegenstelling met de meeste dieren, bij welke de levensduur evenredig is aan den duur van hun jeugd, zijn zij na een jaar volwassen, en leven, zegt men, een eeuw.

De groote verscheidenheid van voedsel, alles nl. wat eetbaar is in het planten- en dierenrijk, alle prooi dood of levend, geeft hun een groote kennis van dingen en tijden, van oogst en jacht. Zij stellen in alles belang en merken alles op. De ouden, die veel meer dan wij het doen, met de Natuur leefden, hebben veel voordeel er van gehad, dat zij de aanwijzingen van zulk een wijzen en voorzichtigen vogel gevolgd hebben, in velerlei duistere gevallen, waar de menschelijke ondervinding nog geen licht zag.

Ten spijt van de aristocraten onder de roofvogels, is de raaf menigmaal hun gids, ondanks zijn biddersrok en zijn mal gezicht; en ondanks zijn gebrek aan kieschkeurigheid wat zijn voeding betreft, is hij tòch demeerdere in geest van de groote soorten, waarvan hij in volume ook al weer de mindere is. Maar de raaf is toch nog alléén maar, de voorzichtige om het voordeel, de wijze uit eigenbelang. Om bij de hooger staanden te komen, de helden van het gevleugelde ras, die aartskunstenaars met hun warm hart; daarvoor moeten wij geringer volume zoeken; de stof verminderen, om den geest te verheffen en de zedelijke ontwikkeling te verkrijgen. De Natuur, als veel moeders, heeft een zwak voor de kleintjes.

2e. PARTIE2EDEEL.

2e. PARTIE

LA LUMIÈRE - LA NUITHET LICHT.De Nacht.

