L'ORAGE ET L'HIVER - MIGRATIONSSTORM EN WINTER.De Trek.
L'ORAGE ET L'HIVER - MIGRATIONS
STORM EN WINTER.DE TREK.Een van natuur's vertrouwden, een heilige ziel, eenvoudig en diep,Virgilius, zag de vogels, zooals de oude Italiaansche wijsheid hen zag, als waarzeggers en profeten van de atmosferische wisselingen:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken,By regen lantschade, of de wackre kraenevlughtStreeck, eer de regen quam gevallen uit de luchtIn een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken;. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen,Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een.Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heenVan Asiën en in Kaïstus koele plassen,Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen,Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt,Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan krytEn schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegenEn springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geefEn heldren zonneschyn niet min dit zien en sterckenBy regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven,Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schachtDan baekren in de zon, die heet is in haer kracht. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedtDie op het ondergaen des zonnewagens let,Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . De raven schreeuwen bovenTot drywerf uit haer nest met een benaude keel.Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheelMet onderling vermaeck, en boven haer gewenteOm hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente:En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck,Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.”(Vondel: Virgilius „Lantgedichten”).In hooge mate elektrisch-gevoelig, staan de vogels meer dan eenig ander wezen in verbinding met tal van meteorologische verschijnselen van warmte en magnetisme, die voor onze zintuigen niet zijn waar te nemen. Zij voelen die bij hun ontstaan, bij hun eerst beginnen, voor zij zich ons nog openbaren. Het is een soort van physiek tweede gezicht. Is het dan niet natuurlijk, dat de mensch, minder fijn waarnemer, die pas na het gebeurde voelt, deze aankondigers raadpleegt?Zoo handelden in de oudheid de auguren; die zoogenaamde dwaasheid van de ouden, was diepe wijsheid.In 't bijzonder zou de meteorologie er veel nut van kunnen hebben; zij had dan zekerder middelen. Maar ook zij heeft reeds een gids gevonden in het voorspellen der vogels. En had Napoleon in 1811 maar rekening gehouden met den onnatuurlijken vroegen trek uit het Noorden! Ooievaars en kraanvogels hadden hem wel ingelicht! Aan hun buitengewoon vroeg trekken, had hij dan geweten, hoe een lange en vreeselijke winter stond te komen. Zij repten zich naar het Zuiden—en hij bleef te Moscou.De vermoeide vogel, die midden op den Oceaan, tegen den nacht neerstrijkt, op den mast van een schip, wordt door dat bewegelijk rustpunt ver uit zijn koers gebracht; toch vindt hij die gemakkelijk terug. Hij staat in zulk een volkomen betrekking tot de aarde, en is zoo juistgeoriënteerd, dat hij den volgenden morgen zonder aarzelen zijn weg neemt. Een kort oogenblik van beraad met zichzelf, is voldoende. Hij kiest boven dezen immensen afgrond, die grenzenlooze eenzaamheid, waarop de vore van het schip één enkel spoor trekt, de juiste lijn, die hij moet volgen voor zijn doel. Het is daar niet als op het land; geen enkel herkenningsteeken, geen merk, geen leiddraad. Alleen de luchtstroomingen, in verband misschien met die van het water, mogelijk ook onzichtbare magnetische stroomingen, zijn de loodsen van dien kloeken reiziger.Wonderbaar weten! Niet alleen wéét de zwaluw, dat de insecten, die hem hier ontbreken hem elders wachten, en hij zoekt ze, trekkende volgens de lengtegraden; maar op dezelfde breedte in hetzelfde klimaat weet de wielewaal van de Vereenigde Staten, dat de kersen rijp zijn in Frankrijk, en hij vertrekt zonderaarzelen, om onze vruchten te oogsten. Zij vergissen zich, die meenen, dat deze trek in zijn seizoen, op onbepaalde tijden, plaats heeft, zonder keus van den dag. Wij hebben het tegendeel kunnen waarnemen, en het zeer scherpzinnige, nauwkeurige vooruit bepalen, dat vooraf gaat: geen uur vroeger of later. Dat gebeurde, toen wij te Nantes waren, in October 1851; het seizoen was nog heel mooi, en insecten waren er voor de zwaluwen nog in overvloed; toen hadden wij de gelukkige kans, die wijze republiek in een buitengewoon talrijke en zeer levendige vergadering, te zien bijeenkomen. De conferentie werd gehouden op het dak van een kerk, de Sint Félix, die de Erdre beheerscht, en van ter zijde de Loire. Waarom juist deze dag en dit uur? Wij wisten het niet, maar wij zouden het al spoedig begrijpen. 's Morgens was de lucht helder, maar er woei een wind uit de Vendée. Mijn dennen steunden, en uit den ceder kwam een lage diepe toon. De vruchten bezaaiden den grond; wij gingen ze rapen. Gaandeweg betrok de lucht tot een zwart grijs, de wind ging liggen; alles was somber. Toen, het was tegen vier uur—kwamen op dat zelfde moment en van alle kanten, uit het bosch, over de Erdre, van de Loire, van de stad, van de Sèvre, onafzienbare legioenen bewoners aanvliegen, genoeg om den dag te verduisteren. Zij streken neer op de kerk, in dichte massa, duizend stemmen, duizend kreten, en twist en woordenstrijd. Zonder die taal te kennen, begrepen wij heel goed, dat er oneenigheidwas. Misschien hadden de jongen, terug gehouden door den lauwen adem van dezen herfst, nog willen blijven. Maar de wijzen, zij, die ondervinding hadden, de beproefde reizigers, stonden op trekken. Zij wonnen het pleit; de zwarte massa, zich plotseling uitspreidend als een machtige wolk, nam de vlucht naar het Zuid-Oosten, waarschijnlijk naar Italië. Zij waren nog geen driehonderd mijlen ver (ongeveer vijf uur vliegens), of alle sluizen des hemels openden zich, om de aarde te overstroomen. Een oogenblik dachten wij aan een zondvloed. En terug in ons huis, dat schudde onder de woeste windstooten, bewonderden wij de wijsheid van die gewiekte zieners, die zoo voorzichtig het tijdstip van hun jaarlijkschen trek hadden teruggezet.Het kon toch niet de honger zijn, die hen verdreven had.Te midden van een nog mooie en rijke natuur, hadden zij het juiste oogenblik gevoeld, gegrepen, zonder het toch te vroeg te nemen. Den volgenden dag ware te laat geweest. Alle insekten, neergeslagen door die geweldige regens zouden zijn verdwenen, niet meer te vinden; wat den storm overleefd had, zou in den grond zijn gevlucht.Ook is het niet alléén de honger, het verschiet van hongerlijden, dat de trekvogels tot trekken beweegt. Zouden ook al de insekteneters gedwongen zijn te vertrekken, de vogels, die van bessen leven, hadden kunnen blijven. Wat drijft hen? Is het de koude? De meesten konden die verdragen. Bij deze bijzondere redenen moet nog een andere gevoegd worden, een meer algemeene, hoogere; het is de behoefte aanlicht.Zooals de plant onvermijdelijk licht zoekt en zon, zooals het weekdier (wij zeiden het reeds) naar hooger zoekt en bij voorkeur in de lichtere waterlagenleeft, zoo lijdt ook de vogel met zijn zeer gevoelig oog onder de korte dagen, onder de herfstnevels. Deze vermindering van licht, die ons uit moreele redenen soms aangenaam is, is voor hem somberheid en dood.... Licht, licht, meer licht!... liever sterven, dan geen licht meer zien! Dat is de ware zin van den laatsten herfstzang, van den laatsten kreet als zij gaan trekken in October. Ik hoorde het in hun afscheid.En wel een kloek en stoutmoedig besluit, als men denkt aan den eindeloozen weg, dien zij moeten afleggen, tweemaal in een jaar, over bergen, zeeën en woestijnen, door geheel verschillende klimaten, met veranderlijke winden, onder dreigende gevaren en tragische avonturen. Voor geharde vlotte zeilers, voorde gierzwaluw, voor de lichte en levendige zwaluw, die het uithoudt tegen den valk, is het misschien eene gemakkelijke onderneming. Maar de andere soorten hebben niet die kracht, niet die vleugels; zij zijn verzwaard door overvloedig voedsel, zij leefden het verterend bestaan van liefde en moederschap; het wijfje heeft het groote natuurwerk verricht: gebouwd, gebaard, opgevoed; en hij, de man, hoe heeft hij niet al zijne kracht verzongen! Dit paar heeft een leven verbruikt: „een kracht ging van hen uit;” jaren scheiden hen reeds van de levenskracht hunner jeugd. Velen zouden kunnen blijven, maar het drijft hen voort. De zwaarsten zijn de vurigsten. De Fransche kwartel zal de Middellandsche Zee oversteken, over den Atlas trekken, over de Sahara heen, verdwijnt zij in de negerlanden; ook die verlaat zij weer, en wanneer zij eindelijk blijft aan de Kaap, dan is het omdat daar de oneindige Oceaan begint, die haar niets aan te bieden heeft dan het poolijs en denzelfden winter, die haar uit Europa verdreef.Wat is hun zekerheid bij zulk eene onderneming? Sommigen vertrouwen op hunne wapenen, de zwaksten op hun aantal, en zij geven zich over aan hun lot! De tortelduif zegt: „op de tienduizend of honderdduizend, neemt de roover er misschien tien, en ik zal daar niet bij zijn.” Zij wacht haar tijd af; de vliegende wolk zweeft voorbij in den nacht; als de maan op is, zullen de witte vleugels niet sterk uitkomen tegen het witte licht, en zoo ontkomen zij, samensmeltend met den bleeken schijn. Ook de dappere leeuwerik, de nationale vogel van het oude Gallië, de vogel van de onverwinbare hoop, vertrouwt op het aantal; hij trekt bij dag, of liever zwerft van provincie tot provincie; vervolgd en steeds in aantal gedund, zingt hij niettemin zijn lied.Maar waar geen aantal is en geen kracht,—wat doet de eenzame? Wat moet gij doen, arme geïsoleerde nachtegaal, die als de anderen, maar niet in gemeenschap, en zonder steun, de groote reis moet afleggen? Ach, wat zijt gij, mijn vriendje? Een stem, meer niet. Uw eenige sterkte zou u verraden. In uw donker pakje moet ge stom trekken, één met de verkleurde tinten van den herfst. Maar tóch—het blad is nog purper, het is nog niet het doffe doode bruin van het late seizoen. Waarom blijft gij toch niet? Waarom volgt gij niet liever die anderen die in hun beschroomdheid, niet verder gaan dan Provence? Daar, tusschen de rotsen, ik verzeker het u, daar zoudt gij den winter van Afrika of Azië kunnen vinden. De kloof van Ollioules is zoo goed als de Syrische valleien.„Neen, ik moet trekken. Anderen kunnen blijven; hun zegt het Oosten niets. Mij roept mijn vroeger land; ik moet dien schitterenden hemel terug zien, de lichte ruïnes zoo weelderig begroeid, waar mijn geslacht heeft gezongen; ik moet mijn eerste liefde terug vinden, de roos van Azië, ik moet mij baden in zonnelicht.... Dáár is het levensmysterie, dáár de levenwekkende vlam, die ook mijn zang weer zal wekken; mijn stem, mijne muze, is het licht!”En hij gaat; maar ik vrees dat hem het hartje kloppen zal als hij de Alpen nabij komt, als die witte toppen hem het gevreesde land aankondigen, waar zij hem wachten op hun rotsen, de wreede roovers van dag en nacht, gieren en arenden, al die krombekkige, geklauwde moordenaars dorstend naar warm bloed; de vermaledijde rassen, dwaselijk door den mensch bezongen; de eene helft,nobeleroovers, die snel dooden en uitzuigen, de andere deignobele, die verstikken en vernielen; alle vormen van moord en dood.Ik stel mij dan den armen kleinen zanger voor, die zijn stem verloren heeft maar niet zijn fijne intuïtie, hoe hij zonder raad of steun, verloren in die eenzaamheid, zich neerzet en wacht, om nog eens te overleggen voor hij zich begeeft in dien valstrik, de lange engpas van Savoye. Hij wacht aan den ingang, zet zich neer op een bevriend huis, dat ik wel ken, of op een boom in het geheiligde bosch van deCharmettesen hij peinst en zegt: „Ga ik over dag, dan zijn ze er allen; zij weten van onzen trek; de arend grijpt mij, 't is met mij gedaan. Ga ik 's nachts dan komt de Uhu, de uilen, het heele leger van die vreeselijke nachtspoken met oogen, die wijd opengaan in den nacht; zij pakken mij, brengen mij aan hun jongen.... Ik stakker, wat zal ik doen! Ik zal den nacht vermijden èn den dag. In de grauwe vochtige morgenuren, als de groote roofvogel, die geen nest kan bouwen, doortrokken is van den kouden, natten nevel, dan vlieg ik voorbij, onopgemerkt.... En al zou hij mij zien, ik ben al lang voorbij, vóórdat hij het zware toestel van zijn natte vleugels in beweging kan brengen”.Goed berekend; maar toch—er kan nog zooveelgebeuren; hij kan in dat lange Savoye den Oostenwind ontmoeten, die op hem neer komt vallen en zijn kracht breekt, en zijn vleugels.... God! het is al dag geworden.... Die duistere reuzen, in October al gehuld in hun witten mantel, vertoonen op hun eindeloos sneeuwkleed een zwart punt, dat voortschiet als een pijl. Hoe dreigend en somber zien die bergen onder dat immense lijkkleed in zijn lange plooien. Die toppen zoo onbewegelijk, scheppen om en onder zich een eeuwige beweging, geweldige tegengestelde stroomen, die tegen elkander inwerkend zich woest bevechten; daar moet hij wachten. „Als ik lager ga, dan zullen die woest neerschietende bergstroomen daar in het donker, mij door hun wervelwinden meesleepen. En stijg ik naar de koude en lichte streken, dan ben ik verloren: de rijp zal mijn vleugels verlammen.”Een uiterste inspanning heeft hem gered; het kopje naar omlaag, duikt, valt hij in Italië. Te Susa of bij Turijn blijft hij, om zijn vleugels rust te geven en te versterken. Hij is midden in de reusachtige Lombardische bloemkorf, een nest van bloemen en vruchten, waar eens Virgilius hem hoorde. Die grond is niet verouderd; nu, als toen, is de Italiaan dedurus arator—de moeizame ploeger,—die het land van anderen bebouwt; en nòg vervolgt hij er den nachtegaal. De nuttige insektenverdelger wordt vervolgd als een zaadeter. Laat hem dus de Adria oversteken, van eiland tot eiland, ondanks de gevleugde zeeroovers, die op diezelfde klippen uitkijken; misschien komt hij dan nog op den, voor vogels, heiligen grond, in het goede, gastvrije en weelderige Egypte, waar allen worden gespaard, gevoed, gezegend zelfs, en goed ontvangen.Maar nog zooveel beter zou het zijn, indien nietdaar in blinde gastvrijheid ook de moordenaars werden gekoesterd. Nachtegalen en tortelduiven worden er ontvangen, zeker, maar ook de arend. Op de terrassen van de Sultana's, op de balkons van de minarets—arme reiziger! Ik zie wreede schitterende oogen, die zich hierheen wenden.... en ik zie dat ge zijt opgemerkt. Blijf er niet. Het goede seizoen zal niet lang duren. De vernielende woestijnwind zal gaan blazen, en dat beteekent dood, en dorheid en het ophouden van uw schraal voedsel. Straks geen vliegje meer om kracht te geven aan wiek en stem.Denk aan het oude nest, dat ge in onze bosschen hebt achtergelaten, aan uw liefde in Europa. De hemel was er somberder, dat is zoo, maar gij schept er u een hemel. Liefde was er om u heen; zij trilden bij uw zang; en de liefste had u verkoren.... Dat is de ware zon, het schoonste Oosten. Het ééne Licht is, waar men liefheeft.
