The Project Gutenberg eBook ofDe vogel

The Project Gutenberg eBook ofDe vogelThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De vogelAuthor: Jules MicheletIllustrator: Hector GiacomelliTranslator: M. van Eeden-Van VlotenRelease date: July 6, 2013 [eBook #43105]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VOGEL ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De vogelAuthor: Jules MicheletIllustrator: Hector GiacomelliTranslator: M. van Eeden-Van VlotenRelease date: July 6, 2013 [eBook #43105]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

Title: De vogel

Author: Jules MicheletIllustrator: Hector GiacomelliTranslator: M. van Eeden-Van Vloten

Author: Jules Michelet

Illustrator: Hector Giacomelli

Translator: M. van Eeden-Van Vloten

Release date: July 6, 2013 [eBook #43105]Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VOGEL ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.Van de illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Het origineel van dit e-boek is een vertaling vanuit het frans. Een engelse vertaling is via Project Gutenberg beschikbaar alse-boek no. 26009.Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.

Van de illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Het origineel van dit e-boek is een vertaling vanuit het frans. Een engelse vertaling is via Project Gutenberg beschikbaar alse-boek no. 26009.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

WERELDBIBLIOTHEEKONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONSJ. MICHELETDE VOGELNAAR DE 8EFRANSCHE UITGAAFBEWERKT DOOR MEVR. M. v. VLOTENMET DE OORSPRONKELIJKE ILLUSTRATIESVAN H. GIACOMELLIUITGEGEVEN·DOOR·DEMAATSCHAPPIJ·VOORGOEDE·EN·GOEDKOOPELECTUUR—AMSTERDAM

WERELDBIBLIOTHEEKONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS

J. MICHELET

DE VOGEL

NAAR DE 8EFRANSCHE UITGAAFBEWERKT DOOR MEVR. M. v. VLOTENMET DE OORSPRONKELIJKE ILLUSTRATIESVAN H. GIACOMELLI

UITGEGEVEN·DOOR·DEMAATSCHAPPIJ·VOORGOEDE·EN·GOEDKOOPELECTUUR—AMSTERDAM

VOORAF.Toen ik bij de stichting onzer bibliotheek allerlei deskundigen raadpleegde, over het eventueel opnemen van werken over onderwerpen, waarover ik mezelf gansch-òndeskundig wist, was de heerJac. P. Thijssezoo vriendelijk mij een aantal werken over deNatuurop te noemen, en daaronder ook die van den beroemden Franschen schrijverJules Michelet, (van wien onze lezers een geheel ander werk kennen: „Martelaren van Rusland”), nl.:De Vogel—Het Insect—De Zee.Van het eerste kwam ik toen kort daarop een exemplaar tegen van de nu zeer zeldzame uitgaaf met al de houtsneden vanGiacomelli; terwijl Mevr.M. van Vlotenbereid bleek, de uiterst moeilijke taak op zich te nemen om den Fransch-warmkleurigen tekst naar den aard van ons nuchterder Nederlandsch over te brengen. Een werk van liefde voor de natuur en den door zijn eigen sterke natuurliefde zoo sympathieken schrijver.Deze 8ste Fransche druk, waarnaar de vertolkster haar bewerking gemaakt heeft, dateert van 1867.—Dezetwee cijfers worden gegeven om den lezer te waarschuwen, indien de aard van de oorspronkelijke illustraties (die wij, naar ons formaat ietwat verkleind, in onze uitgaaf brengen) met hun romantisch waas het niet genoegzaam zouden doen, dat hij hier een werk voor zich heeft uit een vroeger tijdvak, een werk niet van wetenschap allereerst, maar van aandoening; openbaring van inzicht in de natuur, waarbij het gevoel en de verbeelding den schrijver leidden meer nog dan streng onderzoek, doch dat juist door die eigenschappen niet zal nalaten des lezers liefde voor de natuur aan te wakkeren en hem te boeien door de beschrijvingskunst van den dichterlijken prozaïst. Deze drie straks genoemde werken vanMichelethebben in de Fransche letterkunde der 19de eeuw hun eigen plaats verworven; zijn er bijkans „klassiek” geworden. Moge deze Nederlandsche bewerking ervan velen onzer landgenooten, die èn de natuur èn de letterkunde liefhebben, doen meêgenieten van „den rijken oogst der Natuur,” die den schrijver zelf, naar zijn opdracht aan zijne echtgenoote, door háar bereid was.Den heerThijsse, ook namens de vertaalster, onze hartelijke dank voor het mede-nazien der proeven.L. S.

Toen ik bij de stichting onzer bibliotheek allerlei deskundigen raadpleegde, over het eventueel opnemen van werken over onderwerpen, waarover ik mezelf gansch-òndeskundig wist, was de heerJac. P. Thijssezoo vriendelijk mij een aantal werken over deNatuurop te noemen, en daaronder ook die van den beroemden Franschen schrijverJules Michelet, (van wien onze lezers een geheel ander werk kennen: „Martelaren van Rusland”), nl.:De Vogel—Het Insect—De Zee.

Van het eerste kwam ik toen kort daarop een exemplaar tegen van de nu zeer zeldzame uitgaaf met al de houtsneden vanGiacomelli; terwijl Mevr.M. van Vlotenbereid bleek, de uiterst moeilijke taak op zich te nemen om den Fransch-warmkleurigen tekst naar den aard van ons nuchterder Nederlandsch over te brengen. Een werk van liefde voor de natuur en den door zijn eigen sterke natuurliefde zoo sympathieken schrijver.

Deze 8ste Fransche druk, waarnaar de vertolkster haar bewerking gemaakt heeft, dateert van 1867.—Dezetwee cijfers worden gegeven om den lezer te waarschuwen, indien de aard van de oorspronkelijke illustraties (die wij, naar ons formaat ietwat verkleind, in onze uitgaaf brengen) met hun romantisch waas het niet genoegzaam zouden doen, dat hij hier een werk voor zich heeft uit een vroeger tijdvak, een werk niet van wetenschap allereerst, maar van aandoening; openbaring van inzicht in de natuur, waarbij het gevoel en de verbeelding den schrijver leidden meer nog dan streng onderzoek, doch dat juist door die eigenschappen niet zal nalaten des lezers liefde voor de natuur aan te wakkeren en hem te boeien door de beschrijvingskunst van den dichterlijken prozaïst. Deze drie straks genoemde werken vanMichelethebben in de Fransche letterkunde der 19de eeuw hun eigen plaats verworven; zijn er bijkans „klassiek” geworden. Moge deze Nederlandsche bewerking ervan velen onzer landgenooten, die èn de natuur èn de letterkunde liefhebben, doen meêgenieten van „den rijken oogst der Natuur,” die den schrijver zelf, naar zijn opdracht aan zijne echtgenoote, door háar bereid was.

Den heerThijsse, ook namens de vertaalster, onze hartelijke dank voor het mede-nazien der proeven.

L. S.

1. PARTIE1EDEEL.

1. PARTIE

L'ŒUFHET EI.

