LE TRIOMPHE DE L'AILETRIOMF VAN DEN VLEUGELDe Fregatvogel.
LE TRIOMPHE DE L'AILE
TRIOMF VAN DEN VLEUGEL.De Fregatvogel.Sparen wij ons de opsomming der tusschenliggende soorten. Ik ga onmiddellijk over tot den witten vogel, daar boven in de wolken; een vogel, dien men overal ziet, in het water, op het land, en op de kale of door de zee bedekte klippen, tusschen de golven; een vogel dien men gaarne ziet, gezellig en gulzig. De kleine gier der zeeën zou ik hem willen noemen. Ik spreek van de myriaden van meeuwen—gewiekte golfjes—die boven alle kusten, de lucht scheuren met hun kreten. Noem mij vrijer wezens! Nacht of dag, noord of zuid, zee of kust, prooi levend of dood, het is hun alles goed. Alleshun gading, overal thuis, zweven zij zonder rust, het witte zeil op, tusschen lucht en water. De wind, die steeds wisselt en draait, is altijd hun wind, die hen brengt, waar zij wenschen te zijn. Zijn zij niet de elementen zelf, lucht en zee, die vleugels namen en opvlogen! Ik weet het niet: hun grijs oog, koel en star (dat men nooit met die uitdrukking in onze musea terug vindt) is als de grauwe, wezenlooze zee van het Noorden in zijn ijzige onpersoonlijkheid. Wat zeg ik? nog bewogener is die zee. Lichtend, phosphorizeerend, wekt zij dikwijls leven in zich. Vader Oceaan, norsch en in zichzelf als hij is, broedt achter zijn bleek aanschijn dikwijls nog veel gedachten uit. Zijn zonen, de meeuwen, schijnen minder dier dan hij. Zij vliegen rond, speurend met hun doode oogen, een doode prooi. Zij verzamelen zich en verhaasten in massa de vernietiging van de reusachtige kadavers, die voor hen op de zee drijven. Niet wreed van uiterlijk, vervroolijken zij den reiziger met hun spel en de vlugge verschijning van hun slanke vleugels. En zij spreken hem van verre landen, van kusten, die hij verliet, van vrienden, verlorenof te vinden. En zij voorzeggen hem ook de stormen. Menigmaal raden hem hunne ontplooide zeilen, de zijne in te halen.Want geloof niet, dat zij hun vleugels vouwen, als de storm komt. Integendeel, juist dan nemen zij hun vlucht. De storm is hun oogsttijd: hoe verschrikkelijker de zee, hoe minder de visschen zich onttrekken aan dien stouten visscher. In de golf van Biscaye waar de zeeën, opgestuwd uit het Noordwesten over den Atlantischen Oceaan komen opgehoopt, opgeheven tot een ontzaglijke hoogte en met geweldige schokken, werken rustig en onverstoorbaar de meeuwen.„Ik heb hen een oneindig aantal kringen zien beschrijven,” zegt de heer Quatrefages, „hen zien neervallen tusschen twee golven en met een visch weer opstijgen. Sneller met den wind, trager tegen den wind, maar altijd cirkelend met hetzelfde gemak, zonder schijnbaar één vleugelslag meer dan in de mooie kalme dagen. En toch stortten zich de golven over de kusten als omgekeerde watervallen, hoog als het plate-forme van de Notre-Dame, en het opvliegend schuim hooger dan Montmartre—zij bleven onverschillig en bedaard.”Die bedaardheid ontbreekt den mensch. De matrozen ontstellen, wanneer in het avonddonker, bij 't plotseling invallen van den nacht, over de zeeën, een naargeestig klein figuurtje rond het schip komt zwerven, een somber zwarte vogel. Zwart is eigenlijk niet het rechte woord, zwart zou nog vroolijk zijn; de ware tint is een soort van rookerig bruin, dat men haast niet onderscheidt. Een schim uit de hel, een booze droom; die op de wateren loopt, speelt tusschen de golven, den storm met voeten treedt. DieStormvogel(ook „Sint Pieter”) is de schrik van den zeeman, die in hem een levende vervloeking ziet. Vanwaar komt hij? Hoe verschijnt hij op eens op zulk een afstand van allen vasten grond? Wat wil hij? wat zoekt hij, zoo geen schipbreuk? Ongeduldig is zijn vlucht; hij kiest reeds de lijken, die hem zijn maat, de wreede, kwaadaardige zee, zal overleveren.Die voorstelling veroorzaakt de vrees. Minder vreesachtige geesten zouden in den armen vogel een ander schip-in-nood zien; een onvoorzichtig zeevaarder, die even als zij door den storm verrast wordt, ver van de kust, zonder schuilplaats. Dit schip is voor hem een eiland, waarop hij wel zou willen rusten. Devaartalléén van het schip, dat voor hem wind en golven breekt, is hem al rust en beveiliging. Steeds weet hij met behendige vlucht er achter te blijven; het is zijn bolwerk tegen den orkaan. Schroomvallig en bijziend, ziet men hem haast alléén in het duister, dat met den storm komt. Hij gelijkt ons: hij vreest den orkaan; hij is bang, hij wil niet sterven;hij denkt als gij, matrozen: „Wat moet er van mijn kinderen worden?”Maar de nacht van den storm wijkt, het wordt weer licht; ik zie een stukje hemelblauw. Gelukzalige en sereene streken, die den vrede bewaart boven de onrust van de stormen. In dat stukje blauw, drijft koninklijk, op duizend voet hoogte, een kleine vogel, maar met geweldigen vleugel. Een meeuw? Neen, de vleugels zijn zwart. Een arend? Neen, de vogel is klein. Het is de kleine arend van de zee, de hoogststaande van het gevleugelde ras, de onversaagde zeevaarder, die nooit de vleugels vouwt. Vorst van den storm, verachter van alle gevaar, de Krijgsman, of Fregat-vogel. Wij hebben hier de uiterste grens van de serie, die begint met den vogel zonder vleugels.Dezeis haast niet anders meer dan een paar vleugels! Bijna geen lichaam! Nauwelijks de grootte van een haan, met geweldige vleugels tot veertien voet in lengte. Het groote vraagstuk van de vlucht is opgelost! Meer zelfs, de oplossing is overschreden; want het vliegen schijnt onnoodig. Zulk een vogel, met zulk een natuurlijk steunsel, heeft zich maar te laten dragen. Als de storm komt,stijgt hij tot de immense hoogten waar weder kalmte heerscht. Het dichterlijk beeld, onzuiver voor iederen anderen vogel, is geen beeld voor hem: hij „slaapt op den storm.” Wil hij wèrkelijk vliegen, dan verdwijnen de afstanden. Ontbijt aan den Senegal, middagmaal in Amerika.En wil hij het er van nemen, zich onderweg ophouden, hij kan het; den heelen nacht kan hij doorgaan, zeker rust te zullen vinden... Waarop? Op zijne onmetelijke, onbeweeglijke vleugels, die hij ontplooid legt op de lucht, die zich met de geheele vermoeienis van de reis belasten; en op den wind, zijn dienaar, die hem wiegt.Merkt op, dat dit wonderbare wezen nog de koninklijke eigenschap heeft, niets ter wereld te vreezen. Klein, doch sterk en onversaagd, trotseert hij alle tyrannen van de lucht. Zeker zou hij noch zee-arend, noch Condor vreezen; deze kolossale en logge beesten, zouden zich nauwelijks in beweging hebben gezet, of hij was tien mijlen verder. O, dan komt het verlangen over ons! als wij in het stralend ruim van de tropen, eenzaam dien zwarten vogel zien vliegen, op onberekenbare hoogte, bijna onzichtbaar door den afstand, eenzaam in de hemelwoestenij!Misschien wat lager, kruist hem in lichte gratie, een witte zeiler, de tropenvogel.Neem mij op uwe vleugels, gij luchtkoning, die geen vrees kent, geen vermoeienis; gij meester van de ruimte, snelvlieger, die den tijd vooruit vliegt. Wie is meer dan gij, los van de fatale kluisters, die het schepsel binden.Toch heeft mij iets verwonderd: van dichtbij gezien heeft deze vorst van het rijk der gevleugelden, niets van de hooge rust, die een leven in vrijheid moet meebrengen. Zijn blik is koud, hard, wreed, onrustig; zijn gedwongen houding is van een, die op straffe des doods moet uitkijken en wacht houden over de oneindigheid der wateren.Deze vogel dwingt zich om zeer ver te zien. En dient zijn oog hem slecht, dan staat zijn vonnis op zijn zwart gezicht geschreven, dan veroordeelt hem de Natuur: hij moet sterven.Van dichtbij gezien, blijkt het, dat hij bijna geen pooten heeft. Kort als zij zijn, en van zwemvliezen voorzien, kan hij er niet op gaan, zich niet er mee vastklemmen. Wel heeft hij den geweldigen bek, maar niet de klauwen van den echten zeearend; een valsche arend, die het echter wint van den echten in vliegvermogenen stoutmoedigheid, heeft hij toch niet zijn kracht, niet zijn onverwinbaren greep. Hij hakt, en doodt; maar kan hij grijpen?Vandaar zijn onzeker bestaan, een leven op het toeval; eerder het bestaan van een zeeroover dan van een zeevaarder; en vandaar ook de eeuwige vraag, die men zoo duidelijk leest op zijn wezen: „Zal er eten voor mij zijn?.... zal ik van avond iets aan mijn kinderen kunnen brengen?”De grootsche en prachtige inrichting van zijn vleugels, is op den vasten grond een gevaar en een last.Om te kunnen opvliegen moet hij veel wind hebben en een hooge standplaats, een uitsteeksel, een rotspunt. Wordt hij verrast op het vlakke zand, op banken, op lage klippen, waar hij zich dikwijls neerlaat, dan is de fregatvogel weerloos, geen dreigen en snavelstooten helpen: met stokken wordt hij doodgeslagen.Op zee zijn die geweldige vleugels, zoo prachtig als de vogel zich verheft, geheel ongeschikt om over het water te scheeren. Want worden zij nat, dan trekt hun zwaarte hem naar beneden. Dan is zijn lot beslist! Hij behoort aan de visschen; hij voedt dat logge volk, waarmee hij zichzelf dacht te voeden; het wild eet den jager; den vanger is gevangen.Maar hoe dan? Zijn voedsel is in het water? Tot het water moet hij altijd naderen en terugkeeren; rakelings moet hij zich steeds bewegen langs die vreeselijke, vruchtbare zee, die hem steeds dreigt te verslinden.Zoo leeft dus in onzekerheid en vrees, dit wèlgewapend wezen, zoo schitterend gevleugeld, en uitblinkend in sterkte van gezicht, vliegvermogen en moed. Hij zou dikwijls van honger moeten sterven, als hij zich niet een leverancier verschaft had, dien hij zijn voedsel ontfutselt. Zijnuitkomstis, de helaas minder nobele handeling, een plompen en vreesachtigen vogel aan te vallen, den Jan-van-Gent, die een voortreffelijk visscher is. De fregatvogel, niet veel grooter dan hij, vervolgt hem, en stoot tegen zijn keel met den snavel, zoodat hij terug moet geven, wat hij inslokte. Dit gebeurt alles in de lucht; de visch wordt vallende gegrepen.Ontbreekt ook dit redmiddel, dan waagt hij het zelfs, den mensch aan te vallen. „Toen wij op Ascension landden,” vermeldt een reiziger, „werden wij belegerd door fregatvogels. Een wilde mij zelfs den vischontnemen, dien ik in mijn hand had. Andere vlogen om den ketel, waarin vleesch kookte, om het er uit te halen, hoewel de matrozen er om heen stonden.”Dampier heeft gezien, hoe oude en zwakke of verminkte fregatvogels op de klippen stonden, blijkbaar hun invalidenhuis, en schatting hieven van de jonge Jan-van-Gent's, hun vazallen, zich voedend met wat die vingen.Maar in den tijd van kracht, komen zij zelden op den vasten grond. Levend als wolken, zwevend op hun geweldige vleugels tusschen twee werelddeelen, in afwachting wat het lot hun brengt, bespiedt hun doordringende blik de oneindigheid der luchten en de oneindigheid der zeeën.De voorste van het gevleugelde volk, is hij, die niet rust; de eerste van de zeilers, is hij, die niet aankomt. Aarde en zee zijn hem bijna gelijkelijk ontzegd. Hij is de eeuwige balling.Dat wij niet benijden. Hier op aarde is geen enkel bestaan geheel vrij, geen levenskring ruim genoeg, geen vlucht ver genoeg, geen vleugel kan voldoen. Want juist van den machtigsten vleugel is men de slaaf. Andere vleugels zijn noodig, de ziel verwacht ze, vraagt ze en hoopt:„Vleugels boven 't leven uit,en den dood voorbij!”