STORM EN WINTER.
DE TREK.
Een van natuur's vertrouwden, een heilige ziel, eenvoudig en diep,Virgilius, zag de vogels, zooals de oude Italiaansche wijsheid hen zag, als waarzeggers en profeten van de atmosferische wisselingen:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken,By regen lantschade, of de wackre kraenevlughtStreeck, eer de regen quam gevallen uit de luchtIn een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken;. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen,Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een.Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heenVan Asiën en in Kaïstus koele plassen,Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen,Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt,Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan krytEn schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegenEn springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geefEn heldren zonneschyn niet min dit zien en sterckenBy regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven,Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schachtDan baekren in de zon, die heet is in haer kracht. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedtDie op het ondergaen des zonnewagens let,Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . De raven schreeuwen bovenTot drywerf uit haer nest met een benaude keel.Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheelMet onderling vermaeck, en boven haer gewenteOm hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente:En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck,Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.”(Vondel: Virgilius „Lantgedichten”).
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .„Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken,By regen lantschade, of de wackre kraenevlughtStreeck, eer de regen quam gevallen uit de luchtIn een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken;. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen,Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een.Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heenVan Asiën en in Kaïstus koele plassen,Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen,Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt,Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan krytEn schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegenEn springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geefEn heldren zonneschyn niet min dit zien en sterckenBy regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven,Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schachtDan baekren in de zon, die heet is in haer kracht. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedtDie op het ondergaen des zonnewagens let,Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . De raven schreeuwen bovenTot drywerf uit haer nest met een benaude keel.Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheelMet onderling vermaeck, en boven haer gewenteOm hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente:En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck,Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.”
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken,
By regen lantschade, of de wackre kraenevlught
Streeck, eer de regen quam gevallen uit de lucht
In een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken;
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen,
Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een.
Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heen
Van Asiën en in Kaïstus koele plassen,
Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen,
Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt,
Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan kryt
En schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegen
En springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geef
En heldren zonneschyn niet min dit zien en stercken
By regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven,
Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schacht
Dan baekren in de zon, die heet is in haer kracht
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedt
Die op het ondergaen des zonnewagens let,
Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . De raven schreeuwen boven
Tot drywerf uit haer nest met een benaude keel.
Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheel
Met onderling vermaeck, en boven haer gewente
Om hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente:
En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck,
Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.”
(Vondel: Virgilius „Lantgedichten”).
(Vondel: Virgilius „Lantgedichten”).
In hooge mate elektrisch-gevoelig, staan de vogels meer dan eenig ander wezen in verbinding met tal van meteorologische verschijnselen van warmte en magnetisme, die voor onze zintuigen niet zijn waar te nemen. Zij voelen die bij hun ontstaan, bij hun eerst beginnen, voor zij zich ons nog openbaren. Het is een soort van physiek tweede gezicht. Is het dan niet natuurlijk, dat de mensch, minder fijn waarnemer, die pas na het gebeurde voelt, deze aankondigers raadpleegt?Zoo handelden in de oudheid de auguren; die zoogenaamde dwaasheid van de ouden, was diepe wijsheid.
In 't bijzonder zou de meteorologie er veel nut van kunnen hebben; zij had dan zekerder middelen. Maar ook zij heeft reeds een gids gevonden in het voorspellen der vogels. En had Napoleon in 1811 maar rekening gehouden met den onnatuurlijken vroegen trek uit het Noorden! Ooievaars en kraanvogels hadden hem wel ingelicht! Aan hun buitengewoon vroeg trekken, had hij dan geweten, hoe een lange en vreeselijke winter stond te komen. Zij repten zich naar het Zuiden—en hij bleef te Moscou.
De vermoeide vogel, die midden op den Oceaan, tegen den nacht neerstrijkt, op den mast van een schip, wordt door dat bewegelijk rustpunt ver uit zijn koers gebracht; toch vindt hij die gemakkelijk terug. Hij staat in zulk een volkomen betrekking tot de aarde, en is zoo juistgeoriënteerd, dat hij den volgenden morgen zonder aarzelen zijn weg neemt. Een kort oogenblik van beraad met zichzelf, is voldoende. Hij kiest boven dezen immensen afgrond, die grenzenlooze eenzaamheid, waarop de vore van het schip één enkel spoor trekt, de juiste lijn, die hij moet volgen voor zijn doel. Het is daar niet als op het land; geen enkel herkenningsteeken, geen merk, geen leiddraad. Alleen de luchtstroomingen, in verband misschien met die van het water, mogelijk ook onzichtbare magnetische stroomingen, zijn de loodsen van dien kloeken reiziger.
Wonderbaar weten! Niet alleen wéét de zwaluw, dat de insecten, die hem hier ontbreken hem elders wachten, en hij zoekt ze, trekkende volgens de lengtegraden; maar op dezelfde breedte in hetzelfde klimaat weet de wielewaal van de Vereenigde Staten, dat de kersen rijp zijn in Frankrijk, en hij vertrekt zonderaarzelen, om onze vruchten te oogsten. Zij vergissen zich, die meenen, dat deze trek in zijn seizoen, op onbepaalde tijden, plaats heeft, zonder keus van den dag. Wij hebben het tegendeel kunnen waarnemen, en het zeer scherpzinnige, nauwkeurige vooruit bepalen, dat vooraf gaat: geen uur vroeger of later. Dat gebeurde, toen wij te Nantes waren, in October 1851; het seizoen was nog heel mooi, en insecten waren er voor de zwaluwen nog in overvloed; toen hadden wij de gelukkige kans, die wijze republiek in een buitengewoon talrijke en zeer levendige vergadering, te zien bijeenkomen. De conferentie werd gehouden op het dak van een kerk, de Sint Félix, die de Erdre beheerscht, en van ter zijde de Loire. Waarom juist deze dag en dit uur? Wij wisten het niet, maar wij zouden het al spoedig begrijpen. 's Morgens was de lucht helder, maar er woei een wind uit de Vendée. Mijn dennen steunden, en uit den ceder kwam een lage diepe toon. De vruchten bezaaiden den grond; wij gingen ze rapen. Gaandeweg betrok de lucht tot een zwart grijs, de wind ging liggen; alles was somber. Toen, het was tegen vier uur—kwamen op dat zelfde moment en van alle kanten, uit het bosch, over de Erdre, van de Loire, van de stad, van de Sèvre, onafzienbare legioenen bewoners aanvliegen, genoeg om den dag te verduisteren. Zij streken neer op de kerk, in dichte massa, duizend stemmen, duizend kreten, en twist en woordenstrijd. Zonder die taal te kennen, begrepen wij heel goed, dat er oneenigheidwas. Misschien hadden de jongen, terug gehouden door den lauwen adem van dezen herfst, nog willen blijven. Maar de wijzen, zij, die ondervinding hadden, de beproefde reizigers, stonden op trekken. Zij wonnen het pleit; de zwarte massa, zich plotseling uitspreidend als een machtige wolk, nam de vlucht naar het Zuid-Oosten, waarschijnlijk naar Italië. Zij waren nog geen driehonderd mijlen ver (ongeveer vijf uur vliegens), of alle sluizen des hemels openden zich, om de aarde te overstroomen. Een oogenblik dachten wij aan een zondvloed. En terug in ons huis, dat schudde onder de woeste windstooten, bewonderden wij de wijsheid van die gewiekte zieners, die zoo voorzichtig het tijdstip van hun jaarlijkschen trek hadden teruggezet.
Het kon toch niet de honger zijn, die hen verdreven had.
Te midden van een nog mooie en rijke natuur, hadden zij het juiste oogenblik gevoeld, gegrepen, zonder het toch te vroeg te nemen. Den volgenden dag ware te laat geweest. Alle insekten, neergeslagen door die geweldige regens zouden zijn verdwenen, niet meer te vinden; wat den storm overleefd had, zou in den grond zijn gevlucht.
Ook is het niet alléén de honger, het verschiet van hongerlijden, dat de trekvogels tot trekken beweegt. Zouden ook al de insekteneters gedwongen zijn te vertrekken, de vogels, die van bessen leven, hadden kunnen blijven. Wat drijft hen? Is het de koude? De meesten konden die verdragen. Bij deze bijzondere redenen moet nog een andere gevoegd worden, een meer algemeene, hoogere; het is de behoefte aanlicht.
Zooals de plant onvermijdelijk licht zoekt en zon, zooals het weekdier (wij zeiden het reeds) naar hooger zoekt en bij voorkeur in de lichtere waterlagenleeft, zoo lijdt ook de vogel met zijn zeer gevoelig oog onder de korte dagen, onder de herfstnevels. Deze vermindering van licht, die ons uit moreele redenen soms aangenaam is, is voor hem somberheid en dood.... Licht, licht, meer licht!... liever sterven, dan geen licht meer zien! Dat is de ware zin van den laatsten herfstzang, van den laatsten kreet als zij gaan trekken in October. Ik hoorde het in hun afscheid.