L'ŒUF

HET EI.De ouden, in hun wijze onwetendheid, in hun helderziend instinkt, spraken dit orakel:„Het EI is hetbegin; in het EI ontkiemt de Wereld.”Eénzelfde oorsprong; maar het lotsverschil bepaalt de aard der Moeder.Zij handelt en voorziet, zij is meer of minder Moeder. Is zij meer Moeder, des te hooger stijgt het Wezen; ieder graadsverschil in het Bestaan hangt af van den liefdegraad. Op de trap van het Bestaan bepaalt deLiefdede trede.Wat vermag de Moeder in het bewegend leven der visschen? Niets dan haar ei toevertrouwen aanden Oceaan. Wàt kan zij in de Wereld der Insecten? waar zij gewoonlijk sterft als het ei gelegd is? Een veilige plaats vinden vóór zij sterft, waar het ei kan uitkomen en het leven zich voortzetten.Zelfs bij het hoogere, bij het viervoetige dier, waar de warmte van het bloed een oorzaak voor geringer Liefde schijnt te moeten zijn, waar de Moeder zelf, zóólang, voor het jong, nest en warme woning is, zijn de zorgen van het moederschap ook zooveel minder. Het wordt geboren in volkomen gedaante, is gekleed, gelijkt geheel op de Moeder; de melk, reeds bereid, voedt het. En bij vele soorten neemt de opvoeding haar loop, zonder dat de Moeder zich meer moeite geeft dan toen het jong groeide in haar lichaam.Anders deVogel; vond die geen liefde, het ware zijn Dood.Liefde?—Iedere moeder heeft lief, van den Oceaan tot de sterren. Maar ik denk aanzorg, aan het omgeven-zijn door meerdere liefde, omwikkeld door de warmte van het moederlijk magnetisme.Zelfs in het ei, behoed door de kalkschaal, is het jong zóó gevoelig voor de inwerking van koude lucht, dat ieder plekje, in het ei verkoeld, een lid kost aan het wordend vogeltje. Vandaar dat lang en rusteloos werk—het broeden; de gewilde gevangenschap, de onbewegelijkheid van het bewegelijkste aller wezens. En dat alles zoo smartelijk! Als een steen, gedrukt tegen het naakte vleesch.Het vogeltje wordt geboren; maar het isnaakt. De kleine viervoet, geheel gekleed, kruipt, loopt onmiddellijk; maar het vogeltje—ten minste bij de hoogere soorten—ligt op den rug, veerloos, onbewegelijk. En nìet alléen door bedekkend koesteren met haar lichaam, behoudt de moeder de warmte; maar ze wekt ze zelfs op door zorgzaam wrijven.Het veulen kan zuigen en voedt gemakkelijk zichzelf; het vogeltje moet wachten tot de moeder het voeder zoekt, kiest, bereidt. Zij kan niet weg, de vader zal voorzien! Ziehier het rechte Gezin: Trouw en Liefde, en het eerste schijnsel van het zedelijk Licht.Ik zal nu niet spreken van een zéér moeilijke, langdurige en gevaarvolle opvoeding: het leeren vliegen, en het, bij de echte zangers zoozeer subtiele, leeren zingen. De viervoet weet spoedig wat hij weten moet: er zijn er die galoppeeren van af hun geboorte!—En is een neerkomen op het zachte gras hetzelfde als een zich werpen in de ruimte?Nemen wij het ei in de hand. Deze ellips, zoo eenvoudig, zoo begrijpelijk, zoo sierlijk, de vorm, die het minst vat geeft op een vijandigen aanval, het is ons als een harmonische wereld in het klein, een absolute harmonie, waar niets af te nemen, niets aan te vullen is. Bij anorganische stoffen zal men moeilijk dien vorm aantreffen. Men voelt onder dien levenloozenschijn, een hoog levensmysterie, het werk van God in Zijn volmaaktheid.Wat is het? en wat moet er uit ontstaan? Gij kunt het niet zeggen? Maar Zìj weet het, zìj, die daar, de vleugels uitgebreid, in sidderend wachten het omgeeft en rijpen doet door haar warmte; zìj, die tot nu toe vrij en koningin der lucht, haar leven schiep naar haar lust; nu plotseling een gevangene, zich doemend tot onbewegelijkheid op dat stomme voorwerp, diensteen, waar niets nog de toekomst openbaart.Spreek niet van blind instinkt! Feiten zullen doen zien, hoe dat helderziend instinkt zich wijzigt naar de omstandigheden, met andere woorden: hoe dit begin vanRedein aard weinig verschilt van de hooge Rede bij den mensch.Ja, deze moeder is door deintuïtiederLiefdewetend en voorziend geworden. Door die harde kalkschaal heen, waar onze ruwe hand niets vermag te voelen, daar voelt zij met een subtiele takt, het mysterieuse wezen, dat er zich vormt en voedt, en gesterkt door dàt voelen verdraagt zij de moeilijke taak van het broeden, de lange gevangenschap. Zij ziet het jonkje, zoo aanvallig teer in het eerste dons, zij vóórziet het, door haar hopen, zooals het worden zal, een forsche en krachtige vogel, aanblikkend de zon en de vleugels spreidend tegen den orkaan. Laten wij ons dien langen tijd ten nutte maken! Haasten we ons niet, en laat ons rustig beschouwen, dat bekoorlijke beeld van dien moederdroom, dat tweede baren, waardoor zij het onbekend voorwerp van hare liefde, dat onzichtbaar kind van haar verlangen tot volkomenheid brengt.Treffend beeld, meer nog dan treffend,—subliem! Ons past hier bescheidenheid. Bij ons bemint de moeder, wat zich al in haar beweegt, wat zij voelt, houdt,omgeeft in een zeker bezitten. Een onomstootelijke realiteit heeft zij lief, een bewegelijk en bewegend wezen, dat haar eigen bewegen volgt. Maar deze geeft haar liefde aan de toekomst en het onbekende; haar hart klopt eenzaam en vindt geen antwoord. Maar toch is haar liefde niet minder, en offert zich en lijdt; tot den dood zou zij lijden voor haar droomen en haar gelooven.Machtig alvermogend geloof, dat een wereld voortbrengt, de wonderbaarste wereld misschien. Spreek mij niet van zonnen, van den chemischen bouw der wereldbollen! Het wonder van een kolibri-ei is minstens het worden van den Melkweg waard. Gelooft maar, dat dit kleine puntje, dat gij onzichtbaar noemt, een zee is, een melkzee; daarin drijft als kiempje de uitverkorene der luchten. Het drijft, vreest geen vergaan; oneindig fijne hechtseltjes houden het zwevend, geen nood voor een stoot of schok. Zachtkens drijft het in het lauwe vocht, zooals het drijven zou op de lucht. Algeheele zekerheid, volkomen veiligheid, omgeven door een voedende woning; en hoeveel volkomener is die voeding dan het zoogen!Maar zie! in zijn Godsslaap heeft hij de moeder gevoeld, hare magnetische warmte. En ook hij begintte droomen. Zijn droom is beweging; hij maakt zich gelijk aan haar; zijn eerste doen, een doen van onbewuste liefde, is haar gaan gelijken.„Verandert niet de liefde altoos in Zich, 't beminde?”En als hij gelijk is aan haar, wil hij tot haar gaan. Hij neigt zich, hij buigt dichter tot de schaal, het eenige wat hem nog van de moeder scheidt. Dan luistert zij; soms heeft zij 't geluk zijn eerste piepen te hooren. Hij kan niet meer blijven, hij wil, hij heeft een snavel en gebruikt dien. Hij stoot, vijlt, doorbreekt den muur van zijn kerker. Hij heeft pootjes en staat... Zijn arbeid is begonnen... Zijn loon is de verlossing. Hij is vrij.De verrukking, de aandoening, de verwonderlijke onrust, al de zorgen van de moeder, wij zullen ze hier niet bespreken; wij noemden reeds de groote moeielijkheden van de opvoeding. Zijn inwijding in het leven, moet door tijd en teederheid geschieden.Bevoorrecht door het vliegvermogen is hij het nog meer door het tehuis, waarin hij zijn leven begint, door de moeder die hem kweekte; door háár gevoed,door zijn vader geleerd, is dit wezen, vrij boven allen, ook nog de gunsteling der Liefde.Wie de vruchtbaarheid van de Natuur bewonderen wil, haar rijkdom van vinding, zoo bekorend, maar ook zoo schrikwekkend; een vindingskracht, die uit ééne creatie millioenen van tegengestelde wonderen doet ontstaan—hij beschouwe dit ei, zoo gelijk aan een ander, waaruit toch de oneindigheid van stammen zal voortkomen, die gevleugeld de wereld zullen bevolken.Uit die geheimnisvolle éénheid gooit zij uit, verbreidt zij, als stralen, in aantal onberekenbaar, wonderbaar afwijkend, de gewiekte vlammen, die wij vogels noemen, vlammen van vurigheid en leven, van kleur en zang.Gloeiende scheppingsdrang schudt dien immensen wonderwaaier van verpletterende verscheidenheid, waar alles schittert, alles zingt, een overstelpende stroom van harmonie—en wij sluiten de oogen—verblind! Gij melodieuse vonken van het hemelvuur, hoevèr reikt gij niet! Voor u geen hoogten, geen afstand; lucht en afgrond is voor u één. De hoogste wolk, het diepste water, gij bereikt hen. De aarde in haar geheelen omtrek, in haar ontzaglijken omvang, haar zeeën, haar bergen, haar dalen, het is alles uw rijk! Ik zie u fonkelen in de tropen, gloeiend als zonnestralen. Ik hoor u in het eeuwig zwijgen der polen, waar het leven ophoudt, waar het laatste mos is uitgestorven; te ver zelfs voor den beer, die zich grommend terugtrekt. Maar gij blijft, gij leeft, gij hebt lief, gij getuigt van God, gij brengt warmte in verstijving. En in die aardsche woestenijen, waar de natuur nog barbaarsch is, komt gij en tempert die woestheid met de kinderlijke onschuld van uw roerend liefdeleven.

HET EI.

De ouden, in hun wijze onwetendheid, in hun helderziend instinkt, spraken dit orakel:

„Het EI is hetbegin; in het EI ontkiemt de Wereld.”

Eénzelfde oorsprong; maar het lotsverschil bepaalt de aard der Moeder.

Zij handelt en voorziet, zij is meer of minder Moeder. Is zij meer Moeder, des te hooger stijgt het Wezen; ieder graadsverschil in het Bestaan hangt af van den liefdegraad. Op de trap van het Bestaan bepaalt deLiefdede trede.

Wat vermag de Moeder in het bewegend leven der visschen? Niets dan haar ei toevertrouwen aanden Oceaan. Wàt kan zij in de Wereld der Insecten? waar zij gewoonlijk sterft als het ei gelegd is? Een veilige plaats vinden vóór zij sterft, waar het ei kan uitkomen en het leven zich voortzetten.

Zelfs bij het hoogere, bij het viervoetige dier, waar de warmte van het bloed een oorzaak voor geringer Liefde schijnt te moeten zijn, waar de Moeder zelf, zóólang, voor het jong, nest en warme woning is, zijn de zorgen van het moederschap ook zooveel minder. Het wordt geboren in volkomen gedaante, is gekleed, gelijkt geheel op de Moeder; de melk, reeds bereid, voedt het. En bij vele soorten neemt de opvoeding haar loop, zonder dat de Moeder zich meer moeite geeft dan toen het jong groeide in haar lichaam.

Anders deVogel; vond die geen liefde, het ware zijn Dood.

Liefde?—Iedere moeder heeft lief, van den Oceaan tot de sterren. Maar ik denk aanzorg, aan het omgeven-zijn door meerdere liefde, omwikkeld door de warmte van het moederlijk magnetisme.

Zelfs in het ei, behoed door de kalkschaal, is het jong zóó gevoelig voor de inwerking van koude lucht, dat ieder plekje, in het ei verkoeld, een lid kost aan het wordend vogeltje. Vandaar dat lang en rusteloos werk—het broeden; de gewilde gevangenschap, de onbewegelijkheid van het bewegelijkste aller wezens. En dat alles zoo smartelijk! Als een steen, gedrukt tegen het naakte vleesch.

Het vogeltje wordt geboren; maar het isnaakt. De kleine viervoet, geheel gekleed, kruipt, loopt onmiddellijk; maar het vogeltje—ten minste bij de hoogere soorten—ligt op den rug, veerloos, onbewegelijk. En nìet alléen door bedekkend koesteren met haar lichaam, behoudt de moeder de warmte; maar ze wekt ze zelfs op door zorgzaam wrijven.Het veulen kan zuigen en voedt gemakkelijk zichzelf; het vogeltje moet wachten tot de moeder het voeder zoekt, kiest, bereidt. Zij kan niet weg, de vader zal voorzien! Ziehier het rechte Gezin: Trouw en Liefde, en het eerste schijnsel van het zedelijk Licht.

Ik zal nu niet spreken van een zéér moeilijke, langdurige en gevaarvolle opvoeding: het leeren vliegen, en het, bij de echte zangers zoozeer subtiele, leeren zingen. De viervoet weet spoedig wat hij weten moet: er zijn er die galoppeeren van af hun geboorte!—En is een neerkomen op het zachte gras hetzelfde als een zich werpen in de ruimte?

Nemen wij het ei in de hand. Deze ellips, zoo eenvoudig, zoo begrijpelijk, zoo sierlijk, de vorm, die het minst vat geeft op een vijandigen aanval, het is ons als een harmonische wereld in het klein, een absolute harmonie, waar niets af te nemen, niets aan te vullen is. Bij anorganische stoffen zal men moeilijk dien vorm aantreffen. Men voelt onder dien levenloozenschijn, een hoog levensmysterie, het werk van God in Zijn volmaaktheid.

Wat is het? en wat moet er uit ontstaan? Gij kunt het niet zeggen? Maar Zìj weet het, zìj, die daar, de vleugels uitgebreid, in sidderend wachten het omgeeft en rijpen doet door haar warmte; zìj, die tot nu toe vrij en koningin der lucht, haar leven schiep naar haar lust; nu plotseling een gevangene, zich doemend tot onbewegelijkheid op dat stomme voorwerp, diensteen, waar niets nog de toekomst openbaart.

Spreek niet van blind instinkt! Feiten zullen doen zien, hoe dat helderziend instinkt zich wijzigt naar de omstandigheden, met andere woorden: hoe dit begin vanRedein aard weinig verschilt van de hooge Rede bij den mensch.

Ja, deze moeder is door deintuïtiederLiefdewetend en voorziend geworden. Door die harde kalkschaal heen, waar onze ruwe hand niets vermag te voelen, daar voelt zij met een subtiele takt, het mysterieuse wezen, dat er zich vormt en voedt, en gesterkt door dàt voelen verdraagt zij de moeilijke taak van het broeden, de lange gevangenschap. Zij ziet het jonkje, zoo aanvallig teer in het eerste dons, zij vóórziet het, door haar hopen, zooals het worden zal, een forsche en krachtige vogel, aanblikkend de zon en de vleugels spreidend tegen den orkaan. Laten wij ons dien langen tijd ten nutte maken! Haasten we ons niet, en laat ons rustig beschouwen, dat bekoorlijke beeld van dien moederdroom, dat tweede baren, waardoor zij het onbekend voorwerp van hare liefde, dat onzichtbaar kind van haar verlangen tot volkomenheid brengt.

Treffend beeld, meer nog dan treffend,—subliem! Ons past hier bescheidenheid. Bij ons bemint de moeder, wat zich al in haar beweegt, wat zij voelt, houdt,omgeeft in een zeker bezitten. Een onomstootelijke realiteit heeft zij lief, een bewegelijk en bewegend wezen, dat haar eigen bewegen volgt. Maar deze geeft haar liefde aan de toekomst en het onbekende; haar hart klopt eenzaam en vindt geen antwoord. Maar toch is haar liefde niet minder, en offert zich en lijdt; tot den dood zou zij lijden voor haar droomen en haar gelooven.

Machtig alvermogend geloof, dat een wereld voortbrengt, de wonderbaarste wereld misschien. Spreek mij niet van zonnen, van den chemischen bouw der wereldbollen! Het wonder van een kolibri-ei is minstens het worden van den Melkweg waard. Gelooft maar, dat dit kleine puntje, dat gij onzichtbaar noemt, een zee is, een melkzee; daarin drijft als kiempje de uitverkorene der luchten. Het drijft, vreest geen vergaan; oneindig fijne hechtseltjes houden het zwevend, geen nood voor een stoot of schok. Zachtkens drijft het in het lauwe vocht, zooals het drijven zou op de lucht. Algeheele zekerheid, volkomen veiligheid, omgeven door een voedende woning; en hoeveel volkomener is die voeding dan het zoogen!