LA LUMIÈRE - LA NUIT

HET LICHT.DE NACHT.„„Licht! meer Licht!” dit waren de laatste woorden, die Goethe sprak1). Het woord van het stervend genie, is de kreet van de geheele natuur, die doorklinkt van wereld tot wereld. Wat deze machtige geest zeide, hij een van Gods ouderen, dat roepen ook de laagststaanden in het dierlijk leven. De weekdieren in de diepten der zee, kunnen niet bestaan waar het licht niet doordringt. De bloem zoekt het licht, wendt zich naar de zon en kwijnt in de schaduw. Onze kameraads, de dieren, verheugen zichin het licht als wij, en missen het als het gaat. Mijn kleinzoon, pas twee maanden oud, begint te schreien als de schemer valt!„Dezen zomer, wandelend in mijn tuin, zag en hoorde ik op een tak, een vogel, die naar den ondergang der zon gewend, zijn lied zong. Hij richtte zich naar het licht, en scheen in verrukking... En ik was verrukt dat te zien; onze arme vogels, die zooveel missen, konden mij nooit doen voelen, wat dit intelligent en machtig schepsel mij gaf, dat zóó klein was en toch zoo hartstochtelijk bewogen... Ik trilde bij zijn zang. Hij wierp het kopje naar achteren, de borst hoog en wijd; geen dichter noch zanger was ooìt in een zoo naïeve extase.—Toch was het de liefde niet, die tijd was voorbij; het was duidelijk de bekoring van het licht, van den dag, van de heerlijke zon!„Hoe barbaarsch toch de wetenschap, hoe steil onze trots, die de levende Natuur zóó onze mindere rekent, en zóó den mensch afscheidt van zijne nederiger broeders!„En ik zeide met vochtige oogen:„Arm kind van het licht, die het laat schitteren in uw zang; hebt ge zooveel reden tot zingen? De nacht, voor u vol hinderlagen en gevaar, gelijkt haast den dood. Zultge morgen misschien het licht wel terugzien?”En zijn lot overdenkend, zag mijn geest het leven van al die wezens, die van uit de diepten der schepping zoo langzaam tot het licht komen. En ik zeide als Goethe en die kleine vogel: „Licht, Heer! meer licht!””(Michelet, „le Peuple” 1846).De wereld der visschen, is de wereld van het zwijgen. Men is gewoon te zeggen: „stom als een visch.” De wereld der insekten is die van den nacht, zij zijn alle lichtschuw. Zelfs zij die als de bij, bij daglicht werken, verkiezen toch de duisternis.De wereld der vogels is de wereld van het Licht, van den zang. Allen leven van de zon,doordringenzich met zonnelicht, het licht inspireert hen. De vogels van het Zuiden weerspiegelen het licht in hun veeren; die van ons klimaat geven het in hun zang, en velen volgen het licht van land tot land. „Ziet,” zegt Saint John, „hoe zij des morgens de opgaande zon begroeten, en hoe getrouw zij des avonds zich vereenigen om haar te zien ondergaan van onze Schotsche kusten. En de auerhaan verheft zich om haar langer te kunnen zien en balanceert zich op den hoogsten tak van den hoogsten den.”Licht, liefde en zang zijn voor hen één. Wil men den gevangen nachtegaal hooren zingen, buiten den tijd van zijn liefdezang, dan bedekt men zijn kooi,en daarna, plotseling, geeft men hem het licht terug; hij herkrijgt dan zijn stem. De rampzalige vink, door barbaren blind gemaakt, zingt met een ziekelijke en wanhopige opwinding, als schiep hij zich met zijn stem een licht van harmonie; zijn zon is het inwendig vuur. Ik mag gaarne gelooven, dat dit de hoofdreden is, waarom de vogels zingen in de sombere klimaten, waar het licht verschijnt in plotseling doorbreken, met tintelend leven. Vergeleken met de lichte landen, waar de zon nooit verduistert, zijn onze streken, met hun door nevels en wolken omsluierd licht, dat plotseling schitterend doorbreekt, als de gedekte en afgedekte kooi van den nachtegaal. Het roept den zang te voorschijn en de harmonie, die hun licht is.En ook de vlucht van den vogel hangt af van het licht; zoowel van het oog als van den vleugel. Bij de soorten met een fijn en doordringend gezicht begaafd, als de valk, die van hemelhoog het roodborstjein de struiken ziet; als de zwaluw, die een vliegje ziet op duizend voet afstand, is de vlucht vast, stout, bekoorlijk om te zien, door haar onfeilbare zekerheid. Anderen, men ziet het aan hun bewegingen, zijn bijzienden, die voorzichtig zijn, tasten, vreezen zich te stooten.Het oog en de vleugel, de vlucht en het gezicht, tot zulk een graad volkomen, dat zij vermogen met één blik eindelooze verten te omvatten, immense landen, ja, koninkrijken; en niet ze te omtrekken als een landkaart, maar te zien in hun geheele verscheidenheid van détails; ze waar te nemen, te bezitten, bijna God gelijk! O welk een bron van genot! vreemd en mysterieus geluk, den mensch bijna onbegrijpelijk!.. En weet ook, dat dit zien zóó scherp en levendig is, dat het zich vastprent in het geheugen, zóózeer, dat zelfs een duif—die toch tot de lager staande dieren behoort—herkent en terugvindt alle bizonderheden van een éénmaal afgelegden weg. Wie spreekt nu nog van den wijzen ooievaar, de slimme raaf, de verstandige zwaluw!Erkennen wij die meerderheid! Laat ons de vreugde der visie zonder afgunst aanzien; misschien gewordt zij ook ons, in een beter bestaan. Het geluk van zoo veel, zoo ver, zoo goed te zien, de oneindigheid te doordringen met blik en wiek, bijna even snel, wanneer krijgt men die?—In het leven, dat ons verwijderd ideaal is.Het leven in het volle licht en zonder schaduw.Het bestaan der vogels is er reeds een voorproef van. En voor hen zou het een goddelijke bron van kennis kunnen zijn, als zij in hun sublieme vrijheid niet de twee fataliteiten te dragen hadden, die het leven op onze aarde in een staat van barbaarschheid houden, en de vlucht naar hooger belemmeren.De fataliteit van het lijf, die ons allen gekluisterd houdt, maar die vooral de vijand is van die levende vlam, van dat verterend vuur, den vogel; die van hem vordert, onafgebroken te zoeken, te zwerven, te vergeten, hem onherroepelijk veroordeelt, tot de onvruchtbare beweeglijkheid van te wisselende indrukken. De tweede fataliteit is de nacht, de slaap, de uren van duisternis en gevaar, als zijn vleugels verlamd zijn, en weerloos overgeleverd, hij het vermogen te vliegen verloren heeft, en zijn kracht en zijn licht.Lichtwil zeggen, veiligheid voor alle leven.Lichtwaarborgt leven voor mensch en dier; het is de geruststellende, vredige, sereene