En wel een kloek en stoutmoedig besluit, als men denkt aan den eindeloozen weg, dien zij moeten afleggen, tweemaal in een jaar, over bergen, zeeën en woestijnen, door geheel verschillende klimaten, met veranderlijke winden, onder dreigende gevaren en tragische avonturen. Voor geharde vlotte zeilers, voorde gierzwaluw, voor de lichte en levendige zwaluw, die het uithoudt tegen den valk, is het misschien eene gemakkelijke onderneming. Maar de andere soorten hebben niet die kracht, niet die vleugels; zij zijn verzwaard door overvloedig voedsel, zij leefden het verterend bestaan van liefde en moederschap; het wijfje heeft het groote natuurwerk verricht: gebouwd, gebaard, opgevoed; en hij, de man, hoe heeft hij niet al zijne kracht verzongen! Dit paar heeft een leven verbruikt: „een kracht ging van hen uit;” jaren scheiden hen reeds van de levenskracht hunner jeugd. Velen zouden kunnen blijven, maar het drijft hen voort. De zwaarsten zijn de vurigsten. De Fransche kwartel zal de Middellandsche Zee oversteken, over den Atlas trekken, over de Sahara heen, verdwijnt zij in de negerlanden; ook die verlaat zij weer, en wanneer zij eindelijk blijft aan de Kaap, dan is het omdat daar de oneindige Oceaan begint, die haar niets aan te bieden heeft dan het poolijs en denzelfden winter, die haar uit Europa verdreef.
Wat is hun zekerheid bij zulk eene onderneming? Sommigen vertrouwen op hunne wapenen, de zwaksten op hun aantal, en zij geven zich over aan hun lot! De tortelduif zegt: „op de tienduizend of honderdduizend, neemt de roover er misschien tien, en ik zal daar niet bij zijn.” Zij wacht haar tijd af; de vliegende wolk zweeft voorbij in den nacht; als de maan op is, zullen de witte vleugels niet sterk uitkomen tegen het witte licht, en zoo ontkomen zij, samensmeltend met den bleeken schijn. Ook de dappere leeuwerik, de nationale vogel van het oude Gallië, de vogel van de onverwinbare hoop, vertrouwt op het aantal; hij trekt bij dag, of liever zwerft van provincie tot provincie; vervolgd en steeds in aantal gedund, zingt hij niettemin zijn lied.
Maar waar geen aantal is en geen kracht,—wat doet de eenzame? Wat moet gij doen, arme geïsoleerde nachtegaal, die als de anderen, maar niet in gemeenschap, en zonder steun, de groote reis moet afleggen? Ach, wat zijt gij, mijn vriendje? Een stem, meer niet. Uw eenige sterkte zou u verraden. In uw donker pakje moet ge stom trekken, één met de verkleurde tinten van den herfst. Maar tóch—het blad is nog purper, het is nog niet het doffe doode bruin van het late seizoen. Waarom blijft gij toch niet? Waarom volgt gij niet liever die anderen die in hun beschroomdheid, niet verder gaan dan Provence? Daar, tusschen de rotsen, ik verzeker het u, daar zoudt gij den winter van Afrika of Azië kunnen vinden. De kloof van Ollioules is zoo goed als de Syrische valleien.
„Neen, ik moet trekken. Anderen kunnen blijven; hun zegt het Oosten niets. Mij roept mijn vroeger land; ik moet dien schitterenden hemel terug zien, de lichte ruïnes zoo weelderig begroeid, waar mijn geslacht heeft gezongen; ik moet mijn eerste liefde terug vinden, de roos van Azië, ik moet mij baden in zonnelicht.... Dáár is het levensmysterie, dáár de levenwekkende vlam, die ook mijn zang weer zal wekken; mijn stem, mijne muze, is het licht!”
En hij gaat; maar ik vrees dat hem het hartje kloppen zal als hij de Alpen nabij komt, als die witte toppen hem het gevreesde land aankondigen, waar zij hem wachten op hun rotsen, de wreede roovers van dag en nacht, gieren en arenden, al die krombekkige, geklauwde moordenaars dorstend naar warm bloed; de vermaledijde rassen, dwaselijk door den mensch bezongen; de eene helft,nobeleroovers, die snel dooden en uitzuigen, de andere deignobele, die verstikken en vernielen; alle vormen van moord en dood.
Ik stel mij dan den armen kleinen zanger voor, die zijn stem verloren heeft maar niet zijn fijne intuïtie, hoe hij zonder raad of steun, verloren in die eenzaamheid, zich neerzet en wacht, om nog eens te overleggen voor hij zich begeeft in dien valstrik, de lange engpas van Savoye. Hij wacht aan den ingang, zet zich neer op een bevriend huis, dat ik wel ken, of op een boom in het geheiligde bosch van deCharmettesen hij peinst en zegt: „Ga ik over dag, dan zijn ze er allen; zij weten van onzen trek; de arend grijpt mij, 't is met mij gedaan. Ga ik 's nachts dan komt de Uhu, de uilen, het heele leger van die vreeselijke nachtspoken met oogen, die wijd opengaan in den nacht; zij pakken mij, brengen mij aan hun jongen.... Ik stakker, wat zal ik doen! Ik zal den nacht vermijden èn den dag. In de grauwe vochtige morgenuren, als de groote roofvogel, die geen nest kan bouwen, doortrokken is van den kouden, natten nevel, dan vlieg ik voorbij, onopgemerkt.... En al zou hij mij zien, ik ben al lang voorbij, vóórdat hij het zware toestel van zijn natte vleugels in beweging kan brengen”.
Goed berekend; maar toch—er kan nog zooveelgebeuren; hij kan in dat lange Savoye den Oostenwind ontmoeten, die op hem neer komt vallen en zijn kracht breekt, en zijn vleugels.... God! het is al dag geworden.... Die duistere reuzen, in October al gehuld in hun witten mantel, vertoonen op hun eindeloos sneeuwkleed een zwart punt, dat voortschiet als een pijl. Hoe dreigend en somber zien die bergen onder dat immense lijkkleed in zijn lange plooien. Die toppen zoo onbewegelijk, scheppen om en onder zich een eeuwige beweging, geweldige tegengestelde stroomen, die tegen elkander inwerkend zich woest bevechten; daar moet hij wachten. „Als ik lager ga, dan zullen die woest neerschietende bergstroomen daar in het donker, mij door hun wervelwinden meesleepen. En stijg ik naar de koude en lichte streken, dan ben ik verloren: de rijp zal mijn vleugels verlammen.”
Een uiterste inspanning heeft hem gered; het kopje naar omlaag, duikt, valt hij in Italië. Te Susa of bij Turijn blijft hij, om zijn vleugels rust te geven en te versterken. Hij is midden in de reusachtige Lombardische bloemkorf, een nest van bloemen en vruchten, waar eens Virgilius hem hoorde. Die grond is niet verouderd; nu, als toen, is de Italiaan dedurus arator—de moeizame ploeger,—die het land van anderen bebouwt; en nòg vervolgt hij er den nachtegaal. De nuttige insektenverdelger wordt vervolgd als een zaadeter. Laat hem dus de Adria oversteken, van eiland tot eiland, ondanks de gevleugde zeeroovers, die op diezelfde klippen uitkijken; misschien komt hij dan nog op den, voor vogels, heiligen grond, in het goede, gastvrije en weelderige Egypte, waar allen worden gespaard, gevoed, gezegend zelfs, en goed ontvangen.
Maar nog zooveel beter zou het zijn, indien nietdaar in blinde gastvrijheid ook de moordenaars werden gekoesterd. Nachtegalen en tortelduiven worden er ontvangen, zeker, maar ook de arend. Op de terrassen van de Sultana's, op de balkons van de minarets—arme reiziger! Ik zie wreede schitterende oogen, die zich hierheen wenden.... en ik zie dat ge zijt opgemerkt. Blijf er niet. Het goede seizoen zal niet lang duren. De vernielende woestijnwind zal gaan blazen, en dat beteekent dood, en dorheid en het ophouden van uw schraal voedsel. Straks geen vliegje meer om kracht te geven aan wiek en stem.Denk aan het oude nest, dat ge in onze bosschen hebt achtergelaten, aan uw liefde in Europa. De hemel was er somberder, dat is zoo, maar gij schept er u een hemel. Liefde was er om u heen; zij trilden bij uw zang; en de liefste had u verkoren.... Dat is de ware zon, het schoonste Oosten. Het ééne Licht is, waar men liefheeft.
SUITE DES MIGRATIONS - L'HIRONDELLEVERVOLG VAN DEN TREK.De Zwaluw.
SUITE DES MIGRATIONS - L'HIRONDELLE
VERVOLG VAN DEN TREK.DE ZWALUW.De zwaluwen hebben zich zonder vragen van onze woningen meester gemaakt. Zij huizen onder onze vensters, onder onze daken, in onze schoorsteenen; en zij zijn in het minstniet bang voor ons. Men zou kunnen zeggen, dat zij vertrouwden op hunne onvergelijkelijke vleugels. Doch dat is het niet; want zij vertrouwen ons ook hun nest, hunne kinderen toe. En dàt is juist de reden, dat zij baas werden in onze woningen. Zij namen niet alleen ons huis maar tegelijk ons hart.Onze grootvader had in het buitenverblijf, waar hij zijn kinderen opvoedde, een serre, die hij voor leerkamer gebruikte. Dáár nestelden de zwaluwen, zonder zich om de gangen der familie te bekommeren, vrij in hun in- en uitgaan, opgaand in de zorg voor hun broedsel; zij vlogen door het venster en kwamen door het dak, en babbelden luide met hun kameraads, luider dan de onderwijzer zelf, zoodat hij, als de heilige Franciscus, soms moest zeggen: „Zuster zwaluw, zou je niet een beetje kunnen zwijgen?”Het nest bleef in hun bezit; waar de moeder nestelde, nestelde de dochter en de kleindochter. Ieder jaar komen zij weer; hunne generaties volgen elkaar geregelder op dan de onze. Het gezin sterft uit, verspreidt zich, het huis komt aan anderen, maar de zwaluw keert geregeld weer, zij houdt vast aan haar recht van eigendom.En zoo is die trekster het symbool geworden van de trouw aan eigen haard. Zóó heeft zij zich daaraan gehecht dat, wordt het huis zelf gedeeltelijk gesloopt, gerepareerd door metselaars, het toch weer wordt teruggenomen en bewoond door die trouwe vogeltjes, met hun vasthoudende herinnering.Het is de vogel, diekeert. En niet alleen noem ik hem zoo om zijn geregelden jaarlijkschen terugkeer, maar ook om zijne bewegingen, en de richting van zijn vlucht, die zoo sterk wisselt, maar toch cirkelvormig blijft, en altijd tot het uitgangspunt terugkeert.De zwaluw draait en zwenkt voortdurend; zij zweeftonvermoeid in kringen over dezelfde ruimte, met de sierlijkste wendingen, die in het oneindige wisselen, maar zich nooit verwijderen. Is het om haar prooi te vangen, het mugje dat op en neer danst, zwevend op de lucht? Is het om zich te uiten in de kracht van die onvermoeibare vleugels, zonder zich van het nest te verwijderen? Om 't even, die cirkelvlucht, die eeuwig terugkeerende beweging heeft ons steeds oogen en hart geboeid, bracht ons in een droom en een wereld van gedachten.Haar vliegen zien wij, maar bijna nooit haar zwart gezichtje. Wie zijt ge tóch, die u altijd aan onzen blik onttrekt, die slechts de lucht klievende vleugels laat zien, rappe zeisen, als die van den tijd? Maar hij gaat, gaat; gij keert, keert altijd. Ge nadert mij: gaf ik u ergernis? raakt mij bijna, wilt ge mij treffen? Ge streelt mij zóó dicht, dat ik de luchtbeweging voel en bijkans den vleugelslag.... Een vogel? een geest?.... O, als ge een geest zijt, zeg het vrij en vertel mij dan: wat is het toch dat levenscheidt van dood? Morgen zijn wij dood; zal het ons gegeven zijn op vleugels terug te keeren naar het lieve thuis, waar wij werkten en beminden? Zullen wij nog een enkel woord kunnen zeggen in zwaluwentaal, aan hen, die ook dàn nog ons hart zullen vervullen? Maar wáárom willen we vooruitloopen, waarom onzen dorst lesschen aan die bittere bron? Laat ons aan dezen vogel denken, zooals het volk zich hem dacht in de goede oude volkswijsheid, die zeker dichter de natuur nadert.Het volk zag in de zwaluw een natuurlijke klok, die de seizoenen verdeelde, de twee groote perioden van het jaar. Met Paschen en met Sint Michiel, als de kermissen zijn en de jaarmarkten, de huur ingaat en afloopt, dan komen de zwaluwen zwart en wit, en zeggen ons den tijd. Zij sluiten een tijdperk af en openen een nieuw. Men komt dan bij elkaar, maar vindt elkaar