Maar zie! in zijn Godsslaap heeft hij de moeder gevoeld, hare magnetische warmte. En ook hij begintte droomen. Zijn droom is beweging; hij maakt zich gelijk aan haar; zijn eerste doen, een doen van onbewuste liefde, is haar gaan gelijken.

„Verandert niet de liefde altoos in Zich, 't beminde?”

En als hij gelijk is aan haar, wil hij tot haar gaan. Hij neigt zich, hij buigt dichter tot de schaal, het eenige wat hem nog van de moeder scheidt. Dan luistert zij; soms heeft zij 't geluk zijn eerste piepen te hooren. Hij kan niet meer blijven, hij wil, hij heeft een snavel en gebruikt dien. Hij stoot, vijlt, doorbreekt den muur van zijn kerker. Hij heeft pootjes en staat... Zijn arbeid is begonnen... Zijn loon is de verlossing. Hij is vrij.

De verrukking, de aandoening, de verwonderlijke onrust, al de zorgen van de moeder, wij zullen ze hier niet bespreken; wij noemden reeds de groote moeielijkheden van de opvoeding. Zijn inwijding in het leven, moet door tijd en teederheid geschieden.

Bevoorrecht door het vliegvermogen is hij het nog meer door het tehuis, waarin hij zijn leven begint, door de moeder die hem kweekte; door háár gevoed,door zijn vader geleerd, is dit wezen, vrij boven allen, ook nog de gunsteling der Liefde.

Wie de vruchtbaarheid van de Natuur bewonderen wil, haar rijkdom van vinding, zoo bekorend, maar ook zoo schrikwekkend; een vindingskracht, die uit ééne creatie millioenen van tegengestelde wonderen doet ontstaan—hij beschouwe dit ei, zoo gelijk aan een ander, waaruit toch de oneindigheid van stammen zal voortkomen, die gevleugeld de wereld zullen bevolken.

Uit die geheimnisvolle éénheid gooit zij uit, verbreidt zij, als stralen, in aantal onberekenbaar, wonderbaar afwijkend, de gewiekte vlammen, die wij vogels noemen, vlammen van vurigheid en leven, van kleur en zang.

Gloeiende scheppingsdrang schudt dien immensen wonderwaaier van verpletterende verscheidenheid, waar alles schittert, alles zingt, een overstelpende stroom van harmonie—en wij sluiten de oogen—verblind! Gij melodieuse vonken van het hemelvuur, hoevèr reikt gij niet! Voor u geen hoogten, geen afstand; lucht en afgrond is voor u één. De hoogste wolk, het diepste water, gij bereikt hen. De aarde in haar geheelen omtrek, in haar ontzaglijken omvang, haar zeeën, haar bergen, haar dalen, het is alles uw rijk! Ik zie u fonkelen in de tropen, gloeiend als zonnestralen. Ik hoor u in het eeuwig zwijgen der polen, waar het leven ophoudt, waar het laatste mos is uitgestorven; te ver zelfs voor den beer, die zich grommend terugtrekt. Maar gij blijft, gij leeft, gij hebt lief, gij getuigt van God, gij brengt warmte in verstijving. En in die aardsche woestenijen, waar de natuur nog barbaarsch is, komt gij en tempert die woestheid met de kinderlijke onschuld van uw roerend liefdeleven.

LE PÔLE - OISEAUX-POISSONSDE POOL.DE VOGEL-VISCH.

LE PÔLE - OISEAUX-POISSONS

DE POOL.De Vogel-visch.De machtige fee Verbeelding, bewerkster van zooveel van der menschen welzijn en wee, toovert ook voor hen de natuur in duizenderlei valschen schijn. Bij alles wat hun kracht niet te meten vermag, wat hun voelen beleedigt; in alles wat is, omdat de wereld-harmonie het beveelt, ziet de mensch gaarne een boozen wil, dien hij vloekt. Er is een schrijver, die een boek schreef tegen de Alpen. Een dichter plaatste dwaselijk den troon des kwaadsop die gezegende gletschers, die de groote waterbehouders zijn van Europa, die het zijn stroomen uitgieten en het zijne vruchtbaarheid geven.Een nóg redeloozere, vervloekte het pool-ijs, miskennend de prachtige économie van den aardbol, het majestueus balanceeren van die wisselende stroomingen, die hetLevenzijn voor den Oceaan. Zij hebben krijg en haat gezien, en boosaardigheid van de Natuur, in de volkomen vreedzame regelmaat van beweging der Al-Moeder.Zoo droomen de menschen. Bij de dieren niet die afkeer, die vrees; maar een dubbele drift drijft hen jaarlijks naar de polen in onafzienbare massa.Vogels, visschen, reusachtige cetaceeën trekken jaarlijks op, om de zeeën en de eilanden te bevolken, die de Polen omgeven. Verwonderlijk vruchtbare zeeën, overvol van beginnend- (als zooöphyten) en gistend leven, wateren, troebel van vischkuit en vischgebroed, en kiemen van ontelbare soorten. De beide polen zijn gelijkelijk voor die onnoozele scharen van rusteloos vervolgden, plaatsen van bijeenkomst, waar zij liefde vinden en rust.De walvisch, arm vischdier, die toch zoete melk en warm bloed heeft, als wij; die rampzalige verbannene, die weldra zal zijn uitgestorven; dáár alléén is zijn eenige wijkplaats, zijn halt voor het heilig oogenblik van moederschap en zoogen. Geen ras is goediger en zachtzinniger, verdraagzamer voor de hunnen, teederder voor hun kroost. Wreed in zijn onkunde is deMENSCH. Hoe is het mogelijk dat hij de robben, hem zóó verwant kan dooden zonder afgrijzen!De mensch-reus, bewoner van den ouden Oceaan, de Walvisch, dat wezen even zachtmoedig als deMensch-dwergbarbaar is, heeft ook nog dàt ophem voor, dat hij het verdelgingswerk op diersoorten van een beangstigende vruchtbaarheid, hem door de Natuur opgelegd, kan volbrengen zonder zijn slachtoffers te pijnigen. Hij heeft geen tanden, geen enkel van de marteltuigen, waarvan de wereldverwoesters zoo ruim zijn voorzien. Het walvisch-aas, ingeslorpt en verloren in de duistere diepten van dien bewegenden afgrond, ondergaat onmiddellijk een scheikundig ontbindingsproces. Het meerendeel van de levende wezens, die in hoofdzaak het voedsel uitmaken van de bewoners der poolzeeën, walvischachtigen, vogels, visschen, heeft nog geen eigenlijk organisme en niet het vermogen pijn te voelen. Daardoor verschijnen die dieren voor ons in een sympathiek karakter van onschuld, roerend, en zelfs benijdbaar. Gelukkig en gezegend die wereld, waar leven geen dood vraagt, die wereld in veel opzichten vrij van smart, waar de voedende wateren zijn als de melkzee, wreedheid onnoodig is, en het wezen als geborgen in den schoot der Moeder!In diepen rust lag de eenzaamheid dier poolzeeën, lagen hunne tweeslachtige bewoners, voordat de mensch, de wreede, er kwam.De twee tyrannen dier streken, ijsbeer en blauwe vos, waren gemakkelijk te ontwijken in den schoot van die goede voedster, de zee, steeds gereed om hen te ontvangen.En toen het zeevolk er landde, was er maar één moeielijkheid: hoe door die dichte drommen dier goedige robben te dringen, die hen nieuwsgierig aankeken. De pingouïns van de Zuidpool, de vetganzen van het Noorden, van een vreedzame bedaardheid en bovendien zeer slecht ter been, verroerden zich niet. De ganzen, wier zeldzaam fijne en zachte donsveeren het eiderdons leveren, lieten zich rustig naderen en met de hand aanraken.De houding van die onbekende wezens, was voor de zeelieden een bron van grappige vergissingen. Toen zij in de verte die eilanden zagen, bedekt met rechtopstaande alken in hun zwart en wit kleed, meenden zij groote troepen kinderen te zien in witte boezelaars. Hun kleine armpjes—men kan haast niet zeggen vleugels, bij dat begin van een vogel—hun onbeholpenheid op den vasten grond, hun moeielijke gang: het verwijst hen alles naar de zee, die voor hen, volmaakte zwemmers, het natuurlijk en rechtmatig element is. Zij zijn als de geëmancipeerde kinderen van den Oceaan, eerzuchtige visschen, die zich kandidaat stellen voor het vogelschap en het er reeds toe brachten hun vinnen te doen veranderen in een soort schubachtige vleugeltjes, echter zonder groot succes; want als vogel machteloos en hulpeloos, blijven zij vlugge visschen.Of ook, lettende op hun groote voeten, zoo dicht aan het lichaam, op hun korten hals geplaatst op een grooten cylindervormigen romp, en hun afgeplattenkop, zoo zou men hen haast beschouwen als maagschap van de robben, van wie zij echter niet de intelligentie hebben, maar wèl den goeden aard.Deze eerstelingen van de Natuur, getuigen van de oude tijden der transformatie, stonden daar als zonderlinge hieroglyphen voor hen, die ze het eerst zagen; en hun oog zachtzinnig, maar strak en kleurloos als het vlak van de Poolzee zelf, staarde op den mensch, den laatstgeborenen der Planeet als van uit de verre diepten van hun oudheid.Levaillant vond hen in massa op een onbewoond eiland niet ver van de Kaap de Goede Hoop. Er was daar een grafteeken voor een arm Deensch Zeeman. Deze bewoner van het hooge Noorden, dien het toeval aan de Zuidpool zijn dood deed vinden, was door de geheele dikte van den aardbol van zijn vaderland gescheiden. Robben en pingouïns hielden hem in grooten getale gezelschap; de eerste liggend neergehurkt; maar de pingouïns rechtop, hadden met waardigheid de wacht betrokken bij zijn graf, en zijklaagden in eenstemmigheid met de klacht van den oceaan men zou zoo zeggen, een doodenklacht.Het winterstation is de Kaap. In het lauwe klimaat van hun Afrikaansch ballingsoord, voorzien zij zich van een stevige vetlaag, die hen te pas zal komen tegen kou en honger. En als de lente er is, voelen zij een mysterieus iets, dat hun zegt hoe de dooi met zijn stormen de scherpe ijskristallen heeft gebroken en gesmolten, en dat de poolzeeën, hun eigenlijk vaderland, waar zij geboren werden en waar hun heerlijk liefdeparadijs zal zijn, weer voor hen openstaan.Nu werpen zij zich in zee, en met krachtigen roeislag leggen zij vijf- of zeshonderd mijlen af, bijna zonder rust, behalve op een enkele drijvende ijsschots, waar zij zich soms een oogenblik neerzetten. Zij komen, en vinden alles bereid; en een zomer van dertig dagen brengt hun het geluk; maar een streng geluk! want om volkomen vrede te vinden, moeten zij de zee verlaten, die alléén hun voedsel verstrekt.Die tijd van liefde en broeden is een tijd van onrust en vasten. Hun vijand, de blauwe vos, vervolgt hen in de eenzaamheid; maar eendracht maakt macht:een heirleger van wakende vaders, gereed om zich te offeren omringt de gezamenlijk broedende moeders. En als éénmaal het jong uitkomt, en door de gesloten gelederen wordt meegevoerd, dan gooit het zich in zee en is gered!Sombere streken! Maar men krijgt ze lief, ziende hoe daar de Natuur teederlijk het leven siert van mensch en vogel met liefde en toewijding. Het Noordsch tehuis verkreeg van haar een zedelijk schoon, dat men in het Zuiden zelden vindt. Een zon verwarmt het, die niet de zon der tropen is, maar een mildere, de zon der ziel. En de zedelijke waarde van het schepsel stijgt, door het gevaar en de ruwheid zelve van het klimaat.Een uiterst pogen heeft in die wereld, die niet de wereld van het Schoone is, het Schoone voortgebracht. Dat wonder wrochtte het moederhart. In Lapland is maar één Kunst, één éénig Kunstwerk—de Wieg. „Het is iets zeer bekoorlijks,” verhaalt een dame, die die streken bezocht heeft, „zoo sierlijk en bevallig als een aardig klein schoentje, gevoerd met het zachte dons van den witten vos, dat teederder is dan zwanedons. Van het kapje, waarin het hoofdje veilig besloten ligt, warm en zacht, hangen kleurige koralen kettingjes af en hangertjes van zilver of koper, die aanhoudend rinkelen en door hun aardig geklingel het Lapje doen lachen.”Wonder Moederschap! Zoo wordt de minst beschaafde vrouw, nadenkend,... kunstenares... En het moederdier is heldhaftig. Niets zoo treffend te zien als de eidergans, hoe zij haar dons uitrukt, om er haar jong in te nestelen. En als de mensch—de wreedaard—komt en het nest besteelt, begint de moeder de zelfmarteling op nieuw; en als zij geheel afgeplukt is, als zij niets meer te geven heeft dan vleesch enbloed, dan geeft de vader zijn dons, en zoo wordt het jong als van hen gekleed, van hun lichaam, van hun toewijding en smart.Zoo placht Montaigne treffend te zeggen—en dit aandoenlijk feit van het eidernest herinnert mij er aan—sprekende van een mantel, dien zijn vader gedragen had, en dien hij daarom ook gaarne droeg: „Ik bekleedde mij met mijn vader.”