glimlach van de Natuur, hare openheid. Zij maakt een einde aan de sombere angsten, die met de duisternis mee komen, aan vrees, maar al te gegrond, en ook aan de niet minder wreede kwellingen van de droomen, aan de troebele gedachten, die de ziel verwarren en verbijsteren.In de zekerheid, die hij op den duur verkreeg door het maatschappelijk leven, is de mensch nauwelijks meer in staat de angsten en gevaren door te voelen van een leven in de wildernis, op de uren, waarin de Natuur zoo weinig verweer meer overlaat; waar haar wreede onpartijdigheid den weg baant voor den dood, die zoo wettig is als het leven. Zij zegt den vogel, dat ook de uil moet leven. Zij antwoordt den mensch: „Ik moet mijn leeuwen voeden...”Leest in de reisbeschrijvingen, de angsten van de rampzalig verdwaalden in de Afrikaansche wildernissen; van den ongelukkigen slaaf, die de menschelijke barbaarschheid ontvlucht, om een barbaarsche Natuur te ontmoeten. Welk een doodsangst, als na zonsondergang de sinistere voorloopers van den leeuw gaan rondsluipen, de wolven en jakhalzen, die hem op een afstand vergezellen, hem voorafgaan al speurend, hem volgen als zijn lijkbidders. Zij mauwen u toe met hun gejank: „Morgen zal men uw beenderen zoeken.” O ontzetting! Dáár is hij vlak bij u... hij ziet u... kijkt, brult dof en diep, uit den afgrond van zijn metalen keel; hij keurt zijn levende prooi, wil haar, eischt haar voor zich! Het paard verdraagt dat niet! Het siddert en rilt onder het koude zweet—het steigert... De man, gebukt tusschen twee vuren, als hij nog kans ziet die te ontsteken, behoudt nauwelijks genoeg kracht om dat licht-bolwerk, zijn éénige kans op redding te onderhouden.Maar even schrikkelijk is de nacht voor de vogels van ons klimaat, al schijnt dat minder gevaarlijk. Welke monsters verbergt hij, wat een afschuwelijke kansen voor hen in zijn duisternis! En al de vijanden hebben dìt gemeen, dat zij komen zonder geluid; de uil vliegt zoo stil, of hij met watten gevoerd is. De lange wezel dringt in het nest, zonder één blad te beroeren; de felle steenmarter, door het warme bloed geprikkeld, is zóó vlug dat hij in één oogenblik een heele familie vermoordt en uitzuigt. Het schijnt, dat de vogel, wanneer hij jongen heeft, begaafd is met het tweede gezicht waar het deze gevaren betreft. Hij heeft een kroost te beschermen, dat nog zwakker, nog weerloozer is dan dat van de viervoeters, wier jongen bij hun geboorte al loopen kunnen. Maar welk eene bescherming! Hij kan niet veel anders doendan blijven en sterven; hij vliegt niet weg, de liefde verlamde zijn vleugels. Den geheelen nacht wordt de ingang van het nest bewaakt door den vader, die niet slaapt en niet waakt, uitgeput is van vermoeienis, en het gevaar alléén zijn zwak bekje kan bieden en zijn wankelend kopje. Wat moet het, als hij den gruwelijken muil zal zien van de slang, het vreeselijk oog van den nachtvogel, onnatuurlijk vergroot?Hij vreest voor de zijnen, niet voor zich alléén. In den ongepaarden tijd spaart de natuur hem de kwellingen van het vooruitzien. Hij is niet bang, maar treurig en somber; hij zwijgt, hij maakt zich klein, en steekt het kopje in de vleugels; zijn hals verdwijnt zelfs tusschen de veeren. Deze houding van berusting en vertrouwen neemt hij iederen avond aan, te midden van gevaren en onbeschermd; hetwas zijn houding in het ei; die rustige moederlijke gevangenis, waar hij volkomen veilig was.Somber is voor alle wezens de avond, zelfs voor hen, die beschermd zijn.De Hollandsche schilders hebben het naïef gevoeld en uitgedrukt voor het vee in de weide. Het paard sluit zich dicht aan zijn makker, rust zijn hoofd tegen hem aan. De koe komt voor het hek met haar kalfje, wil terug naar stal. Want die hebben een stal, een verblijf, een plaats waar zij veilig zijn voor de nachtelijke lagen. De vogel heeft voor dak een blad, meer niet.Maar welk een jubel dan in den morgen, als de verschrikkingen verdwijnen met het donker; als alle boschjes, alle struiken verlicht worden! Welk een gekweel en druk gebabbel bij de nesten! Het is als een wederzijdsch gelukwenschen, dat men elkaar terug ziet, dat men nog leeft. En dan komt het zingen! De leeuwerik stijgt kweelend op uit de vore en draagt den jubel der aarde mee ten hemel.Zoo de vogel, zoo de mensch. Het is zoo over de geheele wereld. De oude Indische Veda's zijn in iederen regel een hymne aan het licht, den levensbehouder van het leven; aan de zon, die iederen nieuwen dag de aarde openbaart en doet herboren worden en behoudt. Wij herleven, wij ademen, wij doen de rondte in onze woning, wij hervinden het gezin, wij tellen onze kudden. Er is niets dood, het leven is gebleven. De tijger is ons niet overvallen; de horden der roofdieren zijn niet over ons losgebroken. De zwarte slang heeft geen misbruik gemaakt van onzen slaap. Gezegend zijt gij, o zon, dat gij ons weder een dag geeft!Alle dieren, zoo zeggen de Indiërs en vooral het wijste dier: de olifant, begroeten de zon en danken haarin den morgenstond; in zichzelf zingen zij haar een hymne van erkentelijkheid. Maar één enkele spreekt het uit, zegt het voor allen, zingt het. Wie? Een der zwakken; hij die het meest den nacht vreest, en de grootste vreugde voelt in den ochtend; hij die leeft van het licht, wiens fijne gezichtswerktuigen, oneindig gevoelig, vèrziend en doordringend, alle détails waarnemen; hij die het nauwst verbonden is aan de lichtwisselingen, het gaan en komen van den dag.De vogels zingen de morgenhymne, en spreken den zegen over den dag, voor de geheele natuur. Zij zijn priesters en auguren van het licht, en ook zijn schuldeloos goddelijke stem.1)Ik ben bij dezen aanhef, dien ik niet wilde weglaten, verplicht, het enthousiasme van den schrijver onder een domper te zetten. Het onderzoek van later tijd leerde ons wat hem nog onbekend moest zijn:1º. Goethe's laatste woorden hebben niet op het geestelijk licht betrekking, maar op het daglicht. Zij volgen hier:„Gleich darauf rief er Friedrichen zu: „„Mach doch den zweiten Fensterladen in der Stube auch auf, damit mehr Licht hereinkomme.””Dies sollen seine letzten Worte gewesen sein.”(Goethe im Gespräch).2º. Weet men nu dat er zéér veel dieren zijn, die wel in het donker leven.(de Vertaalster).