niet altijd terug; na die zes maanden wordt deze en gene gemist. De zwaluwen keeren, maar niet voor allen, want verscheidenen zijn er vertrokken op een reis, veel langer nog dan de „tour de France.” Nog verder dan „Duitschland in.”Onze handwerksgezellen volgden het leven van de zwaluwen, maar bij hun terugkeer vonden zij niet als deze, het nest terug. De voorzichtige vogel waarschuwt hen daarom in een oude, Duitsche spreuk; de volkswijsheid wil hem terughouden bij den huiselijken haard. De dichter Rückert maakte van die spreuk een liedje: „Aus der Jugendzeit” en als dacht hij zichzelf een zwaluw, volgde hij daarin haar rhytmische cirkelvlucht, haar steeds terugkomen. Een weemoedig liedje, dat, mogen enkelen er om lachen, velen tot tranen zal roeren.De zwaluw, als men haar in de hand neemt en van dichtbij bekijkt is eigenlijk een vreemde en leelijkevogel, maar dat komt juist dáárvan, dat zij de vogel „par excellence” is, uitverkoren uit alle wezens voor de vlucht. Aan deze bestemming, heeft de natuur bij haar alles opgeofferd, den vorm heeft zij verwaarloosd voor de beweging; en zij is daarin zóózeer geslaagd, dat deze vogel, zoo leelijk in rust, de mooiste van allen is, wanneer hij vliegt. De vleugels zeisvormig, uitpuilende oogen, geen hals (om de kracht te verdubbelen), weinig of geen poot: alles is vleugel. Dit zijn de hoofdtrekken. Voeg daarbij nog een zéér wijden bek, altijd happend, die zich opent, sluit, en weêr opent in de vlucht. Zij eet vliegend, drinkt, baadt zich vliegend, en voedt vliegend haar jongen.Haalt zij, in de rechte lijn, niet bij den valk, die door de lucht schiet als het bliksemlicht, zij is daarvoor veel vrijer van vlucht: zij draait en zwenkt, cirkelt, zigzagt, trekt een wirwar van vage figuren, een doolhof van wendingen, die zij kruist en overkruist in 't oneindige. De vijand, verward en verdwaasd, weet geen weg meer; zij vermoeit hem, put hem uit: hij geeft het op en verlaat haar, de steeds onvermoeide. Zij is met recht de Koningin van de vlucht; de ruimte behoort haar, door haar onvergelijkelijke lichte bewegelijkheid. Wie kan als zij op het hoogtepunt van snelheid, inhouden en wenden? Niemand! De oneindig gevariëerde jacht op een onophoudelijk bewegelijke prooi, vlieg, mug, kever, duizend insecten, die snorrend en zwevend nooit een rechte lijn beschrijven, is zeker de beste vlieg-cursus, en daardoor is de zwaluw de meerdere van alle vogels. Om dàt te bereiken, dat onovertroffen vliegvermogen voort te brengen, heeft de Natuur tot een ander uiterste moeten komen: het onderdrukken van de pootjes. Bij de groote kerkzwaluw, die gierzwaluw genoemd wordt, is het pootje tot niets geworden.De vleugel wint er bij; men gelooft dat de gierzwaluw tot tachtig mijlen in het uur aflegt. Door deze ongelooflijke snelheid wordt zij de gelijke van den fregatvogel. De poot, die daar heel kort is, wordt bij de gierzwaluw tot een stompje; als zij rust, doet zij het op haar buik, maar zij rust ook niet veel.Contrast met al zijne natuurgenooten, is voor dezen vogel, alléén beweging, rust. Gooit zij zich van de torens, laat zij zich gaan door de ruimte, dan is het een aangenaam wiegen en zweven; de lucht draagt, ontspant haar. Wil zij zich vasthouden, dan zijn daarvoor haar zwakke klauwtjes voldoende. Maar in rust is zij machteloos, verlamd, en alles kost moeite; zij is weer het slachtoffer van de fataliteit der zwaartekracht; de eerste der vogels, is teruggevallen tot de kruipende dieren.Het opvliegen van den grond is voor haar de grootste moeielijkheid; zij moet hoog nestelen om zich weer te laten vallen in haar natuurlijk element. In de lucht neergekomen is zij vrij, meesteres; elders slavin, van alles afhankelijk, prooi van wien haar zou willen grijpen. Haar wetenschappelijke soortnaam zegt alles:Apus= voetloos. Het groote volk van dezwaluwen, met zijn zestig soorten, dat de aarde vervult, vervroolijkt en met zijn sierlijkheid van beweging en lief gesjirp bekoort, dankt al die aangename hoedanigheden aan de misvorming van weinig, heel weinig poot. Zij zijn de roem van al wat vleugels heeft, door hun volmaakt vliegvermogen; maar te gelijk de meest gebondenen aan nest en rustplaats. Bij deze geheel op zichzelf staande familie, waar de voet den vleugel niet steunt, bepaalt zich de opvoeding tot het gebruik van de vleugels alleen, een langdurige leertijd. De jongen moeten lang in het nest blijven en daardoor ontwikkelt zich in bijzondere mate de teederheid en voorziende zorg van de moeder. De bewegelijkste der vogels is door liefde gebonden. Het nest dient niet enkel voor een kort huwelijksleven, maar het is een woning, een „tehuis”, en het belangwekkend tooneel van een moeielijke opvoeding en wederzijdsche opoffering. Er woont een teedere moeder, een trouwe echtgenoote; en veel meer: jonge zusjes, die hun best doen om de moeder te helpen, als kleine moedertjes en voedsters van kinderen, nog veel jonger dan zij. Er is moederlijke teederheid, en wederzijdsche zorg en onderricht, van kleintjes aan kleineren. Het schoonste is, dat die band blijft; in gevaar zijn alle zwaluwen zusters; schreeuwt er een, alle komen; wordt er één gevangen, dan jammeren alle en spannen zich in om haar te bevrijden.Het is bekend, dat deze bekoorlijke vogeltjes hunne belangstelling zelfs uitstrekken tot vogels, die aan hun soort vreemd zijn. Zij hebben met hun lichte vlucht minder dan eenig andere soort, van roofvogels te vreezen, en zij waarschuwen dan ook den hoenderhof als er een in aantocht is. Hoenders en duiven kruipen weg en verschuilen zich, als zij den kreet van de zwaluw hooren, die hen waarschuwt.Neen, het volksgeloof dat de zwaluw zoo hoog stelt, is geen dwaling.Waarom? Zij is degelukkigste, want zij heeft de meeste vrijheid:vrij, door haar weergalooze vlucht,vrij, door gemakkelijke voeding,vrij, door keuze van klimaat.Ook heb ik, hoe ijverig ik haar taal beluisterde (het is meer babbelen tegen haar zusters dan zingen) nooit anders er uit kunnen hooren dan een zegenen van het Leven, en lof van God.Liberta! molto e desiato bene.—„Vrijheid! onschatbaar goed, zoo zéér verlangd!” Deze woorden gingen aanhoudend in mij om, op het groote plein te Turijn, waar wij onze oogen niet konden afhouden van de ontelbare zwaluwen, die daar rondvlogen, met kleine vreugdegeluidjes. Zij vonden daar, afdalende van de Alpen, de gemakkelijkste woningen kant en klaar, in de gaten, achtergelaten door de steigers, in de muren der paleizen. Dikwijls, en vooral 's avonds tjilpten zij luid en schreeuwden, dat men elkaar niet verstaan kon; en zij vlogen, hals over kop, dat zij haast tuimelden, den grond scherend; maar zóó vlug waren zij weer op, dat het leek een springveer hen opgooide, of een boog hen afschoot. In tegenstelling van ons menschen, die aanhoudend naar de aarde teruggetrokken worden, schijnen zij hun zwaartekracht naar boven te hebben. Nooit zag ik juister beeld van wat vrijheid is. Het was een spelen, een zich vermeien, in het oneindige.Zelf reizigers, verheugden wij ons in deze reizigers, die zoo zorgeloos en vroolijk het zweven opnamen. Toch was de omgeving ernstig: de Alpen, die daar den horizont begrenzen, schenen naderbij, op dat uur; de dennenbosschen, donkerden zwart in de avondschemering;de lichtschijn van de gletschers verbleekte. In dubbelen rouw scheidden ons deze groote bergen van Frankrijk, waarheen ons langzamerhand onze weg zou terugleiden.
VERVOLG VAN DEN TREK.
DE ZWALUW.
De zwaluwen hebben zich zonder vragen van onze woningen meester gemaakt. Zij huizen onder onze vensters, onder onze daken, in onze schoorsteenen; en zij zijn in het minstniet bang voor ons. Men zou kunnen zeggen, dat zij vertrouwden op hunne onvergelijkelijke vleugels. Doch dat is het niet; want zij vertrouwen ons ook hun nest, hunne kinderen toe. En dàt is juist de reden, dat zij baas werden in onze woningen. Zij namen niet alleen ons huis maar tegelijk ons hart.
Onze grootvader had in het buitenverblijf, waar hij zijn kinderen opvoedde, een serre, die hij voor leerkamer gebruikte. Dáár nestelden de zwaluwen, zonder zich om de gangen der familie te bekommeren, vrij in hun in- en uitgaan, opgaand in de zorg voor hun broedsel; zij vlogen door het venster en kwamen door het dak, en babbelden luide met hun kameraads, luider dan de onderwijzer zelf, zoodat hij, als de heilige Franciscus, soms moest zeggen: „Zuster zwaluw, zou je niet een beetje kunnen zwijgen?”
Het nest bleef in hun bezit; waar de moeder nestelde, nestelde de dochter en de kleindochter. Ieder jaar komen zij weer; hunne generaties volgen elkaar geregelder op dan de onze. Het gezin sterft uit, verspreidt zich, het huis komt aan anderen, maar de zwaluw keert geregeld weer, zij houdt vast aan haar recht van eigendom.
En zoo is die trekster het symbool geworden van de trouw aan eigen haard. Zóó heeft zij zich daaraan gehecht dat, wordt het huis zelf gedeeltelijk gesloopt, gerepareerd door metselaars, het toch weer wordt teruggenomen en bewoond door die trouwe vogeltjes, met hun vasthoudende herinnering.
Het is de vogel, diekeert. En niet alleen noem ik hem zoo om zijn geregelden jaarlijkschen terugkeer, maar ook om zijne bewegingen, en de richting van zijn vlucht, die zoo sterk wisselt, maar toch cirkelvormig blijft, en altijd tot het uitgangspunt terugkeert.
De zwaluw draait en zwenkt voortdurend; zij zweeftonvermoeid in kringen over dezelfde ruimte, met de sierlijkste wendingen, die in het oneindige wisselen, maar zich nooit verwijderen. Is het om haar prooi te vangen, het mugje dat op en neer danst, zwevend op de lucht? Is het om zich te uiten in de kracht van die onvermoeibare vleugels, zonder zich van het nest te verwijderen? Om 't even, die cirkelvlucht, die eeuwig terugkeerende beweging heeft ons steeds oogen en hart geboeid, bracht ons in een droom en een wereld van gedachten.
Haar vliegen zien wij, maar bijna nooit haar zwart gezichtje. Wie zijt ge tóch, die u altijd aan onzen blik onttrekt, die slechts de lucht klievende vleugels laat zien, rappe zeisen, als die van den tijd? Maar hij gaat, gaat; gij keert, keert altijd. Ge nadert mij: gaf ik u ergernis? raakt mij bijna, wilt ge mij treffen? Ge streelt mij zóó dicht, dat ik de luchtbeweging voel en bijkans den vleugelslag.... Een vogel? een geest?.... O, als ge een geest zijt, zeg het vrij en vertel mij dan: wat is het toch dat levenscheidt van dood? Morgen zijn wij dood; zal het ons gegeven zijn op vleugels terug te keeren naar het lieve thuis, waar wij werkten en beminden? Zullen wij nog een enkel woord kunnen zeggen in zwaluwentaal, aan hen, die ook dàn nog ons hart zullen vervullen? Maar wáárom willen we vooruitloopen, waarom onzen dorst lesschen aan die bittere bron? Laat ons aan dezen vogel denken, zooals het volk zich hem dacht in de goede oude volkswijsheid, die zeker dichter de natuur nadert.
Het volk zag in de zwaluw een natuurlijke klok, die de seizoenen verdeelde, de twee groote perioden van het jaar. Met Paschen en met Sint Michiel, als de kermissen zijn en de jaarmarkten, de huur ingaat en afloopt, dan komen de zwaluwen zwart en wit, en zeggen ons den tijd. Zij sluiten een tijdperk af en openen een nieuw. Men komt dan bij elkaar, maar vindt elkaar niet altijd terug; na die zes maanden wordt deze en gene gemist. De zwaluwen keeren, maar niet voor allen, want verscheidenen zijn er vertrokken op een reis, veel langer nog dan de „tour de France.” Nog verder dan „Duitschland in.”