DE POOL.

De Vogel-visch.

De machtige fee Verbeelding, bewerkster van zooveel van der menschen welzijn en wee, toovert ook voor hen de natuur in duizenderlei valschen schijn. Bij alles wat hun kracht niet te meten vermag, wat hun voelen beleedigt; in alles wat is, omdat de wereld-harmonie het beveelt, ziet de mensch gaarne een boozen wil, dien hij vloekt. Er is een schrijver, die een boek schreef tegen de Alpen. Een dichter plaatste dwaselijk den troon des kwaadsop die gezegende gletschers, die de groote waterbehouders zijn van Europa, die het zijn stroomen uitgieten en het zijne vruchtbaarheid geven.

Een nóg redeloozere, vervloekte het pool-ijs, miskennend de prachtige économie van den aardbol, het majestueus balanceeren van die wisselende stroomingen, die hetLevenzijn voor den Oceaan. Zij hebben krijg en haat gezien, en boosaardigheid van de Natuur, in de volkomen vreedzame regelmaat van beweging der Al-Moeder.

Zoo droomen de menschen. Bij de dieren niet die afkeer, die vrees; maar een dubbele drift drijft hen jaarlijks naar de polen in onafzienbare massa.

Vogels, visschen, reusachtige cetaceeën trekken jaarlijks op, om de zeeën en de eilanden te bevolken, die de Polen omgeven. Verwonderlijk vruchtbare zeeën, overvol van beginnend- (als zooöphyten) en gistend leven, wateren, troebel van vischkuit en vischgebroed, en kiemen van ontelbare soorten. De beide polen zijn gelijkelijk voor die onnoozele scharen van rusteloos vervolgden, plaatsen van bijeenkomst, waar zij liefde vinden en rust.

De walvisch, arm vischdier, die toch zoete melk en warm bloed heeft, als wij; die rampzalige verbannene, die weldra zal zijn uitgestorven; dáár alléén is zijn eenige wijkplaats, zijn halt voor het heilig oogenblik van moederschap en zoogen. Geen ras is goediger en zachtzinniger, verdraagzamer voor de hunnen, teederder voor hun kroost. Wreed in zijn onkunde is deMENSCH. Hoe is het mogelijk dat hij de robben, hem zóó verwant kan dooden zonder afgrijzen!

De mensch-reus, bewoner van den ouden Oceaan, de Walvisch, dat wezen even zachtmoedig als deMensch-dwergbarbaar is, heeft ook nog dàt ophem voor, dat hij het verdelgingswerk op diersoorten van een beangstigende vruchtbaarheid, hem door de Natuur opgelegd, kan volbrengen zonder zijn slachtoffers te pijnigen. Hij heeft geen tanden, geen enkel van de marteltuigen, waarvan de wereldverwoesters zoo ruim zijn voorzien. Het walvisch-aas, ingeslorpt en verloren in de duistere diepten van dien bewegenden afgrond, ondergaat onmiddellijk een scheikundig ontbindingsproces. Het meerendeel van de levende wezens, die in hoofdzaak het voedsel uitmaken van de bewoners der poolzeeën, walvischachtigen, vogels, visschen, heeft nog geen eigenlijk organisme en niet het vermogen pijn te voelen. Daardoor verschijnen die dieren voor ons in een sympathiek karakter van onschuld, roerend, en zelfs benijdbaar. Gelukkig en gezegend die wereld, waar leven geen dood vraagt, die wereld in veel opzichten vrij van smart, waar de voedende wateren zijn als de melkzee, wreedheid onnoodig is, en het wezen als geborgen in den schoot der Moeder!

In diepen rust lag de eenzaamheid dier poolzeeën, lagen hunne tweeslachtige bewoners, voordat de mensch, de wreede, er kwam.

De twee tyrannen dier streken, ijsbeer en blauwe vos, waren gemakkelijk te ontwijken in den schoot van die goede voedster, de zee, steeds gereed om hen te ontvangen.

En toen het zeevolk er landde, was er maar één moeielijkheid: hoe door die dichte drommen dier goedige robben te dringen, die hen nieuwsgierig aankeken. De pingouïns van de Zuidpool, de vetganzen van het Noorden, van een vreedzame bedaardheid en bovendien zeer slecht ter been, verroerden zich niet. De ganzen, wier zeldzaam fijne en zachte donsveeren het eiderdons leveren, lieten zich rustig naderen en met de hand aanraken.

De houding van die onbekende wezens, was voor de zeelieden een bron van grappige vergissingen. Toen zij in de verte die eilanden zagen, bedekt met rechtopstaande alken in hun zwart en wit kleed, meenden zij groote troepen kinderen te zien in witte boezelaars. Hun kleine armpjes—men kan haast niet zeggen vleugels, bij dat begin van een vogel—hun onbeholpenheid op den vasten grond, hun moeielijke gang: het verwijst hen alles naar de zee, die voor hen, volmaakte zwemmers, het natuurlijk en rechtmatig element is. Zij zijn als de geëmancipeerde kinderen van den Oceaan, eerzuchtige visschen, die zich kandidaat stellen voor het vogelschap en het er reeds toe brachten hun vinnen te doen veranderen in een soort schubachtige vleugeltjes, echter zonder groot succes; want als vogel machteloos en hulpeloos, blijven zij vlugge visschen.

Of ook, lettende op hun groote voeten, zoo dicht aan het lichaam, op hun korten hals geplaatst op een grooten cylindervormigen romp, en hun afgeplattenkop, zoo zou men hen haast beschouwen als maagschap van de robben, van wie zij echter niet de intelligentie hebben, maar wèl den goeden aard.

Deze eerstelingen van de Natuur, getuigen van de oude tijden der transformatie, stonden daar als zonderlinge hieroglyphen voor hen, die ze het eerst zagen; en hun oog zachtzinnig, maar strak en kleurloos als het vlak van de Poolzee zelf, staarde op den mensch, den laatstgeborenen der Planeet als van uit de verre diepten van hun oudheid.

Levaillant vond hen in massa op een onbewoond eiland niet ver van de Kaap de Goede Hoop. Er was daar een grafteeken voor een arm Deensch Zeeman. Deze bewoner van het hooge Noorden, dien het toeval aan de Zuidpool zijn dood deed vinden, was door de geheele dikte van den aardbol van zijn vaderland gescheiden. Robben en pingouïns hielden hem in grooten getale gezelschap; de eerste liggend neergehurkt; maar de pingouïns rechtop, hadden met waardigheid de wacht betrokken bij zijn graf, en zijklaagden in eenstemmigheid met de klacht van den oceaan men zou zoo zeggen, een doodenklacht.

Het winterstation is de Kaap. In het lauwe klimaat van hun Afrikaansch ballingsoord, voorzien zij zich van een stevige vetlaag, die hen te pas zal komen tegen kou en honger. En als de lente er is, voelen zij een mysterieus iets, dat hun zegt hoe de dooi met zijn stormen de scherpe ijskristallen heeft gebroken en gesmolten, en dat de poolzeeën, hun eigenlijk vaderland, waar zij geboren werden en waar hun heerlijk liefdeparadijs zal zijn, weer voor hen openstaan.

Nu werpen zij zich in zee, en met krachtigen roeislag leggen zij vijf- of zeshonderd mijlen af, bijna zonder rust, behalve op een enkele drijvende ijsschots, waar zij zich soms een oogenblik neerzetten. Zij komen, en vinden alles bereid; en een zomer van dertig dagen brengt hun het geluk; maar een streng geluk! want om volkomen vrede te vinden, moeten zij de zee verlaten, die alléén hun voedsel verstrekt.

Die tijd van liefde en broeden is een tijd van onrust en vasten. Hun vijand, de blauwe vos, vervolgt hen in de eenzaamheid; maar eendracht maakt macht:een heirleger van wakende vaders, gereed om zich te offeren omringt de gezamenlijk broedende moeders. En als éénmaal het jong uitkomt, en door de gesloten gelederen wordt meegevoerd, dan gooit het zich in zee en is gered!

Sombere streken! Maar men krijgt ze lief, ziende hoe daar de Natuur teederlijk het leven siert van mensch en vogel met liefde en toewijding. Het Noordsch tehuis verkreeg van haar een zedelijk schoon, dat men in het Zuiden zelden vindt. Een zon verwarmt het, die niet de zon der tropen is, maar een mildere, de zon der ziel. En de zedelijke waarde van het schepsel stijgt, door het gevaar en de ruwheid zelve van het klimaat.

Een uiterst pogen heeft in die wereld, die niet de wereld van het Schoone is, het Schoone voortgebracht. Dat wonder wrochtte het moederhart. In Lapland is maar één Kunst, één éénig Kunstwerk—de Wieg. „Het is iets zeer bekoorlijks,” verhaalt een dame, die die streken bezocht heeft, „zoo sierlijk en bevallig als een aardig klein schoentje, gevoerd met het zachte dons van den witten vos, dat teederder is dan zwanedons. Van het kapje, waarin het hoofdje veilig besloten ligt, warm en zacht, hangen kleurige koralen kettingjes af en hangertjes van zilver of koper, die aanhoudend rinkelen en door hun aardig geklingel het Lapje doen lachen.”

Wonder Moederschap! Zoo wordt de minst beschaafde vrouw, nadenkend,... kunstenares... En het moederdier is heldhaftig. Niets zoo treffend te zien als de eidergans, hoe zij haar dons uitrukt, om er haar jong in te nestelen. En als de mensch—de wreedaard—komt en het nest besteelt, begint de moeder de zelfmarteling op nieuw; en als zij geheel afgeplukt is, als zij niets meer te geven heeft dan vleesch enbloed, dan geeft de vader zijn dons, en zoo wordt het jong als van hen gekleed, van hun lichaam, van hun toewijding en smart.

Zoo placht Montaigne treffend te zeggen—en dit aandoenlijk feit van het eidernest herinnert mij er aan—sprekende van een mantel, dien zijn vader gedragen had, en dien hij daarom ook gaarne droeg: „Ik bekleedde mij met mijn vader.”