TRIOMF VAN DEN VLEUGEL.
De Fregatvogel.
Sparen wij ons de opsomming der tusschenliggende soorten. Ik ga onmiddellijk over tot den witten vogel, daar boven in de wolken; een vogel, dien men overal ziet, in het water, op het land, en op de kale of door de zee bedekte klippen, tusschen de golven; een vogel dien men gaarne ziet, gezellig en gulzig. De kleine gier der zeeën zou ik hem willen noemen. Ik spreek van de myriaden van meeuwen—gewiekte golfjes—die boven alle kusten, de lucht scheuren met hun kreten. Noem mij vrijer wezens! Nacht of dag, noord of zuid, zee of kust, prooi levend of dood, het is hun alles goed. Alleshun gading, overal thuis, zweven zij zonder rust, het witte zeil op, tusschen lucht en water. De wind, die steeds wisselt en draait, is altijd hun wind, die hen brengt, waar zij wenschen te zijn. Zijn zij niet de elementen zelf, lucht en zee, die vleugels namen en opvlogen! Ik weet het niet: hun grijs oog, koel en star (dat men nooit met die uitdrukking in onze musea terug vindt) is als de grauwe, wezenlooze zee van het Noorden in zijn ijzige onpersoonlijkheid. Wat zeg ik? nog bewogener is die zee. Lichtend, phosphorizeerend, wekt zij dikwijls leven in zich. Vader Oceaan, norsch en in zichzelf als hij is, broedt achter zijn bleek aanschijn dikwijls nog veel gedachten uit. Zijn zonen, de meeuwen, schijnen minder dier dan hij. Zij vliegen rond, speurend met hun doode oogen, een doode prooi. Zij verzamelen zich en verhaasten in massa de vernietiging van de reusachtige kadavers, die voor hen op de zee drijven. Niet wreed van uiterlijk, vervroolijken zij den reiziger met hun spel en de vlugge verschijning van hun slanke vleugels. En zij spreken hem van verre landen, van kusten, die hij verliet, van vrienden, verlorenof te vinden. En zij voorzeggen hem ook de stormen. Menigmaal raden hem hunne ontplooide zeilen, de zijne in te halen.
Want geloof niet, dat zij hun vleugels vouwen, als de storm komt. Integendeel, juist dan nemen zij hun vlucht. De storm is hun oogsttijd: hoe verschrikkelijker de zee, hoe minder de visschen zich onttrekken aan dien stouten visscher. In de golf van Biscaye waar de zeeën, opgestuwd uit het Noordwesten over den Atlantischen Oceaan komen opgehoopt, opgeheven tot een ontzaglijke hoogte en met geweldige schokken, werken rustig en onverstoorbaar de meeuwen.
„Ik heb hen een oneindig aantal kringen zien beschrijven,” zegt de heer Quatrefages, „hen zien neervallen tusschen twee golven en met een visch weer opstijgen. Sneller met den wind, trager tegen den wind, maar altijd cirkelend met hetzelfde gemak, zonder schijnbaar één vleugelslag meer dan in de mooie kalme dagen. En toch stortten zich de golven over de kusten als omgekeerde watervallen, hoog als het plate-forme van de Notre-Dame, en het opvliegend schuim hooger dan Montmartre—zij bleven onverschillig en bedaard.”
Die bedaardheid ontbreekt den mensch. De matrozen ontstellen, wanneer in het avonddonker, bij 't plotseling invallen van den nacht, over de zeeën, een naargeestig klein figuurtje rond het schip komt zwerven, een somber zwarte vogel. Zwart is eigenlijk niet het rechte woord, zwart zou nog vroolijk zijn; de ware tint is een soort van rookerig bruin, dat men haast niet onderscheidt. Een schim uit de hel, een booze droom; die op de wateren loopt, speelt tusschen de golven, den storm met voeten treedt. DieStormvogel(ook „Sint Pieter”) is de schrik van den zeeman, die in hem een levende vervloeking ziet. Vanwaar komt hij? Hoe verschijnt hij op eens op zulk een afstand van allen vasten grond? Wat wil hij? wat zoekt hij, zoo geen schipbreuk? Ongeduldig is zijn vlucht; hij kiest reeds de lijken, die hem zijn maat, de wreede, kwaadaardige zee, zal overleveren.
Die voorstelling veroorzaakt de vrees. Minder vreesachtige geesten zouden in den armen vogel een ander schip-in-nood zien; een onvoorzichtig zeevaarder, die even als zij door den storm verrast wordt, ver van de kust, zonder schuilplaats. Dit schip is voor hem een eiland, waarop hij wel zou willen rusten. Devaartalléén van het schip, dat voor hem wind en golven breekt, is hem al rust en beveiliging. Steeds weet hij met behendige vlucht er achter te blijven; het is zijn bolwerk tegen den orkaan. Schroomvallig en bijziend, ziet men hem haast alléén in het duister, dat met den storm komt. Hij gelijkt ons: hij vreest den orkaan; hij is bang, hij wil niet sterven;hij denkt als gij, matrozen: „Wat moet er van mijn kinderen worden?”
Maar de nacht van den storm wijkt, het wordt weer licht; ik zie een stukje hemelblauw. Gelukzalige en sereene streken, die den vrede bewaart boven de onrust van de stormen. In dat stukje blauw, drijft koninklijk, op duizend voet hoogte, een kleine vogel, maar met geweldigen vleugel. Een meeuw? Neen, de vleugels zijn zwart. Een arend? Neen, de vogel is klein. Het is de kleine arend van de zee, de hoogststaande van het gevleugelde ras, de onversaagde zeevaarder, die nooit de vleugels vouwt. Vorst van den storm, verachter van alle gevaar, de Krijgsman, of Fregat-vogel. Wij hebben hier de uiterste grens van de serie, die begint met den vogel zonder vleugels.Dezeis haast niet anders meer dan een paar vleugels! Bijna geen lichaam! Nauwelijks de grootte van een haan, met geweldige vleugels tot veertien voet in lengte. Het groote vraagstuk van de vlucht is opgelost! Meer zelfs, de oplossing is overschreden; want het vliegen schijnt onnoodig. Zulk een vogel, met zulk een natuurlijk steunsel, heeft zich maar te laten dragen. Als de storm komt,stijgt hij tot de immense hoogten waar weder kalmte heerscht. Het dichterlijk beeld, onzuiver voor iederen anderen vogel, is geen beeld voor hem: hij „slaapt op den storm.” Wil hij wèrkelijk vliegen, dan verdwijnen de afstanden. Ontbijt aan den Senegal, middagmaal in Amerika.
En wil hij het er van nemen, zich onderweg ophouden, hij kan het; den heelen nacht kan hij doorgaan, zeker rust te zullen vinden... Waarop? Op zijne onmetelijke, onbeweeglijke vleugels, die hij ontplooid legt op de lucht, die zich met de geheele vermoeienis van de reis belasten; en op den wind, zijn dienaar, die hem wiegt.
Merkt op, dat dit wonderbare wezen nog de koninklijke eigenschap heeft, niets ter wereld te vreezen. Klein, doch sterk en onversaagd, trotseert hij alle tyrannen van de lucht. Zeker zou hij noch zee-arend, noch Condor vreezen; deze kolossale en logge beesten, zouden zich nauwelijks in beweging hebben gezet, of hij was tien mijlen verder. O, dan komt het verlangen over ons! als wij in het stralend ruim van de tropen, eenzaam dien zwarten vogel zien vliegen, op onberekenbare hoogte, bijna onzichtbaar door den afstand, eenzaam in de hemelwoestenij!
Misschien wat lager, kruist hem in lichte gratie, een witte zeiler, de tropenvogel.
Neem mij op uwe vleugels, gij luchtkoning, die geen vrees kent, geen vermoeienis; gij meester van de ruimte, snelvlieger, die den tijd vooruit vliegt. Wie is meer dan gij, los van de fatale kluisters, die het schepsel binden.
Toch heeft mij iets verwonderd: van dichtbij gezien heeft deze vorst van het rijk der gevleugelden, niets van de hooge rust, die een leven in vrijheid moet meebrengen. Zijn blik is koud, hard, wreed, onrustig; zijn gedwongen houding is van een, die op straffe des doods moet uitkijken en wacht houden over de oneindigheid der wateren.
Deze vogel dwingt zich om zeer ver te zien. En dient zijn oog hem slecht, dan staat zijn vonnis op zijn zwart gezicht geschreven, dan veroordeelt hem de Natuur: hij moet sterven.
Van dichtbij gezien, blijkt het, dat hij bijna geen pooten heeft. Kort als zij zijn, en van zwemvliezen voorzien, kan hij er niet op gaan, zich niet er mee vastklemmen. Wel heeft hij den geweldigen bek, maar niet de klauwen van den echten zeearend; een valsche arend, die het echter wint van den echten in vliegvermogenen stoutmoedigheid, heeft hij toch niet zijn kracht, niet zijn onverwinbaren greep. Hij hakt, en doodt; maar kan hij grijpen?
Vandaar zijn onzeker bestaan, een leven op het toeval; eerder het bestaan van een zeeroover dan van een zeevaarder; en vandaar ook de eeuwige vraag, die men zoo duidelijk leest op zijn wezen: „Zal er eten voor mij zijn?.... zal ik van avond iets aan mijn kinderen kunnen brengen?”
De grootsche en prachtige inrichting van zijn vleugels, is op den vasten grond een gevaar en een last.Om te kunnen opvliegen moet hij veel wind hebben en een hooge standplaats, een uitsteeksel, een rotspunt. Wordt hij verrast op het vlakke zand, op banken, op lage klippen, waar hij zich dikwijls neerlaat, dan is de fregatvogel weerloos, geen dreigen en snavelstooten helpen: met stokken wordt hij doodgeslagen.
Op zee zijn die geweldige vleugels, zoo prachtig als de vogel zich verheft, geheel ongeschikt om over het water te scheeren. Want worden zij nat, dan trekt hun zwaarte hem naar beneden. Dan is zijn lot beslist! Hij behoort aan de visschen; hij voedt dat logge volk, waarmee hij zichzelf dacht te voeden; het wild eet den jager; den vanger is gevangen.
Maar hoe dan? Zijn voedsel is in het water? Tot het water moet hij altijd naderen en terugkeeren; rakelings moet hij zich steeds bewegen langs die vreeselijke, vruchtbare zee, die hem steeds dreigt te verslinden.
Zoo leeft dus in onzekerheid en vrees, dit wèlgewapend wezen, zoo schitterend gevleugeld, en uitblinkend in sterkte van gezicht, vliegvermogen en moed. Hij zou dikwijls van honger moeten sterven, als hij zich niet een leverancier verschaft had, dien hij zijn voedsel ontfutselt. Zijnuitkomstis, de helaas minder nobele handeling, een plompen en vreesachtigen vogel aan te vallen, den Jan-van-Gent, die een voortreffelijk visscher is. De fregatvogel, niet veel grooter dan hij, vervolgt hem, en stoot tegen zijn keel met den snavel, zoodat hij terug moet geven, wat hij inslokte. Dit gebeurt alles in de lucht; de visch wordt vallende gegrepen.
Ontbreekt ook dit redmiddel, dan waagt hij het zelfs, den mensch aan te vallen. „Toen wij op Ascension landden,” vermeldt een reiziger, „werden wij belegerd door fregatvogels. Een wilde mij zelfs den vischontnemen, dien ik in mijn hand had. Andere vlogen om den ketel, waarin vleesch kookte, om het er uit te halen, hoewel de matrozen er om heen stonden.”
Dampier heeft gezien, hoe oude en zwakke of verminkte fregatvogels op de klippen stonden, blijkbaar hun invalidenhuis, en schatting hieven van de jonge Jan-van-Gent's, hun vazallen, zich voedend met wat die vingen.
Maar in den tijd van kracht, komen zij zelden op den vasten grond. Levend als wolken, zwevend op hun geweldige vleugels tusschen twee werelddeelen, in afwachting wat het lot hun brengt, bespiedt hun doordringende blik de oneindigheid der luchten en de oneindigheid der zeeën.