HET LICHT.

DE NACHT.

„„Licht! meer Licht!” dit waren de laatste woorden, die Goethe sprak1). Het woord van het stervend genie, is de kreet van de geheele natuur, die doorklinkt van wereld tot wereld. Wat deze machtige geest zeide, hij een van Gods ouderen, dat roepen ook de laagststaanden in het dierlijk leven. De weekdieren in de diepten der zee, kunnen niet bestaan waar het licht niet doordringt. De bloem zoekt het licht, wendt zich naar de zon en kwijnt in de schaduw. Onze kameraads, de dieren, verheugen zichin het licht als wij, en missen het als het gaat. Mijn kleinzoon, pas twee maanden oud, begint te schreien als de schemer valt!

„Dezen zomer, wandelend in mijn tuin, zag en hoorde ik op een tak, een vogel, die naar den ondergang der zon gewend, zijn lied zong. Hij richtte zich naar het licht, en scheen in verrukking... En ik was verrukt dat te zien; onze arme vogels, die zooveel missen, konden mij nooit doen voelen, wat dit intelligent en machtig schepsel mij gaf, dat zóó klein was en toch zoo hartstochtelijk bewogen... Ik trilde bij zijn zang. Hij wierp het kopje naar achteren, de borst hoog en wijd; geen dichter noch zanger was ooìt in een zoo naïeve extase.—Toch was het de liefde niet, die tijd was voorbij; het was duidelijk de bekoring van het licht, van den dag, van de heerlijke zon!

„Hoe barbaarsch toch de wetenschap, hoe steil onze trots, die de levende Natuur zóó onze mindere rekent, en zóó den mensch afscheidt van zijne nederiger broeders!