L'AILEDE VLEUGELS.

L'AILE

L'AILEDE VLEUGELS.Vleugels! Vleugels! om te vliegen!Over berg en dalVleugels om mijn hart te wiegen.In den eersten straal!Vleugels! over zee te zweven!Met het morgenrood!Vleugels! vleugels! over 't Leven,Over graf en Dood!Rückert.Zoo roept al wat op aarde is en in de wereld en in het leven. Het is de kreet van alle diersoorten, van vele plantvormen, in alle talen. Ja, desteen zelfs en geheel de anorganische wereld schijnt door dien drang bezeten. Want beweginglooze stof neemt gretig de chemische transformatie aan en laat zich meevoeren in den levensstroom, als op vleugels van gisting en beweging.En de plant, onbewegelijk op haar vasten wortel, richt haar inwendig liefdeleven op een gevleugeld bestaan, en draagt het op aan den wind en de golven en aan de insecten-wereld, die haar vruchten zullen wegvoeren als in de gevleugelde vlucht, háár door de Natuur ontzegd.Met mededoogen zien wij naar den „Luiaard” den „Traaglooper” dat dier in wording, het pijnlijke beeld van den Mensch; dat geen voet verzet, zonder klagend zuchten. Den naam, dien wij voor hem uitdachten, mochten wij wel voor ons zelf houden.Wanneer die Traagheid doelt op het steeds falende pogen tot voortgaan, vooruitkomen, handelen, dan is de wareTraaglooper, de Mensch. Want het vermogen zich van den eenen kant van de aarde, naar den anderen te sleepen, de vernuftige uitvindingen, die hem daarin helpen, dat alles kon hem niet ontnemen dat hij aan de aarde is vastgeklonken, gebonden door de Tyrannie van de zwaartekracht. Slechts ééne klasse van wezens, zie ik op de aarde, die zich vrij en snel bewegen, ontkomen aan den algemeenen jammer van onmachtig verlangen. Dat zijn zij, die alleen „de aarde raken met een vleugelspits”. Zij, die de lucht zelve, draagt en balanceert; en veelal kost het hun geen andere inspanning dan het besturen van hun vlucht, naar nooddruft of gril het aangeeft.Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vogels met verachting neêrzien op de sterksten en vlugsten der viervoeters, leeuw en tijger. Hijspot met hun onmacht, gekleefd, geklonken als zij zijn aan den grond, die trilt onder hun nutteloos gebrul, hun machteloos nachtelijk zuchten; wel getuigt dat van de Knechtschap van den zoogenaamden Koning der dieren; gekluisterd is hij zooals wij allen het zijn, aan een minwaardig bestaan, door honger en zwaartekracht ons opgelegd.O, de fataliteit van de materie! de fataliteit van eene beweging, die ons doet slepen over de aardvlakte. Die zwaarte, waaraan geen ontkomen is, die onze voeten vóór en na herinnert aan het logge, grove element, waar de dood ons zal doen ingaan, zeggende: „Zoon der Aarde, gij behoort de Aarde! een oogenblik uit haar opgerezen zult gij weer in haar moeten verzinken, voor wèl langen tijd!”Rekenen wij het der Natuur niet aan: het is zeker, dat wij een wereld bewonen, die nog zéér jong, zéér barbaarsch is; een proef- en leerschool in de sterrenreeksen, een aanvangshalte op den langen wegder groote inwijding. Deze aardsfeer is een kindersfeer. En gij mensch, gij zijt een kind! Maar uit deze school voor beginnelingen moet gij bevrijd worden. Schoone en machtige vleugels zullen u geworden. Gij moet hier in het zweet uws aanschijns een graad halen tot het verkrijgen der Vrijheid.Laat ons een proef nemen. Vragen wij het vogeltje, nog in het ei, wat het worden zal; de keuze is aan hem: „Wilt ge mensch zijn, en deelen in het Koningschap over de aarde, dat verkregen wordt door Arbeid en Kunst?”En hij zal „Neen!” antwoorden, twijfel daaraan niet! Zonder nog in rekening te brengen het zwoegend pogen, de zorg en druk, het slavenleven waarmee wij ons koningschap koopen, heeft hij maar één antwoord te geven:„Ik, Koning geboren, koning van ruimte en licht, wat zou ik afstand doen, daar de Mensch, wenschende het allerhoogste, het uiterste van geluk en vrijheid, droomt een vogel te willen zijn en te vliegen met vleugels!”Alleen in zijn eersten, besten tijd, in het rijke jonge bestaan, in den droom der jeugd, is de mensch wel eens zoo gelukkig zijn menschzijn te vergeten, te vergeten, dat hij slaaf is van de zwaartekracht en vastzit aan de aarde.Ziet hem zijn vlucht nemen en zweven in de ruimte! Hij beheerscht de wereld, hij zwemt in zonnelicht. Hij voelt het immense genot, met één blik een oneindigheid van dingen te omvatten, te voren slechts in détail gezien; en wat duister scheen en zonder samenhang, wordt nu verlicht en één, door 't overzien. Ha! zoo de wereld te omvatten en lief te hebben! welk goddelijk-schoon visioen! Neen, wek mij niet... wek mij nooit!... Ach, de dag komt, met gedruisch enarbeid! Zware ijzeren hamers bonzen met dreunenden metaalklank; in mijn ooren dringt het klokgelui, ik word onttroond, neergesmakt, mijn vleugels versmelten. Logge aardstof, val ik op de aarde neer, en gekneusd, gebogen, neem ik den ploeg weer op.Toen tegen het einde der vorige eeuw, de mensch de vermetelheid had, zich over te leveren aan den wind, in de lucht te stijgen, zonder roer, zonder riemen, zonder mogelijkheid van besturen, toen liet hij het verkondigen dat hij eindelijk vleugels had, dat hij de Natuur had omgaan en de zwaartekracht overwonnen.Maar door tragische gebeurtenissen werd dat stout vermeten gelogenstraft. Men had de vleugels bestudeerd, om ze na te bootsen; een grove namaak van het onnavolgbaar mekaniek, was het resultaat. En wij zagen sidderend hoe een arme menschenvogel, gewapend met énorme vleugels, zich van een honderd voet hooge kolom in de lucht slingerde, even bleef fladderen, en zich toen te pletteren viel.Het mislukt en noodlottig fabrikaat stond ondanks zijn doorwrocht samenstel te ver af van dien verwonderlijken arm, die met zijne krachtige en snelle beweging, verkregen door zijn onderling samenwerkend spierstelsel, den menschelijken arm zoover overtreft. Den menschvleugel, los en onsamenhangend, ontbrak het in hoofdzaak aan den krachtigen spier, die den schouder verbindt aan de borst, en den geweldigen vleugelslag voortbrengt bij de luchtverslindende vlucht van den valk. Het werktuig is zoo één met de beweegkracht, de riem met den roeier, dat de gierzwaluw, de fregatvogel, 80 mijlen maken in het uur; zij overtreffen den orkaan, en alléén de bliksem is hun mededinger.Maar al hadden die arme navolgers den vleugel zonder fout nageconstrueerd, er ware nog niets gewonnen. Men imiteerde den vorm, maar niet de inwendige structuur. Men geloofde, dat de vogel zijn vermogen tot opstijgen enkel aan zijn vleugels te danken had, onbekend met het geheim van het hulpmiddel, dat de Natuur in beenderen en veeren heeft verborgen.Het mysterie, hetwonderis, dat zij den vogel het vermogen gaf, lichter of zwaarder te zijn, naar zijn wil; meer of minder lucht op te nemen, in de tot dat doel ingerichte réservoirs. Om zich lichter te maken, vermeerdert hij zijn volume, door zich op te zwellen en vermindert zoodoende zijne betrekkelijkezwaarte, stijgt dus op in een middenstof, die zwaarder is dan hijzelf. Om zich neer te laten, maakt hij zich kleiner, enger, door de lucht, die hem opblies uit te drijven, dus zwaarder, zoo zwaar als noodig is. In dàt punt had men gefaald, daar school de noodlottige onwetenheid. Men kende den vogel als een schip, maar niet als een ballon. Men volgde alleen den vleugel; maar de vleugel, hoe volmaakt nagebootst, als hij dat inwendig vermogen mist, is een zeker middel tot verderf.Maar dat vermogen, dat vlugge spel van lucht innemen en uitdrijven, dat zweven op willekeurig verwisselbaren ballast, waarop berust dat?Op een ongehoorde, ongelooflijke kracht van adem. De mensch, kreeg hij zooveel lucht opeens naar binnen, zou onvermijdelijk moeten stikken. Maar de machtige elastieke longen van den vogel vullen, drenken zich metkracht en met wellust, zenden de lucht in golven naar de beenderen en de luchtcellen.Iedere ademtocht vernieuwt de bliksemende snelheid, van seconde tot seconde. Het bloed zonder òphouden versterkt door nieuwe lucht, verleent de spieren hun onuitputtelijke kracht, een kracht bij geen ander schepsel aanwezig, en alléén den elementen eigen.Het logge beeld van Antaeus, die zijn krachten vernieuwt, als hij de aarde, zijn moeder, beroert, geeft, hoewel zwak en grof een begrip van deze werkelijkheid. De vogel behoeft de lucht niet te zoeken om ze aan te raken en kracht te herkrijgen: de lucht vindt hem en doorstroomt hem, en onophoudelijk vernieuwt zij den gloed van zijn hel brandend levensvuur.Dit is het wonder, en nièt de vleugel. Hadt gij den vleugel van den Condor, en volgdet gij hem, als hij van de toppen van den Andes met hun Siberische gletschers neerschiet, neervalt, op de gloeiende kusten van Peru, doorsnijdend in één minuut de temperatuur van alle klimaten, in één adem, die vervaarlijke massa lucht innemend—gloeiend of ijzig wat deert het hem?—vernietigd zoudt gij zijn!De sterkste viervoet wordt hier door het kleinste vogeltje te schande gemaakt. „Keten een leeuw in een luchtballon,”—zegtToussenel—„zijn dof gebrul zal zich verliezen in de ruimte.”Hoeveel machtiger stem en adem van den kleinen leeuwerik, als hij stijgend zingt; men hoort hem en ziet hem niet meer. Het blij en lustig kweelen gaat zonder moeite, het kost hem niets; het schijnt wel de vreugd van een luchtgeest, die de aarde troosten wil.Kracht geeft vreugd, en het vreugdevolste van alle wezens is de vogel, omdat hij zich sterk gevoelt boven zijn actie uit; omdat hij gewiegd, gedragen wordtdoor den adem des hemels; hij zweeft en stijgt zonder moeite, als in een droom.Als een roes van goddelijk geluk is die onbegrensde kracht, het subliem vermogen, bij de geringe schepsels als verborgen, bij de vogels helder en levend, naar willekeur zijn kracht te kunnen putten uit de Moeder zelve, en het leven in te zwelgen bij stroomen.Niet hoogmoedig noch onvroom is de natuurlijke drang van alle wezens te willen gelijken op de Al-Moeder, zich naar haar beeld te vormen, en met de onvermoeide vleugels der eeuwige Liefde de aarde koesterend te omgeven.Hierop grondt zich de traditie der menschen. De mensch wil geen mensch zijn maar een vogel, een gevleugeld God. De gevleugelde geesten der Perzen zijn de cherubim van Judea.Griekenland gaf vleugelen aan zijn Psyché, aan de ziel. De ziel heeft hare vleugelen behouden. Zij doorvloog het duister der Middeneeuwen, en stijgt met de tijden. Duidelijker en vuriger uit zich het verlangen, dat opwelt uit het diepst van de menschelijke Natuur, dat wordt tot een profetischen drang. „O ware ik een vogel!” spreekt de mensch. De vrouw is er zeker van dat haar kind een engel zal worden. Zoo heeft zij het gezien in haar droomen. Droom of waarheid!.... Gevleugelde droomen! Verrukkingen van den nacht, die wij des morgens beweenen! indien het toch zoo ware! indien gij leefdet! Als wij eens niet verloren hadden, wat wij steeds betreuren, en het misschien ons ware gegeven de eeuwigheid te doorvliegen van ster tot ster, allen te zamen vereenigd door de oneindige Goedheid als in een pelgrimstocht! Er zijn oogenblikken waarin men denkt, wanneer iets ons zegt, dat die droomen geen droomen zijn,maar aan de ware wereld onttogen, tot ons gekomen; een Licht even schemerend achter den nevel van het op aarde zijn—zekere beloften! En wat reëel scheen is de booze Droom.