Onze handwerksgezellen volgden het leven van de zwaluwen, maar bij hun terugkeer vonden zij niet als deze, het nest terug. De voorzichtige vogel waarschuwt hen daarom in een oude, Duitsche spreuk; de volkswijsheid wil hem terughouden bij den huiselijken haard. De dichter Rückert maakte van die spreuk een liedje: „Aus der Jugendzeit” en als dacht hij zichzelf een zwaluw, volgde hij daarin haar rhytmische cirkelvlucht, haar steeds terugkomen. Een weemoedig liedje, dat, mogen enkelen er om lachen, velen tot tranen zal roeren.
De zwaluw, als men haar in de hand neemt en van dichtbij bekijkt is eigenlijk een vreemde en leelijkevogel, maar dat komt juist dáárvan, dat zij de vogel „par excellence” is, uitverkoren uit alle wezens voor de vlucht. Aan deze bestemming, heeft de natuur bij haar alles opgeofferd, den vorm heeft zij verwaarloosd voor de beweging; en zij is daarin zóózeer geslaagd, dat deze vogel, zoo leelijk in rust, de mooiste van allen is, wanneer hij vliegt. De vleugels zeisvormig, uitpuilende oogen, geen hals (om de kracht te verdubbelen), weinig of geen poot: alles is vleugel. Dit zijn de hoofdtrekken. Voeg daarbij nog een zéér wijden bek, altijd happend, die zich opent, sluit, en weêr opent in de vlucht. Zij eet vliegend, drinkt, baadt zich vliegend, en voedt vliegend haar jongen.
Haalt zij, in de rechte lijn, niet bij den valk, die door de lucht schiet als het bliksemlicht, zij is daarvoor veel vrijer van vlucht: zij draait en zwenkt, cirkelt, zigzagt, trekt een wirwar van vage figuren, een doolhof van wendingen, die zij kruist en overkruist in 't oneindige. De vijand, verward en verdwaasd, weet geen weg meer; zij vermoeit hem, put hem uit: hij geeft het op en verlaat haar, de steeds onvermoeide. Zij is met recht de Koningin van de vlucht; de ruimte behoort haar, door haar onvergelijkelijke lichte bewegelijkheid. Wie kan als zij op het hoogtepunt van snelheid, inhouden en wenden? Niemand! De oneindig gevariëerde jacht op een onophoudelijk bewegelijke prooi, vlieg, mug, kever, duizend insecten, die snorrend en zwevend nooit een rechte lijn beschrijven, is zeker de beste vlieg-cursus, en daardoor is de zwaluw de meerdere van alle vogels. Om dàt te bereiken, dat onovertroffen vliegvermogen voort te brengen, heeft de Natuur tot een ander uiterste moeten komen: het onderdrukken van de pootjes. Bij de groote kerkzwaluw, die gierzwaluw genoemd wordt, is het pootje tot niets geworden.De vleugel wint er bij; men gelooft dat de gierzwaluw tot tachtig mijlen in het uur aflegt. Door deze ongelooflijke snelheid wordt zij de gelijke van den fregatvogel. De poot, die daar heel kort is, wordt bij de gierzwaluw tot een stompje; als zij rust, doet zij het op haar buik, maar zij rust ook niet veel.
Contrast met al zijne natuurgenooten, is voor dezen vogel, alléén beweging, rust. Gooit zij zich van de torens, laat zij zich gaan door de ruimte, dan is het een aangenaam wiegen en zweven; de lucht draagt, ontspant haar. Wil zij zich vasthouden, dan zijn daarvoor haar zwakke klauwtjes voldoende. Maar in rust is zij machteloos, verlamd, en alles kost moeite; zij is weer het slachtoffer van de fataliteit der zwaartekracht; de eerste der vogels, is teruggevallen tot de kruipende dieren.
Het opvliegen van den grond is voor haar de grootste moeielijkheid; zij moet hoog nestelen om zich weer te laten vallen in haar natuurlijk element. In de lucht neergekomen is zij vrij, meesteres; elders slavin, van alles afhankelijk, prooi van wien haar zou willen grijpen. Haar wetenschappelijke soortnaam zegt alles:Apus= voetloos. Het groote volk van dezwaluwen, met zijn zestig soorten, dat de aarde vervult, vervroolijkt en met zijn sierlijkheid van beweging en lief gesjirp bekoort, dankt al die aangename hoedanigheden aan de misvorming van weinig, heel weinig poot. Zij zijn de roem van al wat vleugels heeft, door hun volmaakt vliegvermogen; maar te gelijk de meest gebondenen aan nest en rustplaats. Bij deze geheel op zichzelf staande familie, waar de voet den vleugel niet steunt, bepaalt zich de opvoeding tot het gebruik van de vleugels alleen, een langdurige leertijd. De jongen moeten lang in het nest blijven en daardoor ontwikkelt zich in bijzondere mate de teederheid en voorziende zorg van de moeder. De bewegelijkste der vogels is door liefde gebonden. Het nest dient niet enkel voor een kort huwelijksleven, maar het is een woning, een „tehuis”, en het belangwekkend tooneel van een moeielijke opvoeding en wederzijdsche opoffering. Er woont een teedere moeder, een trouwe echtgenoote; en veel meer: jonge zusjes, die hun best doen om de moeder te helpen, als kleine moedertjes en voedsters van kinderen, nog veel jonger dan zij. Er is moederlijke teederheid, en wederzijdsche zorg en onderricht, van kleintjes aan kleineren. Het schoonste is, dat die band blijft; in gevaar zijn alle zwaluwen zusters; schreeuwt er een, alle komen; wordt er één gevangen, dan jammeren alle en spannen zich in om haar te bevrijden.
Het is bekend, dat deze bekoorlijke vogeltjes hunne belangstelling zelfs uitstrekken tot vogels, die aan hun soort vreemd zijn. Zij hebben met hun lichte vlucht minder dan eenig andere soort, van roofvogels te vreezen, en zij waarschuwen dan ook den hoenderhof als er een in aantocht is. Hoenders en duiven kruipen weg en verschuilen zich, als zij den kreet van de zwaluw hooren, die hen waarschuwt.
Neen, het volksgeloof dat de zwaluw zoo hoog stelt, is geen dwaling.
Waarom? Zij is degelukkigste, want zij heeft de meeste vrijheid:
vrij, door haar weergalooze vlucht,
vrij, door gemakkelijke voeding,
vrij, door keuze van klimaat.
Ook heb ik, hoe ijverig ik haar taal beluisterde (het is meer babbelen tegen haar zusters dan zingen) nooit anders er uit kunnen hooren dan een zegenen van het Leven, en lof van God.
Liberta! molto e desiato bene.—„Vrijheid! onschatbaar goed, zoo zéér verlangd!” Deze woorden gingen aanhoudend in mij om, op het groote plein te Turijn, waar wij onze oogen niet konden afhouden van de ontelbare zwaluwen, die daar rondvlogen, met kleine vreugdegeluidjes. Zij vonden daar, afdalende van de Alpen, de gemakkelijkste woningen kant en klaar, in de gaten, achtergelaten door de steigers, in de muren der paleizen. Dikwijls, en vooral 's avonds tjilpten zij luid en schreeuwden, dat men elkaar niet verstaan kon; en zij vlogen, hals over kop, dat zij haast tuimelden, den grond scherend; maar zóó vlug waren zij weer op, dat het leek een springveer hen opgooide, of een boog hen afschoot. In tegenstelling van ons menschen, die aanhoudend naar de aarde teruggetrokken worden, schijnen zij hun zwaartekracht naar boven te hebben. Nooit zag ik juister beeld van wat vrijheid is. Het was een spelen, een zich vermeien, in het oneindige.
Zelf reizigers, verheugden wij ons in deze reizigers, die zoo zorgeloos en vroolijk het zweven opnamen. Toch was de omgeving ernstig: de Alpen, die daar den horizont begrenzen, schenen naderbij, op dat uur; de dennenbosschen, donkerden zwart in de avondschemering;de lichtschijn van de gletschers verbleekte. In dubbelen rouw scheidden ons deze groote bergen van Frankrijk, waarheen ons langzamerhand onze weg zou terugleiden.
HARMONIES DE LA ZONE TEMPÉRÉEHARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.
HARMONIES DE LA ZONE TEMPÉRÉE
HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.Waarom plaatsen de zwaluwen en zooveel andere vogels hunne woningen zoo dicht bij die van den mensch? Hoe komen zij zoo bevriend met ons, dat zij ons volgen in onze werkzaamheden, ons daarbij vervroolijkend met hun zingen? Waarom bestaat alléén in onze gematigde luchtstreek, die harmonische band, die toch de Natuur zelve bedoelt?Dat komt, omdat beide partijen, de vogel zoowel als de mensch, hier vrij zijn van de drukkende fataliteit, die in de warme streken hen scheidt en aan elkaar tegenoverstelt.De warmte, die den mensch verslapt, prikkelt integendeel den vogel, kweekt bij hem de drukke bewegelijkheid, de onrust en de woestheid, die zich uit in rauwe kreten. In de tropen is er een absolute scheiding; slaven zijn zij beide van een tyrannieke natuur, die verschillend op hen drukt. Uit die klimatenin de onze te komen, is een overgang naar de vrijheid.De natuur, die wij dáár ondergingen, beheerschen wij hier. Ik verwijder mij gaarne van daar, zonder ééns het hoofd te wenden naar dat overweldigend paradijs, waar ik, een zwak kind, machteloos lag in den arm van die sterke voedster, die mij dronken maakte met haar al te krachtig voedsel, meenende mij te drenken.Deze hier is voor mij gemaakt, zij is mijn wettige vrouw. En van te voren gelijkt zij mij al: zij is ernstig, werkzaam als ik, zij heeft arbeidsinstinkt, en geduld.De wisselende jaargetijden verdeelen den grooten dag van het jaar voor den arbeider; het werk wisselt af met den rusttijd. Geen harer vruchten geeft onze natuur voor niets; maar zij geeft wat meer is dan vele vruchten: nijverheid en werklust.Met welk genot vind ik in haar mijn beeld, de sporen van mijn wil, de scheppingen van mijn kunnen en van mijne intelligentie. Grondig door mij bewerkt, omgewerkt, vertelt zij mij wat ik deed, herschept mij voor mijzelven. En ik zie haar ook, zooals zij was, vóór haar menschelijk herboren zijn, voor dat zij mensch geworden was.Eentonig en triest voor den eersten aanblik, lagen daar bosschen en grasvlakten, maar toch zoo verschillend van wat men in de heete luchtstreken ziet.Het grasland, het frisch-groene kleed van Engeland en Ierland, het teeder fijne tapijt van een gras, dat zich altijd vernieuwt,—niet het ruige dek van de Aziatische steppen, de vijandige, gedoornde vegetatie van Afrika, de stekelige, wilde Amerikaansche savanna's, waar de kleinste plant houterig is, een harde struik; de Europeesche weiden, met hunne vluchtige jaarlijksche plantengroei, hunne bescheiden bloempjes met een zwakken, zoeten geur, hebbeneen karakter van jonkheid, of laat ik liever zeggen onschuld, dat harmonie brengt in ons denken, en de ziel verkwikt. Op deze eerste laag van een bescheiden en smeeïg gras, dat geen pretenties heeft naar hoogen groei, teekent zich, door de tegenstelling, te scherper de krachtige individualiteit der forsche boomen af; een groot verschil met den warrigen groei der tropische wouden.Wie kan uit die dichte massa van lianen, orchideeën, tallooze parasieten, de boomen ontwarren—zelf van kruidachtigen aard—die er onder zijn bedolven. In onze oude Gallische of Germaansche bosschen, verheffen zich stoer en statig, langzaam en stevig opgebouwd, de iep of de eik, de held van het plantenrijk, met zijn knoestige armen, zijn hart van staal, die acht of twaalf eeuwen overwon, en die, neergeveld door den mensch en verbonden aan zijn arbeid, de eeuwigheid der natuurgewrochten openbaart.Zoo de boomen, zoo de mensch. Zij het ons gegeven hem te gelijken, dien krachtigen, rustigen eik, die met zijn machtig absorbeerings-vermogen alle voedingselementen in zich concentreerde, en zoo zich opbouwde tot het ernstig, nuttig, volhoudend individu, de sterke persoonlijkheid aan wie allen in vertrouwen bescherming komen vragen; die over zooveel dierlijk leven, zijn armen beschuttend uitstrekt, en ze veilig bergt in de dichte massa van zijn loof!... En in hun dankbaarheid, vervroolijken zij dag en nacht met een blij koor van geluiden, de zwijgende majesteit van dien ouden, die van eeuwen getuigen kan. De vogels danken hem, en in het patriarchale lommer brengen zij de bekoring van hun zangen, van hun jeugd en hun liefde.O! de levenswekkende kracht van het westelijk klimaat! Waarom leeft de eik duizend jaren? Omdat hij ieder jaar weer jong is.Hij is de lente-verkondiger. De emotie van het zich vernieuwende leven, begint voor ons niet, wanneer de natuur zich dekt met het éénvormig kleed van de gewone planten; maar zij begint, wanneer wij zien hoe de eik, tusschen het harde, dorre blad van 't vorige jaar uit, zijn nieuwe loof loswringt; wanneer de iep, die rustig het ongeduld der mindere boomenom zich, liet voorbijgaan, met een luchtig groen zijn teedere twijgen gaat tinten, zijn rijzige takken, die zich in hun streng omhoog-gaan zoo fijn afteekenen tegen de lucht. Dan spreekt de natuur tot allen; haar machtige stem beroert zelfs de ziel van den wijze. Waarom ook niet? Is de natuur niet heilig? En dit verrassend ontwaken, dat alle leven oproept, zoo in het starre hart van den eik, als in zijn heerlijken hoog-opstrevenden top, waar de vogel zijn vreugde uitjubelt; is het niet, als het wederkomen van God op aarde?Ik heb geleefd in de klimaten, waar olijf en oranje staan in hun eeuwig groen. Maar hoewel, van die keurboomen de schoonheid en bijzondere distinctie beseffende, kon ik mij toch niet gewennen aan het ééntonig, onveranderlijke kleed, dat met zijn altijd zelfde groen antwoordt op het altijd zelfde blauw van de luchten. Ik wachtte opiets, op eene hernieuwing, die niet kwam. De dagen gingen, maar altijd gelijk. Geen blaadje minder, geen wolkje, nog zoo klein! „Genade!” vroeg ik, „o eeuwige natuur! Verandering voor dit veranderlijk hart, dat gij mij gaaft! Regen, slijk, storm, ik neem alles aan; maar dat van den hemel of van de aarde de gedachte aan beweging mij weer geworde! aan herleving! dat ieder jaar, het zien eener hernieuwde schepping mijn ziel verfrissche, en mij de hoop hergeve, dat er ook voor mijne ziel eene wedergeboorte komt, en dat zij met de wisselingen van slaap, van dood of winter zich nieuwe lente kan scheppen.”Mensch, vogel, de geheele natuur, zij zeggen allen hetzelfde. Door wisseling zijn wij.Die sterke wisselingen van kou en warmte, van nevel en zon, van droefheid en blijheid, geven het karakter, het machtige eigen, aan ons Westen. Deregen verveelt ons, morgen zal het weer helder zijn. Het schitterende oosten, de wonderen der tropen, bij elkaar geteld, komen niet in vergelijking met het eerste Maartsche viooltje, het eerste vogellied in April, den bloeienden meidoorn, de vreugde van het jonge meisje, dat voor het eerst weer haar licht kleedje aantrekt.In den morgen klinkt een heldere zang, zeldzaam frisch en zuiver; het is de schallende metaalklank van den merel; en geen hart zoo droef, geen ouderdomzoo mokkend of zij hebben dáárvoor nog een glimlach. Toen ik eens op een lentedag op weg naar Lyon door Maconsche wijngaarden kwam, waarin men juist met het opbinden bezig was, zag ik een doodarm, oud blind vrouwtje, dat met een buitengewoon vroolijk accent het oude volksliedje zong:„Nous quittons nos grands habitspour en prendre de plus petits.”
HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.
Waarom plaatsen de zwaluwen en zooveel andere vogels hunne woningen zoo dicht bij die van den mensch? Hoe komen zij zoo bevriend met ons, dat zij ons volgen in onze werkzaamheden, ons daarbij vervroolijkend met hun zingen? Waarom bestaat alléén in onze gematigde luchtstreek, die harmonische band, die toch de Natuur zelve bedoelt?
Dat komt, omdat beide partijen, de vogel zoowel als de mensch, hier vrij zijn van de drukkende fataliteit, die in de warme streken hen scheidt en aan elkaar tegenoverstelt.
De warmte, die den mensch verslapt, prikkelt integendeel den vogel, kweekt bij hem de drukke bewegelijkheid, de onrust en de woestheid, die zich uit in rauwe kreten. In de tropen is er een absolute scheiding; slaven zijn zij beide van een tyrannieke natuur, die verschillend op hen drukt. Uit die klimatenin de onze te komen, is een overgang naar de vrijheid.
De natuur, die wij dáár ondergingen, beheerschen wij hier. Ik verwijder mij gaarne van daar, zonder ééns het hoofd te wenden naar dat overweldigend paradijs, waar ik, een zwak kind, machteloos lag in den arm van die sterke voedster, die mij dronken maakte met haar al te krachtig voedsel, meenende mij te drenken.
Deze hier is voor mij gemaakt, zij is mijn wettige vrouw. En van te voren gelijkt zij mij al: zij is ernstig, werkzaam als ik, zij heeft arbeidsinstinkt, en geduld.
De wisselende jaargetijden verdeelen den grooten dag van het jaar voor den arbeider; het werk wisselt af met den rusttijd. Geen harer vruchten geeft onze natuur voor niets; maar zij geeft wat meer is dan vele vruchten: nijverheid en werklust.
Met welk genot vind ik in haar mijn beeld, de sporen van mijn wil, de scheppingen van mijn kunnen en van mijne intelligentie. Grondig door mij bewerkt, omgewerkt, vertelt zij mij wat ik deed, herschept mij voor mijzelven. En ik zie haar ook, zooals zij was, vóór haar menschelijk herboren zijn, voor dat zij mensch geworden was.
Eentonig en triest voor den eersten aanblik, lagen daar bosschen en grasvlakten, maar toch zoo verschillend van wat men in de heete luchtstreken ziet.
Het grasland, het frisch-groene kleed van Engeland en Ierland, het teeder fijne tapijt van een gras, dat zich altijd vernieuwt,—niet het ruige dek van de Aziatische steppen, de vijandige, gedoornde vegetatie van Afrika, de stekelige, wilde Amerikaansche savanna's, waar de kleinste plant houterig is, een harde struik; de Europeesche weiden, met hunne vluchtige jaarlijksche plantengroei, hunne bescheiden bloempjes met een zwakken, zoeten geur, hebbeneen karakter van jonkheid, of laat ik liever zeggen onschuld, dat harmonie brengt in ons denken, en de ziel verkwikt. Op deze eerste laag van een bescheiden en smeeïg gras, dat geen pretenties heeft naar hoogen groei, teekent zich, door de tegenstelling, te scherper de krachtige individualiteit der forsche boomen af; een groot verschil met den warrigen groei der tropische wouden.
Wie kan uit die dichte massa van lianen, orchideeën, tallooze parasieten, de boomen ontwarren—zelf van kruidachtigen aard—die er onder zijn bedolven. In onze oude Gallische of Germaansche bosschen, verheffen zich stoer en statig, langzaam en stevig opgebouwd, de iep of de eik, de held van het plantenrijk, met zijn knoestige armen, zijn hart van staal, die acht of twaalf eeuwen overwon, en die, neergeveld door den mensch en verbonden aan zijn arbeid, de eeuwigheid der natuurgewrochten openbaart.
Zoo de boomen, zoo de mensch. Zij het ons gegeven hem te gelijken, dien krachtigen, rustigen eik, die met zijn machtig absorbeerings-vermogen alle voedingselementen in zich concentreerde, en zoo zich opbouwde tot het ernstig, nuttig, volhoudend individu, de sterke persoonlijkheid aan wie allen in vertrouwen bescherming komen vragen; die over zooveel dierlijk leven, zijn armen beschuttend uitstrekt, en ze veilig bergt in de dichte massa van zijn loof!... En in hun dankbaarheid, vervroolijken zij dag en nacht met een blij koor van geluiden, de zwijgende majesteit van dien ouden, die van eeuwen getuigen kan. De vogels danken hem, en in het patriarchale lommer brengen zij de bekoring van hun zangen, van hun jeugd en hun liefde.
O! de levenswekkende kracht van het westelijk klimaat! Waarom leeft de eik duizend jaren? Omdat hij ieder jaar weer jong is.
Hij is de lente-verkondiger. De emotie van het zich vernieuwende leven, begint voor ons niet, wanneer de natuur zich dekt met het éénvormig kleed van de gewone planten; maar zij begint, wanneer wij zien hoe de eik, tusschen het harde, dorre blad van 't vorige jaar uit, zijn nieuwe loof loswringt; wanneer de iep, die rustig het ongeduld der mindere boomenom zich, liet voorbijgaan, met een luchtig groen zijn teedere twijgen gaat tinten, zijn rijzige takken, die zich in hun streng omhoog-gaan zoo fijn afteekenen tegen de lucht. Dan spreekt de natuur tot allen; haar machtige stem beroert zelfs de ziel van den wijze. Waarom ook niet? Is de natuur niet heilig? En dit verrassend ontwaken, dat alle leven oproept, zoo in het starre hart van den eik, als in zijn heerlijken hoog-opstrevenden top, waar de vogel zijn vreugde uitjubelt; is het niet, als het wederkomen van God op aarde?
Ik heb geleefd in de klimaten, waar olijf en oranje staan in hun eeuwig groen. Maar hoewel, van die keurboomen de schoonheid en bijzondere distinctie beseffende, kon ik mij toch niet gewennen aan het ééntonig, onveranderlijke kleed, dat met zijn altijd zelfde groen antwoordt op het altijd zelfde blauw van de luchten. Ik wachtte opiets, op eene hernieuwing, die niet kwam. De dagen gingen, maar altijd gelijk. Geen blaadje minder, geen wolkje, nog zoo klein! „Genade!” vroeg ik, „o eeuwige natuur! Verandering voor dit veranderlijk hart, dat gij mij gaaft! Regen, slijk, storm, ik neem alles aan; maar dat van den hemel of van de aarde de gedachte aan beweging mij weer geworde! aan herleving! dat ieder jaar, het zien eener hernieuwde schepping mijn ziel verfrissche, en mij de hoop hergeve, dat er ook voor mijne ziel eene wedergeboorte komt, en dat zij met de wisselingen van slaap, van dood of winter zich nieuwe lente kan scheppen.”Mensch, vogel, de geheele natuur, zij zeggen allen hetzelfde. Door wisseling zijn wij.
Die sterke wisselingen van kou en warmte, van nevel en zon, van droefheid en blijheid, geven het karakter, het machtige eigen, aan ons Westen. Deregen verveelt ons, morgen zal het weer helder zijn. Het schitterende oosten, de wonderen der tropen, bij elkaar geteld, komen niet in vergelijking met het eerste Maartsche viooltje, het eerste vogellied in April, den bloeienden meidoorn, de vreugde van het jonge meisje, dat voor het eerst weer haar licht kleedje aantrekt.
In den morgen klinkt een heldere zang, zeldzaam frisch en zuiver; het is de schallende metaalklank van den merel; en geen hart zoo droef, geen ouderdomzoo mokkend of zij hebben dáárvoor nog een glimlach. Toen ik eens op een lentedag op weg naar Lyon door Maconsche wijngaarden kwam, waarin men juist met het opbinden bezig was, zag ik een doodarm, oud blind vrouwtje, dat met een buitengewoon vroolijk accent het oude volksliedje zong:
„Nous quittons nos grands habitspour en prendre de plus petits.”
„Nous quittons nos grands habitspour en prendre de plus petits.”
„Nous quittons nos grands habits
pour en prendre de plus petits.”
L'OISEAU - OUVRIER DE L'HOMMEDE VOGEL.Arbeider van den Mensch.