„En ik zeide met vochtige oogen:„Arm kind van het licht, die het laat schitteren in uw zang; hebt ge zooveel reden tot zingen? De nacht, voor u vol hinderlagen en gevaar, gelijkt haast den dood. Zultge morgen misschien het licht wel terugzien?”En zijn lot overdenkend, zag mijn geest het leven van al die wezens, die van uit de diepten der schepping zoo langzaam tot het licht komen. En ik zeide als Goethe en die kleine vogel: „Licht, Heer! meer licht!””(Michelet, „le Peuple” 1846).

De wereld der visschen, is de wereld van het zwijgen. Men is gewoon te zeggen: „stom als een visch.” De wereld der insekten is die van den nacht, zij zijn alle lichtschuw. Zelfs zij die als de bij, bij daglicht werken, verkiezen toch de duisternis.

De wereld der vogels is de wereld van het Licht, van den zang. Allen leven van de zon,doordringenzich met zonnelicht, het licht inspireert hen. De vogels van het Zuiden weerspiegelen het licht in hun veeren; die van ons klimaat geven het in hun zang, en velen volgen het licht van land tot land. „Ziet,” zegt Saint John, „hoe zij des morgens de opgaande zon begroeten, en hoe getrouw zij des avonds zich vereenigen om haar te zien ondergaan van onze Schotsche kusten. En de auerhaan verheft zich om haar langer te kunnen zien en balanceert zich op den hoogsten tak van den hoogsten den.”

Licht, liefde en zang zijn voor hen één. Wil men den gevangen nachtegaal hooren zingen, buiten den tijd van zijn liefdezang, dan bedekt men zijn kooi,en daarna, plotseling, geeft men hem het licht terug; hij herkrijgt dan zijn stem. De rampzalige vink, door barbaren blind gemaakt, zingt met een ziekelijke en wanhopige opwinding, als schiep hij zich met zijn stem een licht van harmonie; zijn zon is het inwendig vuur. Ik mag gaarne gelooven, dat dit de hoofdreden is, waarom de vogels zingen in de sombere klimaten, waar het licht verschijnt in plotseling doorbreken, met tintelend leven. Vergeleken met de lichte landen, waar de zon nooit verduistert, zijn onze streken, met hun door nevels en wolken omsluierd licht, dat plotseling schitterend doorbreekt, als de gedekte en afgedekte kooi van den nachtegaal. Het roept den zang te voorschijn en de harmonie, die hun licht is.

En ook de vlucht van den vogel hangt af van het licht; zoowel van het oog als van den vleugel. Bij de soorten met een fijn en doordringend gezicht begaafd, als de valk, die van hemelhoog het roodborstjein de struiken ziet; als de zwaluw, die een vliegje ziet op duizend voet afstand, is de vlucht vast, stout, bekoorlijk om te zien, door haar onfeilbare zekerheid. Anderen, men ziet het aan hun bewegingen, zijn bijzienden, die voorzichtig zijn, tasten, vreezen zich te stooten.

Het oog en de vleugel, de vlucht en het gezicht, tot zulk een graad volkomen, dat zij vermogen met één blik eindelooze verten te omvatten, immense landen, ja, koninkrijken; en niet ze te omtrekken als een landkaart, maar te zien in hun geheele verscheidenheid van détails; ze waar te nemen, te bezitten, bijna God gelijk! O welk een bron van genot! vreemd en mysterieus geluk, den mensch bijna onbegrijpelijk!.. En weet ook, dat dit zien zóó scherp en levendig is, dat het zich vastprent in het geheugen, zóózeer, dat zelfs een duif—die toch tot de lager staande dieren behoort—herkent en terugvindt alle bizonderheden van een éénmaal afgelegden weg. Wie spreekt nu nog van den wijzen ooievaar, de slimme raaf, de verstandige zwaluw!

Erkennen wij die meerderheid! Laat ons de vreugde der visie zonder afgunst aanzien; misschien gewordt zij ook ons, in een beter bestaan. Het geluk van zoo veel, zoo ver, zoo goed te zien, de oneindigheid te doordringen met blik en wiek, bijna even snel, wanneer krijgt men die?—In het leven, dat ons verwijderd ideaal is.Het leven in het volle licht en zonder schaduw.

Het bestaan der vogels is er reeds een voorproef van. En voor hen zou het een goddelijke bron van kennis kunnen zijn, als zij in hun sublieme vrijheid niet de twee fataliteiten te dragen hadden, die het leven op onze aarde in een staat van barbaarschheid houden, en de vlucht naar hooger belemmeren.