L'AILE

DE VLEUGELS.

Vleugels! Vleugels! om te vliegen!Over berg en dalVleugels om mijn hart te wiegen.In den eersten straal!Vleugels! over zee te zweven!Met het morgenrood!Vleugels! vleugels! over 't Leven,Over graf en Dood!Rückert.

Vleugels! Vleugels! om te vliegen!Over berg en dalVleugels om mijn hart te wiegen.In den eersten straal!

Vleugels! Vleugels! om te vliegen!

Over berg en dal

Vleugels om mijn hart te wiegen.

In den eersten straal!

Vleugels! over zee te zweven!Met het morgenrood!Vleugels! vleugels! over 't Leven,Over graf en Dood!

Vleugels! over zee te zweven!

Met het morgenrood!

Vleugels! vleugels! over 't Leven,

Over graf en Dood!

Rückert.

Rückert.

Zoo roept al wat op aarde is en in de wereld en in het leven. Het is de kreet van alle diersoorten, van vele plantvormen, in alle talen. Ja, desteen zelfs en geheel de anorganische wereld schijnt door dien drang bezeten. Want beweginglooze stof neemt gretig de chemische transformatie aan en laat zich meevoeren in den levensstroom, als op vleugels van gisting en beweging.

En de plant, onbewegelijk op haar vasten wortel, richt haar inwendig liefdeleven op een gevleugeld bestaan, en draagt het op aan den wind en de golven en aan de insecten-wereld, die haar vruchten zullen wegvoeren als in de gevleugelde vlucht, háár door de Natuur ontzegd.

Met mededoogen zien wij naar den „Luiaard” den „Traaglooper” dat dier in wording, het pijnlijke beeld van den Mensch; dat geen voet verzet, zonder klagend zuchten. Den naam, dien wij voor hem uitdachten, mochten wij wel voor ons zelf houden.

Wanneer die Traagheid doelt op het steeds falende pogen tot voortgaan, vooruitkomen, handelen, dan is de wareTraaglooper, de Mensch. Want het vermogen zich van den eenen kant van de aarde, naar den anderen te sleepen, de vernuftige uitvindingen, die hem daarin helpen, dat alles kon hem niet ontnemen dat hij aan de aarde is vastgeklonken, gebonden door de Tyrannie van de zwaartekracht. Slechts ééne klasse van wezens, zie ik op de aarde, die zich vrij en snel bewegen, ontkomen aan den algemeenen jammer van onmachtig verlangen. Dat zijn zij, die alleen „de aarde raken met een vleugelspits”. Zij, die de lucht zelve, draagt en balanceert; en veelal kost het hun geen andere inspanning dan het besturen van hun vlucht, naar nooddruft of gril het aangeeft.

Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vogels met verachting neêrzien op de sterksten en vlugsten der viervoeters, leeuw en tijger. Hijspot met hun onmacht, gekleefd, geklonken als zij zijn aan den grond, die trilt onder hun nutteloos gebrul, hun machteloos nachtelijk zuchten; wel getuigt dat van de Knechtschap van den zoogenaamden Koning der dieren; gekluisterd is hij zooals wij allen het zijn, aan een minwaardig bestaan, door honger en zwaartekracht ons opgelegd.

O, de fataliteit van de materie! de fataliteit van eene beweging, die ons doet slepen over de aardvlakte. Die zwaarte, waaraan geen ontkomen is, die onze voeten vóór en na herinnert aan het logge, grove element, waar de dood ons zal doen ingaan, zeggende: „Zoon der Aarde, gij behoort de Aarde! een oogenblik uit haar opgerezen zult gij weer in haar moeten verzinken, voor wèl langen tijd!”

Rekenen wij het der Natuur niet aan: het is zeker, dat wij een wereld bewonen, die nog zéér jong, zéér barbaarsch is; een proef- en leerschool in de sterrenreeksen, een aanvangshalte op den langen wegder groote inwijding. Deze aardsfeer is een kindersfeer. En gij mensch, gij zijt een kind! Maar uit deze school voor beginnelingen moet gij bevrijd worden. Schoone en machtige vleugels zullen u geworden. Gij moet hier in het zweet uws aanschijns een graad halen tot het verkrijgen der Vrijheid.

Laat ons een proef nemen. Vragen wij het vogeltje, nog in het ei, wat het worden zal; de keuze is aan hem: „Wilt ge mensch zijn, en deelen in het Koningschap over de aarde, dat verkregen wordt door Arbeid en Kunst?”

En hij zal „Neen!” antwoorden, twijfel daaraan niet! Zonder nog in rekening te brengen het zwoegend pogen, de zorg en druk, het slavenleven waarmee wij ons koningschap koopen, heeft hij maar één antwoord te geven:

„Ik, Koning geboren, koning van ruimte en licht, wat zou ik afstand doen, daar de Mensch, wenschende het allerhoogste, het uiterste van geluk en vrijheid, droomt een vogel te willen zijn en te vliegen met vleugels!”

Alleen in zijn eersten, besten tijd, in het rijke jonge bestaan, in den droom der jeugd, is de mensch wel eens zoo gelukkig zijn menschzijn te vergeten, te vergeten, dat hij slaaf is van de zwaartekracht en vastzit aan de aarde.

Ziet hem zijn vlucht nemen en zweven in de ruimte! Hij beheerscht de wereld, hij zwemt in zonnelicht. Hij voelt het immense genot, met één blik een oneindigheid van dingen te omvatten, te voren slechts in détail gezien; en wat duister scheen en zonder samenhang, wordt nu verlicht en één, door 't overzien. Ha! zoo de wereld te omvatten en lief te hebben! welk goddelijk-schoon visioen! Neen, wek mij niet... wek mij nooit!... Ach, de dag komt, met gedruisch enarbeid! Zware ijzeren hamers bonzen met dreunenden metaalklank; in mijn ooren dringt het klokgelui, ik word onttroond, neergesmakt, mijn vleugels versmelten. Logge aardstof, val ik op de aarde neer, en gekneusd, gebogen, neem ik den ploeg weer op.

Toen tegen het einde der vorige eeuw, de mensch de vermetelheid had, zich over te leveren aan den wind, in de lucht te stijgen, zonder roer, zonder riemen, zonder mogelijkheid van besturen, toen liet hij het verkondigen dat hij eindelijk vleugels had, dat hij de Natuur had omgaan en de zwaartekracht overwonnen.

Maar door tragische gebeurtenissen werd dat stout vermeten gelogenstraft. Men had de vleugels bestudeerd, om ze na te bootsen; een grove namaak van het onnavolgbaar mekaniek, was het resultaat. En wij zagen sidderend hoe een arme menschenvogel, gewapend met énorme vleugels, zich van een honderd voet hooge kolom in de lucht slingerde, even bleef fladderen, en zich toen te pletteren viel.

Het mislukt en noodlottig fabrikaat stond ondanks zijn doorwrocht samenstel te ver af van dien verwonderlijken arm, die met zijne krachtige en snelle beweging, verkregen door zijn onderling samenwerkend spierstelsel, den menschelijken arm zoover overtreft. Den menschvleugel, los en onsamenhangend, ontbrak het in hoofdzaak aan den krachtigen spier, die den schouder verbindt aan de borst, en den geweldigen vleugelslag voortbrengt bij de luchtverslindende vlucht van den valk. Het werktuig is zoo één met de beweegkracht, de riem met den roeier, dat de gierzwaluw, de fregatvogel, 80 mijlen maken in het uur; zij overtreffen den orkaan, en alléén de bliksem is hun mededinger.

Maar al hadden die arme navolgers den vleugel zonder fout nageconstrueerd, er ware nog niets gewonnen. Men imiteerde den vorm, maar niet de inwendige structuur. Men geloofde, dat de vogel zijn vermogen tot opstijgen enkel aan zijn vleugels te danken had, onbekend met het geheim van het hulpmiddel, dat de Natuur in beenderen en veeren heeft verborgen.

Het mysterie, hetwonderis, dat zij den vogel het vermogen gaf, lichter of zwaarder te zijn, naar zijn wil; meer of minder lucht op te nemen, in de tot dat doel ingerichte réservoirs. Om zich lichter te maken, vermeerdert hij zijn volume, door zich op te zwellen en vermindert zoodoende zijne betrekkelijkezwaarte, stijgt dus op in een middenstof, die zwaarder is dan hijzelf. Om zich neer te laten, maakt hij zich kleiner, enger, door de lucht, die hem opblies uit te drijven, dus zwaarder, zoo zwaar als noodig is. In dàt punt had men gefaald, daar school de noodlottige onwetenheid. Men kende den vogel als een schip, maar niet als een ballon. Men volgde alleen den vleugel; maar de vleugel, hoe volmaakt nagebootst, als hij dat inwendig vermogen mist, is een zeker middel tot verderf.

Maar dat vermogen, dat vlugge spel van lucht innemen en uitdrijven, dat zweven op willekeurig verwisselbaren ballast, waarop berust dat?

Op een ongehoorde, ongelooflijke kracht van adem. De mensch, kreeg hij zooveel lucht opeens naar binnen, zou onvermijdelijk moeten stikken. Maar de machtige elastieke longen van den vogel vullen, drenken zich metkracht en met wellust, zenden de lucht in golven naar de beenderen en de luchtcellen.

Iedere ademtocht vernieuwt de bliksemende snelheid, van seconde tot seconde. Het bloed zonder òphouden versterkt door nieuwe lucht, verleent de spieren hun onuitputtelijke kracht, een kracht bij geen ander schepsel aanwezig, en alléén den elementen eigen.

Het logge beeld van Antaeus, die zijn krachten vernieuwt, als hij de aarde, zijn moeder, beroert, geeft, hoewel zwak en grof een begrip van deze werkelijkheid. De vogel behoeft de lucht niet te zoeken om ze aan te raken en kracht te herkrijgen: de lucht vindt hem en doorstroomt hem, en onophoudelijk vernieuwt zij den gloed van zijn hel brandend levensvuur.

Dit is het wonder, en nièt de vleugel. Hadt gij den vleugel van den Condor, en volgdet gij hem, als hij van de toppen van den Andes met hun Siberische gletschers neerschiet, neervalt, op de gloeiende kusten van Peru, doorsnijdend in één minuut de temperatuur van alle klimaten, in één adem, die vervaarlijke massa lucht innemend—gloeiend of ijzig wat deert het hem?—vernietigd zoudt gij zijn!

De sterkste viervoet wordt hier door het kleinste vogeltje te schande gemaakt. „Keten een leeuw in een luchtballon,”—zegtToussenel—„zijn dof gebrul zal zich verliezen in de ruimte.”

Hoeveel machtiger stem en adem van den kleinen leeuwerik, als hij stijgend zingt; men hoort hem en ziet hem niet meer. Het blij en lustig kweelen gaat zonder moeite, het kost hem niets; het schijnt wel de vreugd van een luchtgeest, die de aarde troosten wil.