L'OISEAU - OUVRIER DE L'HOMME
DE VOGEL.ARBEIDER VAN DEN MENSCH.De gierige landbouwer,—Virgilius heeft dat juist gevoeld—gierig, en daarbij nog blind, vervolgt de vogels, die toch insektenverdelgers zijn, en verdedigers van zijn oogst.Geen enkel zaadje voor hen, die in de regenachtige winters de wordende insecten en de larven zoeken, die ieder blaadje omkeerden en afzochten, die dagelijks duizende rupseneieren vernietigden. Maar voor de volwassen insekten zakken vol haver; en akkers vol koren voor de sprinkhanen die anders door de vogels verdelgd waren geworden.Den blik steeds op de vore, op het oogenblik gericht, blind voor de groote harmonie, die men niet straffeloos verbreekt, heeft hij altijd de wetten verlangd of toegejuicht, die hen bestreden, die toch zijne noodzakelijke helpers zijn bij den arbeid: de vogels, de insektenjagers.En de insekten hebben weer de vogels gewroken. Toen moest de gebannene haastig terug geroepen worden. Op het eiland Bourbon b.v. was er een prijs gesteld op het hoofd van den ijsvogel; hij verdween; maar het gevolg was, dat de sprinkhanen bezit namen van het eiland; wat zij niet verslonden, werd een dorre verbrande woestenij. Zoo gebeurde het in Noord-Amerika met de spreeuwen, de verdedigers van de maïs. En de musschen zelfs, die over het graan heenvallen, maar nog meer het verdedigen, de musschen, roovers en plunderaars zoo veel verwenscht en vervloekt,—in Hongarije heeft men gezien, dat men zonder hen niet kon bestaan, dat zij alléén den geweldigen krijg kunnen volhouden met de meikevers, met de tallooze insekten, die heerschen op de lage gronden. Men heeft de ban herroepen en die dappere „landwehr” in zijn eer hersteld; want zijn zij al tuchteloos, zij zijn toch het heil van het land.Het is niet lang geleden, dat bij Rouaan in het dal van Monville, de kraaien in den ban waren gedaan. Maar toen hebben de meikevers zóó geprofiteerd, en hunne in 't oneindige verveelvoudigde larven hebben zóó gewerkt onder den grond, dat een grasland, dat men mij toonde, aan de oppervlakte geheel verdroogd was. Alle worteltjes waren afgeknaagd, en men kon het geheele weiland oprollen als een tapijt.Het inroepen van de Natuur door den mensch veronderstelt het begrip van de Natuurorde. Zóó is de orde, en dit is haar Wet:Het leven heeft omzich heen, in zich, zijn vijand, dikwijls zijn gast, de parasiet, die het ondermijnt en uitvreet.Het bewegingloos en weerloos leven, vooral zou vernietigd worden, zonder den onvermoeiden vijand van zijn parasieten, den ijverigen jager, den gevleugelden overwinnaar der monsters.Oorlogdus overal;oorlognaar buiten, in de tropen, waar alles aan de oppervlakte komt, en oorlog naar binnen, in ons klimaat, waar het meer in 't verborgen geschiedt, geheimzinnig en in de diepte.In de overweldigende vruchtbaarheid van de heete zône verslinden de insekten, die moordenaars van den plantengroei, alléén het teveel. Bij ons stelen zij van het noodige. Dáár voorzien zij zich in de kwistige weelde van wild opschietende planten, van verloren zaden, van vruchten, waarmee de Natuur de wildernissen bestrooid heeft. Hier, op den afgeperkten akker, besproeid met het zweet van den landman, oogsten zij van zijn oogst, verslinden zij zijn werk en de vrucht daarvan; zij vallen zijn leven aan. Men zegge niet: „maar de winter is voor ons, hij zal den vijanddooden.” De winter doodt den vijand, die toch zou sterven; hij doodt voornamelijk de kortlevenden, wier duur samenging met den duur der bloemen, der bladen, waarvan zij leefden. Maar vóór zijn bezwijken waarborgt dat voorziend atoom het leven voor zijn nakomelingschap, en hij produceert en beveiligt, diep verborgen, vast zijn toekomst, de kiem van zijne hernieuwing. Als eieren of larven, of zelfs als volkomen insekt, levend, gewapend, slapen deze onzichtbaren in den schoot der aarde en wachten er hun tijd.De aarde zou bewegingloos zijn! Ik zie haar golven; want in haar velden werkt die zwarte mijnwerker, de mol. En hooger in de droge gedeelten heeft de rat zijn graankelders en zit in bespiegeling op zijn hoop koren, wachtend zijn tijd. Dat alles gaat leven in de lente. Van hoog, van laag, van rechts, van links komt die opeenvolging van knagers en knabbelaars, legioenen, die elkaar afwisselen; ieder in zijn maand, op zijn dag. En de natuur richt den marsch van deze overstelpende onafzienbare mobilisatie op den arbeid van den mensch.Eene volmaakte verdeeling van arbeid. Ieder vooruit op zijn post, en geen die zich vergist. Allen gaan recht op hun doel af, op hun boom, op hun plant. En in zulk een schrikbarend aantal, dat er legioenen gaan op één blad. Wat zult gij nu doen, arme Mensch? Hoe zult gij u verveelvoudigen? Hebt gij vleugels om hen te volgen? oogen om hen te zien? Gij kunt er zooveel dooden als gij wilt; zij zijn volkomen veilig. Maak ze af bij millioenen, zij blijven leven bij milliarden. Waar gij denkt te zegevieren met ijzer, met vuur, vernielend ook de planten zelve, daar hoort gij van terzij het lichte ruischen van het groote atomenleger, dat van een zegepraal niet merkt en onzichtbaar voortknaagt.Luister nu: ik geef u tweeledigen raad. Onderzoek en kies de beste. Het eerste middel, en het wordt al toegepast, is, alles te vergiftigen. Drenk de zaden in kopersulfaat, bescherm uw koren met groenspaan. Daar was de vijand niet op bedacht en het brengt hem in de war. Als hij er aanraakt is hij dood, of hij zal wegkwijnen. Maar daarbij gaat het uzelf ook niet goed; die gewaagde krijgslist kan een van de geesels worden, die onzen tijd teisteren. Gezegende tijd! De brave landman begint met vergiftigen; het gekoperde graan, bij den handigen bakker gebracht, gaat gisten door het kopersulfaat; een eenvoudig handig middel; het lichte deeg rijst, zwelt, men zal er nog om vechten!Neen, ge kunt beter doen. Kies uw partij. Bij zóóveel vijanden is wijken geen schande. Kruis uw armen, en laat hen begaan. Ga er bij liggen kijken. Doe wat die dappere deed, den avond van Waterloo; gewond lag hij neer, maar hij richtte zich nog op en keek naar den horizont. Daar zag hijBlücheren de stofwolken van het Zwarte Regiment. Toen viel hij weer terug. Het zijn er te veel!En hoeveel recht hebt gij niet dat te zeggen! Alléén staat gij tegenover die groote samenzwering, die alle leven bedreigt. Gij kunt ook zeggen „er zijn er te veel!” Maar gij houdt vol: „dit land ziet er toch goed uit; in dit lekkere malsche gras zou ik graag mijn beesten zien loopen.” Kom, we zullen ze er heen brengen.Er wordt al op hen gewacht. Wat zouden zonder hen die levende wolken van insekten beginnen, die op enkel bloed azen. Het bloed van het rund is goed, maar het bloed van den mensch is beter. Ga er maar heen, er midden tusschen door, ge zult goed ontvangen worden; want gij zijt een feestmaal voor hen.Die angels, die slurven, die tangen zullen grasduinen in uw vleesch; het zal een bloedige orgie worden op uw lichaam, voor den uitzinnigen dans van die uitgehongerde massa; en ze zullen niet loslaten, tot ze niet meer kunnen. Meer dan één zult ge er zien ronddraaien en sterven op de bedwelmende bron, die zijn angel heeft doen wellen. En gewond, bloedend, met zwellingen en builen overal, zult ge geen rust gelaten worden. Er komen anderen en weer anderen, altijd en zonder einde. Want is ons klimaat ook niet zoo krachtig als de heete zônen, daar staat tegenover de eeuwige regen, die zee van lauw en zoet water, die eindeloos onze landen overgiet en er de vruchtbaarheid kweekt, waarin die begonnen en wachtende levens tot rijpheid komen, die klaar staan om op te stijgen, te groeien en zich te volmaken met de vernietiging van het hoogere leven.Ik heb gezien, en het was niet eens in de moerassen, maar op de hoogere gronden van het westen op bekoorlijk groene heuvels, bedekt met bosch of grasland, hoe daar immense poelen van regenwater bleven staan en later toen de zonnestralen ze hadden opgezogen, bleek er de aarde bedekt met eene overvloedige productie van dierlijk leven, slakken en insekten van alle soorten, een hongerend volk, gewapend, geboren met verschrikkelijke vernielingswerktuigen. Machteloos stonden wij tegenover dezen onverwachten overval, voor die krioelende, kruipende en vliegende wereld, die gereed was ons te overweldigen! Maar wij aanvaardden den strijd met behulp van een paar onverschrokken en hongerige kippen, die den vijand ongeteld en zonder praatjes verslonden. Deze Bretonsche en Vendeesche hoenders, bezield met den dapperen geest van hun land, voeren den krijg des te zekerder, daar zij het ieder op harewijze deden. De „zwarte”, de „grijze” en de „broedster” (dat waren hun strijdnamen) rukten en corps tegen het vijandelijke leger op, en weken niet. De „Droomer” of „filosoof” werkte liever op haar eigen houtje, en het resultaat was er niet minder om. Een prachtige zwarte kat, hun metgezel in de eenzaamheid, bestudeerde ijverig de sporen van veldmuizen, joeg op hagedissen, vervolgde de wespen, en at de vliegen, altijd op eerbiedigen afstand van de kippen.Over die kippen nog een weemoedig woord. Aan alles komt een eind en wij moesten vertrekken. Wat zou er van haar worden? Gaven wij ze weg, dan zouden ze zeker worden opgegeten. Lang hebben wij beraadslaagd. Eindelijk namen wij een kloek besluit, en in navolging van het oud geloof der wilde stammen, dat men niet gelukkiger kan sterven, dan door hen, die men liefheeft, en dat het eten van helden, helden kweekt, hebben wij een maaltijd van haar aangericht, en ze niet zonder weeklagen verorberd.In de lente, wanneer met schrikbarend bewegen, het groote monster ontwaakt, piepend en snorrend,en kwakend en gonzend in zijn geweldigen honger, dan is het voor ons een grootsch schouwspel te zien, hoe van den hemel de universeele redder komt afdalen—in velerlei vormen, in talrijke legioenen, ongelijk van karakter en wapenen, maar alle gevleugeld, deelende in het goddelijk privilege van den Heiligen Geest, overal tegelijk tegenwoordig te zijn.Aan de alomtegenwoordigheid van de insekten, wat hun aantal betreft, beantwoordt die van de vogels door vlugheid, door het vliegen. Het groote moment is dan, wanneer het insekt, ontwikkeld door de warmte, den vogel tegenover zich vindt, den vogel verveelvoudigd, den vogel, die van zog verstoken juist dàn een talrijk kroost heeft te voeden, met jacht en levende prooi. Ieder jaar zou op nieuw de wereld in gevaar zijn wanneer de vogel zoogen kon, of wanneer het één individu, één maag was, die gevoed moest worden. Maar het broedsel, steeds schreeuwend, of liever, niet te verzadigen, roept zijn prooi met tien, vijftien, twintig, open snavels; en zóó veeleischend zijn zij, zoo vurig is de ijver der zorgende moeder om aan die kreten gehoor te geven, dat de mees, die twintig kinderen heeft, radeloos als zij hen niet kanstillen met drie honderd rupsen per dag, er toe komt hen de hersenen van jonge vogeltjes te brengen, die zij vermoordt in de nesten.Van onze vensters, die op het Luxembourg uitzien, kunnen wij waarnemen hoe gelijk met den winter, de nuttige krijg van den vogel met het insekt begint. Met December beginnen de jaarlijksche werkzaamheden. Het fatsoenlijk en eerzaam echtpaar merel—men zou hen ook de „bladkeerders” kunnen noemen, werkt in paren. Als na regendagen de zon weer doorkomt, ziet men hen bij de plassen, zij lichten handig en nauwgezet de bladen op, één voor één, en geen dat niet zorgvuldig wordt onderzocht.In die sombere maanden als de slaap van de Natuur wel haar dood gelijkt, vertoont dus de vogel alléén, ons nog een stukje leven. Op de sneeuw zelfs begroette ons de merel bij ons ontwaken. Op de ernstige winterwandelingen hadden wij altijd het goudhaantje om ons heen, met zijn rap zangetje en zijn zoet en fluitend roepen. De musschen altijd meer familiaar, zaten op ons balkon. Heel precies op de uren als zij zijn, wisten zij, dat tweemaal per dag de tafel voor hen gedekt was, zonder dat hun vrijheid er bij in zou schieten.Als fatsoenlijke werklui houden zij op met vragen zoo gauw de lente komt! En toen hun kinderen zoover waren, dat zij vliegen konden, hebben zij ze vroolijk naar ons venster gebracht, als in dankbaarheid.
DE VOGEL.
ARBEIDER VAN DEN MENSCH.
De gierige landbouwer,—Virgilius heeft dat juist gevoeld—gierig, en daarbij nog blind, vervolgt de vogels, die toch insektenverdelgers zijn, en verdedigers van zijn oogst.
Geen enkel zaadje voor hen, die in de regenachtige winters de wordende insecten en de larven zoeken, die ieder blaadje omkeerden en afzochten, die dagelijks duizende rupseneieren vernietigden. Maar voor de volwassen insekten zakken vol haver; en akkers vol koren voor de sprinkhanen die anders door de vogels verdelgd waren geworden.