De voorste van het gevleugelde volk, is hij, die niet rust; de eerste van de zeilers, is hij, die niet aankomt. Aarde en zee zijn hem bijna gelijkelijk ontzegd. Hij is de eeuwige balling.
Dat wij niet benijden. Hier op aarde is geen enkel bestaan geheel vrij, geen levenskring ruim genoeg, geen vlucht ver genoeg, geen vleugel kan voldoen. Want juist van den machtigsten vleugel is men de slaaf. Andere vleugels zijn noodig, de ziel verwacht ze, vraagt ze en hoopt:
„Vleugels boven 't leven uit,en den dood voorbij!”
„Vleugels boven 't leven uit,en den dood voorbij!”
„Vleugels boven 't leven uit,
en den dood voorbij!”
LES RIVAGESVOGELS DER WATERKANTEN.
LES RIVAGES
VOGELS DER WATERKANTEN.VERVAL VAN EENIGE SOORTEN.Ik heb dikwijls, op sombere dagen, naar een nog somberder wezen gekeken; een die is als het symbool van de melancholie. Dat is die droomer van de moerassen, die peinzende vogel, die eenzaam staat bij de grijze wateren in alle jaargetijden, als spiegelend met zijn beeld ook zijn eentonige gedachten.Zijn nobele zwarte egrette, zijn paarlgrijze mantel, koninklijk rouwkleed, wordt zonderling weersprokendoor zijn schraal lichaam en doorzichtige magerheid. Bij het vliegen vertoont de arme reiger niets dan twee vleugels. Stijgt hij, men ziet geen lichaam meer; hij wordt onzichtbaar. Dit luchtdier, dit lichaam zonder gewicht, voelt zijn ééne poot als te veel, hij vouwt dien dubbel; bijna altijd ziet men zijn silhouet éénbeenig als een zonderlinge hieroglyph tegen de lucht afgeteekend.Wie geleefd heeft in de studie, in de geschiedenis van verloren rassen en verdwenen koninkrijken; hij is geneigd in dien vogel een beeld van verval te zien. Een edelman tot den bedelstaf gebracht, een onttroond vorst; ik zou mij erg vergissen als hij dat niet was. Geen enkel wezen, dat als zulk een droevige figuur door de Natuur wordt afgeleverd. Eens waagde ik het den droomer te ondervragen, en van uit de verte sprak ik tot hem deze woorden, die zijn zéér fijn gehoor duidelijk opnam: „Vriendlief, Visscher! zoudt ge mij even willen zeggen—zonder uw stelling te verlaten—waarom altijd treurig, ge heden nog treuriger zijt? Is u uw prooi ontsnapt? Heeft de visch met behendige wendingen uw oog bedrogen? of daagt de kikvorsch u spotachtig uit van af den bodem der wateren?”Neen, geen visch of kikvorsch lachte om den reiger... Maar de reiger lacht om zichzelf en veracht zich, als zijn denken uitgaat naar den tijd, toen zijn edel ras nog groot was, naar den reiger van vroeger dagen.„Gij vraagt naar mijn droom? Vraag het Indianenhoofd, waarom hij dagen lang het hoofd op de hand gesteund, staart... staart op den boom, dien hij voor zich heeft, naar iets wat er niet is. De geheele aarde was ons rijk, het gebied van de watervogels, in die periode van overgang, toen de aarde in jonkheid hetwater ontsteeg. Een tijd van strijd en worsteling, maar ook van overvloed. Geen reiger toen, die niet gemakkelijk zijn kost kon ophalen. Geen wachten toen of vervolgen; de prooi vervolgde den jager; sissen, kwaken van alle kanten. Millioenen wezens van onbestemden aard, dieren tusschen vogel en pad, visschen met vleugels, bewogen zich tusschen de onzekere grenzen, der beide elementen. Wat hadt gíj toen kunnen doen, gij zwakken en laat-geborenen op den aardbol! Het was de vogel, die voor u de aarde bewoonbaar maakte. Geweldig woedde de krijg van monsterachtige schepselen, onttogen aan het moeras, met den vogel, zoon der lucht, van reusachtigen omvang. Vindt men al geen spoor van dat alles in uwe ondankbare geschiedverhalen, Gods groot geschiedboek verkondigt het van uit het binnenste der aarde; want daar bleven overwonnenen en overwinnaars; de monsters door ons gedood, en zij, die ze vernietigden.Uwe leugenachtige verbeeldingen willen ons bevredigen met een menschelijken Hercules. Wat had hem zijn knots gebaat tegen den Plesiosouros? Wie had dien Leviathan afgewacht van aangezicht totaangezicht? Dat eischte de vliegkracht, een sterken vleugel, die den Hercules-vogel kon neerwerpen, en weer opheffen, en teruggooien uit de lucht; den Epiornis, een arend, twintig voet hoog, met een vleugelwijdte van vijftig voet; hardnekkig jager, meester van drie elementen, de lucht, het water en het diepe moeras, die den draak rusteloos vervolgde.Duizendmaal ware de mensch vernietigd geweest. Door ons werd den mensch het bestaan mogelijk gemaakt op eene tot rust gebrachte aarde. Maar wien zal het verwonderen, dat deze geweldige worstelingen door duizende jaren heen, den overwinnaar hebben versleten, den gevleugelden Hercules hebben afgemat tot een zwakken Perseus: verbleekte, verwaasde herinnering aan onzen heldentijd.Toen, minderend in gedaante, in kracht, misschien in moed; uitgehongerd door de overwinning zelve, door het verdwijnen der kwaadaardige rassen en door de afscheiding der elementen, waardoor voortaan onze prooi verborgen was in de diepte der wateren, werden wij op den vasten grond, in onze bosschen en moerassen, op onze beurt weer verjaagd door de nieuw gekomenen, wier bestaan toch mogelijk was geworden door ons. De boosaardigheid van den mensch der bosschen en zijn behendigheid, was voor het bestaan van onze nesten noodlottig. Lafhartig legde hij zijn hand op ons, in de dichtheid der takken, die de vlucht belemmeren, het gezicht bemoeilijken. Een nieuwe oorlog en deze minder gelukkig. Homerus noemt het den krijg tusschen de kraanvogels en de dwergen. De zeldzame intelligentie der kraanvogels, hun wezenlijk militaire taktiek, hebben den vijand, den mensch, niet kunnen verhinderen, door duizend vervloekte kunstgrepen in het voordeel te blijven. Met hem mede werkten tijd en bodem en natuur; de aarde droogdeop, het water werd onttrokken aan de moerassen en ons tweeslachtig element werd opgeheven. Het zal op den duur met ons gaan als met den bever. Vele soorten zullen uitsterven, nog een eeuw misschien en de reiger zal hebben geleefd.”Zéér ware geschiedenis: behalve eenige soorten, die hun partij gekozen hebben en den vasten grond verlieten, zich voortaan geheel wijdende aan het vloeibaar element, behalve de duikers, de schollevaar, de wijze pelikaan en eenige anderen, schijnen de watervogels in verval. Het zorgen en de soberheid houden hen nog in stand. Die onafgebroken bezorgdheid heeft den pelikaan een bijzonder orgaan gegeven, hem onder zijn bek een beweegbaar réservoir uitgehold, duidelijk teeken van zorgende voorziendheid.Verscheidene vlugge en behendige reizigers, waarbijook de zwaan, houden het leven door wisseling van woonplaats. Maar zelfs de zwaan, die oneetbaar is en door den mensch ontzien wordt om zijne gratie en schoonheid, de zwaan, vroeger zoo algemeen in Italië, aanhoudend genoemd door Virgilius, is er nu zeldzaam geworden. Vergeefs zou men nu nog die kloeke vloten zoeken die met hun zeilen de wateren van den Mincio, de moerassen van Mantua bedekten; de vogels, die Phaëton beweenden in de schaduw van zijne zusters, de tot elzen geworden Heliaden; die in hun grootsche vlucht de sterren naderden, hun den naam Varus toezingend met harmonieus geluid! Die zang, in de oudheid zoo veel geroemd, is hij een fabel? Waren de organen voor den zang bij den zwaan zoo sterk ontwikkeld, hem altijd onnut? Hebben zij niet gewerkt in een tijdperk van gelukkige vrijheid, toen hij nog leefde in milder atmosfeeren en het grootste gedeelte van het jaar doorbracht inhet zachte klimaat van Griekenland en Italië? Men zou het gaarne gelooven. De zwaan, teruggedrongen naar het Noorden waar hij verborgenheid en rust voor zijn liefdeleven vond, heeft zijn zang geofferd voor den kreet der barbaren en werd stom. De Muze ging, de zwaan bleef. En de kraanvogel, die als intellectueel type van deze soort het hoogste staat, die gezellig is, en orde en beleid kent en veel hulpbronnen heeft, en die zou moeten tieren en overal stand houden in zijn oud gebied, heeft twee koninkrijken verloren, Frankrijk dat hem nog maar alleén op den trek ziet, en Engeland waar hij het nu nauwelijks meer waagt te nestelen. De reiger was in den tijd van Aristoteles vol energie en wijsheid; de oudheid raadpleegde hem over de kansen van het weder als ware hij de eerste der waarzeggers. In de middeleeuwen, hoewel vervallen, behield hij zijne schoonheid, zijn vlucht, die den hemel zoekt. Hij was nog een vorst, een koninklijke vogel, en koningen zagen in hem een koningsbuit en een doel voor den nobelen valk. En zóó hardnekkig werd hij gejaagd dat hij onder Frans I reeds begon zeldzaam te worden. Deze koning hield hem om zich heen te Fontainebleau en had er reiger-kolonies. Twee of drie eeuwen gaan voorbij, en Buffon gelooft nog, dat er nauwelijks een provincie is zonder reiger-kolonie. In onzen tijd kent Toussenel er nog maar één in Frankrijk, ten minste in het Noorden; in Champagne, tusschen Reims en Epernay, verbergt het bosch een laatste schuilplaats voor het liefdeleven van den armen eenzame. Eenzaamheid! Dat is zijn vonnis. Minder gezellig dan de kraanvogel, minder familiaar dan de ooievaar, schijnt hij zich zelfs terug te trekken van de zijnen. Kort en zeldzaam slechts ontrukt hem de liefdedroom aan zijn somberheid.Het leven is hem niet veel waard. In gevangenschap weigert hij dikwijls het voedsel en sterft zonder klacht, zonder spijt.De watervogels met hun ervaring en overleg, hun beheerschen van twee elementen hadden het in hun goeden tijd verder gebracht dan de meeste andere vogels, en verdienden door den mensch te worden ontzien. Iedere soort had een verschillende eigenaardige verdienste. De kraanvogels waren door hun mimische eigenschappen gezellig en vermakelijk. De jovialiteit van den pelikaan en zijn vroolijk humeur, de aanhankelijkheid van de ganzen, de goedigheid van den ooievaar en zijn zorg voor zijne ouders, door zooveel getuigen bevestigd, vormden tusschen die wereld en ons, banden van sympathie, die de mensch met zijn barbaarschheid niet had mogen verbreken.
VOGELS DER WATERKANTEN.
VERVAL VAN EENIGE SOORTEN.
Ik heb dikwijls, op sombere dagen, naar een nog somberder wezen gekeken; een die is als het symbool van de melancholie. Dat is die droomer van de moerassen, die peinzende vogel, die eenzaam staat bij de grijze wateren in alle jaargetijden, als spiegelend met zijn beeld ook zijn eentonige gedachten.
Zijn nobele zwarte egrette, zijn paarlgrijze mantel, koninklijk rouwkleed, wordt zonderling weersprokendoor zijn schraal lichaam en doorzichtige magerheid. Bij het vliegen vertoont de arme reiger niets dan twee vleugels. Stijgt hij, men ziet geen lichaam meer; hij wordt onzichtbaar. Dit luchtdier, dit lichaam zonder gewicht, voelt zijn ééne poot als te veel, hij vouwt dien dubbel; bijna altijd ziet men zijn silhouet éénbeenig als een zonderlinge hieroglyph tegen de lucht afgeteekend.