De fataliteit van het lijf, die ons allen gekluisterd houdt, maar die vooral de vijand is van die levende vlam, van dat verterend vuur, den vogel; die van hem vordert, onafgebroken te zoeken, te zwerven, te vergeten, hem onherroepelijk veroordeelt, tot de onvruchtbare beweeglijkheid van te wisselende indrukken. De tweede fataliteit is de nacht, de slaap, de uren van duisternis en gevaar, als zijn vleugels verlamd zijn, en weerloos overgeleverd, hij het vermogen te vliegen verloren heeft, en zijn kracht en zijn licht.Lichtwil zeggen, veiligheid voor alle leven.

Lichtwaarborgt leven voor mensch en dier; het is de geruststellende, vredige, sereene glimlach van de Natuur, hare openheid. Zij maakt een einde aan de sombere angsten, die met de duisternis mee komen, aan vrees, maar al te gegrond, en ook aan de niet minder wreede kwellingen van de droomen, aan de troebele gedachten, die de ziel verwarren en verbijsteren.

In de zekerheid, die hij op den duur verkreeg door het maatschappelijk leven, is de mensch nauwelijks meer in staat de angsten en gevaren door te voelen van een leven in de wildernis, op de uren, waarin de Natuur zoo weinig verweer meer overlaat; waar haar wreede onpartijdigheid den weg baant voor den dood, die zoo wettig is als het leven. Zij zegt den vogel, dat ook de uil moet leven. Zij antwoordt den mensch: „Ik moet mijn leeuwen voeden...”

Leest in de reisbeschrijvingen, de angsten van de rampzalig verdwaalden in de Afrikaansche wildernissen; van den ongelukkigen slaaf, die de menschelijke barbaarschheid ontvlucht, om een barbaarsche Natuur te ontmoeten. Welk een doodsangst, als na zonsondergang de sinistere voorloopers van den leeuw gaan rondsluipen, de wolven en jakhalzen, die hem op een afstand vergezellen, hem voorafgaan al speurend, hem volgen als zijn lijkbidders. Zij mauwen u toe met hun gejank: „Morgen zal men uw beenderen zoeken.” O ontzetting! Dáár is hij vlak bij u... hij ziet u... kijkt, brult dof en diep, uit den afgrond van zijn metalen keel; hij keurt zijn levende prooi, wil haar, eischt haar voor zich! Het paard verdraagt dat niet! Het siddert en rilt onder het koude zweet—het steigert... De man, gebukt tusschen twee vuren, als hij nog kans ziet die te ontsteken, behoudt nauwelijks genoeg kracht om dat licht-bolwerk, zijn éénige kans op redding te onderhouden.

Maar even schrikkelijk is de nacht voor de vogels van ons klimaat, al schijnt dat minder gevaarlijk. Welke monsters verbergt hij, wat een afschuwelijke kansen voor hen in zijn duisternis! En al de vijanden hebben dìt gemeen, dat zij komen zonder geluid; de uil vliegt zoo stil, of hij met watten gevoerd is. De lange wezel dringt in het nest, zonder één blad te beroeren; de felle steenmarter, door het warme bloed geprikkeld, is zóó vlug dat hij in één oogenblik een heele familie vermoordt en uitzuigt. Het schijnt, dat de vogel, wanneer hij jongen heeft, begaafd is met het tweede gezicht waar het deze gevaren betreft. Hij heeft een kroost te beschermen, dat nog zwakker, nog weerloozer is dan dat van de viervoeters, wier jongen bij hun geboorte al loopen kunnen. Maar welk eene bescherming! Hij kan niet veel anders doendan blijven en sterven; hij vliegt niet weg, de liefde verlamde zijn vleugels. Den geheelen nacht wordt de ingang van het nest bewaakt door den vader, die niet slaapt en niet waakt, uitgeput is van vermoeienis, en het gevaar alléén zijn zwak bekje kan bieden en zijn wankelend kopje. Wat moet het, als hij den gruwelijken muil zal zien van de slang, het vreeselijk oog van den nachtvogel, onnatuurlijk vergroot?