Den blik steeds op de vore, op het oogenblik gericht, blind voor de groote harmonie, die men niet straffeloos verbreekt, heeft hij altijd de wetten verlangd of toegejuicht, die hen bestreden, die toch zijne noodzakelijke helpers zijn bij den arbeid: de vogels, de insektenjagers.
En de insekten hebben weer de vogels gewroken. Toen moest de gebannene haastig terug geroepen worden. Op het eiland Bourbon b.v. was er een prijs gesteld op het hoofd van den ijsvogel; hij verdween; maar het gevolg was, dat de sprinkhanen bezit namen van het eiland; wat zij niet verslonden, werd een dorre verbrande woestenij. Zoo gebeurde het in Noord-Amerika met de spreeuwen, de verdedigers van de maïs. En de musschen zelfs, die over het graan heenvallen, maar nog meer het verdedigen, de musschen, roovers en plunderaars zoo veel verwenscht en vervloekt,—in Hongarije heeft men gezien, dat men zonder hen niet kon bestaan, dat zij alléén den geweldigen krijg kunnen volhouden met de meikevers, met de tallooze insekten, die heerschen op de lage gronden. Men heeft de ban herroepen en die dappere „landwehr” in zijn eer hersteld; want zijn zij al tuchteloos, zij zijn toch het heil van het land.
Het is niet lang geleden, dat bij Rouaan in het dal van Monville, de kraaien in den ban waren gedaan. Maar toen hebben de meikevers zóó geprofiteerd, en hunne in 't oneindige verveelvoudigde larven hebben zóó gewerkt onder den grond, dat een grasland, dat men mij toonde, aan de oppervlakte geheel verdroogd was. Alle worteltjes waren afgeknaagd, en men kon het geheele weiland oprollen als een tapijt.
Het inroepen van de Natuur door den mensch veronderstelt het begrip van de Natuurorde. Zóó is de orde, en dit is haar Wet:Het leven heeft omzich heen, in zich, zijn vijand, dikwijls zijn gast, de parasiet, die het ondermijnt en uitvreet.Het bewegingloos en weerloos leven, vooral zou vernietigd worden, zonder den onvermoeiden vijand van zijn parasieten, den ijverigen jager, den gevleugelden overwinnaar der monsters.
Oorlogdus overal;oorlognaar buiten, in de tropen, waar alles aan de oppervlakte komt, en oorlog naar binnen, in ons klimaat, waar het meer in 't verborgen geschiedt, geheimzinnig en in de diepte.
In de overweldigende vruchtbaarheid van de heete zône verslinden de insekten, die moordenaars van den plantengroei, alléén het teveel. Bij ons stelen zij van het noodige. Dáár voorzien zij zich in de kwistige weelde van wild opschietende planten, van verloren zaden, van vruchten, waarmee de Natuur de wildernissen bestrooid heeft. Hier, op den afgeperkten akker, besproeid met het zweet van den landman, oogsten zij van zijn oogst, verslinden zij zijn werk en de vrucht daarvan; zij vallen zijn leven aan. Men zegge niet: „maar de winter is voor ons, hij zal den vijanddooden.” De winter doodt den vijand, die toch zou sterven; hij doodt voornamelijk de kortlevenden, wier duur samenging met den duur der bloemen, der bladen, waarvan zij leefden. Maar vóór zijn bezwijken waarborgt dat voorziend atoom het leven voor zijn nakomelingschap, en hij produceert en beveiligt, diep verborgen, vast zijn toekomst, de kiem van zijne hernieuwing. Als eieren of larven, of zelfs als volkomen insekt, levend, gewapend, slapen deze onzichtbaren in den schoot der aarde en wachten er hun tijd.
De aarde zou bewegingloos zijn! Ik zie haar golven; want in haar velden werkt die zwarte mijnwerker, de mol. En hooger in de droge gedeelten heeft de rat zijn graankelders en zit in bespiegeling op zijn hoop koren, wachtend zijn tijd. Dat alles gaat leven in de lente. Van hoog, van laag, van rechts, van links komt die opeenvolging van knagers en knabbelaars, legioenen, die elkaar afwisselen; ieder in zijn maand, op zijn dag. En de natuur richt den marsch van deze overstelpende onafzienbare mobilisatie op den arbeid van den mensch.
Eene volmaakte verdeeling van arbeid. Ieder vooruit op zijn post, en geen die zich vergist. Allen gaan recht op hun doel af, op hun boom, op hun plant. En in zulk een schrikbarend aantal, dat er legioenen gaan op één blad. Wat zult gij nu doen, arme Mensch? Hoe zult gij u verveelvoudigen? Hebt gij vleugels om hen te volgen? oogen om hen te zien? Gij kunt er zooveel dooden als gij wilt; zij zijn volkomen veilig. Maak ze af bij millioenen, zij blijven leven bij milliarden. Waar gij denkt te zegevieren met ijzer, met vuur, vernielend ook de planten zelve, daar hoort gij van terzij het lichte ruischen van het groote atomenleger, dat van een zegepraal niet merkt en onzichtbaar voortknaagt.
Luister nu: ik geef u tweeledigen raad. Onderzoek en kies de beste. Het eerste middel, en het wordt al toegepast, is, alles te vergiftigen. Drenk de zaden in kopersulfaat, bescherm uw koren met groenspaan. Daar was de vijand niet op bedacht en het brengt hem in de war. Als hij er aanraakt is hij dood, of hij zal wegkwijnen. Maar daarbij gaat het uzelf ook niet goed; die gewaagde krijgslist kan een van de geesels worden, die onzen tijd teisteren. Gezegende tijd! De brave landman begint met vergiftigen; het gekoperde graan, bij den handigen bakker gebracht, gaat gisten door het kopersulfaat; een eenvoudig handig middel; het lichte deeg rijst, zwelt, men zal er nog om vechten!
Neen, ge kunt beter doen. Kies uw partij. Bij zóóveel vijanden is wijken geen schande. Kruis uw armen, en laat hen begaan. Ga er bij liggen kijken. Doe wat die dappere deed, den avond van Waterloo; gewond lag hij neer, maar hij richtte zich nog op en keek naar den horizont. Daar zag hijBlücheren de stofwolken van het Zwarte Regiment. Toen viel hij weer terug. Het zijn er te veel!
En hoeveel recht hebt gij niet dat te zeggen! Alléén staat gij tegenover die groote samenzwering, die alle leven bedreigt. Gij kunt ook zeggen „er zijn er te veel!” Maar gij houdt vol: „dit land ziet er toch goed uit; in dit lekkere malsche gras zou ik graag mijn beesten zien loopen.” Kom, we zullen ze er heen brengen.
Er wordt al op hen gewacht. Wat zouden zonder hen die levende wolken van insekten beginnen, die op enkel bloed azen. Het bloed van het rund is goed, maar het bloed van den mensch is beter. Ga er maar heen, er midden tusschen door, ge zult goed ontvangen worden; want gij zijt een feestmaal voor hen.Die angels, die slurven, die tangen zullen grasduinen in uw vleesch; het zal een bloedige orgie worden op uw lichaam, voor den uitzinnigen dans van die uitgehongerde massa; en ze zullen niet loslaten, tot ze niet meer kunnen. Meer dan één zult ge er zien ronddraaien en sterven op de bedwelmende bron, die zijn angel heeft doen wellen. En gewond, bloedend, met zwellingen en builen overal, zult ge geen rust gelaten worden. Er komen anderen en weer anderen, altijd en zonder einde. Want is ons klimaat ook niet zoo krachtig als de heete zônen, daar staat tegenover de eeuwige regen, die zee van lauw en zoet water, die eindeloos onze landen overgiet en er de vruchtbaarheid kweekt, waarin die begonnen en wachtende levens tot rijpheid komen, die klaar staan om op te stijgen, te groeien en zich te volmaken met de vernietiging van het hoogere leven.
Ik heb gezien, en het was niet eens in de moerassen, maar op de hoogere gronden van het westen op bekoorlijk groene heuvels, bedekt met bosch of grasland, hoe daar immense poelen van regenwater bleven staan en later toen de zonnestralen ze hadden opgezogen, bleek er de aarde bedekt met eene overvloedige productie van dierlijk leven, slakken en insekten van alle soorten, een hongerend volk, gewapend, geboren met verschrikkelijke vernielingswerktuigen. Machteloos stonden wij tegenover dezen onverwachten overval, voor die krioelende, kruipende en vliegende wereld, die gereed was ons te overweldigen! Maar wij aanvaardden den strijd met behulp van een paar onverschrokken en hongerige kippen, die den vijand ongeteld en zonder praatjes verslonden. Deze Bretonsche en Vendeesche hoenders, bezield met den dapperen geest van hun land, voeren den krijg des te zekerder, daar zij het ieder op harewijze deden. De „zwarte”, de „grijze” en de „broedster” (dat waren hun strijdnamen) rukten en corps tegen het vijandelijke leger op, en weken niet. De „Droomer” of „filosoof” werkte liever op haar eigen houtje, en het resultaat was er niet minder om. Een prachtige zwarte kat, hun metgezel in de eenzaamheid, bestudeerde ijverig de sporen van veldmuizen, joeg op hagedissen, vervolgde de wespen, en at de vliegen, altijd op eerbiedigen afstand van de kippen.
Over die kippen nog een weemoedig woord. Aan alles komt een eind en wij moesten vertrekken. Wat zou er van haar worden? Gaven wij ze weg, dan zouden ze zeker worden opgegeten. Lang hebben wij beraadslaagd. Eindelijk namen wij een kloek besluit, en in navolging van het oud geloof der wilde stammen, dat men niet gelukkiger kan sterven, dan door hen, die men liefheeft, en dat het eten van helden, helden kweekt, hebben wij een maaltijd van haar aangericht, en ze niet zonder weeklagen verorberd.
In de lente, wanneer met schrikbarend bewegen, het groote monster ontwaakt, piepend en snorrend,en kwakend en gonzend in zijn geweldigen honger, dan is het voor ons een grootsch schouwspel te zien, hoe van den hemel de universeele redder komt afdalen—in velerlei vormen, in talrijke legioenen, ongelijk van karakter en wapenen, maar alle gevleugeld, deelende in het goddelijk privilege van den Heiligen Geest, overal tegelijk tegenwoordig te zijn.
Aan de alomtegenwoordigheid van de insekten, wat hun aantal betreft, beantwoordt die van de vogels door vlugheid, door het vliegen. Het groote moment is dan, wanneer het insekt, ontwikkeld door de warmte, den vogel tegenover zich vindt, den vogel verveelvoudigd, den vogel, die van zog verstoken juist dàn een talrijk kroost heeft te voeden, met jacht en levende prooi. Ieder jaar zou op nieuw de wereld in gevaar zijn wanneer de vogel zoogen kon, of wanneer het één individu, één maag was, die gevoed moest worden. Maar het broedsel, steeds schreeuwend, of liever, niet te verzadigen, roept zijn prooi met tien, vijftien, twintig, open snavels; en zóó veeleischend zijn zij, zoo vurig is de ijver der zorgende moeder om aan die kreten gehoor te geven, dat de mees, die twintig kinderen heeft, radeloos als zij hen niet kanstillen met drie honderd rupsen per dag, er toe komt hen de hersenen van jonge vogeltjes te brengen, die zij vermoordt in de nesten.
Van onze vensters, die op het Luxembourg uitzien, kunnen wij waarnemen hoe gelijk met den winter, de nuttige krijg van den vogel met het insekt begint. Met December beginnen de jaarlijksche werkzaamheden. Het fatsoenlijk en eerzaam echtpaar merel—men zou hen ook de „bladkeerders” kunnen noemen, werkt in paren. Als na regendagen de zon weer doorkomt, ziet men hen bij de plassen, zij lichten handig en nauwgezet de bladen op, één voor één, en geen dat niet zorgvuldig wordt onderzocht.
In die sombere maanden als de slaap van de Natuur wel haar dood gelijkt, vertoont dus de vogel alléén, ons nog een stukje leven. Op de sneeuw zelfs begroette ons de merel bij ons ontwaken. Op de ernstige winterwandelingen hadden wij altijd het goudhaantje om ons heen, met zijn rap zangetje en zijn zoet en fluitend roepen. De musschen altijd meer familiaar, zaten op ons balkon. Heel precies op de uren als zij zijn, wisten zij, dat tweemaal per dag de tafel voor hen gedekt was, zonder dat hun vrijheid er bij in zou schieten.
Als fatsoenlijke werklui houden zij op met vragen zoo gauw de lente komt! En toen hun kinderen zoover waren, dat zij vliegen konden, hebben zij ze vroolijk naar ons venster gebracht, als in dankbaarheid.