Wie geleefd heeft in de studie, in de geschiedenis van verloren rassen en verdwenen koninkrijken; hij is geneigd in dien vogel een beeld van verval te zien. Een edelman tot den bedelstaf gebracht, een onttroond vorst; ik zou mij erg vergissen als hij dat niet was. Geen enkel wezen, dat als zulk een droevige figuur door de Natuur wordt afgeleverd. Eens waagde ik het den droomer te ondervragen, en van uit de verte sprak ik tot hem deze woorden, die zijn zéér fijn gehoor duidelijk opnam: „Vriendlief, Visscher! zoudt ge mij even willen zeggen—zonder uw stelling te verlaten—waarom altijd treurig, ge heden nog treuriger zijt? Is u uw prooi ontsnapt? Heeft de visch met behendige wendingen uw oog bedrogen? of daagt de kikvorsch u spotachtig uit van af den bodem der wateren?”
Neen, geen visch of kikvorsch lachte om den reiger... Maar de reiger lacht om zichzelf en veracht zich, als zijn denken uitgaat naar den tijd, toen zijn edel ras nog groot was, naar den reiger van vroeger dagen.
„Gij vraagt naar mijn droom? Vraag het Indianenhoofd, waarom hij dagen lang het hoofd op de hand gesteund, staart... staart op den boom, dien hij voor zich heeft, naar iets wat er niet is. De geheele aarde was ons rijk, het gebied van de watervogels, in die periode van overgang, toen de aarde in jonkheid hetwater ontsteeg. Een tijd van strijd en worsteling, maar ook van overvloed. Geen reiger toen, die niet gemakkelijk zijn kost kon ophalen. Geen wachten toen of vervolgen; de prooi vervolgde den jager; sissen, kwaken van alle kanten. Millioenen wezens van onbestemden aard, dieren tusschen vogel en pad, visschen met vleugels, bewogen zich tusschen de onzekere grenzen, der beide elementen. Wat hadt gíj toen kunnen doen, gij zwakken en laat-geborenen op den aardbol! Het was de vogel, die voor u de aarde bewoonbaar maakte. Geweldig woedde de krijg van monsterachtige schepselen, onttogen aan het moeras, met den vogel, zoon der lucht, van reusachtigen omvang. Vindt men al geen spoor van dat alles in uwe ondankbare geschiedverhalen, Gods groot geschiedboek verkondigt het van uit het binnenste der aarde; want daar bleven overwonnenen en overwinnaars; de monsters door ons gedood, en zij, die ze vernietigden.
Uwe leugenachtige verbeeldingen willen ons bevredigen met een menschelijken Hercules. Wat had hem zijn knots gebaat tegen den Plesiosouros? Wie had dien Leviathan afgewacht van aangezicht totaangezicht? Dat eischte de vliegkracht, een sterken vleugel, die den Hercules-vogel kon neerwerpen, en weer opheffen, en teruggooien uit de lucht; den Epiornis, een arend, twintig voet hoog, met een vleugelwijdte van vijftig voet; hardnekkig jager, meester van drie elementen, de lucht, het water en het diepe moeras, die den draak rusteloos vervolgde.
Duizendmaal ware de mensch vernietigd geweest. Door ons werd den mensch het bestaan mogelijk gemaakt op eene tot rust gebrachte aarde. Maar wien zal het verwonderen, dat deze geweldige worstelingen door duizende jaren heen, den overwinnaar hebben versleten, den gevleugelden Hercules hebben afgemat tot een zwakken Perseus: verbleekte, verwaasde herinnering aan onzen heldentijd.
Toen, minderend in gedaante, in kracht, misschien in moed; uitgehongerd door de overwinning zelve, door het verdwijnen der kwaadaardige rassen en door de afscheiding der elementen, waardoor voortaan onze prooi verborgen was in de diepte der wateren, werden wij op den vasten grond, in onze bosschen en moerassen, op onze beurt weer verjaagd door de nieuw gekomenen, wier bestaan toch mogelijk was geworden door ons. De boosaardigheid van den mensch der bosschen en zijn behendigheid, was voor het bestaan van onze nesten noodlottig. Lafhartig legde hij zijn hand op ons, in de dichtheid der takken, die de vlucht belemmeren, het gezicht bemoeilijken. Een nieuwe oorlog en deze minder gelukkig. Homerus noemt het den krijg tusschen de kraanvogels en de dwergen. De zeldzame intelligentie der kraanvogels, hun wezenlijk militaire taktiek, hebben den vijand, den mensch, niet kunnen verhinderen, door duizend vervloekte kunstgrepen in het voordeel te blijven. Met hem mede werkten tijd en bodem en natuur; de aarde droogdeop, het water werd onttrokken aan de moerassen en ons tweeslachtig element werd opgeheven. Het zal op den duur met ons gaan als met den bever. Vele soorten zullen uitsterven, nog een eeuw misschien en de reiger zal hebben geleefd.”
Zéér ware geschiedenis: behalve eenige soorten, die hun partij gekozen hebben en den vasten grond verlieten, zich voortaan geheel wijdende aan het vloeibaar element, behalve de duikers, de schollevaar, de wijze pelikaan en eenige anderen, schijnen de watervogels in verval. Het zorgen en de soberheid houden hen nog in stand. Die onafgebroken bezorgdheid heeft den pelikaan een bijzonder orgaan gegeven, hem onder zijn bek een beweegbaar réservoir uitgehold, duidelijk teeken van zorgende voorziendheid.
Verscheidene vlugge en behendige reizigers, waarbijook de zwaan, houden het leven door wisseling van woonplaats. Maar zelfs de zwaan, die oneetbaar is en door den mensch ontzien wordt om zijne gratie en schoonheid, de zwaan, vroeger zoo algemeen in Italië, aanhoudend genoemd door Virgilius, is er nu zeldzaam geworden. Vergeefs zou men nu nog die kloeke vloten zoeken die met hun zeilen de wateren van den Mincio, de moerassen van Mantua bedekten; de vogels, die Phaëton beweenden in de schaduw van zijne zusters, de tot elzen geworden Heliaden; die in hun grootsche vlucht de sterren naderden, hun den naam Varus toezingend met harmonieus geluid! Die zang, in de oudheid zoo veel geroemd, is hij een fabel? Waren de organen voor den zang bij den zwaan zoo sterk ontwikkeld, hem altijd onnut? Hebben zij niet gewerkt in een tijdperk van gelukkige vrijheid, toen hij nog leefde in milder atmosfeeren en het grootste gedeelte van het jaar doorbracht inhet zachte klimaat van Griekenland en Italië? Men zou het gaarne gelooven. De zwaan, teruggedrongen naar het Noorden waar hij verborgenheid en rust voor zijn liefdeleven vond, heeft zijn zang geofferd voor den kreet der barbaren en werd stom. De Muze ging, de zwaan bleef. En de kraanvogel, die als intellectueel type van deze soort het hoogste staat, die gezellig is, en orde en beleid kent en veel hulpbronnen heeft, en die zou moeten tieren en overal stand houden in zijn oud gebied, heeft twee koninkrijken verloren, Frankrijk dat hem nog maar alleén op den trek ziet, en Engeland waar hij het nu nauwelijks meer waagt te nestelen. De reiger was in den tijd van Aristoteles vol energie en wijsheid; de oudheid raadpleegde hem over de kansen van het weder als ware hij de eerste der waarzeggers. In de middeleeuwen, hoewel vervallen, behield hij zijne schoonheid, zijn vlucht, die den hemel zoekt. Hij was nog een vorst, een koninklijke vogel, en koningen zagen in hem een koningsbuit en een doel voor den nobelen valk. En zóó hardnekkig werd hij gejaagd dat hij onder Frans I reeds begon zeldzaam te worden. Deze koning hield hem om zich heen te Fontainebleau en had er reiger-kolonies. Twee of drie eeuwen gaan voorbij, en Buffon gelooft nog, dat er nauwelijks een provincie is zonder reiger-kolonie. In onzen tijd kent Toussenel er nog maar één in Frankrijk, ten minste in het Noorden; in Champagne, tusschen Reims en Epernay, verbergt het bosch een laatste schuilplaats voor het liefdeleven van den armen eenzame. Eenzaamheid! Dat is zijn vonnis. Minder gezellig dan de kraanvogel, minder familiaar dan de ooievaar, schijnt hij zich zelfs terug te trekken van de zijnen. Kort en zeldzaam slechts ontrukt hem de liefdedroom aan zijn somberheid.Het leven is hem niet veel waard. In gevangenschap weigert hij dikwijls het voedsel en sterft zonder klacht, zonder spijt.
De watervogels met hun ervaring en overleg, hun beheerschen van twee elementen hadden het in hun goeden tijd verder gebracht dan de meeste andere vogels, en verdienden door den mensch te worden ontzien. Iedere soort had een verschillende eigenaardige verdienste. De kraanvogels waren door hun mimische eigenschappen gezellig en vermakelijk. De jovialiteit van den pelikaan en zijn vroolijk humeur, de aanhankelijkheid van de ganzen, de goedigheid van den ooievaar en zijn zorg voor zijne ouders, door zooveel getuigen bevestigd, vormden tusschen die wereld en ons, banden van sympathie, die de mensch met zijn barbaarschheid niet had mogen verbreken.
LES HÉRONNIÈRES D'AMÉRIQUEDE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.