Kracht geeft vreugd, en het vreugdevolste van alle wezens is de vogel, omdat hij zich sterk gevoelt boven zijn actie uit; omdat hij gewiegd, gedragen wordtdoor den adem des hemels; hij zweeft en stijgt zonder moeite, als in een droom.

Als een roes van goddelijk geluk is die onbegrensde kracht, het subliem vermogen, bij de geringe schepsels als verborgen, bij de vogels helder en levend, naar willekeur zijn kracht te kunnen putten uit de Moeder zelve, en het leven in te zwelgen bij stroomen.

Niet hoogmoedig noch onvroom is de natuurlijke drang van alle wezens te willen gelijken op de Al-Moeder, zich naar haar beeld te vormen, en met de onvermoeide vleugels der eeuwige Liefde de aarde koesterend te omgeven.

Hierop grondt zich de traditie der menschen. De mensch wil geen mensch zijn maar een vogel, een gevleugeld God. De gevleugelde geesten der Perzen zijn de cherubim van Judea.

Griekenland gaf vleugelen aan zijn Psyché, aan de ziel. De ziel heeft hare vleugelen behouden. Zij doorvloog het duister der Middeneeuwen, en stijgt met de tijden. Duidelijker en vuriger uit zich het verlangen, dat opwelt uit het diepst van de menschelijke Natuur, dat wordt tot een profetischen drang. „O ware ik een vogel!” spreekt de mensch. De vrouw is er zeker van dat haar kind een engel zal worden. Zoo heeft zij het gezien in haar droomen. Droom of waarheid!.... Gevleugelde droomen! Verrukkingen van den nacht, die wij des morgens beweenen! indien het toch zoo ware! indien gij leefdet! Als wij eens niet verloren hadden, wat wij steeds betreuren, en het misschien ons ware gegeven de eeuwigheid te doorvliegen van ster tot ster, allen te zamen vereenigd door de oneindige Goedheid als in een pelgrimstocht! Er zijn oogenblikken waarin men denkt, wanneer iets ons zegt, dat die droomen geen droomen zijn,maar aan de ware wereld onttogen, tot ons gekomen; een Licht even schemerend achter den nevel van het op aarde zijn—zekere beloften! En wat reëel scheen is de booze Droom.

PREMIERS ESSAIS DE L'AILEEERSTE POGEN DER VLEUGELS.

PREMIERS ESSAIS DE L'AILE

EERSTE POGEN DER VLEUGELS.Wie ons Parijsch Museum van natuurlijke historie bezoekt, ongeletterd of onwetend, oververzadigd van geest of ongevoelig, hij zal een oogenblik worden bevangen door eene gewaarwording van eerbied, en zelfs schroom. Dezen indruk geeft, voor zoover ik weet, geen vreemde verzameling. Andere, zooals het schitterend Museum te Leiden, zijn misschien rijker in soorten, maar niet vollediger, niet harmonischer. Die grandiose eenheid wordt instinctief gevoeld, grijpt aan, imponeert. De achtelooze reiziger, detoevallige bezoeker, voelt zich onverwacht getroffen. Hij blijft staan en peínst.Plotseling geplaatst tegenover dit groote raadsel, die immense hieroglyph, zouden wij zoo gaarne een karakter ontcijferen, een teeken uitvinden. Hoe dikwijls is het gebeurd, dat een werkman, een man uit het volk, verbaasd en onthutst stond door eenigen bijzonderen vorm en ons naar de beteekenis vroeg. Een enkel woord hielp hem op weg, een eenvoudige aanduiding stelde hem tevreden; hij vertrok voldaan, en beloofde terug te komen; terwijl anderen, die in die zee van onbekende voorwerpen niet begrijpend ronddoolden, ontmoedigd en vermoeid weer heengingen.Hopen wij, dat de verlichte, en wetenschappelijk zoo hoog geplaatste administratie, weer terug zal komen tot de oorspronkelijke statuten van het Museum, dieverklarende bewakersaanwezen, en alléén door hen, die de schatten, die zij hoedden begrepen, ze lieten vertolken.En een tweede wensch is, dat men naast afbeeldingen van natuuronderzoekers, moge plaatsen, de beeltenissen van kloeke zeevaarders, onversaagde reizigers, die hun leven waagden, duizendmaal, onder moeitevollen arbeid, om ons die schatten te kunnen bezorgen. Waardevol in zichzelf, wordt de waarde daarvan onschatbaar, door den heldenmoed en zielegrootheid van hen, die voor ons die schatten hebben gewonnen. Dat allerliefste kolibrietje, gevleugeld safier, Mevrouw, voor u niet dan een simpel sieraad; weet gij, dat een Azara, een Lesson het meê brachten uit doodademende wouden? Die tijger, wiens schilderachtige huid gij bewondert, weet, dat de onversaagdeLevaillanthem in de jungle heeft moeten opsporen, zich met hem heeft moeten meten in behendigheiden kracht, om hem met zijn kogel den schedel te doorboren. Die kloeke reizigers, in hun gloeiende natuurvereering, zonder middelen, zonder bijstand dikwijls, zijn hem gevolgd in zijn woestenijen, hebben hem verrast en gadegeslagen in zijn geheime schuilplaatsen; honger en dorst, ongelooflijke ontberingen hebben zij zich opgelegd zonder klagen, hun belooning vonden zij in hun werk. Liefde en dankbaarheid vervulden hen bij iedere nieuwe ontdekking. En betreurd hebben zij niets; niet eens den dood van la Perouse, van Mungo Park den dood door schipbreuk, den dood onder barbaren!Dat zij herleven, hier te midden van ons! Heeft zich hun eenzaam leven afgespeeld ver van dat Europa, dat zij dienden, dat dan hun beeld zich bevinde te midden van eene erkentelijke menigte. Hun beeltenis, met een korte aanduiding van hunne gelukkige ontdekkingen, van wat zij waagden, wat zij verdroegen. Misschien dat menig jongeling door die heldentypen getroffen, den geest van hen vervuld, den drang zal voelen hen na te volgen.Want dit maakt deze plaats dubbel groot: Helden vonden en verzonden deze schatten, groote mannen ontvingen, schiften, plaatsten ze tot een harmonisch geheel. Tot hen kwam dit alles, als tot een wettigcentrum; hun plaats in de Maatschappij, hun genie maakten het hun mogelijk hier, als het ware, de Natuur te centraliseeren. In de vorige eeuw was het middelpunt der groote wetenschappelijke beweging een man van genie, van gewicht, drievoudig: door rang, betrekkingen en fortuin, den graaf deBuffon. Alle giften van geleerden, reizigers, koningen, kwamen tot hem, deelde hij in, in het Museum. In onzen tijd boeide een nog grootscher schouwspel de aandacht der natiën aan deze plaats; twee immense geesten,neen, meer nog, twee stelsels,—Cuvier en Geoffroy, hebben er gekampt. Ieder koos partij, ieder zond proeven, vóór of tegen, naar het Museum; boeken, dieren of nieuw gevonden feiten. Zoo bleek er nog leven te zijn in die doode verzamelingen; zij trilden nog na van den strijd, bezield door de groote geesten, die al die wezens tot getuigen aanriepen bij hun vruchtbaar tweegevecht.Ook is de schikking van die verzamelingen geen toevallige. Het zijn zeer volledige seriën, samengesteld door groote denkers. De merkwaardigste overgangen zijn er rijkelijk vertegenwoordigd. Hier kan men beter dan elders de uitspraak bevestigd zien van Linnaeus en Lamark: naar mate zich de Musea verrijken, aanvullen, minder gapingen vertoonen, zal men moeten inzien, dat de Natuurnietin sprongen werkt, maar metgeleidelijkeonmerkbare overgangen. Waar wij in haar gewrochten, een sprong, een leemte, een plotselingen onharmonischen overgang meenen te ontdekken, daar mogen wij ons zelf beschuldigen: die gaping is onzeonwetenheid.Verblijven wij een oogenblik bij een van die plechtige momenten, als in het nog onzekere leven eene weifeling is, als de Natuur zichzelve schijnt te ondervragen en haar wil te zoeken. „Zal ik visch of zoogdier zijn?” spreekt het wezen; hij aarzelt en blijft visch, maar met warm bloed. Het is het goedige, zachtaardige geslacht der zeekoeien en robben. „Zal ik vogel of viervoet wezen,” veelomvattende vraag, verwarrende weifeling, lange en wisselende strijd. Al de ontknoopingen worden ons verhaald, de verschillende oplossingen van naïef gestelde problemen, gerealiseerd, door bijzondere wezens. Het vogelbekdier, dat van den vogel alléén den bek heeft; de arme vleermuis, onschuldig enteeder wezen in zijn familieleven; zijn onzekere vorm maakt hem leelijk en verafschuwd. Bij hem ziet men, hoe de natuur den vleugel zoekt, en niet anders vermag voort te brengen dan een afschuwelijke harige huid, maar die toch als vleugel dienst doet.„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”Maar de vleugel maakt nog den vogel niet.Plaatsen wij ons nu in het midden van het Museum, dicht bij de klok. Daar zien wij, links, de eerste aanduiding van den vleugel bij de pingouïn van de Zuidpool, en bij zijn broeder de vetgans van het Noorden, maar bij dien een graad verder ontwikkeld. Schubbige, vinachtige vlerkjes die door den glans van hun veeren meer aan visschen doen denken, dan aan vogels. Op vasten grond is hij een zwakkeling; de aarde is hem moeilijk, de lucht onmogelijk. Beklaag hem niet te zeer. De voorziende Moeder heeft hem voor de Poolzeeën bestemd, waar hij nauwelijks te loopen zal hebben. Zij bekleedt hem zorgvuldig met een warmend overtrek van vet, en een ondoordringbaar kleed. Zij wil, dat hij het warm heeft tusschen het ijs. Hoe dat 't beste te bereiken? Zij schijnt te hebben geweifeld, gezocht. Naast de pingouïn ziet men met verrassing de proefneming van een geheel andere soort maar niet minder treffend, als moederlijke voorzorg: het is een zeer zeldzame giervogel, die ik in geen enkel ander Museum gezien heb; gekleed in een ruige pels, als een viervoet, een soort van geitenvel, maar die bij het levende dier, waarschijnlijk meer glans had, en zeker voor het water ondoordringbaar is.Om de vogels, die niet vliegen kunnen bijeen te houden, moet ik met de vorige noemen: den schipper der woestijn, den kameelvogel, de struis, in inwendige struktuur den kameel gelijk. Kon ook, zijn maar evenaangeduide vleugel hem niet van den grond opheffen, hij is hem toch een machtige hulp bij het loopen, waarin hij de uiterste snelheid bereikt. 't Is het zeil, dat hij opzet, als hij zijn dorren Afrikaanschen Oceaan doorkruist.Keeren wij terug tot de pingouïn, het eigenlijk uitgangspunt van de series; de pingouïn wiens rudimentaire vleugel, noch als zeil, noch als hulp bij het loopen kan dienen en niet anders is, dan een aanduiding en ook een herinnering van de natuur.Maar zij maakt zich daarvan los en heft er zich—doch met moeite—boven uit, in een eerste poging tot vliegen, met twee wonderlijke typen, grotesk en verwaand. De pingouïn is dat niet; het eenvoudig, simpel wezen kan men aanzien, dat hij de eerzucht, te willen vliegen, niet kent. Maar hier zijn er, die er boven uit willen, die zoeken de gratie en sier der beweging. DeAlkschijnt een vetgans, die besloten heeft met zijn toestand te breken, en hij zet een koket pluimpje op zijn hoofd,dat hem nog leelijker maakt. De onmogelijke papegaaiduiker, karikatuurvan een karikatuur, de papegaai gelijkt daarop door zijn grooten bek, maar die onhandig toeloopt en de energieke kracht van den ander mist; zonder staart en met zijn lompen zwaren kop is zijn evenwicht steeds in gevaar. Toch waagt hij zich aan vliegen, met de aanhoudende mogelijkheid door zijn topzwaarte om te duikelen. Met nobelen zwier zweeft hij onmiddellijk boven den grond, bron van bewondering en afgunst voor de vetganzen en robben misschien. Ook waagt hij zich wel eens in zee: rampzalig vaartuig! het kleinste windstootje doet het schipbreuk lijden.Maar er is geen ontkomen meer, de eerste stap is gedaan en vogels van verschillende soort zetten het pogen voort en slagen beter. Het rijke geslacht derduikers in zijn verscheidenheid van soorten, vereenigt vliegers met zwemmers. Er zijn er met volmaakte vleugels en vaste sterke vlucht, die het vermogen hebben verre reizen te doen; andere, met nog de glanzende veeren van de vetgans, duiken en spelen op den bodem der zeeën. Hadden zij de vinnen en de ademhaling zij waren volmaakte visschen. Tweeslachtig, beheerschen zij twee elementen.