Hij vreest voor de zijnen, niet voor zich alléén. In den ongepaarden tijd spaart de natuur hem de kwellingen van het vooruitzien. Hij is niet bang, maar treurig en somber; hij zwijgt, hij maakt zich klein, en steekt het kopje in de vleugels; zijn hals verdwijnt zelfs tusschen de veeren. Deze houding van berusting en vertrouwen neemt hij iederen avond aan, te midden van gevaren en onbeschermd; hetwas zijn houding in het ei; die rustige moederlijke gevangenis, waar hij volkomen veilig was.

Somber is voor alle wezens de avond, zelfs voor hen, die beschermd zijn.

De Hollandsche schilders hebben het naïef gevoeld en uitgedrukt voor het vee in de weide. Het paard sluit zich dicht aan zijn makker, rust zijn hoofd tegen hem aan. De koe komt voor het hek met haar kalfje, wil terug naar stal. Want die hebben een stal, een verblijf, een plaats waar zij veilig zijn voor de nachtelijke lagen. De vogel heeft voor dak een blad, meer niet.

Maar welk een jubel dan in den morgen, als de verschrikkingen verdwijnen met het donker; als alle boschjes, alle struiken verlicht worden! Welk een gekweel en druk gebabbel bij de nesten! Het is als een wederzijdsch gelukwenschen, dat men elkaar terug ziet, dat men nog leeft. En dan komt het zingen! De leeuwerik stijgt kweelend op uit de vore en draagt den jubel der aarde mee ten hemel.

Zoo de vogel, zoo de mensch. Het is zoo over de geheele wereld. De oude Indische Veda's zijn in iederen regel een hymne aan het licht, den levensbehouder van het leven; aan de zon, die iederen nieuwen dag de aarde openbaart en doet herboren worden en behoudt. Wij herleven, wij ademen, wij doen de rondte in onze woning, wij hervinden het gezin, wij tellen onze kudden. Er is niets dood, het leven is gebleven. De tijger is ons niet overvallen; de horden der roofdieren zijn niet over ons losgebroken. De zwarte slang heeft geen misbruik gemaakt van onzen slaap. Gezegend zijt gij, o zon, dat gij ons weder een dag geeft!

Alle dieren, zoo zeggen de Indiërs en vooral het wijste dier: de olifant, begroeten de zon en danken haarin den morgenstond; in zichzelf zingen zij haar een hymne van erkentelijkheid. Maar één enkele spreekt het uit, zegt het voor allen, zingt het. Wie? Een der zwakken; hij die het meest den nacht vreest, en de grootste vreugde voelt in den ochtend; hij die leeft van het licht, wiens fijne gezichtswerktuigen, oneindig gevoelig, vèrziend en doordringend, alle détails waarnemen; hij die het nauwst verbonden is aan de lichtwisselingen, het gaan en komen van den dag.

De vogels zingen de morgenhymne, en spreken den zegen over den dag, voor de geheele natuur. Zij zijn priesters en auguren van het licht, en ook zijn schuldeloos goddelijke stem.

1)Ik ben bij dezen aanhef, dien ik niet wilde weglaten, verplicht, het enthousiasme van den schrijver onder een domper te zetten. Het onderzoek van later tijd leerde ons wat hem nog onbekend moest zijn:1º. Goethe's laatste woorden hebben niet op het geestelijk licht betrekking, maar op het daglicht. Zij volgen hier:„Gleich darauf rief er Friedrichen zu: „„Mach doch den zweiten Fensterladen in der Stube auch auf, damit mehr Licht hereinkomme.””Dies sollen seine letzten Worte gewesen sein.”(Goethe im Gespräch).2º. Weet men nu dat er zéér veel dieren zijn, die wel in het donker leven.(de Vertaalster).

1)Ik ben bij dezen aanhef, dien ik niet wilde weglaten, verplicht, het enthousiasme van den schrijver onder een domper te zetten. Het onderzoek van later tijd leerde ons wat hem nog onbekend moest zijn:

1º. Goethe's laatste woorden hebben niet op het geestelijk licht betrekking, maar op het daglicht. Zij volgen hier:

„Gleich darauf rief er Friedrichen zu: „„Mach doch den zweiten Fensterladen in der Stube auch auf, damit mehr Licht hereinkomme.””Dies sollen seine letzten Worte gewesen sein.”

(Goethe im Gespräch).

2º. Weet men nu dat er zéér veel dieren zijn, die wel in het donker leven.

(de Vertaalster).


Back to IndexNext