LES HÉRONNIÈRES D'AMÉRIQUE
DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.(Alexander Wilson).Het verval van den reiger is minder merkbaar in Amerika. Hij wordt er niet zoo vervolgd. Er is daar afzondering en eenzaamheid voor hem. Hij vindt er nog zijn dierbare moerassen, zijne duistere en bijna ondoordringbare wouden. In gedempter licht is hij gezelliger. Tien tot vijftien gezinnen nestelen er te zamen of op geringen afstand. De groote ceders werpen het duister over de vale wateren; daar vinden zij hun rust en hun welbehagen. In de hoogte van die boomen maken zij met stokken een ruim terras, dat zij met kleine takjes bedekken; dat is de plaats voor hetliefdeleven van het gezin. Hier het rustig broeden, het uitkomen, het leeren vliegen, en de ouderlijke lessen, die den jongen visscher zullen vormen. Zij behoeven niet angstig te zijn, dat de mensch hen in die schuilhoeken zal komen bestoken; zij wonen—vooral in de Carolina's—niet ver van de zee, in lage modderige terreinen, zeer gezocht door de gele koorts.Een moeras, een oude zee- of rivier-arm, een door de terugtrekkende wateren vergeten poel, een mijl breed, vijf of zes mijlen diep. De toegang is nietbemoedigend: vooraan oude boomstammen, zuiver rechtopgaand en zonder takken, vijftig of zestig voet hoog, kaal tot aan den top, waar zij hun somber groen vereenigen en ineenstrengelen, het water dekkend met angstig duister. En welk een water! Een dikke, gistende massa, van bladeren en verwezen organismen laag op laag dooreengemengd, vuilgeel gekleurd, waar bovenop een groen en schuimig mos drijft. Ga verder: wat vaste grond schijnt, is een moeras, waarin ge wegzakt. Bij iederen stap verspert een laurier u den weg; om voorbij te komen, moet ge worstelen met zijn takken, met boomstronken en altijd zich verjongende laurieren. Zeldzaam dringt wat licht door die duisternis; in deze gevloekte oorden heerscht het zwijgen van den dood. Behalve nu en dan een paar korte, weemoedige tonen van kleinere vogels, of de schorre kreet van den reiger, is alles stom, verlaten. Maar laat de wind zich verheffen, dan steunt en zucht de droeve reiger in de boomtoppen. Komt de storm, dan zwiepen en stooten die groote, naakte ceders, die kolossale masten; het geheele bosch loeit en brult en gromt als waren het wolven en beren en roofdieren van alle soort.Dus zagen omstreeks 1805 met verbazing, die reigers, zoo veilig gevestigd, rondom hun ceders temidden van de moerassen een vreemde verschijning zwerven, een mensch. Een enkele maar had de kracht hen daar te bezoeken, een die geduld had en moed, een rustig maar gehard reiziger, vriend en bewonderaar der vogels,Alexander Wilson.Indien dat reigervolk het karakter van den bezoeker had gekend, zouden zij hem zeker te gemoet zijn gevlogen met kreten en wiekgeklepper, als vriendengroet en broederlijke hulde.In die vreeselijke jaren, toen de mensch den mensch vernietigde op ontzettender wijze dan ooit te voren was geschied, leefde er in Schotland een man des vredes.Het was een arme wever te Glasgow, die in zijn vochtig somber verblijf droomde van de natuur, van de oneindigheid der vrije wouden, en van het gevleugelde leven vóóral. Zijn gedwongen zittend bestaan, werkte dat verlangen naar vliegen en zweven in licht, op tot extase; en ware niet de goddelijke gave van het vliegen in dit leven slechts een hoop en een droom voor het volgend leven,Wilsonhad zichzelven vleugels gegeven. Eerst trachtte hij bevrediging te vinden in boeken met gravuren, die vogels heetten voor te stellen. Lompe, linksche karikaturen, die een verkeerd begrip geven van den vorm en in 't geheel geen begrip van de beweging; en wat is een vogel zonder de gratie van de beweging! Dat hield hij niet uit. Hij nam een kort besluit; alles verlaten, zijn land en zijn werk. Als een nieuwe Robison Crusoë, wilde hij door vrijwillige schipbreuk zich tot banneling maken in de eenzame wildernissen van Amerika, en dáár zelve zien, opmerken, beschrijven, teekenen. Maar er viel hem in, dat hij noch teekenen, noch schilderen, noch zelfs schrijven kon. En deze sterke geduldige man, die voor niets terugschrikte,leert schrijven, heel vlug en heel goed. Een gemakkelijk schrijver, een zeer nauwgezet kunstenaar, een zekere en subtiele hand, scheen hij bij zijn moeder en leermeesteres, de Natuur, minder te leeren, dan zich te herinneren. Zóó gewapend, werpt hij zich in de wildernis, in de bosschen, in de ongezondeSavanna's; vriend van buffels en dischgenoot van beren, levende van rauwe vruchten en slapend onder de schitterende hemeltent. Waar hij een zeldzamen vogel ziet, blijft hij, kampeert hij, maakt hij zich thuis. Waarom niet? Er is niets dat hem terugroept, geen te huis, geen vrouw, of kind. Toch heeft hij een gezin: de groote familie,die hij observeert en beschrijft. Ook heeft hij vrienden: zij, die nog niet leerden den mensch te wantrouwen en die zich op zijn boom neerlaten en met hem spreken. En daar doet gij wel aan, gij vogels, gij hebt daar een trouwen en zekeren vriend; hij zal u nog meer vrienden verwerven, die u zullen begrijpen. Was hij niet zelf vogel, in zijn voelen en denken!Er zal wel eens een jager komen en door uw wildernissen dringen; en als hij een der uwen zal zien, schitterend van kleuren in zijn vlucht, zal die vederenpracht hem verlokken; maar hij zal aanWilsondenken—den vriend vanWilsondooden! Als die naam hem in de gedachte komt, zal hij zijn geweer laten zakken.Ik zie ook niet in, waarom men het vermoorden van vogels tot in het oneindige zou voortzetten; ten minste wat de soorten betreft, die in onze musea zijn en in de musea door Wilson beschreven en door d'Audubon, zijn bewonderenswaardige leerling; diens prinselijk boek, dat èn het geslacht, èn het ei, èn het nest èn het bosch, en zelfs hetlandschap geeft, is een worsteling met de Natuur. Deze groote onderzoekers hebben allen dezelfde eigenaardigheid. Hunne indrukken zijn zóó subtiel, zóó nauwkeurig, dat algemeenheden hun niet voldoen: zij observeeren hetindividu. De natuur bemoeit zich niet met onze klassificatie's, zij schept een wezen en vermoeit zich niet over de grenzen, waarbinnen wij onze soorten opsluiten. Zoo kent Wilson ook niet de vogels in 't algemeen, maar een individu: van díen leeftijd met zúlke veeren in déze omstandigheden. Hij kent hem, heeft hem gezien en weêr gezien; hij zal u zeggen, wat hij doet, wat hij eet, hoe hij zich gedraagt; een ondervinding, een anecdote uit zijn leven: „ik heb een specht gekend,—ik heb dikwijls een wielewaal gezien—”Als hij zoo spreekt, kunt gij op hem vertrouwen; het wil zeggen, dat hij een geregeld verkeer met hen heeft onderhouden, een soort van vriendschappelijken en familiaren omgang. Het ware te wenschen, dat wij hen kenden met wie wij omgaan, zooalsWilsonden vogel Qua kende en de reigers van Carolina.Het is duidelijk dat deze vogel-mensch, toen hij weer onder de menschen terug was gekeerd, niemand vond, die hem wilde aanhooren. Die geheel nieuwe oorspronkelijkheid van uiterst-nauwgezette waarneming; dat zeldzaam vermogen tot individualiseeren, (het eenige middel om een levend wezen naar waarheid weer te geven) juist die eigenschappen hebben zijn welslagen in den weg gestaan. Nòch de uitgever, nòch het publiek wilden iets anders dan fraaie, hooge en vage algemeenheden, getrouw aan het recept vanBuffon: „generaliseeren is veredelen; neem dus het algemeene woord.”Tijd is er noodig geweest, en het is ook noodig gebleken dat dit genie vóór zijn dood een ander gelijkgenie had gevormd: den nauwgezetten, energieken d'Audubon, wiens kolossaal werk het publiek verbaasd en veroverd heeft; dat werk waarin hij bewijst, dat een juiste en levendige wedergave van de individualiteit edeler en grootscher is, dan de gedwongen voortbrengselen van de generaliseerende kunst. De beminnelijkheid van den goedenWilsonop zoo onwaardige wijze miskend, blijkt schitterend uit zijn mooie voorrede. Men kan haar kinderlijk vinden, maar geen enkel onbedorven hart dat er niet door zal worden getroffen.„Toen ik eens een vriend bezocht, vond ik bij hem zijn zoontje van acht of negen jaar, dat in de stad wordt opgevoed; tijdelijk buiten, had hij een handvol mooie bloemen verzameld, van alle kleuren.Hij bracht ze aan zijn moeder, opgetogen en verrukt: „Lieve Mama, kijk eens wat een mooie bloemen ik geplukt heb! O, ik zou er nog veel meer in de bosschen kunnen vinden, en nog veel mooier! Mag ik er u nog meer brengen?”Zij nam de bloemen, met een teederen glimlach, en bewonderde zwijgend die eenvoudige schoonheid, en zij zeide: „Ja, mijn jongen!” Het kind ging overgelukkig heen. Ik voelde mijzelf in dat kind, de gelijkenis trof mij diep. Als mijn geboorteland, met vriendelijke toegevendheid het weinige aanneemt, dat ik nederig aanbied; als men den wensch uit, dat ik nog meer breng, dan zal mijn hoogste eerzucht bevredigd zijn. Want, zooals mijn vriendje zeide: Onze bosschen zijn er vol van, ik kan er nog méér plukken en nog veel mooiere.”Philadelphia 1808.
DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.
(Alexander Wilson).
Het verval van den reiger is minder merkbaar in Amerika. Hij wordt er niet zoo vervolgd. Er is daar afzondering en eenzaamheid voor hem. Hij vindt er nog zijn dierbare moerassen, zijne duistere en bijna ondoordringbare wouden. In gedempter licht is hij gezelliger. Tien tot vijftien gezinnen nestelen er te zamen of op geringen afstand. De groote ceders werpen het duister over de vale wateren; daar vinden zij hun rust en hun welbehagen. In de hoogte van die boomen maken zij met stokken een ruim terras, dat zij met kleine takjes bedekken; dat is de plaats voor hetliefdeleven van het gezin. Hier het rustig broeden, het uitkomen, het leeren vliegen, en de ouderlijke lessen, die den jongen visscher zullen vormen. Zij behoeven niet angstig te zijn, dat de mensch hen in die schuilhoeken zal komen bestoken; zij wonen—vooral in de Carolina's—niet ver van de zee, in lage modderige terreinen, zeer gezocht door de gele koorts.
Een moeras, een oude zee- of rivier-arm, een door de terugtrekkende wateren vergeten poel, een mijl breed, vijf of zes mijlen diep. De toegang is nietbemoedigend: vooraan oude boomstammen, zuiver rechtopgaand en zonder takken, vijftig of zestig voet hoog, kaal tot aan den top, waar zij hun somber groen vereenigen en ineenstrengelen, het water dekkend met angstig duister. En welk een water! Een dikke, gistende massa, van bladeren en verwezen organismen laag op laag dooreengemengd, vuilgeel gekleurd, waar bovenop een groen en schuimig mos drijft. Ga verder: wat vaste grond schijnt, is een moeras, waarin ge wegzakt. Bij iederen stap verspert een laurier u den weg; om voorbij te komen, moet ge worstelen met zijn takken, met boomstronken en altijd zich verjongende laurieren. Zeldzaam dringt wat licht door die duisternis; in deze gevloekte oorden heerscht het zwijgen van den dood. Behalve nu en dan een paar korte, weemoedige tonen van kleinere vogels, of de schorre kreet van den reiger, is alles stom, verlaten. Maar laat de wind zich verheffen, dan steunt en zucht de droeve reiger in de boomtoppen. Komt de storm, dan zwiepen en stooten die groote, naakte ceders, die kolossale masten; het geheele bosch loeit en brult en gromt als waren het wolven en beren en roofdieren van alle soort.
Dus zagen omstreeks 1805 met verbazing, die reigers, zoo veilig gevestigd, rondom hun ceders temidden van de moerassen een vreemde verschijning zwerven, een mensch. Een enkele maar had de kracht hen daar te bezoeken, een die geduld had en moed, een rustig maar gehard reiziger, vriend en bewonderaar der vogels,Alexander Wilson.
Indien dat reigervolk het karakter van den bezoeker had gekend, zouden zij hem zeker te gemoet zijn gevlogen met kreten en wiekgeklepper, als vriendengroet en broederlijke hulde.
In die vreeselijke jaren, toen de mensch den mensch vernietigde op ontzettender wijze dan ooit te voren was geschied, leefde er in Schotland een man des vredes.
Het was een arme wever te Glasgow, die in zijn vochtig somber verblijf droomde van de natuur, van de oneindigheid der vrije wouden, en van het gevleugelde leven vóóral. Zijn gedwongen zittend bestaan, werkte dat verlangen naar vliegen en zweven in licht, op tot extase; en ware niet de goddelijke gave van het vliegen in dit leven slechts een hoop en een droom voor het volgend leven,Wilsonhad zichzelven vleugels gegeven. Eerst trachtte hij bevrediging te vinden in boeken met gravuren, die vogels heetten voor te stellen. Lompe, linksche karikaturen, die een verkeerd begrip geven van den vorm en in 't geheel geen begrip van de beweging; en wat is een vogel zonder de gratie van de beweging! Dat hield hij niet uit. Hij nam een kort besluit; alles verlaten, zijn land en zijn werk. Als een nieuwe Robison Crusoë, wilde hij door vrijwillige schipbreuk zich tot banneling maken in de eenzame wildernissen van Amerika, en dáár zelve zien, opmerken, beschrijven, teekenen. Maar er viel hem in, dat hij noch teekenen, noch schilderen, noch zelfs schrijven kon. En deze sterke geduldige man, die voor niets terugschrikte,leert schrijven, heel vlug en heel goed. Een gemakkelijk schrijver, een zeer nauwgezet kunstenaar, een zekere en subtiele hand, scheen hij bij zijn moeder en leermeesteres, de Natuur, minder te leeren, dan zich te herinneren. Zóó gewapend, werpt hij zich in de wildernis, in de bosschen, in de ongezondeSavanna's; vriend van buffels en dischgenoot van beren, levende van rauwe vruchten en slapend onder de schitterende hemeltent. Waar hij een zeldzamen vogel ziet, blijft hij, kampeert hij, maakt hij zich thuis. Waarom niet? Er is niets dat hem terugroept, geen te huis, geen vrouw, of kind. Toch heeft hij een gezin: de groote familie,die hij observeert en beschrijft. Ook heeft hij vrienden: zij, die nog niet leerden den mensch te wantrouwen en die zich op zijn boom neerlaten en met hem spreken. En daar doet gij wel aan, gij vogels, gij hebt daar een trouwen en zekeren vriend; hij zal u nog meer vrienden verwerven, die u zullen begrijpen. Was hij niet zelf vogel, in zijn voelen en denken!
Er zal wel eens een jager komen en door uw wildernissen dringen; en als hij een der uwen zal zien, schitterend van kleuren in zijn vlucht, zal die vederenpracht hem verlokken; maar hij zal aanWilsondenken—den vriend vanWilsondooden! Als die naam hem in de gedachte komt, zal hij zijn geweer laten zakken.