EERSTE POGEN DER VLEUGELS.

Wie ons Parijsch Museum van natuurlijke historie bezoekt, ongeletterd of onwetend, oververzadigd van geest of ongevoelig, hij zal een oogenblik worden bevangen door eene gewaarwording van eerbied, en zelfs schroom. Dezen indruk geeft, voor zoover ik weet, geen vreemde verzameling. Andere, zooals het schitterend Museum te Leiden, zijn misschien rijker in soorten, maar niet vollediger, niet harmonischer. Die grandiose eenheid wordt instinctief gevoeld, grijpt aan, imponeert. De achtelooze reiziger, detoevallige bezoeker, voelt zich onverwacht getroffen. Hij blijft staan en peínst.

Plotseling geplaatst tegenover dit groote raadsel, die immense hieroglyph, zouden wij zoo gaarne een karakter ontcijferen, een teeken uitvinden. Hoe dikwijls is het gebeurd, dat een werkman, een man uit het volk, verbaasd en onthutst stond door eenigen bijzonderen vorm en ons naar de beteekenis vroeg. Een enkel woord hielp hem op weg, een eenvoudige aanduiding stelde hem tevreden; hij vertrok voldaan, en beloofde terug te komen; terwijl anderen, die in die zee van onbekende voorwerpen niet begrijpend ronddoolden, ontmoedigd en vermoeid weer heengingen.

Hopen wij, dat de verlichte, en wetenschappelijk zoo hoog geplaatste administratie, weer terug zal komen tot de oorspronkelijke statuten van het Museum, dieverklarende bewakersaanwezen, en alléén door hen, die de schatten, die zij hoedden begrepen, ze lieten vertolken.

En een tweede wensch is, dat men naast afbeeldingen van natuuronderzoekers, moge plaatsen, de beeltenissen van kloeke zeevaarders, onversaagde reizigers, die hun leven waagden, duizendmaal, onder moeitevollen arbeid, om ons die schatten te kunnen bezorgen. Waardevol in zichzelf, wordt de waarde daarvan onschatbaar, door den heldenmoed en zielegrootheid van hen, die voor ons die schatten hebben gewonnen. Dat allerliefste kolibrietje, gevleugeld safier, Mevrouw, voor u niet dan een simpel sieraad; weet gij, dat een Azara, een Lesson het meê brachten uit doodademende wouden? Die tijger, wiens schilderachtige huid gij bewondert, weet, dat de onversaagdeLevaillanthem in de jungle heeft moeten opsporen, zich met hem heeft moeten meten in behendigheiden kracht, om hem met zijn kogel den schedel te doorboren. Die kloeke reizigers, in hun gloeiende natuurvereering, zonder middelen, zonder bijstand dikwijls, zijn hem gevolgd in zijn woestenijen, hebben hem verrast en gadegeslagen in zijn geheime schuilplaatsen; honger en dorst, ongelooflijke ontberingen hebben zij zich opgelegd zonder klagen, hun belooning vonden zij in hun werk. Liefde en dankbaarheid vervulden hen bij iedere nieuwe ontdekking. En betreurd hebben zij niets; niet eens den dood van la Perouse, van Mungo Park den dood door schipbreuk, den dood onder barbaren!

Dat zij herleven, hier te midden van ons! Heeft zich hun eenzaam leven afgespeeld ver van dat Europa, dat zij dienden, dat dan hun beeld zich bevinde te midden van eene erkentelijke menigte. Hun beeltenis, met een korte aanduiding van hunne gelukkige ontdekkingen, van wat zij waagden, wat zij verdroegen. Misschien dat menig jongeling door die heldentypen getroffen, den geest van hen vervuld, den drang zal voelen hen na te volgen.

Want dit maakt deze plaats dubbel groot: Helden vonden en verzonden deze schatten, groote mannen ontvingen, schiften, plaatsten ze tot een harmonisch geheel. Tot hen kwam dit alles, als tot een wettigcentrum; hun plaats in de Maatschappij, hun genie maakten het hun mogelijk hier, als het ware, de Natuur te centraliseeren. In de vorige eeuw was het middelpunt der groote wetenschappelijke beweging een man van genie, van gewicht, drievoudig: door rang, betrekkingen en fortuin, den graaf deBuffon. Alle giften van geleerden, reizigers, koningen, kwamen tot hem, deelde hij in, in het Museum. In onzen tijd boeide een nog grootscher schouwspel de aandacht der natiën aan deze plaats; twee immense geesten,neen, meer nog, twee stelsels,—Cuvier en Geoffroy, hebben er gekampt. Ieder koos partij, ieder zond proeven, vóór of tegen, naar het Museum; boeken, dieren of nieuw gevonden feiten. Zoo bleek er nog leven te zijn in die doode verzamelingen; zij trilden nog na van den strijd, bezield door de groote geesten, die al die wezens tot getuigen aanriepen bij hun vruchtbaar tweegevecht.

Ook is de schikking van die verzamelingen geen toevallige. Het zijn zeer volledige seriën, samengesteld door groote denkers. De merkwaardigste overgangen zijn er rijkelijk vertegenwoordigd. Hier kan men beter dan elders de uitspraak bevestigd zien van Linnaeus en Lamark: naar mate zich de Musea verrijken, aanvullen, minder gapingen vertoonen, zal men moeten inzien, dat de Natuurnietin sprongen werkt, maar metgeleidelijkeonmerkbare overgangen. Waar wij in haar gewrochten, een sprong, een leemte, een plotselingen onharmonischen overgang meenen te ontdekken, daar mogen wij ons zelf beschuldigen: die gaping is onzeonwetenheid.

Verblijven wij een oogenblik bij een van die plechtige momenten, als in het nog onzekere leven eene weifeling is, als de Natuur zichzelve schijnt te ondervragen en haar wil te zoeken. „Zal ik visch of zoogdier zijn?” spreekt het wezen; hij aarzelt en blijft visch, maar met warm bloed. Het is het goedige, zachtaardige geslacht der zeekoeien en robben. „Zal ik vogel of viervoet wezen,” veelomvattende vraag, verwarrende weifeling, lange en wisselende strijd. Al de ontknoopingen worden ons verhaald, de verschillende oplossingen van naïef gestelde problemen, gerealiseerd, door bijzondere wezens. Het vogelbekdier, dat van den vogel alléén den bek heeft; de arme vleermuis, onschuldig enteeder wezen in zijn familieleven; zijn onzekere vorm maakt hem leelijk en verafschuwd. Bij hem ziet men, hoe de natuur den vleugel zoekt, en niet anders vermag voort te brengen dan een afschuwelijke harige huid, maar die toch als vleugel dienst doet.

„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”

„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”

„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”

Maar de vleugel maakt nog den vogel niet.

Plaatsen wij ons nu in het midden van het Museum, dicht bij de klok. Daar zien wij, links, de eerste aanduiding van den vleugel bij de pingouïn van de Zuidpool, en bij zijn broeder de vetgans van het Noorden, maar bij dien een graad verder ontwikkeld. Schubbige, vinachtige vlerkjes die door den glans van hun veeren meer aan visschen doen denken, dan aan vogels. Op vasten grond is hij een zwakkeling; de aarde is hem moeilijk, de lucht onmogelijk. Beklaag hem niet te zeer. De voorziende Moeder heeft hem voor de Poolzeeën bestemd, waar hij nauwelijks te loopen zal hebben. Zij bekleedt hem zorgvuldig met een warmend overtrek van vet, en een ondoordringbaar kleed. Zij wil, dat hij het warm heeft tusschen het ijs. Hoe dat 't beste te bereiken? Zij schijnt te hebben geweifeld, gezocht. Naast de pingouïn ziet men met verrassing de proefneming van een geheel andere soort maar niet minder treffend, als moederlijke voorzorg: het is een zeer zeldzame giervogel, die ik in geen enkel ander Museum gezien heb; gekleed in een ruige pels, als een viervoet, een soort van geitenvel, maar die bij het levende dier, waarschijnlijk meer glans had, en zeker voor het water ondoordringbaar is.

Om de vogels, die niet vliegen kunnen bijeen te houden, moet ik met de vorige noemen: den schipper der woestijn, den kameelvogel, de struis, in inwendige struktuur den kameel gelijk. Kon ook, zijn maar evenaangeduide vleugel hem niet van den grond opheffen, hij is hem toch een machtige hulp bij het loopen, waarin hij de uiterste snelheid bereikt. 't Is het zeil, dat hij opzet, als hij zijn dorren Afrikaanschen Oceaan doorkruist.

Keeren wij terug tot de pingouïn, het eigenlijk uitgangspunt van de series; de pingouïn wiens rudimentaire vleugel, noch als zeil, noch als hulp bij het loopen kan dienen en niet anders is, dan een aanduiding en ook een herinnering van de natuur.

Maar zij maakt zich daarvan los en heft er zich—doch met moeite—boven uit, in een eerste poging tot vliegen, met twee wonderlijke typen, grotesk en verwaand. De pingouïn is dat niet; het eenvoudig, simpel wezen kan men aanzien, dat hij de eerzucht, te willen vliegen, niet kent. Maar hier zijn er, die er boven uit willen, die zoeken de gratie en sier der beweging. DeAlkschijnt een vetgans, die besloten heeft met zijn toestand te breken, en hij zet een koket pluimpje op zijn hoofd,dat hem nog leelijker maakt. De onmogelijke papegaaiduiker, karikatuurvan een karikatuur, de papegaai gelijkt daarop door zijn grooten bek, maar die onhandig toeloopt en de energieke kracht van den ander mist; zonder staart en met zijn lompen zwaren kop is zijn evenwicht steeds in gevaar. Toch waagt hij zich aan vliegen, met de aanhoudende mogelijkheid door zijn topzwaarte om te duikelen. Met nobelen zwier zweeft hij onmiddellijk boven den grond, bron van bewondering en afgunst voor de vetganzen en robben misschien. Ook waagt hij zich wel eens in zee: rampzalig vaartuig! het kleinste windstootje doet het schipbreuk lijden.

Maar er is geen ontkomen meer, de eerste stap is gedaan en vogels van verschillende soort zetten het pogen voort en slagen beter. Het rijke geslacht derduikers in zijn verscheidenheid van soorten, vereenigt vliegers met zwemmers. Er zijn er met volmaakte vleugels en vaste sterke vlucht, die het vermogen hebben verre reizen te doen; andere, met nog de glanzende veeren van de vetgans, duiken en spelen op den bodem der zeeën. Hadden zij de vinnen en de ademhaling zij waren volmaakte visschen. Tweeslachtig, beheerschen zij twee elementen.


Back to IndexNext