Ik zie ook niet in, waarom men het vermoorden van vogels tot in het oneindige zou voortzetten; ten minste wat de soorten betreft, die in onze musea zijn en in de musea door Wilson beschreven en door d'Audubon, zijn bewonderenswaardige leerling; diens prinselijk boek, dat èn het geslacht, èn het ei, èn het nest èn het bosch, en zelfs hetlandschap geeft, is een worsteling met de Natuur. Deze groote onderzoekers hebben allen dezelfde eigenaardigheid. Hunne indrukken zijn zóó subtiel, zóó nauwkeurig, dat algemeenheden hun niet voldoen: zij observeeren hetindividu. De natuur bemoeit zich niet met onze klassificatie's, zij schept een wezen en vermoeit zich niet over de grenzen, waarbinnen wij onze soorten opsluiten. Zoo kent Wilson ook niet de vogels in 't algemeen, maar een individu: van díen leeftijd met zúlke veeren in déze omstandigheden. Hij kent hem, heeft hem gezien en weêr gezien; hij zal u zeggen, wat hij doet, wat hij eet, hoe hij zich gedraagt; een ondervinding, een anecdote uit zijn leven: „ik heb een specht gekend,—ik heb dikwijls een wielewaal gezien—”
Als hij zoo spreekt, kunt gij op hem vertrouwen; het wil zeggen, dat hij een geregeld verkeer met hen heeft onderhouden, een soort van vriendschappelijken en familiaren omgang. Het ware te wenschen, dat wij hen kenden met wie wij omgaan, zooalsWilsonden vogel Qua kende en de reigers van Carolina.
Het is duidelijk dat deze vogel-mensch, toen hij weer onder de menschen terug was gekeerd, niemand vond, die hem wilde aanhooren. Die geheel nieuwe oorspronkelijkheid van uiterst-nauwgezette waarneming; dat zeldzaam vermogen tot individualiseeren, (het eenige middel om een levend wezen naar waarheid weer te geven) juist die eigenschappen hebben zijn welslagen in den weg gestaan. Nòch de uitgever, nòch het publiek wilden iets anders dan fraaie, hooge en vage algemeenheden, getrouw aan het recept vanBuffon: „generaliseeren is veredelen; neem dus het algemeene woord.”
Tijd is er noodig geweest, en het is ook noodig gebleken dat dit genie vóór zijn dood een ander gelijkgenie had gevormd: den nauwgezetten, energieken d'Audubon, wiens kolossaal werk het publiek verbaasd en veroverd heeft; dat werk waarin hij bewijst, dat een juiste en levendige wedergave van de individualiteit edeler en grootscher is, dan de gedwongen voortbrengselen van de generaliseerende kunst. De beminnelijkheid van den goedenWilsonop zoo onwaardige wijze miskend, blijkt schitterend uit zijn mooie voorrede. Men kan haar kinderlijk vinden, maar geen enkel onbedorven hart dat er niet door zal worden getroffen.
„Toen ik eens een vriend bezocht, vond ik bij hem zijn zoontje van acht of negen jaar, dat in de stad wordt opgevoed; tijdelijk buiten, had hij een handvol mooie bloemen verzameld, van alle kleuren.
Hij bracht ze aan zijn moeder, opgetogen en verrukt: „Lieve Mama, kijk eens wat een mooie bloemen ik geplukt heb! O, ik zou er nog veel meer in de bosschen kunnen vinden, en nog veel mooier! Mag ik er u nog meer brengen?”
Zij nam de bloemen, met een teederen glimlach, en bewonderde zwijgend die eenvoudige schoonheid, en zij zeide: „Ja, mijn jongen!” Het kind ging overgelukkig heen. Ik voelde mijzelf in dat kind, de gelijkenis trof mij diep. Als mijn geboorteland, met vriendelijke toegevendheid het weinige aanneemt, dat ik nederig aanbied; als men den wensch uit, dat ik nog meer breng, dan zal mijn hoogste eerzucht bevredigd zijn. Want, zooals mijn vriendje zeide: Onze bosschen zijn er vol van, ik kan er nog méér plukken en nog veel mooiere.”
Philadelphia 1808.
LE COMBAT - LES TROPIQUESDE STRIJD.De Tropen.
LE COMBAT - LES TROPIQUES
DE STRIJD.DE TROPEN.Een dame, eene verwante van ons in Louisiana, had een kindje, dat zij zoogde. Iederen nacht werd haar slaap verontrust door een wonderlijke gewaarwording, alsof een koud glibberig voorwerp de melk onttrok aan haar borst. Eens, wéér diezelfde gewaarwording, maar zij was wakker toen: zij springt op, roept; men brengt licht, men zoekt, keert het beddegoed om, en vindt eindelijk de griezelige zuigeling; een groote slang van een zeer gevaarlijke soort. En zóó groot waren haar afschuw en schrik, dat op dátzelfde oogenblik haar zog was opgedroogd. Levaillant verhaalt, dat aan de Kaap in een gezelschap, gedurende een kalm gesprek de gastvrouw op eens verbleekteen een vreeselijken angstkreet uitte. Een slang klom tegen haar beenen op, een soort waarvan de beet binnen twee minuten den dood geeft. Men heeft ze met moeite gedood.In Indië gebeurde het, dat een van onze soldaten zijn ransel opnam, dien hij had afgelegd, en hij vindt daarachter de gevaarlijke zwarte slang, de meest vergiftige van allen. Hij wil haar in tweeën houwen; maar een goedhartige Indiër vraagt genade voor haar, verkrijgt die en neemt de slang; hij wordt gebeten en sterft. Dat zijn de verschrikkingen van de overweldigende Natuur der Tropen. Maar de reptielen, die al zeldzaam zijn geworden, zijn niet haar grootste kwaad. De plaag van ieder oogenblik zijn de insekten. Zij zijn overal en in alles. Op alle denkbare wijzen kunnen zij ons bereiken; zij loopen, zwermen, glijden, vliegen; zij zijninde lucht, ge ademt hen in; onzichtbaar openbaren zij zich, door brandende steken.Onlangs was een beambte der archieven, in een van onze havens, bezig een portefeuille open te maken, die al een poos geleden was gebracht. Op het oogenblik, dat hij ze opent, vliegt er een verwoede vlieg uit, zij vervolgt hem, steekt hem, in twee dagen is hij dood.En de jagers in die streken, die wel van alle menschen het meest gehard zijn, zeggen, dat er geen gevaar is en geen pijn, zóó door hen gevreesd als de steken der insekten.In veel gevallen onaantastbaar, soms onzichtbaar, niet te weerstaan, zijn zij als de vernietiging zelve, onafwendbaar. Hoe hen te keeren, als zij komen in legioenen, dreigend ten krijg! Het is in Barbados gebeurd, dat door onbekende oorzaken gedreven, een geweldig leger mieren kwam optrekken, zich in ééne richting bewegend, in gesloten kolonnes, hunoverval gericht tegen de woningen. Verloren moeite hen te dooden; geen middel ze te stuiten. Toen kwam iemand op den gelukkigen inval, loopvuurtjes aan te leggen op hun weg. Die vulkanen verschrikten hen, en keerden eindelijk den stroom.Geen arsenaal uit de middeleeuwen met al de wonderlijke wapenen, waarvan men zich in dien tijd bediende; geen magazijn van chirurgische instrumenten, met de duizenderlei vreeselijke werktuigen, die moderne kunst uitvond, kunnen worden vergeleken met de monsterachtige wapenen der tropische insekten, hun knijpers, hun tangen, zagen, tanden, slurven, boren, al die doodende en verscheurende wapenen, waarmee zij ten krijg trekken, waarmee ze bewerken, doorboren, snijden, vaneen rijten en ragfijn verdeelen met eene vlugge behendigheid en verwoede felheid.De machtigste werken gaan niet boven de krachten van die verschrikkelijke legioenen. Geef hun een linieschip, neen, een stad, om te verwoesten, zij doen het gemakkelijk.Zij hebben na verloop van tijd onder Valencia bij Caracas afgronden en katakomben uitgegraven, zoodat het van steun beroofd, als in de lucht hangt.Eenige individuen van die verslindende stammen zijn ongelukkig in la Rochelle overgebracht en hebben de stad overvallen; menig gebouw wankelt er op schijnbare grondvesten, die van binnen zijn uitgevreten. Wat zou een mensch beginnen overgeleverd aan die insekten!—Een dronkaard viel neer bij een kreng. De insekten, die het doode lichaam bewerkten, onderscheidden het niet van het levende; zij namen dat ook in bezit, kropen door alle openingen, vulden alle natuurlijke holten. Geen middel om den man te redden; hij stierf onder vreeselijke stuiptrekkingen.In die schroeiende, blakende landen, waar door desnelle ontbinding ieder dood lichaam verderf zou brengen, waar alle dood het leven bedreigt, daar vermeerderen zich in het oneindige die vreeselijke werktuigen van de natuur, die al wat dood is, met ongehoorde snelheid doen verdwijnen. Een lichaam bezwijkt en valt neer; plotseling wordt het gegrepen, bestormd, ontleed, verscheurd. Nauwelijks blijven de beenderen over. De natuur, door haar eigen vruchtbaarheid in gevaar, roept ze, vuurt ze aan, prikkelt ze met de hitte, met de irritatie van een oneindigheid van aromatische en scherpe stoffen. Zij maakt hen tot verwoede jagers, onverzadelijke vraten.De leeuw en de tijger zijn zachtzinnig, gematigd en sober, vergeleken bij den gier; maar wat is de gier, tegen een schepsel, dat in vier-en-twintig uur driemaal zijn eigen gewicht verslindt! De Helleensche oudheid zag het symbool van de Natuur in het edele, koele beeld van Cybele met hare leeuwen.Indië zag zijn godSiva, God van Dood en Leven in een eeuwig oogknippen, omdat zijn open blik de aarde vergruizeld zou hebben tot poeder.Hoe zwak staan die verbeeldingen der menschentegenover de werkelijkheid! Hoe verbleeken zij bij dat laaiende vuurcentrum, waar het Leven in atomen en bij seconden sterft en ontstaat, vlamt en vonken spat. Wie zou haar bliksemvonk kunnen uithouden zonder huiverend duizelen! Het is een natuurlijk en wettig aarzelen, dat den reiziger bevangt, als hij die geweldige wouden zal ingaan, waar de tropische natuur onder dikwijls bekoorlijke vormen haar felsten strijd strijdt. En er is reden te aarzelen als men weet, dat een enkele kaktushaag voldoende wordt geacht om de Spaansche forten te beschermen: in weinig tijd is zulk een haag vol slangen. Ook bespeurt men daar een soort van weeë, sinistere muskuslucht, het bewijs dat ge u bevindt op een bodem, die niet anders is dan lijkenstof, overblijfselen van dieren met die lucht behept: tijgerkatten, krokodillen, gieren, adders en brilslangen.En daar binnen in die oerwouden is wel het gevaar het grootst, daar waar het een krioelen is van leven, van eeuwig gisten en borrelen in den kokenden smeltkroes van de Tropische Natuur.Daar wordt de sombere schemer drievoudig verdicht: door het zware gewelf der reuzenboomen, het warnet van ineengestrengelde lianen, en door immense grassen, dertig voet hoog, met breede prachtbladen. Er zijn plaatsen, waar die grassen te niet gaan in het oude oerslijk. En een honderd voet hooger, boven die nachtwereld uit, lichten fiere reuzenbloemen in het laaiende zonlicht.In de lichtingen, in de nauwe doorgangen, waar het zonlicht toegang heeft, is het een onafgebroken fonkelen en gonzen: torren, vlinders en kolibri's, levend geworden edelgesteenten, dwarrelen zonder ophouden in het licht.Verblindender nog het tafereel in den nacht: detooverachtige illuminatie der vuurvliegen! Met duizenden van milliarden trekken zij er hun fantastische lichtlijnen, hun slingerende vuur-arabesken. Maar bij al dat schitteren en fonkelen, beweegt zich in de laagte een naargeestig volk, een vale wereld van kaaimannen en waterslangen. En aan de stammen van de reuzenboomen hangen wonderbare orchideeën, teelsels van die dompige, koortsbrengende atmosfeer, bizarre plant-vlinders, die hangende schijnen te vliegen. In die moordende eenzaamheid, zwelgen zij in die giftatmosfeer, en baden zich in de rottende miasmen, drinkende den dood, die weer haar leven is; en de weeldedronkene natuur beeldt zich uit in hun grillige kleurenpracht. Geef u niet over! Verweer u! Laat die bekoring niet komen over de loomheid van uw hersenen. Op! voort! het gevaar dringt op u aan, onder duizend vormen. De gele koorts loert van onder die bloemen, devomito nero! Over uw voeten kruipen de reptielen! Als gij toegeeft aan die loomheid staat een zwijgend leger van meedogenlooze anatomen klaar om u in bezit te nemen: en een millioen lancetten zullen uwe weefsels bewerken, tot een sierlijk en fijn kantwerk, een gaas, een ademtocht, een niets!—Maar God, die onze gerustheid is, wat stelt Hij tegenover dien gewapenden afgrond van alverslindenden dood, van hongerend Leven? Een anderen afgrond, niet minder hongerend en dorstend naar Leven, maar niet wreed voor den Mensch. Ziet de Vogels, gij Mensch, en herleef! Zijn dit onze bevrijders? deze bezielde bloemen, deze gevleugelde safieren, topazen en smaragden? Ja, want zuiverend is hun begeeren, hun hongerig, driftig azen op deze overstelpende teugellooze vruchtbaarheid; en hun honger alléén maakt het ingaan mogelijk in deze verderfbrengendetoovergaarde. Zonder hen zou de natuur, naijverig op iederen indringer, in eeuwigheid ongestoord haar eenzaam gistingsproces vervolgen, en de stoutmoedigste onderzoeker zou niet kunnen doordringen om haar te bestudeeren. Wat is hier de Mensch! Hoe zou hij zich verdedigen? Geen macht, die hier dient! De olifant, de geweldige mammouth zelfs, zouden bezwijken zonder tegenweer, onder millioenen doodelijke steken. Wie trotseert hen? De arend? De Condor? Neen, een machtiger volk, het onversaagde leger der vliegenvangers, in aantal onnoembaar. Kolibri's van alle soorten en kleuren kunnen straffeloos leven in de schittering van die eenzaamheid, waar in iedere uitwaseming verderf dreigt, tusschen giftige insekten, en moordende planten, wier schaduw reeds den dood geeft.Er is één, een gekuifde, groen en blauw, in de Antillen, die zijn nest bouwt in den boom door alle wezens ontvlucht en gevreesd, het spooksel, welks blik verstijving schijnt te brengen, de vreeselijkemanzanille. En wonder, er is een papegaai, die driest de vruchten oogst van dien boom der verschrikking: hij voedt er zich mee en neemt hun livrei aan: hun giftig groen schijnt te schitteren in den metaalglans van zijn triomfeerende vleugels.Het intens en gloeiend Leven in deze gevleugelde vonken, trotseert alle gift. Hun wiekslag is zóó vlug, dat ons oog niets waarneemt. De kolibri schijnt onbewegelijk zonder eenige actie; alléén hoort men een aanhoudend gonzen: hoerr! hoerr! dan plotseling, het kopje omlaag, duikt hij neêr en boort zijn snavel als een dolk in het hart van een bloem, dan weêr naar een andere! en hij onttrekt ze met de sappen, tegelijk al de kleine insekten; dat alles gebeurt met een vlugheid van beweging, waarmee ik geen andere snelheid vergelijken kan; met een driftig, toornig ongeduld, dat soms stijgt tot razernij. Waartegen? Tegen een grooten vogel dien hij vervolgt, tot dat hij hem heeft doodgejaagd;tegen een bloem al vernield, die hij niet vergeeft, dat zij niet op hem wachtte. Hij valt op haar aan, rukt haar uit elkaar, de bloembladen vliegen.Het is bekend, dat de planten hevige vergiften kunnen bereiden uit bestanddeelen van lucht en bodem, en dat die vaak worden opgehoopt in de bloemen. Deze vogels leven van bloemen; van die bedwelmende bloemen, wier brandend scherpe sappen in werkelijkheid vergiften zijn. En het schijnt wel, dat de inwerking van die zuren, zich openbaart in hunne schrille kreten, in hun eeuwig rusteloos bewegen, en hun driftige wendingen. Misschien dragen zij nog direkter dan het licht, bij tot de wonderbare weerschijn van hun schitterende kleuren, die soms doen denken aan staal, aan goud, aan edelsteenen, meer dan aan veeren of bloemen.Welke uitersten, zij en de Mensch! Overal in diezelfde streken moet hij sterven, of langzaam kwijnen.De Europeanen door de tropische kulturen, kokao en anderen, genoodzaakt zich aan den zoom dier bosschen op te houden, moeten bezwijken; de inboorlingen steeds verzwakkend, verliezen hun weerstandsvermogen en kwijnen. Daar, waar op deze aarde de mensch het meest het dier nadert, triomfeert de vogel, en zijn schitterende, weelderige tooi verdiende hem er den naam van paradijsvogel. Maar wat zouden kleuren, veêren, vormen! Dit insekten-verslindend vleugel-volk, verwinnend door zijn overweldigend aantal; in zijn sterkste soorten ook van reptielen de hardnekkige vervolger, vliegt zuiverend over de geheele aarde—voorlooper van den mensch, die hem zijn woonplaats voorbereidt. Onversaagd zwemt het in dezen doodbrengenden oceaan, krioelend, fluitend, krijschend, krassend, en het ademt zijne vreeselijke miasmen in, en trotseert ze.Zoo zet zich het groote zuiveringswerk over de geheele aarde voort, de aloude strijd van den vogel tegen de lagere rassen, die zoolang de aarde onbewoonbaar moesten maken voor den mensch. De viervoeters, de mensch zelf, hebben maar een gering aandeel in den strijd. Het is steeds het kampen van den gevleugelden Hercules!De veiligheid van de bewoonde streken danken zij hem. In het uiterste Afrika, aan de Kaap, is het de goedaardige sekretarisvogel, die den mensch tegen de reptielen beveiligt. Vreedzaam en zacht van uiterlijk, schijnt hij in kalme gemoedsrust die wreede en gevaarlijke gevechten te volbrengen. De reusachtige Jabiru weert zich niet minder in de wildernissen van Guyana, waar de mensch het leven nog niet heeft aangedurft.In hunne gevaarlijke Savanna's, óf moeras, óf geheel uitgedroogd en dor, waar in het schroeiend lichteen geweldig leger van onbekende ongure monsters wriemelt, staat één bewoner hoog boven hen uit; een nobele strijdbare vogel, een onverschrokken zuiveraar, aan wien de Natuur nog eenige sporen liet van het harnas, waarmee zij waarschijnlijk de vogels uit de vóórwereld zal hebben uitgerust, voor hun kamp met de draakachtige monsters: een scherpe punt op den kop en een op iederen vleugel. Met den eersten woelt en wroet hij in het slijk, en maakt er zijn vijand wakker. De beide anderen beschermen en beveiligen hem; het reptiel, dat hem omwikkelt en vastklemt, verwonden zij, en door de kracht zelve van zijn aanval wordt het doorstoken.Deze schoone en moedige vogel, laatst geborene van die oude werelden, die nog bleef om te getuigen van die vergeten worstelingen; die geboren wordt, leeft, sterft op de modder van dien voorwereldlijken slijkpoel, heeft niets gemeens met zijn onguren geboortegrond. Een soort van zedelijk instinkt—ik weet niet welk—heft hem er boven uit. Het sterk en geweldig geluid van zijn stem, die de wildernis beheerscht, verkondigt reeds uit de verte, den waardigen ernst van dezen nobelen vogel, dezen fieren zuiveraar. De Kamichi—dit is zijn naam—is zeldzaam;geheel alléén is hij een geslacht, een klasse, die geen onderdeelen heeft.Verachtend het ignobele dooréénleven der geslachten in die lage wereld, heeft hij slechts ééne Liefde. En zeker is in dit leven van kamp, de gade ook de medestrijdster; zij hebben samen lief, kampen samen, leven één lot. Het is het krijgsmanshuwelijk waarvan Tacitus spreekt:Sic vivendum, sic Pereundum; „één leven, één dood.” Als die teedere kameraad, die troost, die steun der Kamichi ontvalt, weigert hij het voortbestaan; hij volgt haar, overleeft haar nooit.
DE STRIJD.
DE TROPEN.
Een dame, eene verwante van ons in Louisiana, had een kindje, dat zij zoogde. Iederen nacht werd haar slaap verontrust door een wonderlijke gewaarwording, alsof een koud glibberig voorwerp de melk onttrok aan haar borst. Eens, wéér diezelfde gewaarwording, maar zij was wakker toen: zij springt op, roept; men brengt licht, men zoekt, keert het beddegoed om, en vindt eindelijk de griezelige zuigeling; een groote slang van een zeer gevaarlijke soort. En zóó groot waren haar afschuw en schrik, dat op dátzelfde oogenblik haar zog was opgedroogd. Levaillant verhaalt, dat aan de Kaap in een gezelschap, gedurende een kalm gesprek de gastvrouw op eens verbleekteen een vreeselijken angstkreet uitte. Een slang klom tegen haar beenen op, een soort waarvan de beet binnen twee minuten den dood geeft. Men heeft ze met moeite gedood.
In Indië gebeurde het, dat een van onze soldaten zijn ransel opnam, dien hij had afgelegd, en hij vindt daarachter de gevaarlijke zwarte slang, de meest vergiftige van allen. Hij wil haar in tweeën houwen; maar een goedhartige Indiër vraagt genade voor haar, verkrijgt die en neemt de slang; hij wordt gebeten en sterft. Dat zijn de verschrikkingen van de overweldigende Natuur der Tropen. Maar de reptielen, die al zeldzaam zijn geworden, zijn niet haar grootste kwaad. De plaag van ieder oogenblik zijn de insekten. Zij zijn overal en in alles. Op alle denkbare wijzen kunnen zij ons bereiken; zij loopen, zwermen, glijden, vliegen; zij zijninde lucht, ge ademt hen in; onzichtbaar openbaren zij zich, door brandende steken.
Onlangs was een beambte der archieven, in een van onze havens, bezig een portefeuille open te maken, die al een poos geleden was gebracht. Op het oogenblik, dat hij ze opent, vliegt er een verwoede vlieg uit, zij vervolgt hem, steekt hem, in twee dagen is hij dood.
En de jagers in die streken, die wel van alle menschen het meest gehard zijn, zeggen, dat er geen gevaar is en geen pijn, zóó door hen gevreesd als de steken der insekten.
In veel gevallen onaantastbaar, soms onzichtbaar, niet te weerstaan, zijn zij als de vernietiging zelve, onafwendbaar. Hoe hen te keeren, als zij komen in legioenen, dreigend ten krijg! Het is in Barbados gebeurd, dat door onbekende oorzaken gedreven, een geweldig leger mieren kwam optrekken, zich in ééne richting bewegend, in gesloten kolonnes, hunoverval gericht tegen de woningen. Verloren moeite hen te dooden; geen middel ze te stuiten. Toen kwam iemand op den gelukkigen inval, loopvuurtjes aan te leggen op hun weg. Die vulkanen verschrikten hen, en keerden eindelijk den stroom.
Geen arsenaal uit de middeleeuwen met al de wonderlijke wapenen, waarvan men zich in dien tijd bediende; geen magazijn van chirurgische instrumenten, met de duizenderlei vreeselijke werktuigen, die moderne kunst uitvond, kunnen worden vergeleken met de monsterachtige wapenen der tropische insekten, hun knijpers, hun tangen, zagen, tanden, slurven, boren, al die doodende en verscheurende wapenen, waarmee zij ten krijg trekken, waarmee ze bewerken, doorboren, snijden, vaneen rijten en ragfijn verdeelen met eene vlugge behendigheid en verwoede felheid.
De machtigste werken gaan niet boven de krachten van die verschrikkelijke legioenen. Geef hun een linieschip, neen, een stad, om te verwoesten, zij doen het gemakkelijk.
Zij hebben na verloop van tijd onder Valencia bij Caracas afgronden en katakomben uitgegraven, zoodat het van steun beroofd, als in de lucht hangt.
Eenige individuen van die verslindende stammen zijn ongelukkig in la Rochelle overgebracht en hebben de stad overvallen; menig gebouw wankelt er op schijnbare grondvesten, die van binnen zijn uitgevreten. Wat zou een mensch beginnen overgeleverd aan die insekten!—Een dronkaard viel neer bij een kreng. De insekten, die het doode lichaam bewerkten, onderscheidden het niet van het levende; zij namen dat ook in bezit, kropen door alle openingen, vulden alle natuurlijke holten. Geen middel om den man te redden; hij stierf onder vreeselijke stuiptrekkingen.
In die schroeiende, blakende landen, waar door desnelle ontbinding ieder dood lichaam verderf zou brengen, waar alle dood het leven bedreigt, daar vermeerderen zich in het oneindige die vreeselijke werktuigen van de natuur, die al wat dood is, met ongehoorde snelheid doen verdwijnen. Een lichaam bezwijkt en valt neer; plotseling wordt het gegrepen, bestormd, ontleed, verscheurd. Nauwelijks blijven de beenderen over. De natuur, door haar eigen vruchtbaarheid in gevaar, roept ze, vuurt ze aan, prikkelt ze met de hitte, met de irritatie van een oneindigheid van aromatische en scherpe stoffen. Zij maakt hen tot verwoede jagers, onverzadelijke vraten.
De leeuw en de tijger zijn zachtzinnig, gematigd en sober, vergeleken bij den gier; maar wat is de gier, tegen een schepsel, dat in vier-en-twintig uur driemaal zijn eigen gewicht verslindt! De Helleensche oudheid zag het symbool van de Natuur in het edele, koele beeld van Cybele met hare leeuwen.
Indië zag zijn godSiva, God van Dood en Leven in een eeuwig oogknippen, omdat zijn open blik de aarde vergruizeld zou hebben tot poeder.
Hoe zwak staan die verbeeldingen der menschentegenover de werkelijkheid! Hoe verbleeken zij bij dat laaiende vuurcentrum, waar het Leven in atomen en bij seconden sterft en ontstaat, vlamt en vonken spat. Wie zou haar bliksemvonk kunnen uithouden zonder huiverend duizelen! Het is een natuurlijk en wettig aarzelen, dat den reiziger bevangt, als hij die geweldige wouden zal ingaan, waar de tropische natuur onder dikwijls bekoorlijke vormen haar felsten strijd strijdt. En er is reden te aarzelen als men weet, dat een enkele kaktushaag voldoende wordt geacht om de Spaansche forten te beschermen: in weinig tijd is zulk een haag vol slangen. Ook bespeurt men daar een soort van weeë, sinistere muskuslucht, het bewijs dat ge u bevindt op een bodem, die niet anders is dan lijkenstof, overblijfselen van dieren met die lucht behept: tijgerkatten, krokodillen, gieren, adders en brilslangen.
En daar binnen in die oerwouden is wel het gevaar het grootst, daar waar het een krioelen is van leven, van eeuwig gisten en borrelen in den kokenden smeltkroes van de Tropische Natuur.
Daar wordt de sombere schemer drievoudig verdicht: door het zware gewelf der reuzenboomen, het warnet van ineengestrengelde lianen, en door immense grassen, dertig voet hoog, met breede prachtbladen. Er zijn plaatsen, waar die grassen te niet gaan in het oude oerslijk. En een honderd voet hooger, boven die nachtwereld uit, lichten fiere reuzenbloemen in het laaiende zonlicht.
In de lichtingen, in de nauwe doorgangen, waar het zonlicht toegang heeft, is het een onafgebroken fonkelen en gonzen: torren, vlinders en kolibri's, levend geworden edelgesteenten, dwarrelen zonder ophouden in het licht.
Verblindender nog het tafereel in den nacht: detooverachtige illuminatie der vuurvliegen! Met duizenden van milliarden trekken zij er hun fantastische lichtlijnen, hun slingerende vuur-arabesken. Maar bij al dat schitteren en fonkelen, beweegt zich in de laagte een naargeestig volk, een vale wereld van kaaimannen en waterslangen. En aan de stammen van de reuzenboomen hangen wonderbare orchideeën, teelsels van die dompige, koortsbrengende atmosfeer, bizarre plant-vlinders, die hangende schijnen te vliegen. In die moordende eenzaamheid, zwelgen zij in die giftatmosfeer, en baden zich in de rottende miasmen, drinkende den dood, die weer haar leven is; en de weeldedronkene natuur beeldt zich uit in hun grillige kleurenpracht. Geef u niet over! Verweer u! Laat die bekoring niet komen over de loomheid van uw hersenen. Op! voort! het gevaar dringt op u aan, onder duizend vormen. De gele koorts loert van onder die bloemen, devomito nero! Over uw voeten kruipen de reptielen! Als gij toegeeft aan die loomheid staat een zwijgend leger van meedogenlooze anatomen klaar om u in bezit te nemen: en een millioen lancetten zullen uwe weefsels bewerken, tot een sierlijk en fijn kantwerk, een gaas, een ademtocht, een niets!—
Maar God, die onze gerustheid is, wat stelt Hij tegenover dien gewapenden afgrond van alverslindenden dood, van hongerend Leven? Een anderen afgrond, niet minder hongerend en dorstend naar Leven, maar niet wreed voor den Mensch. Ziet de Vogels, gij Mensch, en herleef! Zijn dit onze bevrijders? deze bezielde bloemen, deze gevleugelde safieren, topazen en smaragden? Ja, want zuiverend is hun begeeren, hun hongerig, driftig azen op deze overstelpende teugellooze vruchtbaarheid; en hun honger alléén maakt het ingaan mogelijk in deze verderfbrengendetoovergaarde. Zonder hen zou de natuur, naijverig op iederen indringer, in eeuwigheid ongestoord haar eenzaam gistingsproces vervolgen, en de stoutmoedigste onderzoeker zou niet kunnen doordringen om haar te bestudeeren. Wat is hier de Mensch! Hoe zou hij zich verdedigen? Geen macht, die hier dient! De olifant, de geweldige mammouth zelfs, zouden bezwijken zonder tegenweer, onder millioenen doodelijke steken. Wie trotseert hen? De arend? De Condor? Neen, een machtiger volk, het onversaagde leger der vliegenvangers, in aantal onnoembaar. Kolibri's van alle soorten en kleuren kunnen straffeloos leven in de schittering van die eenzaamheid, waar in iedere uitwaseming verderf dreigt, tusschen giftige insekten, en moordende planten, wier schaduw reeds den dood geeft.
Er is één, een gekuifde, groen en blauw, in de Antillen, die zijn nest bouwt in den boom door alle wezens ontvlucht en gevreesd, het spooksel, welks blik verstijving schijnt te brengen, de vreeselijkemanzanille. En wonder, er is een papegaai, die driest de vruchten oogst van dien boom der verschrikking: hij voedt er zich mee en neemt hun livrei aan: hun giftig groen schijnt te schitteren in den metaalglans van zijn triomfeerende vleugels.
Het intens en gloeiend Leven in deze gevleugelde vonken, trotseert alle gift. Hun wiekslag is zóó vlug, dat ons oog niets waarneemt. De kolibri schijnt onbewegelijk zonder eenige actie; alléén hoort men een aanhoudend gonzen: hoerr! hoerr! dan plotseling, het kopje omlaag, duikt hij neêr en boort zijn snavel als een dolk in het hart van een bloem, dan weêr naar een andere! en hij onttrekt ze met de sappen, tegelijk al de kleine insekten; dat alles gebeurt met een vlugheid van beweging, waarmee ik geen andere snelheid vergelijken kan; met een driftig, toornig ongeduld, dat soms stijgt tot razernij. Waartegen? Tegen een grooten vogel dien hij vervolgt, tot dat hij hem heeft doodgejaagd;tegen een bloem al vernield, die hij niet vergeeft, dat zij niet op hem wachtte. Hij valt op haar aan, rukt haar uit elkaar, de bloembladen vliegen.
Het is bekend, dat de planten hevige vergiften kunnen bereiden uit bestanddeelen van lucht en bodem, en dat die vaak worden opgehoopt in de bloemen. Deze vogels leven van bloemen; van die bedwelmende bloemen, wier brandend scherpe sappen in werkelijkheid vergiften zijn. En het schijnt wel, dat de inwerking van die zuren, zich openbaart in hunne schrille kreten, in hun eeuwig rusteloos bewegen, en hun driftige wendingen. Misschien dragen zij nog direkter dan het licht, bij tot de wonderbare weerschijn van hun schitterende kleuren, die soms doen denken aan staal, aan goud, aan edelsteenen, meer dan aan veeren of bloemen.
Welke uitersten, zij en de Mensch! Overal in diezelfde streken moet hij sterven, of langzaam kwijnen.
De Europeanen door de tropische kulturen, kokao en anderen, genoodzaakt zich aan den zoom dier bosschen op te houden, moeten bezwijken; de inboorlingen steeds verzwakkend, verliezen hun weerstandsvermogen en kwijnen. Daar, waar op deze aarde de mensch het meest het dier nadert, triomfeert de vogel, en zijn schitterende, weelderige tooi verdiende hem er den naam van paradijsvogel. Maar wat zouden kleuren, veêren, vormen! Dit insekten-verslindend vleugel-volk, verwinnend door zijn overweldigend aantal; in zijn sterkste soorten ook van reptielen de hardnekkige vervolger, vliegt zuiverend over de geheele aarde—voorlooper van den mensch, die hem zijn woonplaats voorbereidt. Onversaagd zwemt het in dezen doodbrengenden oceaan, krioelend, fluitend, krijschend, krassend, en het ademt zijne vreeselijke miasmen in, en trotseert ze.
Zoo zet zich het groote zuiveringswerk over de geheele aarde voort, de aloude strijd van den vogel tegen de lagere rassen, die zoolang de aarde onbewoonbaar moesten maken voor den mensch. De viervoeters, de mensch zelf, hebben maar een gering aandeel in den strijd. Het is steeds het kampen van den gevleugelden Hercules!
De veiligheid van de bewoonde streken danken zij hem. In het uiterste Afrika, aan de Kaap, is het de goedaardige sekretarisvogel, die den mensch tegen de reptielen beveiligt. Vreedzaam en zacht van uiterlijk, schijnt hij in kalme gemoedsrust die wreede en gevaarlijke gevechten te volbrengen. De reusachtige Jabiru weert zich niet minder in de wildernissen van Guyana, waar de mensch het leven nog niet heeft aangedurft.
In hunne gevaarlijke Savanna's, óf moeras, óf geheel uitgedroogd en dor, waar in het schroeiend lichteen geweldig leger van onbekende ongure monsters wriemelt, staat één bewoner hoog boven hen uit; een nobele strijdbare vogel, een onverschrokken zuiveraar, aan wien de Natuur nog eenige sporen liet van het harnas, waarmee zij waarschijnlijk de vogels uit de vóórwereld zal hebben uitgerust, voor hun kamp met de draakachtige monsters: een scherpe punt op den kop en een op iederen vleugel. Met den eersten woelt en wroet hij in het slijk, en maakt er zijn vijand wakker. De beide anderen beschermen en beveiligen hem; het reptiel, dat hem omwikkelt en vastklemt, verwonden zij, en door de kracht zelve van zijn aanval wordt het doorstoken.
Deze schoone en moedige vogel, laatst geborene van die oude werelden, die nog bleef om te getuigen van die vergeten worstelingen; die geboren wordt, leeft, sterft op de modder van dien voorwereldlijken slijkpoel, heeft niets gemeens met zijn onguren geboortegrond. Een soort van zedelijk instinkt—ik weet niet welk—heft hem er boven uit. Het sterk en geweldig geluid van zijn stem, die de wildernis beheerscht, verkondigt reeds uit de verte, den waardigen ernst van dezen nobelen vogel, dezen fieren zuiveraar. De Kamichi—dit is zijn naam—is zeldzaam;geheel alléén is hij een geslacht, een klasse, die geen onderdeelen heeft.
Verachtend het ignobele dooréénleven der geslachten in die lage wereld, heeft hij slechts ééne Liefde. En zeker is in dit leven van kamp, de gade ook de medestrijdster; zij hebben samen lief, kampen samen, leven één lot. Het is het krijgsmanshuwelijk waarvan Tacitus spreekt:Sic vivendum, sic Pereundum; „één leven, één dood.” Als die teedere kameraad, die troost, die steun der Kamichi ontvalt, weigert hij het voortbestaan; hij volgt haar, overleeft haar nooit.